Lezen

Je suis een held op sokken

De meeste helden die ik ken zijn dood Ik ben gewoon mezelf Geen held hooguit een held op sokken die met haar eigen woorden de wereld om zich heen probeert te vangen, die al begint Bij de tafel die we eettafel noemen Maar waar we nooit aan eten Behalve dan als er gasten zijn Om te doen alsof we tafeleetmensen zijn We doen ons altijd mooier voor We doen onszelf nooit te kort aan een warm bord Vol illusies, want dan smaakt beter dan de waarheid Weet je hoe groot een sneeuwbal wordt als hij verder rolt, niemand hem stopt, als die sneeuwbal. Heel de wereld rond steeds verder bolt.  Onverwoestbaar. Wat nu in deze tijd, hoe groot je woorden worden  Als ze onbedoeld je huiskamer uit rollen, de hele wereld rond. Als ze mensen bereiken die niet begrijpen wat je er mee bedoelt. We hebben ooit de woorden bedacht om dichter bij elkaar te staan, maar als ik nu spreek heb ik het idee dat niet iedereen verstaat wat ik zeg, staan we elkaar in de weg, met wat is uitgevonden om elkaar te begrijpen Ik ben geen held Hooguit een held op sokken Die bij de eerste stap buiten KOUD KOUD KOUD roept En terug naar binnen rent Ik ben gewoon mezelf, Jij plakt als een wegenwachter van mijn woorden je oordeel Op dit optreden,  de beste stuurlui zitten in de monk Ik ben er zeker van, maar er zit geen rode speedo onder Mijn jurk en ik kan niet vliegen Er is iets aan de hand met onze wereld In onze hand zit niks, Dus niks aan de hand toch Makkelijk In de huiskamer hebben we allemaal een grote mond Maar we draaien ze even dicht als onze deur Niet eens een kier om ongezoutenheid Door heen te laten tochten Wij zijn zoetwatervissen Ongezouten, want de meest gezouten Plek is de dode zee En de meest ongezouten mensen zijn Fuck, al onze helden zijn dood Ik ben een zoetwatervis Wat we niet zijn willen we zijn verbonden Meestal zijn we dat wel maar verkeerd Aan de telefoon bijvoorbeeld Daar durft iedereen te zeggen wat ze denken Zolang het niet op papier staat En niet openbaar is Waar vechten we voor Een rekening van belgacom altijd Waar we van dromen Is niet wat we bereiken Het komt er niet eens van in de buurt In onze huiskamer zijn we allemaal helden En de telecomoperator aan de andere kant van de lijn Het kwaad dat bestreden moet worden Weet je hoe groot een sneeuwbal wordt als hij verder rolt, niemand hem stopt, als die sneeuwbal Heel de wereld rond steeds verder bolt.  Onverwoestbaar. Wat nu in deze tijd, hoe groot je woorden worden  Als ze onbedoeld je huiskamer uit rollen, de hele wereld rond. Als ze mensen bereiken die niet begrijpen wat je er mee bedoelt. We hebben ooit de woorden bedacht om dichter bij elkaar te staan, maar als ik nu spreek heb ik het idee dat niet iedereen verstaat wat ik zeg, staan we elkaar in de weg, met wat is uitgevonden om elkaar te begrijpen Weet je nog hoe groot onze mond was? Toen we op de uitkijk stonden, zeven jaar waren. Op een berg, niet echt een berg, gewoon zand, daar opeens die jongens waren en ik had je cavia vast. Die kakte op mijn t-shirt, heel de tijd, een blauw t-shirt vol met cavia kak. Ik heb die hele herinnering nog in mijn hoofd Van het roepen op de berg Dat toen we naar beneden kwamen die jongens opeens veel groter waren Ver van ons bed lijkt alles veel kleiner Zoals die Playmobil kinderen vol bloed op het journaal Het zal wel niet zo erg zijn In scene gezet, zap En mijn t-shirt zat nog steeds vol met caviakak Ze riepen dat ze ons kapot zouden maken Onze monden werden opeens veel kleiner We hadden niet meer zo veel woorden Ik zei dat het niet zo moeilijk was, ons kapot maken Omdat we niet zo groot waren en zij wel Ze gaven me gelijk en we liepen weg Ik ben geen held, ik ben gewoon mezelf een zoetwatervis in een afwasbak In de zee durf ik niet zwemmen Daar zwemmen haaien Al weten ze niks van poëzie Ik begrijp wel wat ze bedoelen, als ze naar mij happen.

