Lezen

Leegte

Ik wilde de leegte vullen met andere lege dingen. Kon ik het maar benoemen dan leek het allemaal zo leeg nog niet. Leeg, leef, of levenloos, moeiteloos, achteloos maar vooral liefdeloos.  Het is als de dood van een kind, een fantasie, een hersenspinsel dat liederen zingt en wild in het rond danst in mijn hoofd.  Het is als zwarte drassige sneeuw die weg loopt in een smerig riool en daar zijn weg verder zet. Het is als de bloem die haar laatste blaadje los laat in de hevige wind en pas te laat beseft dat de herfst nog lang niet in aantocht is.Het is de boze vader die zijn kind versiert met blauwe plekken en bloedneuzen, slagen met de riem op een gehavend mager ruggetje en pas stopt als het huilen stillaan is vergaan.  Het is de moeder die haar kind verstikt omdat het gekrijs haar oren doet bloeden. Het is de moeder, het is de moeder die de woede in zich op neemt en het haar eigen maakt.  Het is de moeder die haar kind begraaft en zoute tranen achter laat op een spierwitte kleine kist met het kruis dat eraf getrokken is.  Het zijn de broer en de zus en de afwezigheid van een kus of een troostend woord. Hij heeft haar vermoord, verstikt en verminkt met zijn woedende blikken die vensters doen barsten en deuren open wrikt en zo het hele huis vernielt zonder zich eerst even voor te stellen. Zonder koffie of thee met een koekje of een wolkje melk.  Het is het krijsend geluid van de meid die zich verstopt achter het gordijn om toch maar geen getuige te hoeven zijn van dit bloedbad, slagveld of oorlogspad.  Het is de bijstaander die steeds weer de andere kant op kijkt en angstig zegt: 'Neen hoor, ik heb niks gezien, ik heb niks gehoord.' maar toch even stiekem kijkt, zucht en blij is dat hij het niet is.  Het is het kleine kind dat achter blijft tussen het smerige puin van haat, verdriet, geweld en pijn.  Het is het kind dat, als het later groot is, zelf de boosdoener zal zijn. 

Cienn
17 0

KAMPIOEN

Ontspan je voorhoofd, je wenkbrauwen, je neusbrug, je mond. Je tong neemt ruimte in in je mond. Je hoofd staat los op je lichaam.’ De ritmische opeenvolging van zinnen die de yogaleraar bij het begin van de les uitspreekt, vernauwen mijn bewustzijn. De cadans en het timbre van zijn zinderende stem zorgen voor een vorm van focus. Die van ‘het leven in het nu’. De mantra van het waarachtige. Ik surf er even op mee, doe of ik erin geloof. Ik ben tenslotte een ijverige leerling op mijn lichtblauwe matje. Een adept die zich stiekem meet met de andere yogi in de vrijdagavondklas. Let op, competitie en prestatie, die moet je aan de deur achter laten. In de halfduistere, groezelige gymzaal telt niet wie of wat je daarbuiten bent. Not dus. Het is me al van bij de eerste les duidelijk dat de drie jonge moeders die hun uitgezakte, vermoeide lijf betekenis komen geven, mekaar constant beloeren. Wie van ons krijgt er zijn billen in twee tellen galant in kaars naar omhoog? Geen van de drie zo blijkt. De drie gratiën zijn ook buiten de yogales vriendinnen. Voor de les begint, sluit ik steeds even bij hun groepje aan. Op die manier kan ik in hun wederzijds gekwetter opgaan en moet ik geen details kwijt over leven, kinderen, partner. Vragen beantwoord ik consequent met andere vragen of met een vluchtig ‘Prima, alles ok”. Zo parkeer ik meteen elke mogelijke bemoeienis. Yoga, zo heeft mijn huisarts gezegd zou me helpen om los te laten, om in het nu te leven. Ik laat niet los. Ik ga tot het uiterste. Na drie lessen ken ik de volgorde van de oefeningen. Thuis oefen ik ’s morgens, om 5 u zoals het hoort, met de ipad en een yoga-app naast me. Ik perfectioneer mijn ademhaling. Na 7 lessen klinkt het gechant uit mijn borst als de oerschreeuw van een Tibetaanse monnik. Met precisie en discipline ben ik kampioen loslaten. Ontspanning wanneer gevraagd, opspanning wanneer vereist. Vanavond lig ik vlak achter de vriendinnen, rechts en achter mij liggen nog een tiental slachtoffers van de sleur en de werkvloer. Ed ligt links van me. Ed, zeventig, ligt er al twaalf jaar op zijn grijze matje. Hij is het toonbeeld van een gezonde oudedag, geduldig en soepel zonder protesterende gewrichten. Met de yogaleraar heeft hij een speciale verstandhouding; bij het begin van de les geeft hij aan met welke pose hij het mogelijks moeilijk zal krijgen, waar er zich in zijn oude lijf op dat moment een lichte blokkade bevindt. Ed beheerst de les en geniet ronduit van de bewondering van zijn medeyogi. Ed heeft één onhebbelijkheid. Met de billen hoog laat hij ook zijn darmen meesurfen op de ontspanning. Weke winden ontsnappen aan zijn oude lijf. Ze drijven weg en versterken de misselijkmakende, oude voetzolengeur van de yogamatjes in de bedompte zaal. Ik ken intussen precies het moment waarop het vege lijf van Ed leeg loopt. Tussen de zonnegroet en de giraf, halverwege de Bahasana. Het vergt me elke les weer al mijn zelfcontrole en tolerantie om niet opzichtig te walgen, op te staan en fulminerend de les uit te lopen. De yogaleraar daarentegen accepteert gelukkig en gelaten dat ook organen mee in diepe ontspanning gaan. Nu lig ik gespannen het windenmoment af te wachten. Ik concentreer me, nog twee oefeningen. Tijdens de zonnegroet borrelen de darmen van Ed al van de voorpret. En voor het eerst in 10 lessen voel ik mijn controle verslappen. Woede en taaie walging schieten langs mijn keel omhoog. Ik krijg ze niet weggeslikt. ‘Ga dieper in je ontspanning’ beveelt de leraar. De spiegel breekt. Als een furieuze, Russische judoka stort ik me op Ed. Ik ga schrijlings op hem zitten en prang zijn slappe strottenhoofd tussen mijn opgespannen dijen. Ik pers en blijf persen tot er in de zweterige zaal een droge knak klinkt. En ippon, denk ik, helemaal losgelaten.

