Bruno Lowagie

Gebruikersnaam Bruno Lowagie

Teksten

Anates Ex Machina

Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Die opnames verdwijnen in het niets naast de beelden van de Aankomst.   Iedereen weet waar hij zich bevond en wat hij aan het doen was toen de eerste nieuwsberichten van de komst van de Ufo’s verspreid werden. De gigantische schotels verschenen op twaalf plaatsen tegelijkertijd in het luchtruim: Los Angeles, New York, Buenos Aires, Brasilia, Londen, Parijs, Berlijn, Moskou, Beijing, Seoul, Tokyo, Sidney.   Zien was geloven. Ik zag, maar geloofde niet. Ik wist wel beter. Ik had het idee geleverd voor de projectoren die deze illusies creëerden. Ik had de technologie gebouwd die dit bedrog mogelijk maakte. Ik was medeplichtig aan dit sterke staaltje van fake news.   Ik schreeuwde het uit op mijn website: “Levensechte hologrammen doen Moeder Aarde op haar grondvesten daveren.” Nog geen tien minuten later werd mijn site offline gehaald en was ik vogelvrij verklaard. Gelukkig had ik dit voorzien. Ik koos één van de vele valse identiteiten die ik speciaal voor deze noodsituatie had aangemaakt. Ik dook onder in een bos in een hutje waar de overheid niets van wist. Ik had er alles wat ik nodig had om het verdere verloop van de gebeurtenissen te volgen.   “Wij komen in vrede,” zeiden de aliens.“Wij komen orde op zaken stellen voor het helemaal verkeerd loopt met jullie planeet,”was hun boodschap.   Daar had de mensheid wel oren naar. De komst van de buitenaardsen was de oplossing voor al onze zorgen. Alle wapens zwegen op slag; gedaan met oorlog! Er was sprake van technologie die klimaatproblemen, honger en ander leed uit de wereld zou verhelpen! Geen religieuze twijfels meer: de aliens hadden God gezien; Hij sloeg zowaar een mea culpa voor de eeuwenlange verwaarlozing!   Deze beloftevolle aankondigingen waren zo overweldigend dat kritische vragen onverbiddelijk in de kiem gesmoord werden. Waarom vertoonden de aliens zich enkel aan de presidenten van China, Rusland en de Verenigde Staten? Waarom kozen ze net deze wereldleiders als hun spreekbuis?   Dag na dag arriveerden er nieuwe Ufo's boven de grootste wereldsteden.Activisten waarschuwden mensen op straat: “Als iets te mooi is om is om waar te zijn, is het dat ook.” Dissidenten riepen op onze ogen niet te geloven.Veel succes hadden deze enkelingen niet. Het fake news waardoor de massa alles voor waar aannam wat de leiders van China, Rusland en de VS beweerden, was veel geloofwaardiger dan de cynische werkelijkheid. Wie niet mee ging in de wereldwijde illusie werd opgepakt en afgeschilderd als een gek die geloofde in complottheorieën.Ik zag met lede ogen toe hoe online netwerken van verzet werden afgesneden van het internet. Ik weerstond de verleiding contact te zoeken met mogelijke medestanders. Het kwam er op aan uit de handen van de overheid te blijven en te wachten tot er Ufo’s in het buurt van mijn schuilplaats zouden verschijnen.   Ik wist dat die dag zou komen, en eindelijk kwam die dag. Ik zag mijn kans schoon. Vanuit mijn hutje in het Zoniënwoud kon ik met mijn telescoop vanop veilige afstand het toestel spotten dat een paar Ufo’s boven Brussel projecteerde. Ik wist perfect hoe die machines werkten; ik had er zelf de blauwdrukken voor getekend. Ik nam een GSM die bij geen enkele provider geregistreerd was en opende de app die ik voor dit doel geschreven had. Tot mijn grote vreugde bleek ik met het netwerk van de projector te kunnen connecteren.                                                               ***   Vergeet de Zapruder tape waarop de moord op Kennedy werd vastgelegd. Vergeet de iconisch geworden beelden van de Boeing 767 vliegtuigen die eerst de ene, dan de andere van de tweelingtorens doorboorden. Vergeet de filmpjes van het verschijnen van de Ufo’s bij de Aankomst. Die opnames verdwijnen allemaal in het niets vergeleken met wat de mensheid zag op de dag dat die imposante en machtige Ufo’s één voor één veranderden in reusachtige, maar onschuldige, zwevende, gele badeenden.  

Bruno Lowagie
0 0

Douche

'Huilen doe je het best onder de douche, meisje,' zei mama Thea altijd, 'dan val je er niemand mee lastig.'   Ik laat mijn tranen de vrije loop terwijl het warme water over mijn lichaam stroomt. Ik hoef niet in de spiegel te kijken om te weten dat mijn lichaam bont en blauw is. Alles doet pijn. Douchen doet pijn, maar het loutert.Ik sta te trillen op mijn benen en voel hoe mijn blaas zich ledigt. Urine verdwijnt in de afvoer samen met een restje sperma.`Geen lullenmuts voor mij, juffie,' had hij me toegesnauwd voor hij me pakte. Hoe kon ik zo dom zijn dit te laten gebeuren? Ik had geen verweer.   Hij klonk beschaafd toen hij me opbelde voor een afspraak. Hij zag er charmant uit voor de videofoon. Ik liet hem binnen en hij betaalde correct en zonder zeuren.Hoe had ik kunnen weten dat hij zo hardvochtig zou zijn in bed? Ik vloek op mezelf. Waarom liet mijn mensenkennis me vandaag in de steek?Ik heb veel zin om mijn volgende klant af te bellen, maar ik weet hoe mama Thea daarover dacht: 'Dit hoort bij de job, meisje, dus hou op met zeuren en maak je mooi.'   Ik moet sterk zijn. Mama Thea is verleden tijd. Ik werk zelfstandig nu. Voortaan kies ik mijn klanten zelf. Natuurlijk zal ik fouten maken, maar het zullen mijn fouten zijn.'Die man komt hier nooit meer binnen!' roep ik zo luid als ik kan. Als een gewond dier gooi ik er nog een langgerekte schreeuw tegenaan tot mijn keel ook vanbinnen rauw aanvoelt. Het water likt mijn wonden. Ook dit gaat voorbij.   Mijn volgende klant is een vaste klant, weet ik. Ik ken hem; het is een schatje. Ik moet me mooi maken, al was het maar voor hem. Ik draai de kraan dicht en stap uit de douche. In de aangedampte spiegel zie ik enkel een schim van mezelf.Ik maak van één handdoek een tulband; ik drapeer een andere rond me als een jurkje. Mijn tepels zijn murw geknepen; alles schuurt wanneer ik beweeg.   Opeens hoor ik een vreemd geluid in de slaapkamer. Het is net een haan die kraait.'Een ringtone!' besef ik, en ik ga op het geluid af. Onder de bank waarop hij zijn kleren wierp, vind ik zijn GSM.'Thuis,' lees ik op de display. Dat is vast zijn vrouw die belt. Na de pijn, de woede en de aanvaarding, voel ik nu een nieuwe emotie: wraak.Ik maak vlug een belofte aan mezelf: 'Als de haan nog drie keer kraait, verraad ik hem!'   Wekelijkse schrijfopdracht schrijvenonline.org

