Lezen

de natuur

Er stond een man op het pad tussen de grasvelden, hij keek nadrukkelijk in de richting van het zuid-westen, zijn zeer kleine hond was bij hem in de buurt, houtduiven streken neer in het gras.   Nu staat hij dichtbij een vrouw met een zwarte hond, hij houdt zijn handen in zijn zakken en stapt telkens in haar haar gezichtsveld als zij draaiend om haar as de rennende honden volgt. Zij heeft oranje schoenen aangetrokken. Dat ziet u steeds vaker: vrouwen met oranje schoenen.   De vrouw heeft een slechte of uitnodigende houding, ze staat met haar onderlichaam naar voren gericht. Als er een tweede vrouw bij komt staan doet de man een stap naar achteren. Of dat gebruikelijk is op het grasveld bij de waterkant valt vanaf uw plek niet te beoordelen. U hebt geen hond die u moet uitlaten. Als u weer van het werk opkijkt zijn de man en zijn hond verdwenen, hopelijk niet onder het spiegelgladde wateroppervlak. De twee vrouwen kijken pratend naar hun spelende honden waar ze menselijke eigenschappen inleggen, daar zijn ze mensen voor en de honden zichzelf. De tweede vrouw heeft een donkere jas aan, dat maakt het makkelijk ze van elkaar te onderscheiden vooral omdat de eerste vrouw een lichte heeft aangetrokken met de bedoeling zich goed en zichtbaar van de ander te onderscheiden. De vrouw met de donkere jas draagt wel een rode muts en brengt haar hand naar haar gezicht. Het is te hopen dat zij zo eigen is met de ander dat het neuspeuteren geen probleem oplevert en moordende irritatie oproept bij de vrouw in de lichte jas die misschien herinneringen heeft aan haar broer en de harde stukjes onder de tafelrand (dit is een cliché...).   De vrouwen hebben hun honden aangelijnd en lopen nu in de richting die de man ging.   Toen de boekjes met naakte mannen en vrouwen nog gezien werden als onderdeel van de seksuele revolutie en een toevoeging bij de lijfelijk liefde, was daarin te lezen dat er vrouwen en mannen zijn die hun geslacht insmeerden met smeerworst en dat door hun hond lieten aflikken. Daar wordt nu anders over gedacht, denkt u.

