Lezen

Vergeten liefde

Vergeten liefdeKaren en Vera kamperen wild met de fiets en de tent in Frankrijk. De avond valt en ze hebben hun tenten aan de rand van een groot meer aan een wildpark opgezet. Het is nog steeds warm. Vera staart over het water, benaderd haar langs achteren en slaat zijn armen rond haar.Karel: ‘Ik heb je.’Vera: ‘Dat had je gedacht.’Karel: ‘Kan je weg? Nee. Dus ik heb je.’Vera: ‘Er is hebben en hebben. Mijn vlees kan je bezitten, maar heb je mijn hart?’Karel: ‘Zou je de benen openen zonder hart aan iemand?’Vera: ‘Was je verliefd op al je andere veroveringen?’Karel: ‘Voor een man ligt dat anders…’Vera: ‘Hoezo? Hebben jullie geen hart?’Karel: ‘Oh jawel. Ken je dat liedje Ik hou van alle vrouwen, mijn hart is veel te groot.?Vera: ‘Van Hans De Booy. Van één mag ik maar houden zo geef ik het maar nooit.’Karel: ‘Dat is niet fair. De één vrouw is de andere niet. Jij bent…’Vera: ‘Anders?’Karel: ‘Jij bent uniek.’Ze draait zich om in zijn armen.Vera: ‘Hoe uniek?’Karel: ‘Kom mee de tent in en ik zal het je laten zien.’Vera: ‘Zo kom je er niet vanaf. Ik wil je woorden horen.’Karel: ‘Je bent mooi.’Vera maakt zich los uit zijn armen en doet een stap achteruit tot in het riet. Langzaam kleedt ze zich voor hem uit.Vera: ‘Beschrijf me.’Karel staart haar aan.Karel: ‘Je bent als een wilde orchidee.’Ze verwijdert haar BH.Karel: ‘Je borsten zijn als rijpe meloenen.’Hij zet een stap naar voor en zij wijkt achteruit.Vera: ‘Ga door.’Ze maakt haar kastanjebruine haren los, stapt uit haar broekje en strekt haar armen uit naar de volle maan.Karel haalt stokkend adem als hij vervolgt:Karel: ‘Je haren vlammen op als een reddende kaars in het duister. Je benen zijn slank en gespierd als een gazelle.’Ze draait zich om en stapt sierlijk verder het riet in. Hij volgt haar als in een droom.Vera: ‘Dat was het?’Karel: ‘Nee. Je beweegt je als een kat. Elke beweging in harmonie en doelbewust.’Vera strekt zich nog eens uit voor ze in het water duikt. Karel duikt haar onstuimig achterna. Ze zwemt een aantal meters voor hem uit.Vera: ‘Je woorden klinken als honing mijn lief. Ben ik de honingpot of de dief?’Lachend duikt ze onder als hij bijna bij haar is. Een hand sluit zich rond zijn been en trekt hem speels naar beneden. Karel gaat kopje onder en probeert haar te grijpen. Ze blijft buiten zijn bereik.Karel: ‘Je bent een kleine feeks.’, proest hij uit.Vera: ‘Dat klinkt niet lief.’, zegt ze met een pruilmondje.Karel: ‘Nee, ik verander van tactiek. Laten we De getemde feeks spelen van Shakespeare.’Vera: ‘Je neemt je verlangens voor bevelen Casanova. Nooit de vrouw bezitten voor je ze plat krijgt. Dichterlijke vrijheid van het vel van de beer.’ , lacht ze uitgelaten.Karel: ‘Goed, dan haal ik mijn buit en trek haar bij de haren tot in de grot en schenk je me heel de nacht genot.’Vera: ‘Kom dan in mijn web, schitterende vlieg. Voel de draad van mijn triomf als Ik je bedrieg.’Karel tracht naar haar toe te zwemmen maar wordt aan zijn voet tegengehouden en gaat terug kopje onder.Vera: ‘Jouw liefde stelt niets voor. Onecht en van korte duur. Wat je drijft hangt tussen je benen. Vrouwen zijn voor jou wegwerpartikelen als je vuur werd geblust. Mijn zus wilde niet meer leven toen je haar verliet!’In paniek voelt Karel de Colsonband rond zijn enkel waaraan een vislijn hangt.Karel: ‘Je zus?’Vera: ‘Jouw kind stierf in haar schoot en je beantwoorde niet eens haar brieven of berichten. Op de dag van haar dood lag je in de armen van een andere vrouw. Ze was de enige die ik nog had na de dood van onze ouders. Aan haar graf zwoer ik haar trouw. Voor haar en al die andere meisjes zal dit water de laatste streling zijn.’Karel: ‘Neeeeeee.’Vera haalt de vislijn aan die onder een boom doorloopt ongenadig aan tot Karel nog juist haar kan zien terwijl hij verdrinkt. Met zijn gezicht onder water waar de laatste luchtbellen uit zijn longen ontsnappen, kust ze hem op zijn blauwe lippen.Vera: ‘Ik ben de dief.’   PersonagesKarel Passers; Intelligent welbespraakt, elegant, playboy, arrogant Vera Deleen; Intelligent, charmant, mooi, doortrapt, haatdragend.  

