Lezen

Tip

Het huis van vertrouwen

Bavo installeert zich met dampende koffie aan zijn bureau. Door het raam ziet hij Charlotte nog net achter de witte haag verdwijnen. Het wordt al licht. ‘Zo’, denkt Bavo, ‘de eerste echte thuiswerkdag is een feit.’ Het heeft lang genoeg geduurd voordat de vakbonden en het bedrijf op één lijn stonden over thuiswerk. Tijdens een proefproject in de zomer heeft Bavo van collega's geruchten gehoord over inbreuken op de privacy. De indianenverhalen gingen over valse koeriers en spyware via de camera op de laptop. Natuurlijk konden de heethoofden niets bewijzen, zelf heeft hij ook niks gemerkt. Maar gelukkig is er nu eindelijk weer voldoende vertrouwen om echt van start te gaan. Bavo nipt van zijn koffie en tuurt naar de uitgestrekte winterse tuin. Dan klapt hij z'n laptop open. Acht uur, hij is klaar voor de wondere wereld van het boekhouden. Charlotte heeft nog geprobeerd om hem op te zadelen met een lijst taakjes 'want je zit toch thuis’. Maar Bavo heeft haar kordaat duidelijk gemaakt dat thuiswerken nog altijd werken is, niet prutsen. Hij logt aan, opent het boekhoudprogramma en begraaft zich al snel in een stroom facturen. Wanneer hij een uurtje op dreef is, valt de stilte hem plots op. Hij rekt zich krakend uit en kijkt naar buiten. Intussen schijnt er een melkzonnetje over de sneeuw. Kristallen glinsteren op de dunne twijgjes van de struiken en de ranke takken van een meterslange rij druivelaars buigen onder een laagje poedersneeuw. Netjes opgeknoopt en ingeknot staan ze te wachten op de volgende zomer. Bavo trekt een wenkbrauw op. Net achter de rij wijnstokken groeit iets ongewoons, ongeveer daar waar het vijvertje lag dat zijn zoon deze zomer heeft dichtgegooid. De plant heeft dezelfde hoogte als de wijnstokken maar is veel dikker. Platter ook. Vreemd. Plichtsbewust kijkt Bavo opnieuw naar zijn scherm om een factuurnummer in te geven, maar onwillekeurig drijft zijn blik weer naar buiten. Wat is dat vreemde dikke ding tussen de wijnstokken? Wanneer hij de schuifdeur opent komt de krakend koude lucht hem meteen tegemoet. Zijn adem vormt wolkjes terwijl hij moeizaam enkele meters door de diepe sneeuw waadt. Van hieruit lijkt het ding op een groot uitgevallen grijze meetlat, dik en plat, van onbestemd materiaal. Bavo aarzelt. Hij heeft nog een goede vijf meter te gaan, maar beslist rillend om te keren want de sneeuw smelt tegen zijn enkels en straaltjes ijswater lopen in zijn pantoffels tot op zijn warme blote huid. In de keuken trekt Bavo de natte pantoffels uit. Hij haalt boven dikke sokken en trekt ze hoog op zodat ze goed blijven zitten in zijn sneeuwlaarzen. Nadat hij een dikke fleece trui over zijn hoofd heeft getrokken, beent hij gehaast tot helemaal achteraan in de tuin. Bavo inspecteert het vreemde voorwerp. Het is een lange metalen staaf, helemaal afgeplat. Hij geeft er een ruk aan, de lat voelt als een bevroren lemmet. Hoewel het ding muurvast in de bodem zit, lijkt het wel beweeglijk, bijna flexibel. Bavo omklemt het metaal, zet zich schrap en probeert het los te wrikken, maar een pijnscheut schiet door zijn verkleumde vingers. Gefrustreerd loopt hij terug om wanten, een schop en een houweel te halen. De vrieslucht doet zijn neus lopen terwijl hij driftig de sneeuw rond de basis van de lat weghaalt. Minutenlang probeert hij met het materiaal een inkeping te maken om de lat uit te graven, maar de bovenste laag is steenhard bevroren. ‘Dedju’, vloekt Bavo. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik heb zwaarder materiaal nodig’. Weer binnen is de keukenvloer herschapen tot een poel van vuile gesmolten sneeuw. Terwijl Bavo z'n laarzen uitschopt, kijkt hij door het keukenraam. De lat staat parmantig in de tuin, als een uitroepteken. Bavo snuit zijn neus, neemt zijn gsm en belt Luc, zijn broer en aannemer op rust. Niet veel later parkeert de witte bestelwagen van Luc voor het huis. Samen lopen ze zwijgend de tuin in. Luc bekijkt de lat aandachtig en geeft er een snok aan. ‘Die zit muurvast. Je hebt zwaarder materiaal nodig,’ stelt hij vast. Bavo knikt. ‘Ik heb in de camionette wel wat gerief, maar je hebt een bobcat nodig’, gaat hij verder. Luc kijkt bedachtzaam naar de grond, ‘Volgens mij zit het vast aan iets groters.’ ‘Ja, dat dacht ik ook al’, mompelt Bavo. ‘Wat doen we?’ ‘Luister,’ beslist Luc, ‘stap in, we halen er direct één van bij Daniëls. Ik heb daar nog ’t een en ‘t ander tegoed.’ De bobcat wordt een uur later via de straat achteraan de tuin geleverd. De mannen van Daniëls rijden het toestel tot vlakbij de lat, en vertrekken. Luc klopt goedkeurend op de bobcat, ‘Bavo, jongen, ik moet ervandoor. Tegels gaan plaatsen in de badkamer van ons An. Succes ermee.’ ‘Ja, merci nog’, stamelt Bavo, terwijl Luc naar het tuinhek loopt. Bavo bestudeert een poosje hulpeloos de dure machine. Net voor Luc in zijn bestelwagen stapt, draait hij zich om. Door de ijle vrieslucht roept hij: ‘Als het niet lukt met die bobcat, ken ik wel een paar Polen. Ik sms je hun nummer.’ Nadat Luc vertrokken is, klimt Bavo op de bobcat. Het is stil in de tuin. De sneeuw is platgetrapt en de bobcat staat te glimmen in de zon, net als de lat. Bavo haalt diep adem, start de machine en begint voorzichtig te graven. Al snel blijkt de grond lang niet zo hard bevroren als hij had gedacht, enkel de eerste paar centimeters zijn lastig. Het gaat vlotter dan met de schop maar toch werkt hij langzaam en voorzichtig. Wanneer hij een put van een goede kubieke meter heeft blootgelegd, en niets bijzonders tegenkomt behalve nog meer lat, stoot hij plots op een hard voorwerp met een bolle vorm. Net op dat moment stopt een groene bestelwagen aan de haag. Bavo zet de motor van de bobcat uit en knijpt zijn ogen dicht tegen zon. Hij ontwaart aan het hek een grote, brede man in overall. ‘Bonjour monsieur, je suis Marek. Je suis appelé par votre frère. Ça avance?’ ‘Oui, oui, ça va’, antwoordt hij. ‘Je viens de toucher quelque chose.’ ‘Vous permettez? ‘ gebaart Marek naar de bobcat. Hij neemt plaats en schraapt met gevoel voor precisie nog een laag weg. ‘Aidez-moi avec votre pioche, il y des parties plus délicates, l'objet a des courbes.’ Zo werken de mannen twee uur om het ding minutieus bloot te leggen, enkel onderbroken door een kleine pauze met twee pilsjes en boterhammen met kaas. Tot Bavo’s verbijstering blijkt de lat een wiek te zijn. De wiek zit vast aan een intacte helikopter, die, neus vooruit, in de grond geboord zit. Geen modelbouw, maar een kleine versie van een echte helikopter. Eerder het formaat voor een eend of eventueel voor een kleine zwaan, als gevogelte helikopters zou besturen. Bavo trekt zijn modderige handschoenen uit en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Wat doet die helikopter hier? Hij springt in de put, hurkt neer en poetst met zijn mouw de modder van de glazen zijkant die al bloot ligt om naar binnen te kijken. Waanzin. Er is geen zitje, dus het moet een onbemand toestel zijn, en de meest moderne technologie is aan boord. Uitgesloten dat dit toestel al lang onder de grond zit. Zou zijn zoon hem hier begraven hebben? Maar waarom? Of is het ding misschien maanden geleden gecrashed tot diep in de vijver en hebben ze al die tijd niks gemerkt? ‘Meneer?’ klinkt het plots scherp. Bavo kijkt omhoog. De zon schijnt nog steeds genadeloos in zijn ogen. Hij heft zijn hand boven zijn ogen om iets te zien en ontwaart het silhouet van een agent. Er staat een politiewagen geparkeerd achter de camionette van Marek en die laatste is plots nergens meer te bespeuren. ‘Wat is hier de bedoeling van?’, snauwt de agent. ‘Heeft u een vergunning om die helikopter te begraven?’ ‘We begraven hem niet,...’ pruttelt Bavo, die onhandig uit de kuil probeert te kruipen, uitglijdt en dan maar blijft staan. ‘Uw buren hebben ons opgebeld, u mag die grond niet zomaar verzetten,’ stelt de agent ongeduldig, ‘daar zijn vergunningen voor nodig. Ik zal een PV moeten opmaken. Ik stuur iemand om stalen te nemen want als er benzine in de ondergrond is gelekt, hangt u.’ Bavo opent zijn mond, maar de man is hem voor: ‘En kom straks op het bureau de eigendomsbewijzen van die helikopter maar eens voorleggen.’ Met een korte ruk draait de agent zich om en verdwijnt naar zijn wagen. Het draait Bavo voor zijn ogen, hij leunt een paar minuten tegen de rand van de kuil, starend naar de grond tot hij Marek hoort en opkijkt. ‘Est-ce-que vous voulez qu’on continue monsieur?’ vraagt die twijfelend, ‘Il y a quand-même encore quelques heures de travail. Surtout vu le temps qu’il fait.’ Veiligheidshalve voegt hij er nog snel aan toe: ‘Et c’est 16 euros l’heure, monsieur, au noir’. Bavo schudt het hoofd en mompelt: ‘Non non, merci, ça suffit, vous pouvez partir’. Als een lastige tiener geeft hij een trap tegen de helikopter. Binnenin klikt en zoemt er plots iets. Nieuwsgierig komt Bavo wat dichterbij. Hij ziet zichzelf in het bolle reflecterende glas staren naar een rood lichtje dat aanspringt, gevolgd door een flits. Gealarmeerd klautert Bavo uit de kuil en rent naar het huis. In de keuken schopt hij zijn laarzen uit op de natte vloer en zoekt houvast bij de tafel. Daar vindt hij zijn gsm met drie gemiste oproepen en een sms van Charlotte om te vragen of hij 'toch niet even tijd heeft om de was in te steken'. Hij stopt de gsm in zijn broek en loopt naar het bureau waar hij zijn ingeslapen computer onzacht tot de orde tokkelt. Het scherm licht op, hij logt in. Meteen verschijnt bovenaan zijn mailbox een pas binnengekomen bericht. Het bericht heeft als onderwerp 'betrapt' en als afzender 'drone 2'. Trillend opent Bavo de bijlage. Hij ziet zichzelf met onderzoekende blik en op de achtergrond de felle zon en de omtrekken van een bobcat.  