PP de Noorderman
0 0
Tip

Treintrip

‘Zet dat mislukte plooifietsje toch eens godverdomme niet in het gangpad! ’, snauwt de Antwerpse blondine de studente toe. De studente zet een geschokt gezicht op en kijkt radeloos de coupé rond op zoek naar hulp van haar medereizigers. Ik sluit me aan bij de anderen in de coupé en besluit rustig verder in mijn notitieboekje te kribbelen. Vanbinnen hebben we allemaal wat schrik gekregen voor het rare type vrouw, dat plots een sigaret en een blik cola (godzijdank, geen drank…) uit haar handtas tevoorschijn tovert. Ze lijkt me iemand om Shanaia te noemen, dan krijgt ze van mij ook meteen een sociale klasse opgestempeld. Het lijkt alsof ze de douchecabine al een paar weken niet meer is tegengekomen en ook haar kleren geven een vuile indruk. Niets positiefs over de vrouw te zeggen? Tuurlijk wel! Ze draagt een zeer mooi horloge! (maar zou het ook echt zijn… en misschien is het wel gestolen…) Een symbolische zucht van opluchting volgt wanneer de studente haar onhandig plooifietsje aan de kant zet en een plaatsje zoekt in de coupé. De rust keert volledig terug wanneer ook het Shanaia-type aanstalten maakt om een plaats in te nemen. Het luidkeelse dispuutje is voorbij. Plots gaat het pijlsnel: de vrouw besluit het lege plekje naast me te gebruiken, ook al had ik met het plaatsen van mijn boekentas op de stoel toch proberen duidelijk te maken niet echt nood te hebben aan een zetelgenoot. Ik heb handen tekort om haar plaats zitklaar te maken; de gsm smijt ik snel in mijn rugzak, het notitieboekje valt ongelukkig op de grond en mijn trui leg ik snel over mijn benen. Net op tijd is de zetel klaar en ploft de vrouw naast me neer. Ondanks dat ik al tegen het raam geplakt zit, maakt de vrouw toch nog duidelijk door met haar benen tegen mij aan te wrijven dat ze nog meer plaats nodig heeft. Na wat schuifelen hebben we beiden ons territorium afgebakend en is er terug sprake van wat rust. Ik kan er even niets beters op vinden dan gewoon wat uit het raam te kijken en mijn zonnebril op te zetten. Geen haar op mijn hoofd denkt eraan mijn notitieboekje op te rapen. Ik wil mijn licht-ontvlambare buurvrouw niet nog eens in colère laten schieten. Ik schrijf dit later wel op. Na talloze voorbijflitsende bomen en weilanden besluit ik terug wat in de coupé rond te kijken. Handig is dat bord op de nieuwste treinen waarop je exact kunt zien wanneerje in het volgende station aankomt. Ik heb meteen een nieuwe vorm van tijdverdrijf gevonden en begin heel precies uit te rekenen hoelang ik nog in deze benarde situatie moet blijven. Na alles uitgerekend te hebben, is het enige waar ik geen vat op krijg de tijd zelf. ik confronteer mezelf met het feit dat ik nog minstens drie kwartier met het Shanaia-type zal moeten doorbrengen. Ik wentel mezelf – mentaal – even in wat zelfmedelijden en ga terug naar mijn eerste tijdverdrijf; het raam. Mijn buurvrouw gedraagt zich netjes en houdt het bij het drinken van haar cola. Ik kan gerust even indompelen… Plots schiet ik wakker. Uren lijken verstreken. Ik kijk op het bord en haal opgelucht