Nele Eerdekens

Teksten

Start. Stop. Oase

Midden door het bos loopt een rivier. Als het hard regent wordt hij onrustig, bij mooi weer kabbelt hij gemoedelijk verder. Aan de oever staan treurwilgen. Hun takken tokkelen op het water waardoor waterringen het oppervlak versieren. In het oneindige lijken ze door te willen gaan, totdat ze botsen tegen de grillige randen. De wortels van de knoestige treurwilgen  lijken de ringen te willen tackelen. Het wateroppervlak weerspiegelt de steeds veranderende lucht. Helderblauw, helderblauw met wollige wolkjes, grijs en soms zelfs gitzwart. Boris zit op een bankje naast de rivier met een ongeopend boek op zijn schoot. Hij ademt diep in en neemt de omgeving in zich op. De wind laat de takken van de treurwilg rond hem dansen. De zomer is bijna op haar einde, de lucht krijgt stilaan de bedwelmende geur van de herfst en de dieren maken zich op voor de aankomende koude. In de verte ziet hij een eekhoorn acrobatische sprongen maken tussen de bomen. In een vorig leven kwamen ze hier met hun drietjes. Ruth nam dan een rood-wit geruit picknickdeken mee en ze aten sandwiches met tonijnsla. Stef dronk Kidibul en zij wijn. Nadien ging hij met Stef vissen, terwijl Ruth hier, op dit bankje waar hij nu zit, zich nestelde met een boek. Het werd een vaste traditie. Elke tweede zondag van de maand kwamen ze hier. Als het regende, namen ze een grote paraplu mee die ze in de grond staken en naast elkaar gingen schuilen in hun knusse regenjassen. Het lawaai van de kletterende regen in de rivier had bijna iets mediterend. Boris tuurt voor zich uit. Er is niets veranderd sinds 13 januari 2002. Dezelfde bomen vinden hun evenbeeld in het spiegelende wateroppervlak. Dezelfde geluiden vullen het bos rondom hem. Hij stapt naar het water, totdat hij zijn eigen reflectie ziet. Die is wel veranderd. Zijn witte huid met guitig rode wangen maakte plaats voor een ingevallen gezicht met een asgrauwe uitstraling. Zijn ogen liggen diep verzonken in hun kassen. Zijn dikke bos krullen is uitgedund tot enkele willekeurig verdeelde plukken haar die doelloos uit zijn hoofd steken. Het was een zondag in een rij van zoveel zondagen dat ze met hun jeep het bos introkken. Ze hadden thuis al gegeten omdat het buiten te koud was. Er was veel sneeuw gevallen rond de feestdagen, er had zo’n tien centimeter gelegen. Grote sneeuwmannen bewaakten hun huis. Een week geleden begon alles te smelten. De moddergrond begon door het magische sneeuwdek te schemeren. Ze stapten naar de rivier. Die leek wel zwanger door het smeltwater dat ze gewillig opnam. Zijn peil oversteeg bijna de randen, bijna klaar om een extra stukje van de wereld in te palmen. We wandelden tussen de bomen, die hun takken nog mistroostig kaal lieten hangen. De lage winterzon wierp lange schaduwen op de grond, als lange tentakels die reiken naar iets in het lege. Ze verzonken in een discussie. Hij had zijn werk als bankbediende opgezegd om zijn creatief instinct te kunnen volgen. Voltijds schilder worden was toch al van kindsbeen zijn grootste droom, hoe kon ze hem hierin niet steunen? “Mijn loon is niet hoog genoeg voor ons allen.” “Wat als Stef gaat verder studeren?”