phyllox wanderlust
0 0

POMO

Soms heb je zin om te ROEPEN                                     ZO HARD TE ROEPEN  Dat je stembanden  s        r       n         e               er een grote STILTE klinkt                                     p       i         g         n Dat je de maan kunt tikken   soms heb je zin om te                      zo HARDHARD te                                      d a n s e n                                   d a n s e n d a n s e n                                                                    g                                                               o                   p     i     g                         o                          SPRINGT              s       r      n     t                 h        je                                       o dat                                        z   soms heb je zin in dingen waar niet zoveel over nagedacht moet worden soms heb je geen zin om te veel na te denken over de dingen   WIJ ZIJN ENERGIE WIJ ZIJN ALLEMAAL ENERGIE   Als wij TEGENELKAAR         B                                                            O                                                                   T                                                     S                                       E                                                               N          Maken we meer ENERGIE… zoiets     Er ligt boter in onze koelkast, als het koud is zal die niet smelten Er zijn ook eieren, wat we daar mee moeten weten we niet Olijfolie zit niet in de koelkast,     Buiten is er mist    ZOIETS ER LIGT BOTER IN ONZE KOELKAST EN ALS HET KOUD IS ZAL DIE NIET SMELTEN ER ZIJN OOK EIEREN WAT WE DAAR MEE DOEN WETEN WE NIET OLIJFOLIE NIET IN DE KOELKAST   BUITEN IS ER MIST ZE HANGT IN DE BOMEN EN KRUIPT IN ONZE MONDEN OM ER ALS WOLKJES WEER UIT TE BARSTEN   ER IS NOOIT STILTE   WIJ VRAGEN DE WEG NAAR DE OVERKANT WIJ VRAGEN DE WEG NAAR EEN LAND WAAR ER GEEN GRENZEN ZIJN   IK HEB OOK EEN CROQUE MACHINE IK GEBRUIK DAT NIET ZOVEEL IK EET NIET ZO VAAK CROQUES   HET IS NIEMANDS VERPLICHTING DIT HELEMAAL TE LEZEN OVER VIJF MINUTEN GA IK RECHSTAAN ERGENS NAARTOE DE WERELD IN DE DEUR UIT OVER VIJF MINUTEN GA IK IETS DOEN TOT DAN KAN IK LETTERS ZETTEN HEEL VEEL LETTERS ZETTEN ACHTER ELKAAR   TOT DAN HOEF IK NERGENS OVER NA TE DENKEN IK HOEF NOOIT ERGENS OVER NA TE DENKEN IK KAN BESLUITEN OM NOOIT ERGENS OVER NA TE DENKEN MIJN HERSENEN UIT TE ZETTEN EN LALALALALALALALALALLALALALALALLALALALALAL KLEINE MANNETJES LATEN DANSEN IN MIJN HOOFD OVER DRIE MINUTEN GA IK DE WERELD IN ZET IK MIJN HOOFD AAN   ZIE IK DE MENSEN LOPEN ZIE IK ZE DENKEN ZIE IK HUN MONDHOEKEN WEER LANGS DE STOEPRANDEN SCHRAPEN OP ZOEK NAAR EEEN STEEN DIE ANDERS LIGT ZIE IK HOOFDEN SCHUIN NAAR ONDER GEBOGEN HANDEN IN ZAKKEN OVER 2 MINUTEN WEER ZIE IK DE WERELD BUITEN WAAR DE MENSEN AL DIE MENSEN SAMEN VOOR ZICHT UIT KIJKEN ZONDER VOORUIT TE KIJKEN BIJNA WE ZIJN ER BIJNA WE ZETTEN IETS IN BEWEGING IK HEB OOK NOG BIER ER IS OOK NOG HEEL VEEL BIER EN EEN KAPSTOK EN EEN PLANT ER IS OOK EEN PLANT DIE GEEF IK WATER ALS HIJ DORST HEEFT DAAR ZORG IK VOOR ALS IK TIJD HEB  

phyllox wanderlust
4 0

brief ouders ahmed

Jean-Louis Lecocq Welpenstraat 40 1930 Zaventem Tel 02 222 52 32 info@zaventemgemeente.be   Mijnheer en Mevrouw Almaci en zoon Ahmed Vlieghavenlaan 45 1930 Zaventem Betreft: Nederlands op school en bij u   Geachte heer Almaci Geachte mevrouw Almaci   We zijn blij dat Ahmed binnenkort bij ons naar school komt. In onze school hoort iedereen erbij.  We zullen ervoor zorgen dat Ahmed zich goed voelt in zijn nieuwe klas. Op school spreekt iedereen altijd Nederlands. Dit zal Ahmed helpen om snel Nederlands te leren want: hij spreekt en hoort het Nederlands tijdens de lessen, hij leert taken in het Nederlands maken, hij speelt met vriendjes die Nederlands spreken. Het Nederlands helpt hem ook voor later als hij wilt verder studeren of werken. Maar ook voor u kan het Nederlands helpen als u in de winkel bent of met de leerkracht wilt praten op school.   Waarom Nederlands leren spreken? U kan Ahmed helpen bij zijn huiswerk. U kan beter zeggen wat u nodig heeft in het gemeentehuis, in de winkel, in de buurt, op school. U vindt makkelijker werk of uw collega’s zijn blij dat u hun taal spreekt. U leert makkelijker mensen kennen die Nederlands spreken. U voelt zich thuis in uw buurt. Zou u net als uw zoon ook graag Nederlands leren spreken?   Samen met de school De Springplank in Zaventem organiseren we voor u lessen Nederlands. Kent u nog niet veel Nederlands of al iets meer? Dat maakt niet uit. Iedereen is welkom. Hopelijk tot snel.   Met vriendelijke groet, burgemeester Jean-Louis Lecocq           

Liesbeth Rubben
0 0

Herschrijf de zinnen

p. 24 Wanneer je beseft dat je beter de naamwoordstijl en nominalisering vermijdt, draagt dit bij tot leesbaarder schrijven.    OF   De naamwoordstijl en nominalisering vermijden, draagt bij tot leesbaarder schrijven.   p. 28 Iedere gemeente staat voor de uitdaging om de etnisch-culturele minderheden een plaats te geven in hun beleid. Maar hoe breng je de etnisch-culturele minderheden op de hoogte van dat beleid? Andere uitdagingen zijn:  allochtonen een aangepaste dienstverlening geven,  allochtonen actiever betrekken bij de activiteiten in de gemeente, allochtonen meer en beter informeren over hoe de gemeente werkt. OF  Iedere gemeente staat voor de uitdaging om de etnisch-culturele minderheden een plaats te geven in hun beleid. De gemeentes moeten nadenken over hoe zij:  allochtonen een aangepaste dienstverlening kunnen geven,  allochtonen actiever kunnen betrekken bij de activiteiten in de gemeente, allochtonen meer en beter kunnen informeren over hoe de gemeente werkt.   p. 30 voorzien/houding/bekwaam/ingewikkeld/idee/voortdurend/ongelijkheid/zeker/overduidelijk/vaak/indruk/vernieuwen/volledig/neiging of bedoeling/samenbrengen/deelnemen/noodzaak/streek/beperking/af en toe/noodzakelijk/dringend/gelden    p. 33 Het provinciaal integratiecentrum draagt bij aan de emancipatie van etnisch-culturele minderheden.    p. 34 Wij nemen deel aan de raden van beheer van de Centra voor Basisonderwijs en Centra voor Volwassenenonderwijs om hen te motiveren een specifek aanbod te bieden aan kwetsbare groepen van etnisch-culturele minderheden.    De dronken en onvoorzichtige automobilist reed een kleuter aan en verwondde hem.    De arrangementen in de folder kan je boeken via het aanvraagformulier.    Hoewel Michiel een hekel heeft aan huiswerk en nog moet wennen aan zijn nieuwe school, probeert hij toch elke dag een uurtje te werken.    p. 35 In het Leuvense pronvinciegebouw presenteerde het PRIC eind oktober zijn beleidsplan aan de coördinatoren van enkele lokale steunpunten.    - Het is niet waar ik in de eerste plaats voor kies. OF Het is waar ik in de eerste plaats voor kies. - Het bestuur voelt er op dit moment niets voor.  - Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat we zelf ook schuldig zijn. - Hij ontkende niet dat hij de documenten had doorgespeeld aan de pers. - Toestemming krijg je als je die tijdig, schriftelijk en volgens de richtlijnen aanvraagt.   p. 37 Contact met andere bevolkingsgroepen is niet genoeg om vooroordelen te corrigeren.   De zorgverstrekker bepaalt wanneer zorgverstrekking onder 'dringende medische hulp' valt.    Een deelaspect van de verzelfstandiging is dat de thuissituatie van de cliënt beter moet zijn om de begeleiding te stoppen.   