Bruno Lowagie
0 0

Icarus Falling

„Een dwaas, hij krijgt weeën van een verhaal, zoals een vrouw die moet baren ze krijgt van haar kind, Als een pijl die steekt in het vlees van de dij, zo steekt een verhaal in het binnenste van een dwaas.” Wijsheid van Jezus Sirach 19, 11-12.   Dit is het verhaal van de jonge Max Brul. Het is gevloeid uit de pen van een dwaas.   Alle schrijvers zijn dwazen!   ***   HOOFDSTUK I HET BEGIN Op een dag — hij was nog echt een kind — besloot Max Brul verliefd te worden, hij wist alleen nog niet op wie. Hij had zijn vrienden op de speelplaats over de meisjes horen vertellen. Wim, die sprak misschien de waarheid; hij kon het weten, hij had oudere zussen. Dirk, het lag er vingerdik op, die kon goed overdrijven; en Max, tja Max, hij zweeg. Voor hem was alles ernst.   GEA Zij was negentien en een half. Hij was iets ouder dan zestien en van verliefd worden was nog niet veel terechtgekomen. Hij kende haar, hij had haar al vaker gezien. Ze had al ruim twee jaar verkering met een leeftijdgenoot, en voor zover Max wist, was ze gelukkig. Ze stelt geen belang in mij, schreef hij; waarom zou ze ook, vergeleken bij haar, was hij maar een snotneus. En toch... Plots kwam ze op hem af, zomaar op straat: - Max, je koopt toch een kaartje voor onze T.D., hé? - Een T.D.? Wat heb ik dáár verloren? - Wel heb je ooit, zeg me niet dat je nog nooit bent uit geweest!? Dat werd dus zijn eerste fuif.   DE FUIF Echt op zijn gemak voelde hij er zich niet. Niets dan onbekende gezichten, die van de meisjes, opgetut en onbereikbaar, die van de jongens, vulgair en vuilbekkend: fuck, ass, suck, dick... En waar was Gea Adams? Plots was ze er... samen met haar vriend. Ze zei even goeiedag, en dat was het dan. Hiervoor had hij een kaartje gekocht, hiervoor had hij thuis moeten knokken: één seconde en dan was het gedaan. Om elf uur ging hij terug naar huis. Hij had het koud en zijn kleren roken naar sigaretten. Zo vlug hij kon, vluchtte hij naar zijn kamer, wierp zijn kleren in de verste hoek en kroop naakt in bed. Zachtjes begon hij zijn stijve penis af te trekken; hij had een roodharig meisje voor ogen, ze was bijna drie jaar ouder dan hem. Haar naam was Gea Adams.   MOEDER Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother Het leek wel alsof hij strafwerk aan het schrijven was, telkens hetzelfde regeltje, wel honderd keer na elkaar. En misschien was het ook een soort straf, een boete die hij zichzelf had opgelegd, dag na dag, een boete omdat hij bang was, bang voor de gruwelgedachten in zijn hoofd, bang voor het krijsen: Some day I'm gonna kill my mother Some day I'm gonna kill my mother En zo is zijn schrijven begonnen...   DE DROOM Ze liep door een oneindig lange gang, oneindig lang, omzuild met Gotische kolommen. Ze wist dat ze voor haar leven liep; er lag doodsangst in haar ogen. Hij zag haar lopen als in een film. Hij zag zelfs de twee zwarte randen boven- en onderaan het beeld. Het was niet meer het mooie gezicht van Gea waar hij van droomde, het was het afstotelijke gezicht van zijn moeder. En hij liet haar lopen, lopen voor haar leven, wetend dat hij haar doden zou, doden aan het einde van de gang.   DE LIEFDE Gea was zijn eerste 'echte liefde'. Zij vond hem leuk, en hij vond haar leuk, alleen hun leeftijd zat soms een beetje in de weg. Haar vriend natuurlijk ook, maar dat was minder belangrijk. Beetje bij beetje leerden ze elkaar beter kennen. Beetje bij beetje raakten ze aan elkaar gehecht. Hij was voor Gea het jongere broertje waar ze altijd met haar problemen bij terecht kon — met haar vriend kon ze namelijk niet goed praten. Zij was voor Max als een soort moeder, ze leerde hem de simpele dingen die moeders horen te leren aan hun kind, vanzelfsprekende dingen die hij zonder haar nooit als vanzelfsprekend zou hebben aangenomen. Ze zagen elkaar na schooltijd, soms op straat, soms bij haar thuis. Hoe lang duurde het? Een jaar? Iets meer? Iets minder? Plots stonden ze samen in het donker op straat, in de motregen... En ze kusten elkaar. Zij had niets durven zeggen omdat ze al een vriend had en hij, hij voelde zich altijd al een groentje... Maar het was grote liefde, zoveel was duidelijk... De ellende begon...   DE HAAT Wat heb ik je misdaan? Ik ben je moeder. Heb je ooit iets te kort gehad door mij? Ik heb altijd alles overgehad voor jou. Waarom bedrieg je me dan zo? Het was dus uitgekomen. Hoe ze het ontdekt had, daar kon hij alleen naar raden. Maar ze wist blijkbaar alles en ze trok werkelijk alle registers open. Tieren, roepen, krijsen, schreeuwen, huilen... Niets wat ze niet aankon. Zijn moeder trapte op zijn ziel en hij haatte haar hiervoor. En het dreunde weer, het dreunde in zijn hoofd: Some day I'm gonna kill my mother   HET LIJDEN Drie dagen na elkaar ondernam hij pogingen Gea te bereiken. Bladzijden en bladzijden onzin had hij al geschreven, en alles wat aan zijn prullenmand ontsnapte, stopte hij bij haar in de brievenbus. Waar bleef ze? Waarom antwoordde ze niet? Na drie dagen zag hij haar eindelijk terug. Toen pas begreep hij hoe efficiënt zijn moeder was in het intimideren van iedereen die een slechte invloed kon hebben op haar enige zoontje. Het was zijn eerste tongzoen geweest die avond in de motregen, en het zag ernaar uit dat het voor lange tijd de laatste zou blijven. Soms had hij zin om een potje te huilen: Some day I'm gonna kill my mother   HET WACHTEN Nog een klein jaartje wachten, en dan ben je hier weg, dan zit je in Gent of Leuven of nog verder om te studeren, had Gea hem gezegd, Dan zal je niet meer denken aan mij, maar ook niet aan je moeder, dan zul je vrij zijn, vrij te leven zoals jij het wil. Ze was lief, Gea, en hij zou haar missen. Hij wilde haar niet vergeten, maar hoopte toch dat ze gelijk had. HOOFDSTUK II HET HUIS Het was koud in het kleine arbeidershuisje aan de rand van de provinciestad. Buiten was het november, donker en nat. Iemand had zonder er veel zorg aan te besteden een vuurtje aangelegd in de haard. Het had niet lang gebrand. Iedereen was in de rouw. Tante Plant zat zoals altijd in haar speciale stoel voor zich uit te staren. Haar jongere broer was bij een vriendje en aan tafel zat haar oudste zuster, samen met Vader. De plaats van Moeder was leeg. Er hing haat in de lucht, haat en veel verdriet. Nog maar pas was de oud geworden man vol bittere woede tegen zijn dochter uitgevaren. Er waren slagen gevallen en de vrouw had met haar schrille stem iets teruggegild. Toen was het stil geworden. Boven sliep een kleine jongen. Zijn naam was Max Brul.   DE HERINNERING Hij herinnerde zich niet ooit geboren te zijn... Hij werd gered uit een soort hel door een lieve oude meneer. En elke dag bracht die lieve oude meneer hem er weer naar terug. Dat moest, zo zei die, want hij was nog maar een kind en hij hoorde thuis bij de juffrouw, tussen de andere kinderen. Maar hij hield niet van de juffrouw en ook niet van de kinderen. Eén ervan riep steeds: Grootva zal je niet komen halen vandaag! Grootva heeft je vergeten! Grootva heeft je vergeten! Toen pakten ze zijn snoep af en zijn boekentas... Hij zat altijd te huilen als Grootva kwam... Max was overgelukkig met hem mee te mogen op de fiets, naar het kleine huis aan de rand van de stad. Uren zat hij daar onder tafel. Mensen zien komen en gaan, observeren, veilig, zonder zelf gezien te worden... Dan zag hij, net als de lieve jonge mevrouw in haar speciale stoel, hoe Grootva vuile boekjes las, hoe de niet zo lieve en niet zo jonge poetsvrouw snuisterde in de lade met het geld, en hoe een jonge meneer, oom Frank genaamd, heel stiekem de meisjes meebracht naar huis. Oom Frank tastte graag onder hun rokken en stal veel meer dan zedige kussen, maar de meisjes waren bang van tante Plant, die, als er niemand anders keek, knipoogde en soms haar tong uitstak. Soms — men noemde het vakantie — moest hij naar een vreemde vrouw, zijn moeder. De enige man in huis, was de man op haar kamer; Hij keek altijd droevig. Jezus op de olijfberg, biddend maar niet verhoord, zoon van de Vader...   DE WALGING Zijn moeder was een bespottelijk mens! Zoals ze door het huis liep en hem het leven zuur maakte, bwah, hij walgde ervan. Ze zeggen dat mensen veranderen, wel, dat gold dan niet voor zijn moeder. In haar jonge jaren was ze — naar eigen zeggen — een schoonheid geweest. Hij kende haar alleen maar als een lawaaierige klomp vet, samengehouden door een vormloos trainingspak. Was ik maar schooljuffrouw geworden, zuchtte ze vaak, of lerares turnen... Nee, veel creativiteit had ze nooit gehad. Haar leven was niet meer dan een eindeloze opeenvolging van was-ik-maar's. Hij leed eronder.   DE SCHULD Zijn moeder werd op haar negentiende zwanger gemaakt door een voor hem nog altijd onbekende man. Zo had ze nooit de tijd gehad om te studeren, of dat was toch het verhaal dat hij altijd te horen kreeg. Het was alsof hij zich daarvoor schuldig moest voelen. Dat ze al op haar vijftiende was beginnen werken, wist hij niet. Mijn moeder is een domme vrouw, en ik heb daar schuld aan.   DE RUZIE Toen haar moeder stierf op een dag in november, besloot ze alleen te gaan wonen. Hoe ze erbij kwam, bleef een raadsel voor Max. Haar vader was woedend geweest en had heftig geprotesteerd. Er waren zelfs slagen gevallen. Het mocht niet baten. Voor de eerste en enige keer in haar leven voerde ze ook effectief door wat ze besloten had. Elke dag na haar werk, kwam ze Max bij haar vader oppikken, maar dat herinnerde hij zich niet meer, enkel de vakanties. Dan miste hij zijn grootvader en oom Frank. Wie hij nog het meeste miste, dat was tante Plant.   ALICE FALLING Tante Plant heette vroeger Alice. Ze was ietsje jonger dan zijn moeder, maar veel rijper. Op haar zestiende leerde ze een man kennen met een auto die 160 kon rijden —en dat ook vaak deed. Hij was meer dan tien jaar ouder. Hij rookte als een ketter en vloekte twee keer bij elk woord dat hij uitbracht. Dit alles viel niet in goede aarde bij haar vader, maar veel tijd om te reageren kreeg hij niet. Al vlug bleek zijn dochter zwanger te zijn en was het wenselijk dat ze binnen de kortste keren goed en wel getrouwd was. Voor hem was dat een zware klap. Haar moeder, die toen nog leefde, nam het allemaal nogal berustend op, al was ze wat gegeneerd. Enerzijds omdat haar dochter ongehuwd zwanger was geworden —maar dat was een beetje zo gepland, zo had Alice háár en alleen háár toevertrouwd. Anderzijds omdat ze liever haar oudste dochter eerst getrouwd had gezien. De straf van God, zo drukte Vader het uit, zou echter niet lang op zich laten wachten. Precies één week voor het huwelijk reed het jonge stel zich samen met hun ongeboren kind te pletter met de auto die 160 kon rijden —en dat ook deed. De man was op slag dood; misschien had Hij dat wel zo voorzien. Alice zelf had de klap als bij wonder overleefd, maar dat was dan ook alles. Haar baarmoeder was doormidden gescheurd. De roddeltantes uit de buurt zouden nooit met zekerheid weten of ze nu werkelijk zwanger was geweest. Ze had niet alleen haar kind, maar ook haar verstand verloren. Haar geest viel in een diepe put, een wit konijntje achterna; de tijd viel stil. Terug thuis uit het hospitaal werd tante Plant in een stoel met een pot geplant en daar zat ze dan, zwijgend voor zich uitstarend, wat er ook gebeurde. Nee, voor het nageslacht Brul was er weinig goeds in de sterren geschreven.   ICARUS FALLING instruit et natum: "Medioque ut limite curras, Icare, ait, moneo, ne, si demissior ibis, unda gravet pennas, si celsior, ignis adurat: Inter utrumque vola" Ovidius' Metamorfosen, Daidalus & Icarus, v203-206a   Mijn wereld is een eiland, en volgens mij bestaan er drie soorten mensen.   