Lezen

Zijden Draadje

Het is een vrijdag net voor valavond in oktober.Ik hang op de bank en kijk uit het raam want dat kan ik goed.Ze zeggen altijd dat je je talenten moet ontplooien.Dat lig ik uitgeplooid te doen.Ik vind dat je je bezigheden tot kunst moet verheffen, dus het is niet gewoon hangen en kijken.Flexibel als menselijke origami probeer ik de beperkte oppervlakte van de bank te benutten en dit met aandacht voor mijn ergonomisch welzijn.Bij het kijken probeer ik ook vooral te “zien”.Ik bedoel dat ik niet alleen ga registreren, maar ook ga nadenken over waar ik naar kijk. Fileuseufeere. De traag drijvende wolken en het tanende daglicht zijn weer eens een bron van mijmerij.Ik slaak bij deze gemoedelijkheid een interne “aah” en eet gezellig een knapperige appel.Zo’n Santana appel waar ik niet van ga overgeven en jeuken met m’n verrekte appelallergie.Wat een sfeervol herfsttafereel.Ik wou dat ik ook een open haard had zodat ik kon vertellen hoe het vuur knisperde.Gewoon omdat ik knisperen een tof woord vind.Terwijl ik me bezin over de eventuele aankoop en besef dat ook een goedkope kaars kan knisperen, valt me wat op. Een spin wappert voor mijn raam.Wapperen vind ik geen tof woord, dus ik ga zeker geen vlag kopen.Maar ik gebruik het toch, want zo geschiedt nu eenmaal.Het web dat het beestje heeft gemaakt, wordt geplayed door een knullig oktoberwindje en zorgt zo dat Spinnemans af en aan in mijn vizier komt.Ik ontvouw uit mijn origamische positie en sta op om hem van naderbij te bekijken.Hij hangt ondersteboven te chillen. Dat noem ik nog eens een webmaster.Deze is niet te omvangrijk.Ik denk terug aan het specimen dat laatst over de voorruit van de auto trippelde terwijl ik over de snelweg reed.Zo groot dat ie makkelijk een dodelijk verkeersongeval had kunnen veroorzaken.Hij had maar toevallig mijn been moeten bekruipen. Iets anders bekruipt me.Het macabere besef dat ik toen net zo makkelijk die spin had kunnen mollen.Hoe je gewoon een leven kan uitvagen door ervoor te kiezen.Denk maar aan elke mug en vlieg die je bewust doodde. Zo triviaal en willekeurig.Je zal verontschuldigend zeggen “ach, zo’n klein dier”.Maar een leven drukt zich niet uit in afmeting of gewicht.Het is de “one size fits all” van al wat bestaat. Is of is niet.Er zit evenveel leven in een olifant als in die vervelende fruitvlieg die op mijn Santana appel aast. Ik denk aan hoe ik ooit heel overtuigd een ander wezen zijn dood koos.Het was zomer en ik was vier ofzo.Ik speelde in het zwembadje in de tuin en een schattig lieveheersbeestje daalde neer op mijn arm.Het liet er een gelig spoor achter dat naar mijn inschatting plas of bloed moest zijn.Dat wakkerde mijn killer instinct aan en ik verdronk het arme dier.Niet eens in het zwembadje. Nee, onder een stromende kraan. Met deze godswaan indachtig kijk ik weer naar Spinnemans.Het is herfst en ik ben negenentwintig ofzo.Ik kies om hem lekker te laten leven.Wapperend op zijn zijden draadje.Het enige dat ik vanavond afmaak is mijn column.

Jasmine Tomballe
12 1

Rij Tuig

Vorige week ging ik weer eens op date met M. M.is een goedgemutste, rood gelipte blondine die het beste voorheeft met de wereld. Ultravegetarisch, open minded, luisterend oor, geduldig, kortweg ‘een lieve meid’. Zet haar echter niet op een fiets. Exit lieve M. Het fietstochtje dat we maakten naar het restaurant werd dan ook een klein slagveld. M. maakte korte metten met iedereen die haar pad kruiste. Juist. Háár pad en niet dat van een ander.   Weet je nog Mozes? En hoe die de rode zee splitste? Zo ging zij dus een drukke baan met tweerichtingsverkeer wel even regelen. Ik was de talmende Joodse achterban. M.‘zes gebaarde me over te steken en keek al die bange auto’s aan alsof ze ’t met hun leven zouden bekopen als ze zich durfden te verroeren. Zwakke weggebruiker, ammehoela.   Een beetje verder kwamen we vast te zitten achter een lijzige bakfiets. Wie niet bakfietst, heeft een godgloeiende rothekel aan die dingen. Wegens te lomp, te hippe-nieuwerwetse-ouder en vooral te traag. Ik had het nooit iemand zo demonstratief horen doen, maar M. zuchtte die bak, die fiets, die hippe moeder en haar Oililykroost gewoon even van de baan af. Wie zucht, die wint.   Bijna op onze bestemming bevond een achteloze pakjesbezorger zich op het fietspad met de rechterdeur van z’n vrachtwagen open. Dat deed de deur dicht. M. ging aan minstens 16km/u door het lint. Haar arme fietsbel, een vrolijk vrouwelijk exemplaar met kleurrijke bloempjes, werd genadeloos verkracht. RINGE- LINGE- FUCKING- LINGGGGGG ! En dan de gevleugelde woorden ; “GAST, JE DEUR!” Ook hem trakteerde ze op een legendarische death stare. Zo, weer iemand een verkeerstrauma bezorgd. Ik kon wel lachen om M’s fietsfurie en illustreerde dat met een grapje van eigen makelij ; “Hee, ik dacht dat jij een pacifietst was?!”. Dit werd gevolgd door de gebruikelijke “haha” van de tegenpartij.   Terwijl ik verder trapte, dacht ik  “Jasmine, steek ook eens de hand in eigen boezem” Dat deed ik. Maar niet letterlijk want dat fietst onhandig . Ik kwam tot introspectie. Verkeer brengt ook mij wel eens op het verkeerde pad, besefte ik. Doorgaans denk ik dat ik best een beschaafde burger ben (met burger bedoel ik lid van de bevolking, niet broodje vlees). Menslievend, voor rechtvaardigheid en gelijkheid, in touch met de natuur enzovoort. Tot ik een autosleutel vastheb. “Tsjiep tsjiep” : transformatie. In de auto voel ik me Koning van de jungle. Ik zeg bewust Koning, want ik word er nogal testosteronnig van. Bijna voel ik dan teelballen indalen. Ik ga stoer kijken, onderuit zakken in de stoel, arm nonchalant op het stuur, veel te vlot en zelfvoldaan m’n rijmoves maken en dan mensen bij hun naam noemen. Of ja meer een soort totemnaam toegekend aan hun specifiek rijgedrag. De meest voorkomende zijn Fucking Idioot, Modder Fokker, Lamme Tak en Jezus Lul. Sommigen krijgen ook nog eens de éénvingerige groet. Of hysterisch getoeter. Echt rij tuig ben ik ook. Met een ruk werd ik weer uit mijn overpeinzingen de realiteit ingeslingerd. M. en ik lagen plots beiden op de grond. Getackeld door Mevrouw Bakfiets die een kortere weg kende.    

Jasmine Tomballe
0 0

Bruxelles, ma belle

  De stad ademt een vieze stank uit. Vuilnis woekert op de trottoirs, dronkaards besproeien gebouwen met hun gal en hun verzuurde pis, auto’s toeteren de stilte weg, vreemde mannen spreken me aan telkens als ik alleen de straat op ga. Overdag zijn er zakenlui, strak in het pak, hippe wijven die in vrolijke bloemetjesjurken rondhuppelen, pendelaars in verfrommelde pakken, en hangouderen: Marokkanen in djellaba’s die thee drinken op terrassen, of die op de stadsbanken zitten.   ‘s Nachts zijn er nachtwinkels en homobars, hoeren in allerlei maten en soorten, zwervers en daklozen, gauwdieven en hangjongeren. Nu zijn het de jonge Marokkanen die de stadsbanken veroveren en er blikjes cola en Red Bull laten slingeren. Dit is Bruxelles.   Maar wij kunnen daar tegen. We zijn immers ruimdenkend. We zijn, uiteraard, multicultureel.   Wat ons betreft wonen wij in een grootstad. Wij laven ons aan het culturele aanbod: videotheken met alle mogelijke arthousefilms, alle klassiekers, alle films die ooit gemaakt zijn, mediatheken, bibliotheken, obscure cinemazalen met stoffige achterafcafé’s, de trendy pubs waar de Dansaertvlaming zich graag laat opmerken, de tweedehandsmarkten voor boeken en strips, de winkels die volgestouwd staan met LP’s, de museumwinkels. We schuimen het allemaal af.   In die stad, in die wijk, in dat appartement, hebben wij ook een keuken. In de keuken hebben we nog zestig centimeter vrij onder het werkblad.               ‘Ideaal voor een wasmachine,’ zeg ik.               ‘Een wasmachine?’ zegt David. ‘Een vaatwasser, zul je bedoelen.’               ‘Nee, een wasmachine,’ benadruk ik.               ‘We gaan toch niet alle dagen de afwas doen?’ schrikt David.               ‘We gaan toch niet elke week een hele zaterdag in het wassalon doorbrengen?’ antwoord ik.     We kopen een wasmachine. En een televisie met videorecorder. Iedereen content.