Hilde Devoghel
0 0

Koffie

Als een verstijfde zombie sta ik voor het espressoapparaat. Mijn koffietas in de rechterhand geklemd. Als het vasthouden van een laatste strohalm. Mijn hoofd troebel van de slaap en de zorgen. Puberende kinderen en een vrouw die niet beter weet. Een moeder die angstaanjagende vooruitgang boekt in het dementeren. En bijgevolg midden in de nacht belt of ik achter kolen kan gaan. Hoewel ze al tien jaar op gas verwarmt. De hopen geld die steeds moeten worden verdiend en meteen uitgegeven moeten worden. Elke dag opnieuw. Het doet me al voor de wekker afgaat verlangen naar dat zwarte goud. Het enige wat me nog steun lijkt te geven in het leven. Hoe is het zover kunnen komen? Aan een pensioen mag ik nog niet beginnen te denken. Dat is nog zeker vijftien jaar ver. Nog veel te vroeg dus om al streepjes in mijn bureau te kerven al was het een grijze gevangenismuur. Ik zet mijn tas onder het espressoapparaat. Een collega komt opgewekt en uitgelaten goeiedag zeggen. Ochtendmensen. Ik heb het er nooit op begrepen. Ik mompel een “lang leve de werkdag” terug, met het onverborgen cynisme er nog aangeplakt. De collega stoot een korte en felle lach uit, legt zijn brik melk in de koelkast en maakt rechtsomkeer. Even gezwind als hij gekomen was. Was ik maar zoals hem. Zorgeloos hoewel hij net zijn tweede scheiding achter de rug heeft. En een kale plek op zijn kruin heeft die elk jaar groter wordt. De goeie centimeter die het jaarlijks opschuift heeft zowat dezelfde functie als de jaarringen van een boom bij hem. Maar het moet toch geweldig zijn het leven met een roze bril te bekijken. Ongeacht het weer. Regen of zon. Altijd die zonnebril op. Met een diepe zucht druk ik op de knop. Laat dat bakje troost maar snel komen. Het apparaat begint te pruttelen en braakt mijn koffie uit met het nodige lawaai. Zwart. Diepzwart. Ik merk dat mijn veter los is en buk me om hem te knopen. Ik begin spontaan te lachen. Tot mijn verassing zie ik dat ik twee verschillende paar sokken aan heb. Een lichtblauw en een grijs exemplaar. Ik moet meteen aan mijn vrouw denken die me nog gisteren een gekkerd noemde. Je kan het verstrooid noemen maar ik ben wel gek genoeg om twee paar kousen aan te trekken. Toch wel het ultieme teken van zorgeloosheid denk ik dan. Met wat zit ik toch altijd in mijn kop. Weet je, denk ik, morgen doe ik mijn beide kinderen verschillende sokken aan. En mijn vrouw mag me nog eens gekkerd noemen. Een sokkenrevolutie tegen zwartgallige gedachten daar teken ik voor. Met een grote glimlach pak ik mijn koffie en been de keuken uit. Laat de dag maar komen.