Liesbeth Rubben
0 0

Pasklare verhalen. Flauberts papegaai

           Ik hou van stations. Treinen. Sporen. Vandaag zit er een jonge man tegenover me op de trein Halle-Brussel. Hij leest een boek. Zwart haar, stoppelbaard, jeans, wit hemd dat prachtig afsteekt tegen zijn donkere huid, gekleed jasje. Hij leest ‘Flauberts papegaai’. In het Engels.  Ik moet naar het toilet. 'Meneer, kunt u even opletten...' Ik wijs naar mijn jas en rugzak, en knik in de richting van het toilet. 'Bien sur, madame...' Terwijl ik doe wat moet gebeuren, hoor ik hoe de trein vaart mindert en besef ik: als die meertalige knapperd nu van de trein stapt met mijn rugzak, heb ik het nakijken...  -Of ik daar dan niet aan gedacht had?- Zeker wel. Maar dit is mijn persoonlijke test van de mensheid. De meeste mensen zijn goed. Dat is mijn stelling. Of ze nu Noord- Afrikaans of Duits of ... Berbers zijn. En iemand die Jules Barnes leest, moet per definitie oké zijn. Ik weiger mee te doen aan het veralgemenend negativisme over de jeugd van tegenwoordig, over vandaag de dag, niemand heeft nog respect en ga zo maar door. Ik doe niet mee. Klopt mijn stelling? Dat test ik. Regelmatig.  Zo koop ik kersen onderweg als ik ga fietsen, en laat die in mijn fietsmand liggen terwijl ik in de supermarkt ben. Tot nu toe liggen ze er steeds nog wanneer ik uit de winkel kom. Ik laat ook mijn handtas in het vakje van mijn winkelkar staan en ga een paar meters verder een pot choco nemen.  Maar ik beperk het risico. Mijn portemonnee zit in mijn zak. Ik heb lage schoenen aan waarmee ik hard kan rennen achter een mogelijke tassendief, en de kersen zijn niet onmisbaar.  Vandaag op de trein lijkt Barnes mij voldoende garantie te bieden. Bovendien heb ik geen baar geld bij, zit mijn smartphone in mijn broekzak, en mijn bankpasje-  Shiiiiit. Dat bankpasje steekt in het zijvak van mijn rugzak. De blauwe rugzak waarmee de jongeman nu vermoedelijk van de trein stapt. Want de trein is gestopt. En ik zit nog steeds op het toilet. Dat soort zaken blijkt net iets moeilijker te berekenen.  Enkele minuten later rep ik me terug naar mijn plaats. Hij kijkt niet eens op als ik me met een zucht laat vallen. Hij is nog steeds in zijn boek verdiept. Hèhè. Twee haltes verder moet ik eruit. In het halletje wacht ik, mijn vinger boven de groene knop. 'Madame, madame!' Bedoelt hij mij? 'C'est a vous?' In zijn uitgestoken hand mijn smartphone. 'Euh, hoe...'  'Ik denk et ies uit u zak kevallen op de bank, denk ik. Et ies uwe?'  Ik check. Ja, de mijne. 'Ohh, heel, héél erg bedankt.'  Galant duwt hij op de groene knop, waarop de deur openspringt. 'De rien'.  De meeste mensen zijn buitengewoon goed. Halleluja. En ik ben een stomkop.  Ik had hem moeten kussen.

