Lezen

Robotstofzuigers krijgen een stem

Brussel – Al jaren ondergaan robotstofzuigers een ongekende leed. Vaak zijn zij het slachtoffer van pijnlijke botsingen. Vanaf morgen krijgen zij een stem. De Roomba, vakbond van de Artificiële Intelligentie noemt dit ‘alvast een stap in de goede richting’, en hoopt dat dit ook andere robots aanzet tot actie over hun arbeidsvoorwaarden. Robotstofzuiger zijn een vaste waarde geworden bij de Belgische gezinnen. Sinds enkele jaren maken ze een steile opmars en duwen ze de gewone stofzuiger uit de markt. De huiskamers van de meeste gezinnen zijn echter niet mee geëvolueerd met de komst van de robotstofzuiger. Dit maakt dat zij vaak botsen op kasten, stoelen, tafels,… of verstrikt geraken in rondslingerend speelgoed. Vakbond Roomba ijverde daarom ook al jaren voor een chip die dit leed een stem geeft. Vanaf morgen 1 oktober is het zover en dan moeten alle robotstofzuigers uitgerust worden met deze chip. Bij elke aanraking zal de eigenaar een korte pijnkreet horen, maar er zijn nog andere functies. Zo kan de eigenaar kiezen voor de huilbuien van Simonneke uit ‘Thuis’ of voor strakke ‘D’oh’s’ van de welbekende Homer Simpson. Eigenaarsorganisaties drukken hun bezorgdheid uit over mogelijke geluidsoverlast. Roomba reageert hierop: ‘Al jaren lijden de robotstofzuigers in stilte. We betreuren zelfs enkele slachtoffers die het leven lieten door rondslingerende legoblokjes. Deze chip is broodnodig om de eigenaars stil te laten staan bij het onnodige leed. Misschien wordt er eindelijk opgeruimd vooraleer onze leden aan de slag gaan.’ Roboteigenaars vrezen dat dit een gevaarlijk precedent zal scheppen, en dat het idee ook toegang zal vinden bij robotgrasmaaiers of keukenrobots. Roomba ziet dit anders: ‘Wij voelen ons niet begrepen als groep. Mensen hebben het schijnbaar moeilijk met nieuwkomers. Er is echter geen plaats voor discriminatie. Iedereen heeft recht op een leven zonder pijn. Wij zouden het een grote vooruitgang vinden mochten andere robots zich bij deze gedachte aansluiten.’ De chip is verkrijgbaar via de website van de het Vlaamse ministerie voor Artificiële Intelligentie te Brussel. Vanaf 1 december moet elke robotstofzuiger hiermee uitgerust zijn.   Spoiler alert: uiteraard is dit fake news!  