Tim Berghman
0 0

Svetlana

De Rode Zee is van een extreem blauw. Er ligt een spaarzaam strandje langs. Het randje van een land in ontwikkeling. Strooien parasols. Half afgewerkte (of half afgebroken) toeristische infrastructuur. Ernaast een tent van UNHCR waar mensen in wonen – dit land is werkelijk tot de rand gevuld met vluchtelingen. Aan de overkant de Sinaï. Daar besmuikte gisteren een rookpluim van een bomaanslag dit intense tafereel. Nu omkadert vurig fuchsia van een bougainvillea mijn vista, oleanders gniffelen in de wind. Een rafelig strandje Voor dit multireële tableau, zit ik. Ik tuur de horizon af. Ik wacht op mijn man. Al weet ik hem gewoon onder dat strakblauwe wateroppervlak, voorzien van zuurstofflessen en een goede gids, ik stel me voor dat zijn wereld nu vol sirenen, heremietkreeften en regenboogvissen is. Maar zeker ben ik dat hij straks als een goedgeluimde Neptunus uit de branding zal verrijzen. In afwachting zit ik met Lana opgescheept. Op het half afgewerkte terras van de half afgebroken duikclub is ze niet met de lichtste aarzeling op me afgestapt. En tenslotte aan mijn tafeltje komen zitten. Lana moet een eind in de vijftig zijn, misschien zestig, of wie weet wel zestigplus. Aan Lana heeft de tijd nog niet veel aandacht besteed. Haar gezicht is bondig en vrij van fijne lijnen. Haar korte stugge haar kan, naargelang het felle licht, evengoed blond als grijs zijn. Onder haar rode koltruitje zit een slanke lijn in haar zij, waar ze voortdurend haar handen legt en cirkels met haar heupen wiegt. Lana houdt van honden (dat verhaal bespaar ik u) maar heeft met katten gemeen: haar lenige lijf dus, en meerdere levens. Die ze nu gul aan mij vertelt in een Engels met de afgemeten mechaniek van een notenkraker. In een vorig leven was Lana Svetlana. Een man, drie kinderen en een koude oorlog later is ze in de Golf van Aqaba verzeild. Haar nieuwe man is Jordaans, rookt en drinkt, heeft een hartprobleem. En liegt niet meer tegen haar. Hoe dat laatste zo is gekomen, dat krijg ik willensnillens te horen. Aan ‘in goede en kwade dagen’ had Lana haar Mohammed laten toevoegen dat hij zou stoppen met roken en drinken. Die extra trouwgelofte was de uitkomst van een voor haar zeer logische gedachtengang geweest: zijn hartinfarcten waren volgens de dokter het directe gevolg van zijn slechte gewoonten. Dus moesten die gewoonten Siberischkoud afgeschaft worden. Zo beloofde haar Mohammed. En zo geloofde zij haar Arabier. Tot ze hem op een dag betrapte. Rokend met zijn broer. Dat liet Lana niet over haar kant gaan. De poten van het ijzeren stoeltje gieren over de terrastegels als ze recht gaat staan en mij met een zwier van haar armen toont hoe ze de riem uit de broek van haar man sleurde en hem hiermee slaat. Mijn oren doen er pijn van. Voor mijn ogen lijkt het opnieuw te gebeuren: de ranke Russische slaat haar man voor het oog van zijn broer en wie weet de hele clan die er net op bezoek was. En haar Arabier, die gaat bij zijn moeder uithuilen. Maar het mag niet baten: de stamouders geven Lana gelijk. Trouw is een weids woord. En nooit gratuit. Dit moet even bezinken. Samen turen we naar de kruimelige bodem van het lege zwembad, Lana en ik. Over de manvrouwverhouding in deze maatschappij raak ik elke dag meer in de war. Over de liefde geen woord. Ik wil het niet weten, maar het lijkt me dat op het droge geen prijs voor Lana te hoog was voor de vrijheid om hier elke dag, wars van Rusland, naar het koraalrif te duiken. Volgt nog het verhaal van de straathond. Met de puppies. Maar dat bespaar ik u, zoals beloofd. Waar blijft Neptunus nu toch? Ik kan al niet wachten om straks het zeewier van tussen zijn baard te oogsten en gepekelde kussen van zijn mond te plukken.

Marjanne Sevenant
0 0

Ramadan Kareem!