Goedele Billen
0 3

Profielschets lezersgroep

(Opmerking bij het plakken van de teksten uit Word. De lay out gaat verloren waardoor er verschillende lettertypes naast elkaar worden gebruikt. Dit belemmert de leersbaarheid.) Wij hebben 2 belangrijke lezersgroepen waar we ons naar richten : Werknemers in de horeca (op basis van een studie door Guidea - 'Arbeidssituatie, kwaliteit en loyaliteit' (2012))http://www.guidea.be/sites/default/files/2013_Eindrapport_Arbeidssituatie, arbeidskwaliteit en loyaliteit_0.pdf) Leerlingen die een studiekeuze maken of willen veranderen van richting (Werkgevers in de Horecakrant) Ik breng de eerste groep in kaart. Hierover hebben we het meest informatie. De concrete teksten gaan ofwel over het overtuigen van werknemers om opleidingen te volgen of over mensen die getuigen over hun job in de horeca. Deze laatste teksten hebben een entertainend doel. Werknemers in de horeca  Weten  De lezer kent de sector/horeca het beste want hij werkt er in. Hij/zij weet hoe het er in het écht aan toegaat. De lezer is een medestander, bondgenoot want onze organisatie wil de werknemer kansen geven tot zelfontplooiing en verdieping of verbreding van zijn competenties door opleidingen te volgen. In de studie van Guidea (zie hierboven) blijkt dat een groot deel van de werknemers graag externe opleidingen wenst te volgen maar gehinderd is door werkgever/werkuren/beperkte vrije tijd. De lezer is trots op het werk dat hij doet en op zijn sector. Dat enthousiasme willen we dan ook in beeld brengen in de teksten of getuigenissen.  Willen  De lezer wil lezen wat zijn voordeel kan zijn door opleidingen te volgen. Hij wil dus concrete informatie over inhouden van opleidingen. Daarnaast wil hij zelf ook getuigen over zijn/haar boeiende job om anderen warm te maken of wil hij/zij zich aangesproken voelen door andere getuigenissen. Hij wil dus entertainment waarbij hij/zij zich persoonlijk betrokken voelt. De lezer heeft niet veel tijd en zal ook niet veel moeite doen om te lezen. De lezer wil overtuigd worden. De lezer wil opleidingen volgen. Of wij willen werknemers aansporen opleidingen te volgen of we willen hem/ haar overtuigen van het belang van bijscholing/ ‘een leven lang leren’. Vinden   1. Onderwerp: ‘opleidingen volgen’ De resultaten van het onderzoek van Guidea tonen duidelijk hoe de lezer staat tegenover ‘extern opleidingen volgen’: 28% van de ondervraagde werknemers vindt dit heel nuttig en 39% vindt dit nuttig. Dit toont dus dat een groot deel van de lezers geïnteresseerd is en positief denkt over het onderwerp ‘volgen van opleidingen’. (Meer in detail: catering/ zaken met 20 tot 49 werknemers/ keukenfuncties/ voltijdse job in de horeca/ mannen en bedienden in de horeca vinden het volgen van een opleiding significant nuttiger dan de gemiddelde horecawerknemers (drinkgelegenheden/ zaken met 1-4 werknemers/ bepaalde duur/ zaalfunctie/ deeltijds/ ) Wie volgt effectief opleidingen en is er dus sterk in geïnteresseerd? Werknemers uit hotels/ catering/ grotere ondernemingen/ met een logiesfunctie en bedienden volgden significant vaker een opleiding in het afgelopen jaar (2004). Deze groep staat dus positief tegenover opleidingen en zal dan ook geïnteresseerd zijn bij de teksten die over opleidignen gaan.(EXTRA- meest populaire thema’s van opleidingen: vakkennis (gerechten, dranken, hotel)/ veiligheid & hygiëne) - doen het minder goed: omgaan met gasten/ rendement beheren/ administratie/ informatica) Is er behoefte aan opleidingen volgen? ¼ van alle werknemers heeft behoefte aan opleidingen waarvan 53% vooral geïnteresseerd is in opleidingen rond vakkennis/ 39% in opleidingen rond vaardigheden/persoonlijke ontwikkeling/ samenwerken. Het gaat hoofdzakelijk om werknemers uit grote ondernemingen of ondernemingen met logiesfunctie en om bedienden.   Maar er zijn redelijk wat hinderpalen voor het volgen van opleidingen volgens de werknemers. Dit kan ervoor zorgen dat de teksten over opleidingen voor hen niet relevant zijn en zij dus eerder een onverschillige houding aannemen omdat zij de opleidingen toch niet kunnen volgen door volgende hinderpalen: Tijdens de werkuren mogen ze geen opleidingen volgen Onregelmatige en wisselende werkuren die niet af te stemmen zijn met lesuren Beperkte vrije tijd die men niet wil opnemen voor opleidingen Slechts de helft van alle ondervraagde werknemers mag een opleiding volgen tijdens de werkuren. 2. Onderwerp: ‘horeca is een boeiende en uitdagende sector om in te werken’ Wat vinden de werknemers over de job in het algemeen? Veel werknemers zien de horeca als een uitdagende sector die mogelijkheden biedt tot zelfontplooiing, verrijken van de eigen persoonlijkheid, uitdiepen en ontwikkelen van vaardigheden. Zo is 84% over het algemeen tevreden tot zeer tevreden over verschillende aspecten. De hoogste scores gaan naar: samenwerking met de collega’s, afstand woon- werkplaats, omgeving van het werk, werkzekerheid, inhoud job, relatie met de verantwoordelijke, … . Teksten die de sector op deze manier in beeld brengen, wekken bij de lezer positieve gevoelens op. De lezer krijgt de kans zich te identificeren met de geschreven getuigenissen. Ook is er een hoge graad van enthousiasme bij werknemers. Ze zijn trots op hun job. Teksten die hierover gaan, wekken dus positieve gevoelens bij de lezer. De lezer staat positief en enthousiast tegenover de teksten die de sector als boeiend en uitdagend in beeld brengen.   Kunnen Een groot deel van de werknemers in de horeca is laaggeschoold. De horecawerknemers zijn een erg diverse groep: veel jongeren maar ook een toenemend aantal oudere werknemers 50+, veel allochtonen die vaak anderstalig zijn en het Nederlands met moeite onder de knie hebben. De lezer is dus geen ervaren lezer en houdt niet van lange teksten. We moeten dus uitgaan van een opleidingsniveau van de veertienjarige. Vakjargon met betrekking tot het werkveld kan wel gebruikt worden aangezien zij die termen zelf ook dagelijks gebruiken.

