Lezen

Een andere wereld

1. Aangekomen. Papa zet de autoradio harder want de nieuwslezer heeft het over de oorlog in Syrië. Honderdduizenden mensen en kinderen zijn gevlucht voor het geweld. Papa snuift en mompelt iets. Hij werkt voor een vredesorganisatie, dus zo meteen begint hij zich op te winden. Als Anna niet oplet, krijgt ze een hele uitleg. Ze stopt snel de oortjes van haar muziekspeler diep in haar oren, drukt play en zet de muziek meteen goed luid. Het doet een beetje pijn. Door het raam ziet ze vliegtuigen landen. Zonder het geluid van de razende motoren lijken het net zweefvliegtuigjes.   Papa denkt dat ze het leuk vindt om Lizzy uit New York te ontmoeten. Nu mama overleden is, komt ze een tijdje als au pair voor Anna te zorgen terwijl papa werkt. Ouders weten niet half waar hun kinderen aan denken.   In de aankomsthal is het waanzinnig druk. Mensen drummen met rugzakken en valiezen. Papa prutst met het bordje waarop “Lizzy” staat. Hij weet niet goed of hij het omhoog moet houden of niet, en doet het dan toch maar. Net op tijd, want er komt een lange magere meid door de klapdeuren lopen. Lizzy heeft wapperende rode krullen, een jeans met een rode pull en een klein rugzakje. Ze zwaait naar Anna met een petje van de New York Yankees.   Zonder weerwerk te kunnen geven, krijgt Anna van Lizzy een dikke knuffel. Ze houdt Anna op armlengte en glundert, ‘Look at you! You are so big! ’ ‘Wat zegt ze?’ vraagt Anna, en draait zich hulpeloos om naar papa, maar papa’s smartphone begint te loeien. Hij grijpt zoekend in zijn zakken, neemt op met een verontschuldigend gezicht. Het is iemand van zijn werk, zoals gewoonlijk. Hij gebaart naar de meisjes dat ze hem maar alvast moeten volgen, want het gesprek kan nog even duren.   Pas wanneer ze de parkeergarage inlopen bedenkt Anna dat Lizzy vast haar koffers is vergeten op te halen van de bagageband. Ze heeft maar één klein rugzakje. Anna probeert het duidelijk te maken aan papa, maar die gebaart van ‘nu even niet’. Ze trekt aan Lizzy’s arm en wijst dan op haar kleine rugzak en op de koffers van de andere passagiers, maar Lizzy begrijpt er niets van. Wanneer ze aan de auto komen zonder bagage denkt Anna boos, ‘Dan moeten ze het zelf maar weten.’ Ze stapt in, knalt de achterportier toe en nestelt zich met haar muziekspeler in een hoekje.     2. De fotowand.   Van mama's hobbykamer heeft papa een logeerkamer gemaakt voor Lizzy. Alleen de grote fotowand voor de oude schouw is blijven hangen. Anna mist de geur van mama in de kamer. Ze mist zelfs de naaimachine en de stapeltjes kleren en boeken die ze verzamelde. Alles zit in dozen in de kelder, alsof mama nooit bestaan heeft.   Papa maakt spaghetti terwijl Lizzy zich kan installeren in haar kamer. Ze maakt het zich gemakkelijk op het zachte bed. ‘Vreemd,’ denkt Lizzy, 'de kamer is anders, maar de geur is precies hetzelfde.' Ze pakt haar kleine rugzakje uit; er zit een tandenborstel in, een boek, snoeprestjes, een verse T-shirt en sokken. Ze legt ook het basebalpetje voor zich. Dat kan ze op een gepast moment aan Anna geven om haar vertrouwen te winnen. 'Zo', denk Lizzy, ' dat is netjes. En nu de rest halen.' Ze loopt naar de fotowand, grijpt een hoek beet en trekt er een stukje aan zodat hij langzaam verschuift. Plots verstart ze. Voor de deur van de kamer hoort ze geschuifel. 'Anna?' vraagt Lizzy met luide stem. Ze wacht even, maar het blijft stil. 'Anna?’ herhaalt ze, ‘You can come in .’ Dan hoort ze iemand wegstuiven, de trap af. 'In het vervolg toch voorzichtiger zijn,' denkt Lizzy. Ze luistert nog even tot ze papa en Anna beneden hoort praten. Dan loopt ze resoluut weer naar de fotowand.   Een uurtje later legt Lizzy haar laatste jeansbroek in de kleerkast en duwt de deur toe. Op het bed heeft ze een gehaakte sprei gelegd met duizend kleuren. Ze gaat op het bed zitten, klapt haar laptop open en surft naar nieuwswebsites om te kijken wat er gebeurt in de wereld. Ze scrolt door berichten over Syrië, Oekraïne en Afganistan. Dan hoort ze de papa van Anna roepen:, Lizzy, can you come down please? Dinner!’    