Fanny Vercammen
0 0

kattenstreken

Trippel, trappel, tik tik tik tik: ik hou van mijn kat. Wanneer ik hem hoor lebberen aan zijn met vers water gevulde bakje, overvalt me een warme gloed. Wanneer ik 's nachts een vechtpartij hoor, ben ik ongerust. En wanneer ik in de zetel lig, en hij zijn pootje om me heen slaat, als gaf hij een knuffel - ronkend, spinnend en soms een diepe zucht van geluk slakend - aai ik hem zachtjes over de kop. En hoewel dat kleine kopje het niet zal bevroeden, wurmde deze speelkameraad zich de laatste dagen in het brandpunt van mijn belangstelling.   Vrijdag zat hij met kwispelende staart voor de radiator, op zijn qui vive - de laatste keer dat ik hem zo zag was hij in de weer met een muisje - en ook nu, zo bleek, voor de tweede maal in zijn 4- of 5-jarig bestaan, was hij erin geslaagd zo'n exemplaar het huis binnen te loodsen. Voor ik het wist was ik in de weer met stokken en meetlatten om dat muisje uit zijn schuilplaats te krijgen. Wat doe ik hier? vroeg ik me af, nog net niet kwispelstaartend en miauwend. Is dit wel ethisch verantwoord? En een uur later overviel me nog een andere gedachte: dat het echt wel tijd is om te verhuizen. "Denk eraan: een goede beha is een beha die je de hele dag niet voelt" had ik zonet vertaald, en ik dacht: ik voel dit huis veel te veel. Herinneringen, als geesten in een fles. Ze zijn overal. En dan ook: die slechte akoestische isolatie - alwaar je op het ritme van de buren leeft. Om over de Vervaarlijk Spuwende Buurman nog te zwijgen. Die appelleerde eerst aan mijn kolerieke kant, maar opende ook mijn ogen: het is misschien tijd om van perspectief te veranderen - een nieuwe leefomgeving. Iets wat ik volgens een van mijn beste vrienden al heel lang had moeten doen. Maar ik wist: eerst de wonden likken. Misschien is dat nu wel gebeurd.   Een andere eye opener kwam er toen ik Treindromen van Denis Johnson las: de hoofdpersoon wordt verrast door een vraag omtrent zijn (vermeende) kluizenaarschap. En ook ik was als lezer verrast: die man leefde zijn leven, stond er niet bij stil dat hij misschien toch niet helemaal beantwoordde aan gangbare standaarden en levenswijzen. Dat is oké, zolang je je er zelf goed bij voelt: niemand kwaad doen en een beetje geluk puren uit het bestaan, is ook voor mij zowat de leidraad.Ik hoef geen vijf continenten te zien, bergen af te stormen en schouderklopjes te krijgen. Maar ik wil wel het gevoel krijgen zo toch te voldoen aan de eigen verwachtingen - en op dat vlak lijkt het me tijd nu stap voor stap, prikkel per prikkel wat meer actie te ondernemen. Verhuizen, ook al hoeft het niet vandaag, is één van die zaakjes. En wat dan met deze kat die een tuin gewoon is? Hoezeer komt hij in the equation? Zéér. En terwijl hij daar zo wat ligt te gapen, denk ik: je moest eens weten kleine jongen. Al die avonturen die ons nog te wachten staan.