. Flarden bereikten zijn oor, al werd veel gedempt door het luide geloei van de opkomende wind. “Mama, papa, kijk een eekhoorntje!” “Toen we trouwden beloofde…altijd je gezin …ondersteunen.” Hij verloor zijn geduld. Hij was met haar mee verhuisd naar de andere kant van het land omdat zij in de buurt van haar familie wou wonen. Zijn stabiele job, vrienden en familie liet hij achter om bij haar te zijn en een gezin te stichten. Nooit mopperde hij, omdat zij het enige was wat hij nodig had om gelukkig te zijn. Al de rest was decor. Maar na al die jaren groeide de behoefte om zijn droom te achtervolgen. Verwijten vlogen heen en weer. Totdat ze opeens een schrille kreet hoorden “HELP”! Zijn hart bevroor, ze keken een fractie van een seconde met paniek in de ogen naar elkaar en stormden dan naar het water. In de verte zag hij Stef in het water drijven, zijn hoofd als een pingpongbal heen en weer wiegend in de sterke stroming. Hij deed snel zijn zware laarzen uit en sprong het water in. Het ijskoude water sneed als messen door zijn ledematen en de zuurstof in zijn longen leek ter plaatse te bevriezen. Met een overstijgende kracht zwom hij met alle kracht naar hem toe. “Stef, zoek een tak om je aan vast te houden!” Toen hij bijna bij hem was verdween Stef onder water. Paniekerig ging hij kopje onder. Zijn handen graaiden wild in het rond. Plots voelde hij de kap van Stef ’s regenjas. Opgelucht trok hij hem naar boven uit het water, hij greep een tak en duwde hem op de modder. Zijn ledematen waren uitgeput van het gevecht tegen de stroming. Met zijn laatste kracht trok hij zichzelf op de oever. Ruth kwam aangelopen en knielde naast hun zoon. Zijn lippen waren blauwpaars aangelopen en zijn anders altijd rode blos was nergens te bespeuren. De glazige gloed over zijn ogen verried dat we te laat waren. Op dat moment verliet een deel van Boris zijn ziel zijn fysieke eigenaar. De dagen nadien verliepen in een waas. Het besef dat ze hun eigen kind moesten begraven zorgde voor een permanent gevoel van verdoving. Toen Stef helemaal verdwenen was uit hun leven (ze hadden pas zeven maanden later zijn kamer opgeruimd, voordien was het als het ware een gebedstempel), kwam het besef dat er iets gebroken was. De dood van Stef ontwrichtte alles. hun identiteit, neen, zijn identiteit en haar identiteit. Er was een onoverbrugbare kloof ontstaan in hun huwelijk. Het gedeelde verdriet om de dood van hun zoon bracht geen soelaas meer. Bovendien werd het ondraaglijk om elkaar in de ogen te kijken en Stef te menen herkennen. Drie jaar na het incident gingen ze uit elkaar. Hij ging terug naar zijn geboortedorp en Ruth trok in bij haar ouders. De jaren heelden de pijn niet. Als een gapende wonde trok de herinnering aan zijn bewustzijn. Het is nu bijna veertien jaar later. Het is de eerste keer dat hij hier opnieuw komt. Hij staart naar de bocht in de rivier waar Stef verdronk. Met een zucht staat hij op. De steen trekt aan zijn been. Rustig stapt hij in de rivier. In de verte ziet hij enkele eekhoorntjes rennen. Hij laat zijn leegte opvullen door het water.

