Lezen

Tuig en getuigenis

Het regent nattigheid, miserie en ontreddering na die gele schijn van warmte. Dus komt U binnen, Getuige. Gaat U zitten en dank voor Uw pamflet. Ik hou ook van collages, van wijze zinnen, van orde in de chaos. Een boodschap over het einde en onnodige wanhoop. Koffie? Arabica en ik denk dan aan de branderij, bonen plukkende kinderen, zakken op een boot, het bittere ruim, een starende matroos en een haven van bestemming. U ook? Wat melk? Neem maar, de koe is onbekend, de suiker mij te zoet als ik het ruik, het vuur in het veld en het zweet van de rietkapper. Vergeef me dat ik U niet spreken laat. Ik wil iets laten zien, in de kelder. Ik begrijp het niet want de pijnboom naast mijn huis heb ik nochtans met zorg geplant. Kijk nu, daar waar het sijpelt, langs die scheur in de muur groeien ze naar binnen. De wortels die ik eerst met turf bedekt had, zijn snel verwilderd. Ik snoei, ik knip en pluk de weelderige zwammen. Lelletjes, voel en ruik eraan. Ik heb ze ook geproefd, werd er niet ziek van, oogst ze regelmatig. Neem er toch wat mee. Ik doe ze in dit potje, een potje met een geschiedenis, dat ooit onder mijn bed stond. De geur na een tijdje niet meer te harden, maar mijn moeder was lief en sprak er niet over. Zakdoekjes streek ze zacht. Het potje heeft ze later met toewijding gewassen voor de braambessenconfituur of voor de letters uit een nare woordenwisseling. Ontzettend veel heb ik niet geleerd van mijn ouders. Eerder hoe het niet moest. Eigenlijk bitter weinig. Zo weinig dat ik later op nogal ongewone wijze mijn maagdelijkheid verloor bij een veeartsstudente, die me diep in de ogen keek en me mijn stunteligheid al snel vergaf. Ik begrijp dat U verder trekken moet met Uw boodschap, door gehuchten, steden en steegjes. Zelf trok ik zelden door de straten. Ik was eerder een straatzitter, tot eenieders ontsteltenis of woede. Stond pas weer op na lang protest van de geblokkeerde chauffeurs, na een bekentenis van die ene man dat hij zijn fluit weer achterna ging rijden richting minnares nummer zoveel om zijn ballen te ledigen. Daarna zocht ik een haan. Om hem de kop af te hakken, want ook moeders die echt voor hun bevrijding strijden, braden graag krokante vleugeltjes en boutjes voor hun kinderen.   Soit, niets. Zeg maar beter niets. Ga, neem ook wat pitten mee. Droog geroosterd, van de boom die aan die kelderwortels groeit, geplant één jaar na haar verdwijning. Dierenarts was ze dus en overal heb ik gezocht. Bij die wreedaards in het slachthuis, bij de houders van het hormonale vee. Maar niets, nergens, nougabollen. Enkel stilte. Kadavers zonder kop in grote helften. Zonder vel en zonder lellen. Zonder leven, eeuwig dood.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Passage uit manuscript Douceurtje

‘Ik ben spiritueel aan het ontwaken,’ zei Robin op een vrijdagavond. Ik gooide de koekenpan en het schuursponsje in de wasbak en draaide me om. ‘Je bent wat?’ vroeg ik. Ik moest moeite doen om niet in lachen uit te barsten. Of in tranen. ‘Spiritueel aan het ontwaken,’ zei hij nogmaals. Hij ging zitten in de brede vensterbank, pakte een van de kussentjes en legde die in zijn rug. ‘Ik ontwaak ook iedere morgen,’ zei ik, ‘maar dat doe ik bij voorkeur met een kop koffie.’ Robin schudde zijn hoofd. ‘Je begrijpt het niet. En dat is oké. Een ieder heeft zijn eigen pad te volgen. Mijn pad wordt me steeds duidelijker. Ik voel de energie stromen,’ zei hij, terwijl hij uit het raam staarde. Hij trok zijn benen op, zette zijn blote voeten ook op de vensterbank en wreef met zijn handen over zijn tenen. ‘Is dat wat ze je leren op die reiki-cursus die je volgt?’ vroeg ik. Robin legde zijn handen op zijn knieën. ‘Vanwaar die woede?’ ging hij op zachte toon verder. ‘Omdat ik je godverredomme helemaal niet meer herken, Robin!’ riep ik. ‘Vroeger was je tenminste normaal. Nu lijk je wel een verstandelijk beperkte hippie. Hou toch eens op met dat gezweef. Lul!’    ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede,’ antwoordde hij, ‘daarom is woede een teken van zwakte.’ Met tranen in mijn ogen draaide ik me om en ging weer verder met het afwassen van de aangekoekte koekenpan. Ik schuurde net zo lang en net zo hard met het sponsje, totdat de anti-aanbaklaag aan het verdwijnen was. Net zoals mijn gevoelens voor Robin. ‘Het lijkt me verstandig als een van ons een tijdje uit logeren gaat,’ zei Robin. ‘Ik heb ruimte nodig om verder te groeien. Dat kan niet in deze negatieve energie.’ Ik smeet de koekenpan in het afdruiprekje. ‘Prima!’ schreeuwde ik. ‘Blijf jij maar lekker hier. In je dorp. In je wierookhol. Geniet ervan.’ Ik rende de trap op, griste wat kledingstukken bij elkaar en smeet ze in een tas. Zonder wat te zeggen liep ik langs Robin, die nog steeds in de vensterbank zat. In mijn kleine, zwarte autootje reed ik terug naar Amsterdam. Op de hoek van de Leliegracht liet ik me vollopen met alcohol. Midden in de nacht slenterde ik huilend naar Lotje. ‘Hij trekt wel weer bij,’ zei ze, ook met een flinke slok op, ‘hij gaat je heus wel missen.’ © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
0 1

