Lezen

onvolledig, niet compleet

Het begint met een zaadje en een eitje nee, het begint met een vreemde opmerking, een gerichte blik nee, het begint met zenuwen over wat te zeggen en wat niet nee, het begint met de nood je aan te raken hier en daar het is compleet eender waar nee, het is niet duidelijk hoe het begint of begonnen is,   maar we weten allebei dat het er is en naar wat het leidt. Een kind of twee, 't zijn baby's eerst  spartelend, onwetend, klaar voor verzinnen gevuld met vlees van jou en mij en eigen hersenspinsels onmogelijk om ze los te laten, alleen te laten, ten allen tijde in 't hart, in 't zicht tot ik in het niet verzink met als enige houvast mijn verliefde hart dat zich genadeloos in drie splitst, meteen vergeten dat er een ik is en dat vergeten lukt wel even.   Soms vergeet ik ook jou, een jij  en is het enige van belang zij en hoe dat … Dan blijf ik daar als een klein hoopje verschrompeld verdroogd gips, wanhopig op zoek naar waterdruppels. en die komen ook … later als ik ze zoek en blijf zoeken. Eerst terug drinken, laven bij de basis. Terug bewegen.   Terug heen en weer. Terug leven. En mijn verdroogde gipsen hart laten zacht worden met al zijn liefde voor jullie drieën Beschaamd over wat er nog overbleef. Maar nu geef ik het elke, elke week, een beetje water.   Dat is hoe de liefde terug open plooit als een klein te vaak gevouwen blad papier en dat is waartoe het leidt  nu zit ik hier met al mijn mij-tijd, waarvan ik eindeloos geniet. Nu zit ik hier en voel me onvolledig zonder jullie, niet compleet.

loopvogel
2 0

Pasklare verhalen. Losse eindjes

Het was een ontoereikend woord: Interessant. Maar het klopte. Hij was haar opgevallen. Niet alleen omdat hij knap was. Hij zag er interessant uit. Daarom. Hij stond midden op de trap van het Centraal Station met zijn rug naar haar gekeerd. Op die rug een donkerblauwe rugzak. Zijn haar viel schouderlang, nonchalant bruin over zijn schouders. Wat haar aandacht trok, waren echter niet deze details - die zag ze pas bij de tweede, meer nauwkeurige monstering - maar de resem elastieken die aan zijn schouderriem hingen. Elastieken in alle kleuren en soorten, wel honderd, meest keukenelastiekjes, van het soort dat zijzelf in haar keukenla bewaarde om er van alles en nog wat mee af te sluiten. Waarom in godsnaam zou iemand met zoveel elastieken aan de buitenkant van zijn knapzak lopen? Alsof hij haar gedachte voelde, keerde hij zich om toen ze hem tot op drie treden genaderd was. Even schoot het door haar hoofd dat hij op háár wachtte, hier, uitgerekend hier op deze trap waar ze vandaag toevallig passeerde. Toen ze om hem heen liep - ze had het niet beseft maar in haar nieuwsgierigheid was ze recht op hem afgestevend, als om zijn merkwaardige, veelkleurige oogst aan een nauwkeurige inspectie te onderwerpen -  kruiste zijn blik de hare en ze glimlachte verrast; hij was ouder dan ze vermoed had. Er zaten rimpels om zijn mondhoeken en in zijn voorhoofd en bij nader inzien was zijn haar niet zomaar bruin; er liepen hier en daar grijzende strengen doorheen. In antwoord op haar glimlach fronste hij. Ze hield haar pas in en stopte met ademen tot ze boven aan de trap was. Soms bracht dat geluk. Ze wierp een spijtige blik achterom. Hij keek haar na, wendde het hoofd af. Toen... teleurgesteld besefte ze dat er geen ‘toen’ zou komen. In de stationshal bleef ze staan en keek zoekend om zich heen. Welke uitgang zou ze nemen?  Nog tijd zat voor ze in de congreszaal moest zijn voor haar lezing. Met opzet was ze vroeger gekomen om op deze zonnige dag nog wat te genieten van Brussel. Nu was ze in dubio; zou ze voor een wandeling in het stadspark kiezen of ging ze terrassen? Mensjes kijken? Ze had haar laptop bij, dus werken aan haar nieuwste boek viel ook te overwegen. Maar daarvoor was het weer te mooi. De laptop buiten was geen goed idee en binnen zitten wou ze niet. Terwijl ze nog stond te dralen, kreeg ze hem opnieuw in het oog; elastiekenman. Hij bestudeerde enkele meters verder het stadsplan. Hij is ook niet van hier, bedacht ze. De bonte verzameling aan zijn rugzak (bovenaan hingen zowaar ook nog touwtjes en allerlei losse eindjes) trok opnieuw haar aandacht en zonder verder nadenken stapte ze op hem af. ‘Mag ik u een idiote vraag stellen?’  Dezelfde frons van zo-even.  ‘Ik vroeg me af waarom u die elastiekjes aan uw rugzak heeft? Het is belachelijk, ik weet het, maar het intrigeert me en nu ik u voor de tweede keer zie, dacht ik: ik vraag het gewoon.’ Hij antwoordt niet, meende ze, en het zijn mijn zaken niet. Bovendien, hij mag dan al ouder zijn dan ik dacht, hij is toch nog minstens vijf jaren jonger dan ik. Misschien denkt hij wel dat ik ‘m wil versieren. (Ik wil hem best versieren als hij versierbaar blijkt te zijn.)  De glimlach die op zijn gezicht doorbrak was zo teder (een ander woord kon ze ook later niet bedenken) dat hij haar hart brak en dat ze hier en nu besloot met deze man een verhouding te beginnen. ‘Omdat ze vaak van pas komen,’ zei hij. Zijn ogen waren blauw en zijn glimlach was echt, dat zag je aan het blauw dat blauwer werd. ‘Dát was het moment,’ zou ze later zeggen. ‘Zijn antwoord was zo simpel, zo overduidelijk, dat ik niet begreep waarom ik er zelf niet opgekomen was.’ Zo hóren liefdesverhalen te beginnen.