Tine Tytgat
27 2

Egeltje wil een voetbalploeg

Egeltje is op vakantie bij oma. Hij wil voetballen. ‘Leuk,’ zegt oma, ‘Kom maar op.’ Ze krijten een goal op het muurtje. Oma trapt de bal en Egeltje trapt terug. Maar Egeltje wil niet meer trappen tegen een muur. Hij wil een wedstrijd spelen met een echte voetbalploeg. Elf spelers in hetzelfde truitje. ‘Kom,’ zegt oma, ‘we halen de rode was van de draad. Je mag alle truitjes gebruiken voor jouw ploeg. We gaan samen op zoek naar spelers.’   Oma en Egeltje lopen met de grote zak vol voetbaltruitjes naar buurman Hond. ‘Hond, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Hond. ‘Maar oma, hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Hond kan toch niet in mijn voetbalploeg. Spelers moeten bij elkaar horen en hij lijkt niet op mij. Hij is wit en ik ben bruin.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie zijn allebei sterke jongens, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar,’ zegt Egeltje, ‘Hond, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Hond en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Met z’n drieën lopen ze naar het mandje van mevrouw Poes. ‘Poes, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Poes ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Poes past niet in onze ploeg. Wij zijn jongens, en zij is een meisje.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle drie snelle pootjes om te dribbelen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Poes, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Poes en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de hoge boom. ‘Specht, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Specht. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Onze hele ploeg heeft snelle pootjes om te dribbelen, maar Specht trippelt traag en wil liever vliegen.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle vier knappe hoofdjes om de bal te koppen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Specht, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Specht en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.     Samen lopen ze naar het kippenhok. ‘Haan, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Haan. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Iedereen van onze ploeg heeft een knap hoofdje om de bal te koppen, maar Haan heeft een hanekam. Hij kan niet koppen.’ ‘Misschien,’ zei oma, ‘maar jullie hebben alle vijf luide stemmen om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Haan, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Haan en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar het holletje in de hooiberg. ‘Muis, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Muis. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Wij hebben allemaal een luide stem om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, maar Muis heeft een stil piepstemmetje.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘Maar jullie kunnen alle zes verschillende dingen. Zo kunnen jullie de tegenstander verrassen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Muis, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Muis en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de konijnenpijp. ‘Dag konijntjes, komen jullie in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zeggen de konijntjes. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘In onze ploeg kan iedereen iets anders om de tegenstander te verrassen, maar de drie konijntjes kunnen hetzelfde!’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar als wij alle tien een rood truitje aanhebben, zijn we samen een sterk team, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘Konijntjes, willen jullie nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ juichen ze en Egeltje geeft hen drie voetbaltruitjes.     Met z’n allen lopen ze naar de olifant. ‘Dag Olifant, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma.         ‘Graag,’ zegt Olifant. ‘Hoe kan dat?’ zegt Egeltje, ‘Wij hebben alle tien een rood truitje aan omdat we in de beste ploeg zitten, maar Olifant past niet in zo’n klein rood truitje.’ Olifant denkt even na. ‘Dat is waar,’ zegt Olifant, ‘Maar ik heb een grote blauwe voetbaltrui. Ik kan de keeper zijn, dan vul ik het hele doel en dat is toch ook belangrijk? ‘Wat een geweldig idee,’ zegt Egeltje.   De wedstrijd begint. ‘Hup de roden, allemaal samen!’ juicht opa, ‘We worden wereldkampioen! Muis trapt af, de konijntjes dribbelen en Egeltje geeft een pas naar Hond. Oma legt aan, Specht kopt, en Poes schiet op doel. ‘Goal!’, kraait Haan. En Olifant? Die doet een dutje in het doel.

Tine Tytgat
0 0

Mijn lief is vermist

Hallo, ik heb een lief.Een écht.Gevonden bij DecathlonOp de schoenenafdeling.Ik heb dan maar een paar loopschoenen gekochtMet die schoenen ben ik niet gaan lopenMet de verkoper wel. Ik zei dat ik houd van toneel en dat ik normaal ben.Ik heb gelogen.Ik ben niet normaal,Ik ben een rare. In mijn nachtskastje ligt een briefveilig opgeborgenOoit lees ik hem voor, Vandaag of overmorgen. De brief staat vol moet verzoeken van mijnentwegeHelaas ben ik om hem voor te lezen Een beetje te verlegen. Zo zou ik nooit tegen mijn lief durven verklappenDat ik het hygiënisch opwindend vindOm de ramen te lappen. Je weet wel, Zo met zeep in de weer Op En neer. Maar op vrijdag 28 maartHeb ik de verzoekjes uit mijn briefToch maar even aangekaart Dag lief, 

 Graag zou ik uw haren afscheren en ze allemaal in een doosje onder mijn bed willen bewaren. Een stukje uit u bijten (maar u eerst verdoven om u wat te bedaren). 
 Ik wil u niet doen schrikken.. 
Maar mag ik misschien eens aan uw oogbol likken? 