3. Zanubiya.   Na enkele weken school is Anna de routine met Lizzy gewoon. Wanneer ze 's ochtends wakker worden, is papa al vertrokken naar zijn werk. Soms maakt Lizzy een Amerikaans ontbijt met pancakes, dat zijn dikke pannenkoeken met zoete esdoorsiroop. Maar meestal eten ze gewoon cornflakes. Ze moeten zich iedere ochtend haasten als ze samen naar school fietsen. Onderweg leert Anna een paar woordjes Engels en Lizzy wat Nederlands. De eerste week had Lizzy de vreselijke gewoonte om tot aan de fietsenstalling mee te gaan. Na school stond ze Anna ook al op te wachten tussen de andere ouders, druk pratend met mama’s van kinderen uit de lagere school. Gruwelijk. Stel je voor dat Milan, de knapste jongen van de klas, zou zien dat haar ‘babysit’ op haar staat te wachten. Op een vrijdagavond maakt Anna wat huiswerk aan de keukentafel terwijl Lizzy heerlijke Amerikaanse cookies in de oven heeft gezet. Het is wel gezellig, maar niet zo gezellig als met mama. Lizzy maakt vaak lekkers tijdens het huiswerk. Hotdogs, hamburger, cookies. Alsof eten de leegte kan vullen. Aan dit tempo denkt Anna ongeveer tegen kerst te ontploffen van de zoetigheid.   Lizzy ruimt de bloemzak op, veegt het aanrecht schoon en doet de afwas terwijl ze naar het nieuws kijkt op tv. Wanneer ze haar handen heeft afgedroogd, zet ze de tv uit. Ze ploft ze naast Anna neer om op de tablet te surfen naar meer nieuws uit de wereld. ‘Anna,’ begint ze, ‘wist je dat er kinderen uit Syrië zijn die al twee jaar in een tentenkamp leven? In de winter vriest het en ligt de sneeuw kniehoog.’ ‘Kijk,’ zegt Lizzy en ze toont een filmpje op de tablet, ’Kan je je voorstellen dat je daar moet slapen?’ Op de tablet ziet Anna een dun tentzeil. Aan de buitenkant ligt een hoop sneeuw, aan de binnenkant komt de sneeuw al onder het zeil door tot bij een veldbedje waarop een kindje zonder schoenen zit. Aan zijn neusje hangen snottebellen, maar het ergste zijn z’n grote lieve oogjes die er moe en bang uitzien. Dan draait de camera naar buiten. Kinderen en moeders ploeteren in de sneeuw, op weg naar een voedselbedeling. Plots zet Lizzy het beeld stil. ‘My God,’ zegt ze. Ze zet het filmpje een stukje terug en kijkt nog eens. En nog eens. Dan toont ze het scherm weer aan Anna. 'Dat is Zanubiya.’ Op het beeld ziet Anna een meisje van een jaar of vier voorbij lopen. Ze heeft rafelige kleren en een vuil gezicht, maar haar lichte ogen kijken nieuwsgierig naar de camera. Haar donkerblonde slordige vlecht lijkt in geen weken gewassen. 'My God,' zucht Lizzy nog eens, ‘Zanubiya is een klein meisje dat ik ken van vroeger.’ ‘Ben je ook bij haar gaan wonen zoals bij mij?’ ‘Neen, ja, zoiets…,’mompelt Lizzy. Ze draait zich naar Anna en legt de tablet neer. ‘Anna, luister eens, ik wil je iets belangrijks vragen. Zou je mij willen vertellen hoe je mama gestorven is?’ Anna denkt even na en begint dan, ‘Het was een woensdagmorgen op het einde van de zomervakantie. Mama was niet in bed toen papa wakker werd. We hebben haar geroepen en daarna ook gebeld op haar gsm. Die rinkelde op de zolder, en zo hebben we haar gevonden.' Anna kijkt even op naar Lizzy, ‘In jouw kamer dus. Ze lag op de grond, met een vuile jeans en vuile schoenen, alsof ze van buiten kwam. En…’ Anna aarzelt even, ‘Ze keek alsof ze in een andere wereld was. Haar ogen waren opengesperd en haar pupillen heel klein, alsof ze gestikt was.' ‘Ik dacht het al,’ zegt Lizzy, ‘Jouw mama was heel dapper. She saved Zanubiya’ 'Wat bedoel je?' vraagt Anna. Ze begrijpt dat Engels van Lizzy nog altijd niet zo goed. Op dat moment piept de oven, de cookies zijn klaar. Lizzy veert recht, ze doet de ovendeur open en een heerlijke geur vult de keuken. Terwijl ze allebei voorzichtig een hapje nemen van een heet koekje met