Een eerste soort is voortdurend bezig met het bouwen van muren. Elke nieuwe muur op het eiland stelt een ontdekking voor: de revelatie van iets —een leefregel, een natuurwet, iets— dat er precies altijd al geweest is, maar dat pas duidelijk is geworden na het bouwen van de muur. Zoals een muur al kan voorzien zijn op het plan van een architect, maar pas echt muur wordt eens het plan volledig uitgevoerd.   De mensen die dit inzien, zijn dan van de tweede soort, en zij loven de architect van hun wereld om zijn plan. Ondertussen echter worden de muren alsmaar hoger en alsmaar talrijker.   Het plan lijkt wel oneindig en daar heeft een derde soort mensen wel wat moeite mee. Het plan, voor velen nog een bron van zinvol leven, verandert voor dit soort mensen in een labyrint, een absurde gevangenis, bedacht door een op hol geslagen tiran, en ze stellen dan ook alles in het werk om aan hun eiland te ontsnappen.   Ikzelf, ik heb ook vleugels gemaakt. Besluiteloos sta ik op de muren van mijn eiland te staren over de eindeloze zee. En dan val ik... Ik val en ik val en ik val en ik vlieg...   —   Mijn wereld is die van de hoge lucht en volgens mij bestaan er drie soorten mensen.   Allereerst zijn er de moderne mensen; gefascineerd door de zon en het absolute, steeds hoger en hoger vliegend, smelt de was van hun vleugels...   Dan zijn er de postmodernen; afkerig van het Licht, zich krachteloos voortbewegend, worden hun vleugels zwaar van het water...   Ten slotte bestaat er nog een kleine groep van ideale mensen. Zich duchtend voor het water, op hun hoede voor de zon, vliegen zij vooruit tussen onzichtbare grenzen. Dit is hun doel. Ze kennen de richting, maar niet hun bestemming.   Ikzelf heb de neiging de verschroeiende zon te mijden, maar nooit is het me gelukt te ontkomen aan het water. Het water sleurt mij met zich mee, steeds verder, steeds dieper... Tot ik aanspoel...   —   Mijn wereld is een eiland en volgens mij bestaan er drie soorten mensen...   Max Brul   DE ZONDAGSSCHRIJVER Max Brul is geen naam voor een schrijver, en hij was er ook geen, hoogstens een zondagsschrijver. Enkel als hij zich alleen waande en zich verveelde, vulde hij blanco bladen op met woorden en zinnen. Meestal was het resultaat frustrerend slecht. Mijndoodsberichten op maandag, noemde hij ze wel eens, als hij ze achteraf herlas. Er ging heel veel tijd over (herlezen, schrappen, laten bezinken, herschrijven, herlezen...) vóór er iets goeds uit de bus kwam. ICARUS FALLING was het eerste verhaal waar hij trots op was...   HET DAGBOEK Ooit had hij een dagboek bijgehouden. (Maar verwar niet wat ik schrijf met wie ik ben. Velen hebben de fout gemaakt te denken dat ze me kenden, ikzelf in de eerste plaats.) Ooit had hij geprobeerd te be-schrijven. Zo was er bij voorbeeld het verhaal van zijn nieuwe schoenen. Hij vond zijn pantoffels niet direct en hij liep wat heen en weer. Omdat zijn schoenen kraakten, vloog zijn moeder op en kreeg hij een heel evangelie op zijn kop. Zulke taferelen waren hem niet vreemd. Slechts één gedachte hield hem recht: Some day I'm gonna kill my mother Hij wou dat hij een schrijver was van meesterwerken en stoere taal kon spreken: Op die zoete dag, voorbode van een hete zomer, bedreef ik passioneel (en voor de eerste keer) de liefde met de literatuur... Na lange maanden zwanger zwoegen, na lange jaren arbeid, heb ik uiteindelijk de vrucht gebaard van het verlies van mijn jeugd.   DE TRANEN Maar Max Brul zou nooit een schrijver worden, Icarus Falling nooit de grote held uit één van zijn romans. De één noch de ander was gemaakt voor wat hij worden wou. Hij kwam klaar op het blad dat hij juist had volgepend en hij zag hoe zijn zaad van vlokkig wit veranderde in transparant geel. De tekst werd weer leesbaar, maar wazig... Door zijn tranen heen zag hij hoe de letters van het papier leken weg te lopen en hij dacht plots aan een zin, dé zin van zijn leven, twaalf woorden die al het geschrijf van zijn dagboeken wisten samen te vatten: Wetend dat ik geen schrijver ben, krijg ik geen letter op papier.   HOOFDSTUK III DE TIJD Tijd ging voorbij en zoals voorspeld, vond hij voor het eerst zijn vrijheid in een studentenstad. Ken je die mop van die moeder die ermee dreigde zelfmoord te plegen? Ze zweeg toen haar zoon zijn hulp aanbood... Hij zag zijn moeder eenmaal in de twee weken; het was nooit een prettig weerzien. Zelfs als hij van haar weg was, bleef ze hem achtervolgen in zijn dromen en dan kwamen de gruwelgedachten steeds weer boven: Some day I'm gonna kill my mother   LAURA Zijn naam was weer eens Icarus Falling. Hij was postmodern en voor het ogenblik was hij zelfs aan het lopen voor zijn leven. Hij kon nog net zijn sleutel uit zijn broekzak vissen, de deur openen en... binnen! Hij stond ervan te hijgen, zijn rug tegen de muur, maar hij had het gehaald... Eindelijk veilig! Hij ging de trappen op en stopte voor de eerste deur die hij tegenkwam. Er hing nog een sleutel aan zijn bos. Hij opende de deur en ging binnen. Haar naam was dit keer Laura, en volgens hem was ze modern. Ze speelde met zijn brief, ze bekeek hem langs alle kanten, ze liet hem vallen en raapte hem weer op. Wat voor hem zo zwaar was, was voor haar zo licht. Wat voor haar slechts een brief was, was voor hem een leven... DE FUIF Hij was het al gewoon geworden. Een opeengepakte massa mensen. Allemaal dezelfde gezichten, alleen de namen verschilden soms... Veel lawaai, veel rook en spotlichtjes in het donker. Hij had met haar afgesproken op de fuif. Stom van hem. Hij wist niet eens of ze wel wou komen. Oef, daar was ze... Eindelijk! Net op tijd voor de eerste slow... - Amuseer je je een beetje op die fuif hier? - Eigenlijk niet, nee, moest hij toegeven. - Waar ga hier zo al naartoe? vroeg ze hem. - Oh, een beetje overal, zei hij, vooral nergens, dacht hij erbij. - Wel, dan gaan we maar op stap, stelde ze voor, we zien wel waar we uitkomen.   DE SEKS Ze kwamen uit in een klein cafeetje. Er was geen levende ziel te bespeuren, zelfs niet achter de toog. Ze nestelden zich samen in een hoekje en totaal onverwacht begon Laura hem te kussen. Ze opende de knopjes van haar topje en hij drong langs haar mouwtje naar binnen. Hij voelde een blote meisjesborst. Hij voelde hoe het tepeltje stijf stond en toch heel zacht was. Hij voelde hoe het hem opwond, en zij zag het, heel duidelijk: Max, je hebt toch iets bij je? Hij slikte. Hij had hier al jaren van gedroomd, maar nu het moment gekomen was, wist hij niet wat te doen. Hij haalde zijn portefeuille boven. En waarlijk, er zat een condoom in. Nog een geluk van de voorlichtingscampagnes, lachte hij schuchter. Ze verdwenen samen in de toiletten. Laura maakte zijn gesp los, opende zijn rits en werkte zijn pik uit zijn onderbroek. En dan nu het condoom... Hij was zenuwachtig, maar zij hielp hem, en toen kwam hij klaar... Veel te vroeg natuurlijk: Sorry... Gevolgd door zijn laatste greintje houvast, spoelde hij zijn eerste condoom door in het toilet van een goor café. Het was je eerste keer, hé, fluisterde ze zachtjes, terwijl ze met haar fluwelen ogen opkijkend, haar broekje weer omhoog trok, haar mini-rok omlaag. Ja, antwoordde hij schor, met afgewende blik, hij voelde zich smerig, verschrikkelijk smerig. Hij deed zijn broek dicht en nam de benen. Sorry Laura...   DE REDDING Hij zette zich aan zijn bureau en begon verwoed te schrijven: Ik dans de dans der dansen, Ik speel het spel der spot, Ik kreeg al zoveel kansen, Maar falen is mijn lot... Hij scheurde het blad van zijn writer's block en verfrommelde het. Zijn prullenmand zat al vol. Plots ging de bel. Daar was Laura terug! Ja ze hield wel van Max Brul en Max Brul hield wel van haar. Toen hij een paar jaar later zonder veel glans afstudeerde, vroeg hij haar ten huwelijk en wonder o wonder, zij zei ja. Max Brul was gered, of toch voorlopig... Icarus Falling vloog weer, maar het was Laura die over hem schreef.   STRANDJUTTEN Laura was een schrijfster, een 'echte'. Schrijven was voor haar een soort spel van eb en vloed. Ja, het was zoiets als strandjutten: Een schrijver moet vooral veel geduld hebben, en bestand zijn tegen ontberingen. Hoopvol wachten op de nauwelijks grijpbare zee van verhalen en de spanning voelen groeien tot aan het hoge tij. Pas als de zee langzaam aan haar terugweg begint, kan hij op zoek naar de eerste brokstukken tekst en het wrakhout. Soms vindt hij schatten, soms vindt hij niets. Dat hangt een heel klein beetje af van de scherpte van zijn ogen, maar nog veel meer en vooral van zijn eigen stomme geluk... Een schrijver is een mens die leeft van een ander mens zijn illusies. Hij rijgt losse stukjes tijd aan elkaar tot een geloofwaardig geheel en hij zegt tot de mensen: "Kijk, zo goed als nieuw, u krijgt het voor een prikje!" en als de mensen dom genoeg zijn, dan antwoorden ze: "Wat knap, hoe mooi, dit is iets wat we nog niet hadden." En de schrijver, hij lacht bitter wanneer hij zijn geld in ontvangst neemt; hij kan maar niet snappen waarom de mensen precies dàt willen terugkopen wat ze zelf achteloos verloren lieten gaan in de zee van hun tijd en hun leven. Hij schudt zijn hoofd vol ongeloof, maar hij zwijgt en werkt verder. Daarmee en daarvoor moet hij leren leven. Veel meer is er voor hem niet weggelegd in deze wereld, en dat weet hij, maar al te best...   DE DOOD Ze zag er zo weerloos uit. Alsof ze nooit meer iemand zou kunnen schaden. Nee, hij had zijn moeder niet vermoord, hij had haar geen vergif gegeven... Ze was gewoon ziek geworden. Kanker. Uitgezaaid over haar hele lichaam. Haar leven was verloren... Hij ook een beetje, zonder zijn moeder, zo zei hij tegen zijn grootvader, maar het klonk niet echt gemeend. Buiten wachtte Laura, zelfs in rouwkledij zag ze er verrukkelijk uit. Proficiat! zei ze, alsof hij net de eerste prijs had gewonnen. Hij was eindelijk vrij, of dat dacht hij...   DE WAANZIN Toen hij wakker werd, lag Laura nog half op hem. Toch kon hij zich niet ontdoen van het gevoel dat zijn moeder nog maar eens binnengedrongen was in zijn dromen en terwijl hij Laura een goeiemorgen neukte, vond hij zich plots net zo smerig als de eerste keer... Max... Max...! Wat doe je? Help! Help! Laura wist niet wat Max bezielde. Ze wist niet dat haar gezicht tijdens het neuken plots veranderd was in dat van zijn moeder. Ze wist niet dat hij zijn dode moeder doden wou. Ze wist alleen dat hij nu reddeloos verloren was en ze wou weg, weg van Max Brul. - Is er krankzinnigheid in de familie? - Ja, dat is er...   WONDERLAND Tante Plant was uiteindelijk in een instelling terechtgekomen en nu kreeg ze wat gezelschap van Max Brul: Alice en Icarus Falling, samen in Wonderland. Tante Plant herkende hem en ze was blij, maar ze liet het niet merken. Ze zat nog altijd stom voor zich uit te staren. Soms kroop Max nog onder tafel, vooral als oom Frank op bezoek kwam met zijn vrouw. Grootvader kwam niet meer. Die was oud en ziek. Toen hij stierf kregen Alice en Max een dagje verlof voor zijn begrafenis en allebei huilden ze, wisten ze wel waarom? Terug in Wonderland gebeurde er een wonder, een echt! Voor de eerste en laatste keer sinds haar val in de put, opende Alice haar mond:   Mijn Vader, Jouw Vader, Eindelijk Dood,   en ze zweeg weer, voorgoed. En Max Brul, hij weende, want plots begreep hij alles. Hij ging naar zijn kamer, deed de deur goed op slot en begon aan zijn laatste verhaal: Dit was het einde.   VADER Stinkend naar het geronnen bloed op mijn kleren, Beweeg ik met zware stappen naar de troon. „Vader, ik kom verantwoording afleggen” En ik sla Hem in het gezicht. „Vader, vergeef het me” En ik geef Hem de doodsteek. Er vloeit geen bloed, er volgt geen straf. Maar wachtend op een nieuwe wereld, Op een nieuwe God, Ga ik tenonder...   Max Brul   HET EINDE En zo eindigt het verhaal en het leven van de jonge Max Brul. Op een dag wou hij zijn Moeder doden. Nu wil hij enkel nog dansen, dansen op het graf van zijn vader.   Geschreven in 1993 Winnend verhaal Literaire Schrijfwedstrijd van de stad Harelbeke 1994 Gepubliceerd in de bundel "Een barst in winterwater"