Guy Bourgeois
39 0

de stilte voorbij

Is dit het dan… ? Vanop mijn hotelbed staar ik naar de chaos dicht bij huis, De beelden maken me ongemakkelijk, ik weet niet goed wat ik ermee moet, duizenden kilometers van huis, wie te bellen, ik kan niets doen, moet ik mijn facebook foto in het blauw-wit-rood laten kleuren, ik twijfel… Misschien zit de curry van gisteren er voor iets tussen maar ik voel me misselijk. Ik wil vluchten en sluit me op in de badkamer om enkele minuten later opnieuw vol ongeloof naar dezelfde loop aan news feed te staren. Het is een vreemd gevoel, te beseffen dat wanneer je aan de andere kant van de wereld bent, ook thuis erg snel ver van je bed wordt. Dat ook thuis met een simpele druk op de knop uit beeld kan verdwijnen wanneer er de oorlog verklaard wordt. Met een handgebaar bevestig ik mijn eigen onmacht en trek ik de deur achter me dicht.   Warm omringd door mijn lokale familie blijven de woorden in mijn hoofd nazinderen en overstemmen ze het gewoel van de Indische grootstad. Een oorlogsdaad waar tegen een land gepaste maatregelen moet nemen. Wat betekent dat, wie wéét überhaupt wat gepast is in deze situatie? Het klinkt als een déjà vu waarvan we allemaal het resultaat kennen en ik begrijp het niet, moeten we niet uit de fouten van het verleden leren? Is dit niet wat men al van kleins af aan probeert, de herinnering levend houden om ons kennis te laten maken met kernbegrippen waarvan we hopen dat ze óóit de hoeksteen van onze samenleving zullen vormen? Solidariteit, empathie, op een vredevolle manier met conflicten omgaan, rechtvaardigheid, mensenrechten…herdenken we niet, om niet te vergeten? Hoe komt het dan dat bij een nieuwe ‘aanval op de vrijheid’ onze leiders deze basislessen als eerste over boord lijken te gooien en vanuit een politieke onmacht toevlucht zoeken tot het bekampen van geweld met meer geweld. Is geweld dan werkelijk het enige antwoord dat we te bieden hebben?   Het is een aanval op de vrijheid, door vijanden van de vrijheid. De leegte van deze ongezouten woordensoep krijg ik niet verteerd. Ligt de vrijheid al niet veel lang onder vuur? 4 jaar lang sterven mensen in een conflict, een gevecht voor mensenrechten gekaapt door extremisme. 4 jaar lang, moorden, vluchten, kinderen tot moordmachines, vrouwen tot seksslaven, gewone mensen op zichzelf aangewezen, gesust in massagraven die met mondjesmaat hun weg naar de buitenwereld vinden. Duizelingwekkende aantallen symboliseren heel duidelijk een zoektocht naar de vrijheid, tellen zij dan niet? Vinden zij geen plaats in de vrijheid? Of is het pas wanneer de bootjes effectief in onze veilige haven aanmeren en de bom in onze eigen straat ontploft dat we de dingen bij naam kunnen noemen? De parameters om ‘te behoren tot’ ontgaan me.. vluchteling, Europeaan, muzikant? Kleurling zijn we allemaal, wist u dat? We zijn mens en dat zou moeten volstaan.   Vanuit een populistische retoriek wordt op voorhand het excuus de wereld ingestuurd. We sussen onszelf en adverteren dat een éénzijdige reactie een evenwaardige, zoniet overtreffende tegen-actie mag verwachten. Actie en reactie - aanval en tegenaanval - wij gaan in de aanval, klinkt logisch, toch? Een logica die niet veel kritische zin kan verdragen als je het mij vraagt, een fantoomreactie. Op iedere hoek van de straat worden pionnen strategisch geplaatst, serieuze legerduo’s nemen hun plaats in en zware militaire wagens maken de setting compleet. Miljoenen spenderen we als overheid, dagelijks, terwijl het extremisme lacht en in de vorm van een nieuwe knal, ons vanop afstand dankt om in te gaan op hun verzoek.   Na het jaren allemaal een beetje uit te zitten, in de hoop dat extremisme als een modegril is en de droom van een kalifaat even vluchtig zal zijn als de laatste hipster-hype, lijkt tijdig wegzappen het enige dat we nog kunnen doen. De man in de straat kan niet volgen, haakt af en vervalt in onverschilligheid. We vergeten dat er mensen aan het peddelen zijn voor hun leven, dat ze ronddobberen, ergens. Dat kinderen, in diezelfde roes verwekt, op zoek zijn naar een plaats in deze wereld. Waar bent u, 4 jaar later, wat valt nog binnen uw beeldbereik? Waar zijn wij? Laten ook wij onze menselijkheid misbruiken door een cocktail van extremisme en indoctrine of kunnen wij ons de Arabische lente toe-eigenen in deze donkere dagen voor Kerst? Kunnen we hem hier terug tot leven wekken en het mens-zijn aan hoop doen ontspruiten? Kunnen we samen buiten komen, met warmte, solidariteit en begrip als enige antwoord. tégen radicalisering, tégen onverdraagzaamheid. Kunnen we samen, als een samenleving de cliché voorbij, het extremisme doodzwijgen?    