adem: slechts twee haltes ‘gemist’. Ik zet mijn zonnebril af en kijk in mijn ooghoek naar wat mijn buurvrouw aan het doen is. ‘Ik denk dat je gsm daarnet afging.’, zegt ze me plots. Ze lacht en kijkt me vriendelijk aan. Ze deed zelfs de moeite om haar overdreven Antwerpse accent voor mij op zij te zetten. Even denk ik goed na wat ik nu moet doen, maar uiteindelijk neemt mijn instinct het over: ‘Oh, oké. Ik kijk wel even.’, antwoord ik haar volgens de regels van dekunst. Ik haal mijn gsm uit mijn rugzak en zie dat ik effectief ‘één nieuw bericht’ heb. Ik laathet haar door middel van een glimlach weten, waarna het weer haar beurt is om terug te lachen. Ze gaat daarna weer snel verder met haar veel te grote en onhandige smartphone. Ik lees het sms’je en geef er een gepast antwoord op, waarna ik het vriendelijke Shanaia-type nog eens bedank. De drang om deze vreemde wending neer te pennen wordt nu wel zeer groot, maar ik neem wijs het besluit me in te houden en weer verder te gaan met uit het raam te staren.   De tijd lijkt me plots toe te lachen en ik kom sneller dan verwacht aan op mijn eindbestemming. Als ik achter en voor me kijk, merk ik op dat de helft van mijnmedereizigers al in vorige stations is afgestapt. De resterende groep mensen – waaronder ik en mijn buurvrouw – maakt zich klaar om af te stappen. Mijn buurvrouw is sneller klaar en loopt plots terug op de studente met het plooifietsje af. Deze totaal onverwachte actie zorgt opnieuw voor een enorme stressboost en alle mensen binnen de coupé lijken even te verstijven. ‘Zo’n fiets is toch echt niet handig. Koop je een echte fiets! En als je met de trein komt, moet je sowieso niet ook je fiets meenemen’, begint mijn Shanaia-achtige buurvrouw weer. De studente kiest er deze keer niet voor om geschrokken over te komen en draait enkele keren met haar ogen, terwijl ze vermoeiend zucht. De twee vrouwen stappen op een beschaafde manier allebei de trein af en gaan elk hun richting uit. Ik neem mijn rugzak op mijn rug en kijk nog eens braaf achter me of ik niets vergeten ben.   Op weg naar mijn fiets blijft het hele gebeuren door mijn hoofd spoken. Ik haal vlug mijn oortjes uit mijn rugzak en laat loeihard Florence door mijn oren suizen tijdens het fietsen.‘Doeme toch’, bedenk ik me, ‘Die vrouw was zo goed op weg om haar eigen typetje en stereotypen te doorprikken en komaf te maken met mijn vele vooroordelen. Maar in plaats daarvan heeft ze door haar dwaze actie(s) mijn beeld enkel en alleen nog maar versterkt.’ Maar wat maakt het die vrouw uit? Ze is mij toch al vergeten. Er zijn mensen die het zich enorm aantrekken hoe de rest van de wereld over hen denkt en er zijn mensen voor wie dat allemaal niets uitmaakt. Iets tussen deze twee uitersten lijkt me het gezondst en oprechtst vertoeven, maar ik vrees dat deze vrouw bij de ‘wat maakt het mij uit’-groep behoort. Het maakt haar niet uit hoe ik over haar denk… Ik gok dat ze nu alweer door het station slentert met een blik bier in haar ene hand en in haar andere, trillende hand een sigaretje. Of zou ze ook spuiten?15/04/2015