Op de eerste dag van de Ramadan komt onze dochter uit school gefladderd met een papieren lampion aan haar hand waarop haar dartelheid zich in blauwe stippen en geel-met-roze wolken aftekent. ‘Dit, mama,’ zegt ze, ‘is een ramadan kareem!’ De r-en lopen sterk als Arabische koffie uit haar mondje. Dat de Ramadan zo tastbaar een luchtige lampion kon zijn, dat had ik op voorhand niet kunnen denken. ‘Maak dat je wegkomt voor de vasten begint!’, luidde het eenvoudigweg bij de andere vreemdelingen hier. Stoffige dagen, hongerige chauffeurs, dode winkels, eten noch drinken. Of bedreigingen als je het toch doet. Nu komt, zo leerden we al, het verblijf in een gastland met lusten en lasten. De Ramadan kreeg het voordeel van de twijfel. Bovendien schijnt hier nu elke dag de zon en vraag ik onze dochter soms om mij een wolk te tekenen zodat ik het bestaan ervan niet vergeet. Zo slecht kon het toch niet worden. En het beste was nog dat ik zelf niet zou vasten. En tastbaar werd de Ramadan. Op vele momenten, maar nog het meest van al in dat onbestemde land tussen de dag en de nacht. Net voor de zon de kim gaat kussen. Niet zoals anders slokt het donker de geluiden op. De muezzin klimt de minaret op en schraapt al zijn keel. Want deze keer gaat iedereen luisteren. Schotels worden dampend op tafel gezet. Water, dadels, vruchtensap. Sigaren en aansteker grijpklaar gelegd. Hoort!, hoe de mensen zich naar hun huizen haasten. Geroezemoes en gekonkelfoes. Tot dan, de muezzin zo verlossend de nacht inzingt. Komen eten! Daar tinkelt overal het bestek. De iftar begint. En later, terwijl de volle maan over de stad zeilt, waaien vanaf de minaret eindeloos woorden aan tot bij de sterren en wie het horen wil. Alles komt goed, zo klinkt het. Als sprookjes van duizend en één nacht. Op ons terras zijn onze avonden gevuld. Van een wereld rondom waar wij maar schaars deel aan hebben. Af en toe breekt de klap van een vuurpijl buiten of het sissen van een voetzoeker. Wij denken na over de dagen. Over de tijd die nu met twee tempo’s lijkt te gaan: loom en trager, nerveuzer en koortsachtig rijk en vol. Tot op een nacht percussie en een lallende stem tegen mijn slapen komen gebotst. Bijna roep ik om mijn moeder. Tot ik weer weet dat ik zelf mama ben – hopelijk sliepen de dochters er doorheen. Dwars door ons huis lalt de man, zo lijkt het wel. Zijn stem verwijdert zich, maar het bonzen stopt niet. Of neen, dat is mijn hart. Op de klok is het twee uur dertig, 2.30u in de ochtend! ‘Het is niet omdat jullie Moslims het nachtje doordoen, dat je ons erbij moet betrekken!,’ denk ik het hele ontbijt lang. De volgende nacht is de lallende man er weer. Heeft nu nog geen enkele buur hem een schoen toegeslingerd? En de nacht daarop opnieuw. Wat een tolerantie! Of er moet een verband zijn. En zoals met alle raadsels in dit samenleven hier, leg ik het voor aan mijn Mevrouw de Uil. Mevrouw de Uil, dat is Miss Hanan. Zij is de directrice van het schooltje. Miss Hanan, voor wie ik een groeiend respect koester. Niet in het minst omdat zij de mooie combinatie bezit van gulle wijsheid en kinderlijke blijheid. Wanneer ik voor haar de nachtelijke onderbrekingen van percussie en dronkemansgebras op mijn vingers tel, beginnen haar ogen te glinsteren. ‘Bestaat dat nog?,’ roept ze uit, ‘Waar woon jij wel?’ Zij spreekt de woorden alsof zij daar ook wil wonen. Want in onze wijk, zo blijkt, flakkert een oud gebruik weer op. De trommelaar. In ruil voor wat eten haalt hij de mensen uit hun bed. Zo hebben ze tijd genoeg voor de maaltijd tot de muezzin weer tot de orde van het vasten oproept. In de zomer wordt het vroeg licht. De nacht daarop gaat de folklore aan mij voorbij. Ik word niet meer wakker. Ramadan kareem!