Jeanne
10 0

Potentie

Een meisje met een hoofddoek stapte op en balanceerde met haar rugzak in het gangpad. ‘Mag ik hem onder de zetels schuiven?’ vroeg ze. Ik tilde mijn voeten op, zij schoof. Toen ze ging zitten mengde haar frisse buitengeur zich met het stof uit de zetels. Ze haalde een rolletje muntjes uit haar zak en bood het mij aan, ‘Ik ben Sara.’   Stef had mij naar het busstation gebracht. Hij vroeg hij of ik echt naar dat congres moest. Ik zei van wel. ‘Ik ga je missen,’ zei hij, ‘ En van de knappe mannen op de bus afblijven.’ Als Stef op zakenreis is, slaap ik in een T-shirt dat nog ruikt naar zijn parfum. Ik vraag mij af wat hij vanavond doet. ‘Maak je geen zorgen,’ glimlachte ik, ‘het zijn gewoonlijk reptielen met een tatoeage en een moeraslucht.’   Omdat ik nooit helemaal zeker ben van mijn adem, pakte ik een muntje aan. Ik vermoed dat Sara onze vriendschap daarmee als geopend beschouwde want binnen de kortste keren wist ik dat ze net zoals ik nog geen maand geleden getrouwd was en dat ze haar man achterna reisde naar Montpellier.   Ik vertelde niet dat ik ben op weg was naar mijn achilleshiel. Sinds ons Erasmusjaar in Madrid stuurden we elkaar plagerige mailtjes. Heel af en toe lukte het om hem te bezoeken. Dan was het vuurwerk in pasteltinten. We aten aan wiebelende tafeltjes op een binnenplaast waar kleurrijke lampionnen in een plataan hingen. Instagram met een retro filter.   Ik pleit onweerstaanbare drang. Als ik bij hem ben, ben ik een andere versie van mezelf. Maar achilleshiel of niet, ik had hem niet op ons trouwfeest moeten vragen. Hij gaf ons een eikenhouten miniatuur van een eik en ging heel vroeg weg. Sindsdien was het anders. Ik wou hem zien.   Tijdens een nachtelijke stop dronken we thee en aten croissants. Wie af en toe knikt lijkt empathisch, dus ik zat het hele verhaal van Sara’s huwelijksfeest uit. Ze proefde het woord ‘echtgenoot’ en gebruikte het in elke zin, alsof ze het wilde testen. Hoewel het triest wegrestaurant was, merkten we aan de de croissants dat we vlakbij Parijs waren. In België bakken ze iets dat er nog vaag op lijkt, in Nederland is het een kwestie van volksgezondheid om op afstand te blijven. Nadat we de laatste schilfers hadden opgepikt met een vochtige wijsvinger, wachtten we op elkaar bij de stinkende toiletten.   ‘We willen binnenkort aan kindjes beginnen,' glunderde Sara terwijl ze haar handen droogde, 'Ik heb een zwangerschapstest gekocht om hem cadeau te doen.’ Ze fatsoeneerde haar lippen met een bordeaux lippenstift en haalde een flesje parfum uit haar handtas. De geur van chloor en urine waren al tastbaar in de bunker waarin de toiletten zatern, maar toen Sara haar parfum verstoof, kreeg ik het benauwd. In twee grote gulpen kwamen mijn thee en croissant er weer uit, over mijn voeten en op de vloer. ‘Shit,’ riep Sara, ‘Mijn god.’ Ik was zelf verbaasd en stapte langs de plas naar de wasbak. Sara deinsde zachtjes achteruit. Ik spoelde mijn mond, droogde hem en depte mijn schoenen zo goed mogelijk droog met papieren handdoekjes. Als een ballonnetje dat ontplofte in mijn hoofd, daagde het mij terwijl ik het zei, ‘Ik denk dat ik zwanger ben.’ ‘O,’ zei Sara, ‘Proficiat. Heb je al getest?’ Ik schudde van niet. Alsof we beste vriendinnen waren, zocht ze in haar handtas en gaf mij haar zwangerschapstest. Er zaten smalle roze en blauwe lintjes rond. Ze wees naar een hokje, ‘Hup, testen!’   Op ons trouwfeest kregen we een kleine eik uit eik. Ik vond dat triest toen. Eik kan bijna alles worden, waarom moet hij dan weer eik worden? Een klein eikje dan nog. Ik nam mijn telefoon, zocht zijn naam en schreef: ‘Kom ons halen, we zijn in Parijs.’

Tine Tytgat
0 0

Ver

Lourmarin: het bleef een lieflijk gezicht. Ik parkeerde dicht bij het kasteel en begaf mij eerst naar café Gaby. Het terras nodigde mij aanlokkelijk uit. Veel plaats was er niet meer. Het kleine dorp trok vele toeristen aan en er waren maar een beperkt aantal zitplaatsen te begeven. Ik behoorde tot de happy few en was niet van plan het eerstvolgende uur mijn zuurverdiende zitje af te staan. Het was altijd amusant het komen en gaan van de wandelaars te bekijken. Meestal was het ook grappig, zoals met die sjieke Amerikaanse dame die geen weg wist met haar dure huur-Mercedes-Benz (ik dacht aan het gelijknamige liedje van Chuck Berry). Mevrouwtje was blijkbaar gewend te parkeren zoals in haar thuishaven met zijn oversized parkings bestemd voor oversized limousines en dat lukte hier natuurlijk niet in dit piepkleine dorpje. Ik bestelde aan de garçon, die er eerder uitzag als een overjaarse gigolo, een frisse pint en une tarte aux poireau. Het heerlijk blonde gerstenat deed deugd, nadat ik de zon zolang gekoesterd had, en was op een wip opgedronken. Toen kwam het eenvoudige, maar lekkere preitaartje en dus vroeg ik ook maar een begeleidend glaasje witte wijn. Ik kreeg het terstond. Het was boordevol, zodat ik er eerst een slokje uit moest puren zonder het vast te nemen. Zonde om er maar een ietsje van te verspillen, dacht ik. Na mijn kleine lunch en een volgende blanc de blanc, strekte ik weer de benen om een bezoekje te brengen aan een mooie geschenkenwinkel. Het was nog steeds dezelfde oudere, deftige Franse dame die haar boetiek uitbaatte. Ik snuisterde wat rond, toen een grote, slanke jongedame met kort zwart haar, gekleed in een lange zwarte zomerjurk, kwam binnengestapt. De dames kenden elkaar en spraken over koetjes en kalfjes. Wel viel mij op dat de mademoiselle een opvallend, buitenlands accent had, dat ik niet direct kon thuiswijzen. Ze verdween opnieuw en een opgetutte en platinablonde Amerikaanse kwam binnen, vroeg wat uitleg omtrent een zilveren theeservies en verdween weer. Ik naderde de kassa en zei tegen de bazin dat ik hier vorig jaar nog geweest was en een fotokader had gekocht. We hadden toen nog een levendig gesprek gevoerd. “Ik dacht, toen u binnenkwam, dat ik u al eens ontmoet had,” zei ze. Ze verwees naar de vorige bezoekster: “Het krioelt hier van de Amerikanen,” merkte ze op, “en ze drijven de prijs van het onroerend goed naar onwerkelijke hoogtes.” Dat had ik inderdaad gemerkt als je in de vitrines keek van de vastgoedmakelaars. Een miljoen euro’s waren niet moeilijk kwijt te geraken. Ik nam afscheid van de vriendelijke dame en begaf mij naar de kunstgalerij die er tegenover gelegen was. Ik staarde onmiddellijk in de donkerbruine kijkers van la jeune femme en noir. Zij was het dus die de galerij uitbaatte. Twee kunstenaars stelden tentoon: een beeldhouwer en een schilder. Le sculpteur maakte enig mooie, menselijke figuren in brons. Ware het niet dat ze zeer prijzig waren, dan had ik graag zo eentje een plaatsje in mijn living willen bezorgen. Le peinteur was Daniel Brousse en zijn werken waren echte parels van de aquarelkunst. Dat heeft natuurlijk zijn prijs. De originelen waren voor mijn beurs onbetaalbaar, maar je kon er ook reproducties, met beperkte oplage, van kopen. En vermits ik nog een open plek op mijn livingmuur op te vullen had, was ik vlug bereid een relatief kleine som neer te tellen. De mooie dame pakte het ‘zicht over Lourmarin’ mooi in, en ze vroeg me waar ik vandaan kwam. “België,” antwoordde ik. “Dat was één van de mogelijkheden waar ik rekening mee hield,” lachte ze me gul toe. Er ontstond een klein brandje binnen in mezelf en ik dacht: pour un flirt avec toi, je ferais n’importe quoi, pour un flirt avec toi. Zij was, je gelooft het of niet, van Alaska. Na een vakantie in de Provence had ze besloten zich hier te vestigen en een galerie d’art te openen. Van het noordelijke Alaska (véél noordelijker kan bijna niet) naar dit zuiderse land moest toch een hele stap betekend hebben. “Maar daar heb ik totaal geen moeite mee gehad,” lachte ze breed uit.Met zo’n smile kom je natuurlijk ver. En ze kwam van ver.Ik was tijdens deze vakantie vele Amerikanen tegen gekomen. Zij was veruit de aantrekkelijkste. By far.