An Cornelis
8 0

Moezomoe

Moe, denkt Han, zo moe. De avond ervoor kroop hij op tijd in bed. Hij had nog wat in te halen. Maar de slaap waar hij zo naar verlangde, liet hem in de steek. Hij staarde naar het plafond. Na twee uur staren, wist hij dat de volgende dag een kwelling zou worden. Door hier aan te denken, staarde hij nog een uur langer.Zijn ogen doen pijn, zijn verstand is bevroren. Hij weet het, vandaag zal hij aan veel werkjes beginnen maar niets afwerken. En vandaag, weet hij ook, wordt een lange dag. Han heeft medelijden met zichzelf. Moe, zo moe, o zo moe. Denk eens aan iets anders, denkt hij. Hij staart naar zijn handen, die lamlendig naast zijn klavier liggen. Hij moet iets doen, want niets doen, maakt de dag alleen maar langer. Han kijkt naar zijn scherm. Er staan ongelezen e-mails in zijn mailbox. Lezen doet pijn. Zelfs zijn haar doet pijn. Hij opent een ongelezen e-mail. Hij zucht. Zijn hoofd wankelt en kantelt. Een andere e-mail dan maar, een eenvoudig probleem: in een fiche in de databank twee cijfertjes vervangen door twee andere cijfertjes. Dat moet lukken.Han opent de databank en dan de bewuste fiche. De twee cijfers die aan vervanging toe zijn, vindt hij meteen, maar de twee nieuwe cijfers kan hij zich niet meer herinneren. Hij opent opnieuw de e-mail, zoekt en vindt de nieuwe cijfers, sluit de e-mail, opent de fiche in de databank, vindt de oude cijfers en is klaar om de nieuwe cijfers in te vullen.Hij vloekt binnensmonds, sluit het scherm van de databank, opent de e-mail, zoekt en vindt de nieuwe cijfers. Hij noteert ze op een papiertje, sluit de e-mail, opent de databank, kijkt naar het papiertje, memoriseert de twee cijfers, kijkt naar zijn scherm en… Telefoon. ‘Neen’, denkt Han, ‘Eerst dit even afwerken’. Met de nieuwe cijfers als een mantra in zijn hoofd, legt hij zijn rechterhand op het cijfergedeelte van zijn klavier, maar als hij de cijfers in wil tikken, stopt de mantra.Op normale dagen, meermaals per dag en dit al meer dan acht jaar lang, neemt Han de telefoon op en zegt hij: ‘Uitgeverij Novum, met Han?’Deze keer stoot hij een sputterende bromtoon uit, iets wat vaagweg klinkt als ‘Han, Novum, uitgeverij, hallo?’ Aan de andere kant van de lijn hoort hij een ernstige mannenstem. Er is een probleem, het is dringend en Han moet het probleem oplossen. De man heeft zich niet voorgesteld, beseft Han. Het zal wel weer een professor, advocaat of rechter zijn, dus probeert hij zijn kalmte te bewaren en beleefd te blijven. Dat lukt wonderwel en op automatische piloot. Han stelt de man gerust, hij zal er alles aan doen om het probleem meteen aan te pakken en indien mogelijk ook op te lossen. De man klinkt tevreden, dankt hem en na het wensen van een prettige dag, legt Han neer. Hij is opgelucht, want het is voorbij. Hij leunt even achterover en denkt na. Wat was nu precies het probleem? Han weet het niet meer. En wie de man aan de lijn was, weet hij dus ook niet. Het is hopeloos, dat weet hij. Han opent het scherm van de databank en zoekt het papiertje met de nieuwe cijfers. Hij kan het nergens vinden. Het is op onverklaarbare wijze verdwenen. Deze dag zal duren tot in de eeuwigheid. Moe, zo moe.