Marjanne Sevenant
0 0

To be

Lieve landmeter, Slechts rakelings zijn onze levens langs elkaar gescheerd. En toch, niet omwille van de alliteratie hierboven, noem ik jou ‘lief’. Je was, na al die maanden in dit land, de eerste die mij vroeg of jouw roken in mijn buurt mij niet stoorde. Alleen al daarom. Veel weet ik niet over jou. Je afkomst en je beroep. Vanwaarbenje en watdoeje. Dat was genoeg voor mij. Het riep een wereld voor me op. Landmeter, uit Syrië. In het lauwwarme uur aan het eind van de dag legden onze schaduwen zich samen op de stenen zitjes van het Romeinse theater in het hart van Amman. De kleine vedetten van de avond lieten op zich wachten. Niets in in dit land begint op tijd. Jij en ik geraakten aan de praat. Of ik het niet erg vond dat het theaterstuk Arabisch gesproken zou zijn, wou je weten. Ik weet niet of ik jou heb kunnen uitleggen hoe ik daar hoegenaamd niet aan tilde. Dat het voor mij genoeg zou zijn om te zien en te horen. Shakespeare door een groep kinderen uit het grootste Syrische vluchtelingenkamp in Jordanië: Zaatari. Shakespeare en Zaatari in één zin, dat volstond. Van België wist je dat het er goed leven is. En je kende één stad: Brugge! (Van de film “In Bruges”.) A small town, zei je, almost a village. Tjaa. En je had gehoord dat in België homo’s homo’s mogen zijn. Ik stond bij die kennis van jou niet lang stil. Maar achteraf beschouwd, je witte T-shirt met een V-hals tot net boven je gitzwarte borsthaar, wie zal het zeggen en wat doet het er toe. In Damascus heb je nog familie wonen, vertelde je. Ze willen er niet weg. Het is er relatief rustig. Zou dat op den duur wennen, dat geroffel in de verte en mensen die daarvan sterven? Ik heb het jou niet gevraagd. In Saudi Arabia had je een goeie job. Maar tegenwoordig is de verblijfsvergunning voor een Syriër jou te duur. Dus leef je in Amman. Illegale ober (maar zo ga ik jou dus niet aanspreken). Je hebt vele vrienden hier. Allemaal Syriër. Verbeeldde ik het mij of ging er een rilling door de lauwe tribunes, toen over het orchestra daar beneden plots een kleine jongen zonder benen werd gerold? Een andere jongeman, ook in een rolstoel, tilde de jongen op tot ver boven zijn hoofd, tot dichtbij het heldendom. En schaterlachen dat die twee deden. Zoveel andere dingen om naar te kijken in dat Romeinse theater, maar volgens mij had iedereen net dat gezien. Kreeg jij, lieve landmeter, daar ook kippenvel van? En toen begon het. Een roedel zwarte kopkes stoof het theater binnen. Samengebracht door de echte tragedie en de tragedie van Hamlet. Glitterpailletjes, sluiers, speelgoedzwaarden, krullepruiken, koning en prinsessen. Ze speelden het woestijnstof van de stenen. Boven het theater werd de avond van terracotta. Tegen de moskeeën knipte het groene neonlicht aan. Hoog aan de hemel dansten twee vliegers muisstil. Toen begon de stad de zonsondergang in te zingen. In het theater stroomden alle grote mannen tussen de tribunes naar buiten en haastten zich naar het gebed. Maar niets bracht de jonge acteurs uit het lood. Niet alleen door een taalverschil had ik het eind van het stuk niet zien aankomen. Toen de nieuwbakken acteurtjes zich in lange rijen opstelden, en met hun kartonnen wapentjes fiks in de hand de steile trappen tussen het publiek omhoogklommen. Toen het plots zo luid en overtuigd uit hun borstkasjes klonk: “To be or not to be!”. Tot ver boven de vliegers ging het. “To be or not to be!”. Ik hoor het nog in mijn hoofd! Het was geen stofje in mijn oog wat mij parten speelde. Na het eindeloze applaus voor het stuk, en voor veel meer, gingen jij en ik elk weer naar ons eigen leven. Ik kwam thuis en sloeg stomweg de krant open. Een fotoreportage. Een meute zwarte kopkes in het rosse gras. Met zelfgemaakte speelgoedwapens in de weer. Het konden mijn steracteurtjes zijn. In de velden rond hun vluchtelingenkamp in Jordanië waren ze aan het oefenen voor Shakespeare’s tragedie. Dat dit in mijn Belgische krant kwam! Tot ik de titel boven de reportage las: Kindrebellen. En de tekst langs de foto’s. Deze kinderen waren niet in Zaatari. Ze waren nog op het Syrische platteland. Ze hielden generale repetitie voor een echte tragedie. Lieve landmeter uit Syrië, naar de tragedie in je land kijk ik evenzeer met ongeletterdheid. De plot begrijp ik niet en evenmin zie ik het einde aankomen. Maar tegen beter weten in hoop ik heel vurig dat jij binnenkort weer land mag meten ginds. Het ga je goed, hier en nu en ginds en later, Marjanne