Marc M. Aerts
0 0

Een dag uit het bestaan van Kalypta

Vrijdag 13 juni 2014 Het hele restaurant verstijfde toen hij binnenkwam. Hij zag er dan ook angstaanjagend uit. Een gloeiend rood litteken liep van zijn haarkruin over zijn helblauwe oog tot in zijn nek, waar zijn dikke zwarte haren waren samengebonden met een felrood lint. Hij droeg een bruinleren mouwloos hemd, zodat de drakentatoeages die over zijn gebruinde biceps slingerden duidelijk opvielen. Eronder droeg hij een pikzwarte pofbroek die eindigde in zware leren laarzen. Maar dat was niet waar iedereen naar staarde. Om zijn middel spande een brede donkerbruine riem waar een verscheidenheid aan messen instak. En aan zijn linkerheup hing een lus waarin een zwaard stak dat zo breed en krom was dat het er levensgevaarlijk uitzag. De blauwe ogen van de man flitsten over alle inzittenden en toen liep hij op zijn dooie gemak naar een leeg tafeltje voor twee en plofte neer op de stoel, zijn ogen op de deur gericht. Het duurde even voor de mensen zich weer herinnerden hoe te ademen. Een ober die plots besefte dat hij dienst had, ging met knikkende knieën naar de man toe en vroeg met trillende stem: ‘Wilt… wilt u iets drinken, meneer?’ Hij kreeg een onderzoekende blik terug waar hij zich duidelijk ongemakkelijk onder voelde, want hij deinsde achteruit. ‘Bier,’ zei de man met een zware raspende stem. De ober knikte en maakte zich uit de voeten. Geen van de aanwezigen durfde te bewegen. De enkeling die het toch waagde zijn vork op te nemen omdat zijn hongerige maag en het dampende gerecht voor hem hem moed gaven, liet die kletterend weer vallen na een oplettende blik van de man. Zelfs toen hij zijn bier gekregen had, bleef hij alles en iedereen in de gaten houden. De spanning was te om snijden en even scherp als het zwaard van de man. Toen ontsnapte er een verschrikte kreet aan een vrouw die bij het raam zat. Iedereen keek naar haar, en naar een klein meisje dat met grote ogen naar de man toe schuifelde. ‘Noortje, kom terug,’ smeekte de vrouw, maar niemand durfde een vin te verroeren om het kind te onderscheppen. Ze sloop nieuwsgierig, maar behoedzaam dichterbij tot ze vlakbij de grote man stond. Ze nam hem op van kop tot teen en vroeg toen met een fijn iel stemmetje: ‘Ben jij een piraat?’ Iedereen hield zijn adem in. De man draaide langzaam zijn hoofd tot zijn felle ogen op het kind vielen en zei met barse stem: ‘Nee.’ Het meisje schrok, maar bleef toch staan. ‘Welles,’ zei ze. De man zette met een klap zijn glas op tafel. Hier en daar klonk een gesmoorde kreet of kreun. Hij bracht zijn gezicht tot vlakbij het meisje. ‘Waarom?’ vroeg hij. Ze wees met trillende vinger naar het litteken. ‘En de tekeningen.’ Ze wees naar zijn armen. ‘En je zwaard.’ De man keek het meisje lang aan, leunde toen achterover en zijn mondhoeken plooiden in een grijns. Het litteken trok scheef mee, wat zijn gezicht er niet mooier op maakte. Er klonk een algemene zucht van opluchting. ‘Geen zwaard,’ zei hij, ‘zwaarden zijn recht. Dit is een Skmitar.’ ‘Smitaar?’ ‘Skmitar.’ ‘Mag ik kijken?’ Dat was de druppel voor haar moeder, die het bestierf van de zenuwen. Ze stond bruusk recht en zei met scherpe stem: ‘Nora Verbiest, kom nu onmiddellijk hier!’ Het meisje keek verbaasd om, alsof ze uit een droom ontwaakte. ‘Niet boos zijn, mama,’ zei ze ontwapenend, ‘ik wil alleen maar die sminkar zien.’ Haar moeder wilde antwoorden, maar zweeg geschrokken toen de man zijn kromzwaard met een vlotte beweging uit de schede haalde. Hij legde het op het tafeltje en Noortje kroop op de andere stoel om beter te kunnen kijken.  Ze liet haar kleine vingers over het koele staal glijden en voelde voorzichtig aan de scherpe randen. Haar ogen glinsterden toen ze opkeek naar de man. ‘Jij bent geen piraat,’ zei ze. ‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Wat dan wel?’ ‘Wachter.’ ‘Wachter?’ Ze dacht na. ‘Op wie wacht je dan?’ De man grijnsde opnieuw, maar keek het kind toen heel oplettend aan, zijn wenkbrauwen gefronst. Hij boog naar haar toe en fluisterde in haar oor: ‘Op jou.’ Noortje schoot geschrokken recht en wat er toen gebeurde, deed menig mond openvallen van verbazing. De donkere man stond op en knielde voor het meisje dat op de stoel stond. ‘Ik ben uw dienaar,’ zei hij plechtig. ‘Mijn Skmitar en mijn leven zijn de uwe, vrouwe Kalypta.’

Lyne Uytterhoeven
38 0

Op een speciale reis

Alweer een reeks testen is aan ons voorbijgegaan. Ja hoor, we zitten er samen met jou midden in. Deze reis doe je niet alleen lieve Seppe. Samen met je mama en papa ben je op een hele lange speciale reis vertrokken. Toch eens even denken, want in die  zes jaar, hebben al heel wat speciale mensen je handje mee vast gehouden. Je twee grote zussen en je twee grote broers, ze leiden al een beetje hun eigen leven, maar ze zijn er altijd een stukje bij. Een knuffel bij je mams en paps, een pannenkoek bij bomma en bompa. Altijd is het weer een feest voor jou. En wanneer je het even veel te moeilijk vindt en de paniek slaat toe, omdat de wereld veel te groot is voor jou, dan zorgen we voor een douche van rust. Dan gaan we met heel veel liefde zorgen voor wat kalmte in dat hartje van jou. Ons leventje bestaat uit een vast routine, ja, er hangen bij ons kaartjes aan de muur. Een kaartje voor het ontbijt, een kaartje voor de badkamer, en ja hoor, daar is het kaartje voor het aankleden alweer. De dagelijkse trip, achterop mama haar fiets naar school…..elke dag dezelfde bomen, elke dag dezelfde schaatsbaan. Het hoort bij je geruststelling om je dag te starten. Want ook al ben je al een flinke jongen van zes jaar, op je eigen fiets meerijden met mama is nog geen optie. Je zijwielen eraan, dat gaat ermee door voor jou, maar twee wielen, nee, die vlieger mag nog niet mee doen. Daar zijn we dan, in je oude vertrouwde school , waar je al vierde jaar zit. Maar ook bij je vertrouwde juf, waar je al voor je tweede jaar naartoe mag. Ze is er ook elke dag om je te helpen op je speciale reis. Je mag nu nog met je vriendjes spelen, ik zie je elke dag naar ze toe lopen met je armen al wijd open. Ze horen bij jou wereldje. Al deze mensen zien jou om wie je bent, en niet alleen maar om wat je kan. Dat mag je nooit vergeten.                   Als kleine baby was je een zalig en rustig kind. Ik weet nog dat ik dikwijls in je bedje ging kijken of alles nog in orde was, want zelfs daar kon je uren rustig rond kijken en naar je vertrouwde geluiden luisteren, meer had je niet nodig. Voor alles nam je rustig de tijd, op de moment dat je kon zitten, ging er voor jou een kleine wereld open. Ik bedoel dus echt wel een hele kleine wereld, want dat bestond uit het speelgoed dat echt wel binnen je grijpbereik lag. Je had er totaal geen behoefte aan om eens verder te reiken dan je eigenlijk kon. Je was op die moment gelukkig zoals het was. We kregen in die tijd heel dikwijls te horen, als er andere mensen bij ons in de buurt waren, dat je zo een rustig geschenkje was. Eigenlijk als ik zo terug kijk, maakten we ons totaal nog geen zorgen, want zolang je op je plaats zat en je speelgoed in de buurt was…..ach ja er is toch helemaal niets aan de hand !! Ik weet nog goed, toen je 10 maanden oud was…..je papa is afgevaardigde bij de voetballende jeugd. We gingen een heel weekend met de ploeg en heel wat ouders richting Parijs voor een tornooi. Eigenlijk hielden we even ons hart vast, want een andere omgeving….toch heel wat mensen erbij, gaat het wel lukken ?? Maar door het feit dat je op dat moment zelfs nog niet de behoefte had om te kruipen, heb je gewoon van waar je op dat moment ook zat heel het weekend op jou manier genoten, en iedereen dat erbij was van jou . Ja inderdaad , zo was het , je was 10 maanden oud, maar de wereld meer en meer gaan verkennen en kruipen, het zat er niet in. Wat je wel deed, was plat op je buik gaan liggen en je trok je een beetje verder op je armen. En nog hadden we iets van, laat hem maar doen, hij gaat het gewoon overslaan. Ik ben zelf ook een kinderverzorgster en ergens was er wel iets in m’n achterhoofd dat zei , “ nee, hier is iets niet helemaal juist “. Maar je was voor de rest zo zorgeloos, misschien, was je er wel vandaag of morgen ineens mee weg.