Simen
0 0

Denken Aan Morgen

        Denken aan morgen   Door Wout Tourwé     Ik word langzaam vooruit gerold, het piepende geluid van de wieltjes vult de gang. Het lijkt alsof alle kracht uit mijn spieren is verdwenen en ik kan enkel nog denken aan wat er mij te wachten staat aan het einde van de gang. Het was nog vroeg en de zon was nog niet gerezen dus de gang werd enkel verlicht met het felle kunstlicht waarvan mijn ogen gingen tranen, telkens als er een meter tussen mij en de deur verdween voelde het alsof ik werd geslagen met een metalen plaat tussen mijn ribben. Elke seconde heb ik het gevoel dat ik me nog nooit zo slecht heb gevoeld, tot ik me de volgende seconde weer slechter voel  dan de vorige.   Skriiiieeh … de rolstoel is tot stilstand gebracht  met een luid gepiep waarvan volgens mij iedereen in het ziekenhuis het tot in hun kamer kon horen. Ik moet opstaan uit mijn vervoermiddel maar faal en de dokter moet mij naar  binnen dragen. Ik zak helemaal weg in zijn sterke armen. Hij legt me neer op mijn buik, ik krijg koude rillingen over mijn rug, en het laatste wat ik voel, al liggend op de ijzeren operatietafel is de scherpe steek van de verdovingsnaald voor ik helemaal verdwijn van de wereld …   EEN DAG EERDER …   … Mijn ogen openen en voor me staat een dokter in een witte jas met een klembord te praten tegen een vrouw die mijn moeder blijkt te zijn. Zodra ze me ziet stormt ze op me af en neemt ze me in haar armen; ze staart naar me met een bedrukt gezicht en draait daarna haar hoofd naar de dokter die nog steeds in de kamer aanwezig is. Hij kijkt op zijn klembord en verteld me op een zo rustig mogelijke manier waarom ik hier in dit bed lig, hij begint met het feit dat ik al vaker problemen aan mijn rug  heb gehad, daarna gaat hij door over het feit dat …..   Ik ben al lang niet meer aan het volgen en in mijn gedachten sta ik op het punt om op een grote roze wolk de lucht te bestijgen steeds hoger en hoger, hoger en hoger. Tot  er plots één of iemand aan die wolk begon te trekken en me daarna neerhaalde met  één enkele zin, één  simpele zin, één.. niet meer of minder : We zullen je rug moeten opereren en als het slecht afloopt zal je je misschien nooit meer zelfstandig kunnen voortbewegen… Bij het horen van die woorden voelt het alsof mijn maag wordt gevuld met bakstenen en elke seconde dat ik erover na denk er een baksteen of tien wordt bij gegooid, mijn maag draait rondjes alsof hij een tol in versnelling probeert te imiteren. Mijn laatste maaltijd vindt dat niet prettig, verlaat mijn buik en komt daarna terecht op zowel de ziekenhuis vloer als op de dokter ik probeer me te verontschuldigen maar hij laat me weten dat hij het niet erg vindt. Hij zij niets, hij liet het me weten zonder woorden maar met zijn ogen.   Na mijn voorval van net voel ik me even beter maar daarna komt het gevoel van pijn en machteloosheid terug. De dokter verlaat de kamer nadat mijn avondmaal -dat besloot er uit te komen- was weggeruimd. Mijn moeder moest ook even weg ze ging haar spullen halen om te overnachten maar eerst bracht ze mijn vader het nieuws. Die was helemaal overdonderd maar dat snap ik ook wel, als je al twee jaar vertoefd in China met één of andere Thaise vrouw is het normaal dat je niet weet dat je énige dochter problemen heeft aan haar rug, denk ik toch …    De scheiding van mijn ouders was al vijf jaar geleden maar ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Het viel als een bom op de familie; niemand had ook maar één simpelste idee waarom mijn moeder na 22 jaar van liefde en geluk zomaar in de boom smeet en ook niemand had dit kunnen voorzien want het was als een bliksem inslag bij heeldere hemel. In die periode keek ik echt naar mijn moeder met afzucht en haat, niet wetende dat de echte rede waarom ze mijn vader verstootte en zijn drie kinderen meenam was dat hij in het geheim al drie maanden aan het afspreken was met meerdere vrouwen.   Het schuldgevoel dat ik toen tegenover mijn moeder had was stapel hoog, weken lang durfde ik niet meer onder haar ogen te komen en hoe hoger het schuldgevoel tegenover mijn moeder werd des te harder ik mijn vader begon te haten. Na weken kom ik erachter dat mijn moeder, wetende dat mijn vader haar nog steeds bedroog met talrijke vrouwen, terug met hem begon te slapen omdat ze zich alleen voelde. Als mijn vader dan besluit om alles achter te laten en te verhuizen naar China slaan de stoppen bij mijn moeder door, wanneer ze ons op een dag afzet een het school zie ik haar aan het zebrapad wachten alsof ze iets aan het overwegen was, iets waar ze toch twee, drie of zelfs vier keer over na moest denken. Wanneer het licht groen wordt zet ze een stap ….   