Nele Eerdekens
0 0

Bogaertstraat 6

Al brommend trekt hij zijn voordeur achter zich dicht. Hij neemt een stuk papier, schrijft er in koeien van letters “LEER VERKEERSBORDEN LEZEN!” op en steekt het onder de ruitenwisser van de mini cooper. “Tegenwoordig kunnen mensen toch niet meer parkeren…”. Hij maakt zijn dagelijkse ronde. In vijftien jaar tijd is er enorm veel veranderd. Waar vroeger nog weides lagen, staan nu grauwe sociale woningen. De eens rustige straat, is nu volgestroomd met gezinnen met meutes kinderen en hangjongeren. In de zomer galmt hun muziek door de straten. Hun kaartgroep is inmiddels gehalveerd. De meedogenloze tand des tijds haalt iedereen weg, ook zijn geliefde vrouw. Na zijn dagelijkse omelet, doet hij een dutje in zijn zetel naast het raam. Net wanneer zijn gedachten het mondaine leven loslaten om te verdwalen in de droomwereld, haalt een getik op het raam hem terug naar de werkelijkheid. Hij schrikt op en kijkt naar buiten. Vier grote bruine ogen staren hem verwachtingsvol aan. Wanneer hij niet meteen opstaat, klopt het rechtse jongetje nog een keer. Geërgerd staat hij op en opent het raam.  “Wat?” “Meneer onze bal is over het hek gevlogen en ligt in uw tuin.” “En dan?” Er valt een stilte. Hij doet het raam terug dicht, trekt de gordijnen toe en nestelt zich terug in zijn zetel. Een kwartier later gaat de bel. Enkele seconden later een dringend geklop op de deur. Met een diepe zucht staat hij op en wandelt naar de deur. Een kleine vrouw met een wilde zwarte haardos kijkt hem boos aan. “Waarom mogen mijn kinderen hun bal niet in uw tuin gaan halen?” “Ik ben aan mijn middagdut bezig.” Hij duwt de deur dicht, maar ze steekt haar voet ertussen en doet hem terug open. Voor zo een kleine vrouw te zijn, heeft ze best veel kracht. Ze loopt langs hem door en opeens staat ze in de living. Ze kijkt naar de stapels vuile glazen en borden. Opeens is ze veel stiller. Omdat hij geen zin heeft om urenlang dat vrouwmens te moeten aanschouwen, geeft hij toe om het poortje te openen. De vier grote bruine ogen razen langs hem voorbij en schoppen de bloemen omver. Wanneer ze de straat oversteken met hun rode bal, haalt hij opgelucht adem en kruipt hij terug in zijn hoekje. Die avond gaat rond zes uur opnieuw de bel. De kleine zwarte haardos staat weer voor hem.  Ze heeft een emmer met poetsproduct vast. Zonder iets te zeggen, loopt ze langs hem voorbij en begint in de keuken alles op te ruimen. Sinds die avond komt Elisa wekelijks helpen bij Jean. En de vier bruine ogen, die komen in de tuin voetballen terwijl Jean supportert.