Jessy
0 0

Vertrokken en vertrekken

Mijn auto betrad voorzichtig de kiezels van de oprijlaan, en we naderden Château La Canorgue. Ik parkeerde links onder de oude platanen en merkte op dat ik niet alleen was. Er stonden nog twee auto’s, één met Zwitserse en één met Franse nummerplaat. Ik ging de poort binnen en stond op een kleine binnenplaats. Rechts was er een deur die toegang verschafte tot la chambre de dégustation. Ik duwde het houten ding open en betrad het heiligdom. Dadelijk kwam ik oog in oog te staan met een jong Amerikaans koppel. Zij waren het met die huurauto met Frans kentekenbewijs. Het andere, wat oudere paar moest dan wel uit Zwitserland komen. Een mooie, voorname Franse dame trachtte de Amerikaanse jeugd op weg te helpen. De vrouwelijke kant van the American couple was de polyglotte, want zij deed al het vertaalwerk. Het waren hooguit mid-twintigers en ze zagen er uit als zijnde van (be-)goede huize. Hij vroeg telkens aan de kasteelvrouwe een bepaalde wijn te mogen proeven. De gastvrouw gaf tekst en uitleg in het Frans en de Amerikaanse vertaalde het voor haar boyfriend. Neen, getrouwd waren ze vast niet. Ik had de indruk dat hij het ganse wijnarsenaal wilde leegdrinken om daarna – zonder iets te kopen – goed beschonken verder te reizen met zijn vriendinnetje/tolk als chauffeur natuurlijk. Vrouwen kunnen nu eenmaal multitasken. Bij de pientere gastvrouw begon het te dagen en ze wendde zich tot mij. Ik vroeg de Viognier - mijn ontdekking van de avond ervoor - te mogen proeven. Geen probleem uiteraard. Hij was exquis. Tevens zag ik dat ze ook hun Chardonnay en hun rode wijn aanboden, dus vroeg ik ook die andere witte eens te mogen degusteren. Ook deze was voortreffelijk en had hetzelfde prijskaartje. Ik vertelde de châtelaine dat ik haar superbe wijn in een naburig hotelletje had gedronken en dit leek haar wel te bevallen. Ondertussen keek ik even rond in het wat wanordelijke maar gezellige kamertje. Ook de Zwitsers waren met hun proeverij gestart. Ze zagen er niet direct erg happy uit, maar ja die Zwitsers zijn meestal ook zo gereserveerd en ook niet echt vriendelijk te noemen. Anders was het gesteld met de Engelsman die kwam binnenwaaien. Hij hoefde helemaal niet te proeven. Hij wilde enkel zijn voorraad aanvullen. “Ik kom hier meermaals per jaar sinds ik mij hier in de buurt een mas heb gekocht. Hun wijn is uitstekend” verduidelijkte hij aan the American rookie en gaf hem een knipoogje. L’Americano bleef maar uitleg vragen en evenveel drinken. Ik wist genoeg en bestelde vier kartons Viognier. In een wip had de kasteelvrouw mijn bestelling klaar en ze deed er comme cadeau een fles Chardonnay bovenop. Een vrouw die haar wereld kent, dacht ik bij mezelf. Ik betaalde en laadde het bacchusvocht in mijn auto. De koffer, die ik vergroot had door de achterbank weg te kantelen, zat goed vol: een gedemonteerde mountainbike, een bijpassende valhelm, een voetpomp, een schilderij uit een galerie in Gordes, een pas gekochte windgong uit Maussanne, nog wat snuisterijen en dan de Viognier. De vlotte Engelsman kocht zes kartons rode wijn en weer was hij naar zijn Provençaalse woonstee vertrokken. De Zwitsers verlieten het kasteel. De man droeg een karton. Ze stapten in hun auto en vertrokken. Nog voor ik alles had ingeladen was het jonge koppeltje ook buitengekomen. “Het kost te veel om de wijn in Amerika te krijgen” zei het broekventje verontschuldigend tegen de vriendelijke kasteelvrouw. Ze trachtte geen spier te vertrekken.   Ik belandde, via een smalle zandweg, aan de achterzijde van het landgoed waar een vriendelijke man me begroette. Hij leek me wel de kasteelheer, weliswaar niet gekleed in fluweel en brokaat maar in een eenvoudige overall. Enkel op die manier kan je deze delicate wijn maken. Nog een nacht verbleef ik in deze heerlijke landstreek om dan naar huis te vertrekken.

Marc M. Aerts
0 0

Twee Amerikanen in Bonnieux

Mei 2000. Ik stuurde mijn autootje naar Bonnieux, een bergdorpje in de Provence dat geroemd wordt als één van de mooiste in Frankrijk. Het jaar voordien was het slechts een tijdelijke stopplaats geweest en nu wilde ik de kennismaking eens overdoen. Het stratenplan stond nog in mijn geheugen gegrift dus moest het de vorige keer toch indruk gemaakt hebben. Ik had nog enkele ansichtkaartjes van mijn vorig vakantieadres in een postbus te stoppen en toen ik deze had gevonden lachte een terrasje me toe. “Cela fait trois euros cinquante” zei het dienstertje tegen het Amerikaanse koppel tegenover me. De man betaalde met een briefje van twintig. “Hoeveel was het?” vroeg de vrouw aan haar echtgenoot. Hij zei niks en haalde zijn schouders op. “The waitress said it was three euros and fifty. Trois euros cinquante” vertrouwde ik, enigszins stout, de Amerikaanse toe. “Oh, thank you,” zei ze vriendelijk maar wat verbouwereerd. Ik bleef vrijpostig: ”That’s the advantage of being Belgian, we speak any language”. Ik geef toe, ik overdreef een beetje, maar ja ik was ver van thuis en niemand, buiten het Amerikaanse koppel, hoorde mij dat zeggen. “Is that so?” vroeg ze zich wel degelijk af.Ik kon er niet aan weerstaan om ééntalige Amerikanen eventjes te wijzen op onze polyglotte opvoeding in het kleine België. “Have you ever been to America?” had ze graag geweten. Ik knikte. “Wij wonen in Washington,” zei ze, “it’s a beautiful city”. Dat wilde ik graag geloven. “Nu gaan we naar Ménerbes waar deze schrijver heeft gewoond” en ze wees naar het boek op tafel ‘A year in Provence’. “Is Peter Mayle dan verhuisd?” vroeg ik. “Jaja,” zei ze.“Waarschijnlijk kreeg hij teveel bezoek van uw landgenoten” repliceerde ik op een alweer stoute manier. Maar mijn boude uitspraak viel in goede aarde en het koppel kon erom lachen alhoewel ik ze ervan verdacht mij in hun hoofd als brutale vlegel te verwensen. Wijselijk verborg ik mijn verlegenheid dat ook ik, zoals zovele Amerikanen, Engelsen, Hollanders en ga zo maar door, deze streek pas echt had leren kennen door de boeken van deze gewezen Engelse reclameman. Maand na maand beschreef hij in zijn befaamde roman de lotgevallen van hem en zijn vrouw tijdens de eeuwigdurende opknapbeurt van hun lieflijke Provençaalse woonstee. Tijdens het lezen van het boek kreeg je algauw zin om je wagen, de trein of een vliegtuig te nemen hier naartoe. Ik toch. “Enjoy your stay here,” zei haar echtgenoot en rechtte zijn rug. De dame uit Washington stond ook op en knikte instemmend. Ik bedankte ze en wenste hen hetzelfde toe. Ze begonnen aan hun volgende kleine trip. Dat hadden ze dan van de Europeanen geleerd. Zij maakten niet dezelfde fout als de meeste van hun landgenoten met hun: ‘if it’s Tuesday, this must be Belgium; if it’s Thursday this must be Rome …’

Marc M. Aerts
0 0

Hout

Ik zie jouw ogen In het glanzend donkere hout Van deze aftandse togen De vloer is vuil Rumoer Kabaal De troost van dit glas is schraal Mijn glas Zopas was het nog vol Als ik me goed kan herinneren. Ik kan goed herinneren Ik kan tamelijk goed herinneren Ik kan me namelijk nog goed herinneren Dat wij hier samen lachten Om woorden die we zelf bedachten Hoe we al die nachten De wereld hebben heruitgevonden Hoe we dachten dat we dat Konden tekenen op een biervilt Hoe we ongewild toch telkens weer Belandden bij de ultieme relativiteit Van de dingen en Hoe we gingen proberen Om dat voor altijd te negeren En in de plaats Onzin cultiveren Want onzin was ons wapen Tegen opstaanwerkenslapen Tegen apen apen apen na. En inderdaad, we overstegen de middelmaat We bevonden we ons op een eenzame hoogte Alleen voor het hoogst nodige Kwamen we naar beneden Voor de rest deden we eigenlijk Gewoon ons goesting Godganse dagen elkaar beminnen Eigenlijk konden we niks verzinnen Dat belangrijker was dan dat. Ik tuur door het raam Schaam mij voor het feit Dat er onverschilligheid In mijn lijf is gekropen Dat ik een bezopen wijf ben geworden Die te lang blijft plakken aan deze kruk Die het geen fuck meer kan schelen Dat ze iedereen zit te vervelen Met haar geklaag Dat ze haar gezaag Aan de straatstenen niet kwijtgeraakt Ik kijk naar die straatstenen Die natte straatstenen Met de geur van zomerse regen En ik weet weer hoe het zat Het licht in deze stad Zal toch nooit ophouden met schijnen Dus verdwijnen is hier even mogelijk als Willen proberen alle problemen In de wereld op te lossen. Oplossen, dat lijkt me nog wel wat. Oplossen in de regen Tegen de ruiten omlaag rollen Als een uitgerekte druppel Oplossen op de bodem van dit glas Oplossen in het zwart van deze nacht Toekijken hoe problemen in de wereld Zich toch altijd zullen blijven manifesteren De moed mankeren om ze op te lossen Dan maar wachten op verlossing Die het tij doet keren Omkeren, weg van hier Weg van dit bier Weg van deze bacchanalen Andermaal verdwalen in de verlaten straten. Dit is praat voor de vaak Hoe vaak heb ik mezelf al kordaat Tot de orde geroepen Zonder resultaat. Zelden voeg ik de daad bij het woord Zoals altijd ga ik ongestoord voort Met het verschijten van mijn tijd Aan deze aftandse togen En zie ik jouw ogen In dit glanzend donkere hout.  