Daar stond ik dan als aan de grond genageld, mijn hoofd begon te draaien en ik zakte door mijn knieën. Dat was de eerste keer dat ik de ongelofelijke pijn in mijn rug voelde, gelukkig was er met mijn moeder niets. Na één nacht in het ziekenhuis mocht ze naar huis terugkeren; god zij dank dat ze vlak voor ze zichzelf iets kon aandoen werd gestopt door de enige persoon die ik tijdens die moeilijke scheidingsperiode nog vertrouwde; mijn schooljuf uit het vorige jaar: Juf Mieke. Zij was dan ook de eerste die hier door mijn deur kwam om mij te bezoeken. Altijd kon ik op haar vertrouwen en ik zei heel veel tegen haar bijna alles , zelfs nog meer dan tegen mijn eigen moeder.   Ze vroeg me of ik nog veel rugpijn had en het viel me op dat er wel een zekere pijn aanwezig was. Niet alleen dat valt me op, ook wordt de pijn in mijn rug steeds scherper en scherper, scherper en scherper tot de pijn mijn adem wegneemt en ik niets anders wil dan in huilen uitbarsten maar dat is hetgeen dat onmogelijk is want de pijn weerhoudt mij ervan te huilen. Niets dan lachen doe ik, lachen tot ik er letterlijk bij neerval. Alles wat ik uit mijn mond kan krijgen zijn de sinistere klanken die lijken op een luide lach die steeds harder en harder klinkt in de ziekenhuiskamer. Tot ik opeens een luidde kreet slaak en mijn hart even stil staat. In mijn oor klinkt alleen een hoge bieptoon en vlak voor mijn ogen sluiten wordt ik terug bij positieven gebracht door enkele verplegers, die door Mieke waren geroepen   . Ze kunnen me nog net van de afgrond naar de donkere dood redden, de oorzaak van de pijn, die mij bijna het leven ontnam, was één enkel buisje dat verkeerd lag, één enkel buisje, één nietig klein onnozel stom buisje. Wanneer je zoiets te horen krijgt wordt het wel duidelijk dat mijn leven echt aan een zijde draadje in een scharenfabriek hangt en dat deze situatie echt wel erg is. Mijn hoofd draait maar gelukkig niet zo als juist ik heb even de tijd nodig om alles op een rijtje te zetten maar des te meer ik erover na denk, des te meer dat ik wordt af geschrokken door het feit dat mijn leven net kon geëindigd zijn. Mijn oogleden worden steeds zwaarder en zwaarder tot ik hen niet meer kan dragen en in slaap val   Wanneer ik wakker wordt kijk ik versuft uit het raam, het was inmiddels al donker en als ik de wekker geloof is het half twaalf ’s nachts. Aan de andere kant van de kamer ligt mijn mam te slapen en naast mij ligt ik mr. Keizer, de knuffel waarmee ik elke nacht slaap al vijf jaar lang. Hij ligt vredig naast me, bijna té vredig, alsof hij weet dat er me iets dwars zit en dat hij probeert me te kalmeren. Aan de andere kant van de kamer ligt mijn leesboek, dat ik in de eerste plaats had meegenomen om de tijd te doden, aangezien er nu niets te doen valt en dat ik anders alleen maar aan morgen ga denken, besluit ik om met alle kracht die nog in me zit het boek te bemachtigen. Ik probeer uit mijn bed te kruipen maar kom terecht met mijn neus plat op de grond. Ik vind daarna de kracht niet meer om op te staan en zo val ik slaap .   De volgende dag maakt een verpleger me wakker en hijst hij me in een rolstoel die me staat op te wachten in de gang. Ik word langzaam vooruit gerold, het piepende geluid van de wieltjes vult de gang. Het lijkt alsof alle kracht uit mijn spieren is verdwenen en ik kan enkel nog denken aan wat er mij te wachten staat aan het einde van de gang. Het was nog vroeg en de zon was nog niet gerezen dus de gang werd enkel verlicht met het felle kunstlicht waarvan mijn ogen gingen tranen, telkens als er een meter tussen mij en de deur verdween voelde het alsof ik werd geslagen met een metalen plaat tussen mijn ribben. Elke seconde heb ik het gevoel dat ik me nog nooit zo slecht heb gevoeld, tot ik me de volgende seconde weer slechter voel  dan de vorige.   Skriiiieeh … de rolstoel is tot stilstand gebracht  met een luid gepiep waarvan volgens mij iedereen in het ziekenhuis het tot in hun kamer kon horen. Ik moet opstaan uit mijn vervoermiddel maar faal en de dokter moet mij naar  binnen dragen. Ik zak helemaal weg in zijn sterke armen. Hij legt me neer op mijn buik, ik krijg koude rillingen over mijn rug, en het laatste wat ik voel, al liggend op de ijzeren operatietafel is de scherpe steek van de verdovingsnaald voor ik helemaal verdwijn van de wereld …   Het laatste wat ik mij herinner is dat een fel licht in mijn ogen scheen en dat ik een raad kreeg toegefluisterd van wie het ook mag zijn :    Leef vandaag, Herinner gisteren En Denk aan morgen …