Liesbeth Rubben
1 0

Donderdagen

De donderdagen. Ze komen elke keer trouw tevoorschijn vanachter het gordijn van de week. Als alles goed gaat, rijd ik na de middag naar haar. Ik reken er steeds op dat ze me verwacht. Dat ze niet te erg in de war is en me herkent. Mij met plezier binnen laat in de oude villa, met rimpels op de buitenmuren en op het dak een grijs geworden hoed met rand.  Ze opent de deur alsof ik een dochter ben, een brede lach begeleidt me naar de woonkamer. Naar de keuken, waar de hete koffie het kopje vult. Het klontje laat ik liggen. De parkieten, die moet ik bekijken. Een hele namiddag wippen ze van stok naar stok. Het is geen lange-afstand-vlucht; misschien daarom de trieste vormen van de reservoirs. Ongezoet water, droog zaad. Omdat deze vrouw uit 1932 ooit geschreven heeft voor een tijdschrift en haar echtgenoot boeken schreef die bewerkt werden tot toneelstukken, leest ze luidop wat ze tot nog toe noteerde. De groengele parkiet is de hevigste van allemaal, hij lijkt de leider van de vogelbende. Hij pikt gulzig zaadjes uit het bakje weg, maar schijnbaar niet van harte. De grijze parkiet is kleiner en jonger. Een mannetje zoals de anderen. Onrustig wiebelt deze vogel op steeds hetzelfde stokje, alsof deze de zijne is en geen ander gevleugeld dier er recht op heeft. De twee witte vogeltjes zijn veel kleiner en van een ondersoort. Er is er één met een donkerbruine slab om zijn nek. Ze maken kabaal voor honderd. Het lijkt wel alsof ze deelnemen aan een wedstrijd: wie het hardst piept, kaapt het eeuwige leven weg. Ik luister terwijl ik afgeleid word door de krappe ruimte waar deze vogels het mee moeten stellen. Geen van hen kan weg. Ze zijn tot op deze plek gebracht om te animeren, gezelschap te houden, geen hinder te hebben van de voltijds rustige hond. Viviane kijkt me aan en zucht. Ze werpt een tevreden blik naar de kooi, en legt uit dat de stukjes sla tussen de houten wasknijpers nu al niet meer vers zijn. Na twee dagen.   We hangen het één en ander te drogen, aan een droogrek, dat we eerst in de garage dicht vouwden om dan op het terras open te klappen. Het paarse tafelkleed dekt het rek af, als een wit doek over het hoofd van een spook.  Tijd voor een sinaasappel. Eenmaal binnen, merk ik dat de groengele parkiet in de keuken rond vliegt, zenuwachtig en alle hoeken van de kamer benaderend, om opnieuw een richting te kiezen, en dan...stoot de vogel zijn kop tegen het plafond! We schrikken van dit ongelukkig schouwspel. Hoe is hij in hemelsnaam? Er is geen deurtje dat open gewrikt werd, geen holte uit het tralierijke dak gebeten. Viviane rept zich naar de versleten schuifdeur, trekt aan de hendel met een haast van een ontsnapte gevangene, en ziet dan hoe de vogel uit haar notities haar te snel af is, en WEG is hij. Ik kijk hem nog na, eventjes, alsof ik staar naar de zon die de kim verlaat. Viviane rent naar buiten, tussen de bomen staat ze stil. Ik sta met open mond en een stug gevoel van helaasheid naar boven te kijken. Zoekend. Niet vindend. Zoekend, de hele namiddag.

Ingrid Strobbe
4 0

Kamerruil

‘Uw vriendin komt later?’ Meestal vragen ze niets. Hij knikt. De vrouw kijkt uitdrukkingsloos naar hem, daarna naar het schema op haar tafel: zestien genummerde vakjes in twee rijen van acht. Sommige vakjes zijn leeg, in andere liggen plastic schijfjes, rood of groen. ‘Kamer twaalf,’ zegt ze, ‘eerste verdieping’, en ze plaatst een rood schijfje in vakje twaalf. ‘Ik heb liever kamer acht,’ zegt hij, ‘kan dat?’ Ze kijkt secondelang naar vakje acht, waar geen schijfje in ligt. ‘Kamer acht is nog niet klaar,’ zegt ze. Ze kijkt weer naar hem op, trekt heel licht met haar rechterwenkbrauw. Hij knikt, betaalt en neemt de trap naar de eerste verdieping.   De eerste deur aan zijn linkerhand is gesloten, maar de tweede, de deur van kamer acht, staat open. Er vlakbij is een kar geparkeerd, met schoonmaakmiddelen, verse lakens en rollen oudroze toiletpapier. Hij kijkt de kamer in. In de gele gloed van het zonlicht dat door de gordijnen naar binnen valt, staat een meisje met geblondeerd haar - hij ziet de uitgroei op haar kruin - en ogen die zijn verankerd in dikke strepen mascara. Een Poolse, denkt hij, of een Tsjechische. ‘U heeft kamer acht?’ Ze spreekt met een plaatselijk accent. ‘Ik...’ Hij aarzelt, doet een stap de kamer in. De lucht is nog warm, vol van geuren. Het meisje heeft het raam wel opengezet, maar de gordijnen houden de frisse lucht onbewogen buiten de kamer. ‘U heeft kamer acht?’ herhaalt ze. ‘Ik wilde kamer acht.’ Als het niet nodig is, liegt hij niet. ‘Ik ben zo klaar,’ zegt ze. Ze glimlacht ongemakkelijk en sleurt de beslapen lakens van het matras. Beslapen, denkt hij. Nee, belegen, dat was een betere woord. Bedden zijn hier belegen, niet beslapen. Ze maakt een compacte bal van de lakens en de twee kussenslopen en komt er onverwachts zijn kant mee opgelopen. Hij doet te laat een stap opzij en voelt de stof langs zijn hand strijken. Hij rilt. In de gang, tegenover kamer negen, zit een luik in de muur. Ze gooit de lakenbal in de schacht. Hij staat ernaar te kijken, ziet het luik dichtslaan, maar schrikt desondanks van de harde klap. Het meisje ziet het en grinnikt. Ze trekt verse lakens van de kar en bekleedt er de grauwe matras mee. Als ze zich wil bukken om de sprei, die als een gouden berg op de grond ligt, op te rapen, gebaart hij dat ze die kan laten liggen. Ze kijkt vluchtig naar het tapijt, of er nog gestofzuigd moet worden. Hij zegt: ‘Het is goed zo.’ Zonder nog naar hem te kijken, zonder nog iets te zeggen, verlaat ze de kamer. Hij sluit de deur en draait de sleutel een halve slag naar rechts. Daarna kleedt hij zich langzaam uit. Zijn kleren drapeert hij behoedzaam over de stoel. Alleen zijn sokken houdt hij aan, vanwege de vloerbedekking. Het laken voelt stug aan zijn huid, als perkament. Het ruikt niet fris, maar naar sigarettenrook en een beetje zurig, naar kaas. Kaasdoek, denkt hij. Hij spreidt zijn armen en sluit zijn ogen. Hij voelt dat hij op het punt staat om weg te doezelen als er aan de deur wordt gemorreld, eerst voorzichtig, daarna met meer kracht. Behendig zwaait hij zijn benen uit bed. In drie stappen is hij bij de deur. Een man, groter dan hij, jonger ook, staat er pal achter. Misschien stond hij op het punt om zijn schouder ertegenaan te zetten. De man deinst een halve meter achteruit, in de richting van een kleine vrouw in een kort model trenchcoat en met haar benen in een glanspanty. Geen van beiden kijkt naar zijn penis, ziet hij, maar ergens naar zijn buik, tussen navel en tepels; een neutraal stukje huid. ‘Ik dacht dat wij kamer acht hadden,’ mompelt de man verbaasd en hij wil al rechtsomkeert maken, terug naar beneden, naar de vrouw in de hal. ‘Dat is ook zo,’ zegt hij snel. ’Ik heb me vergist. Dit is jullie kamer. Mijn kamer is daar, kamer twaalf.’ Ze kijken zwijgend naar het einde van de gang. De man opent zijn mond om iets te zeggen, maar bedenkt zich en loopt verder. De vrouw volgt. Hij ziet het stel in kamer twaalf verdwijnen, sluit zijn kamerdeur en gaat weer op het bed liggen. Na een minuut of vijf begint het gepiep van hun spiraal, in een mechanische cadans, als een slome goederentrein die door een oneindig landschap rijdt. Hij hoeft niet lang te wachten. Het gebeurt vrijwel nooit dat de volle twee uur worden benut. Na een kwartier volgt meestal een sigaret, daarna nog een manmoedige poging om een tweede keer te volbrengen, maar dat is maar voor weinigen weggelegd. Dit stel is na tien minuten al klaar. Hij hoort ze voorbij schuifelen, het lispelen van haar glanspanty. Nog voor ze de trap volledig zijn afgedaald, heeft hij zijn kleren bijeengeraapt en holt hij met meisjesachtig zwiepende kuiten over de gang. De warmte van hun bed doet hem rillen.  