Bruno Lowagie
0 1

Moordenaar!

Steven wendt het hoofd af. De loop van Leo’s revolver staat loodrecht op zijn slaap. Leo voelt hoe een druppel koud zweet tergend langzaam langs de holte van zijn ruggengraat naar beneden loopt. Hij spant de haan. Stevens hoofd beweegt mee. Beide mannen houden de adem in. Leo telt in stilte tot drie en haalt de trekker over. Er weerklinkt geen schot; enkel een droge klik. Er wordt weer adem gehaald. Steven en Leo zitten aan de hoek van een tafel, elk langs een kant. Leo legt de revolver tussen hen in, de kolf in de richting van Steven gedraaid. Steven36 jaar. Voorheen zelfstandig stukadoor, momenteel tewerkgesteld als klusjesman bij de stad. Al vijftien maanden lang stapte Steven elke avond het café binnen voor zijn dagelijkse portie vergetelheid. Die dag kwam luttele tellen later een vrouw binnen.“Is deze plaats vrij?” vroeg ze schor. Ze bracht de kou mee van buiten. In al die maanden was dit de eerste keer dat Steven zoiets overkwam. Hij knikte de vrouw toe. Te onverschillig, dacht de cafébaas. Steven trok het zich niet aan. De vrouw negeerde het non-verbale onderonsje aan de toog. Ze ging zitten, en de cafébaas keek Steven vragend aan. Steven begreep plots wat van hem verwacht werd: “Wil je iets van me drinken?”“Een glas witte wijn, graag.” Ze zei het op een toon waardoor Steven zich hardop afvroeg of ze elkaar kenden. Ze zei van nee. Steven ging er niet verder op in. Zo zaten ze zwijgend naast elkaar tot haar glas leeg was.Opnieuw die blik van de cafébaas. “Nog eentje?” vroeg Steven. De vrouw knikte. “Nog eens het zelfde,” gebaarde Steven. Dit scenario herhaalde zich een vijftal keer, tot de vrouw plots zei: “Genoeg! Ik moet naar huis.” Haar glas was nog niet leeg.“OK,” zei Steven, maar de vrouw aarzelde: “Hmm, het is wat laat om nog alleen op straat te gaan. Loop je niet even met me mee?”“OK,” zei Steven opnieuw. Nu op een ietwat andere toon. Ze liepen Stevens voordeur voorbij. Steven dacht aan zijn vuile kleren in de woonkamer, de afwas in de keuken, de rommel op de gang. Haar bij hem thuis binnenvragen was geen optie. Dat speet hem, want ze doorkruisten bijna de halve stad vooraleer de vrouw een sleutel uit haar jaszak viste, een voordeur aanwees, en zei: “Dat ben ik.”“OK,” zei Steven weer, alsof het de enige twee letters waren die hij kende. De hele tocht hadden ze amper een woord gewisseld. De vrouw scheen het niet erg te vinden. Ze vroeg: “Kom je mee naar binnen?”“OK.”   —   De vrouw hing haar jas over een stoel en draaide de verwarming hoger. “Ik heet Marion,” zei ze, terwijl ze haar truitje uittrok. “Help je me even met mijn rits?” Ze draaide haar rug naar hem toe. Hij hielp haar uit haar jurk en ze haakte haar beha voor hem los. “Kom mee!”Steven volgde Marion naar boven, legde zijn kleren over de rand van het bed en zei geen nee. Marion sliep nog toen hij de volgende ochtend het huis uitsloop. Vlug naar huis, omkleden, naar het werk. Hij vroeg zich af of hij het allemaal niet gedroomd had. Was dit echt gebeurd? En zo ja: waarom? Wat zocht die vrouw in een café zo ver van huis? ‘s Avonds was hij er nog altijd niet uit. Hij kon er beter eens over nadenken bij een glas. Tot zijn grote verwondering zat Marion op hem te wachten aan de toog. Ze had net het aanbod van een andere man afgeslagen. De cafébaas lachte Steven toe: “Het zelfde als gisteren?”Marion antwoordde in Stevens plaats: “Doe maar ineens een fles.”Er waren nog minder woorden nodig dan de dag voordien. De fles minderde langzaam maar zeker. Toen ze leeg was, stapten ze samen het café uit, de halve stad door, naar haar bed. Dit keer was Marion wakker in de ochtend. “Morgen weer?” vroeg ze.“OK.” Hij vroeg zich niet meer af waarom.   — De volgende ochtend bleef Steven liggen. Het was zaterdag. Hij moest niet gaan werken. Hij was van plan Marion te vergasten op koffie en een lekker ontbijt; maareerst nog wat slapen.Hij schoot wakker toen het gestommel op de trap al heel dichtbij was. Een man riep Marion bij haar naam. Marion was klaarwakker. Ze zat rechtop in bed, haar ogen op de slaapkamerdeur gericht: “Leo!”Een man deed de deur open, overschouwde de situatie, en vloekte: “Wat is hier g*dverd*mme aan de hand? Wie is die vent in ons bed?”   *** Steven had dood kunnen zijn. Meer nog: Steven had dood willen zijn. Maar dat was een minuut geleden. Intussen waren de rollen omgedraaid. Slachtoffer werd dader, en omgekeerd. Leo geeft de revolver nog een duwtje in Stevens richting; als om te zeggen: “Komaan, doe wat vlugger. Maak het kort!” Steven neemt de revolver in zijn rechterhand, geeft met zijn linkerhand een draai aan de trommel, spant de haan. Opnieuw wordt de adem ingehouden bij dit bizarre, dodelijke spel. Opnieuw volgt niet meer dan een klik. Uitstel van executie!   Leo41 jaar. Voorheen kleinhandelaar in vuurwapens, zit momenteel een gevangenisstraf uit. Steven herkende Leo meteen. Toch was het de eerste keer dat ze elkaar recht in de ogen keken. Stevens schoonouders hielden een knipselmap bij over hun dochter, kleindochter, Leo en de rechtszaak. In de kwaliteitskranten hadden enkel foto’s van Stevens vrouw en dochtertje gestaan. Het origineel van de meest afgedrukte foto stond al bijna twee jaar op hun schoorsteen. Vijftien maanden geleden hadden ze er een zwart lintje rond gehangen.Steven ging steeds minder bij zijn schoonouders op bezoek. Telkens hun nietszeggende woorden van troost hem dreigden te verpletteren, haalde hij de knipselmap uit hun kast. Stilte. Het ritselen van papier; drie mensen die ademhaalden, hun gedachten bij de dood.Leo’s foto had enkel in de populaire pers gestaan. Geportretteerd zoals Steven hem kende uit de rechtbank: met ontwijkende blik, niet in staat de mensen aan te kijken en rekenschap af te leggen voor zijn daden. Eén krant had een foto afgedrukt waarop Leo recht in de lens keek, met een mengeling van verwarring en boosheid op zijn gezicht. Precies zoals hij nu keek.   —   Leo had Steven niet herkend. Steven stond nooit in de krant. “Wie ben jij?” riep Leo de man in zijn bed toe, “Wat doe jij in bed bij mijn vrouw?” Marion probeerde tussenbeide te komen, maar Steven was het bed al uit; in zijn blootje, maar meer dan strijdlustig: “Moordenaar!” riep hij uit, “Moordenaar!” Dit woord bracht Leo van zijn stuk. Hij was van plan geweest de man een klap te verkopen, maar kreeg nu zelf een vuist in zijn gezicht. Leo herpakte zich snel: “Is dat wat ze je verteld heeft? En jij gelooft dat?” Hij geloofde zelf nauwelijks dat zijn Marion hem zo kon bedriegen! Woede, verdriet, razernij, pijn... Daarbovenop een krijsende Marion: “Hou op! Hou op! Hou op!”Ook Steven bleef roepen: “Die man heeft mijn vrouw vermoord! Hij hoort thuis in de gevangenis! Hij heeft zijn straf nog lang niet uitgezeten!”Toen begon het Leo te dagen. Hij haalde uit naar Steven en hield hem stevig in de klem. Hij was de eerste die kalm werd: “Wat is er hier aan de hand?”   —   “Het is allemaal mijn schuld,” biechtte Marion op. Ze had een kamerjas aangetrokken en zat op de rand van het bed. Leo had een stoel genomen. Steven wou niet gaan zitten. Hij ijsbeerde in onderbroek door de slaapkamer.“Ik wist dat Leo elk moment kon thuiskomen.” Steven hoorde enkel flarden van wat ze zei: “Goed gedrag - weekend - penitentiair verlof.”Steven schuimbekte van verontwaardiging: “Is dat de straf voor een moordenaar? In de week wat in de cel zitten niksen; elk weekend lekker terug naar huis bij moeder de vrouw?”Marion voelde een steek van pijn door zich heen gaan, maar probeerde haar verhaal af te maken, al was het maar voor Leo: “Ik weet niet waarom ik het gedaan heb. Het is alsof ik wou betrapt worden; dat het allemaal eens zou uitkomen.” Ondertussen raasde Steven door: “Jij kan elk weekend bij je vrouw zijn; dat is meer dan ik kan zeggen! Jij hebt mijn vrouw vermoord! Moordenaar!”Marion deed nogmaals een poging hem te onderbreken: “Het was een ongeluk, Steven, geen moord.” Leo zat roerloos naar de grond te kijken. Steven gaf hem met de rug van zijn hand een mep tegen het hoofd: “Een ongeluk noemen ze dat! Vertel eens hoeveel alcohol er in je bloed zat toen je mijn vrouw en kind van de baan reed! Ik heb veel zin om…”Leo kreeg er stilaan genoeg van. Hij snauwde Steven af: “Man, luister dan toch naar haar! Het was een ongeluk! Als ik mijn leven kon geven in ruil voor je vrouw en kind, ik zou het direct doen. Maar zo werkt het niet. Zo werkt het niet… Helaas!”“Jij hebt gemakkelijk praten,” fulmineerde Steven, “Is dat gerechtigheid? De moordenaar die mijn gezin uit het leven gerukt heeft, laten ze zomaar in het weekend loslopen.”Leo schudde het hoofd: “Zelfs al ontsloegen ze me vandaag uit de gevangenis, denk je dan werkelijk dat ik mezelf ooit vrij zal voelen? Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik aan je vrouw of kind denk. Ik vergeef het me nooit dat ze er nu niet meer zijn.”Dat maakte Steven alleen maar bozer. Er ging een gevoel van walging door hem heen bij de gedachte dat niet alleen hijzelf, maar ook die moordenaar dag en nacht aan zijn vrouw en dochtertje dacht. Hij wou nog harder gaan tieren, maar het lukte hem niet. Hij voelde zich beetje bij beetje kapotgaan. Dat mocht niet. Hij moest woedend zijn. Woest!Marion zag dat Steven aan het eind van zijn krachten was. Ze trok hem naast zich neer op het bed. Met opengevallen kamerjas drukte ze haar lichaam tegen Steven aan. “Het spijt me zo,” herhaalde ze steeds weer, “Het spijt me zo. Ik wilde alles weer goed maken. Ik dacht, ik dacht, ik weet niet wat ik dacht.” *** Leo’s beurt. Het zelfde ritueel. De wetten van de kansberekening andermaal getart. Voor de mannen maakt het weinig uit. Ze herinneren zich nauwelijks nog hoe het voelde te leven. De cilinder krijgt weer een zetje. Zit er ditmaal een patroon klaar? Leo telt nogmaals in stilte tot drie. Hij haalt de trekker over. Een harde knal weerklinkt. Steven doet zijn ogen open. Hij leeft nog. Hij kijkt Leo aan. Die is er ook nog. Tegelijkertijd draaien de mannen het hoofd naar de plaats waar de knal vandaan kwam. Daar had net nog Marion gestaan. Marion32 jaar. Zonder beroep; gehuwd met Leo, geen kinderen.   Marion herkende Steven meteen. Hij was met een collega de kerstlichtjes aan het weghalen die dit jaar veel te lang in de straten waren blijven hangen. Marion fietste de parking van het grootwarenhuis af, maar hield even verder halt. Stevens werk zat er bijna op. Hij stapte samen met zijn collega in hun camionette. Marion kon hen moeiteloos met de fiets volgen tot aan het gebouw van de technische dienst van de stad. Even later kwam Steven te voet naar buiten. Marion stalde haar fiets en besloot hem te volgen.Ze bleef staan voor zijn huis. Zag hoe het licht aanging in de gang, dan weer uit. Gordijnen werden dichtgetrokken, een ander licht ging aan. Marion begon langzaam te bevriezen. Hoe lang stond ze daar al? Een half uur? Een uur? Als ze nu ging aanbellen, hoe zou ze het hem dan vertellen? De vraag bleef onbeantwoord. De deur ging vanzelf open en Steven stapte naar buiten. Hij stak zonder te kijken de straat over en liep recht naar het café.Steven had Marion niet herkend. In de rechtszaal had ze een donkere bril gedragen; het haar opgestoken in een knotje. —   Wat had het leven hen toegelachen, vijftien maanden geleden. “Luister,” had de gynaecoloog hen gezegd. Hij plaatste een soort microfoon op Marions buik. Er weerklonk een krassend gebonk met een soort echo. “Dit is het kloppen van twee harten; moeder en kind.”Leo glunderde: “Dat moeten we vieren!” Hij had voor de gelegenheid de winkel gesloten.“Zou je wel alcohol drinken?” vroeg hij toen de ober hun bestelling opnam, “We moeten aan de baby denken…”Marion had zijn opmerking weggelachen: “Straks schat, gun me nog deze ene keer, daarna schakel ik over op watertjes, beloofd!” Leo bestelde er toch een fles water bij, en vulde Marions waterglas vlugger bij dan haar wijnglas. Marion had het door, maar liet hem begaan. Waren ze geen heerlijk koppel? Vast het gelukkigste koppel ter wereld!Het was kwart over drie toen ze het restaurant verlieten. Ze werden onthaald op een koude herfstwind en regen. Het kon hen niet deren. “Ik denk dat jij best rijdt, schat,” zei Leo, “ik heb ietsje te veel op.” Marion ging achter het stuur zitten en reed op wolken. Voor haar reed een wagen met een sticker: ‘baby on board’. Binnenkort rijden wij ook zo rond, dacht ze.Ze naderden een kruispunt. Het licht sprong op groen. Ze waren bijna thuis. De wagen voor haar stak het kruispunt over. Marion draaide rechtsaf. Leo tierde nog: “Remmen!”  Van schrik trapte ze verkeerd; op het gaspedaal. Ze had de fiets niet eens gezien. Doorrijden!” riep Leo als in een reflex. Hoe gemakkelijk was het bevelen op te volgen, als nadenken even te moeilijk werd.   —   Leo stak de radio aan. Marion wist geen raad met zichzelf. “Wat hebben we gedaan, wat hebben we gedaan?”  Leo schudde haar door elkaar: “Wat er ook gebeurt: ik zat achter het stuur, hoor je: ik zat achter het stuur! We moeten aan de baby denken. Ik neem alles op mij.”Het nieuws: geen woord over een ongeval.Marion huilde. Leo foeterde: “Ik kan je zo niet achterlaten. Moet ik je moeder bellen?” Marion schudde het hoofd: “Blijf nog even bij mij, misschien is er helemaal nietsgebeurd.” Nogmaals het nieuws: “om half vier vanmiddag is te X een moeder met kind op de fiets aangereden. De vrouw overleed ter plaatse; het kind, drie jaar oud, stierf op weg naar het hospitaal. De dader pleegde vluchtmisdrijf.”Leo kon niet langer wachten: “Ik ga me aangeven.”Hij kwam die avond niet meer terug.   —   “Het kind zou nog geleefd hebben als wij niet waren weggereden.” — “Dat is mijn schuld, Marion, niet de jouwe. Denk aan de baby. Hoeveel maand nog?”“Leo… We hebben het verloren.” — “De zaak was al van in het begin verloren. Dat wisten we.”“Niet de zaak, Leo. Het kind. We hebben het kind verloren.” — ”?”“We kunnen geen kinderen meer krijgen, Leo.” — “Waarom zeg je dat, Marion? Als dit alles achter de rug is, beginnen we opnieuw. Hou vol!”“Nee Leo, de gynaecoloog zegt het: we hebben het kind verloren en kunnen er geen meer krijgen. Nooit meer.” — “Marion, wat zeg je nu? Het komt allemaal goed. Beloofd!”   ***   In de hoek van de kamer ligt een vrouw: Marion. Met weerzin had ze het lugubere eindspel van de mannen aanschouwd. Ze wilde dat het ophield. Dat het eindelijk eens ophield. Alles! In haar hand: een pistool. Leo’s winkel was gesloten, maar hij bewaarde stiekem een paar wapens als souvenir. Souvenir. Wat viel er nog te herinneren? Elke gedachte aan vroeger deed pijn. Beide mannen kijken hoe de bloedrode plas rondom Marion groter wordt. Hun revolver ligt op tafel. De inzet van het spel ging zonet verloren.

Bruno Lowagie
0 0

Huwelijk en Hoeren

Hij had nog maar net haar bed verlaten of het leven leek alweer een slecht zittende sok in een wereld waarin het verboden was blootsvoets te lopen. "En als ik nu eens een dagje vrij nam?" dacht hij terwijl hij zich uit de overvolle tram wurmde. Hij glimlachte bij het idee, maar zoals elke andere dag zou hij binnen de vijf minuutjes toch weer braaf achter zijn bureautje zitten. "En als ik nu eens naar de hoeren ging?" fluisterde hij zachtjes en hij ging het overdekte steegje in.   Elke dag opnieuw maakte hij dit kleine ommeweggetje. 's Morgens was het er altijd heel kalm. Alleen Mona en Lisa zaten er al van zo vroeg. Mona en Lisa, dat was natuurlijk niet hun echte naam; hij had hen die alleen gegeven omdat ze hem iedere morgen hun vriendelijkste glimlach schonken. Mona was een mooie halfbloedvrouw met een eeuwig bruine huid en lang kastanjebruin haar. Meestal had ze een kort, wit rokje aan en een dito topje waarvan altijd één lijstje —het linker— van haar schouder gezakt was. Hij moest zichzelf toegeven dat hij dat wel sexy vond. Lisa was een mollige blondine —niet echt zijn type— die het ene damesblaadje na het andere verslond. Haar fluo-kleedje weerkaatste lelijk in het licht van de rose lampen. Toen hij haar voorbijging, keek ze maar heel even op van haar vakliteratuur, maar dat was voor hem ruimschoots voldoende: zijn dag was misschien gered.   ***   Gea stond voor de spiegel, en ze wist niet wat ze zag. Zag ze haarzelf of zag ze haar lichaam; zag ze haar lichaam of zag ze haar ziel?   Die ochtend had hij haar wakker gemaakt. Ze lachte: hij deed altijd zijn best er zo stilletjes mogelijk van onder te muizen. Meestal lukte hem dat ook. Hij was lief voor haar, te lief soms. Gea sliep graag een gat in de dag. Dan stond ze op, waste ze zich en bekeek haar lichaam in de spiegel. Het zag er zo anders uit, zo anders dan haarzelf; alsof zijzelf oud geworden was, maar haar lichaam jong wou blijven. Op zoek naar haar ziel keek ze in haar ogen. Ze had mooie ogen, zei Robert altijd. Robert...   Het was allemaal begonnen met Robert, de huisbaas. Eerst had hij haar uitstel gegeven: één maand, twee maanden, dan drie, en dan...   ***   Toen hij 's middags naar de bakker ging om zijn broodjes, zat Lisa er niet meer. Misschien was ze ook aan het eten, misschien had ze wel een klant. Tia, Mia en Pia waren er, maar zij schonken hem nooit enige aandacht. Ze staarden gewoon over hem heen, alsof hij net als de andere voorbijgangers was. Allemaal mannen op zoek naar één ding: een lijf om te neuken, borsten om naar te grijpen, billen om in te knijpen. Hij zuchtte, en terwijl hij zijn middagmaal in het park verorberde, ontvingen Mia en Pia hun eerste klant. Blijkbaar viel blond iets meer in de smaak vandaag.   ***   Die middag wer er aangebeld. "Ik ben Eddy," zei de man aan de deur, "Ik ben een vriend van Robert." "Kom binnen," zei ze.   Het was allemaal begonnen met Robert. Met wat haar lieve maar nutteloze man verdiende, kon ze onmogelijk de huur betalen. Zijzelf vond, ondanks haar diploma, nergens werk. Robert was altijd vriendelijk gebleven, en begrijpend, maar het kon niet blijven duren. Dat begreep zij ook wel. "Je man hoeft hier niets van te weten," had hij nog gezegd. De huur was vlug terugbetaald; het ging zelfs gemakkelijker dan verwacht in het begin. Maar Robert bleef terugkomen. Hij stelde haar zelfs aan een paar vrienden voor.   "Nog een paar maanden, dacht ze, "Langer hou ik het echt niet uit." Ze had al een flinke cent opzij gelegd, bijna genoeg om ermee te stoppen. Ermee stoppen... Hoe zou haar lieve man reageren? Ze zouden moeten verhuizen natuurlijk, met Robert als huisbaas...   ***   's Avonds was het altijd het drukst in het steegje. Na het werk kreeg hij traditioneel een kushandje van Loes. Het was vast en zeker de oudste hoer van het straatje; ze kon haar rimpels en kraaienpootjes amper verbergen, maar met haar rode haar en haar perfect onderhouden buste zou ze vast nog wat laatavondkliënteel kunnen lokken.   "Ooit eens breng ik haar een bezoekje,"  zei hij bij zichzelf, "Ooit eens." Maar hij wist dat hij de vrouw die nu thuis op hem wachtte nooit zou durven bedriegen, laat staan dat hij ooit geld genoeg zou verdienen om het uit te geven aan de hoeren, want wat kostte een beurtje niet al? Nee, hij zou het zijn vrouwtje nooit durven aandoen.   Wist hij veel dat hij een maand of drie later zou scheiden...   Dit verhaal haalde in 1993 de finale van de Radio 2 vertelwedstrijd "Het Narrenschip"