Marjanne Sevenant
0 0

Van weg geweest

Er is een knalgeel eendje voor Julie. Het rinkelt en knispert een beetje als je erin knijpt. Ik reik het haar aan. Ze brengt haar beide armpjes omhoog, strekt haar vingertjes uit en plukt het met twee handjes uit mijn handen. Aangereikte dingen met twee handen aannemen, in India heb ik geleerd dat het in Azië een gebaar is van respect. Ik heb het altijd een mooi gebaar gevonden. Alsof je iets ten volle grijpt. Van overal neem je iets mee. Het brengt me bij mijn mijmeringen op de fiets wanneer ik het bochtige pad neem langs de rivier op weg naar mijn werk. De rivier geeft meer stenen bloot dan anders. Het groen is uitbundig nu, het schreeuwt in vele vormen. Mijn mond valt open en er dansen muggen binnen. Ik verslik me in de natuur. Soms ligt een dikke tak op het pad na een donderstorm – zo heet het hier – , waar ik dan mijn fiets overheen moet tillen. Een stuk bos dat praktisch begint aan onze voordeur, en elf kilometer verder praktisch eindigt aan de glazen draaideur van mijn kantoorgebouw langs Pennsylvania Avenue. Een man in uniform met witte handschoenen laat me binnen en wenst me een mooie dag. Stel je dat even voor. Enkele blokken verder ligt het Witte Huis en daarvoor het IMF dat sinds kort een nieuwe baas heeft, ik las het nog in de krant. De dijk ("Boardwalk") in Oceancity Stel je dat even voor. Soms zeg ik dat tegen mezelf. We mogen stilaan beweren dat we een vol jaar hier zijn, een vol jaar niet meer in België geweest. De dingen wennen. Er komen schuurplekjes op het laagje chroom van nieuwigheid. Ik stel dit niet zonder spijt vast. De dingen vallen minder op. Sommige dingen heb je, zonder dat je het wist, volledig aanvaard. Koffie van Starbucks. Bij wijze van voorbeeld. Dat men er koffie uit papieren of plastieken bekers drinkt, als op een Vlaamse kermis of een muziekfestival omdat het daar niet anders kan. Mee-békeren. Dat men je toelaat er allerlei smaken en brouwsels en poeders aan toe te voegen. Alsof koffie pur sang niet lekker zou zijn. Het went. Vorige week bestelde ik een Frappuccino decaf hazelnut flavor no sugar 2% milk no topping, en ik vond het lekker. Had niets meer met café frappé of cappuccino vandoen, maar op zichzelf mocht het er zijn. Of ik neem de metro naar het werk. In het station waar ik opstap, heb ik een gesprek met een Canadese die hier een stage komt doen en zich over de metro in DC verbaast. Onderweg tel ik de Ipads niet meer op één hand – hoe donker ook de metrogangen, er zijn vele vensters op de buitenwereld. In het station waar ik uitstap, heb ik een gesprek met een man die, zo blijkt, voor Obama heeft gewerkt toen die nog senator was. Voor het loket wenst een man van Metro elke reiziger in de stroom een heerlijke dag toe. Zou dit tot zijn welomschreven takenpakket behoren? Ik sluit het niet uit. Boven aan de roltrap hoor ik van een zwarte man dat ik er goed uitzie vandaag. Stel je voor. (Pendelen of op straat komen tout court, is hier goed voor je zelfbeeld of dat van je kind: what a gorgeous baby you have! Nice shoes! Dus: heb je een off-day, ga effe strollen). Ik heb het nooit dagelijks gedaan in België, dit conventionele openbaar-vervoerspendelen. Ik vraag me dus af of een doordeweekse Belgische pendelaarsdag naar hartje Brussel ook zo vrolijk kan starten. Graag traag, spelende mensen in Annapolis Ik vraag me veel af. Of wij, bijvoorbeeld, over enkele weken weer ginds, een laagje chroom van nieuwigheid op de Belgische dingen zullen weten? Nieuwe terrasjes in Gent, bijvoorbeeld. Of oude die er anders dan vroeger uitzien. (Nog gezelliger?). Nieuwe layouts in de wegen, de gebouwen. Een nieuwe regering. Of oude dingen die ons vroeger nooit opgevallen zijn. Onkruid langs de pechstrook. Smalle wegen, tramsporen en kasseistenen. Veel blanke mensen. Hoofddoeken. Authentieke endogene bouwstijlen, die hun plaats kennen. (Toscaanse kerken midden in DC, het wil maar niet wennen). Geen baby change station in elk toilet, en al helemaal niet bij de mannen. Gras in de tuin dat gewoon zichzelf mag zijn, blozend van droogte of gezond groen van regen (liever dat eerste in augustus :-)). Vrouwen van middelbare leeftijd die nog rimpels hebben en ook mooi zijn. In de supermarkt zelf je tassen met boodschappen vullen, niemand die dat voor je doet, je gul een prettige dag wenst, en jou doet wankelen omdat je niet weet of dit allemaal een fooi behoeft. En geen kat op straat die vraagt hoe je het maakt vandaag. Ik vraag me ook af hoeveel Amerika we in België zullen bespeuren. Het nieuwe continent dat het oude verovert. Het is al langer aan de gang. De geschiedenis, maar dan omgekeerd. Ongemerkt gebeurt het. Starbucks komt naar Gent, vind ik geen appetijtelijke krantenkop. Liever heb ik zelf naar Starbucks te gaan dan dat Starbucks naar me toekomt. Een stel nieuwe ogen om naar de dingen te kijken. Het zou reuze zijn. Kristalklare blik. Ze haken zich vast aan de mozaïekjeslamp tegen het plafond. Tot ze moeten lossen omdat ze haar hoofdje geen driehonderzestig graden gedraaid krijgt. Soms kan een hoofd toch ernstig in de weg zitten.