Samira

Ik moet je een verhaal vertellen over een jonge vrouw. Ze was niet knap of beroemd en ik kende haar nauwelijks, maar ze had Iets. Iets ondefinieerbaars. Iets waardoor mannen hun hoofd omdraaiden als ze voorbij gewandeld kwam. Iets waardoor ze zelfs vergaten te fluiten. Iets waardoor gesprekken stokten en woorden onuitgesproken in kelen bleven steken wanneer zij in de buurt was. Niet veel vrouwen hebben dat ongrijpbare, haast goddelijke Iets. Het is even begerenswaardig als alles wat net buiten handbereik ligt van een kind dat vastgesnoerd zit in zijn buggy.Ze heette Samira. En mijn eerdere bewering dat ze niet knap zou zijn, is wat ik misschien liever had gewild. Ze was bloedmooi! Haar schoonheid was van zo’n aard dat ze met één enkele oogopslag ieder mannenhart op hol kon doen slaan. Menig vrouwenhart stond dan ook even stil bij het aanschouwen van het effect dat Samira op hun partner had. Zelfs de zonsondergang verbleekte naast haar. Gelukkig was ze niet perfect. Perfectie zou afbreuk doen aan wie ze was. Velen verbergen zich voor de ware felheid van het licht achter de sluier die angst heet. Zij kende geen angst, durfde de wereld recht in de ogen te kijken tot het de wereld zelf was die zijn blik neersloeg. Bij sommigen wakkerde ze begeerte aan. Passie en pure lust. Alleen naar haar kijken, leek al een zedenmisdrijf. Anderen verbitterden in afgunst bij enkel het horen van haar naam. ‘Samira’ werkte sneller dan slangengif naar het jaloerse hart. Er waren er die haar durf benijdden en wensten dat ze een fractie bezaten van haar zorgeloos en ietwat onbezonnen gedrag. Dat ze gewoon erg egoïstisch was, lag dichter bij de waarheid. Ze had een rijke fantasie en schuwde een leugen niet als dat voor haar beter uitkwam. Hierbij ontzag ze niets of niemand, ze plaatste zichzelf altijd op de voorgrond. Voor je verder leest, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat je op de duur niet meer zal weten waar de oprechtheid stopt en het verzinsel begint. Zelfs ik raakte helemaal verstrengeld met verzonnen waarheden en onware leugens. Het woord oprechtheid is misschien niet helemaal op zijn plaats, want Samira was altijd oprecht. Dat was nu net het probleem: ze was ziek. Ze geloofde haar eigen leugens. Deze zelfgecreëerde wereld van beuzelarijen was haar realiteit. Doordat mensen zich blind staarden op haar uiterlijk en door de charme waarmee ze elk verhaal boeiend en met het grootste gemak bracht, is nooit iemand op de gedachte gekomen om de echtheid van haar vertelsels te onderzoeken. Omdat mijn relatie met haar nogal innig was, merkte ik na een tijd dat er in haar puzzel vaak stukjes ontbraken. Het was pas na een jaar dat ik er de vinger op kon leggen. Als ik haar erop wees dat er zelfs een medische term voor haar aandoening bestond, dan wuifde ze dit al lachend weg. Niemand kon haar in een hokje steken. De pseudologia fantastica werd onder de mat geveegd bij het andere vuil en er werd nooit meer over gepraat. Samira’s zeefdrukkerij van diepe indrukken draaide op volle toeren zonder beperkte oplage. Mijn ontmoeting met haar was er één van louter toeval. Of misschien ook niet. Bij haar wist je dat nooit zeker. Ik heb net mijn avondje vertier met een paar maten betaald aan de kroegbaas. Op het moment dat ik mijn ribfluwelen jas van de kapstok haal, zwaait de deur van de kroeg met een klingelend geluid open. Een vrouw waait even fris als het zomers avondbriesje naar binnen. Haar zwarte haren glanzen als rivierwater in de nacht. Haar lichaam maakt de strakke jeans die ze draagt tot een verheven kledingstuk en met een stem van warme melk met honing zegt ze iets. Ik vang slechts flarden op. Het is een haast onmogelijke opdracht om me te concentreren op haar woorden die zinnen vormen, want dat betekent dat ik een einde moet maken aan mijn onbeschoft staren. Ik ben haar net beginnen uitkleden met mijn ogen wanneer ze me bij de arm neemt. Als een mak lam volg ik haar naar buiten. ‘Auto’ en ‘startproblemen’ zijn de enige woorden die ik meen opgepikt te hebben. Het kan evengoed wat anders zijn. Mijn geest is beneveld en niet enkel door de Duvels die ik gedronken heb. Ze heeft nog steeds mijn arm vast. Haar ranke hand ligt licht als een engelenvleugel op mijn naakte huid. Zo zou een engelenvleugel toch moeten zijn. Plots vind ik mijn woorden terug. Ze komen nog niet in een samenhangende volgorde naar buiten, maar de klank van mijn eigen stem geeft me opnieuw wat houvast.    ‘Pro-problemen… wie ben… euhm… waar…’ Ik schraap mijn keel en doe een stap opzij. Het verlies van haar aanraking doet een lichte huivering door mijn ruggenmerg trekken, ik kom weer tot mezelf. Terwijl ik mijn jas aantrek, vraag ik waar haar wagen staat en wat juist het probleem is. Ze loopt voor me en toont haar ‘auto’ die achter de hoek geparkeerd staat. Ik doe wat waarschijnlijk iedereen doet wiens blik dit vehikel kruist: breed glimlachen. Hoe kan je ook anders wanneer je voor iets staat dat veel weg heeft van een Flintstone-mobiel die een flower power make-over heeft ondergaan? De felgekleurde bloemen op de lila 2PK staren me uitdagend aan. Ik lik de flauwe opmerking die op mijn lippen ligt, met één beweging van mijn tong weg.     ‘Ik was aan het rijden op de autosnelweg toen mijn snelheid plots begon af te nemen. De eerstvolgende afrit ben ik er afgereden en ik heb me nog net aan de kant kunnen zetten. Toen was het helemaal gedaan.’ Ze opent de motorkap en buigt voorover. ‘Een tijd geleden heb ik hetzelfde gehad en toen was één van de bougies losgeschoten.’Ik ben me erg bewust van de aangename tinteling die zich in mijn kruis voltrekt. Snel knoop ik mijn driekwarts jas dicht, die nauwelijks lang genoeg blijkt om de opkomende zwelling aan het zicht te onttrekken. Nergens op haar welgevormde achterste zie ik lijntjes van ondergoed afgetekend. Zou ze een string dragen? Met moeite wrik ik mijn ogen los van dit oh zo heerlijke en begeerlijke lichaamsdeel. Met een schok zie ik dat ze met een vragende blik naar me kijkt. Ik heb blijkbaar weer iets gemist. De hitte stijgt naar boven en ik voel dat mijn wangen in brand staan. Er is onmiddellijke actie vereist.    ‘Ga jij achter het stuur zitten en op mijn teken mag je de auto starten. Ik zal eens kijken of ik hem aan de praat krijg.’    ‘Haar.’    ‘Pardon?’    ‘Mijn auto is vrouwelijk. Ik dacht dat dàt wel duidelijk is.’ Ze stapt langs de bestuurderskant in en klapt het raampje naar boven.Glimlachend duik ik onder de motorkap. Ik krab in mijn haar. Waarschijnlijk weet zij er meer van dan ik. Hoe moeilijk kan het zijn? Ik zie vier zekeringen en een heleboel draadjes, iets dat de motor zou kunnen zijn en dikke dampkapbuizen die naar de achterkant leiden en waarschijnlijk dienst doen als verwarming. Het ziet er allemaal heel erg rudimentair uit, om niet te zeggen primitief. Omdat ik niet weet waar ik moet beginnen, doe ik teken dat ze de motor mag starten, misschien dat dan de onbestaande garagist diep in mij toch naar boven komt. Terwijl ze de sleutel in het contact omdraait, slaat de motor aan met een diep ronkend geluid alsof er honderd katten liggen te snorren. Verbouwereerd staar ik ernaar. Terwijl de motor stationair draait, slaat het portier dicht en nog voor ik iets kan zeggen, hangt ze rond mijn nek. Haar kus op mijn wang brandt in mijn hart. Ook ik ronk.    ‘Wat was nu het probleem? Hoe heb je het opgelost?’ roept ze enthousiast uit terwijl ze me weer loslaat.    ‘Euh, een draadje naar de alternator hing los’, lieg ik. Ik weet zelfs niet waar dat ding zich bevindt. Gelukkig vraagt ze het me niet.    ‘Godzijdank! Ik dacht hier de nacht te moeten doorbrengen. Kom, stap in, dan rijden we naar mij.’Met gefronste wenkbrauwen kijk ik haar aan, een vragende blik in mijn ogen.    ‘Ik wil je bedanken voor je moeite. Ik heb thuis nog lekkere kruidenthee staan. Koffie drink ik niet. Allez, hop, ik vraag het slechts één keer.’Ik laat het me ook maar één keer zeggen. Zonder verdere aarzeling stap ik in. Terwijl we rijden, bedenk ik dat dit wel de raarste avond uit mijn leven is. ‘Ik weet niet eens je naam’, onderbreek ik haar monoloog. Sinds we vertrokken zijn, heeft zij de hele tijd het woord gevoerd. Ik genoot van het warm timbre van haar stem. Omdat ik geen einde wilde maken aan de ononderbroken woordenwaterval, heb ik haar laten praten.    ‘Samira’, antwoordt ze.Ik hoor haar naam als het gefluister op een zuchtje wind, als een nauwelijks waarneembare streling, licht en luchtig in mijn hart.    ‘Samira’, herhaal ik. Ik proef de letters in mijn mond. De klank van haar naam blijft kleven op mijn lippen en barst uiteen op mijn smaakpapillen in een zoet palet van duizend en een ongekende en veelbelovende aroma’s.    ‘En jij?’    ‘…Gregory.’ Bij de ‘o’ schiet mijn stem uit. Ik klink even onzeker als een puber die net de baard in de keel heeft gekregen.Ik probeer te luisteren naar wat ze zegt, hoor enkel warme klanken. Ik knik glimlachend als ik denk dat ze bevestiging vraagt, niet wetende wat ze zojuist tegen me zei. Knikken is altijd goed. Ik vertrouw mijn eigen stem niet. Uit angst dat mijn tong dingen zal zeggen die ik denk. Dingen ik met haar zou willen doen. Dus zwijg ik. En glimlach. Ik had me geen zorgen hoeven maken. De voordeur zit nauwelijks in het slot of ze duwt me met mijn rug tegen de muur. De wereld draait om ons heen om abrupt te stoppen als haar zinnelijke lippen de mijne aanraken. Zacht en verrukkelijk trekt ze met een langgerokken kus mijn hele ziel naar buiten. Met één hand rukt ze aan mijn haar, de andere tast in mijn kruis. Ik gooi mijn jas op de grond zonder me van haar lippen los te maken. We zijn nog steeds niet verder geraakt dan de gang. Ze duwt me ruw op een stoel die daar staat, schopt haar jeans en string op de grond en gaat op me zitten. Mijn broek hangt op mijn enkels. Ze berijdt me als een wilde furie. Ik bijt door haar bloesje heen, ik trek hard aan haar ravenzwarte haren, zet mijn vingers in het zachte vlees van haar billen en beweeg mijn heupen in hetzelfde ritme als dat van haar. Mijn borst gaat hevig op en neer tegen haar nog steeds bedekte borstjes. Ik voel haar longen zwoegen als ze samen met mij hijgt. Haar nagels trekken sporen door mijn T-shirt heen dat nu tegen mijn rug plakt van het zweet. Haar kreunen explodeert in een luide gil van extase en op datzelfde moment splijt ik open als een rijpe zaaddoos en geef al mijn gedachten, al mijn verdriet en vreugde, al mijn lusten en mijn lasten bloot.    ‘Thee?’, vraagt ze, nog nahijgend. We schieten allebei in de lach.     ‘Waarom koos je mij uit in het café?’, vraag ik haar terwijl we onze kleren schikken.    ‘Jij leek me de beste partij om nageslacht mee te produceren’, zegt ze heel serieus. Mijn hart staat samen met de tijd even stil. Haar luide, hartelijke lach vult plots de lege ruimte.    ‘Je had je gezicht moeten zien’, hikt ze nog na. ‘Je stond toevallig vlak naast de deur en ik vond de rode kleur van de jas in je handen zo mooi. Scharlaken.’ Een jaar later zijn we getrouwd. Als ik ooit ergens beweerd zou hebben dat ik haar nauwelijks kende, is dat zeker niet gelogen. Zelfs na zeven jaar was elke dag opnieuw een verrassing. Vermoeiend? Ja. Maar nooit saai. Er zijn momenten dat ik er terug naar verlang, mij resten enkel nog de herinneringen. Gelukkig heeft de tijd de scherpe randjes eraf gepolijst, want ze zijn niet altijd even mooi. Die vervlogen gedachten zijn als aangebrande melk op de bodem van mijn ziel. Ze zijn zo hard aangekoekt dat enkel vloeibare soda ze er nog afkrijgt. Zij was mijn soda. Zij was zo aanwezig, dat ik geen herinneringen nodig had. Nu heb ik geen soda meer en blijft het verleden aan mijn bodem kleven. Ik verlang naar rust, blijf mezelf kwellen door verkoolde resten los te peuteren tot mijn nagels helemaal kapot zijn van het krabben aan vroeger. Ik sta voor haar droomhuis met de makelaar. Na twee maanden zeuren heb ik toegegeven, ons appartementje is echt wel te klein aan het worden voor onszelf, onze uitdijende inboedel en twee katten. Ik vind het huis te groot, zij vindt het perfect voor als we aan gezinsuitbreiding zouden beginnen. Omdat ze niet aandringt, ga ik daar niet verder op in. Iets verzwijgen is niet hetzelfde als liegen en ik wil haar niet kwijt aan een onvervulde kinderwens. Mijn keel knijpt samen aan enkel de gedachte zonder haar. Haar hele bestaan drijft op een poel van verzinsels, dus zal zo één geheim de zaak ook niet maken, toch? Het huis kan ik haar niet weigeren als ze mij aankijkt met die speciale jij-bent-van-mij-en-voor-jou-doe-ik-alles-als-je-dit-huis-voor-me-koopt-blik? Al naargelang de situatie kan het laatste deel anders worden ingezet. Ik ben de contrabas waarvan zij de snaren bespeelt. Geniaal als een volleerd musicus heeft ze nog geen valse noot geproduceerd. Hier sta ik dus. Al twintig minuten. De makelaar begint ongeduldig te worden.    ‘We kunnen misschien alvast naar binnen gaan, in afwachting dat uw vrouw komt.’    ‘Als u het niet erg vindt, dan blijf ik liever buiten wachten, ik zou graag samen met haar naar binnen gaan. Ik ben er zeker van dat ze er zo meteen aankomt.’ Zo zeker ben ik daar niet van. Na nog eens vijftien minuten geeft de makelaar er de brui aan.     ‘Sorry, ik heb ook andere klanten die aan het wachten zijn. Mocht u alsnog geïnteresseerd zijn, belt u me dan.’Een uur later zeg ik het droomhuis vaarwel en ga naar huis. Zonder droomvrouw.    ‘Je gelooft nooit wat ik heb meegemaakt!’, roept ze vanuit de woonkamer als ze mij hoort binnenkomen. Nee, inderdaad niet.     ‘Ik ben benieuwd wat er zo belangrijk was dat je je huis ervoor hebt laten schieten.’ Met gekruiste armen sta ik voor haar. Ik ben niet kwaad, hoogstens wat geïrriteerd.    ‘Ik heb een kind omvergereden.’ Ze zegt het haast triomfantelijk.    ‘Wàt heb je gedaan?!’    ‘Ik kon pas om één uur weg op het werk en fietste nogal stevig door. In de verte zag ik twee jochies spelen, ze renden achter elkaar zonder acht te slaan op het verkeer. Op het moment dat ik ze wilde passeren, dook één van hen onder mijn fiets, ondanks het feit dat ik de hele tijd aan het bellen was. Van ontwijken was geen sprake meer, dus reed ik erover. Met een misselijkmakend gekraak hoorde ik iets versplinteren. Ik stopte en zette mijn fiets aan de kant om te gaan kijken hoe het met het jochie was. Achter een dubbele kinderkoets zag ik hun moeder aan komen hollen. Het was vreselijk Greg!’Ik ga naast haar in de zetel zitten. Afwezig streelt ze de kat op haar schoot en met haar blik naar binnen gericht, gaat ze verder.    ‘Dat mens kwam in alle staten naar me toe en begon me in het Hebreeuws uit te schelden. Ik kon nog net haar handtas ontwijken. Proberen uit te leggen dat het een ongeluk was, lukte niet erg. Zij gooide zich op mij en krabde haast mijn ogen uit. Om me te verweren, greep ik haar haar vast dat tot mijn grote schrik meegaf. Ik had een pruik in mijn handen. Ik zweer het Greg! Het was sterker dan mezelf, ik heb me daar bijna een ongeluk gelachen. Ik kon er echt niks aan doen.’    ‘En het kind?’, help ik haar herinneren.    ‘Ah, ja. Dat had niks. Een paar schrammen en builen en zijn bril was helemaal versplinterd. Toen hij na een paar minuten van de schrik bekomen was, rende hij alweer achter zijn broertje aan. Die joodse dame beet zich echter in me vast als een wildklem. Ze eiste dat ik contant zou betalen voor de geleden morele en lichamelijke schade van haar zoon. En voor de bril. Ik beet haar toe dat ik het roekeloos gedrag van haar zoon niet wenste te belonen en dat mijn verzekering de bril zou vergoeden. Het heeft een tijdje geduurd eer ik haar kon overtuigen dat niet ík, maar haar kind een gevaar op de weg was.’    ‘Je had op zijn minst kunnen verwittigen, zodat ik en de makelaar wisten of Mevrouw Samira ons nog het genoegen zou schenken om zichzelf tevoorschijn te toveren!’    ‘Ik ben net thuis en nog aan het bekomen. Ik kon je trouwens niet bellen, want ik was mijn gsm hier vergeten. Bovendien zal dat huis niet gaan lopen, want het staat al drie maanden te koop omdat de vraagprijs veel te hoog is.’ Ze zet met een druk op de afstandsbediening de televisie op en geeft daarmee aan dat ons gesprek is afgelopen. Enkele dagen later is het huis van ons. Ik vraag niet hoe Samira het voor elkaar gekregen heeft. Na een kort onderonsje met de eigenaar, heeft die ons bod aanvaardt. De deur knalt dicht. Bonkende voetstappen op de trap. Weer een deur die luid dichtslaat. Denderende stappen boven mijn hoofd. Niets meer. Ik hol naar boven.     ‘Samira? Alles ok?’    ‘Mannen zijn klootzakken!’    ‘Bedankt, hé.’ Ze draait zich om en ik schrik van haar gezicht. ‘Wie heeft dat gedaan? Dat ik die klootzak eens een lesje leer!’    ‘Rustig, schat. Ik kan mijn mannetje wel staan. Ik heb alles onder controle.’ Ze betast voorzichtig haar opgezwollen oog. Het zit half dicht en de huid er rond ziet er blauwgrijs uit.    ‘Wil je dan vertellen wat er gebeurd is, wie heeft je zo toegetakeld? Waar is dit gebeurd? Je bent voor de rest toch in orde?’ Ze zucht.     ‘Ik was langs de Schelde aan het fietsen, richting fietserstunnel toen er plotseling iemand naast mij kwam rijden. Het was een gast was die ik kende, Jan. Hij zat in dezelfde school als ik, een jaar hoger. We geraakten aan de praat en net voor de tunnel gooide hij zijn fiets voor de mijne. Ik moest keihard in de remmen gaan en begreep totaal niet waar hij naartoe wilde. Dacht eerst nog dat het een grapje was. Het werd me pas duidelijk toen hij me bij mijn arm greep en me van mijn fiets wilde trekken.’ Ze slikt duidelijk hoorbaar. Ik knik haar bemoedigend toe.    ‘Hij riep me toe ‘dat hij me eens zou laten voelen wat ik had gemist op school’. In paniek tastte ik naar het busje traangas in mijn jaszak. Omdat ik weerstand bood, sloeg hij me recht op mijn oog.’ Onwillekeurig gaat haar hand opnieuw naar de zwelling. Haar amberkleurige ogen staan vol met tranen. Tranen van woede, weet ik.    ‘Ik duizelde van de impact van de slag, de adrenaline hield me overeind. In een impuls heb ik recht in zijn gezicht gespoten. Hij sloeg dubbel op de grond en riep dat zijn ogen eruit brandden. De woorden ‘hoer’ en ‘vuile teef’ achtervolgden me vanuit de verte, want ik ben als een gek mijn fiets opgesprongen en huiswaarts gereden.’    ‘Oh, lieve schat toch!’ Ik neem haar in mijn armen en voel hoe ze zich ontspant.    ‘Ben je al aangifte gaan doen bij de politie?’, vraag ik in haar haar. Ze verstart en maakt zich los uit mijn omhelzing.    ‘Ben je gek?! Wat moet ik dan zeggen? Ja, inspecteur, hij wilde me verkrachten denk ik. De reden? Hij was de Don Juan van de school en heeft het nooit kunnen verkroppen dat hij mij niet heeft kunnen krijgen. Als enige. De anderen gingen allemaal plat voor hem. Hoe ik hem heb kunnen afschudden? Euhm, door traangas te gebruiken. Ja, schat, dat is inderdaad een supergoed idee! Dan krijg ik een proces verbaal aan mijn been voor verboden wapendracht en kan ik mijn busje afgeven. Wie gaat me volgende keer dan beschermen als een gek me wilt aanranden? Ik kan moeilijk met een bodyguard rondlopen, hé.’Nog voor mijn lippen een woord kunnen vormen, gaat ze verder.    ‘Ik ben in orde. De dokter heeft me heel volgende week thuis geschreven. Zó kan ik uiteraard niet gaan werken.’    ‘Ah, was dat niet die week dat je baas je verlof geweigerd had? Dat komt dan uiteindelijk toch goed uit.’Haar ogen schieten vuur.     ‘Wat bedoel je daar nu weer mee? Denk je dat ik voor mijn plezier zo rondloop?’    ‘Kalmeer eens. Ik bedoel gewoon wat ik zeg. Je hoeft je niet aangevallen te voelen.’ Ze draait zich abrupt om en loopt naar haar hobbykamer. Ik hoor haar de sleutel omdraaien. Zo sluit ze me een tijdje buiten. Niet enkel uit die kamer, ook uit haar hart. Voor enkele uren toch. Daarna zal ze niet sorry komen zeggen, dat doet ze nooit. Nog nooit heeft ze een duimbreed toegegeven, hoewel ze soms durft zeggen dat ze van mening is veranderd. Ze zal gewoon doen alsof er niets is voorgevallen. Net zo hard als ze mij kan verwonden, kan ze mij ook weer eindeloos liefhebben. Haar Tuin van Eden is mijn rustpunt. Ik heb haar lief zoals een man een vrouw nog nooit heeft liefgehad, ondanks het feit dat ik vermoed dat ze lacht als ik bloed en dat ze enkel interesse veinst als het in haar eigen voordeel kan uitdraaien. Hiervoor ben ik bereid om alle schuld op mij te nemen, want zij zal altijd dé vrouw zijn voor mij. Als je vindt dat dit melig klinkt, dan heb je haar nog nooit ontmoet. Ik moet haar met veel mannen delen. Gelukkig heb ik de exclusiviteit over haar lichaam. Ze schiet me de hoogte in waar haar euforie me licht in het hoofd maakt en zo dronken als een bende olifanten die aan een gistende jeneverbesstruik heeft gezeten. Om even later de afgrond in te duiken met de snelheid van een slechtvalk die achter een prooi aanzit. Dan suis ik achter haar aan om te voorkomen dat ze beneden te pletter stort. De tijd tussen deze twee uiterste punten van haar benjisprong kan een fractie van een seconde bedragen. Soms is het een sprong in slow motion en zitten er enkele weken tussen. Dat zijn voor mij dan weken waarin ik alles van haar gedaan krijg of weken waarin ik haar niet kan bereiken en ze gewoon haar eigen zin doet. Zo is ze. Het is een vermoeiende bezigheid, getrouwd zijn met haar. Maar alleszins geen dode streep op een hartmonitor.     ‘Gre-eg?’    ‘Ja, liefje.’ Ik kijk half op uit de krant. Zij zit aan de salontafel op haar laptop te tokkelen.    ‘Wat vind jij een mooie meisjesnaam?’    ‘Hoe bedoel je?’ Ik leg de krant neer en kijk verontrust haar kant uit.    ‘Wel, stel dat ik zwanger zou zijn en dat het een meisje is, dan mag jij uiteraard mee de naam kiezen.’ Ze kijkt me uitdagend aan. Ik ben vrijwel zeker dat ze niet zwanger is en kijk haar met opgetrokken wenkbrauwen aan.    ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen?’    ‘Ik zou graag kinderen willen, Greg. Niet over een paar jaar. Nu!’Deze discussie hebben we de laatste tijd wel vaker. Ik zucht.    ‘Ik niet. Het gaat niet. Nu niet en over een paar jaar ook niet.’    ‘Wat bedoel je met ‘Het gaat niet’? Wil je niet?’    ‘Ik… euh… ik… wil je gewoon voor mij alleen.’ Dit is slechts een halve waarheid. Als ik het haar vertel, ben ik haar kwijt.     ‘Egoïst!’ Het tokkelen wordt luider.    ‘Ik heb totaal geen behoefte aan blèrende jong rond mijn benen. Als je je echt wilt voortplanten, dan zoek je maar iemand anders!’    ‘Misschien doe ik dat ook wel!’, roept ze boos terwijl ze naar buiten dendert en de deur met een knal dichtsmijt. Vroeg of laat zal ik het haar toch moeten vertellen.     ‘Zin in dessert?’ Aan de ondeugende lichtjes in haar ogen weet ik dat ze niet gewoon een zoet afsluitertje bedoelt om onze smaakpapillen te bevredigen. Of net wel. Ze opent de deur van de diepvries en haalt er vanilleroomijs uit. Ik leg de handdoek weg en laat de rest van de vaat staan wanneer ze met ontbloot bovenlijf op de keukentafel gaat liggen. Haar tepels worden hard wanneer ze het ijskoude goedje in mislukte bolletjes tussen haar borsten en op haar buik lepelt. Ik volg het onderste ijsbergje met mijn ogen naar haar navel en lik het op voordat de warmte van haar lichaam het doet smelten. Ik ben niet snel genoeg, ik wil alles proeven en niet enkel ijs, laat me afleiden door haar zinnelijke vormen. Kleine crèmekleurige straaltjes lopen kleverig langs haar taille naar beneden en druppen op de tafel. Haar zout op mijn lippen prikkelt me. Ik rits haar broek open en trek die langzaam uit. Met mijn tanden pak ik het bovenste randje van haar kanten slipje beet en trek dit naar beneden.    ‘Wees je een beetje voorzichtig, tijger?’    ‘Altijd toch, Sam.’    ‘Doe nu maar extra voorzichtig.’Ik stop met mijn broek uit te trekken.     ‘Hoe bedoel je? Heb ik je gisteren pijn gedaan?’    ‘Nee, dat is het niet,…’ ze laat een weloverwogen stilte vallen ‘ik ben zwanger.’Ik trek mijn broek terug aan, knoop hem dicht en zet de doos ijs terug in de diepvries samen met mijn geilheid.Ik bekijk haar: een stuk vlees dat op tafel ligt, klaar om geconsumeerd te worden. Hoe heb ik zo blind kunnen zijn? Meewarig schud ik mijn hoofd en met opeengeklemde kaken loop ik de trap op.     ‘Schatje!’ hoor ik haar smekend vanachter de gesloten keukendeur roepen.Als ik nu mijn mond opentrek, dan is het geheid ruzie en sta ik niet in voor mezelf. Ik kies dus voor de tweede slechtste oplossing: ik haal mijn motor uit de garage en ga rijden. Ongecontroleerd en veel te snel scheur ik door de bochten. De nacht breng ik door bij mijn ouders. Mijn gsm zet ik af. Drie dagen later kom ik terug thuis. De kilte van onze burcht van leugens omarmt me. Ik hoor haar in de slaapkamer rondstommelen en schuif mijn bewijs onder de deur. Wat later staat ze voor me in mijn bureau. Ik kijk strak naar mijn zwarte computerscherm en doe net of ik haar niet zie.    ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Hysterisch duwt ze het papier onder mijn neus. Ik kijk haar aan met alle kalmte die ik kan opbrengen.    ‘Dat document is het bewijs dat die embryo niet van mij kan zijn. Ik ben gesteriliseerd.’ Ze trekt wit weg en voor de eerste keer sinds ik haar ken, heeft ze niet meteen een pasklaar antwoord. Ze staart me aan met grote ogen waarin langzaam het besef doordringt.    ‘Je denkt dat ik je heb bedrogen.’ Ze zegt het langzaam, alsof de zwaarte van het laatste woord daarmee gebroken kan worden. Met haar hand bedekt ze beverig haar trillende lippen. Ik zie de tranen dansen op haar onderste wimpers. Net voor ze vallen, keert ze mij de rug toe.     ‘Nooit zal ik jou bedriegen.’ Haar stem klinkt gesmoord en iets in haar toon zegt me dat ze de waarheid spreekt. Hierover wel. Zacht trekt ze de deur achter zich dicht. Een hele week lang vermijden we behendig elk contact. Ik word specialist in het ontwijken van haar blik. De ochtend van de zevende dag na haar aankondiging vind ik een artikel op mijn toetsenbord. Er zijn een aantal dingen met fluostift aangeduid. Ik kan eruit opmaken dat zwangerschap na sterilisatie van de man mogelijk is. Bij één op vijfduizend vijfhonderd herstelt de ingreep zich spontaan, ook wel rekanalisatie genoemd. Diezelfde avond verbreekt ze het stilzwijgen.    ‘Ik zou het graag houden.’    ‘Mijn sterilisatie heb ik met een bepaalde reden laten uitvoeren. Ik heb geen zin in gezinsuitbreiding.’    ‘Kan je het niet zien als een teken dat het zo moet zijn?’ Ze klinkt haast wanhopig. Ik wil niet dat ons huwelijk strandt op de komst van een baby. Een kind dat ik niet wil. Ik ben niet van plan een duimbreed toe te geven, wel wil ik weten waar ik sta.    ‘Hoever ben je?’     ‘Acht weken volgens de predictor stick. Die heb ik al weggegooid’, voegt ze er snel aan toe.    ‘Zullen we een afspraak maken met de gynaecoloog? Dan kunnen we daar rustig onze opties bespreken. Kan je deze week ergens?’    ‘Ik ga morgen al naar dokter Van Praet. Ik wilde niet te lang wachten. Je mag gerust mee, hoor. Graag zelfs.’Ik zucht.     ‘Liefje, je weet dat ik morgen die belangrijke vergadering heb. Die ligt al weken vast. Kan je geen andere dag kiezen?’    ‘Was ik vergeten. Het kon enkel zo snel omdat er iemand had afgebeld. Anders had ik nog twee weken moeten wachten.’Ze belooft me dat we volgende keer zeker samen zullen gaan. Nadat zij is gaan slapen, kap ik in de kelder onze vuilniszak leeg. Tot mijn grote verbazing vind ik inderdaad de zwangerschapstest. Het testvenster is echter net zo min roze als een doodgeboren baby. Ik ruim het vuil op en steek de stick achterin de lade van mijn secretaire.     ‘Alles is goed met ons, bedankt dat je het vraagt.’    ‘Ik heb een rotdag op het werk gehad en zou graag eerst mijn jas uittrekken, dankjewel.’Blijkbaar stelt haar baby het goed. Het maakt Samira niet zo veel uit dat het geslacht nog niet te zien is. En ja, ze is stellig overtuigd het te houden. Als ik wil, kan ik volgende maand mee.De volgende dag bel ik Dr. Van Praet. Samira is nooit bij haar of haar collega’s geweest. Er is geen andere gynaecoloog met dezelfde naam in de buurt, nee. Onderwerp baby afgesloten. Voorlopig toch. De maand die hierop volgt lijkt ons leven weer zijn gewone gangetje te gaan. We omzeilen het B-woord terwijl Samira’s onzichtbare waarheid tussen ons in groeit, samen met zich opbouwende spanning. Ik vraag me af hoelang ze dit zal volhouden. Na een lange werkdag kom ik thuis. Ik hang mijn jas aan de kapstok en knip het licht aan.    ‘Wat zit je hier in het donker te doen? Ik schrik me rot!’De manier waarop ze in de zetel zit – met haar armen rond haar opgetrokken benen en haar hoofd tussen de knieën – doet me zachter praten. Ik gooi mijn tas op de grond en loop naar haar toe. Ze snikt met luide halen en schommelt met haar lichaam heen en weer. Het spanningsveld tussen ons is eindelijk gebroken wanneer ik haar in mijn armen wieg. Ik sus haar en vraag wat er is. Ze kijkt me aan. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen, haar wangen roodbevlekt. Ze neemt niet eens de moeite om het snot dat bijna haar bovenlip raakt, af te vegen. Haar haren zitten in de waren. Ik hou van haar.    ‘Ik heb deze ochtend het kind verloren’, fluistert ze hees. Haar stem kan nauwelijks de woorden dragen. Onsamenhangend vertelt ze iets over krampen, haar baby in het toilet en een vruchtje dat niet in orde bleek. Ze legt haar hoofd tegen mijn borst en schokt zonder geluid te maken. Ik streel zwijgend haar haren en haar rug. Zo zitten we daar de hele avond. Wanneer ze is gestopt met huilen en zwaar tegen me aanleunt, maak ik me los en til haar de trap op, naar bed. Voorzichtig trek ik haar kleren uit. Nadat ik haar heb ondergestopt, geef ik een kus op haar voorhoofd dat heet aanvoelt.    ‘Ik kom zo bij je liggen, liefje’, fluister ik.Op kousenvoeten loop ik naar beneden. Ik tast diep in de lade van mijn secretaire. Ik schud langzaam mijn hoofd. Voor de tweede keer belandt de predictor stick bij het vuil. Ik vraag me af hoe vaak ze eigenlijk tegen me liegt. Sommige van haar verzinsels heb ik na een tijd wel door. Ze fabriceert ze in zo’n hoog tempo dat de ene leugen nog niet over haar lippen is gerold, of de ander ligt al klaar. Meestal zijn het futiliteiten en vaak ga ik er in mee. Deze geveinsde zwangerschap heeft wel enorme proporties aangenomen. Ik voel haar gloeien over haar hele lichaam als ik tegen haar aan kom liggen. In het midden van de nacht roept ze me wakker.    ‘Gregory, ze komen achter me aan!’ In het zwakke schijnsel van het display van de wekkerradio zie ik zweetdruppels parelen op haar voorhoofd. Met verwijde pupillen ijlt ze zonder zich bewust te zijn van mij. Ze vertelt verwarde verhalen over een Joodse vrouw met een dubbele kinderwagen die de achtervolging inzet, haar mond met vlijmscherp gevijlde tanden vervaarlijk grotesk open- en dichtklappend. Ik hoor flarden zinnen waaruit ik kan opmaken dat Jan van haar school haar uiteindelijk dan toch heeft ingehaald, in de fietsertunnel. Zijn ogen zijn twee ingebrande gaten. Een baby zit haar achterna, een slagersmes in de handjes. Ze kan hem niet afschudden, hij is met een navelstreng aan haar verbonden. In de stilte tussen Jan en de baby vraag ik me af of ik toch niet beter de dokter van wacht laat komen. Maar ik wil haar geen moment alleen laten nu ze me nodig heeft, dus trek ik haar nog dichter tegen me aan. Tijdens haar onrustige stiltes slaap ik al wakend, als ze in verwarde dromen spreekt dan luister en waak ik, wachtend op haar ontwaken. Drie decennia opgebouwde leugens nemen wraak op haar, ze raakt erin verstrikt. Er zijn verzinsels bij waarop ik mijn leven heb gebouwd. Het maakt me niet uit. Ik ben nu hier, bij haar. Dit koortsdelirium duurt enkele uren voort, ze blijft dingen herhalen, alles wordt hoe langer, hoe onsamenhangender. Dan houdt het plots op. Ik word wakker door de felheid en de warmte van de zonnegloed op mijn gezicht. Stofdeeltjes dansen in de stralen die zich doorheen de niet volledig gesloten gordijnen priemen. Ik houd Samira nog steeds stevig tegen me aangedrukt. Ze voelt koud aan. She can kill with a smile, she can wound with her eyes. And she can ruin your faith with her casual lies… ‘Deze man is hier nu al een paar jaar. Sinds de dood van zijn vrouw zingt hij steeds hetzelfde liedje. Tijdens heldere momenten die uren of zelfs dagen kunnen duren, vertelt hij honderduit over zijn Samira. Luister op zo’n moment geduldig naar hem, maar laat je niet beetnemen. Zijn wereld is de onze niet. Als je hem klaarmaakt voor de nacht, vergeet hem dan zeker niet vast te binden, anders begint hij rond te dolen. De laatste keer dat een stagiaire had nagelaten dit te doen, hebben we hem pas de volgende middag terug gevonden. Hij zat in zijn ondergoed in het park. Gewoon op een bankje wat voor zich uit te staren.’ …and she’ll promise you more than the Garden of Eden, then she'll carelessly cut you and laugh while you're bleeding. But she’s always a woman to me.

