Over Sarah VdB

Studente Wijsbegeerte die af en toe de pen ter hand neemt om stukjes proza uit te kramen waar geen mens op de wereld om gevraagd heeft. In het verleden publiceerde ze haar romans, kortverhalen en essays op online platformen zoals Wattpad en Sweek.

Teksten

Lijkrede voor William

William,  Hoe voelt dat nu eigenlijk, doodgaan? Voel je zoiets aankomen? Wat dacht je op dat ogenblik? Of is het daar nog voor je het goed en wel beseft, alsof je plotseling een donkere leegte wordt ingeduwd zonder de herinnering gevallen te zijn? Ze vroegen me of ik iets wilde voorlezen. Ik heb geen idee waarom ze nu net mij gevraagd hebben, William, want zowel jij als ik weten dat zowat iedereen op deze plaats bekwamer is dan ik in het geven van sociaal correcte toespraken over een fucking dooie. Ik kan niet liegen, dat weet je. Ik zal dan ook niet liegen over het feit dat ik mezelf wel wilde ophangen toen ik hoorde dat jij mijn broertje zou worden. We waren zeven en ik verhuisde samen met mijn moeder naar jouw huis, op den boerenbuiten in een dorp dat zo klein was dat geen enkele kaartenmaker het nodig vond het te vermelden. Man, ik kon jou niet uitstaan. Je was zo rond als een bowlingbal, had constant rode vlekken in je gezicht, stonk naar bedorven garnalen en dan maar te zwijgen over dat afgrijselijke West-Vlaamse accent van jou – had je een vod in je mond of wat? Tot overmaat van ramp moesten we ook nog dezelfde kamer delen en kwam ik erachter dat je zwijnengeluiden maakte in je slaap. Ik heb mijn moeder toen vaak vervloekt om haar slechte smaak als het op mannen aankwam. Ik zou al mijn jeugdjaren met jou opgescheept zitten. Het was de beste tijd van mijn leven. Eigenlijk waren we wel een goede combinatie. De Dikke en de Dunne. De speklap en de carpaccio. Ja, William, wij waren een geweldig team. Ondanks je uiterlijk van een sumoworstelaar, was jij bevriend met ieder meisje van onze school – zelfs de knappe – en kon ik er uiteindelijk mee gaan lopen. Ik weet niet of het kwam doordat je rond en bijgevolg aaibaar was of omdat je erin slaagde grappen te maken die smakelijk waren in al hun wansmakelijkheid, maar iedereen vond jou sympathiek – zelfs juf Teddy uit het vierde leerjaar. Ik daarentegen was de etter, het joch dat leren jacks droeg en iedereen uitmaakte voor weet ik veel wat. Ik geef het niet graag toe, speklap, maar eigenlijk wilde ik gewoon niets anders dan zoals jou zijn. Ja, ik was jaloers. Op jou. Op een kind dat al honderd kilo woog op zijn tiende. Dat gewicht van je was echt een probleem, William. Hoewel je er vaak grappen over maakte, zag ik dat het je echt in de weg zat. Zowel letterlijk als figuurlijk. Het werd er niet beter op toen je in het eerste en tweede middelbaar plots werd gepest. Op de basisschool was je zwaarlijvigheid nog schattig geweest, maar toen werd het plots een reden om je uit te lachen. Dat was jouw grootste zwakte en de mijne, dat was dat ik gewoon meedeed met de rest. Ik realiseer me nu dat ik me daar nooit voor heb geëxcuseerd. Sorry, man. Natuurlijk zag ik al die lege Weight Watchers-verpakkingen liggen op tafel en natuurlijk zag ik dat je je na iedere maaltijd in je kamer verborg om snel wat oefeningen te doen – dacht je dat die zweetplekken onder je oksels niet opvielen?- en natuurlijk zag ik hoe lamlendig jij terugkwam na een afspraak bij die zogenaamde dieetspecialist. Natuurlijk zag ik ook dat het uiteindelijk allemaal niets uithaalde. Nadat je door slechte resultaten op school je jaar opnieuw moest doen, besloot je naar de koksschool te gaan in de andere uithoek van het land. Je ging er op internaat en ik zag je nog enkel in de weekends, hoewel we die tijd sowieso niet veel met elkaar spraken; soms denk ik dat je enkel omwille van mij bent weggegaan, want o wat heb ik je destijds het leven zuur gemaakt en dat terwijl jij zo snakte naar zoetigheid. Het bleek daar goed te gaan met jou en er kwam een einde aan de pesterijen, want plots was jij niet meer de enige dikzak met hamsterwangen en rode vlekken overal op je huid. Niet alleen deelden ze je liefde voor eten, maar ook en misschien zelfs nog meer deelden ze je liefde voor koken – het eten was niet anders dan een noodzakelijk kwaad, want wie zou anders de voedselverspilling tegengaan? In de weekends klonk je West-Vlaamse gemompel nog eens tien keer erger toen je plots begon te spreken over flamberen, fileren, marineren en blancheren en weet ik veel wat voor onzinnige woorden nog allemaal. Het was vreselijk irritant, maar voor het eerst zag ik dat er passie zat in wat je deed. Zo gingen onze tienerjaren: jij kookte de pannen van het dak aan de andere kant van het land en ik... Ach, laat ook maar.   Een paar jaar later was je afgestudeerd en keerde je terug naar huis; de tijden waren veranderd en ergens ook weer helemaal niet. In jouw geval dan. Je opende meteen een eigen restaurant in ons godverlaten dorp en de zaken draaiden goed.   Ik heb er nog steeds spijt van dat ik er niet een keer gegeten heb. Ik weet nog steeds niet hoe je dat toen geflikt hebt, speklap. Plots kwamen mensen uit Limburg en ver daarbuiten naar hier. Plots stond ons dorp wel vermeld op de kaart. Plots had je een fucking Michelinster. In die tijd was ik zelf niet veel thuis - ik hoef zeker niet uit te leggen waarom – maar die verhalen over jou bereikten mij wel eens. Iedereen had het over jou. Jij met je restaurant, je veel te dure borden en je gerechten van onuitspreekbare ingrediënten; jij die kookte voor verwaande stinkerds met parelsnoeren om hun halzen en maatpakken rond hun verzadigde buiken. Jij die in een mum van tijd je bekakte Michelinsterren verdubbelde. Je was zo naïef, William. Plots stond er niets meer van recht. Het smeulende, zwartgeblakerde hout was het enige waaraan je kon zien dat er ooit een fucking sterrenrestaurant had gestaan. Ik heb het je altijd gezegd: sous-chefs zijn onbetrouwbare wezens. Je had het restaurant beter aan mij gegeven toen je van de dokter verplicht een kuur moest volgen. Mijn vissticks schijnen heerlijk te zijn, zegt men. Ach, kijk nu wat er van ons is geworden. Ik ben een ex-jeugddelinquent die het nooit afleert en jij zit straks in een kist onder de grond. Wie had dat ooit gedacht? Oké, misschien was mijn toekomst al van meet af aan duidelijk, maar de jouwe... Je had die mensen nooit mogen ontmoeten, speklap. Jij domme, domme speklap. Ik ga je missen. Hopelijk is de rijstpap daar lekker. Tim