 Nog liever zou ik uw auto in brand steken, zodat ge nooit meer op de baan moetIk hoop dat ge dat begrijpt, rijden is gevaarlijk en ik kan niet tegen bloed. 
 Verder zou ik nog graag alle andere vrouwen op de wereld een omgekeerde liposuctie en een mislukte facelift cadeau doen. Uit voorzorg. 
 Nadat ik uw bankrekening geplunderd heb zou ik graag willen dat ge een paar van uw perfecte zaadcellen aan mij doneert. U mag ze ook op mij spuiten, dan wandel ik in een spin-beweging naar de badkamer. Ge weet wel, zoals een hond, maar dan omgekeerd.
 (’T is omdat ik ze dan kan invriezen)Ge hebt er een triljoen, dus ik weet dat ge daar niet moeilijk om zult doen. 

Het kindje dat we zo maken, daar kom ik mee voor uw deur staan.Ge kunt geen alimentatie betalen en zult dan wel gewillig met ons meegaan. Lief, ik volgde een snelcursus varkens tatoeëren En ik wou graag weten wat je ervan vondMoest ik mijn naam en adres kalligraferen Op uw voorhoofd en uw kont. Het volgende haalde ik uit een veelbelovend boekHet is niet breien noch mijn nieuwe hobby maar wel mijn favoriet verzoekZou ik u, als ge dood zijt, eventueel mogen laten opzetten zoals het hondje van mijn zus? Dan kan ik op tijd en stond nog eens op u rijden en bij u komen liggen voor een knuffel en een kus. 

 Voor dat ge denkt dat ik zot ben wil ik nog graag, sociaal aanvaard, een ijsje met u delen En een foto van u 
Voor op de kerstkaart.

 Groetjes, Uw lief. Hij is toen hard weggelopen Hallo, ik had een lief.Hij is net zoals mijn elegantieAl een hele tijd vermistMisschien gewoon met vakantieAl wordt dat sterk betwist Ik nam mijn Decathlon loopschoenenEn spurtte hem achternaIk kon hem niet meer vindenMaar heb gelukkig nog wat van zijn DNA