Grand Foulard
0 0

De andere kant (geschreven tijdens de workshop 'Schrijven op zee' aan boord van De Nele, 25/04/2015)

Ik ben acht jaar en ik kijk door een verrekijker naar de andere kant. De verrekijker is van mijn oom, die veel te warm gekleed in een strandstoel aan zijn pijp zit te lurken. Aan stoel of pijp heb ik geen behoefte, want het enige instrument van belang rust in mijn handen en ik vergeet de kriebelende zandkorrels in mijn zwembroekje en de droogte op mijn zoute lippen. Limonade drinken kan later nog, als mama terug is.   De andere kant is niet Engeland, want Engeland is daar en daar is niet anders dan hier. Misschien een beetje. Rotsen in plaats van zand, maar land is land, als je er goed over nadenkt. En zoals elke flinke jongen van acht kan ik dat, goed nadenken. Maar dromen nog beter. Over wat er tussen daar en hier ligt, bijvoorbeeld.   Door de kijker van mijn oom kan ik het bootje zien dat met het blote oog amper zichtbaar is. Het schommelt nietsvermoedend over de baren. De mannen met baarden die het bemannen weten niet dat ergens onder het klotsende schuim Moby Dick zwemt. Ik wel. Ik heb het gelezen in een groot boek met mooie plaatjes. Schippers lezen niet, denk ik. Daar hebben ze geen tijd voor. Ze moeten zeilen hijsen, planken schrobben en vissen vangen. Ik wil één van hen zijn, ook al hebben ze geen boeken en wacht de witte walvis op het juiste moment om toe te slaan.   Ik ben drieënveertig en ik zit op een boot. Ik kijk naar de schippers. Sommigen hebben baarden. Ik ben niet één van hen. Ergens onderweg naar mijn volwassen leven ben ik overboord geslagen in een zee vol beslommeringen. Maar niet vandaag. Vandaag ben ik aan de andere kant.

Bert
7 0

lucifer

We liepen arm in arm, ik vol van mezelf, jij vol met mijn zaad. Onze haren wapperden in de wind. Het hoeveelste kind zou ik al verwekt hebben? Ik snapte de natuur niet volledig, maar één ding wist ik wel: eksters waren de Opel Corsa's van het vogeldom. Een van mijn kinderen viel van de trap. Ik sleepte de trappenmaker voor de rechter. Mijn kind had recht op een morele schadevergoeding van tien miljard dollar. De rechter had een goeie linker, hij trapte mijn voorzet staalhard binnen. Alleen jammer dat hij mijn zelfgebakken taart niet lustte. Ik drong bij je binnen, schalks en zelfvoldaan. Je zuchtte niet eens zo diep. Water of koffie, dat zou ik straks wel drinken. Fairtrade koffie, daar kan je van op aan. Zo hebben die boeren in Zuid-Amerika ook nog iets te eten. Ik pompte en ik pompte, er leek geen einde aan te komen. Een houtduif op de elektriciteitsdraad keek door het raam naar binnen. Mijn grootmoeder belde onverwacht. Ze had haar gebit laten vallen en probeerde mij duidelijk te maken dat ik haar uit de nood moest helpen. Ik deed alsof ik haar niet verstond. Uit de boot schelpen, moe? Wat bedoel je daarmee, moe? De verbinding is heel slecht, ik ga ophangen, moe, daaag. Ik zag haar al door de living kruipen, een zweetdruppel op het voorhoofd, mijn naam op haar lippen. We wuifden naar een passant. Het wandelpaadje was bijna overwoekerd. Nog enkele maanden en geen kat zou onze rust verstoren. Je vertelde over je vorige vriendjes. Ik kon hen allemaal de ogen uitsteken met een lucifer. Een briquet zou minder handig zijn, dat moest ik toegeven. Onze lach echode tussen de bomen, een merel vloog verschrikt weg. Kon het ons wat schelen.