Wout Tourwé
0 0

Tegen de regels

./.. De zon op de binnenplaats lokt de hokjesmensen naar buiten. Een half uur, dertig minuten afgebakende vrijheid op een binnenkoer van 10m⊃2;. Twintig stappen, als je ze niet te groot neemt. Bij stap vijftien zit een knaap op een bank. Amper volwassen. Met zijn hoofd tussen zijn knieën, jankend, alsof zijn favoriete speelgoed werd afgepakt. “Sigaret?” vraagt hij, in de hoop dat roken het akelige geluid zal doen ophouden. Twee betraande ogen, eentje blauw omrand, kijken hem boven een stukgeslagen lip aan. Het huilen stopt even. Met de mouw van zijn vest veegt de knaap het snot van zijn neus. Een laatste schokschouderende snik: “ja, bedankt.” “Nieuw hier?” “Neen, twee weken al.” “Nieuw dus,” zegt hij en zet zich naast hem. “Het komt allemaal wel goed.” “Nee dat denk ik niet. Niemand wil me geloven. Ik wil de directeur spreken maar ze zeggen dat ik een brief moet schrijven.” “Dan doe je dat toch.” “Heb ik gedaan. Maar er verandert niets. Ik wil niet terug naar mijn cel!” Het huilen hervat. “Ik vrees dat je daar niet veel aan te zeggen hebt.” “Je begrijpt het niet. Ik heb gevraagd om een andere cel maar die willen ze me niet geven. Ik kan niet terug. Ze zullen het weer doen!” “Wat doen?” De jongen zwijgt en staart voor zich uit. “Ik mag niets zeggen.” Zijn hand trilt als hij aan de sigaret trekt. Het lichtgevend stompje brandt snel op tot aan de filter. “Vertel het maar. Misschien kan ik je helpen.” De knaap aarzelt. “Ze zijn met twee. Twee mannen met tatoeages. Ze waren altijd vriendelijk. Ze zouden me beschermen, zegden ze. Ze gaven me sigaretten. Gisteren was ik bijna in slaap. Ik werd wakker met een van hen boven op mij. Hij hield zijn hand op mijn mond. Ik was bang. Ik wilde weg maar hij was te zwaar. Ze hielden mijn beide handen gevangen. De oudste gromde: “Beweeg niet, klein geneuk. Je zal zien, we gaan ons amuseren alle drie. Als je gilt vermorzel ik je, gesnapt?’ Ik was zo bang!” Zijn ogen zoeken ongerust de binnenplaats af. Met zijn pijnlijke lippen getuit blaast hij blauwe sigarettenlucht de hoogte in. “De man boven op mij draaide mijn arm op mijn rug. Met zijn hand op mijn mond dwong hij me om rechtop te zitten. Hij gromde : ‘ik ga je loslaten, maar bij de minste beweging..!’ Toen liet hij me langzaam los. Ik wilde gillen, brullen, vechten maar ik was zo bang. Ze waren gewoon gek die twee! De man die voor me stond liet zijn broek zakken en wilde zijn ding in mijn mond. Ik draaide mijn hoofd en hield mijn mond stijf dicht. Maar de andere die achter me zat snauwde ‘begin niet vervelend te doen anders moet ik me kwaad maken..’" De jongen zwijgt en kijkt naar zijn handen. “Was je verplicht het te doen?” “Ik heb ze allebei afgezogen! Ze hielden mijn hoofd vast en verplichtten me om de boel in te slikken!” “ De smeerlappen!” De man op de bank kleurt rood van woede. Hij gooit zijn sigaret op de grond en trapt ze nijdig uit. “Dit moet de directeur weten. Je moet het hem nu vertellen!” “Wacht, wacht! Je weet nog niet alles!” roept de knaap terwijl hij recht springt en de man bij zijn mouw trekt. Twee grote tranen rollen in een van haat vertrokken gezicht over zijn wangen. “Ze hebben me vanachter genomen, de smeerlappen. Langs achter, als een hoer, allebei!” De hokjesmensen op de binnenplaats worden weer naar binnen gedreven. De jongste wordt bij de directeur geroepen. Het lawaai op de binnenplaats heeft de rust verstoord. Dat is tegen de regels.  