J. De Vries
0 0

DE WEG NAAR DE EEUWIGHEID

Ik hol de ziel uit mijn lijf om de laatste bus te halen, maar dreig alsnog te laat te komen. Ik hap naar adem als een vis op het droge en voel een stekende pijn in mijn borst. Om de laatste kilometer naar de bushalte in te korten, besluit ik de weg door het nachtelijke park te nemen, hoewel er een storm woedt.   In het park hangt een onaardse sfeer. Dorre bladeren ritselen als opgejaagde ratten door mijn voeten, terwijl de kale twijgen van de bomen rusteloos heen en weer zwiepen als nijdige geselroedes. Het heeft iets sinisters. Tijdens de zomermaanden klinkt hier het gefluit van vogels en ligt het grasveld bezaaid met mensen die zich koesteren in de zon. Nu huilt er een ijzige wind door de bomen en raakt het gazon stilaan verborgen onder een dun laagje poedersneeuw. Ik trek mijn schouders hoog op en maak haast.   In het schijnsel van een lantaarn zie ik plots een man opdoemen. Ik voel mijn adem stokken. De man, mager als een Biafraan, heeft een grote zeis in zijn handen. Een zeis? In de winter! Ik hou mijn stappen in, maar hij roept me vriendelijk toe: “Je hoeft niet bang te zijn. Ik ben geen terrorist!” Ik ga langzaam nader.   “Wel een vreemd seizoen en een ontiegelijk laat uur om het gras te maaien,” tracht ik mijn onrust weg te lachen.   “In mijn stiel zijn seizoenen en uren van geen tel,” antwoordt hij met diepe stem, “hoewel ik moet toegeven dat ik in de winter doorgaans meer werk heb dan ’s zomers.” Ik weet niet precies wat hij bedoelt en lach een beetje ongemakkelijk.   “Sorry, maar ik moet me haasten voor mijn bus,” zeg ik. Hij kijkt me doordringend aan en doet een stap opzij. Nadat ik hem gepasseerd ben, hoor ik een suizend geluid en even meen ik een snijdende pijn in mijn nek waar te nemen. Maar het is mijn verbeelding die me parten speelt, want ik kan ongehinderd doorlopen.   Wanneer ik het park verlaat, zie ik de laatste bus net wegrijden. Ik slaak een luide vloek. Thuis geraak ik niet meer en geld voor een hotelkamer heb ik niet. Ik denk even na en besluit te overnachten in het portaal van een winkel. Ik leg me neer op de grond en rol me op als een egel. De vloer is koud en hard als graniet, maar ik lig droog en beschut tegen de wind. Ik wurm mijn mond in mijn kraag en adem in mijn kleding om mijn pijnlijke borst te verwarmen. Uitgeput val ik in slaap. Ik word gewekt door een zacht getsjilp. Ik open mijn ogen en zie een vogeltje naast me zitten. Het beweegt zijn hoofdje bliksemsnel over en weer. De borst van het diertje is rood als bloed. Ik krabbel overeind. Het vogeltje wipt de straat op en blijft op de stoep naar me staan tsjilpen. Ik verlaat het portaal en voel een deugddoende zonnestraal op mijn gezicht vallen. De wereld is bedekt met een maagdelijk wit tapijt, waartegen de rode borst van het vogeltje fel afsteekt. Er heerst een vredige rust. De dikke laag sneeuw dempt elk geluid. Het is haast sprookjesachtig.   “Tsjilp tsjilp tsjilp.” Het kleine vogeltje heeft zich enkele meters van me verwijderd en huppelt nerveus heen en weer. Het lijkt me achter zich aan te willen lokken. Zijn fijne pootjes laten een onleesbaar geschrift achter in de sneeuw. Ik volg het diertje en loop het park in. De stormwind, die gisteren de takken deed zwiepen en slaan, is bedaard. Er heerst nu een hemelse rust. Ik loop verder. Hoewel er ijspegels aan de takken hangen, heb ik het niet koud. De sneeuw, waar ik tot aan mijn enkels inzak, kraakt onder mijn voeten en dringt in mijn schoenen. Toch worden mijn voeten niet nat.   “Tsjilp tsjilp.” Het vogeltje zit nu boven me op een tak. Wanneer het opvliegt, laat het een pak poedersneeuw op me neerdwarrelen. Ik wrijf mijn ogen uit en kijk om me heen. Ik merk dat ik me op een plek bevind die omzoomd is door een ondoordringbare muur van heesters. Het lijkt alsof ze zich rondom mij hebben gesloten. Ik zie geen uitweg meer. En dan klinkt plots een zachte stem die mijn naam roept. Ik kijk op en ontwaar een witte gedaante. Ze wenkt me met een teder gebaar. Ik loop op haar toe, maar wanneer ik haar nader, trekt ze zich terug tussen de struiken. Geen blad beweegt wanneer ze langs de takken strijkt. Ze is als een nevel die er doorheen waait. Ik worstel me door de heesters. Dikke pakken sneeuw vallen me in de nek, maar het voelt niet koud aan. Wanneer ik aan de andere kant het dichte struikgewas verlaat, word ik begroet door een hoop mensen in wit gewaad die op me afkomen. Ze leken me op te wachten en ontvangen me als een koning. Wanneer ik hen beter bekijk, herken ik mijn moeder en mijn vader, mijn grootouders, enkele ooms en tantes… allemaal mensen die me in de loop van mijn leven zijn ontvallen. Een eind achter hen ontwaar ik de man met zijn zeis. Hij knipoogt geruststellend. Ik slaak een diepe zucht en berust in mijn lot.   (Dit is een fragment uit mijn roman "Tot ziens, Marianne" die in wekelijkse delen op azertyfactor verschijnt)