Bruno Lowagie
0 0

Mijn persoonlijke ervaring met een Amerikaanse IT uitgever

Nog voor ik kon schrijven, droomde ik ervan een boek te publiceren. Ik schreef massa’s verhalen in een zelf uitgevonden geschrift dat pas in de loop van het eerste leerjaar een leesbare vorm kreeg. Ik was al een stuk in de 20, toen ik het voor het eerst waagde een uitgever te contacteren. De afwijzingen waren van die aard dat ik besloot mij te concentreren op mijn ingenieursstudies. Ondertussen zijn we bijna 30 jaar verder en heb ik twee boeken op mijn naam staan. Hoe dat ging? Vaak geldt de regel: men vraagt niet, men wordt gevraagd.   Stap één: het verkrijgen van een contract Door mijn beroep heb ik expertise opgebouwd in een heel specifiek gebied. Omdat ik dag in dag uit met veel technische vragen werd geconfronteerd, besloot ik in 2004 wat vakantie te nemen om een gratis online tutorial te schrijven. Die pagina’s waren vrij toegankelijk en hadden veel succes. Het duurde niet lang vooraleer ik een eerste aanbieding kreeg van O’Reilly. Nog voor ik goed en wel over het aanbod kon nadenken, volgde een tweede uitgever, Manning Publications.   Ik heb uiteindelijk gekozen voor Manning. In die tijd gaf O’Reilly een 500-tal boeken per jaar uit. Manning was in 2005 nog veel kleiner en publiceerde ongeveer 50 titels per jaar. Aangezien het om mijn eerste boek ging, wilde ik dat er veel zorg aan werd besteed door de uitgever. Een boek dat faalde bij O’Reilly betekende 0,2% van hun jaaromzet; een boek dat faalde bij Manning kostte hen 2%. De keuze voor de kleinere uitgeverij leek me logisch: ik verwachtte er veel steun voor mijn debuut.   Die aanbiedingen voor een contract waren geen garantie dat er uiteindelijk een echt contract van zou komen.   De eerste persoon met wie ik in aanraking kwam, was de Publisher’s Assistant. Die beoordeelde of ik inderdaad in aanmerking kwam om een boek te schrijven voor de Publisher.   Eenmaal die overtuigd was, werd ik doorverwezen naar een Acquisition Manager. Voor haar moest ik een korte inhoud schrijven (waar gaat het boek over?), een marketing overview (wat is het doelpubliek?), en een redelijk gedetailleerd inhoudstafel. Daar werd een drietal maanden voor uitgetrokken, waarbij vooral het maken van de inhoudstafel veel tijd in beslag nam. Het document werd nagelezen door verschillende onafhankelijke experten, en pas nadat die hun fiat gaven, werd het eigenlijke contract opgemaakt.   In dat contract stonden vijf deadlines voor wat de afwerking betrof: Hoofdstuk 1, 1/3 van het boek, 2/3 van het boek, 3/3 van het boek, Finale versie van het manuscript. Na ondertekening van het contract, volgde de Author Launch. Dit luidde het begin in van de development fase.   Stap twee: de ontwikkeling van het boek In de eerste fase na het contract kreeg ik een Development Manager toegewezen. Zij stelde een Developmental Editor en een Review Manager aan.   De developmental manager helpt de auteur bij het ontwikkelen van zijn boek. Hij tikt je op de vingers als je van de hak op de tak springt. Hij is vooral bezorgd over de flow van het boek. Elk stuk tekst moet beginnen met een crutch, meestal een uit het leven gegrepen voorbeeld waarop je kunt steunen om een bepaald principe in meer detail uit te leggen; elk stuk tekst moet eindigen met een segue, een vlotte overgang naar wat volgt. De developmental editor waakt er ook over dat ik je Style Guide van de uitgever volgde. Bij voorbeeld: er moet altijd minstens één lijn tekst tussen een bulleted list en de titel van het volgende stukje. Elk hoofdstuk moet eindigen met een Summary.   Voor mijn eerste boek was de developmental editor een Science-Fiction auteur. In het begin leidde dit tot confrontaties. Hij wist niets over het vakgebied waar ik over schreef. Waar haalde hij de authoriteit om mij te verbeteren? Gelukkig besefte ik vlug dat schrijven ook een oefening in nederigheid is. Hij was mijn eerste lezer, en als hij niet goed begreep wat ik schreef, hoeveel andere lezers zouden het dan wel begrijpen? Vanaf het moment dat ik besefte dat hij me niet zomaar voor de lol corrigeerde, maar met de oprechte bedoeling een beter boek te bekomen, verliep de samenwerking heel vlot.   De taak van de review manager bestaat erin representatieve lezers te vinden om na de 1/3, 2/3 en 3/3 deadline het manuscript na te lezen en te beoordelen. Elke review ronde heeft zijn specifieke doel. De eerste is er vooral op gericht te achterhalen of de schrijver weldegelijk de materie beheerst waarover hij schrijft: zit het inhoudelijk goed? Klopt het? Is de inhoud nuttig en bruikbaar? In de laatste review ronde worden vooral marketing vragen gesteld: hoeveel sterren zou je het geven op Amazon? Beschrijf het boek in één zin; een selectie van die antwoorden komt meestal op de back cover. Vooraleer je als auteur mag verderschrijven, moet je na elke review ronde alle reviews nalezen en uitleggen wat je met de kritiek zult doen. Concreet komt dit er op neer dat je bepaalde stukken uit je manuscript herschrijft op basis van de aanvaarde kritiek, en dat je verantwoording aflegt voor de kritiek die je verwerpt. Na elke deadline kan de Publisher beslissen een auteur toe te voegen. Hoe minder namen van auteurs op de cover, hoe prestigieuzer dit is voor de auteur, want het betekent dat deadline na deadline goed werk werd afgeleverd.   Ik heb twee boeken geschreven van ongeveer 600 pagina’s. De totale development fase bedroeg hiervoor telkens ongeveer 6 maanden. Van beide boeken was ik de enige auteur.   Stap drie: evaluatie van het boek Na de development fase, komt de Marketing Manager aan bod. Op basis van de laatste review-ronde moet hij beslissen of het boek verkoopbaar is. Hij moet een GO of een NO-GO geven.   Voor mijn eerste boek was dit problematisch. De meeste reviewers waren Europeanen. De marketing manager twijfelde of mijn boek wel zou aanvaard worden op de Amerikaanse markt. Net toen ik dacht "nu is mijn boek eindelijke af," kreeg ik een telefoontje van mijn uitgever met de melding: "we denken toch niet dat we het geaan publiceren." Om hem van gedacht te doen veranderen, heb ik toen endorsements moeten verzamelen van bekende Amerikanen. Ik heb hen aangeschreven met de vraag: "ik weet niet of jullie mij kennen, maar ik heb een boek geschreven en mijn uitgever zou graag hebben dat jullie het eens bekijken en dat jullie uitleggen waarom het zinvol is om het te publiceren." Ik kreeg een overweldigende positieve respons. Toen de uitgever zag wie ik allemaal gemobiliseerd had, begon het productieproces.   Stap vier: de productie van het boek De Production Manager duidt verschillende mensen aan.   Het begint met een Copy Editor en zij heeft een aantal niet zo leuke taken in petto voor de auteur. Allereerst moet je bij Manning zelf je index maken: je moet manueel alle kernwoorden aanduiden om uiteindelijk een woordenlijst met verwijzingen naar paginanummers te bekomen. (Dit was het saaiste werk dat ik ooit deed.) Verder krijg je van de Copy Editor een manuscript terug dat helemaal rood ziet van de fouten. (Het Engels is niet mijn moedertaal, dus ik vermengde vaak Brits Engels met Amerikaans Engels.) De Copy Editor moet echter niet enkel taalfouten verbeteren; ze moet je taal ook ontwollen. Een heleboel verboden woorden worden zonder pardon geschrapt: however, basically, actually,... Ook in het Nederlands zijn er woorden die we te pas en te onpas gebruiken en die geen meerwaarde bieden in een tekst: eigenlijk, feitelijk,... Op den duur werken dergelijke woorden erg storend. Weg ermee! Verder wordt de zinsbouw onderhanden genomen. Neem bij voorbeeld de zin: “Het is een feit dat er door auteurs veel gebruik gemaakt wordt van onnodige en overbodige woorden die als gevolg hebben dat de leeservaring voor de lezer niet optimaal is.” Bij zo’n zin krijg je de volgende commentaar: Als het geen feit was, zou je er dan over schrijven? Overbodige woorden zijn toch sowieso onnodig? Die woorden gebruiken doe je toch actief, niet passief? Moet die zin zo lang? De Copy Editor verwacht dat je de zin bij voorbeeld als volgt herschrijft: “Auteurs gebruiken vaak overbodige woorden. Daardoor leest hun tekst niet vlot.” Dit brengt de zelfde boodschap, maar korter en beter. Voor mij was dit opnieuw een zeer confronterende ervaring; ik had meer dan eens de neiging om te zeggen: schrijf het dan zelf als je het zoveel beter weet! Dat is geen goed idee. De enkele keren dat een zin actief door de copy editor werd aangepast, bleek het resultaat plots het tegenovergestelde te zeggen van wat ik bedoelde. Een Copy Editor heeft nog minder kennis over de materie waar je over schrijft dan een developmental editor.   Voor de inhoudelijke kwaliteitscontrole wordt beroep gedaan op een Technical Editor. Die moet elk voorbeeld dat je vermeldt nakijken, uitproberen, testen of het wel werkt.   Zodra een hoofdstuk is nagekeken, gaat het naar de Layout Artist. Hij transformeert je ruwe Word documenten in pagina’s met een mooie bladspiegel. Hij zorgt ervoor dat alle prentjes op de juiste plaats komen zodat je boek niet doorspekt is met lege halve pagina’s.   Afgewerkte hoofdstukken gaan naar de Proof Reader. Zij leest alles na. Dit is een iteratief proces. Elk hoofdstuk wordt drie keer nagelezen, en telkens worden er kleine foutjes verbeterd.   Ondertussen is ook de Cover Designer aan de slag gegaan. Zij maakt een drietal ontwerpen waaruit je als auteur mag kiezen. De tekst op de achterflap wordt pas op het allerlaatste moment geschreven door de Publisher. Hij doet de finale kwaliteitscontrole en prijst dan het boek aan.   De productiefase van mijn eerste boek duurde 9 maanden. Samen met de 3 maanden voorbereiding en de 6 maanden schrijven, duurde het dus 18 maanden van idee tot boek. Voor de productiefase kon beginnen, moest ik eerst de verkoopbaarheid van het boek aantonen; daarna vroeg de uitgever me de eerste drie hoofdstukken te herschrijven, vandaar de vertraging. Het tweede boek ging vlotter. Het nam ongeveer 12 maanden in beslag.   Daarna is het wachten tot FedEx je een doos met de eerste exemplaren bezorgt.   Stap vijf: het boek wordt verkocht De Marketing & Communications specialist is verantwoordelijk voor de verkoop. Zij zorgt ervoor dat het boek zowel bij de traditionele als de online boekhandels terechtkomt. Alle boeken bij Manning worden zowel in papieren vorm als digitaal verkocht. Wie een papieren boek koopt, krijgt er het ebook gratis bij. Het ebook apart is enkel rechtstreeks bij de uitgever te verkrijgen.   Het eerste boek is men pas beginnen verkopen op het moment dat fase drie achter de rug was. Dat was toen de gewoonte: het boek werd eerst geschreven, vervolgens werd het gedrukt en verkocht. Het tweede boek werd al in de development fase aangeboden in het Manning Early Access Program (MEAP). MEAP betekent dat een lezer het boek al kan kopen lang voor het geschreven is. Zodra de auteur een paar hoofdstukken afgewerkt heeft, krijgt de lezer een ruwe versie van het manuscript opgestuurd. Dit was voor mij heel interessant, want ik kreeg veel betere feedback tijdens het schrijven van mijn tweede boek dan bij het schrijven van mijn eerste. Voor de uitgever is deze formule ook interessant. Als veel mensen de MEAP versie kopen, dan weet de marketing manager dat er weldegelijk een markt is voor het boek. Het boek vroeger kunnen verkopen, betekent ook een grotere marge voor de uitgever die anders een heel deel van zijn winst verloren ziet gaan aan reuzen zoals Amazon die het zelfde boeken verkopen tegen prijzen de uitgever zelf via direct sales niet kan kloppen.   Van de Administrative/Executive Assistant krijg ik elk kwartaal een update van drie maand oude verkoopcijfers. In de IT-wereld spreekt men van een bestseller vanaf 5000 verkochte exemplaren. Van mijn eerste boek (2007) zijn ongeveer 12.500 exemplaren verkocht waarvan ongeveer een kwart in ebook formaat. Van het tweede boek (2011) zijn ongeveer 10.000 exemplaren verkocht, waarvan ongeveer 40% in ebook formaat.   Het eerste boek kostte $50 voor de papieren versie en $25 voor de digitale. De groothandelprijs van het papieren boek was voor de uitgever echter maar $29. De prijs van het tweede boek was $60 (papier) of $30 (ebook). De uitgever verkocht één papieren boek voor gemiddeld $36.50. In totaal bracht het eerste boek voor de uitgever ongeveer $330,000 op; het tweede leverde ongeveer $360,000 op. Dat is de winst voor aftrek van Royalties en belastingen. Als auteur kreeg ik 10% Royalties, dus verdiende ik ongeveer $33,000 aan het eerste boek, en $36,000 voor het tweede. Dat betekent dat ik tussen de $2.50 en $3.50 bruto verdiende per verkocht exemplaar.   Conclusie Een boek schrijf je niet alleen. Het is het resultaat van het werk van een heel team. Tel alle titels van mensen die meewerkten op, en je komt al aan 15. Dan reken je mij als schrijver en de vele reviewers er niet eens bij. Een tweede boek schrijven was een stuk gemakkelijker dan een eerste, maar een boek schrijven is sowieso altijd een leerrijke en unieke ervaring.   Is mijn jongensdroom nu werkelijkheid geworden? Ja en nee! Ja, want ik heb twee boeken gepubliceerd bij een uitgever, en het zijn alle twee bestsellers geworden. Nee, want de boeken die ik schreef zijn niet de boeken die ik voor ogen had als kind. Na de twee boeken die ik voor Manning schreef, heb ik nog heel wat technische boeken uitgebracht in eigen beheer, maar ik zou heel graag eens een fictieboek publiceren. Ik heb nog een paar verhalen in mijn hoofd.   Mocht er interesse bestaan bij een uitgever, dan zal ik die verhalen met plezier uitwerken tot een boek. Wordt vervolgd?  