dwaallichtje
0 0
Tip

Wijn met een rietje

'Wat wil jij drinken, opa?' vraag ik. Het duurt even voordat er een reactie komt. 'Doe mij maar een witte wijn,' antwoordt hij, al is het nauwelijks te verstaan. Alleen het woord 'wijn' komt er nog duidelijk uit, de rest is gebrabbel. Maar ik ken zijn intonatie en daarom weet ik wat hij bedoelt. De gastvrouw kijkt mij aan. Ze wacht zeker totdat ik een goedkeurend knikje geef. Ze zal zich vast afvragen waarom deze man, in zijn driedelig pak en met zijn hoedje op, om half elf 's morgens een wijntje wil. In de wereld van mijn opa is het niet meer ochtend, middag of avond. Hij weet niet eens welke dag het is. Het enige wat hij wil is zijn pak aan en met me mee naar het restaurant van het verzorgingstehuis. En dat doe ik, elke dag. Ik haal hem op van zijn kamer, help hem in zijn rolstoel en rij hem hier naartoe. Ik herhaal de bestelling: 'Een witte wijn voor mijn opa, met een rietje graag'.   Met een servetje veeg ik wat broodkruimels van opa's lippen. Vroeger, toen ik nog klein was, liet hij vaak expres kruimels op zijn lippen zitten. En ondertussen maar doorpraten en doen alsof hij niks in de gaten had. Hoe smeriger ik het vond, hoe meer lol hij erom had. Tegenwoordig is het geen grap meer. Hij heeft het niet meer in de gaten. De kruimels op zijn lippen zitten er en blijven zitten totdat iemand ze wegveegt. Als hij probeert te praten, zie ik ook restanten van zijn ontbijt. Ik voer opa een slok wijn. 'Neem maar een goede slok,' zeg ik, 'dan kun je meteen die stukjes brood wegspoelen.' Braaf doet opa wat ik hem opdraag. Ik breng het rietje naar zijn mond en hij slikt.   Een eindje verderop, bij de schuifdeur, staat mevrouw Kers. De deur gaat niet open. Daarvoor moet je de code kennen en die weet ze niet. Mevrouw Kers heeft haar jas aan en ze houdt haar handtas stevig tegen zich aan gedrukt. Een paar dagen geleden is ze ook opgenomen op deze gesloten afdeling van het verzorgingstehuis. Ze is de nieuwe buurvrouw van opa. Als ik naar haar toe loop, raakt ze lichtelijk in paniek.  'Ik moet naar huis,' roept ze en bonkt op de dichte deur. 'Ik moet hier weg.' ‘Waarom wilt u naar huis?’ vraag ik. ‘Ik heb jonge kinderen,’ roept ze, ‘en die zijn helemaal alleen thuis.’ Ik leg een hand op haar schouder. ‘Zal ik straks even bij uw kinderen gaan kijken?’   Mevrouw Kers knikt. ‘Als dat kan, heel graag.’ 'Kom,' zeg ik en begeleid haar naar haar stoel, ‘over tien minuten gaat u eerst lekker eten.’ Opa heeft niet eens in de gaten gehad dat ik even weg was. Zijn ogen zijn dicht. Hij zit te sukkelen. In zijn hand houdt hij een denkbeeldig glas vast en brengt het naar zijn lippen. Vlug pak ik zijn echte glas en breng het rietje weer naar zijn mond. Opa neemt een slok en zet zijn fictieve glas terug op tafel.    De liftdeuren gaan open. Oudjes in rolstoelen worden door verpleegsters binnen gereden. Enkele, enigszins mobiele senioren wandelen erachteraan met een rollator. Ze gaan zitten in een kring en de begeleidster zet een CD aan. De Oudhollandse liederen worden meegezongen door enkelen. De rest zit er voor spek en bonen bij. Opa's ogen zijn nog steeds gesloten. Ik vraag me af waar hij over droomt. Is hij bang? Verdrietig? Of zit hij gewoonweg in een eeuwigdurende roes? Wat zal er in dat kopje van hem omgaan? Mevrouw Kers staat opnieuw bij de schuifdeur te roepen dat ze naar huis moet. De verpleegkundigen zijn druk bezig met de steunkousen van mevrouw Maandag en het voeren van appelmoes aan meneer Ten Dam. Ik besluit de oude dame nogmaals te helpen. ‘Geen zorgen,’ zeg ik, ‘straks ga ik bij uw kinderen kijken.’ Mevrouw Kers kijkt me verbaasd aan en begint hard te lachen. ‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen.’ ‘Maar zojuist vertelde u over uw kinderen…’ Resoluut schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, dat heb ik nooit gezegd.’ ‘Dan heb ik het vast verkeerd verstaan,’ antwoord ik. ‘Komt u maar met mij mee.’ Mevrouw Kers loopt aan mijn arm mee en gaat weer zitten op haar stoel bij het raam. Ze zwaait naar wat voorbijgangers op straat. Bij het horen van de muziek beweegt ze haar hoofd en handen aritmisch mee.   'Geef mij maar Amsterdam' wordt afgesloten met een daverend applaus door de activiteitenbegeleidster en de anderhalve paardenkop die meegezongen heeft. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat mevrouw Kers weer aanstalten maakt om naar huis te gaan. Voordat de warme maaltijd geserveerd zal worden, is er nog tijd voor een liedje. Het betreft een verzoeknummer, vertelt de begeleidster. Even is het stil. Mevrouw Kers blijft ook even stilstaan. Dan klinken de eerste klanken van 'Mijn opa'. 'Mijn opa, mijn opa, mijn opa... In heel Europa was er niemand zoals hij..' Er verschijnt een glimlachje op opa's gezicht. © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
41 1

Korneel ontdekt Nachtegaallaan 1a.