Annick G
0 0

FREEK

Als je in een vliegtuigje zit (deed je dat al eens?) en je zou laag over ons land zweven, lijkt ons dorp op een zakdoek. Een zakdoek groot, geen dorp om in te verdwalen dus. Die zakdoek bestaat uit grondwater, grond, gras, enkele rijdieren, veel huizen, gebouwen waar mensen werken en twee scholen. Eén van die twee scholen is gelegen in de Rode Loop. Het heeft het huisnummer 16. Een schoolpoort met een koperen hangslot gaat ’s morgens om 6 u open. Het is Marthe die daar voor zorgt. Marthe is goed bevriend met Juf Katrien, en het is die juf die door de kinderen graag wordt gezien.   In de klas van de juf is plaats voor 24 kinderen, die allen een stoel en schrijftafel hebben. De tafels staan zo opgesteld dat iedereen iedereen kan zien. Zo zijn goede gesprekjes mogelijk, en wordt er ook samengewerkt omdat in een kring het gevoel geborgen te zijn het grootst is. Freek is er dit jaar nieuw bijgekomen. Hij is een bijzondere jongen, om twee redenen. Op een dag werd dat een beetje duidelijk voor Jelle. Jelle schrok zich wel een aap, en wist niet meteen wat te doen. Het gebeurde op de speelplaats, op het stukje gras waar het groepje vrienden een koek aten en grapten over hun huisdieren. Freek werd plots stil, zijn aangezicht werd bleker. Er verschenen uit het niets schokjes rondom zijn ogen en trekjes rond zijn mond. Hij keek daarbij wazig, en friemelde zonder op te houden aan zijn mouw. Jelle staarde er naar, en wilde een toezichter roepen. Opnieuw werd Freek weer Freek, zonder meer. Het had niet lang geduurd, maar lang genoeg om een volwassene op de hoogte te brengen.   Juf Katrien luisterde naar het verhaal van Jelle. Ze besloot niet onmiddellijk met Freek te gaan praten over het voorval. Na de lesuren, nam ze contact met de oma van Freek. De oma greep haar gsm en zei: ‘Met Steentje, ik luister’. Juf Katrien stelde zichzelf voor, en praatte, praatte aan een stuk door. De oma van Freek had goed geluisterd en meteen een voorstel geformuleerd. Juf Katrien had haar akkoord gegeven.   Op een woensdag kondigde de juf aan dat de oma van Freek kwam spreken. ‘Zoals een spreekbeurt geven?, had Hanne gevraagd. De oma stond stipt om 9u in de klas. Haar zilveren haar had ze in een dot opgestoken, haar nagels groen gelakt, de rode laarsjes die ze droeg waren gloednieuw. Ze schonk de juf en alle kinderen een brede glimlach. ‘Fijn dat ik hier mag zijn’, zei ze. Uit een grote draagtas haalde ze enorme rollen papier. Iedereen werd erg nieuwsgierig. Wat had dat te betekenen? ‘Ik ben Steentje’, zei ze, ‘en ik wil dit graag met de hele klas delen. Ze ontvouwde de rollen tot enorme prenten. Op de eerste prent herkenden we Freek (een deel was foto, de andere helft tekening) en delen van het menselijk lichaam. De tweede prent leek wel een afbeelding van het heelal: de zon, de maan, de sterren… De oma begon haar uitleg. Ze verklaarde eerst wat Jelle had gezien bij Freek en zo bevreemdend was geweest. ‘Als Freeks lichaam plots en zonder aanleiding schokjes en trekjes vertoont, zoeken de spieren op dat moment een andere plaats in het gezicht’. ‘Is hij dan ziek?’, wil Jelle weten. ‘De ziekte heet epilepsie, maar zal het na jaren opgeven. Er zijn helaas andere kinderen met een ziekte van dezelfde soort, die veel ernstiger is. Zij krijgen ook pijnlijke krampen aan romp en hoofd. Ze strekken of buigen hun hoofd omdat hun hersenen beschadigd zijn’. Alle kinderen luisterden aandachtig, ogen en oren wijd open. Juf Katrien vroeg of ze kon helpen door de prenten tegen een muur te bevestigen. Dat vond Steentje een goed idee.   De rok met vele plooien bewoog plezierig toen de oudere vrouw plaats nam bij de prent met fonkelende sterren. Ze keek alle kinderen één voor één aan, daar nam ze ruim de tijd voor. ‘Bij ons in de familie zijn we gewend geraakt aan de idee dat ieder op zich een sterretje aan de hemel is. De hemel is geen omgeving, ergens hoog en onbereikbaar voor de mens. Nee, ze is opgetrokken uit bakstenen, opgebouwd uit een hart en bloedvaten, uit de wens er voor mekaar te zijn. Dat is onze hemel. Als een jongen of meisje zich eenzaam voelt omwille van een ziekte of erger, en hij of zij kan niet rekenen op begrip en zorg van de anderen, wordt die ster dof en kijkt ze boos. Alle kwaadheid in de aders van die ster in de hemel, daalt naar de aarde en brengt de mensen in hun huizen veel verdriet.   ‘Is het daarom dat ik soms verdrietig ben en niet weet waarom?, vraagt Jelle.      

Ingrid Strobbe
0 1

De ikjes.