Lou Van Lier
0 0

Isabelle [Hoofdstuk 4]

4                                                          Klokslag zeven uur stond hij voor de glazen pui van het gebouw. Even later stapte John uit de lift en kwam naar de uitgang. “Goed je weer te zien, Lars. Hoe gaat het?” “Zoals ik je schreef, het kan beter.” “Laten we direct gaan eten, ik weet een goed Japans restaurant in de buurt. Over anderhalf uur moet ik terug zijn op kantoor.” “Ga je hierna weer aan het werk?” vroeg Lars verbaasd. “Ik moet wel, het is vreselijk druk. Tegenwoordig ben ik elke avond aan het werk, zelfs op zaterdag.” Het restaurant was gevestigd aan 51st street, ruim opgezet met louter Japanse gasten. De toegewezen tafel naast de deur was niet wat John voor ogen had. In vloeiend Japans sprak hij de gastvrouw aan, met als gevolg dat er snel een betere plek werd aangeboden. Lars glimlachte, dat gedoe had hij vaker meegemaakt. Altijd was er wel een issue en altijd wist John de aandacht op zich te vestigen. Wellicht omdat hij iets luider sprak dan de gemiddelde Amerikaan, licht raspend met dat typisch New Yorkse accent. Hij wenkte de serveerster en schakelde over op het Japans. Even later werden er een schaaltje edemame, sake en twee glazen water geserveerd. Lars keek naar zijn kameraad die zich direct op de sojaboontjes stortte en ondertussen de Nederlandse politiek ter sprake bracht. Zelfs in Amerika hield John zich op de hoogte door regelmatig de website van NRC Handelsblad te lezen. Het laatste restje haar dat hij nog had, was gemillimeterd. Ze waren even oud, achter in de veertig. Buiten zijn nagenoeg kale hoofd en grijs haar vertoonde John nog geen trekken van ouderdom. Slank van postuur en een glad bijna jongensachtig gezicht. Anders dan ik, dacht Lars, met wallen onder mijn ogen en een beginnend buikje. Alsof John zijn gedachten kon lezen, vroeg hij plots: “Hoe kan het dat jij al je haar nog hebt?” “De genen van mijn opa. Die was op zijn zeventigste nog niet kaal.” “Lucky man,” zei John terwijl hij een slok water nam. “Valt wel mee, ik heb geen cent te makken. Dit jaar...”  “Gelul,” riep John, “je hebt al jaren een eigen bedrijf, je kan je een trip naar New York veroorloven.” “Dat is het ’m nou juist. De zaak loopt voor geen meter. Het is al september en ik heb nog geen zesduizend euro omzet. Twee keer per week moet ik bijklussen als koerier voor DHL.” “Maar wel even naar New York.” “Betaald met mijn credit card, de klap komt later,” zuchtte Lars. John zweeg en gooide een boontje terug in het schaaltje. “Weet je, ik ben blij dat ik drie jaar geleden ben teruggegaan naar de States.” “Alsof het hier zo goed gaat.” Hij fronste zijn wenkbrauwen: “You know Lars...” Als hij zo van wal stak  dan volgde er een betoog. Minutenlang zou John aan het woord zijn en uitleggen dat, in dit geval, Amerika zich veel beter door de crisis sloeg dan Europa. De kans werd hem ontnomen door de serveerster die de bestelling kwam opnemen. Zonder de menukaart te bekijken, somde John een aantal gerechten op. De jonge dame noteerde het vluchtig en verdween geruisloos. “Nice face but a little too skinny.” Geen enkele vrouw ontsnapte aan zijn oordeel. “Hoe gaat het met Majimi?” “We zien elkaar nauwelijks, maar ze is goed voor me. Beter dan mijn ex in elk geval. Hoe gaat het met jouw gezin eigenlijk?” Lars pakte zijn telefoon en toonde foto's van zijn dochtertje. John glimlachte: “Hoe oud is ze is nu?” “Zeven. De tijd vliegt.” “Waar blijft nummer twee?” “We zouden wel willen, maar je hebt geen idee wat een kind kost.” “Elena studeert nog steeds?” “Yep, ze is zelfs aan een nieuwe studie begonnen. Rechten, dat brengt dus ook niks in het laatje.” John tikte met zijn vinger op de tafel. “She will, in time.” “Weet ik, alleen heb ik daar nu geen zak aan. Het water staat me tot aan de lippen.” “...tot aan mijn lippen,” herhaalde John. “Waarom zit het Nederlands vol met vreemde uitdrukkingen en gezegden.” “The ship is going down, John, om het in het Engels te houden.” “Cut the crap, Lars. You are here on a mission.” “Ik weet het, maar als het met die app niet lukt dan ben ik echt de lul.” Lars pakte een kannetje sake en schonk voor beiden in. De serveerster kwam na enkele minuten met de eerste gerechten. Met stokjes eten was geen probleem voor hem, een gegrilde vis fileren met dat gereedschap was van een andere orde. Zijn vriend had het vel teruggeslagen en gebruikte zijn gerei om stukjes vis van het kraakbeen te scheiden. “Dus