Margot
0 4
Tip

Het raadsel

In de verte klinkt een sirene. Brandweer, of politie, of een ambulance. Hij weet dat je ze kunt onderscheiden – twee- of drietonige hoorn, zoiets was het – maar hem lukt het nooit. Hij weet zoveel niet. Meer niet dan wel. Ja, onbenullige zaken, die onthoudt hij. Dingen waar je niks aan hebt. Dat een gemiddeld struisvogelei anderhalve kilogram weegt. En de hoofdstad van Burundi is Bujumbura. Maar waar Burundi ligt, dat weet hij dan weer niet. Gelukkig denkt hij daar nu niet aan, anders moest hij dat eerst opzoeken voor hij ook maar iets anders zou kunnen ondernemen. Soms zit hij uren achter zijn computer, op zoek naar wetenswaardigheden. Dat is heel vermoeiend, maar alleen zijn eetlust kan hem dwingen om te stoppen: de honger naar voedsel is sterker dan die naar kennis. Achter zijn computer eet hij niet, vanwege de kruimels in het toetsenbord. Daarna doet hij zijn jas aan, voor een lange wandeling. Die eindigt steevast in een onooglijk café, met sanseveria’s op de vensterbanken. Het is een café voor oude mensen. De gemiddelde leeftijd van de drie overige vaste klanten schat hij op vijfenzeventig jaar. Hij heeft daar als twintigjarige niets te zoeken, maar iedereen is aan hem gewend geraakt en ze hebben ook wel gezien dat hij geen normale jongere is. Een jongen van twintig die urenlang achter de vrouwentongen gaat zitten, een vergeeld kladblok op het Perzisch kleedje voor zich. Een jongen die zich inbeeldt dat hij schrijver is, maar nog geen letter heeft geschreven. En dat waarschijnlijk nooit zal doen. De barjuffrouw brengt hem ongevraagd elk half uur een kop slappe koffie. Die drinkt hij in gedachten verzonken, zonder melk en suiker, maar hij roert er wel altijd in, soms wel vijf minuten lang. Het lepeltje klingelt vrolijk tegen het hotelporselein. Het komt voor dat hij pas stopt met roeren als één van de klanten heeft gevraagd of de bodem er soms uit moet. Volgens de barjuffrouw is er weer ergens fik. Ze beweegt zich met een hollende tred naar het raam, tilt de geplooide vitrage wat omhoog – meer uit gewoonte dan uit noodzaak, want met haar één meter vijftig kijkt ze er zo onderdoor – en poetst met haar wijsvinger twee kijkgaatjes in de beslagen ruit. Ja, er is ergens fik. Ze zag de rode brandweerauto nog net de brug over razen. De oude mannen interesseert het niks. Zolang het café niet in lichterlaaie staat is er niets aan de hand. De jongen kijkt wel met haar mee, maar zijn ogen staan zo apathisch dat ze ook van hem geen bijval kan verwachten. Ze blijft nog even staan kijken, naar de grauwe straat, de grijze lucht en holt dan in slow motion terug naar de toog. Na vier koppen koffie houdt hij het voor gezien. Hij schuift het kladblok in de binnenzak van zijn jas, betaalt gepast en vertrekt. ’s Avonds kijkt hij naar quizzen op de televisie. Meestal kan hij vrijwel alle vragen beantwoorden, soms is hij zelfs beter dan de superspecialisten die alles weten van Marilyn Monroe, de architecten van de Amsterdamse school, de bisamrat, of de Vlaamse primitieven. Daarna volgt hij de actualiteitenrubrieken en de praatprogramma’s waarin politici, bekende Nederlanders en deskundigen discussiëren met verveeld kijkende presentatoren. Boeken leest hij niet. Dat kost te veel tijd en het ontmoedigt. Na het late journaal gaat hij naar bed, het kladblok paraat op zijn nachtkastje. De volgende dag zit hij weer bij het raam, op zijn vaste plek. De barjuffrouw vindt hem veel te jong voor een vaste plek. Ze moet er niet aan denken dat hij daar de komende vijftig jaar nog zit. Niet dat ze van plan is om zelf nog zolang te werken, maar het gaat om het principe. Voor het eerst spreekt ze hem aan. Ze vraagt hem of hij ooit wel eens iets opschrijft, in dat kladblok van hem, of hij soms schrijver is. De jongen legt zijn smalle hand op het vergeelde papier, alsof hij een obscene tekening probeert te verbergen. Hij heeft het kladblok zomaar bij zich, voor het geval hem iets te binnenschiet. De barjuffrouw heeft iets venijnigs in haar mond klaarliggen, maar ze bedenkt zich en perst haar violette lippen op elkaar. Als alternatief grijpt ze de balpen van het persje en maakt razendsnel een krabbel op het inferieure papier. De jongen moet raden wat het is. Bijna geschokt staart hij naar twee concentrische cirkels in het midden van een rechte streep. Het lijkt of hij gaat huilen. De barjuffrouw tilt onverschillig de vitrage omhoog, vraagt of hij al een idee heeft. ‘Het is een Mexicaan in een kano, van bovenaf gezien,’ zegt hij. ‘Een Mexicaan met een sombrero.’ ‘Gefeliciteerd,’ zegt ze tegen de beslagen ruit en tegen de mannen bij het biljart: ‘En Pierre, wat heeft hij gewonnen?’ ‘Een geheel verzorgde voetreis naar Rome op eigen kosten,’ zegt een man met blauwe vingers. Pomerans, denkt de jongen, het topje van een keu heet pomerans. Iedereen lacht schor. De barjuffrouw grinnikt een triest geluid en laat hem alleen bij het raam. Een dag later komt hij niet langs en de week erna ook niet. De barjuffrouw kan er niet echt mee zitten. Hij was niet bepaald een big spender en echt gezellig kon je hem ook niet noemen. Wat haar wel een beetje dwarszit, is dat zijn wegblijven waarschijnlijk het direct gevolg is van haar gekras in zijn smetteloze kladblok. Het voelt alsof ze hem heeft weggejaagd. Ook één van de oude mannen is het opgevallen dat de jongen er niet meer is, maar het blijft bij een gemompelde constatering van de lege stoel bij het raam. De jongen maakt nog steeds lange wandelingen, maar hij vermijdt het café. In plaats daarvan pauzeert hij op een bank in het park. Als het regent of het te koud is, loopt hij zonder te rusten direct naar huis. Het kladblok heeft hij weggegooid. Hij heeft geen nieuwe gekocht, want dat heeft geen zin. Alles is toch al geschreven.