Bruno Lowagie
0 0

Als het maar geen gevoelens zijn

Notities bij de dood van een huisdier We hadden een hond nog voor we kinderen kregen. Ze heette Tara en het was een asielhond. Niet zomaar een schoothondje, maar een beest van 35 kilo, droog gewogen. Een doorsnee bot beet ze in één hap middendoor. Je zal begrijpen dat het eventjes spannend was voor ons toen we haar voor het eerst het wiegje van Ivo, onze eerstgeborene, lieten besnuffelen. Maar het viel allemaal reuzengoed mee: Tara beschouwde Ivo direct als een ‘gelijke’. Ze zou nooit bevelen van hem aanvaarden, maar evenmin een bedreiging voor hem vormen. Hoe anders gedroeg ze zich tegenover Jacob!   Jacob is ons tweede kind, een normaal begaafde jongen bij wie autisme spectrum stoornis vastgesteld werd. Of het iets met zijn autisme te maken had, ik zou het niet weten, maar Jacob werd door Tara direct beschouwd als haar welp. Als ons oudste zoontje aan Tara’s oren trok, dan werd hij gegarandeerd op gegrom onthaald. Onze jongste echter, mocht alles met Tara doen: aan haar oren trekken, paardje rijden op haar rug,… Als we even niet opletten, at Jacob uit de eetbak van de hond, en de hond uiteraard ook uit het bord van onze Jacob. Het was grote vriendschap tussen die twee.Tara was dan ook echt een volwaardig lid van ons gezinnetje. We hebben samen heel veel mooie momenten meegemaakt, maar af en toe ook erge dingen: zo spietste ze zich ooit op een gietijzeren poortje. Ze werd aangereden op straat. Ze moest meermaals geopereerd worden; eerst om een kankergezwel, dan om haar baarmoeder weg te halen,… Elk jaar overkwam haar wel iets, maar nu is ze dus dood. Na negen jaar waren haar negen levens definitief opgebruikt… Het gebeurde tijdens het eerste weekend van de herfstvakantie. We zouden die zaterdag naar het LEGO-festival gaan. We moesten onze plannen echter wijzigen omdat Tara er opeens zo erg aan toe was. We hadden het wel zien aankomen natuurlijk. De laatste maanden van haar leven was ze trager geworden en raakte ze soms maar met moeite recht. Maar tegenover de kinderen liet ze daar nooit iets van merken. Ze draafde nog altijd met hen rond in de tuin. Hoe dan ook; die zaterdag reed ik met onze hond naar de dierenarts en daar kreeg ze een aantal spuitjes om het weekend door te komen. De kinderen hadden er geen besef van hoe erg Tara eraan toe was. Ze waren ietwat teleurgesteld omdat het uitstapje werd uitgesteld, maar de volgende dag zag Tara er iets beter uit en we besloten dan maar op zondag naar het LEGO-festival te gaan. De kinderen hadden er de tijd van hun leven en toen we terug thuis kwamen, huppelde Tara enthousiast met hen mee. Ze had waarschijnlijk de hele dag geslapen. Maar toen, de kinderen waren nog maar een uurtje in bed, begon haar ziekte weer op haar te wegen (achteraf bleek uit de bloedprik dat ze miltkanker had). Eerst wilde ze nog naar ons toe, maar ze zakte door haar poten. Dan wilde ze nog even buiten lopen, maar ook dat lukte haar niet meer. Ze had duidelijk haar crisis en we beseften dat het haar laatste strijd zou worden. We legden haar in haar mandje en daar is ze heel vredig ingeslapen. Ik moet toegeven dat ik het (zelfs?) als volwassene al heel erg moeilijk had met haar dood, maar hoe zouden onze kinderen reageren? Ze waren respectievelijk acht en zeven jaar oud en het was bovendien de eerste keer dat ze met de dood van een dierbare geconfronteerd zouden worden (dier of mens, voor een kind maakt dat niet uit). Die ochtend legden we beide kinderen uit dat Tara overleden was. Omdat ze er nog zo mooi uitzag, hadden we haar in haar mandje laten liggen, zodat de kinderen haar nog even konden zien. Ivo reageerde zoals je dat zou verwachten. Eerst wat teruggetrokken, dan heel triest. De eerste nacht is hij huilend opgestaan: ‘Papa, ik ben zo verdrietig dat ik niet kan slapen. Elke nacht als ik in bed lag, hoorde ik Tara wel eens blaffen en dan was ik niet meer bang, maar nu is ze er niet meer en daarom kan ik niet meer slapen.’ Ik bracht hem terug naar bed en vertelde hem dat hij aan de leuke dingen van Tara moest denken: aan het feit dat we haar uit het asiel ‘gered’ hadden en aan de vele grappige dingen die we met Tara hadden beleefd. Uiteindelijk lagen we met z’n tweeën te grienen, maar dat luchtte op en er brak ook al eens een lach door omwille van de herinnering aan één van Tara’s fratsen. De volgende dag ging zijn aandacht vooral naar het vooruitzicht dat we een nieuwe puppy in huis zouden halen en dat hij mee zou mogen helpen om die op te voeden. Hoeft het gezegd dat de reactie van Jacob totaal anders was? Het begon al met de eerste aanblik van de dode hond in haar mandje. Zijn eerste woorden logen er niet om: ‘Er is nergens bloed, hoe kan ze dan dood zijn?’ Hij begreep het niet goed. Hij zag hoe wij tranen in de ogen kregen en hij lachte ons zowaar uit: ‘Haha, jullie huilen, jullie zijn baby’s!’Bij het middageten was hij op zijn grofst: we aten kip en Jacob riep: ‘Waarom eten we Tara niet op? Ze is nu toch dood!’ Hij was duidelijk nog aan het onderzoeken wat dat betekende ‘dood zijn’, want kort na de middag wilde hij toch nog eens met mama naar Tara gaan kijken.Mama vroeg: ‘hoe voel je je nu Tara er niet meer is?’ Hij was zo close geweest met de hond. Het kon toch niet dat hij helemaal niets voelde? Zijn antwoord was nogal vreemd, alsof hij het gevoel aan het aftasten was: ‘Ik weet het niet. Misschien voel ik me een klein beetje verdrietig in mijn buik…’ Die maandagnamiddag heb ik Tara begraven. Een put van een meter diep, iets van twee meter op een meter groot. Beetje bij beetje werd het voor Jacob duidelijker dat de situatie definitief en onomkeerbaar was. Hij werd steeds onzekerder: ‘Hebben we nu geen hondje meer? Komt er een nieuw hondje? Hoe zal het heten?’ Het waren zeker geen verlangende vragen; hij leek lichtjes in paniek, alsof hij niet wist of hij wel een ander hondje wilde. Hij wilde Tara terug (wilden we dat niet allemaal?), maar die eerste nacht hebben we dus enkel Ivo moeten troosten. Ondanks zijn onzekerheid leek Jacob goed te kunnen slapen. Omdat we aan Ivo een puppy beloofd hadden, gingen we de volgende dag op pad. We adopteerden een puppy van een niet nader specificeerbaar ras en Ivo had er al grootse plannen mee: hij zou er een speurhond van maken, zoals Kuifje met Bobbie. Of hij zou hem opleiden tot waakhond. Je kan het je wel voorstellen.Jacob was zo enthousiast niet: ‘Het is geen gele hond (zoals Tara). Het is geen grote hond (zoals Tara). Het is geen leuke hond (zoals Tara).’ Nee, hij moest er niet echt van weten, maar daar hield het jonge hondje (gelukkig) geen rekening mee. ‘Het hondje springt altijd op mij,’ riep Jacob steeds, maar we zagen dat hij het helemaal zo erg niet vond als hij deed uitschijnen. We bleven wel verbaasd dat hij nog steeds geen traantje gelaten had om Tara: was hij dan zo gevoelloos? Die nacht werden we opgeschrikt door een gehuil dat door merg en been ging. We holden zo vlug we konden naar Jacobs kamer. Jacob weende en weende alsof er nooit een eind aan zou komen. We schrokken wel wat van de intensiteit, maar we waren vooral opgelucht: daar is de uitbarsting, eindelijk! Jacob zat met zoveel vragen en gevoelens, maar door zijn autisme had hij twee dagen lang nog geen enkele manier gevonden om die allemaal te uiten, laat staan te verwoorden. Nu lag hij huilend in zijn bed en herhaalde steeds weer: ‘ik heb zo’n pijn, ik heb zo’n pijn!’ Als je echter vroeg waar, kon hij die pijn niet aanwijzen. Hij kon alleen maar zeggen: ‘Van binnen!’ We vonden dat we zelf niet over Tara mochten beginnen, omdat dit hem gevoelens zou kunnen leveren die hij kon kopiëren (tja, onderhand hebben we wel al wat ervaring met autisme). We wilden ervoor zorgen dat hij zijn eigen gevoelens zou aanboren. Dat is die nacht voor een stuk gelukt, al was het heel moeilijk voor Jacob. Aanvankelijk probeerde hij ons met een soort schuldgevoel op te zadelen: ‘Waarom hebben jullie Tara zoveel in de steek gelaten? Waarom gaan jullie zoveel naar de cinema? Waarom hebben jullie niet beter voor Tara gezorgd?’ Je kan als ouder op zo’n moment de neiging hebben dat te minimaliseren en te zeggen: ‘we zijn de laatste vier jaar niet op reis geweest en Tara heeft ons nooit langer dan één nacht moeten missen.’ Maar er zit zodanig veel achter zo’n zinnetje van Jacob, dat je hem gewoon eventjes de tijd moet geven.Zo kwam hij uiteindelijk ook bij zichzelf uit: ‘Waarom heb ik er nooit iets van gemerkt dat Tara zo ziek was?’ We hadden hem vooraf wel gezegd dat Tara ziek was en dat ze waarschijnlijk zou sterven, maar hij had er nooit bij stilgestaan. Nu, twee dagen na Tara’s dood, ging Jacob zelfs zo ver dat hij zichzelf schuldig voelde omdat hij zich dat weekend zo geamuseerd had op het LEGO-festival. Alsof hij dacht: ‘Wat zal Tara kwaad geweest zijn op mij!’ We hebben heel lang bij Jacob gezeten die nacht. Na het schuldgevoel begon hij allerlei manieren te overlopen om Tara ‘weer levend’ te maken. Maar toen legden we uit dat Tara zich op het einde zeer oud en zeer moe voelde. Ook bij Jacob probeerden we duidelijk te maken dat ze een heel mooi leven bij ons had gehad, maar dat ze nu waarschijnlijk liever zou blijven liggen waar ze lag. Dat ze het niet leuk zou vinden weer levend gemaakt te worden. Toen pas zag hij van het idee af; op één voorwaarde: ‘Ik wil Tara niet vergeten.’Zo is Jacob dan gekomen met het voorstel om een grafsteen voor haar te maken.Dat hebben we de volgende dag dan ook gedaan. Het was een zware nacht voor ons en wat een geluk dat Tara net het begin van een vakantie had ‘uitgekozen’ om te overlijden. Het toeval wilde bovendien dat Jacob op donderdag naar het revalidatiecentrum moest voor ergo- en psychotherapie. We hadden beide therapeutes ingelicht over wat voorgevallen was en zij speelden daarop in. De ergotherapeute vertelde dat zij ook eens een huisdier verloren had en dat zij toen ook heel erg had gehuild. Voor Jacob was dit een hele openbaring: dus dat kan? Dat mag? Toen de psychologe hem vroeg wat mensen moeten doen bij een sterfgeval zoals dat van Tara, zei hij in alle oprechtheid: ‘Dan moet je doen alsof er niks gebeurd is…’ Door hier dieper op in te gaan en erover te praten, begon het Jacob plots te dagen dat zijn nachtelijk uitbarsting helemaal niet zo abnormaal was. Dat ‘rouwen’ mag, dat het zelfs een beetje van je verwacht wordt. De volgende ochtend was hij nog een beetje verdrietig, maar ook een beetje blij dat Tara zoveel goede jaren met ons beleefd had. Hij zou Tara nooit vergeten. ‘Tara zou daar heel blij mee zijn,’ zo bevestigden we. Het heeft nog even geduurd vooraleer Jacob er helemaal overheen was, maar we wisten toen al: hij is op de goede weg! De eerste weken na Tara’s dood gaf Jacob bij alles wat misging als reden ‘het is omdat Tara dood is’, maar dat is nu wat uitgesleten. Ook het nieuwe hondje is ondertussen al helemaal aanvaard.Eén ding was wel heel vreemd: het laatste weekend van de herfstvakantie had Jacob buikpijn, maar hij wist niet ‘of het echte pijn was of gevoelens’. Toen hij een paar uur later diarree had, was hij helemaal opgelucht: ‘Mama, papa, ik heb diarree, het was buikpijn! Het waren gelukkig geen gevoelens!’ Het is een grote misvatting te denken dat autisten geen gevoelens hebben. Ik zou zelfs durven zeggen dat ze op veel gebieden gevoeliger zijn dan de doorsnee mens. Ze hebben alleen van tijd tot tijd wat last met hun gevoelscircuit. Bij Jacob manifesteert zich dat door het feit dat hij gevoelens van verdriet en pijn niet goed van elkaar kan onderscheiden. Het ligt ook allemaal zo dicht bij elkaar. Het lijkt wel alsof hij nu een groot punt van verschil heeft gevonden. Alsof hij denkt: ‘geef mij maar gewone pijn; verdriet is meestal net iets erger’. Als ik zelf ook niet wat autistisch was, dan zou ik schrijven: het breekt mijn hart. Dat is ook een beetje zo, maar ik weet hoe ik zelf in elkaar steek en ik ben er zeker van: Jacob komt er wel.   Naar een ware gebeurtenis in 2004. Verschenen in het magazine Autisme Centraal in 2005.    