Maarten Verhelst
2 0

Drakensnoepjes

Hij draaide zich nog één keer om, voelde de deken tegen zijn wang. Eerst afwisselend een oog open en dicht, dan alle twee. Hij speelde dat spelletje iedere morgen, zodat hij net iets langer kon blijven liggen. De sterren aan de onderkant van het bureau glommen. Zelfs op zondag moest er gewerkt worden. "Drakenvelletjes wachten niet met groeien, Alexander!" zei vader altijd. "Ze moeten op het juiste moment geoogst worden, dan krijg je de beste snoepjes!" Alexander haatte ze. Hij snapte nog altijd niet wat er zo lekker aan was: ze waren groen en veel te hard. Hij moest altijd walgen, kreeg ze gewoon niet door zijn keel. Hij hoorde de kettingen waarmee de draken in bedwang werden gehouden. De dieren begonnen al onrustig te worden. Ze wisten precies wanneer het knippen begon. Alexander kreeg nu al kippenvel als hij dacht aan hun klagende kreten als hij straks met de elektrische schaar in de weer zou zijn. Hij stapte behoedzaam door de lange gang en zag de draken in hun hok zitten. Veel ruimte om te bewegen hadden ze niet. Dat was ook niet nodig volgens vader. "Jongen toch, die draken zijn maar dieren, waarom zouden zij in een kasteel moeten wonen?" Hij gleed met zijn vingers langs de tralies terwijl hij doorstapte naar het eind van de gang. Daar zat sinds gisteren één draak afgezonderd. De bolle buik was het signaal dat er weer een kleintje zou bijkomen. Als Alexander heel goed keek, zag hij het draakje zelfs bewegen! Hij verlangde al om het kleine beest in zijn armen te houden. Tegelijk wenste hij dat het nooit geboren zou worden. Want dan zou het dier nooit veel meer zien dan het hok hier in de fabriek. Geen plaats om zijn vleugels uit te slaan. Geen plaats om zelfs maar enkele stappen te zetten. Alleen het geluid van ratelende kettingen en zoemende scharen. Alexander speurde de fabriek rond maar vader was nergens te bekennen. In het bureau had Alexander hem ook al niet gezien, de bruine leunstoel was verlaten. Vreemd, want sinds de dood van moeder was hij de fabriek bijna niet uit geweest. In het begin kwamen de vrienden van vader nog regelmatig langs. Ze dronken dan samen koffie en hadden het overal over, behalve over het ongeval. Niemand durfde er over te beginnen, en vader al helemaal niet. Toen zijn vrienden wegbleven, vond vader het ook niet meer nodig naar huis te gaan. Zijn leven was nu hier, bij zijn werk. Plots weerklonk een schreeuw. De moederdraak was gaan liggen. Het zou nu niet lang meer duren vooraleer het jong geboren werd. Alexander glipte de kooi binnen en kalmeerde de draak met een stuk chocolade. Dat had hij altijd op zak en intussen wisten de dieren wel hoe lekker dit was. Het stro ritselde onder het lijf van de draak en af en toe stootte ze een kreun uit. Toen de kleine draak uiteindelijk geboren werd, merkte Alexander al vlug dat er iets niet klopte met de moeder. Er bleef maar bloed uit haar lijf stromen. Een bevalling was sowieso een bloederige zaak, maar normaalgezien hield dit vanzelf op. Het jong nestelde zich op het lijf van zijn mama. Zij reageerde nauwelijks en ademde steeds langzamer. Het draakje werd onrustig. Ook Alexander begon te panikeren. Wat kon hij doen? Waar was vader? Wat als de draak stierf? Hij rende de gang terug af met de kleine draak in zijn armen geklemd. Alexander zou het gehuil van het jong nooit vergeten. Toen de drakenmoeder niet meer ademde, had het beest zich naar hem omgedraaid. Zijn blik was zo doordringend dat Alexander er tranen van in zijn ogen kreeg. Hij herkende het gevoel, was er zelf getuige van geweest hoe moeder stierf. Hij moest er nu gewoon voor zorgen dat dit drakenjong beschermd zou worden, dat hij niet elke dag de marteling van het scheren zou moeten doorstaan. En dat het kleine dier toch nog een beetje liefde zou krijgen. Alexander trok de ijzeren deur vlug in het slot en wikkelde de draak in een paar vodden. Nu de fabriek gebruik maakte van elektrische scharen, was dit kolenhok niet langer in gebruik. Het was een ideale verstopplaats. Alexander kwam vaak naar dit hok als hij zich eenzaam voelde. Hij had er enkele spullen verborgen die hij van vader niet meer mocht hebben: het haarlint dat moeder altijd droeg, een kleine voorraad chocoladerepen, de gezinsfoto die vader na het ongeval in de vuilnisbak gegooid had. Hij keek naar de wikkels rond de chocolade en wist meteen hoe hij zijn draak zou noemen. Hij moest er voor zorgen dat Jaques zich hier thuis zou voelen. Alexander wreef het beest over zijn snuit en zag dat die daar erg van genoot. Hij bleef tussen de twee kraaloogjes wrijven tot Jaques in slaap viel. "Alexander!" De stem van vader galmde door de fabriek. Alexander schrok maar de draak bleef rustig liggen. Hij legde Jaques voorzichtig neer, sloot de deur met een zachte klik en rende naar vader. Hij slaagde er nog net in om een paar doeken mee te grissen. "Alexander, wat is er hier gebeurd?" Vader was woedend, zijn gezicht was rood aangelopen en hij zwaaide met zijn armen. "Papa, ik heb je overal gezocht!" stamelde Alexander. "Ik ben wakker geworden van een schreeuw en toen ik bij het hok kwam, zag ik alleen maar bloed. Ik heb deze doeken gehaald om het bloed te stelpen. Is ze... dood?" Vader draaide zich om. Hij had blijkbaar de tijd nog niet genomen om te kijken of de draak nog leefde. Hij legde zijn hand op het drakenlijf. "Waar was je, papa?" Vader antwoordde niet, zuchtte alleen maar diep. "Alexander, jij ruimt die troep op. Zorg ervoor dat Paul morgen enkel nog het dier moet wegbrengen." Vader stapte het hok uit en liet Alexander achter bij het dode dier. Hij keek niet meer achterom. Alexander voelde zijn tranen opkomen en probeerde ze weg te slikken. Hij wilde niet wenen, niet nu hij Jaques had kunnen redden. Hij moest blij zijn, maar diep vanbinnen sneed de zwijgende blik van vader door zijn hart. Iedere keer als vader naar hem keek, zag Alexander de pijn in zijn ogen. Alexander wist dat hij heel erg op moeder geleek: dezelfde bruine ogen, hetzelfde sluike haar en dezelfde bleke huid. Sinds het ongeval had vader niet een keer naar hem gelachen. ... Het was de laatste reep chocolade. De voorbije weken had hij iedere dag een stuk gegeven aan Jaques. De draak groeide goed. Alexander had het beest zonder problemen in zijn hok verborgen kunnen houden. De twee voelden elkaar feilloos aan. Eén beweging, één blik was genoeg voor de draak om te weten dat hij stil moest zijn. Alexander vond het verschrikkelijk dat Jaques toch in een hok opgesloten moest blijven. Toch was hij ook opgelucht dat het dier de dagelijkse scheerbeurten voorlopig niet moest ondergaan. Zijn schubben waren al lang en hadden een prachtige dieprode kleur gekregen. Alexander had nog nooit zo'n mooie kleur gezien bij een draak. Jaques lag diep te slapen. Alexander moest zo meteen weer aan het werk maar wou zijn vriend toch nog dat laatste stuk chocolade zelf geven. Hij blies voorzichtig tussen de ogen van het beest. Jaques opende eerst het ene oog, daarna het andere. Hij snuffelde aan Alexanders hand en likte meteen het stuk chocolade op. "Gulzigaard", fluisterde Alexander. Hij grinnikte maar stopte meteen toen hij zag dat er schubben op de grond gevallen waren. Hoe kwamen die daar? Alexander aaide Jaques over zijn kop en streelde over zijn buik maar zag nergens kale plekken. De draak zuchtte verzaligd tijdens het strelen en likte intussen de schubben op. Alexander kon zijn ogen niet geloven. At het beest nu zijn eigen schubben op? Jaques smakte. Op zijn blauwe tong zaten enkele rode strepen. Nu wist Alexander helemaal niet meer waar hij het had. Wat had dit allemaal te betekenen? Had Jaques geen pijn nu de schubben losgekomen waren? Zou zijn vriend ziek zijn? Hij zou toch niet doodgaan? Toen Alexander naar het bureau van vader liep, botste hij tegen Paul op. Die werkte al sinds jaar en dag in de fabriek van vader, had zelfs nog geholpen met Alexanders grootvader. "Wie zit er achter jou aan?" Alexander moest even op adem komen, durfde Paul niet meteen aan te kijken. Paul kende niet alleen veel van draken, hij slaagde er meestal ook meteen in iemand te doorgronden. "Ik, euh...", aarzelde Alexander. "Is er iets? Je ziet zo bleek als het achterste van een draak!" lachte Paul maar aan de kleine rimpeltjes rond zijn ogen zag Alexander dat Paul zich echt wel zorgen maakte. Alexander kon zich niet meer beheersen en tranen biggelden over zijn wangen. "Heeft het iets te maken met die kleine draak van je?" Alexander was verbijsterd. Dus Paul wist er van? "Jongen toch, zoiets kan je echt niet verborgen houden hoor - zeker niet voor iemand die hier al zo lang werkt." Paul keek hem aan. "Wees gerust, ik zou het je vader nooit vertellen." "Paul, je moet meekomen. Er lagen daarjuist schubben van Jaques op de grond en hij likte ze op en..." Alexander wilde er niet langer over praten en trok Paul gewoon mee naar het kolenhok. "Weet je hoe de schubben losgekomen zijn?" Paul keek het hok rond. Alexander zag hoe hij eventjes staarde naar de familiefoto en zich toen omdraaide naar Jaques. Die was intussen niet meer wantrouwig tegenover de man die samen met Alexander het hok was binnengekomen.  "Ik weet het echt niet, Paul." Alexander was radeloos. "Jaques was aan het slapen en ik wou hem mijn laatste stuk chocolade geven en toen..." Plots herinnerde hij zich hoe hij Jaques wakker gemaakt had. Alexander blies opnieuw tussen de ogen van de draak. Kleine schubben dwarrelden naar beneden. Ook Paul blies naar Jaques en het beest kirde zacht. Meer schubben vielen op de grond. Jaques snoepte ze een voor een op. Alexander pakte een schub en stopte het in zijn mond. Het velletje bruiste op zijn tong. De zoete smaak was overweldigend. "Dit is fantastisch!" schreeuwde Paul. Alexander zag dat de oude man ook geproefd had van de velletjes. Zijn ogen glinsterden veelbetekenend. "Alexander jongen, ik denk dat jij net een geweldige ontdekking hebt gedaan..." ... Een lichte zoemtoon maakte Alexander wakker. Hij draaide zich nog één keer om, voelde de deken tegen zijn wang. Eerst afwisselend een oog open en dicht, dan alle twee. De sterren boven hem lachten hem toe. Zelfs op zondag moest er gewerkt worden. Maar hij deed het met plezier. Hij hoorde de kettingen waarmee de grote blazers vast hingen. Paul was vast al bezig om alles in gereedheid te brengen voor de eerste grote oogst. Alexander kwam van onder het bureau vandaan en liep naar de leunstoel. Hij kroop bij vader op schoot en kneep zijn neus dicht. Het gesnurk hield op en toen schoot vader wakker. "Deugniet!" Vader schudde de slaap uit zijn hoofd en gaf Alexander een knuffel. "Goeiemorgen, jongen. Goed geslapen?" Alexander knikte en sprong terug op de grond. Hij liep naar de mand bij de deur. "Jaques, opstaan!" De draak was al net zo'n slaapkop als vader. Het beest geeuwde en snuffelde aan de broekzak van Alexander naar chocolade. "Nu nog niet, vriend, er moet eerst gewerkt worden!" Met een grote bezem leidde Alexander de draken naar binnen. De dieren moesten van de weides naast de fabriek naar de grote hal gebracht worden, zodat Alexander samen met vader en Paul de lekkere drakenvelletjes kon oogsten. De draken waren nog een beetje onrustig. "Ssst, geen paniek", riep Alexander. Een voor een gingen ze in hun hok staan. Ze waren het niet meer gewoon om opgesloten te zijn en bleven nerveus. Maar toen Alexander ze een voor een een grote reep chocolade gaf, werden ze vanzelf heel rustig. Vader zette de blazers aan. De schubben dwarrelden als sneeuwvlokken naar beneden, waar Alexander en Paul ze in grote zakken opveegden. De draken genoten zichtbaar van deze nieuwe manier van oogsten en algauw stapelden de zakken zich op. "Dit wordt een goeie eerste oogst", zei vader en hij keek Alexander recht in de ogen. Voor het eerst zag Alexander vader opnieuw echt lachen. De sterretjes in zijn ogen glommen nog meer dan die onder het bureau. Ze straalden tot diep in zijn hart.

Dianora
0 0