Grand Foulard
78 0

Nagellak

Ze verschiet.  De tv aan, betrapt.  Tv uit. Sigarettenpeuk weg, geurkaarsen voorzichtig aan. Kauwgum? Op. Ze stak de bijna uitgekauwde kauwgum die bij het thuiskomen op haar onderleggertje van haar glas terechtgekomen was, terug in haar mond. Zat toch nog wat smaak in. Ze ambieert ambitie, want ambitie hoort, toch als ze wil beantwoorden aan het profiel dat ze voor zichzelf vooropgesteld heeft.  Als ze wil dat anderen haar zo zien, dat anderen haar graag zien.   //   "Ja nee, kom maar binnen,... Wacht ik doe open."   Ze liep met halfgelakte nagels verward de trappen af, maar zorgde ervoor dat hij in niets zou merken dat ze niet volledig de vrouw was die hij tot nu toe dacht dat ze was.  "Ik heb nog eens nagedacht over wat ge vorige week poneerde op café, ik geloof dat ik toch die man kan zijn." Zei hij zonder op te merken wat er nu in haar moest omgaan.   "Vanwaar die ommekeer?" Probeerde ze dapper "Gij gaat nooit worden wie ge zoudt moeten geworden zijn. Gij gaat nooit leven naar uwe blauwdruk, naar wat eruit komt als ge zat zijt..."   Ze voelde dat haar woorden niet de woorden waren die ervoor zouden zorgen dat ze zou bekomen wat ze wilde, maar de omkadering om wel die woorden te vinden was ver zoek...   Haar nagels waren nog steeds niet helemaal droog, ze moest oppassen dat haar nieuwe jeans, de muur, of de voordeur zodadelijk niet volhingen. Haar frigo zat vol zaken die ze zogezegd nooit zou kopen, bio was afwezig, hoe lang geleden was ze nog bij die boer geweest voor seizoensgroenten en de bakskes noedels stonden nog op het salontafeltje. Toch hadden haar woorden een ander effect dan datgene wat ze had gehoopt -zachte zinderende seks afgewisseld met filosofische gesprekken eindigend in een evenwichtige relatie volgens haar normen- of verwacht -hij die zwijgend zou vertrekken, voorgoed.   "Komaan, ik ben niet helemaal tot hier gekomen om zonder meer te horen dat ik nooit zal worden wat eruit komt als ik zat ben?" Hij zag er opeens zo echt uit, zijn ogen waren gefocust, hij kwam met een doel.  "Ok, misschien kan ik niet mee in uw nieuwe manier van leven, misschien moet ik het materialisme laten varen, maar daarom heb ik u toch net nodig. Zie het als een kans om iemand te bekeren."  Zijn lip krulde, hij zou nu overgaan naar de lossere babbel. "Wij hebben elkaar toch nodig?"   Zij wilde meer, iemand om naar op te kijken, iemand die haar zou inspireren, een goeroe -maar dan onzweverig en knap- een man die zonder meer weet waarom hij hier is; om de wereld samen met haar te verbeteren. Maar elke keer trapte ze weer in de val, bij hem, bij anderen, bij zichzelf.  Zij was op dit moment diegene die zij hem verweet te zijn... God weet hoe ze haar eigen blauwdruk ooit nog terug zou vinden.   "Wij hebben elkaar nu misschien nodig, maar moeten wij elkaar nodig hebben?  Geen deftige reden om er samen voor te gaan lijkt mij". Klote, een veeg nagellak kwam tegen haar jeans. "Is nodig hebben dan niet genoeg?" "meent ge die vraag?" "ik heb uw nodig of nood aan u, beter zo?" "nood aan mij?" "Moeten we weer die toer op, laat het los Isolde" "U loslaten zult ge bedoelen.   // Plots zaten zijn handen in haar haar.  Dit was eigenlijk onverwacht interessant, omdat hij meestal zonder meer een volger was. "Uw handen zitten in mijn haar" benoemde ze snel, omdat benoemen het enige was wat haar nu nog even de houvast gaf die ze nodig had.   //   Haar haren tussen de noedels, zijn lijf zalig warm.  Eindelijk binnenin.

M A R T H E
0 0

eLise wAndelt ’s nAchts

De naden van de katoenen stof schuren tegen haar hals en in haar oksels. Hardop verwenst Elise de verpleegster die de lange mouwen veel te strak heeft aangetrokken. ‘En mijn hoofdkussen heeft ze niet opgeschud en het ligt teveel naar rechts!’ Haar zinloze gekrijs slaat te pletter tegen de kamerdeur. Enkel het Christusbeeld boven de wastafel kan haar verwensingen horen. Elise maakt een dikke vlok speeksel aan en slikt die door, maar de kleffe smaak van de avondeten, wortelpuree met worst, krijgt ze maar niet weg. Onvoorstelbaar hoe de kok er hier in slaagt om frisse groenten om tot toveren tot een dergelijke brij. Elise probeert zich te beheersen, probeert na te denken. Ze kijkt rond. Alles in deze kamer is wit, kaal, inspiratieloos. Haar ademhaling wordt regelmatiger, rustiger. Ze glundert als ze terugdenkt aan de stagiaire die ze de vorige keer geniaal om de tuin heeft geleid. Elise bleef ontkennen dat zij Elise was en hield vol dat de dwangbuis niet voor haar was, maar voor de vrouw in de volgende kamer. Wie was er overigens het langst in deze instelling, zij of de stagiaire? Dus wie kon het best weten? Het onnozele wicht geloofde haar. Voordat de misleiding aan het licht kwam zat Elise al in de bus, huiswaarts. Vandaag rest haar niet veel tijd. Straks zal ze de twaalf kille voetstappen op het naadloze vinyl tellen, vanaf de lift met het cijferslot tot aan haar kamer. Haar dagelijkse dosis pillen zal ze onder toezicht moeten doorslikken, drie gele, een grote witte en twee kleine paarse. Die laatste hebben een brakke smaak en zorgen er voor dat haar oogleden ongewenst maar zeker zullen dichtvallen. Met een druk op de lichtschakelaar zal de nachtverpleegster Elises dag beëindigen, de deur op slot draaien en verder stappen naar de volgende kamer, zoals elke dag. Haar gedachten dwalen af, ze denkt aan Miel. ‘Zonder mij en mijn acteertalenten had Miel het nooit zo ver gebracht. Gelukkig voor hem.’ Elise en Miel, hun gezamenlijke passie had hen samengebracht. Negenenveertig jaar waren zij ongehuwd maar ook onafscheidelijk geweest. Zag je Miel, dan zag je Elise. Tot Elises ergernis had Miel zich de laatste vijf jaar dagelijks urenlang afgezonderd in de kleine achterkamer die ze voor hem hadden heringericht. Tussen zijn stapels notities, boeken, tijdschriften en videobanden kwam de theatervoorstelling tot stand die hij al jarenlang voor ogen had. Het zou een meesterwerk worden, zijn Magnus Opus. Emile-Hubert Delachapelle, Miel, was er van overtuigd dat hij zijn carrière als regisseur hiermee glansrijk zou kunnen afsluiten. Onder de allerbesten  zou hij zijn acteurs en musici streng selecteren. Ook Elise ging ervan uit dat zij van Miel een belangrijke rol zou krijgen, de hoofdrol zou haar zelfs niet verbazen. Ondertussen liet Miel ogenschijnlijk niemand toe in zijn wereld. In tegenstelling tot eerdere producties praatte hij deze keer zelden met Elise over zijn vorderingen of twijfels. De laatste maanden ging Miel alsmaar meer alleen het huis uit en sloot terwijl de deur van het achterkamertje. Na zijn afwezigheid kwam vaak hij pas diep in de nacht thuis. ‘Ik heb repetities en vergaderingen met de belangrijkste acteurs, je begrijpt dit niet meer.’ antwoordde Miel toen Elise daar terloops een opmerking over maakte. Toen ze een kans zag, glipte ze ongemerkt zijn heiligdom binnen. De angst door Miel betrapt te worden schreeuwde het uit in haar hoofd terwijl ze op zoek ging naar zijn lijst van geselecteerde acteurs. Haar desillusie was groot. De dag nadien keek Miel haar indringender en zwijgzamer aan dan voorheen, of beeldde ze zich dat enkel in? Het achterkamertje heeft ze nooit meer willen betreden. Elise keek daarom vol verwachtingen uit naar de dag van de première. Het zou voor haar een opluchting zijn als het doek zou vallen, dan zou ze Miel eindelijk weer voor haar alleen hebben. Volgens Miel had Elena de hoofdrol schitterend neergezet, maar haar zenuwen hadden haar tijdens de première parten gespeeld. Miel wou absoluut nog even napraten met Elena, terwijl Elise en de overige achtenveertig leden van het gezelschap vertrokken naar het feest. Dat feestje mocht er nu wel zijn; na de première was de staande ovatie van alle driehonderdtweeënvijftig toeschouwers overdonderend geweest. De critici waren uitzonderlijk lovend geweest, de collega’s verbluft. Het feest was op volle gang en Elise werd door iedereen aangesproken, want ook zij had geschitterd. Uiteindelijk had Miel voor haar alsnog een kleine bijrol voorzien. Hij had er tijdens de repetities bij Elise meermaals op aangedrongen om iets minder provocerend uit de hoek te komen, maar Elise vertikte het en gaf haar eigen interpretatie aan haar rol, met succes. Haar bescheiden optreden was dankzij haar talent niet onopgemerkt gebleven. Miel had er zich uiteindelijk bij neergelegd en maakte er geen punt meer van, zolang Elena maar deed wat hij verlangde. Van zijn langdurige afwezigheid op de receptie was Elise zich niet bewust geweest, tot iemand haar kwam vertellen dat ze hem hadden gevonden. Meer dan drie uur had hij daar gelegen, tussen de coulissen, ontkleed en dood. Ze geloofde het niet, keek rond in de zaal en zag Miel nergens tussen de feestvierders. Toen liet ze haar kristallen champagnecoupe uiteenspatten op de grond. Het licht in haar kamer gaat uit, Elise schrikt op. ‘En nu hebben ze me naar hier ontvoerd, net toen ik eindelijk kon bewijzen dat ik gelijk heb.’ schreeuwt ze. De avond voor haar zoveelste opname had ze de antieke keukentafel driemaal afgeveegd. Ze begon altijd aan de kant van deur - daar zat vroeger Miel altijd - en draaide met de klok mee. De zes donkereiken keukenstoelen, drie aan elke zijde van de tafel, had ze met de achterste poten op één lijn geplaatst met de voegen van de koningsblauwe tegelvloer. De vaas met de takken gele brem had ze tot aan de rand met water gevuld en precies in het midden van de tafel geplaatst.  Ze had de kokos deurmat uitgeklopt en net niet tegen de rand van de drempel aangelegd. Na het sluiten van de deur had ze de sleutel in de rechterzak van haar lichtgele kamerjas laten glijden. Gerustgesteld had ze nog eens rondgekeken. Twijfel was niet meer mogelijk.   ’s Morgens had ze opnieuw broodkruimels gevonden op de keukentafel. De vaas met de gele brem was omgestoten en één van de stoelen stond niet meer in het gelid. De keukendeur was ontgrendeld, er lag zand op de deurmat. Nu was ze er zeker van, ze duwde de deur verder open en keek de tuin in. De zon had moeite om de mist te overwinnen en die kilte overviel Elise. Ze stapte blootsvoets het grijze tegelpad af, tot helemaal achterin de tuin. Dit stuk van de tuin was haar onbekend. Het onkruid tussen de tegels was uitgebloeid; tuinonderhoud was een taak van Miel geweest. Ze kwam terecht tussen de vaalgroene sparren achter het vervallen tuinhuis. Modder en mos baanden zich een weg tussen haar tenen. Met een broodkorst in zijn bek fladderde een mussenjong geschrokken op van tussen de klimop. Ze loerde naar een lage afsluiting. Die was stuk, iemand is haar voor geweest, ze kon er gemakkelijk overstappen. Even verder lag haar lichtgele kamerjas. ‘Hier, hier,’ schaterde ze luidkeels, ‘Heel zeker hier.’ Huppelend te midden van de rottende bladeren danste ze rond de holle boomstronk. Haar vuisten kneep ze dicht. Eindelijk had ze ontdekt waar Miel zich verstopte.   Anthony Meersman, dokter in de anesthesie, zag vanuit de keuken de naakte buurvrouw in zijn achtertuin ronddansen. Hij zette zijn vers kopje espresso op het aanrecht, kuchte, schoof de knoop van zijn das wat strakker en draaide zich om. ‘Schat,’ zuchtte hij, ‘bel jij straks de dienst internering nog eens ? Het is weer zover.’