Uiteindelijk bel ik aan. Ademmist lost mijn ingehouden spanning op. Een panfluitmelodie verraadt een holle inkomsthal. De herfstkleuren op de deurmat verbergen de gastvrije boodschap. Ik steun eerst op mijn linkervoet, hel over naar mijn rechtervoet. Nee, vlug weer naar de linkervoet. Die enkel herinnert soms nog aan een verloren volleybalmatch. Grijpende handen naar het net bij het ineenzijgen op het veld, een fluitsignaal en een kampioenenviering aan de andere zijde… . Ondertussen lijk ik de nerven van de eikendeur te bestuderen. Zij tonen de grilligheid die bomen beleven. Zij herinneren aan de grens tussen wat was en is. Zou ik nogmaals aanbellen? Ik probeer  binnen te kijken langs het rechterraam. De gordijnen zijn dicht. Kan ik nu nog weg alsof er niets gebeurde? De drie stille jaren niet verbreken. Hoeveel tijd is er verspild aan geplande ontmoetingen die uiteindelijk niet hebben plaatsgevonden op deze aardbol? Laat staan aan ongeplande? Mijn hoofd vraagt door terwijl ik ijsbeer op het trottoir. Het lijkt me weer een aangename gedachte om het verleden te laten rusten. Misschien wel, maar dan moet ik nu weg. Als die deur nu opent... . Ik draai me gehaast om en merk dat de overbuur zijn gordijnen nog nawiegen. Een motorfietshelm stopt en deelt gedempt mee: “Ze zijn thuis, ik heb ze daarnet nog de boodschappen zien uitladen.” Het vizier gaat open, “Daniël." Hij steekt zijn hand uit. Ik schud “euh, Korneel” uit de mouw. “Jou ken ik niet, Oost-Vlaanderen?” “Hmm ja uit Kaprijke, het is mijn eerste keer in Meerhout” Een wolkbreuk en de motorfiets ronkt opnieuw. “Bel nog maar eens, ze zijn thuis hoor.” De verplichting drukt en de panfluit galmt al na. De gure wind slaat mijn sjaal kletsnat op mijn wang. Ik hoor gerommel en een licht klikt aan. Dit is het, dit … “Hallo?” De deur opent langzaam. “Zeg eens…” “Euhm ja, is Kirsten thuis? Ik kom voor haar.” De droge ruimte wenkt me en ik staak mijn pas wanneer mijn schouder tegen de nog opengaande deur aanduwt “ Sorry, maar die regen…” “... En wie ben jij?” Even groot zijn we. Merk ik op als we oog in oog staan. Hij draagt een koningsblauw kostuum. Ik buig me eens naar de rits van mijn softshell. “Korneel, ze had...” “Ach jij bent Korneel. Korneel! Spuugkameel! Heb je soms kaneel? Met Korneel alles okergeel! Welkom, welkom in Meerhout”, de deur gaapt nu warmte uit. Mijn schouder vangt de enthousiaste dreunen op. Hij kent het liedje, ons liedje… . Ik probeer beleefd mee te knikken en vriendelijk het gedrag van deze gastheer te interpreteren. “Ja Kirsten heeft veel over je verteld, erelid van het Lindeverbond, Pfff…”, een theatrale handenzwaai. “Deugnieten, kom verder, geef je jas! Die droog ik direct bij de verwarming.” In enkele seconden ben ik blijkbaar geliefd in Meerhout en hij kent het liedje. “Heb je het gemakkelijk gevonden?” “Nu ja, een GPS doet veel, slaafs volgen was de enige optie om hier te geraken.” “We hadden je niet meer verwacht. Kirsten stuurde je een brief en we kregen geen antwoord van jou.” “Linde heeft me overhaald toch te komen. Het is al drie jaar geleden. Ik heb getwijfeld om hier voor jullie deur te staan. Sorry hoor…, maar jij bent de vriend van Kirsten?” “Oei ja, ik heb me niet voorgesteld,... eerder de man, Lieven. Kom zet je aan tafel. Koffie? Een wafel? Kirsten maakt ze zelf, ze volgt de boeken top 10 nauwgezet op.  Natuurlijk de man…, “ Heb je ook wat melk?” Ik kruis mijn armen op tafel, “Kirsten is er niet?” “Jawel hoor, ze is bezig in de keuken.”  “Wat doe jij nu precies?”  “Bankbediende sinds twee jaar”, beken ik. “Ieder zijn job, de grote dromen jaag je niet meer na?” “Ze vertelt inderdaad veel... en hoe verspil jij de vrijheid voor wat centen?” Hij draait zich om voor hij de andere ruimte wil instappen. “Ik ben bedrijfsleider in bodemsaneringen. We zijn de grootste in de provincie. Maar de wereld staat echt niet stil, Korneel. De klant gedraagt zich veeleisender. De markt geraakt verzadigd. Dus moet je creatief zijn om de concurrentie voor te zijn. Ik kom nu net terug van een meeting. Ik ben al een halfjaar bezig met het overnemen van een andere vestiging, maar dat verloopt heel moeizaam... . “Ok, genoeg over mezelf. Ik ga Kirsten halen en koffie maken.” Eindelijk. Ik schuif mijn stoel wat achteruit en wikkel wat heen en weer. Wie is dit toch? Er klingelt plots metaal op de grond. Een mixer? Is dit wel een goed teken? Waarom stond Linde er op dat ik net op deze avond naar Meerhout zou afzakken? Dwaas... . Er komt snel hakkengetik mijn richting uit. Een rode jurk wordt beschermd door een roze schort met een witte ster. De roze, sierlijke woorden “sterrenchef” komen niet uit de lucht vallen. Er valt bruin haar over de schouders en de blauwe, stralende ogen herken ik uit alle herinneringen. “Jij hebt je haar gekleurd.” Ze plaatst de wafels op tafel. “Dan toch hier geraakt!”, haar hooggehouden leraressenarm roept me op het matje. “En jij bent getrouwd?” Ik plaats mijn handen in de zij. Ze verbergen het feit dat die onwetendheid op mijn heupen werkt. “jaaaaah!” Een uitgestrekte arm presenteert de ring, maar ik interpreteer het anders. Neem haar vast, begin haar in de lucht te draaien. Drie jaar cirkelt in tien seconden voorbij. Onze weerziensdans stopt. We nemen plaats tegenover elkaar aan tafel. “Je bent echt blij voor mij!” “Natuurlijk, ik ben dan ook de trouwste supporter van je levensloop. Ik blijf je steunen in al je daden, ook de ongekende.” “ Je weet toch...” “ ja, ja, jij wou ademruimte en liet mijn hart rusten. Je wou het echte leven starten zoals je het toen verwoordde. Dat is je gelukt, denk ik zo. Je woont mooi, je hebt een man. Je bent geworteld in Meerhout…” “Stom gestruikel met woorden, Korneel!” “... En daarbij ik ben niet naar hier gekomen om verklaringen te krijgen. Wat is gebeurd, is gebeurd.” “Ok, ok, zoals je wilt, je krijgt geen loze woorden. Maar je was boos. Je hebt niet geantwoord. Ik heb wel twintig keer aan Linde haar mouw getrokken. Vanwaar de twijfel? Wou je me echt niet meer zien?” “Het is niet de boosheid of woede, Kirsten. Die was er zeker in het begin, versta me niet verkeerd. Wij drieën waren familie, jarenlang. Niets of weinig van je horen, ik moest me echt schikken in die nieuwe rol. Ik begrijp nu pas dat het ook voor jou lastig was om zo weinig mogelijk contact te houden. Jouw brief heeft me verrast. Ik wist niet dat je zo nostalgisch was. De herinneringen die je beschreef, zo in detail, bijna levensecht. De voorbije weken heb ik meermaals ons verleden herbeleefd. Sommige dingen herinner ik me anders, of was ik al helemaal vergeten.” “Dankjewel, je beseft dat die hele periode voor mij belangrijk is geweest. Ook al wou ik resoluut veranderen. Ik mis jullie meer dan ik wil toegeven. Wat ik met jullie heb meegemaakt, glijdt nog elke dag door in de activiteiten die ik vandaag doe." “… En dat is net de reden waarom ik heb getwijfeld. De angst om wat je hebt veranderd te zien. Op ontdekkingstocht gaan naar de bekende die een vreemde begon te worden. Ik wou niet vaststellen dat ik inderdaad geen rol meer te spelen heb, enkel tot je verleden behoor.” Ze wrijft zacht over mijn handen, glimlacht. “Heb je jouw Lindeboek mee?” “Ja, neen,.. het is te zeggen ik heb de pagina’s ingescand met mijn smartphone. Ik kon ze toch ook gewoon doorsturen?” “Ik wou dat je ze persoonlijk kwam brengen. Mag ik ze nu zien?” Ik zoek mijn softshell. Haal mijn smartphone er uit en laat de afbeeldingen kopiëren  naar haar laptop. Een halfuur gaat voorbij, technologieklungel hoort er nu éénmaal bij. Ze bekijkt haastig de vele foto’s. Haar hand gaat naar haar mond, dan weer een gil of een kir. Ik kruis mijn voeten en geniet van dit schouwspel. Enkel Linde ontbreekt nog, bedenk ik me. Zij hield ons samen. Ik schrik op als Kirsten plots verwonderd blijft staren naar het scherm. “Wat is er, zie je een spook?” “Zie je wel, ik wist het”, ze triomfeert en haalt er Lieven bij. Hij plaatst zijn handen op haar schouders. Ik merk nu zijn rouwnagels op. Hij buigt voorover naar het scherm. “Deze foto maakt die overname inderdaad gemakkelijk, Kirsten!” Hij knikt me goedkeurend toe. “Het ging je niet om het Lindeboek, de herinneringen, onze vriendschap?” Ze blijft voor zich uitstaren, niet in mijn ogen.  Ik draai me tenslotte om. Op de dressoir zie ik een kader staan. Er zitten zwartgeblakerde bladzijden in. “Dat is wat overblijft van mijn Lindeboek Korneel. Ik heb de herinneringen in mijn hoofd, maar ik kon ze niet meer doorbladeren. Nu kan ik dit terug doen, dankjewel.” “Je bent misschien gelukkig met deze levensfase, Kirsten, maar er weegt precies een last op je schouders.” Ik kijk Lieven aan. “ Ja Korneel”, sust Lieven. “Wil jij peter worden van onze zoon? Linde wordt de meter. Kirsten wil het Lindeverbond verder zetten.” Een traan rolt over Kirstens wang, ze herhaalt de vraag, voegt “alsjeblieft” toe. Mijn laatste opmerking miste doel. Ik sla het laptopscherm neer en tik erop. “Bij nostalgie verbloemen de aangename herinneringen een periode uit je leven. Vandaag zal de vraag of ik peter wil worden, nostalgisch zijn.” Ik richt mijn blik terug tot Lieven. “Natuurlijk wil ik dat, Kirsten. Het is een eer. Ik haat het om louter als supporter in een tribune aan te moedigen. Ik wil deel uitmaken van het team.” “En wij hebben je liever als dichte buur, dan als verre vriend, Korneel.” “Zoals Daniël?” “.. Ah, je kent Daniël al”, we schateren. Tenslotte sta ik op en het tafellaken golft na. Ik bedank Kirsten, kus een goeie nacht, geef Lieven een stevige handdruk en wens hem een succesvolle overname toe. Kirsten opent de deur,“je mankt. Is dat nog steeds die blessure?” “Als ik te lang stilzit, gebeurt dat soms. Mijn lichaam wreekt de inspanningen uit het verleden. Maar ik vind het niet erg, ik hou van volleybal.”