morgen ga je naar MobileWeek?” vroeg John. “Daar moet het gebeuren.” Hij pakte zijn iPhone en liet een paar afbeeldingen zien van de app. “WordSnake heet het, toch?” “Ja, een wordgame. Het idee is om een nieuw woord te maken beginnend met de laatste letter van je tegenspeler. Je hebt de keuze uit tien willekeurig gekozen letters. Het heeft iets weg van Scrabble. De puntentelling is hetzelfde. Dus hoe langer het woord, hoe meer punten. Vorm je een woord van zes letters dan verdubbelt de woordwaarde, bij zeven letters drie maal, acht vier maal, en zo verder.” “Looks nice, dude.” Lars glimlachte. Voordat hij naar New York was vertrokken had hij een flow chart gemaakt van het spel en ter illustratie een aantal photoshop bestanden. Het enige wat nog ontbrak was een non-disclosure agreement. “Ik heb een nda voor je opgesteld,” zei John. Uit zijn binnenzak pakte hij een envelop en haalde er een gevouwen vel papier uit. “Alles staat op één blad, makkelijk als je het moet printen of kopiëren.” Hij wees op verschillende open regels. “Jij tekent onder Discloser, degene met je wie onderhandelt onder Participant. Laat die persoon zo veel mogelijk gegevens van zichzelf invullen. En vergeet de datum niet.” “Dus dit moet genoeg zijn?” John nam een slok water. “Een nda waarborgt geheimhouding, maar in de praktijk valt dat tegen.” “Dan heb ik er weinig aan.” “Juridisch ben je gedekt natuurlijk. Het is meer om aan te geven dat men niet met een sukkel te maken heeft.” Lars schoot in de lach. “Tuurlijk.” “Het staat ook als pdf-bestand in je mailbox.” “Cool.” De serveerster zette twee houten plateau’s rauwe vis op tafel. Met een lichte buiging zei ze iets wat John wederom leek te negeren. Hij deed zijn handen uiteen: “Sashimi Maguro. Zowel Chu-toro als O-toro en Akami natuurlijk.” “Mijn Japans is niet meer wat het geweest is, John.” “Come on, man. You know this. Tuna, the best parts of it.” “Wat zei die serveerster nou eigenlijk?” “Het spijt me dat u zo lang heeft moeten wachten.” “Wachten? We hebben net de yellow tail achter de kiezen.” “Dat zeggen ze altijd bij het hoofdgerecht.” De serveerster bracht even later twee kommetjes rijst ter completering van de maaltijd. “Heb je plannen voor vanavond?” vroeg John. “Geen idee, misschien kunnen we nog ergens een biertje drinken.” “Helaas, ik was al blij er even tussenuit te kunnen.” Hij tilde het deksel van zijn kommetje op. Bovenop de dampende rijst lag een rauwe eierdooier. “Nice. Tegenwoordig hoef ik er niet meer om te vragen.” Lars wilde nog wat sake inschenken. “Dat spul verdampt veel te snel,” zei hij en keek om zich heen of een serveerster hem in de gaten had. John knikte kort met zijn hoofd in de richting van de keuken. Direct kwam een dame aangesneld en posteerde zich voor de tafel. Na een kort ‘Hai’ verdween ze weer. Met jaloersmakend gemak schakelde John van het Engels naar het Japans en terug naar het Nederlands. “Japanse serveersters staan ietsje verder van de tafel af dan hun westerse collega’s. Ze zijn beleefder en lopen niet te eh.. how did you call that, pezen voor hun fooi.” “Haagse straattaal, John. Dat je dat nog weet.” “De jongens op kantoor vonden het leuk om zo nu en dan plat Haags te praten.” Hij volgde het voorbeeld van zijn vriend en roerde de eierdooier door de rijst. De sake werd geserveerd, waarop John het kannetje pakte en alleen Lars’ cupje inschonk. Deze sloeg het direct achterover. “Bijna drie jaar heb je toch in Japan gewoond?” “Klopt. ”  “En dan ontmoet je het meisje van je dromen. Waarom ben je daar niet gebleven?” “Na mijn studie kon ik geen werk vinden, dus zijn we uiteindelijk naar the States gegaan.” Toen hij voor beiden sake wilde inschenken, hield John zijn hand boven het cupje. “Wil je echt niet meer?” “Ik moet zo meteen weer aan het werk.” Hij leunde achterover en legde zijn handen in zijn nek. “Waarom ga je vanavond niet naar Provoc in het meatpacking district? Kan interessant zijn voor je. Er lopen genoeg dudes rond die in de mobile industry zitten.” “Wat is dat voor tent? “Cool en hip.” “Waar zit het precies?” “Ik schrijf het op.” Hij pakte een visitekaartje uit zijn zak en schreef het adres op de achterkant. “Een van de security guys ken ik goed. Koreaan van origine, klein van stuk, but very tough. Geef hem dit kaartje en hij laat je binnen. Ik ga ervan uit dat hij werkt vanavond, maar de zaak gaat pas om elf uur open.” Lars bekeek het kaartje. Onder het adres stond: ‘Thx, John’