cAviar oN pAper
0 0
Tip

Binnengluren

‘Wil je even kijken?’   Hij kijkt me aan met grote vragende ogen, glimmend van trots. Onbevangenheid, dat is misschien nog wat ik het meeste mis. Blij zijn om het hier en nu, zonder zorgen om de toekomst of bitterheid door het verleden. Hij kan het nog, ik zie het aan zijn open lach. Maar vast niet lang meer, want het valt me op hoe groot hij wordt. En hoezeer hij op mij lijkt. Ze zeggen dat al lang, mijn moeder, mijn tantes. Ik vond het altijd onzin, maar nu zie ik dat ze gelijk hebben: hij lijkt op mij, heel erg zelfs. Ik lach en buig me naar hem toe, natuurlijk wil ik kijken. Hij geeft me de schoendoos en wijst me de uitsnijding aan, in het midden bovenaan: ‘Hier moet je door kijken.’    Ik verwacht me aan dino’s, of ridders, een maanlandschap vol kraters en buitenaardse wezens. Maar ik schrik wanneer ik in de kijkdoos gluur. Ik herken mijn eigen woonkamer, nagebouwd tot in het kleinste detail. Alles staat er zoals het er al jaren staat: de tafel in het midden met de zes stoelen, de televisie, de sofa, de kamerplant in de hoek, het dressoir compleet met de twee Ming vazen, het aquarium met de guppy’s en de zebravisjes. Op de sofa zitten een man en een vrouw, zijn hand op haar dij. De vrouw herken ik, wie de man is weet ik niet. Ik weet alleen dat ik het niet ben. Aan het deksel van de schoendoos heeft hij een jongen geplakt, hoofd naar beneden. Een zweem van surrealisme in de anders zo perfecte kopie.   ‘Het is prachtig, ik herken het helemaal. Je hebt er vast lang aan gewerkt?’ Hij knikt. ‘Heb je mij gezien?’ ‘De jongen aan het plafond? Waarom heb je jezelf zo erin geplakt?’ ‘Omdat ik altijd gek doe, toch? Gek doen is grappig.’ Ik glimlach. ‘Dat is het zeker, er wordt te weinig gelachen in het leven.’ Ik aarzel even maar zeg het dan toch: ‘Het is een mooi tafereel. Mama ziet er ook gelukkig uit.’ Zijn gezicht betrekt, zijn ogen kijken langs me heen. ‘Ze huilt ook vaak. Niet alles is wat het lijkt, papa.’ Ik schrik, van wat hij zegt maar nog meer van hoe hij het zegt. Tot zover de onbevangenheid. Negen is hij, en toch voel ik me plots het kind.   De hele tijd heb ik hun ogen door het glas op mijn rug voelen prikken. Nu gaat de deur open. ‘Het bezoekuur zit er op, meneer Leo. Neemt u afscheid van uw zoon?’

Lennaert Leo
13 1

fragment uit reisverhaal

Na het ontbijt vervoeg ik de rij voor de bestelwagen van de bakker. Telkens iemand zijn of haar bestelling opgeeft, schuifelt iedereen vijf passen voorwaarts. Er wordt niet gesproken of gelachen in de rij. Pas wanneer je aan de beurt bent mag het. Dan plooit het gezicht open en wordt een pen de sjokolat gevraagd. Sjilvoeplait. Langs een mooi fietspad naar Than, waar we proviand inslaan. De eigenaar van de delicatessenzaak is behalve joviaal ook erg commercieel. Als hij hoort dat we aan het fietsen zijn, zet hij een mand met worst op de toonbank. Ideaal voor de picknick. En als we wat later de route met hem bespreken en opmerken dat het warm wordt, blijkt hij ook gekoeld bier te verkopen. Na Than wordt het landschap stilaan Zwitsers. Vakwerkhuizen in pastelkleuren (geel, blauw, roze). Blauwe bergen op de achtergrond. Ooievaars in de weiden, cirkelend op de thermiek en een keer op een nest op de schoorsteen van de kerk. In Traubach-le-Haut eten we in Café de la Poste. Bar-tabac-boulangerie-restaurant, alles ineen. Het brood en de koeken ligt gewoon op een van de tafels in de eetzaal. Twee vrouwen lopen in de zaal rond, de kokkin staat in de keuken met een vuil schort om. Een plek naar mijn hart. Na de salade komt er varkensvlees op het bord, gebakken kool en spek en een soort deegbolletjes. S. kent ze, die bolletjes, je maakt ze door het deeg op een bakplaat te laten druppelen. Erg ambachtelijk. Ik vraag aan de kokkin hoe de dingen heten, waarop ze een kartonnen doos neemt en de naam van het etiket spelt. Knepple. Hoe? Knepple – ze schrijft het in mijn schrift. Terwijl ze een stukje meeleest, leunt ze met haar rechterborst op mijn schouder. De temperatuur varieert volgens verschillende thermometers op straat tussen de 32 en de 35 graden. Het is in elk geval warm. Laatste tussenhalte voor vandaag, een warenhuis waar we behalve fruit en groenten ook wijn kopen. Achteraan in elke fietstas één fles – alles voor het evenwicht. We rijden Zwitserland binnen. Intussen betrekt de lucht. In de verte rommelt het. Schuine strepen aan de horizon betekent regen. Aan een man in zijn tuin vraag ik of het onweer onze richting uitgaat. Hij weet het niet. Hij is Italiaan zegt hij en roept ‘Nibali’! Dan neemt hij me mee naar de lokale dorpsgek die in mijn gezicht spat, maar in essentie hetzelfde als de Italiaan zegt: je weet het niet. Het regent hier en een kwartier later schijnt de zon, je gaat in T-shirt en teenslippers het huis uit en krijgt een onweer op je dak. Hij haalt de schouders op. De Italiaan lacht mijn bezorgdheid weg, maar op een goedmoedige manier. Hij haalt een Italiaans spreekwoord boven. Iets met de wind en mee laveren met de wind. Een sympathiek man. Col de Rangiers. Bruin water naast de weg. Ook in de bandensporen op het asfalt water dat naar beneden stroomt. Halverwege de col begint het te gieten. We stoppen om regenjas en overschoenen aan te trekken. Links en rechts is het nu aan het bliksemen, maar het onweer beangstigt me niet. Misschien omdat het bijdraagt tot de heroïek van de beklimming? Als je in je hoofd dan toch een film draait van wat je aan het doen bent, waarom jezelf dan niet meteen de hoofdrol geven? Uit de vallei stijgt nevel op. Bijna boven vragen we raad aan twee mannen die een drankstalletje uitbaten. Ze verwijzen ons na telefonisch overleg naar een hotel wat verderop. Bij het afscheid gooit een van hen de armen in de lucht en roept: Jacques Brel – Stromae! Eden Hazard, vult de andere aan. Monsieur Yves Petignat laat ons de fietsen in een soort schuur annex feesttent zetten. Hij is de vierde generatie Petignat die sinds 1906 hotel La Caquerelle uitbaat. Het hotel ligt op de top van de col de Rangiers, op 834 meter om precies te zijn. Een jongen brengt ongevraagd mijn fietstassen naar onze kamer op de derde verdieping. ‘Service’, zegt hij als ik hem daarvoor bedank. Ook in het restaurant zeggen hij en de eigenares bij het minste – het brengen van de menukaart, het wegnemen van onze borden – ‘service’. Nadat hij ons de menu du jour heeft uitgelegd – binnensmonds, maar hoe kan zij dat weten - komt de vrouw dat herhalen. Terwijl hij erbij staat. ‘Ja,’ zeg ik, ‘monsieur nous a déjà raconté.’ In het restaurant zit een man in een sportbroek. Hij kijkt angstvallig naar ons op - of we wel goeiedag knikken? Dat doen we. Tegenover hem een koppel waarbij de gastvrouw tussen twee services door aanschuift. Het eten is ontgoochelend. Na de salade een blanquette met pâtes. Volgens S. is het vlees ontdooid. Voor het hotel vliegen huiszwaluwen af en aan. Op de letter “e” van hotel zit een kwikstaart. Op de kamer kijkt S. tv. Ik schrijf. Een avondsigaret achter het hotel, op een pad dat de vallei inloopt. Gekras van raven in de bomen. Met tientallen tegelijk vliegen ze op. Als ze overvliegen hoor ik hun vleugels in de wind. Aan de rand van de vallei is het doodstil. Uit de vallei stijgt een witte nevel op, zo dik dat de dorpen beneden in brand lijken te staan. De ondergaande zon. Onzichtbaar van waar ik sta, koeien of schapen met een bel rond hun nek. Zwitserland zoals je het je voorstelt. Ik loop terug. Achter de schuur ligt een cabine van een skilift. Intersport staat erop. In een kapel naast het hotel schilderijen in het donker, als in een museum dat nooit iemand bezoekt.  