KLAAS
0 0

Twijfel

Het aantal keren dat hij op deze wijze in het kamertje staat, varieert van dag tot dag. De benen lichtjes gespreid, mikkend, zonder er een spel van te maken, soms naar buiten kijkend. Zijn vrouw had de gordijnen tijdelijk weggehaald. Nu ziet hij in de verte en naar de wolken. Voorbij de tuinmuren kijkt hij andere tuintjes in, maar niemand ziet hem. Daar heeft hij zichzelf van overtuigd. Een vrouw met een wasmand in de armen loopt naar de droogtoren. Ze zet de knijpers per kleur in de natte keukenhanddoeken, hemden, onderlijfjes. Zes maal groen, zes keer geel, twee maal rood. Het aantal keren dat hij de sporen van een vliegtuig ziet, verschilt dagelijks. Nu nadert het gevleugeld vervoermiddel langzaam zijn gezichtsveld, en vertraagt. Hij twijfelt niet, het vermindert zijn snelheid tot het zo goed als stil hangt en hij oog in oog komt te staan met de piloot. Hij schrikt en schikt haastig zijn vrijetijdshemd in zijn jeans. Tot zijn grote verbazing maakt de kapitein van het vliegschip gebaren, alsof hij de man wenkt. Hij wrijft de ogen uit, kijkt nog een keer met argusblik en ziet dat de man hem overtuigder wenkt. Daar kan hij niets op tegen hebben. In snel tempo moet hij een koord spannen om een afstand van ongeveer 500 meter te overbruggen. Het zal er koud zijn. De piloot knikt tevreden wanneer hij opmerkt dat een wollen trui over het hoofd wordt getrokken. De vrouw laat de lege mand in het gras staan, en rekt zich uit. Traag en met bewuste aandacht. Dan gaat ze liggen op een grote handdoek. Met gesloten ogen verzeilt ze in een klare slaap. In een lucide droom ontmoet ze een man die zichzelf voorstelt als Jan. Hij praat onafgebroken over zijn vluchten die lang en vermoeiend zijn. Hij zou ze voor geen goud willen ruilen voor het werk van een treinbestuurder. Terwijl ze zich klaar maakt voor een vlucht van een slordige 5000 kilometer, praat ze over eerdere reiservaringen. Ze kiest een trui die ze over het hoofd trekt. Dan kijkt ze vreemd op van een koord in de lucht, als een hangbrug tussen twee punten. Het ene punt van bevestiging bevindt zich tegen de buitenmuur onder een raam. Ze denkt haar buurman daar te zien, hij staat klaar bij dat raam om een overtocht te maken. Het andere punt van bevestiging zit onder de buik van een stationair vliegtuig. Het wacht daar nabij de wolken, in de blauwe lucht. De piloot wenkt haar. Met vriendelijke gebaren nodigt Jan haar uit op de voltrekking van zijn vlucht. Maar de man moet eerst iets doorspoelen. Het zijn natte dromen. Geen gele of groene. Geen rode.

Ingrid Strobbe
27 0

Marjolijntje

Toen de rechter het vonnis velde – levenslange opsluiting – kon ik maar aan een iemand denken: mijn dertienjarige buurmeisje. Marjolijntje heette ze. Snoezig ding. Wanneer de zon nog maar kwam piepen ravotte ze op straat; touwtjespringen met haar vriendinnetjes, waterballonnengevecht houden met haar vriendjes. Wanneer ze alleen was, tekende ze op het asfalt vakjes en figuurtjes om hinkstapsprong te spelen. En wanneer ze écht alleen was, stelde ze zich voor dat die vakjes en figuurtjes een landingsplaats voor ufo's waren. Dan legde ze er bloemen naast ter verwelkoming van de marsmannetjes. Ze blies belletjes en smeekte om snoep. Ze speelde soms te enthousiast en wanneer ze viel, kleefde mama een pleister op haar gehavende knie, samen met een kusje. In haar ogen zag je een dartel universum van geurig geluk dat steeds in bloei stond.   Haar familie hield van haar, ik hield van haar, de buurt hield van haar. Ruben hield niet van haar en maakte haar zwanger op haar dertiende.   Haar mama stond wenend aan mijn deur; gebroken, verscheurd, wondermooi als altijd. Ze begreep niet hoe het zover had kunnen komen. Ze had haar dochter toch goed opgevoed? 'Die Ruben kan het goed uitleggen en Marjolijntje weet niet goed wat ze gedaan heeft.' Ik kon haar niet vertellen dat Marjolijntje waarschijnlijk heel goed wist wat ze gedaan had, dus ik antwoordde, 'Jongens zijn testosteron op die leeftijd. Geile klootzakjes.' Ik verzocht haar binnen te komen om verder te praten, maar dat wou ze niet. 'Geen tweede keer', zei ze.   De hele buurt sprak er schande over. Tienerzwangerschappen zijn voor marginale sletjes zonder vaderfiguur. Gepolijste karaktertjes zoals ons Marjolijntje doen niet mee aan die viezigheid, dachten ze. Marjolijntje kreeg geen snoep meer. Marginale sletjes halen hun lekkers wel ergens anders. De eerste drie maanden van haar zwangerschap was ze nergens te zien. Werd ze binnengehouden omdat mama de buurt niet wou opzadelen met plaatsvervangende schaamte? Of waren er complicaties? Ik moest het weten. Ik belde aan. Ze was alleen thuis. 'Dag meneer, kom je naar mijn dikke ballon kijken?' Ze droeg een kort T-shirtje dat net haar borstjes bedekte. Onder die borstjes een platte buik met in het midden een navel waaruit een navelstreng tevoorschijn kwam. Aan het uiteinde van die navelstreng zat een ballon bevestigd; een dikke zwevende ballon waarin een foetus groeide. Het was bizar en afzichtelijk en kinderlijk mooi. Ze liet me binnen. Wanneer we door de lage deuropening naar de woonkamer liepen, moest ze haar navelstreng vasthouden en het ballonnetje wat naar beneden trekken. Een moederkloek beschermt altijd.   We gingen zitten. Een ongemakkelijke stilte volgde, een stilte die ze vulde met koffie voor haar gast. Ik wou haar vragen waarom ze die Ruben met zijn vuile poten had toegelaten, maar dat antwoord was niet moeilijk te raden en ik wou niet dat ze me een dommerik vond die met een belerend vingertje in het ijle zwaaide. Ik vroeg dan maar, 'Wordt het een jongen of een meisje?' 'Dat zullen we binnen een maand zelf kunnen zien. Mijn ballonnetje is doorschijnend, of had u dat nog niet gezien, meneer?' Intelligent ding. Net als haar moeder. Natuurlijk had ik gezien dat haar ballonnetje doorzichtig was. Die smalltalk was niets voor haar. Voor mij ook niet trouwens, anders zou ze mijn poging tot niet gemerkt hebben. 'Ben je gelukkig?' 'Ja! Ruben wil er ook voor zorgen. Met twee lukt het ons wel. Met drie eigenlijk. Mama gaat ook haar best doen. Denk ik.' Ik dronk mijn koffie op, wenste haar het beste met de zwangerschap, aaide over haar ballonnetje hoewel het ding dat erin groeide me lelijk aankeek en vertrok. Kon ik haar zeggen dat Ruben er niet voor zou zorgen, dat ze er uiteindelijk alleen voor zou staan, net als haar moeder?   Twee maanden daarna zag ik haar opnieuw buitenspelen, opnieuw figuurtjes op het asfalt tekenen, opnieuw de marsmannetjes begroeten. Alleen ging het hinkstapspringen wat trager, lomer. De foetus was flink gegroeid; het ballonnetje leek op ontploffen te staan. Wanneer de andere kinderen in de straat erover wouden wrijven, trok ze haar navelstreng naar beneden en hield het ballonnetje tegen haar linkerwang. De ouders van de buurt riepen hun kroost naar binnen: 'Laat ze maar met rust of jullie groeien ook een ballon!' Marjolijntje stond alleen op straat. Ze hield haar navelstreng goed vast, want er was een sterke wind opgestoken die met haar ballonnetje dartel danste.   Toen ze acht maanden zwanger was, zat Marjolijntje in mijn keuken te wenen en haar zondvloed aan tranen erodeerden de keukentafel. Rubens moeder had ontkend dat haar zoon Marjolijntje zwanger had gemaakt. Een vaderschapstest was uit den boze; geen verantwoordelijkheid die halfslachtig kon opgenomen worden. Ze kon geen woord uitbrengen en ik stak een sigaret op. 'Marjolijntje toch. Het komt allemaal goed. Je zal er niet alleen voor staan. Je moeder zal er ook voor zorgen en ik wil helpen. Wat denk je?' Maar het zou niet goed komen en ze zou er wel alleen voor staan. Opnieuw moest ik liegen tegen een zwanger meisje, maar deze keer viel het me zwaarder. Het ongeboren kind in haar ballonnetje mocht niet hetzelfde meemaken als de moeder. Ik trok van mijn sigaret, keek ernaar terwijl de rook zich rond mijn vinger krulde. Ik trok opnieuw. Ik keek naar het ballonnetje. Mijn handen jeukten, Marjolijntje huilde. Ik trok voor de laatste keer. Marjolijntje was te druk bezig met haar verdriet om te zien wat ik deed.   Paf.   Een ballonnetje is niet sterker dan het uiteinde van een brandende sigaret.   De tijd maakt zigzaggende hinkstapsprongen op de gevangenisvloer. Als babymoordenaar kun je niet op het begrip van verkrachters en overvallers rekenen en de isoleercel in mijn hoofd begint langzaamaan vorm te krijgen: een ballon waarin mijn hersenen drijven en waarvan ik hoop dat hij ooit door Marjolijntje wordt vastgehouden.   Ik zie een baby op een bedje van ballonschilfers liggen, sigaret in het kleine handje. Het staart me aan en ik staar terug. Het krijtje in mijn hand weegt loodzwaar. 'Doe maar, laat de ufo's landen', lijkt de baby te denken. Ik buk me en teken een figuur op de vloer terwijl het geluid van spelende kinderen door de kamer dartelt. Het is Marjolijntje die ik teken. De baby staat op, komt naast mij staan, trekt van de sigaret, ik kleur Marjolijntje in, het trekt voor de laatste keer van de sigaret, Marjolijntje komt tot leven...   Paf.