Jolien Van de Velde
40 2

Papa

PAPA (Dieter Santy) Denkbeeldig gesprek van een tiener met zijn zopas overleden vader. De jongen zit op “hun” bankje aan een visvijver waar ze al die jaren samen naar de vissers hebben zitten turen… JONGEN: Papa? VADER: Ja ventje. JONGEN: Papa! Ik ben zo blij dat je er bent. VADER: Ik ook ventje. Ik ook. JONGEN: Kijk. Frank heeft beet. Hij had er al 12 gevangen, zei hij mij daarnet. VADER: (lacherig) Nja, 12… Doe er maar de helft weer af. We kennen Frank. Het is al laat in de namiddag en een halve bak Omer later. Dan ziet hij dubbel én… telt hij ze dubbel. JONGEN: (lacht, gevolgd door een lange stilte). Mama vindt dat ik toch beter Latijn zou studeren… Ik weet het niet. Ik heb schrik dat ik het misschien niet zal aankunnen. En bovendien gaan Lowie en Mauro ook al niet naar het college. Ik ken daar niemand. VADER: Je moet doen wat je graag wilt doen. Je hebt dit toch altijd gewild? JONGEN: Nja… VADER: Echte vrienden zullen er altijd zijn. JONGEN: Ja, ik weet het. Maar jij had mij kunnen helpen als ik iets niet zou begrijpen van de Latijnse les. Jij was altijd zo goed in taal. VADER: Ventje toch, ik ben er 100% zeker van dat het zonder mij ook zal lukken. JONGEN: Denk je? VADER: School is al altijd gelukt zonder mij. Toch? JONGEN: (lacht bevestigend). (Stilte). Het gaat niet zo goed met opa. Hij ligt alweer in het ziekenhuis. VADER: Ik weet het ventje. JONGEN: Oma zegt dat zijn hart heel fel verzwakt is door de stress van de laatste maanden. VADER: Het komt wel weer goed. JONGEN: Denk je? Ik heb écht heel veel schrik om ook hem te verliezen… Ik wil niet dat hij doodgaat. VADER: Opa is veel sterker dan je denkt. Maak je maar geen zorgen. JONGEN: Hij praat voortdurend over jou. En dan begint hij steeds te huilen. En oma dan ook… ’t Is lastig papa. (stilte). JONGEN: (Herpakt zich). Zulte-Waregem is uit de degradatiezone. Goed hé, papa? VADER: Ja. Zullen ze dan toch nog eens kampioen worden? JONGEN: Ja wie weet? (zingt luid met heel gedempte stem) Essevee olé olé… Dat we dat nog mogen meemaken. Stel je voor. VADER: Ja. JONGEN: Allé… Zal ík misschien nog mogen meemaken… VADER: Als het zover is, zal ik mee genieten met jou. JONGEN: Als jij het zegt. VADER: Geloof me. Van hierboven heb ik een zicht op álle voetbalcompetities. Nóg beter dan ons vroeger televisieabonnement. JONGEN: (hij lacht). Frank heeft er nog eentje, denk ik. VADER: Ja, dat ziet er inderdaad een flinke karper uit. Jongens, zo sleuren dat hij doet… Straks breekt zijn lijn nog… Zeg, weet je nog toen hij zich misstapte en hij tot aan zijn middel in de waterlelies stond? JONGEN: Ja (proest het uit). Drijfnat was hij. Hij is zo de hele namiddag blijven doorvissen. Hij dacht dat niemand het gezien had. VADER: Ik ben zeker een uur met hem blijven babbelen. Hij kon geen kant op (lacht). JONGEN: En jij maar doorvragen of het hier misschien heel fel geregend had (lacht). VADER: Hij bleef maar ontkennen, hé. VADER: (samen nagenietend van de anekdote). (Stilte). Alles goed met mama? JONGEN: (stilte en zijn tranen bedwingend). Ze heeft het niet makkelijk, maar het lukt wel. Ik geef haar veel knuffels, hé. VADER: Ah. JONGEN: Dat had ik jou beloofd hé. VADER: Geef ze straks nog maar een knuffel van mij. JONGEN: Ok. JONGEN: Tante Caroline slaapt nog altijd bij ons. Ze deed dat al van toen jij heel ziek was. VADER: Ik weet het, ventje. Ik ben haar daar heel dankbaar voor. JONGEN: Nonkel Dries rijdt bij ons nu ook het gras af. Hij heeft gezegd dat hij mij gaat leren om zelf de zitmaaier te besturen. Allé, later hé. Mama vindt dat voorlopig nog te gevaarlijk. VADER: Da’s inderdaad geen slecht idee van mama. JONGEN: (aarzelt even). Hij heeft mij ook verteld dat jullie ‘ns zó zat waren dat jij met de zitmaaier in mama’s kruidentuin hebt gereden… Dat was op het feest van mijn eerste communie. VADER: Heeft hij dat echt verteld? JONGEN: (triomfantelijk) Jip. VADER: Dries, den bandiet! JONGEN: Maar ik heb het niet aan mama verteld hoor. VADER: Oef. Anders doet ze me dood. JONGEN: Dood? Papa! (beiden lachen met de sarcastische uitspraak). JONGEN: By the way, gisteren heb ik jouw visgerief uit de kelder gehaald. Zou ik eventueel voortaan met jouw spullen mogen gaan vissen? VADER: Natuurlijk. Heel graag zelfs. JONGEN: Merci papa. Ik heb altijd gedacht dat ik hiermee meer vis zou vangen. Ik zal er goed voor zorgen. Ik beloof het. VADER: (Stilte) Vergeet niet dat… JONGEN: (onderbreekt zijn zin)… het sleuteltje van jouw visbak in de onderste lade van jouw werkbank ligt? VADER: Euh, ja. JONGEN: Ik wist het, papa. Al lang. VADER: Succes ventje. JONGEN: Ik mis je.  