detroostvancontouren
14 0

Aangevuurd

De avondklok luidde en weergalmde door het ventilatiesysteem zodat het zich verspreidde door alle kamers. Het einde van de dag voor de meeste onder ons. Ik hoorde vanuit de meisjeskamer de grote metalen achterdeuren openen. De jongens die al een week bezig waren met een gat voor een tweede zwembad te graven kwamen binnen en begaven zich naar onze slaapzaal. Alle Doorzichtigen hadden een dun matje gekregen, een van de enige dingen die we mochten bezitten. Op mijn eerste avond toen ik de slaapzaal binnen kwam zag ik dat helemaal achterin de zaal de matjes lagen. Telkens een paar matjes op elkaar. De jongens en de meisjes, zonder speciale bevoegdheden kwamen die avond als eerste de zaal binnen. Het zweet droop van de jongens hun gezicht terwijl het ijskoud was in de sobere, bakstenen zaal. Het enige beetje blauwachtig licht kwam uit een raam waardoor de maan scheen. De jongens ploften neer op de matjes en namen allen een meisje onder de arm die zich dicht tegen hun lichamen drukten. Pas na een tijdje begreep ik dat we de matjes aan de jongens gaven omdat zij het het hardst te verduren kregen en dat het tijdens de winter te koud was om alleen te slapen. Alle Doorzichtigen die mochten gaan slapen waren de gangen uit en Kia die uit haar bed was gekropen vroeg me voor de duizendste keer om te vertellen waar ze naartoe gingen nadat we voor hun hadden gewerkt. Haar bruine ogen glansden van nieuwsgierigheid, maar haar broer had mij verboden iets over de maatschappij in de villa’s te vertellen. Ze wist dat zij boven alle slaven stond en dat we daarom Doorzichtigen werden genoemd. Omdat we niet als mens beschouwd werden, gewoon gebruikt om hun klusjes op te knappen. “Hup, terug in je bed”, gebood ik haar. Ze trok een pruillip maar draaide zich toch om. Ze legde zich op haar bed en wachtte tot ik de deken over haar zou trekken. Ze was een lief meisje met geen slechte bedoelingen ook al kon ze zo genieten van de aandacht die ik haar moest geven. Ik probeerde de roze deken zo goed mogelijk over haar heen te krijgen. Dit ging veel gemakkelijker toen ik mijn linkeronderarm nog had. “Slaapt Audrey al?” fluisterde ze. Ik liep naar de andere kant van de kamer waar het hemelbed van haar jongere zusje stond. Het bruine krullende haar van haar zusje was het enige dat nog boven haar deken stak. Ik knikte naar Kia. “Ga maar gauw slapen”, zei ik. Terwijl zij indommelde, keek ik door het raam naar de volle maan die licht wierp over de bossen naast de tuin. De maan trok mijn bloed aan en fluisterde me in dat ik naar buiten moest gaan. Ik schoof het gordijn voor het raam, en moest meteen toegeven aan de drang. Mijn voeten begeleidden me naar de gang zonder erover na te denken. Op de gang was alles stil. Ik sloot de deur stilletjes achter me en wandelde de gang in. Hij was de hele nacht verlicht en liep door de hele bovenverdieping met een grote marmeren trap bekleed met rood tapijt in het midden. ‘Waar ga je naartoe?’ Ik schrok en draaide me abrupt om. Pilo keek me kalm aan en liet zijn blik even hangen bij mijn geamputeerde linkerarm. Hij herstelde zich snel en glimlachte naar mij, maar een bleef een droevige kronkel in zijn lippen. ‘Het was het waard.’ prevelde ik met mijn blik strak op de grond gericht. Ik voelde zijn fronsende blik op mijn hoofd gericht. Wat?” vroeg hij. “De arm. Het was het waard. Je weet wel, toen ik bij jou…” ik bloosde, zijn blik nog steeds op mij gericht. “Nee, ze namen te veel”, zei Pilo met een diepe stem terwijl  hij voorzichtig het littekenweefsel aanraakte. Een tinteling raasde door mijn hele lichaam. Mijn hele leven al leefde ik volledig volgens de regels die de meesters ons oplegden. Die ene keer dat ik me liet gaan en iets deed wat ikzelf wou, werd ik gestraft. Ik wist wat ze zouden doen als ik met hem gezien zou worden, met de jongste zoon van de domeinmeester die getrouwd is en een zoontje heeft. “Kom even mee naar mijn kamer”, sprak hij zacht. Nu keek ik hem wel aan. Zijn helderblauwe ogen priemden zich in de mijne. Ik was de eerste die opzij keek. De maan schitterde door de talloze ramen en herinnerde me aan de drang. Ik schudde mijn hoofd. “Ik moet gaan.” Ik draaide me om en liep de trap af naar buiten, de bossen in. De seconde nadat het maanlicht over me scheen, voelde ik de energie door mijn lichaam schieten. Ik viel op mijn knieën terwijl de energie zich vanuit mijn kruinchakra verspreidde langs mijn keel naar mijn vingertoppen en zich ontfermde over mijn andere, geamputeerde arm. De energie maakte zijn weg door het littekenweefsel en het voelde alsof het nieuw weefsel aanmaakte. Ondertussen kroop de energie verder naar mijn tenen en gaf de geamputeerde stompjes en stoot waardoor er nieuw weefsel zich ontplooide. Ik pufte nog een tijdje na de laatste energiestoot uit. Mijn huid had een ivoorkleurige glans en mijn linkeronderarm, die de domeinbeulen hadden afgehakt als straf, scheen hersteld. Mijn huid leek verlengd en vergroeid in een handschoen die helemaal van boven mijn elleboog tot over mijn vingers ging, waar helemaal geen beenderen, bloed of vlees meer zaten. Ik stond op en voelde hoe mijn geest verdrongen werd uit mijn lichaam. Mijn bloedlijn stond me toe me te kunnen herstellen ten tijde van de volle maan , maar dat was enkel en alleen omdat mijn moeder me bloed had toegediend van een vrouw met de gave. Vroeger stroomde er gewoon bloed van een slaaf door mijn aderen. Maar mijn moeder werd bang toen ze me naar een andere afdeling in de villa brachten en droeg in een nacht wat bloed van de vrouw over aan mij zodat ik de gave overkreeg. Ik wist dat ze het goed had bedoeld, maar telkens wanneer de volle maan boven me uit torende waren de gedachten van die vrouw en de mijne onscheidbaar. Ik voelde haar verdriet, kon kijken in haar verleden ,wist haar bedoelingen, maar zat vast in de huls van mijn lichaam. Ze gebruikte mij als haar marionet om wraak te nemen op de dood van haar jongste dochter die door de domeinheer was verkracht en daarna vermoord. Lopend naar een van de geheime achterdeuren van de villa, besloot ik/zij dat ik eerst langs de keuken moest. Deze zat helemaal aan de andere kant van het gebouw dus versnelde ik mijn pas. De keuken bestond uit ijzeren kasten, ijzeren tafels en ijzeren fornuizen en was helemaal verlaten. Ik begon te zoeken door de lades van de kasten, rammelde door het bestek en vond uiteindelijk een vlijmscherp mes achterin de afwasmachines. Het mes had een lemmet dat bedekt was met zwart leder en waarvan de rand juist geslepen was. Ik voelde het gewicht ervan in mijn handpalm en vertrok gewapend naar de vertrekken van de mensen in de villa. Hoe dichter ik bij de slaapvertrekken kwam, hoe ondraaglijker haar verdriet werd, hoe harder ik haar zin naar wraak kon proeven. Aangevuurd door haar verlangen sloop ik, met het mes in mijn hand, een kamer binnen waarin zij me stuurde. Een man zat voorovergebogen over zijn bureau. Door het licht van de bureaulamp kon ik enkel zijn silhouet zien. De ziel van de vrouw liet me met beide handen het mes oprichten en stapte op de man af. Hij schrok op van het geluid en draaide zich met een ruk om. Zijn helderblauwe ogen schoten open van verbazing. Mijn ziel werd wakker geschud bij het zien van Pilo. Het was logisch, de vrouw wou de domeinheer kwellen op dezelfde manier als zij gekweld was. Door het vermoorden van het jongste kind. Pilo stond op en liep op me af.  

Myrte VC
0 0