Lot
0 0

Geen gevolg zonder onverkozen oorzaak

Men moge eraan beginne twijfeledat het leven dat brengtwaarnaar je zoektook zal blijve Rust, kruist je padvervuld van blijdschap, vol van overgavedeel je intieme momentenmen hebbe een zielsverwant gevonden Twijfel sluimert een patroon dat zich herhale blijftMen moge hope dat de twijfel die zich steeds sterker laat blijkeniet prominent wordt en zich zal opdringen Men krijgt het na het veelvuldigover de jaren verspreiddepatroon opgedrongendat de twijfel geen bestaansrecht krijgtmaar gewoonweg afdwingtDe in eerste instantieonschuldig vragende twijfelwordt nu vertaald naar bewijsvan de twijfel in eerste plaats zelf Het herhalende, wederkerende patroonvan de twijfel, wordt eerst onbewustgenegeerd Er worden zaadjes gelegddoor de twijfel zelf welke verspreidt over meerdere jareniet onopgemerkt kunnen blijven De alom aanwezige twijfelwelke nu ook herkend wordtheeft onzichtbarepsychische littekens in je geestgekerfd. Iedereen zal ooitdeze littekens onder dwangtoegediend krijgenDe twijfel, blijkt kwaadaardigvan aard Door het verplichte aangebrachtelittekenvervolgens te beschermenbeschermd men zichzelf Een doorschijnend, ondoordringbaar plastieken auraHoezeer het doorschijnend isis het toch op te merken door een gebrek aan empathie Men moge het hem niet kwalijk nemede twijfel die zich manifesteerde insolide realiteitheeft als afweermiddeleen ondoordringbaar aura gecreëerdEer men deze twijfel heeft opgemerkt en vervolgens heeft bevestigdheeft men talloze psychischelittekens opgelopenDit pas beseffend nadat verschillend kwaad alis geschied. Meedraaien op het tempo vande aarde rond de zondoet men, voordat de twijfel werdomgebogen tot realiteital zeer veel lentes Het zelf beschermende auradat hem omringtgeeft anderen onbewust de indruk dat hij in zijn eigen wereld leeftdie anderen, merken overigensniet op, dat hij niet nog een littekenkan dragenhij verdrinkt zichzelfmet voeten vastgebonden aan een molensteenin een poel, dit allesals hij nog één litteken krijgt Een andere keuze dan dit beschermende aura optrekkenheeft hij niet men kan plots een groter geheelmet allerlei overeenkomstenzien Iedereen draagt dit aurain mensentaal zou men kunnenspreken vanbekrompen geestenIs hiervoor een schuldigeaan te wijzen?Het gejaagde leven dat als brandstof stress gebruikt?heeft men tijdens enkele eeuwen het gedomesticeerdebrein solidariteit laten vergeten?ligt het aan de consumptiemaatschappij die mogelijke gevolgen voor ons in petto heeftdat alleen onze kleinkinderen zullen ondervinden?Het aura eist afstand enzal het krijgen ookna talloze keren, niet nogmaals! Deze figuren staan ermet littekens weliswaarmaar men begrijpt ondertussendat zij het zelfgecreëerde product geworden zijnvan de omgeving, ja die, die dat met de twijfel in de eerste plaatsop de proppen kwam Wie is verantwoordelijk voor deze twijfelwat leidt tot littekens en algemene verzuring? Is er op evolutionair vlak iets mis metde menselijke soort ofhoort deze twijfelzaaier bij het levenzelf? De menselijke soort heeft het zichzelfnamelijk afgeleerd om de regelsvan echte vriendschap tekunnen handhaven.Beide partijen zijn eens of ooit, schuldig! De ervarene die datgene toepast om dat laatste litteken te vermijdenDe onervarene, die er met de jaren, ongestaagbij krijgt. De twijfel die gezaaid wordt verteld je dit: 'vertrouw niemand meer, denk aan jezelf eerst!'Geen egoïsme, overlevingsstrategie waarvan de basis ligtbij een foutin het menselijk breinDe twijfel, die een paar keer bevestigd wordt en zo benoemd kan worden en vervolgens met een verroest mes littekens kerft, ligt aan éénieders onvermogen om een zwakke emotie van de anderdie in intieme kring wordt verduidelijkt, eens of ooit uit te buiten. Deze goede, begripvolle, begrijpend knikkende vriend heeft een pracht van een luisterend oormen voelt de twijfel hangen, maar de verborgen troost die hij zoekt krijgt voorrangin "wanhopigheid' en 'op goed geluk' geeft hij zichzelf bloot of realistischer: over Een zwakheid die zal uitgebuit worden waarvoor ieder andere beweegredenen kan hebbenmaar allen gebruik maken van hetzelfde portfolio: 'jaloezie, chantage, naamsbekendheid, ego, respect dat je zo ten onrechte toekomt... Alles...Zolang die goedgelovige man die zich bloot gaf er maar de dupe van is als het luisterend oor in gevaar dreigt te komen. Deze goedgelovige man, heeft een zware emotionele mokerslag gehad, welke hem nu alafstompt of meer bekrompen maakt.Lieve man, ja, je kent hem al tien jaar... Rustig! Het is geen vriend!Wie niet lere, die niet wete en zo besluit, de gekwetste man zich niet nogmaalste laten vangen. En ondanks deze bewuste voornemens, gebeurt het toch, met dat verschil dat hij zich nu niet blootgaf,maar een puzzelaar tegenkwam die het principe: 'waar rook is, is vuur' als leidraad gebruikt.Deze kreeg evenveel informatie als de man met het luisterende oor.Zij het dit keer verspreid over een lange tijdspanne. De man zal vaak nadenken, omdat hij de pijn van het litteken niet kan thuisbrengen.Hier, komt de twijfel in wat hij suggererend denkt maar niet kan bevestigen, antwoordt brengen:'je maakt je hele leven vrienden, zelfs hele goede, alleen beslist vadertje tijd dat deze ooit zal ophouden.'De man zal nieuwe vrienden make uiteraard maarobjectief vanop een afstand bekeken, verspreidt over een lange tijdspanne kan hij geen vrienden houden. Hij ziet het nu, en hierdoor is het geen twijfel meer. De twijfel is bevestigd. Hij zal zoals velen boezemvrienden blijven maken, en zoals velen steeds weer verliezen. Verschillende leidraden lopen dooreenieders leven, deze is er één van. Zijn zelfgecreëerde aura maakt hem immuun voor de pijn bij het verliezen van een goede vriend.Dit is, waarom men de indruk kan krijgen dat hij in zijn eige wereldje leeft.  De prijs die hij betaald is hoogmaar gerechtvaardigd, liever geen vrienden, volledige, kunstmatig aangelegde nultolerantie ipvterug een risico te lopen. Voor de man die de diversiteit van het leven op één aspect heeft gezien, heeft besloten geen mogelijkheid bestaansrecht te geven doorpotentiële vrienden zeer doelbewust te ontwijken.  Is hij gek geworden? Paranoïde? Of...Is hij net als iedereen product van zijn omgeving geworden? Wiens visie benaderd dan het meest de werkelijkheid? Overleden is hijop oude leeftijd gestorven in zijn slaapAlsof hij aanvoelde dat hij dit keer voor het laatst zijn ogen zou sluitenhad hij een stuk perkament tussen beide handen die op de borstlagen te rusten. Hierop stond geschreven: 'Een goede vriend kan een figurant in de prent van mijn leven geweest zijn.ik spreek hen ook tegen die onbewust instemmend knikken en hiertegenover materialisme plaatsen.Een goede vriend, hoeft men niet te bezoeken.Een goede vriend, is diegene dat je littekens zag en je als mens behandelde.Dit is in mijn ogen een goede vriend.Of hij nu even op het toneel verschijnt of onafgebroken, de tijdspanne speelt, zo heb ik geleerd,geen enkele rol. Ook niet of hij al dan niet iets voor je doet. Dit, is een goede vriend, hij die mijn littekens niet kende maar wel zag, en door die littekens, naar mijn getormenteerde ziel keek. Ik zag voorstellingsvermogen van allerlei aard in zijn ogen, maar geen enkelebeoordelend. Het enige dat hij me vertelde was: 'jij, bent niet alleen.' Dit is mijn vriend, we wonen in verschillende werelddelen, maar ik voel hem. Zou hij mij voelen? Deze vriend laat mijn wereld glanzen, ook al zie ik hem waarschijnlijk nooit meer.Al woonde hij op de maan, dan was hij nog steeds bij mij. Deze verre vriend, heb ik toegelaten in mijn hart.Hij is nu een stuk van mezelf gewordenIk heb het gevoel dat dit het enige soort vriend is waarvan je met enige zekerheid kan zeggen:"Deze zal ik nooit verliezen!" 