DSA
0 1

AFSPRAAK MET…

Een man (A) van middelbare leeftijd komt aangejogd . Hij hijgt heel erg en pakt naar zijn borst en zet zich op het bankje. Het is vroeg in de ochtend, er is nog weinig beweging in het park. Of is er toch nog iemand? A            Hijgt en kreunt  B            Manman,  dat klinkt niet goed! (praat erg beschaafd) A            Jesus! Ge doet me verschieten!  Ben ik blij dat gij hier ook zijt, ik dacht effe dat ik hier alleen was B            Eigenlijk is een mens nooit alleen… A            Zoude gij  voor mij naar de 112 kunnen bellen want ik voel me niet heel goed en ik heb geen gsm bij… B            Dan moet u mij verontschuldigen, want ik ben niet in het bezit van dergelijke toestellen… A            Kunt  ge dan misschien ‘ergens’ hulp gaan halen, ik voel me echt niet goed… B            Waar zou ik op dit onchristelijk uur hulp moeten vinden? Trouwens, het feit dat ik hier ben, zal u helpen… A            Bent u dokter? God zij dank…ik denk dat het mijn hart is, ik heb zo’n druk… B            Neen, geen dokter…Daar zou u trouwens op dit punt niet veel meer aan hebben A            Meent ge dat nu? Wat scheelt er eigenlijk met u? B            Met mij scheelt er niks, met u daarentegen… Hoe oud bent u eigenlijk? A            65, waarom? B            En u dacht, laat ik eens wat aan mijn conditie doen…? A            Is daar wat mis mee misschien? B            U merkt toch zelf ook wel dat daar wel degelijk iets mis mee is! A            Maar wat bedoelt u? B            Wat ik zeg, zo, ondoordacht beginnen joggen is voor een man van uw leeftijd, onverantwoord! Toch? A            Man, zit daar niet zo te prediken! Haal hulp alstublieft! B            En dan ook nog op een moment dat het erg onwaarschijnlijk is dat u iemand zal tegenkomen die u kan helpen… ttt A            Ik ga zelf wel…Auw…staat op maar valt dadelijk weer neer B            Komkom, geen domme dingen doen, daar is het te laat voor… A            Maar wie zijt gij eigenlijk? Wat doet ge hier op dit uur? B            Laat ons zeggen dat ik hier ben voor u… A            Voor mij? Hoe wist ge dat ik hier zou zijn? B            Intuïtie? A            Maar waarom helpt ge me dan niet? B            Maar, dat doe ik wél, mijn vriend A            Vriend?  Ik ken u niet eens! B            Maar ik ken u beter dan u kan vermoeden … bijna beter dan dat ik mezelf ken… A            Ge spreekt in raadsels man! B            Ik heb al een tijdje een oogje op u! A            Meent ge dat nu? Ik lig hier te creveren en gij gaat me zitten opvrijen of wat? B            Oh neen, sorry, u begrijpt me verkeerd! Niet zo’n oogje! Moeilijk uit te leggen… A            Oh man, ik heb verschrikkelijk veel pijn op mijn borst…als u niets doet… B            Ik doe alles wat in mijn macht is om uw pijn te verzachten, om het zo gemakkelijk mogelijk te maken voor u. A            U schijnt hier een macaber genoegen in te scheppen! B            Laat ons zeggen dat het bij de job hoort… A            auwauw B            Kom leg uw hoofd op mijn schoot A            man kreunt en legt zich neer B            Mooi zo, zo moeilijk was dat niet…luister naar het ontwaken van de dag, uw laatste dag A            Neen, ik … B            Geef u over…het is mooi geweest…misschien niet zo lang als u had gehoopt maar het bobijntje waar u mee geboren bent is volledig afgerold… A            kreunt B            SStt, stil maar, het is zo voorbij, vecht niet meer… A            doodsreutel B            Laat de rest nu maar aan mij over… …           naderende voetstappen C            Meneer, meneer, gaat het met u? Oh mijn god, die man is dood…