Nele Eerdekens
0 0
Tip

Restformule grijs

Restformule grijs. Grijze muren en een grijze lucht. Ik kijk naar beneden en zie dat zelfs mijn bloes grijs is. Ik zucht bij de gedachte dat alles een afspiegeling lijkt van mijn stemming. Langzaam maar zeker verdwijnt alle kleur in mijn leven. Elke dag slipt ze verder weg, elke dag wordt mijn wereld donkerder. Wanneer ze eindelijk haar ogen opnieuw opent, mist elk spoor van herkenning in haar blik. Haar grote bruine reeënogen staren mij leeg aan. Een fractie van een seconde later maakt de verdwaasdheid plaats voor paniek. “Waar ben ik? Ken ik u? Breng me onmiddellijk naar huis!” Ze probeert uit haar bed te kruipen, maar haar fragiele uitgeputte lichaam doet geen dienst meer en de tranen van frustratie rollen over haar rood aangelopen wangen. Elke keer opnieuw voel ik mijn hart in miljarden stukken breken. Zij, de vrouw van mijn leven, de moeder van mijn kinderen, die als een in de val gelokt wild dier in haar ziekenbed vol verwarring ligt te spartelen om te vluchten. Met tranen in mijn ogen duw ik op de bel om begeleiding te roepen. “Binnen een maand gaan we trouwen!”. Mijn schoonouders maken haast een sprongetje van geluk, hun geliefde dochter heeft in mij een warme, betrouwbare man gevonden. We huren de zaal, treffen praktische voorbereidingen en de schoonmoeder maakt een prachtig handgemaakt kanten trouwkleed met dito sluier. Dat Marie er prachtig zal uitzien, dat staat vast. Mijn hart loopt over van geluk. Loeiende sirenes, de zwaailichten van de ambulance reflecteren in het natte wegoppervlak. Mijn ruitenwissers maken tevergeefs overuren. De tranen in mijn ogen belemmeren alle zicht. Ik probeer mij te concentreren op de nummerplaat van de ambulance. In mijn geheugen vormt zich een zwart gat. “Kom op Tom, je bent nog zo jong. Je gaat toch niet heel uw leven toewijden aan de verzorging van één vrouw terwijl alle wegen nog open liggen?”. Ik zit naast het ziekenhuisbed met mijn vingers geklemd rond haar goede hand. Een zijden draadje, dat was het. Een zijden draadje dat beslist heeft om mijn grote liefde nièt bij me weg te halen. Dat zij nu fysiek beperkt is, maakt niet uit. Geen haar op mijn vroegtijdig kalende hoofd dat eraan denkt haar in de steek te laten. Jaren -en een zoon en een dochter- later, prijs ik mijzelf de gelukkigste man op aarde.  De revalidatie was bijzonder pijnlijk geweest. Als een klein kind moest ze opnieuw leren stappen, eten en spreken. Maar Marie is niet zomaar een vrouw. Samen op reis naar Oostenrijk, wandeltochtjes in de bergen, ravotten met de kinderen, zelfs autorijden met een aangepast voertuig. Niets lijkt te veel voor haar. Er is niemand in de omgeving die geen bewondering voor haar uit. “een vechterke, een staalharde vrouw”… de adjectieven vliegen in het rond. Marie was gezegend met een weelderige bos kastanjebruine krullen. Ik vond het zalig om te zien hoe de wind in haar haren speelde wanneer ze voorop fietste tijdens onze wekelijkse tochtjes. Op onze trouwdag maakten de krullen plaats voor een kortgeschoren kapsel, een overblijfsel aan de operatie. Maar toen ze als een bosnimf van de trappen van haar ouderlijk huis afdaalde, hield iedereen zijn adem in. Ziekte noch uitputting kan raken aan haar schitterende schoonheid. Zelfs nu, met haar doorschijnend witte huid doorlopen van de paarse aders en haar hoofd vol met kale plekken , blijft ze het mooiste wezen dat ik ooit zag. Voor haar kinderen deed ze alles. Met zeeën van geduld tijdens hun puberteit, stond ze altijd klaar met wijze raad. Het huishouden deed ze met één hand. Een soep koken waarvoor je doorgaans een kwartier snijwerk moet tellen, moest zij anderhalf uur zwoegen. Maar klagen? Nee, dat stond niet in haar woordenboek. Mijn bewondering voor haar groeide met de dag. Dan is er het ultieme noodlot. Als een zwarte wolk die al jaren in een klein hoekje van een heldere hemel zweeft, ineens beslist als een donderwolk neer te dalen. Een schijnbaar doodgewone dinsdagavond. De kinderen komen samen met hun gezin eten. Wanneer iedereen vertrokken is en onze kleinzoon naar goede gewoonte ligt te ronken op de oude slaapkamer van onze zoon, beginnen wij samen af te ruimen. Ik sorteer de borden in het afwasmachine en roep naar haar om te vragen of ze de tv kan opzetten om naar het journaal te kunnen luisteren. De begrotingsonderhandelingen zijn immers bezig en ik zou toch wel eens willen weten waar ze al dat geld gaan halen. Geen reactie. Een paar seconden later is het nog steeds muisstil. Ik sluit het afwasmachine. Op mijn hoede wandel ik naar de living. Achter het telefoonkastje zie ik haar liggen. De hond zit naast haar, met een bange blik in zijn ogen. “Gelukkig, ik zie toch al geen bloed”, denk ik nog. Als in automatische stand bel ik de ambulance en ga ik naast haar zitten terwijl ik over haar hoofd streel en haar hand stevig vasthoud. De ambulanciers komen binnengestormd, leggen haar op een bed en trekken onze handen bruusk uit elkaar. Ik blijf verweesd achter. Haar geheugen was grotendeels weg. Al onze gedeelde herinneringen als krijt in de regen weggespoeld. En toen was er alleen nog mist.  