Bruno Lowagie
0 0

Mismatch

- Ik ben een reiziger in een wereld vol toeristen.   De nogal ongewone introductie verraste Marieke. Ze wist even niet wat te antwoorden.   - Het verschil zit hem in de bagage. Waar een toerist ook gaat, hij neemt altijd zijn trots en vooroordelen mee. Een reiziger reist licht. Hij heeft een open geest en staat open voor nieuwe ervaringen.   Het klonk ingestudeerd, maar je zag dat hij het meende.   - Een toerist klaagt als het hotel er niet uitziet zoals geadverteerd, als het weer niet is zoals verwacht, als er afgeweken wordt van het vooraf uitgestippelde pad…   - Ha, het lijkt wel alsof je mijn ouders kent. Zij sleurden mijn broer, mijn zus en mij elke zomer mee met de caravan. Mijn moeder nam voor een week aardappelen en soep mee. Mijn vader ging nooit op reis zonder een krat bier in de koffer. En o wee als ons vaste plaatsje op de camping bezet was!   Marieke giechelde terwijl ze die herinnering ophaalde, maar het lachen verging haar toen ze de uitdrukking van afkeer op zijn gezicht zag.   - Een reiziger plant nooit ver vooruit, want hij weet dat hij te allen tijde zijn plannen moet kunnen aanpassen afhankelijk van wat er op zijn pad verschijnt.   Daar zit een grond van waarheid in, dacht Marieke, maar de stelligheid waarmee hij zijn overtuiging poneerde, deed haar op haar stoel ineenkrimpen.   ***   Na wat een eeuwigheid van stilzwijgen leek, weerklonk de gong.   - Dames, heren, tijd voor de volgende speeddate! Heren, gelieve één plaatsje op te schuiven naar het volgend tafeltje.   Marieke was maar wat blij toen er een andere man voor haar kwam zitten. Ze hield haar blik van het volgende tafeltje afgewend, maar ongewild hoorde ze hoe de conversatie naast haar begon:   - Ik ben een reiziger in een wereld vol toeristen.   Wekelijkse schrijfopdracht schrijvenonline.org

Bruno Lowagie
0 0

De ijsvorst

Er groeiden ijsbloemen op het venster van de zolderslaapkamer."Die kunnen we niet plukken,” vertelde Helena aan Meneer Konijn. “En zelfs al zouden we ze kunnen plukken, dan nog mocht het niet. De ijsvorst zou ons komen halen en ons opsluiten in zijn paleis.”Meneer Konijn luisterde maar met een half oor. Hij had honger. Hij wilde ontbijten."Moet dat nu meteen?” zeurde Helena zachtjes, “Het is zo lekker warm onder mijn deken!” Maar Meneer Konijn drong aan en Helena voelde een plas opkomen. Het geklater van haar water was het enige geluid in het boshuisje. Vader en moeder waren voor het krieken van de dag vertrokken. Tijdens de kerstvakantie bleef Helena alleen thuis terwijl haar ouders uit werken waren. Helena vond dat niet erg. Ze was al een grote meid. Aan de keukentafel smeerde Helena een boterham. Ze sneed er de korstjes af voor Meneer Konijn. Meneer Konijn at dat graag. Het was ook goed voor zijn tandjes, zo maakte ze vader en moeder graag wijs.Na het ontbijt keken ze samen in een groot prentenboek vol sprookjes. Helena vertelde wat ze zag en hij luisterde alsof hij het verhaal voor het eerst hoorde, al kende hij elk woord. Daarna maakten ze samen een tekening. ‘s Middags zette Helena een kommetje soep op het kolenfornuis voor zichzelf; ze serveerde een wortel voor Meneer Konijn. Door het keukenraam zag ze hoe het buiten begon het te sneeuwen."Kijk, Meneer Konijn!” jubelde ze, “De tuin en de vijver krijgen een sneeuwtapijt! Wat zou het leuk zijn nu buiten te spelen!”Ze zuchtte: “Maar dat mag niet, want het is te gevaarlijk. De ijsvorst zou ons komen halen en ons opsluiten in zijn paleis.” Meneer Konijn geloofde haar niet. Volgens hem bestond de ijsvorst niet. Het was een verhaaltje dat ouders hun kinderen vertelden om ze binnen te houden. Waarom zouden ze niet mogen buiten spelen? Als ze zich maar goed induffelden met een sjaal, een muts, wanten en een dikke jas, dan kon er toch niets misgaan? Helena twijfelde en tuurde door het keukenraam.“Kijk,” fluisterde ze plots, “Was dat daar een konijntje dat voorbijhuppelde in de sneeuw?”Zie je wel, snoof Meneer Konijn: konijntjes zijn niet bang van de ijsvorst, waarom zouden wij dat zijn? Kom, laten we buiten spelen! “Eet eerst je wortel op,” zei Helena, “Als mijn soep op is, denk ik er nog even over na.”   ***   De deur van het boshuisje stond open toen vader en moeder ’s avonds thuiskwamen van hun werk.“Helena,” riep moeder in paniek uit, en ze haastte zich naar de kamer van haar dochter.“Waar is Helena?” huilde ze vader een paar tellen later toe, “Ze is nergens te vinden in huis.” Vader ontstak de lichten in de tuin en speurde angstig in het rond. Plots viel zijn oog op Meneer Konijn. Die zat bij de bevroren vijver in de kou.“Nee, dat kan niet waar zijn!” vloekte vader.Hij nam een grote sneeuwschop, liep naar de vijver en begon de sneeuw van het bevroren oppervlak weg te scheppen terwijl moeder bang bijlichtte. “Daar is ze,” zei vader verslagen. In het licht van hun zaklamp keek hun dochter hen aan. De ijsvorst was haar komen halen en had haar opgesloten in zijn paleis. Ze was zijn prinsesje nu, een bloemetje onder een spiegel van ijs.   Wekelijkse schrijfopdracht schrijvenonline.org