Marjanne Sevenant
0 0

Systeempje

Veel is er niet nodig. Zes blokken, een oud botervlootje, een lege fles, drie ringen, een knoopje aan het truitje. Met korte zuchtjes en kleine handjes dropt ze blokken in potjes, duwt ze ringen tussen de spijlen van haar box, keilt ze de fles naar de dichtste verte, draait ze minutenlang aan het knoopje. Soms doen ook de voetjes mee. Om een potje vast te klampen dat onbedoeld de dieperik in dreigt te gaan. Zuchtjes. Soms wat geneurie. Een mini kortverhaaltje in een klankrijke taal. Er is niemand meer in de kamer. Al ben ik er nog, ik ben van geen tel. Alleen het kleine meisje met haar mini handelingen. Ik kijk en kijk. Of er een systeempje schuilgaat achter de eindeloze verrichtingen van de tien vingertjes. Want met zo’n serieux gebeurt het dat het wel niet anders kan. Misschien zit zij over mij met dezelfde vraag. Of het tokkelen van tien vingers op wat meer knopjes een vernuft systeem verbergt. Soms is er wat meer nodig. Een paar andere handen. Die wuiven naar haar vanop afstand. Ze wuift terug, met één handje. Het andere zit aan haar oor. Dat systeempje ken ik al: een beetje moe. Of een stem vanaf de overkant die zegt: doe maar, je kunt dat wel, je doet het goed. Ik ben er tóch nog. Maar vaak is er niet veel nodig. Zelfs haar tongetje hangt windstil uit haar mond terwijl ze met grote ogen de prompte gevolgen van haar daden observeert. Er hangt een aura van focus en bezieling rond haar box als zij daar is. En stond haar box in Peking, Tokyo of Dakar, het zou niet anders zijn. Zo kijken wij naar haar. En zien onszelf. Onze box staat in Washington. Er is wat materiaal voorhanden. Potten en pannen. Een tournevis. Twee wielen. Of vier. Een weg. Daarmee verrichten wij onze handelingen. We fietsen. Wandelen. We gaan werken. We koken of bestellen. We eten lekker. We verleggen onkruid en grenzen. We duwen doosjes in dozen. We kletsen. We forwarden en deleten. Gooien doosjes weg. We praten. Ontdekken weer nieuwe doosjes die er gisteren nog niet leken te zijn. We slaken grote zuchten. Schudden ons hoofd. Glimlachen. We nodigen uit. We wuiven uit. We onthalen. We smeden banden. Plannen. We ontdekken. We bakken brood. Soms pannenkoeken. We lezen. We kijken. We kijken uit. Maken schoon. We schrijven. Draaien potjes dicht. Zoeken dekseltjes. Niet noodzakelijk in deze volgorde, maar wel vaak in dezelfde volgorde. Of hoe je ook in den vreemde op den duur aan routine gaat doen. Aan systeempjes. We hebben ons gewoontes eigen gemaakt. Of zij ons. We volgen bekende routes. Gaan naar bekende plaatsen. Op dezelfde tijdstippen. Met dezelfde mensen die bekender worden. Ongemerkt is alles vertrouwder geworden. En waren wij in Peking, Tokyo of Dakar, zou het dan anders zijn? Dan is er een man. Temidden van gewoonte. Aan de rand van de luide weg. Wacht hij tot het verlichte mannetje aan de overkant op wandelen gaat staan? Hij wiegt met de heupen. Hij danst bijna. Richt zijn gezicht naar de hemel en lacht bijna. Grote ogen, zo open dat ik in zijn hoofd kan kijken. Hij zou hier wel willen blijven staan. - He’s good, zegt hij dan. Hij knikt naar de andere man die de ziel uit zijn lijf staat te spelen in de grijze metrohal. Tussen de doffe pendelaars is zijn saxofoon van puur goud. - O yè!, zeg ik. Wieg ik nu ook een beetje? - I’ve got all his CD’s. He’s too good for the street. Zijn hand duikt in de zak van zijn mantel. Het mannetje aan de overkant springt op wandelen. De man beent in de andere richting weg. Een dollar in de hoed. De muziek stopt niet. Wel de donderdagochtendroutine. Even. Met een halve danspas op het zebrapad. Veel is er dus niet nodig. Wel net genoeg. En af en toe een stem vanaf de overkant die zegt…

Marjanne Sevenant
0 0

Ik ben geen liefdadigheidsinstelling.