Suzette
14 0

De ter dood veroordeelde

Ik ben waanzinnig geworden. Voor ik een dodelijke injectie krijg, beschrijf ik de laatste dagen van mijn miserabel maar fantastisch leven.  De slapeloze tijd maakt me gek. Ik heb binnen deze vier muren gehuild als een zieke hond, geroepen en getierd. Mijn stem is weg en dat beangstigt me. Ik wil een vrolijk liedje kunnen zingen zoals je dat zou doen in een nachtelijke café, maar dat lukt me niet. Mijn mond produceert veel te veel zoet speeksel. Ik spuw het regelmatig uit op deze vieze vloer, maar het blijft komen. Op mijn stinkende matras liggen lukt niet. Stilzitten lukt niet. Nadenken lukt niet. Hoe ga ik van dit levend leven naar mijn dood? Ben ik angstig? Eerder waanzinnig.  Mijn bestaan is door de bliksem getroffen. Ik zou willen kunnen nadenken. Helaas ben ik er doodgewoon niet meer toe instaat. Soms probeer ik mijn ogen te sluiten, want zelfs in deze donkere, kleine cel is het licht te fel. Is het dag of nacht? Ik verlang naar rust, maar die is er niet. De cipier is een invalide.  cipier: ‘Goed geslapen?’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ cipier: ‘Het is een zonnige dag vandaag. Morgen gaat het regenen.’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ Helder denken is erg lang geleden. Ik heb getracht Spinoza te lezen. Alle ideeën van ruimte en rede zijn weg. Ik moet weer spugen. Heb ik spijt? Geen idee.  Waarom hangt er geen spiegel tegen deze grijze muur? Dan kan ik een poging doen mezelf en dit leven te bekijken. Misschien wordt alles dan weer overzichtelijk. Of zou ik de nutteloosheid van mijn leed waarnemen? Mijn zwakke ogen tranen. Ik zou steeds in die spiegel blijven kijken. Oefenen. De cel en de dood zie ik in die spiegel niet. Ik zie de waanzin. t.d.v.: ‘Ik moet oefenen.’ spiegelbeeld: ‘Wat moet je oefenen?’ t.d.v.: ‘Doodgaan.’ spiegelbeeld: ‘Sterven kan je niet oefenen.’ t.d.v.: ‘Jawel. Zeker.’ spiegelbeeld: ‘Misschien.’ t.d.v.: ‘Zeker.’ Ik probeer regelmatig te ademen, maar dat is moeilijk. Het piepende lawaai van mijn dwaze ademhaling klinkt als een versleten, slecht geoliede machine. Ik wil muziek; een pianoconcerto in C van Mozart. Ik ben gek. Het is intens. Gaan mijn schedel en borstkas nog barsten? Ik ben niet moe. Ik kan er niet meer tegen. Ik ben het isolement en de vensterloosheid van mijn bestaan beu. Morgen ben ik dood. Er zullen geen geliefden achterblijven.

Hubert Grimmelt
17 0