Bruno Lowagie
0 0

Manuscript in een studentenkamer gevonden

Ik ga het alfabet herschrijven:A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A A Hoeveel keer zou je het woordje pijn lezen als ik het duizend maal voor je uitschreef? Vast geen duizend keer. Zelfs niet als ik het duizend maal duizend maal schreef.   Wacht, ik pak het anders aan. Ik probeer het eens met getallen. Priemgetallen, meer bepaald. Of nee, priemjaren:   2. Als ik terugdenk aan mijn eerste herinnering, weet ik nooit helemaal zeker of ik me die herinner omdat ik ze onthouden heb, of gewoon omdat ze me zo vaak verteld is. Ik weet niet eens precies hoe oud ik was; ik schat twee jaar. Ik speelde veel ‘buiten’. Dat wil zeggen: op ons koertje van een paar vierkante meter groot. In de hoek van dat koertje stond een grote regenton. Vaak sleurde ik een stoel naar buiten waar ik op balanceerde om het watervlak te kunnen zien. Ik liet er plastic vissen in zwemmen en zelfgemaakte bootjes op drijven. Meer dan eens zonken de voorwerpen waar ik mee speelde naar de bodem van de ton. Vader liet het gevaarte om de zoveel weken leeglopen en dan had ik meteen heel wat verloren speelgoed terug. Op een dag glipte een speelgoedmannetje uit mijn handen. Ik greep ernaar, maar ik kon er niet meer bij. Mijn rode piraat ging onverbiddelijk naar de haaien. Ik greep nog eens en nog eens en toen verloor ik mijn evenwicht. Het koude water trok me naar zich toe en ik bood geen weerstand. Ik probeerde niet eens me om te draaien of naar boven te stuwen. Ik ging gewoon de diepte in, mijn piraat achterna. Waarom? Ik weet het niet. Evenmin hoe lang het duurde. Achteraf vertelde moeder dat ze nog net op tijd was om mij te komen redden. “Je zag al helemaal blauw. Je was bijna dood geweest.” Nog dezelfde dag maakte vader een deksel om de regenton af te dekken. Wilde ik met de bootjes spelen, dan moest ik me voortaan behelpen met een teil.   Soms, als het verteld wordt op familiebijeenkomsten of onder kennissen, luister ik ernaar alsof het een verhaal is over iemand anders. Denkend aan die ton, voel ik nog altijd de kou langs mijn ruggengraat lopen. Dan herinner ik me ook die keer dat moeder de deur naar het koertje op slot gedaan had. Het door vader gefabriceerde deksel was van de ton en door het raam kon ik moeder nergens zien. Rond de ton was overal water, maar ik zag verder geen beweging, geen gespartel. Toen vader thuiskwam, moest hij de achterdeur forceren. Een paar tellen later haalde hij vloekend zijn vrouw uit het water. Ziedaar een echte herinnering. Het beeld is nog altijd op mijn netvlies gebrand. Moeder was doorweekt en ze rilde. Ook zij zag blauw. Was ze bijna dood geweest? Ze keek me aan alsof ze medelijden met me had, of om medelijden vroeg. Het was een blik die ik niet begreep. Na het voorval bleef moeder dagenlang in bed. Vader zei dat ze zich een beetje ziek voelde in haar hoofd. Zo vertelde hij het ook aan de familie. Op familiebijeenkomsten werd er angstvallig over gezwegen, alsof alleen het verhaal van mijn redding het onthouden waard was.   Alsof niet wat gebeurd is telt, maar wat men zich ervan herinnert.   3. Kijk! Ik heb een litteken op mijn rechterpols. Het trekt een rechte, witte lijn, beginnend ergens halverwege mijn pols, evenwijdig met mijn slagader, tot aan de stam van mijn hand. Maar wie denkt dat dit litteken het gevolg is van een tot mislukken gedoemde zelfmoordpoging, zit goed fout. Ik ben mijn moeder niet! Ik kan niet tegen bloed. Dat is niet de manier waarop ik sterven zal.   School was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Elke dag werd ik om acht uur ’s morgens aan de schoolpoort afgeleverd en om vier uur ’s middags weer afgehaald. Ik was geen huilbaby. Evenmin een gelukkig kind. Had mijn moeder me van acht tot vier in een kast opgesloten, dan was ik vermoedelijk even gelukkig geweest. Op school ging ik van de speelplaats naar de klas en omgekeerd. Idem wat betreft de refter. Maar voor de rest deed ik er niets. Ab-so-luut niets. Ik lachte niet, ik speelde niet, ik zong niet en ik danste niet. Zelfs eten was een groot probleem. Ik overleefde op de koeken die ik meekreeg van thuis. Soms zat zo’n koek in een onmogelijke verpakking. Niets speciaals eigenlijk, gewoon een verpakking die ik niet open kreeg. Dan kwam ik ’s avonds terug thuis met in mijn boekentas een volledig verkruimelde koek, de verpakking nog intact. Natuurlijk deden de juffen hun best; natuurlijk zeiden vader en moeder dat ik om hulp moest vragen als ik een probleem had. Maar ik herhaal: school was een concept waarmee ik van bij de aanvang moeite had. Wanneer ik klasgenootjes vroeg me te helpen met mijn koek, werd ik uitgelachen. Gaf ik mijn koek uit handen, dan was ik hem kwijt. Hij werd opgegeten, of, als de pestkop met dienst er geen zin in had, weggesmeten. Mijn koek uit het toilet vissen, ging me te ver, maar het gebeurde dikwijls dat ik mijn koek uit een vuilbak moest grissen. Tot die keer dat iemand de scherven van een gebroken fles in de vuilbak op de speelplaats had gedeponeerd. Ik lette alleen op mijn koek die erlangs was gevallen. Ik stak mijn arm tot diep in de vuilbak en toen ik de koek beethad en mijn arm terugtrok, viel ik van schrik bijna flauw. Ik herinner me geen pijn, wel het zicht van al het bloed dat uit mijn pols gutste.   5. Woensdagnamiddag: thuis Als moeder het huis stofzuigt, volg ik haar, kamer na kamer. Ik zie hoe grondig ze haar dagelijkse routine afwerkt. Ik kijk toe of ze geen hoekje of kantje vergeet. Ik probeer me in te beelden waar ze aan denkt. Soms kijkt ze met een glimlach terug en probeert te raden wat ik denk. Misschien denken we op zo’n moment allebei aan niets. Ik heb geen eigen gedachten, ik denk aan wat zij denkt en zij denkt aan wat ik denk. Het is een kringetje. Het is goed.   Weekend: thuis Als vader met mij praat, heb ik geen grote woordenschat nodig. “Ja vader” en “nee vader” volstaan. Vader praat graag en vaak met zijn handen: één enkele keer zijn ze gevuld met snoep, maar meestal trakteert hij met klappen. Zijn slagen, ze zijn van het soort waar je ogen van knipperen als hij met onschuldige hand een lok van je voorhoofd streelt. Het is om mijn bestwil, dat weet ik, en moeder weet het ook, verborgen in haar hoekje of kantje. Zo zijn vaders. Het is goed.   7. Na de kleuterklas kwam de lagere school. We hadden in die tijd nog geen telefoon, dus wie ons nodig had, belde naar de buren. Dat gebeurde uiterst zelden; zoals die keer dat de school naar de buren telefoneerde met de vraag of moeder mij kon komen afhalen. Bezorgd spoedde moeder zich naar het lokaal van de verpleegster en toen ze me zag, begon ze te huilen. Mijn rechteroog zat helemaal dicht, twee los zittende melktanden waren gesneuveld en wanneer ik ademde, leek er een piepend geluid uit mijn longen te komen. Vader was woedend en klampte na zijn werk direct de directeur aan. Die wist enkel te vertellen dat er een vechtpartij geweest was.   De ware toedracht? ’s Middags speelden alle leerjaren samen op de grote speelplaats. Ik zat nog maar in de eerste klas. Ik was een gemakkelijk slachtoffer voor ‘die van de zesde’. Die dag had ik op de speelplaats een steentje gevonden en het opgeraapt voor de neus van één van hen. Hij had me zien bukken, maar hij had niet kunnen zien waarom. “Wat heb je daar gevonden?” vroeg de stoere twaalfjarige. Ik klemde het steentje in mijn vuist en zei: “Niets!” Het was per slot van rekening maar een steentje en daar had die jongen niets mee te maken. Dat was niet naar zijn zin. “Hé,” riep hij tot zijn makkers, “die kleine hier heeft iets gevonden en hij wil niet zeggen wat het is!” “Misschien is het geld,” riep een ander terug. Plots stonden ze met z’n vijven om me heen. Nog wou ik het steentje niet tonen. Toen begonnen ze me te schoppen en te slaan. De juf riep de meester erbij om ons uit elkaar te halen. Het steentje heb ik geen moment gelost. Ik had het nog steeds stevig in mijn vuist toen moeder me kwam halen.   11. Moeder, je had een reeks aandoenlijk dramatische pogingen tot zelfmoord achter de rug. Telkens wanneer er een ziekenwagen voor de deur stond, vroegen de buren zich voor de grap onder elkaar af: “Heeft ze weer zelfmoord gepleegd?” Hoe schuldig moeten ze zich gevoeld hebben na je laatste poging! Qua denkwerk was je daad heel eenvoudig. De hoogte van het plafond, naar beneden afgerond. Je lichaamslengte, ruim bemeten. Het verschil van beide getallen, vermeerderd met een lus. Zo lang was je touw. Een elementair rekensommetje. Toch zei iedereen dat je het zo niet gewild had. Dat je pogingen een schreeuw om aandacht waren. Ik heb daar veel over nagedacht. Ik denk dat iedereen zichzelf maar iets wijsmaakte om er zich van af te maken. De bemoederende woorden van een non. Het vaderlijke verbod van een priester. “Probeer het niet nog eens; het leven kan zo mooi zijn!” Dat was de enige hulp die je in die tijd kon krijgen. Daar moest je het mee doen. Basta!   13. Het was wel duidelijk dat ik niet was zoals de andere kinderen. Vooraleer ik naar de middelbare school mocht, schotelde men mij en mijn klasgenootjes een hele reeks testjes voor om te zien wat er van ons kon worden. Verstandelijk was er niks mis met me, ik behoorde tot de slimsten van mijn klas. Toch was ik een twijfelgeval. “Hij denkt niet zoals de andere kinderen denken,” zo legde de meester uit aan vader, maar vader wist dat al. Hij begon tegen de man te vertellen over moeder en haar zelfmoord. Daar had de meester niet van terug. Niemand op school durfde vader tegen te spreken zodra hij over zijn vrouw begon. Zo mocht ik overgaan naar het middelbaar. Natuurlijk werd ik daar nóg meer gepest; al was het maar omdat vader al mijn kleren 2 + 1 gratis kocht in de supermarkt, zodat het leek of ik nooit andere kleren aandeed. Wat bovendien soms weken na elkaar het geval was, als vader geen zin had om te wassen. Maar ik bleef een redelijk goede leerling. Ik behaalde goede punten, beging zelden een flater en in zo’n geval merkt geen enkele leraar het pesten op. Als er al iets gebeurde, keek de speelplaatsopzichter de andere kant uit. ‘Kwajongensstreken’ noemden ze het.   Eén enkele keer haalde ik uit. Een bende klasgenoten had mijn muts afgepakt en wierp ze van de ene naar de andere. Hoe ik mijn muts ook naliep, ik kwam altijd te laat om ze aan de pestkoppen te ontfutselen. Tot ik een paar meter verder het jongere broertje van één van hen op de speelplaats opmerkte. De jongen was net iets kleiner dan ikzelf. Ik liep op hem af en greep hem stevig beet. Ik trok een pluk haar van zijn hoofd, hield die omhoog en dreigde ermee de luid krijsende jongen volledig kaal te plukken als ik niet gauw mijn muts terugkreeg. Iedereen was verbijsterd, verontwaardigd omdat ik een onschuldig kind aanviel dat niks met de pesterijen te maken had, maar ik kreeg de muts bijna binnen de seconde terug. Ik duwde het huilende kind minachtend op de grond en zette mijn muts op. Ik stond er verder niet bij stil. Het was voor mij gewoon een kwestie van overleven. Elke dag opnieuw. (Hoelang nog?)   17. Liefste dagboek, [maandag] Gisteren was er een man op tv. Hij zei doodserieus: “Zelfmoord, dat is toch wel het laatste wat je doet!” Waarop een hele zaal in lachen uitbarstte. En ik? Ik zat er onbewogen bij. Niet goed wetend wat ik op dat moment het liefste wilde: huilen of lachen. [dinsdag] Ik ken van alles de definitie, maar van niets wat het betekent. Als ze me vragen waarom ik de dingen doe zoals ik ze doe (nooit zoals het hoort), verdedig ik me altijd met hetzelfde antwoord.“Ik ben nu eenmaal mezelf.” Eénmaal mezelf, als een priemgetal, ondeelbaar. Alsof het iets is om trots op te zijn. [woensdag] Ik ben een autodidact die de verkeerde les heeft geleerd. Telkens ik denk origineel te zijn, blijk ik net een open deur ingetrapt te hebben. Het is niet eerlijk. Het is niet fair. De hond blaft, maar de karavaan is al lang voorbij… [donderdag] Ik ga zelfmoord plegen. Nee, niet nu direct. Binnen drie dagen pas. Ik heb een plan. Goed overdacht; geen impulsieve daad! Zondag gebeurt het, of helemaal niet. Dat geeft me ruim voldoende bedenktijd om uit te maken wat het meest de moeite is. De lange pijn, of de korte… [vrijdag] Wat is er misgelopen? Was het mijn afkomst? Was het mijn opvoeding? Of was het gewoon mijn eigen schuld? Waar ben ik ziek? Ik leid een leven zonder grootse verwachtingen. Mijn pad loopt als een diepe voor, uitgesneden in de schier eindeloze vlakte. Ervan afwijken gaat niet zomaar… [zaterdag]Als deze dag mijn laatste was    zou ik dan kunnen sterven?Wat is er van mijn stof en as    de moeite waard te erven? Vanavond kreeg ik onverwachts de kans om met een paar klasgenoten mee te rijden naar een fuif. Een laatste keer de nacht in dansen en dan voor altijd slapen. Het idee trok me wel aan, maar ernaar handelen, kon ik niet; het hoorde niet bij mijn plan. Ik bleef thuis in het gezelschap van mijn doemgedachten. Wachten, wachten, wachten… [zondag] Ik werd vanmorgen opgebeld; mijn klasgenoten zijn niet teruggekeerd van hun fuif. Op de terugweg is hun auto tegen een boom geknald. De chauffeur en de passagier op de achterbank vechten nog voor hun leven. De passagier naast de chauffeur was op slag dood. Dat was mijn plaats. Ik had die passagier moeten zijn. Morgen drie lege banken in de klas. Niet de mijne. Opnieuw weet ik niet wat ik het liefst zou kunnen: huilen of lachen. Het was nu of nooit, maar het zou van slechte smaak getuigen er nu van te maken. Het wordt dus nooit. Ik blijf leven.   19. Het eerste meisje waar ik mee naar bed ging, was heel mooi. Ze had blond golvend haar en blauwe ogen. Op een woensdagnamiddag nodigde ze me uit op haar kamer. Haar vader was uit werken en haar moeder begeleidde haar jongere broers naar de voetbalclub. We hadden tijd, zo lokte ze me naar binnen, en niemand zou ons storen. De deur was nog maar dicht of ze ging uit de kleren. Tegen beter weten in, aapte ik haar na en algauw rolden we borst tegen borst over haar bed. Tijdens de daad kreunde ze oorverdovend hard en dat stoorde me een beetje. Ik was nog nooit op haar kamer geweest en terwijl ze mijn stijve pik bereed, telde ik het aantal boeken op haar plank (34), het aantal foto’s op haar bureau (5), het aantal cd’s in haar rek (49),… Pas toen ze haar klauwen in mijn vel dreef, besefte ik waar ik mee bezig was en kwam ik schokkend klaar. Het meisje belde direct haar beste vriendin op om te zeggen hoe fantastisch het geweest was. Haar vorige vriendjes kwamen nooit verder dan wat stuntelig gefriemel en een ‘sorry dat het zo vlug voorbij is’, maar ik was totaal anders, zo vertelde ze. Als gevolg van al die lof begon die vriendin van haar me een week later te verleiden. We deden het bij haar thuis op de sofa. Haar ouders werkten allebei en haar oudere zus zat op kamers als studente. Er lagen 3 tijdschriften en 2 kranten op het salontafeltje. Op de schoorsteen stonden 3 beeldjes en 8 foto’s. Ik deed alsof ik klaarkwam toen de grote wijzer van de wandklok op 12 sprong. Dat ik met elk van de twee beste vriendinnen gesekst had, kon niet lang geheim blijven. Eerst vlogen ze elkaar in het haar, daarna richtte hun woede zich op mij. Ik begreep er niks van.   Ik heb me na die eerste ervaringen een hele tijd ver van meisjes en vrouwen afgehouden. Gelukkig was de middelbare school op dat moment bijna achter de rug. Pas op mijn negentiende verzeilde ik weer met een meisje in bed. Het gebeurde op mijn eigen studentenkamer. Ik had alles wat er stond al geteld. Het meisje had een minuscuul schoonheidsvlekje bij haar rechterwenkbrauw. Zo ééntje dat je amper ziet als je er niet op let, maar waar je je ogen niet van kunt afhouden als je het eenmaal gezien hebt. En zo bedreven we, elkaar strak in de ogen kijkend, samen de liefde. Toen we lagen na te hijgen, zei ze dat ze van me hield. Ik zei haar het zelfde terug.   Het was het mooiste misverstand dat ik ooit mocht beleven.   23. Ik ben 23 geworden. Ik heb mijn diploma.Ik ga trouwen. Ik word vader.Het is alles wat ik ooit gewild heb. Het is méér dan ik ooit verwachtte.Het is prachtig. Het is angstaanjagend.   Ik ben nog altijd niets wijzer geworden omtrent wie ik ben, maar ik weet ondertussen wel wat ik heb.Het is geen ziekte, maar het heeft wel een naam.Ik kan er niet van genezen, maar ik ga er ook niet aan dood.Denk ik. Hoop ik.   Ik wilde het alfabet herschrijven, maar ik raakte niet verder dan de A.De A van autisme.Dan maar verder met getallen. Dat lukt me beter.Denk ik. Hoop ik.   Ik noteer alvast mijn volgende priemjaar.Dan zien we wel wat volgt:   29.

Bruno Lowagie
0 0

Publicaties

- iText in Action, Manning Publications Co., October 2006 - ISBN 9781932394795 - 688 pages
- iText in Action, Second Edition, Manning Publications Co., October 2010 - ISBN 9781935182610 - 616 pages
- Manuscript in een studentenkamer gevonden: gepubliceerd in het magazine Autisme Centraal

Prijzen

Literaire wedstrijd van de stad Harelbeke 1994: "Icarus Falling" (kortverhaal gepubliceerd in de bundel "Een barst in Winterwater")

Gorcumse Literatuurprijs 2019: "Opa 75"

Prijzen niet rechtstreeks met schrijven gerelateerd: https://lowagie.com/awards