Ik wil grof zijn als het even mag. Gewoon grof zijn. Mijn hand uitsteken om een mindervalide man te helpen die de trap op wil maar niet kan. Mijn hand uitsteken en dan terug wegtrekken en de man zien vallen. En dan een: ‘Ik-herinner-mij-net-dat-ik-snel-weg-moet’   Ik wil gestoord zijn als het even mag. Begrijp je me?Iemand levend villen, z’n bloed opdrinken alsof het vruchtensap was. Elke druppel zuig ik uit het kronkelend, stervende lichaam van mijn slachtoffer. Dan snijd ik het in stukken en steek het terug in z’n vel. Of ogen doorprikken met rietjes. Ik zet u op een dieet van enkel droge beschuitjes en drop u in de Sahara. En net wanneer je dood gaat (dood wílt), red ik u en rijd ik u op m’n dooie gemak naar een ziekenhuis waar geen pijnstillers aanwezig zijn –ik ben uw redder!-.   Ik wil natuuronvriendelijk zijn als het even mag.White Spirit injecteren bij straatkatten, rattenvergif als zaad voor de vogeltjes –kom, vogeltje, kom!-. Recycleren, daar is het ook mee gedaan en sorteren hetzelfde verhaal. Ik gooi nog geen snoeppapiertje in de vuilbak –ik weiger- en begin ook al vast met sluikstorten. Ik wil vloeken als het even mag.                                                                                             3, 2, 1, START! GEZWOLLEN KUTBLAAR! STRONTVLIEG! DIKKE WINDHOND! BEDROGEN ALLEENSTAANDE! MISLUKTE CUPIDO! LEVENSVERZIEKER! KAKKERLAK! TENTSLET! HYPOCRIETE PARANOÏDE SCHYZOFREEN!     Ik wil anders zijn als het even mag.Niet meer de saaie, kalme, oppervlakkige mezelf. Laat mij even luidruchtig zijn. Laat mij even doen alsof ik wel besta voor andere mensen. Doen alsof er mensen om me geven en niet willen dat ik de foute kant opga.Even doen alsof het leven máár het leven is en er verder geen problemen zijn.   Ik wil wreed zijn als het even mag? Ik ben al lief genoeg geweest.

Jane
20 2

Mijn dood

Soms, héél af en toe denk ik er wel eens aan: hoe zal ik sterven? Gaat dat door een ziekte gebeuren? Een ongeluk of een heel natuurlijke dood? Ga ik pijn lijden of glij ik gewoon rustig naar de overkant? Ga ik bang zijn of juich ik mijn moment van vertrek in stilte toe? Ben ik alleen of word ik omring door de mensen die me liefhebben? Het klinkt luguber, maar eigenlijk zou ik graag willen weten wanneer mijn dag des oordeel eraan komt. Dood hoort bij leven, ik ben niet bang voor de dood.   Een warme zomernamiddag op het plein, een knal, een gil en dan is het stil. Mensen staan stil en kijken verbaasd in het rond zich hetzelfde afvragend als ik ‘wat gebeurt er hier?’ “Bel 112, bel de hulpdiensten, bel politie, bel een ambulance bellllllllllllllllllll’ Een verwarde in paniek zijnde mannenstem staat in het midden op de straat. Bloedspatten kraken de heldere witte kleur van zijn, met korte mouwen, kledingstuk. Zelfs op zijn armen hangt het rode vocht. Aan zijn andere hand houdt hij ‘iets zwarts’ vast. Wanneer enkele mensen dit opmerken slaan ze keihard alarm ‘een revolver, een revolver, hij heeft een revolver’ en wijzen naar zijn rechterhand. Het wapen bungelt langs zijn lichaam. Wat er dan gebeurt is een filmfragment, om hulp schreeuwende mensen die her en der rondrennen, enkele mensen verstoppen zich achter grote betonnen bloembakken, moeders trekken hun kinderen de galerijen in; doch niemand komt in de buurt van de man met het wapen. Enkele seconden later arriveren met loeiende sirenes politiewagens en ambulances. De straat wordt hermetisch afgezet, nergens voor nodig denk ik want de dader staat nog steeds roerloos op de zelfde plek met nog steeds het revolver in zijn hand langs zijn benen hangend. “Laat het wapen vallen, nu, laat vallen, nu” schreeuwen bewapende agenten op veilige afstand hem toe. Hij reageert niet, blijft roerloos staan met een waterige blik in zijn ogen die op oneindig staat. “Laat het wapen vallen, nu zeggen we, laat het vallen” De man draait zijn hoofd naar de agent en in geen seconde heeft hij het wapen tegen zijn hoofd gezet “Neeeeeeeeeeeeeeee, niet doen” een stem van een vrouw komt uit het niets, “niet schieten, ze leeft nog” maar dan is het te laat er valt een schot, deze keer in het hoofd van waarschijnlijk een dader van een moord. Een jonge vrouw zakt op straat in elkaar, schreeuwend dat ze nog leefde. Enkele agenten rennen naar de overleden man, twee vrouwelijke agenten helpen de huilende vrouw overeind, vier mannelijke agenten halen samen met de ambulancemedewerkers afscheidingshekken tevoorschijn die snel rondom het bloedende lichaam dat op straat ligt gezet worden.   Een man heeft waarschijnlijk een vrouw om het leven willen brengen, die poging is mislukt, hij schiet zichzelf overeind omdat hij denkt dat zijn slachtoffer dood is en een andere vrouw probeerde hem ervan tevergeefs te weerhouden en wij worden gevraagd door te lopen…    

Brown Pearl
0 1