Steve VDV
0 0

De wraak van het onnozele kind

Een kind dat hersens kweekt, weet het al snel. Oneindig is een priemgetal. De mensheid is een draak. De zwarte winegums zijn de beste. Gauw volgt het besef dat alles ergens ligt, verloren tussen nu, dan en nooit, tussen verse melk en scheuten van verderf. Dat liefde een zelfgefokte illusie is, een straathond die wat warmte zoekt bij een dakloze. Een bastaard, kruising tussen de angst voor de eenzaamheid en die rare drang tot voortplanten. Vele schriftjes had ik zo volgekrabbeld. Over die 20cm, Samantha Fox, kiemkracht en hoe het me wonderwel gelukt was in mijn bed, mij een voorstelling te maken van die oneindigheid.   Tot het weerklonk dat orakel, dat in Noorwegen verdwaalde nachtegaaltje, lieflijk kelend uit dat strotje die vreselijke woorden: J’aime, j’aime la vie. Een zuur appeltje at ik voor het slapengaan geschild met het vertrouwde patattemesje. Zijn adamsappel misschien, zoals in dat zelfgetekende stripverhaal.   ’s Anderendaags, toen de koekoek haperde, werd het tijd, tijd om die tumor te verwijderen, om de spiegel gelijk te geven dat hij de tranen niet meer telde, het van zich af liet bladderen dat oude kwik, tijd voor hetgeen beschreven stond op pagina acht van het boekje met de zwarte kaft.   Wat je wurgen wilt, grijp je best bij de keel en loslaten is enkel het talent van een stervende sluitspier. Een tiener met de allures van een tijger die zijn strepen nog niet kent. Toeknijpen, meesleuren aan zijn laatste adem, richting kapbos, tot aan de dichtgegooide put waar het kalf lag, ooit vergiftigd door god weet wie. Ook Pitou lag er, de angorageit die mee verhuisd was uit die onschuldige stadstuin naar dit miserabele oord. Pitou was een naam die hij voor meerdere vrouwelijke wezens gebruikte, ook voor mijn moeder soms.   Vandaag geen appeltje, geen schil of schorsgekerf. Mijn vriend, het patattemes glimde. Om een einde te maken aan zijn onnozele fantasieën. Om zijn gedoe te stoppen met die wijven waaruit een nat verlangen droop. Door de resten van een laf erbarmen misschien... ik liet hem toch weer los, waarna hij in zijn kot kroop, bij zijn kiekens en z'n barbaries, om te blêten van ’t verschot.       uit de reeks  'Roeland Wittebolle'  