Goedele Billen
3 0

Pasklare verhalen (3) Joehoehoe

‘Joehoe. Joehoeoeoe. Knock-knock.’Ik verstijf midden in de beweging waarin ik met ogen op mijn rug probeer in de spiegel de aantrekkelijkheid van mijn kont in het blauwe bolletjeskleed in te schatten. Is dat voor mij bedoeld? ‘Joehoehoe, wil je ’s effe kijken?’ De bleke hand die één helft van het gordijntje beetpakt komt me niet bekend voor... De stem – Ik gluur doorheen de opening. Wie?‘Haloohoo – ik zag jou met hetzehelfde jurkje en ik dahacht: laat ik even checken of zij het koohoopt. Oohhh, het stáát je beeheelderig, ehecht.’ Perplex staar ik naar de smalle bidsprinkhaan die paradeert in – inderdaad dezelfde – bolletjes als ikzelf. Alleen, zeven ( vijftien?) maten kleiner. ‘Je kent me toch? Oooh, neehee, herken je me niet?’Ze komt me vaag bekend voor, die ronde bolle ogen, de blik die me niet loslaat... Maar ik heb haar zeer zeker nog nooit horen praten, die neiging om overal ademloze h’s tussen te gooien, zou me bijgebleven zijn. Ik trek weinig toeschietelijk mijn wenkbrauwen op. Passen is bij mij nu eenmaal een intiem gebeuren. ‘Ik werk in de bib, weet je wehel? Tweede verdieping, leeszaal? Wat vind je, iets voor mij, dit? Is het maatje goed? Ze beginnen maar vanaf 34.’‘Ja, euh, het past wel.’ Ik moet mijn gordijn wel openen. Verder sta ik met mijn mond vol tanden. Wat wil ze dat ik zeg? ‘Ohoohh, kijhijk toch eens’, ze springt naast me voor de spiegel, steekt haar arm door de mijne en trekt me mee uit het pashok. ‘We zijn net zusjes. Gewèèheldig. Kíjk nu toch!’ Ik kan in de grond kruipen. Iedereen staart naar mijn bolletjesderriere maat‘je’ 42. ‘Wacht! Nu de gele. Wat toe-va-llig dat ik naast je zit. Zo ongelohofelijk tof hier iemand te treffen die me advies wil geven. Echt tof.’ Ze duwt me weer naar binnen en danst haar paskamer in, ondertussen aan één stuk door ratelend. Zelf slaag ik er net op tijd in mijn eigen short en T-shirt terug aan te trekken voor ze weer ‘Knock-knock, joehoehoe’ haar kop door de opening steekt. ‘Wat vind je van deze? Dat geel? Misschien niet zo mooi voor mij? En hij trekt een beetje, hier...’ Een guitig lachje (wij dikkerdjes onder elkaar). Ze ziet ‘mijn’ bolletjesjurk aan het haakje hangen. ‘Ga je hem kopen? Je gaat hem kopen! Ik wist het. We móeten afspreken wanneer je hem naar de bib aantrekt, dan kan ik ook... Net zusjes! Super. Wacht, ik ga nog alleen de rode proberen. Je hebt gelijk, geel staat me niet. Maakt ons dik, hè.’ Weer terug haar kot in. ‘Rood is best mooi, maar als ik nu ook de blauwe neem, olalala, dat zal zo grappig zijn. Alleen toch nog even proberen, maar ik weet het al, als jij - de blauwe - ' Hier valt haar stem weg, ze zit met haar hoofd in de jurk. Ik sluip vlug, zo geruisloos mogelijk, naar de uitgang. De bolletjes laat ik hangen. Als ik over mijn schouder kijk zie ik een hoogbejaarde dame mijn gordijntje dichtschuiven. Terwijl ik opgelucht naar buiten loop, hoor ik opnieuw: ‘Joehoe? Joehoehoe...’ https://www.youtube.com/watch?v=OsLevxGguGs