Nele Eerdekens
72 0

Vogelpik

Ze schilt de derde aardappel en gooit hem bij de anderen in de kastrol water. Het water spet op haar gebloemde kookschort. Ze neemt de volgende uit de mand en terwijl ze hem vakkundig bewerkt, kijkt ze naar de foto op de vensterbank. Het is zo’n oude foto die door de grijze waas die erover hangt, wel uit een andere werkelijkheid lijkt te komen. Marie denkt bij zichzelf dat deze foto zou moeten ontploffen van de levendige kleuren en emoties, want haar huidige leven voelt eerder aan alsof er een dikke grijze waas op hangt. De foto toont haar en Jean op hun trouwdag. Ze droeg een nauwsluitend, wit kanten kleed tot op de grond. Haar ranke lichaam stond er uitdagend in afgetekend. Teleurgesteld kijkt ze omlaag naar haar plomp geworden lijf. Met de tijd heeft ze geen energie meer gestoken in diëten en sporten, laat staan dat ze er de tijd voor vond. Ook de vier zwangerschappen hebben haar lichaam onherroepelijk getekend. De fotoversie van Jean is een ondeugende jongeman met dik blond haar en permanente pretlichtjes in de ogen. Ze poseerden in de tuin van zijn ouders, paarden grazend op de achtergrond en de bomen versierd met ballonnen. Marie denkt terug aan die zachte lentedag en het intense geluksgevoel dat ze toen had. Zij en Jean wilden geen doorsnee leven leiden. Ze zouden de wijde wereld intrekken, een wereldreis maken, in een of ander exotisch land wonen, vreemde culturen ontdekken en nieuwe talen leren. In haar enthousiasme had Marie al een trekkersrugzak en dure wandelschoenen gekocht. Die stonden klaar op haar slaapkamer, keurig opgeborgen in een hoekje van haar kleerkast. Na de trouw begonnen ze volop plannen te maken. Ze kochten een wereldkaart die ze tegen de muur hingen. Een spelletje vogelpik moest uitwijzen wat hun eerste bestemming zou worden. Ze herinnert het zich als de dag van gisteren, de adrenaline die ze door zich heen voelde stromen toen ze geblinddoekt het pijltje naar de muur wierp. Het belandde vlak naast Thailand. Ze begonnen meteen te dromen over de rijstvelden, het lekkere eten en de weelderige natuur. Hun vliegticket lag maanden op voorhand klaar op hun nachtkastje. Als een dagelijkse geruststelling voor het slapengaan dat er in de nabije toekomst iets lonkte. Enkele weken voor de vertrekdatum, ging ze naar de huisarts voor een buikgriep, die stuurde haar door naar een gynaecoloog. Die stelde vast dat ze 23 weken zwanger was. Marie herinnert dat ze stomweg niet reageerde. De dokter keek haar verwachtingsvol aan. “Van een tweeling! Proficiat mevrouw!”. Zonder iets te zeggen kleedde ze zich terug aan, legde geld op zijn bureau en stapte naar buiten. Heel de namiddag wandelde ze doelloos rond in het dorp. Tevergeefs probeerde ze rust te brengen in haar hoofd. In tegenstelling tot haar reageerde Jean wel enthousiast. Hij had zijn vaderwens nooit helemaal willen toegeven aan haar, en nu werd hij papa, van twee dochters nog wel. Marie slikte de krop in haar keel weg en toverde een toegeeflijke glimlach op haar gezicht. Nu, dertig jaar later, staat de trekkersrugzak nog steeds naast de wandelschoenen in hun kast, al hangt er een dikke laag stof op. Na de geboorte van hun tweeling, volgden al snel een zoon en enkele jaren later nog een derde dochter. Jean werkte in de nabijgelegen autofabriek en zij was hele dagen in de weer met de was en de plas. Reizen deden ze nooit, dat was te duur met de kinderen erbij. Het verste dat ze geraakten was Blankenberge, daar logeerden ze enkele nachten bij de oudere zus van Jean die ernaar verhuisde omwille van haar artrose. In gedachten verzonken, met de aardappel stil in haar hand, staart ze door het keukenraam. Plots huppelt een blond staartje met een roze elastiek onder het raam door. De verandadeur vliegt open “Omaaa, ik heb een nieuwe tekening gemaakt!” Marie gooit de laatste half geschilde aardappel bij de hoop en tilt haar kleinkind op. Trots toont ze haar kunstwerk. Het is een tekening van haar en Jean, samen met de kinderen en kleinkinderen in de tuin. De kleuren spatten ervan af. Ze plaatst het naast hun trouwfoto op de vensterbank. “Eigenlijk is ons leven nu ook een explosie van kleur”, denkt ze bij zichzelf terwijl ze het vuur opzet en haar kookschort gladstrijkt.

Nele Eerdekens
0 1