                                                                                                                  Ze waren er weer vandaag, de twee ikjes die vanop mijn schouder elke beweging evalueren. Sukkel, galmt het door mijn hoofd als ik voor de tweede keer struikel over een kabel, een tas of beter nog, mijn eigen voeten. Hoe graag ik ook in de belangstelling sta, wordt ik telkens een stukje kleiner als ik mijn collega,s hoor lachen. Niet gemeen, nee zij denken niet wat is dat kind toch onhandig en als ze het al denken is het met een vertederende lach op hun gezicht. Mijn bazin trakteert op lunch omdat ik en mijn collega als vrijwilligers medestrijders zijn om het theater te redden van de verdrinkingsnood. Leuk! Gezellig! We gaan aan de grote tafel zitten in een gezellige zaak gelegen achter het theater. Praat toch niet zoveel, jij weet ook echt elk gesprek naar jezelf te draaien, luister nu maar gewoon, wat jij te zeggen hebt daar zit niemand op te wachten, wie wil nou weten dat je zoon op sportklassen is.........Ik voel hoe mijn schouders langzaam naar voren hellen en me meteen tien centimeter kleiner maakt. Op de fiets naar huis voel ik hoe de tranen branden, inwendig huil ik, niemand die het zal zien.   Ik ben een mensen mens. Ja ik houdt van mensen, hoe ze denken, wat ze zeggen, hoe ze kijken, het lieftst kruip ik in hun hoofd. Maar die ikjes op mijn schouder zorgen ervoor dat ik nog liever tussen vier muren kruip, alleen. Natuurlijk is dat eenzaam, maar dan houden die trutten tenminste hun kop. Niemand die getuige is van mijn stommiteiten, niemand die me misschien pijn kan doen met een kwetsende blik. De ikjes maken me paranoia, een blik is hoe dan ook afkeurend, een lach bespottend en een gesprek zorgt voor uren evalueren. Wat zei ik? Mijn god heb ik dat echt gezegd, nu denkt hij vast......ik heb mezelf volslagen belachelijk gemaakt. En dan neem ik me voor om alleen nog te luisteren, als een vlieg op de muur, onzichtbaar. Maar dat is me nog niet één keer gelukt.   Ik ben een mensen mens, te enthousiast spring ik in de conversatie, maak grapjes die met veel hand gewapper niet enkel de lucht verschuift. Zo heb ik al eens een beker soep die mijn zoontje vasthad uit zijn handen gewappert. Soep niet enkel op hem maar ook over mijn gesprekspartner. Hahahaha, sukkel, lachen de ikjes. Nog geen week later wapper ik de bril van mijn dochtertje haar gezicht. Hilariteit allom vanop mijn schouder, demonisch gelach en de boodschap dat buitenkomen de mensheid enkel kan schaden.   Die ikjes zitten er al zo lang ik me kan heugen, elk op een schouder. Natuurlijk heb ik ze proberen te verjagen. Zo ben ik naar de psychiater gegaan, ‘ik denk dat ik toch een beetje gek ben’. Gek ben ik niet, hoogstens wat perfectionistisch. Jammer genoeg niet met pillen op te lossen die ikjes. Luisteren dan, wat willen jullie nu eigenlijk van me, zeg het maar ik luister....en dan zijn ze stil de lafaards. Mediteren, mindfulness, eenzame opsluiting, een slaappil mischien, ja dat helpt een paar uur. Die ikjes dat ben ik, zoveel wijzer ben ik ondertussen wel. Maar waarom heeft de natuur me zo gemaakt dat ik mezelf wil vernietigen? Dat ik zo streng ben voor ik, dat ik zo negatief ben over ik, dat ik mezelf niet kan uitstaan als ik s’ochtends die kop weer zie in de spiegel? Ja nu kan ik natuurlijk gaan wijzen, het zijn mijn ouders zij hebben naast bij ook die ikjes gecreeerd...lekker makkelijk. Kan ik tenminste blijven rollen in zelfmedelijde maar daarmee zijn ze niet weg, ik en ik. En waarom zijn ze met twee? Zodat ik in evenwicht blijf met op elke schouder een ikje? Soms neemt het ene ikje het voor me op, ach zo erg is dat toch niet, waarop de ander een aanloop neemt en de bal alsnog recht het doel inschopt. Hoopvol pols ik bij mijn lief of hij ook twee van die coaches op zijn schouders heeft. ‘Ja’ antwoorde hij glunderd, ‘fijn he, dat je zo aangemoedigd wordt’. Voorzichtig vraag ik of hij niet ontmoedigen bedoeld. Nee joh, ze zijn mijn grootste fan zegt hij terwijl hij zijn schouders recht. Zuchtend besef ik dat ik de grootste vijhand ben van ik. Het veeleisende ikje wil dat ik niet middelmatig ben, nee nee de top is nog niet hoog genoeg. Terwijl ik balanceer daar boven om toch maar zo goed mogenlijk te presteren probeert de andere me bij elke stap te voorzien van het niet nodige ontmoedigende commentaar. En ja het gebeurd dat iemand me zegt hoe geweldig ik iets gedaan heb, jihaaa gilt de veeleisende ik, well done. Maar dan donder ik met een pijnlijke vaart van de top naar beneden terwijl de ontmoedigende ik me giftige woorden in mijn oor fluisterd.   Moe, ontmoedigd moe wordt ik ervan. Bedankt ik en ik voor weer een opbouwende dag in het leven van IK.       (C) tekst en beeld hanneke

Miss Blue Sky.
13 0