Goedele Billen
7 0
Tip

#1

Soms lijkt het stil op het slagveld. Na uren van gekletter en gejammer smelt het lawaai van het gevecht tot één witte ruis alsof de waas van vermoeidheid die om hem heen hangt de geluiden tegenhoudt. Dan hoort Nikephoros enkel het gebonk van zijn eigen bloed in zijn oren, hoe hij hijgend adem naar binnen zuigt, en af en toe, op dagen zoals deze, hoort hij het schreeuwen van zijn naam als een echo in zijn gedachten.  De mannen om hem heen kan hij amper zien. Het zware metaal van zijn helm sluit hen van hem af, maar hij weet dat ze er zijn. Hun aanwezigheid hoort ook bij de ruis, de mengelmoes van bloed en geschreeuw en het versplinteren van schilden. Nikephoros voelt dat zij er zijn en zij voelen dat hij er is. Zijn speech is hij al vergeten, de woorden achtergelaten in het kamp, vertrappeld door de vele voeten die schuifelend hun tent verlieten. Alleen de reactie blijft hangen. Ze kleeft aan zijn lijf. Het gejuich is onder zijn helm gekropen en het enthousiaste gestamp zit verstopt onder zijn borstplaat. Nikephoros. Zegebrenger. Hoewel zijn harnas zwaar weegt op zijn schouders, beweegt hij met een zekere gratie die anderen missen. Naast hem valt iemand neer. Een bijl komt zijn kant uit. Hij duikt neer, zwaard stevig in zijn hand. Het voelt niet meer als doden. Het voelt louter als een zegeviering. De volgende komt zijn kant opgerend, gewapend met een drietand. Nikephoros doorboort zijn borstplaat nog voor de jongen zijn wapen kan heffen. En dan, temidden van de strijd, hoort hij het. Natuurlijk hoort hij het. Het hele punt van de witte ruis is de filter. De blonde lokken zag hij altijd, een baken in de wirwar van geweld. Ze waren oh zo zeldzaam, louter voor hem bestemd. Nu zag hij ze niet. Hij draaide zijn hoofd om, wanhopig zoekend naar zijn geliefde. De kreet klonk zo vreemd tussen al die wreedheid. Zijn zwaard glipte van tussen zijn handen wanneer Nikephoros naar hem toe rende. Hij spotte Agapétos een paar meter verder, verder dan hij had móéten zijn. Zijn blonde haren waren slechts luttele seconden van de bebloede grond verwijderd. “Agepétos. Agepétos.” Of hij de woorden gezegd heeft, weet Nikephoros niet. Misschien fluisterde hij ze, misschien waren ze slechts een echo in zijn gedachten. Het moest zo snel gebeurd zijn, tussen de ene dood en de andere door. Tussen een bijl en een drietand. Een pijl, sneller dan Apollo. Zelf Nikephoros had er niet aan kunnen ontsnappen. Hij zakte neer op zijn knieën, ogen wijd open en mond hetzelfde. Zijn vingers wurmden zich langs de contouren van de borstplaat, voorbij de hardheid en de strijd, tot ze eindelijk zijn huid voelden. Nikephoros gaf niets om de oorlog. Hij gaf alleen om hoe zacht zijn geliefde is, zijn kloppend hart en de glans in zijn helblauwe ogen. Agepétos’ huid leek wel marmer naast de zijne. Zijn lippen, die uren geleden nog de lijnen van zijn lichaam zochten, openden zich moeizaam, op zoek naar een laatste ademhaling. “Agepétos.” Agepétos wilde hem niet aankijken. Hij trok aan Nikephoros’ arm met ogen die getekend waren door paniek, en Nikephoros, de zegebrenger, smolt als was zijn handen. “Blijf,” prevelde hij. Zijn stem klonk zacht en zilver en gouden boven de witte ruis van de wreedheid. Hij fluisterde het zachtjes tegen Nikephoros’ nek, brandde de letters in zijn gebruinde huid. “Alstublieft.” En dus stopte Nikephoros het gevecht, liet zowel zijn zwaard als de belofte van een zegeviering in de steek. Hij lag naast Agepétos, terwijl die uiteenviel op de ergste wijze mogelijk. Zijn handen knoopten zich in zijn haar, vingers gevangen tussen metaal en huid en zijn lippen verbonden met die van zijn geliefde. Agepétos’ hoofd legde hij in zijn nek, zijn steeds kouder wordende neus tegen zijn sleutelbeen aangedrukt. Zo sliepen ze meestal, wanneer ze alleen waren in hun tent. “Agepétos. Agepétos.” Geliefde. Geliefde. “Agepétos.” Tot de witte ruis ook zijn ogen sloot.

Astrid
0 2