Michaël Verest
49 0

Lucky number twelve

Is het bijgeloof of autisme? Ik reken dit het liefst onder de eerste noemer, als een soort van gemakkelijke gewoonte. Andere mensen bestempelen het misschien eerder als een autistisch trekje… Elk cijfer dat ik min of meer zelf kan bepalen, krijgt ergens een twaalf in verwerkt. Twee eenzaten. Een één en een twee. Samen een duo van priemussen.   Waarom? Misschien gaat de geschiedenis wel terug tot op de schoolbanken. De som van mijn letters vertaalde zich namelijk vaak in klasnummer 12. Op de volleybal draag ik truitje nummer 12. Mijn beste vriendin heeft huisnummer 12 (jaloers, hoezo?). Ja, ik zet ook steevast het volume van de autoradio op 12, of op 24 als het wat luider mag, en ik begin of eindig alle gokgetallen bij schiftingsvragen met 12 (tot zo ver mijn bijgeloof want het heeft mij nog nooit geluk gebracht).   Ik hang eraan vast. Als een slecht cijferslot, gezien de extreem makkelijke combinatie. Ik wilde zelfs een kind in het jaar 2012. Mislukt! Nu kan ik alleen nog hopen en kopen op de 12e dag of de 12e maand. Want voor 12 kinderen ga ik toch passen.   Misschien ligt het aan de positie in het cijferbet (is dat wel een woord?): tussen de lieve elf en de ongelukkige dertien. Ingesloten door een dilemma, precies als in de tekenfilms: een engeltje links en een duiveltje rechts die elk hun mening delen. Ik kan op beide rekenen voor een oplossing.   Misschien is het omdat een team in de volleybal met twaalf moet zijn om een match te spelen. Misschien is het omdat de twaalf de 1 en de 2 zo mooi verenigt, zonder dat ze in competitie hoeven te zijn met elkaar. Misschien is het door de harde lijnen en hoeken van de 1 in combinatie met de zachte rondingen van de 2.   Zachtheid. Dat is wat dit cijfer typeert in het Frans: douze. Misschien is dat ook hoe ik mezelf graag typeer. Ik ben een twaalfje: wat hard at 1st sight, maar na een 2nd opinion gewoon een ontelbaar zacht karakter.     12 Jij bent mijn nr 1 én mijn nr 2 in één Het kerngetal van mijn bestaan

Rien Mertens
83 0

De Vloek van de Blauwe Vogel

In een dorp heel ver hiervandaan zaten een oude man en zijn kleinzoon dicht bij elkaar aan het  haardvuur. Buiten was het stikdonker, al vele uren lang. De kleine jongen keek met grote ogen op  naar zijn grootvader en vroeg: “Opa, waarom maken elk jaar alles donker?” De opa slaakt een diepe  zucht, nam zijn kleinzoon op schoot en begon te vertellen:  “Lang, lang geleden hebben de mensen uit ons Rijk iets heel stom gedaan. Voor die daad moeten wij  voor eeuwig boeten. Het begon allemaal toen de Koning en zijn knecht gingen jagen. De jacht ging  goed totdat er een majestueus hert op hun pad verscheen. Onmiddellijk werd de achtervolging  ingezet. Na een tijdje echter, draaide het hert zich abrupt om en viel de Koning aan. De trouwe  knecht zag dit gebeuren en kon zich op het laatste nippertje tussen zijn Meester en het woeste dier  gooien. De dappere man overleefde deze heldendaad niet.   Plots verscheen er een klein, blauw vogeltje dat hem leek te wenken. De Koning gaf zijn paard de  sporen en volgde het vogeltje zo snel als hij kon. Het dappere beestje leidde hem via een kortere weg  terug naar de stad, wetend dat het hert hem daar nooit zou volgen. Tot zijn grote verbazing, bleef de  vogel hem volgen en hij besloot in zijn paleistuin te laten wonen. Ook ontfermde hij zich over het  arme zoontje van zijn knecht, die wees was nu ook zijn vader overleden was. Zijn moeder was reeds  in het kraambed gestorven. De jongen had veel verstand van vogels en daarom werd hij de  persoonlijke verzorger van het kleine blauwe vogeltje.   De kleine jongen was bij iedereen geliefd omwille van zijn altijd vrolijke verschijning. De Koning had  ook een zoon. De jonge kroonprins was een paar jaar ouder dan de arme jongen en was onvriendelijk  van aard en hooghartig. Vandaar dat het volk op handen droeg, terwijl men de Kroonprins liever  vermeed. Dit zinde de Kroonprins helemaal niet en hij verzon een plan om zich van dat klein  scharminkel te ontdoen.     Op een nacht sloop hij de tuin in, ving het vogeltje en draaide het beestje de nek om. De volgende  ochtend bracht hij huilend het lijkje naar zijn ouders en vertelde snikkend hoe hij de arme jongen het  beestje de nek had zien omwringen. De Koning en Koningin waren verbijsterd en diep geschokt door  deze onthulling. Ze wilden hun zoon niet geloven, maar die bleef volhouden.   Uiteindelijk besloten ze het volk te raadplegen. Beide jongens deden hun verhaal en men geloofde de  Kroonprins, geïmponeerd door zijn tranen en zijn schitterende verschijning. Hun woede was groot en  ze eisten het leven van de jongen op.   Enkele dagen werd het vonnis voltrokken. Toen het kind zijn laatste adem uitblies, kwamen er  honderden, misschien wel duizenden, vogels aangevlogen tot het Rijk in een volledige duisternis  gehuld was. De geest van het kleine vogeltje verscheen en zijn stem weergalmde door het Rijk: “Elk  jaar op deze dag, zal de stad in duisternis gehuld worden en het onschuldige leven dat jullie   genomen hebben, zal gewroken worden.”   Vanaf dan verduisterden vogels op die dag de stad en namen ze 8 kinderen mee. 8 omdat de arme  jongen 8 jaar oud is geworden.”    Vermoeid door het vertellen viel de oude man in slaap. De jongen kroop voorzichtig van zijn schoot  en liep naar het raam. Het was alsof een stem hem naar buiten riep. Langzaam opende hij de deur en  stapte de donkere buitenlucht in. Duizenden vogels keken op hem neer en opnieuw voelde hij het  onweerstaanbare verlangen bij de groep te horen. Hij voelde hoe hij werd opgetild. Het volgende  moment bevond hij zich hoog boven het Rijk en keek neer op het verstilde Rijk. Rondom hem hoorde  hij het flapperen van vleugels. Nog 1 keer keek hij naar beneden en vloog toen, samen met de andere  vogels, de horizon tegemoet. 

Kaat W
0 0