Bernd Vanderbilt
10 0

Mes op de keel

De deurbel klonk...'Wat raar, dacht ik. Als er mensen bij me bellen, gebruiken die de parlofoon beneden in de hal van het appartementsblok om te bellen.'Behoedzaam wendde ik me naar de deur.'Ja, wie is het?' Vroeg ik alvorens open te doen.Een onbekende, doch, niet bedreigend overkomende stem antwoordde: 'Zou je even willen opendoen? We zitten met een probleem in het appartementsblok, de lift werkt niet naar behoren en we moeten iedereen even afgaan om wat vragen te stellen.''Wie ben jij?' 'Ik ben opgeroepen door de hoofdverantwoordelijke van het gebouw om dit probleem uit te zoeken...' Zonder enige achterdocht wilde ik de deur al opendoen, maar een bepaald, onbeschrijflijk gevoel kwam de kop opsteken.Ik had ernaar moeten luisteren, want dat vertelde me om niet open te doen, omdat er iets niet klopte.Maar hoe kon ik nu weten wat dat wilde zeggen?Achteraf bekeken, vertelde dat gevoel me gewoon dat het niet normaal is dat er 's avonds om acht uur een vreemde aan je deur staat om een probleem over de lift te bespreken.Nadat ik even door het gaatje in mijn voordeur had gekeken, deed ik open.Immers? Wat kon hij doen? Een magere, kleine kerel van ongeveer vijfentwintig jaar? Net op het moment dat de deur open ging, stond ik al met mijn rug tegen de muur in de inkomhal geplakt, tegengehouden door één hand van hem op mijn borstkas, en met het andere een mes op de keel geplaatst.Hoe kon ik zoiets laten gebeuren? Immers, ik had hem toch kunnen aanvallen toen hij dat mes boven haalde? Dat mes, was geen knip-of vlindermes, maar een middelgrote, gouden dolk.Ik herinner me nog dat het snijvlak van de dolk zelf, in het midden een scheidingslijn had die de gouden kleur telkens in twee verschillende tinten goud, deed schitteren.De dolk had verder geen enkele gekartelde randen, en leek hierdoor wel wat de vorm van een Samoerai-zwaard te bevatten.Die dolk was voor mij niet middelgroot, die was heel groot!Wel, in ieder geval groot genoeg om na één steek of snijwonde, nooit meer het daglicht te mogen aanschouwen. Zo'n middelgrote dolk in een flits van een seconde zien, is genoeg om je helemaal te verlammen, het is zo intimiderend dat elk greintje weerstand dat je zou willen bieden, gewoon wordt omgezet in totale verlamming.Je lichaam of geest heeft begrepen dat hiertegen weerstand bieden, je dood kan betekenen, en dat wil geen één van beide.Als de vechtreactie lamgelegd wordt, en de vluchtreactie kan niet toegepast worden, wat doe je dan? Waarschijnlijk net hetzelfde als ik, niets. Aan dit alles kon ik op het moment zelf niet denken, het enige dat ik nog weet, was dat ik de deurklink als een 'knop' indrukte, en dat het indrukken van deze knop een kettingreactie veroorzaakte die als eindresultaat had dat ik plots in mijn eigen inkomhal, opgesloten zat.Ik sloot mijn ogen, het kon me immers niet schelen wat er zou gebeuren, alleen maar dat het vlug voorbij zou zijn.In feite, door mijn ogen te sluiten, smeekte ik op onbewust niveau om er een einde aan te maken. Dat, was voor mijn geest en lichaam, de enige uitweg.Beide instincten hadden dus toch een besluit genomen, namelijk dat ik me moest overgeven aan de situatie, want in deze onverklaarbare toestand verkeren, werd erger aanzien als de dood die erop zou volgen zelf. Zou het een vorm van shock geweest zijn? Uiteraard, maar wat voor één? Dat zou ik nog steeds graag willen weten, en ik heb het antwoordt tien jaar later nog steeds niet gevonden.Google weet het niet, en één of andere chirurg ook niet, omdat ik het hem niet kan uitleggen. 'Jij gaat nu al je cash geld geven dat je in huis hebt.'In plaats van 'oké' of zo te zeggen, knipperde ik één keer met mijn ogen.Hij duwde me met zijn hand die me tegen de muur gedrukt hield in een stoot de woonkamer in.Als een schaduw van mezelf, wandelde ik vervolgens zeer bereidwillig naar een klein, zwart kluisje waar zo'n tweeduizend euro in verborgen zat.Ik wist nog dat ik deze handelingen uitvoerde, maar aan niets meer kon denken.Hij nam het geld aan, vertelde dat hij me ging alleen laten maar dat ik voor hem, zodat hij me in de gaten kon houden, naar de deur moest stappen. Ook dit deed ik bereidwillig.Eens de deur was dichtgetrokken, besloot ik even te gaan zitten.Dat leek me toen de beste oplossing.Politie bellen? Wie, waar, wat, hoe?Ik probeerde na te denken over wat ik net had meegemaakt, en wat er allemaal gebeurd was, maar dat ging niet. Het lukte niet om het te plaatsen, en dit voor een totale periode van vijf uur. Pas dan... Begon de shocktoestand af te nemen en begon ik het plaatje te zien.In eerste instantie voelde ik vooral boosheid. Niet naar dat persoon, maar naar mezelf.Best wel vervelend als je over iets wil nadenken, terwijl er ook nog iets in jezelf zegt dat je een ongelooflijk, domme, oetlul bent, en dit uren aan een stuk blijft herhalen.Maar was de shocktoestand na die vijf uur dan wel verdwenen, als dat dwangmatige gedacht maar door je hoofd blijft rondspoken? Hier heb ik gelukkig wel het antwoord op gevonden, oef, dan heb ik er toch iets uit geleerd.Ja, de shocktoestand was weg.Mijn hersenen vertelden me urenlang dat ik een oetlul was, omdat ik in eerste instantie, de voordeur had geopend.

Steve VDV
0 1

If they ask you about me, tell them: “She was the only person that loved me with honesty, and I broke her.”

Ik had nooit begrepen hoe mensen een passionele moord konden plegen. Tot ik boven op hem zat met een mes in mijn handen en hem zevenenveertig keer had gestoken. Slechts één steek bleek achteraf fataal te zijn geweest. De eerste steek. De zesenveertig anderen waren onnodig geweest. Maar ik kon niet stoppen. Het is moeilijk te beschrijven wat ik toen voelde en dacht. Ik dacht niet en toch dacht ik aan alles op dat moment. Ik zag hem niet meer. Ik zag niets. Ik weet enkel maar dat ik stak. En stak. En stak. Keer op keer. Ik herinner me enkel het geluid van het bloed dat uit de wonden vloeide en zich over zijn lichaam een weg naar de vloer baande. En het geluid van krakend huid, als het lemmet er doorheen sneed. Ik herinner me spetters te voelen die op mijn gezicht terechtkwamen. Ik herinner het gevoel van de tranen die zich met het bloed mengden en neerdaalden als een stortbui. Ik herinner me de wind die mijn gezicht streelde en mij afkoelde. Ik kan me niet herinneren of hij terugvocht. Volgens het onderzoek en de autopsie bleek dat hij zich probeerde te verweren. Maar hier weet ik niets meer van. Ik weet nog wel perfect hoe hij mij aankeek. Hoe zijn ogen strak in de mijne keken terwijl hij naar adem zocht. Ik denk niet dat ik iets gezegd heb. Behalve toen het afgelopen was. Ik kan me ook niet meer bedenken waardoor ik gestopt ben. Ik stopte gewoon. Als een storm die opeens bekoeld was.   Ik wist dat het moest gebeuren. Dat zijn leven moest eindigen. Had ik het zo gepland? Nee. Ik wou gewoon praten. Maar hij wou niet luisteren. Hij wou niet inzien wat hij mij had aangedaan. Hoe hij mij mijn leven had ontnomen. Hij besefte niet dat zijn leven ook moest eindigen. Hij heeft het zichzelf aangedaan. Had hij maar geluisterd, had hij maar begrip getoond, had hij maar gewoon geluisterd. Dan had het zo ver niet hoeven te komen. Maar nu zijn we samen. Zoals het altijd had moeten zijn. Het was ons lot. Wij samen, voor eeuwig. Hij was het gewoon even vergeten. Maar ik heb hem eraan herinnerd. Hij weet het nu. Twee jaar lijkt een lange tijd, maar alles is zo snel gegaan. Twee jaar lijkt nu nog maar op een vluchtig moment. Zo kort, zo klein, alsof je het kan vangen en vasthouden. Maar het kwam als een prachtige vlinder, die op een warme zomerdag even je kwam vergezellen met zijn schoonheid. En voor je het goed en wel besefte, was hij alweer verdwenen. Je kan er achter aan gaan en hem proberen te vangen, maar een vlinder laat zich niet zomaar vangen. Zo was het ook met hem. Zo was het ook met ons.