Ted H.P. de Wolf
0 0

Blogposts: Het Primarkritueel www.groenig.net

Een paar keer per jaar springen we voor dag en dauw in de auto om naar Luik of Eindhoven te rijden, naar de budgetketen Primark. Ik nam enthousiast deel aan die tripjes, tot voor kort. Tot het me begon te dagen dat niets van wat ik daar kocht lang op mijn 'te dragen'lijstje bleef. En ik genoeg had van de hysterisch om zich heen grijpende vrouwen op zoek naar een vijfde hilarische onesie 'maar dan in een àndere kleur'. Maar waarom altijd Primark? Is het de bedoeling Primark te bashen? Niet helemaal, het is immers niet de enige kledingketen die het niet zo nauw neemt met hun productieketen, waarschijnlijk wordt alles van andere ketens in dezelfde fabrieken geproduceerd. Maar, nergens anders is het zo de gewoonte je mandje vol te gooien (letterlijk!) en met drie of vier gigantische zakken buiten te wandelen. En dat is gewoon écht de cultuur waar we van af moeten. Niemand heeft zoveel kleding nodig, niemand kan zoveel kleding tegelijkertijd dragen. Just the facts Terwijl onze kleding steeds goedkoper wordt, worden de mensen die je kleding maken steeds verder uitgebuit. Elk kledingstuk wordt immers nog steeds grotendeels door mensenhanden gemaakt. En die mensen worden nog altijd te weinig betaald. Het wettelijke minimumloon in productielanden is zelden genoeg om van rond te komen. In Bangladesh dekt het arbeidersloon slechts 60% van de kosten van het leven in een sloppenwijk. Die lage lonen zorgen ervoor dat de makers in de armoede blijven en dat ze onder druk staan om overuren te kloppen. Volgens een recent onderzoek (van Behind the barcode) weet de helft van de merken niet precies te zeggen waar hun kleding geproduceerd wordt. Gelukkig worden de wetgevingen steeds beter, maar dat betekent niet dat de mensen ook automatisch beter beschermd worden. Productiekosten blijven stijgen en onze kleding blijft goedkoper worden, gevolg? Er wordt bespaard op de mensen die de kleding maken. Maar er is geen alternatief... Moet je het shoppen daarom helemaal laten? Nee, maar check de volgende keer ook eens de andere mogelijkheden. Heel veel tweedehands kleding is nog ongedragen, heel veel duurzame merken maken prachtige, eerlijke, betaalbare kleding. It’s worth a try! Bekijk de White paper op Fashionrevolution.org, uitgekomen in December 2015 voor meer info over de omstandigheden waarin kleding gemaakt wordt.  

Kaat
0 0