Sarah VdB
2 0

In het laatste stadium van verrotting

“Ge bent zo stil. Is er iets?”             Daar was die vraag weer. De woorden bleven nog voor een paar seconden in de ijle lucht kleven, gebonden aan een paar atomen stikstof hier en daar. Het maakte de lucht zwaarder, drukkender.             Ik schudde mijn hoofd.             “Ge moogt het zeggen als er iets is. Ge weet toch dat ik zal luisteren.”             Ik kauwde op mijn wangen om mijn frustratie te verbijten, perste er in de plaats daarvan een glimlachje uit alsof ik wilde zeggen ‘het is oké’ en keek vervolgens weer naar de grond. Waarom mag een mens niet gewoon stil zijn zonder zich te hoeven verantwoorden? Waarom moet er altijd iets schelen?             De grond onder mijn voeten was drassig en bedekt met bladeren die in het laatste stadium van verrotting waren beland, klaar om op te gaan in de vochtige aarde. In de verte ritselden enkele blaadjes. Een specht in de verte timmerde ononderbroken een gat in de boomschors: dat zag ik niet, maar dat hoorde ik wel.             “Mama zegt dat Olly er wel bovenop komt. Uit de scans blijkt dat er een verbetering zichtbaar is. Zijn lichaam is zich aan het herstellen.”             “Fijn,” zei ik.             “Godverdomme, Felix.”             “Wat?”             Micha trapte verwoed een boomtak onder haar voeten weg. Althans, dat was de bedoeling. De tak brak in tweeën en kletste terug tegen haar onderbeen, waardoor ze begon te vloeken. Ditmaal tegen de tak.             “Stomme tak,” zei ik.             Ze blies enkele onverstaanbare woorden uit. Vervolgens: “Ik meen het, Felix.”             Het bleef een tijdje stil. Ik voelde niet meer de behoefte om iets te zeggen, omdat ik wist wat de reactie zou zijn en omdat ik wist dat Micha zoals elke keer weer wilde benadrukken dat het belangrijk was om over je gevoelens te praten en dat soort pseudopsychologische adviezen uit vrouwenbladen. Dan kon ze zich weer even de grote, wijze zus wanen die haar broertje even ging vertellen hoe het leven in elkaar zat.             Tot mijn verbazing hield ze echter haar mond. Ze bleef naast me op de boomstronk zitten, haar handen in een kommetje op haar schoot. Haar vingers waren verkrampt en verkleumd. Ze blies een ademwolkje uit en keek naar een onbeduidend punt in de verte, maar vanuit mijn ooghoeken zag ik dat ze niet echt keek: er lag een waas voor haar ogen. De pupil was gericht op iets centraal voor zich, maar in werkelijkheid keek ze centraal naar binnen.             Misschien was ze eindelijk tot inzicht gekomen.             Zo bleven we daar een hele namiddag naast elkaar zitten. Niemand zei nog een woord. De stilte van het bos, de vochtige geur van de aarde en de geringe lichtinval maakten me voor het eerst sinds de laatste vrijdag van november weer rustig. Een kalmte daalde over me neer, en mijn ogen vielen dicht toen het begon te schemeren.             Toen ik wakker werd, was Olly dood.

Sarah VdB
6 0