Nicole Rosiers
12 1

Het lastige kleinemansventje

Kabouters worden almaar driester. Je zou het ook vermetel of vrijpostig kunnen noemen, maar dat zou te lichtzinnig klinken. Neen, de kabouter die ik tegen het kleine lijf liep was eerder roekeloos, eerder baldadig maar niet totaal onbesuisd of onbezonnen. Ik had hem tezamen met een hoop bladeren in de groene container gegooid en toen ik met een volgende lading boomafval toekwam kroop hij net vanonder het laatste blad vandaan. Hij keek omhoog en verwachtte dat de karrenvracht hem volledig zou bedekken. Maar hoe klein hij ook was, ik had hem gezien. “Oef” was het eerste wat hij zei en het klonk nogal bekkig.“Goed dat je mij die tweede keer wel hebt gezien” zei hij vervolgens en dit klonk dan weer stout en zelfs verwijtend, “wat een geluk dat ik zacht viel in deze bladerenmassa” voegde hij er nog aan toe.Hij wreef de zweetdruppels van zijn voorhoofd met de pompon van zijn rode muts.“Had je mij zojuist niet gezien dan?” bleef hij grof en onbeschaamd doorgaan.“Of heb je misschien nog nooit een kabouter gezien?” was zijn laatste onbeschofte vraag, die mij duidelijk vrank en impertinent overkwam. Ik moest nog bekomen van deze eerste ontmoeting met een dwergachtige sprookjesfiguur.“Ik had je inderdaad niet opgemerkt die eerste keer” antwoordde ik onderdanig, op het kruiperige af.“Maar daar in de afvalcontainer had ik je direct gezien” klonk ik daarna al iets minder slaafs.“Sorry, ik wilde je niet oneerbiedig behandelen” deed ik me dan weer slijmerig voor. “Het is al goed. Haal me hier maar uit die smurrie” wou hij toen astrant kwijt.Het onhebbelijke persoontje begon op mijn zenuwen te werken.“Je mag wel iets vriendelijker zijn. Een beetje prettiger in de omgang. Als je je niet pijn hebt gedaan, dan mag je heus wel eens aimabeler uit de hoek komen” was mijn kijk op de zaak die ik probeerde te verwoorden op een beschaafde en goedhartige manier.“Aimabel, aimabel” knorde het lastige kleinemansventje.Mijn geduld begon op te geraken en ik vroeg hem op een meer onverschrokken wijze:“Voor mij is het simpel, vlerkerig kereltje. Je vraagt me respectvol je hier uit deze bak te vissen ofwel laat ik je hier een nachtje slapen: je bedje is gespreid en je kan nog een dik bladerendekbed over je heen krijgen”.Mijn manhaftige woorden hadden effect gesorteerd.“Excuseer jongeman voor mijn onbeschaamd gedrag en mijn vrijmoedige woorden. Ik heb dit zeker niet zo brutaal bedoeld. Dit overkomt me op een wat ongelukkig moment, weet je. Ik zocht net wat eikels onder die dikke boom daar, want mijn vrouwtje is ziek en ik wilde haar beter maken met eikelsiroop en net op het moment dat ik een dikke eikel wilde oprapen, vloog ik door de lucht en belandde in deze bak. Door deze tegenslag ben ik zelf een beetje een eikel geworden, denk ik” zuchtte het kleine mannetje en hij sloeg zijn hoofdje deemoedig naar beneden.“Van eikelsiroop heb ik nog nooit gehoord” moest ik lachen, “maar kan misschien een beetje glühwein helpen? Ik doe een beetje in een speelgoedflesje van de kinderen”.“Bedankt meneer en nogmaals mijn nederige verontschuldigingen voor mijn onstuimige en boude handelswijze. Mijn vrouwtje zal u zeer dankbaar zijn voor uw medicijn.”Het waren zijn laatste welgemanierde en warmhartige woorden.Hij liep door het hoge gras. De sprieten reikten tot aan zijn broeksriem. Het mini-flesje met rode inhoud torende overal boven uit. Aan de dikke boom keerde hij zich om, keek naar mij en stak met zijn beide armpjes zijn reuzenfles omhoog. Ik wuifde even en glimlachte.

Marc M. Aerts
0 0