smeltende brokjes chocolade, gaat de telefoon. Het is papa. Lizzy en papa spreken Engels tegen elkaar, maar Anna weet al hoe laat het is. Ze moeten papa helpen met enveloppen plooien. Papa werkt bij een internationale organisatie die ijvert voor vrede. Als er ergens oorlog is, probeert de organisatie met de leiders van de ruziënde partijen te praten. Ze proberen hen te overtuigen om de regels en wetten te respecteren die gelden tijdens een gewapend conflict. Dat is het oorlogsrecht. Zo mogen soldaten bijvoorbeeld niet zomaar burgers of kinderen kwaad doen en zijn bepaalde wapens, zoals gifgas, helemaal verboden. Helaas houden niet alle strijders zich daaraan. In augustus 2013 was er nog een aanval met gifgas in een woonwijk in Damascus, de hoofdstad van Syrië. Honderden jonge gezinnen stikten in de walmen die hun slaapkamers binnendrongen.   Het kost de organisatie van papa natuurlijk heel veel geld om de leiders te bezoeken. Geld er nooit genoeg is. Dus sturen ze brieven naar massa’s mensen in België om hen een bijdrage te vragen. In die brief leggen ze uit wat ze precies willen doen met hun gift. Toen Lizzy dat hoorde, had ze zich meteen opgegeven als vrijwilliger om papa te helpen met de brieven, samen met Anna. Anna heeft alleen niet zoveel zin om een hele avond brieven te plooien. Ze wil straks liever naar een danswedstrijd op tv kijken. Maar Lizzy steekt beslist de nog warme koekjes in een trommeltje en sommeert: ‘Jas aan, we vertrekken.’    4. Het portaal.   De volgende morgen staat Anna om acht uur op. Papa slaapt nog. Zaterdagochtend is het beste moment van de week, want dan mag ze op Facebook. Vandaag is het extra spannend, want Milan en Evelyne, de tweeling uit haar klas, hebben beloofd om vandaag de uitnodigingen voor hun verjaardagsfeestje te posten. Milan is de coolste jongen van de hele school. Ze geven een echte fuif in de garage van hun vakantiehuis aan zee.   Nog in pyjama, gewapend met een glas melk en een kom cornflakes, kruipt ze achter de computer. Ze is net ingelogd wanneer Lizzy met een slaapdronken hoofd beneden komt. ‘Hi’ lacht ze flauwtjes, ‘Ik heb een beetje hoofdpijn.’ Het was wel gezellig geworden gisterenavond. Lizzy, Anna en papa hadden samen met drie andere vrijwilligers de hele avond geplooid, geplakt en gezegeld tot alle brieven klaar waren. Eén van de vrijwilligers, een baardige student die Hans heet, had een fles witte wijn mee en zat de hele avond grapjes te maken met Lizzy. Ze hadden leuke muziek opgezet en voor het eerst sinds mama dood is, had Anna papa horen zingen en lachen.   Lizzy gebaart naar de keuken, ‘Ik neem wat ontbijt mee naar boven.’ Anna knikt. Op zaterdag en zondag is Lizzy vrij en verdwijnt ze soms uren in de stad of op haar kamer. Even later ziet Anna haar naar boven lopen met een picknickmand vol eten. Wow, denkt Anna, die heeft honger.   Anna kijkt op haar Facebookaccount, maar ze ziet geen uitnodiging. Dan doet ze wat ze iedere keer doet, even naar de pagina van mama gaan. Telkens staan er een paar nieuwe berichtjes op van mama’s vrienden. Dat ze haar nog altijd missen. Anna leest ze graag, dan lijkt het eventjes of mama er nog is. Alsof je nog iets tegen haar kan zeggen. Dit keer is er een berichtje van een vriendinnetje van mama uit de kleuterschool, een mevrouw die Anna niet kent en… en berichtje van Lizzy! ‘Inge, I miss you. You have a great daughter. I wish I could talk to you.’   Hoe bizar, denkt Anna. Waarom heeft Lizzy dat gedaan? Ze klikt op Lizzy’s profiel en ziet tot haar verbazing dat Lizzy bevriend is met mama. Anna of papa kennen het paswoord van mama’s pagina niet. Ze kunnen dus geen vriendschapsverzoek van Lizzy aanvaard hebben. Dat betekent dat mama haar kende! Anna wil de trap oplopen om aan Lizzy te vragen wat dit betekent, wanneer ze het envelopje ziet oplichten op haar profiel: post! Zou het? Yes! Het is een foto van Milan en Evelyne met een uitnodiging voor het fuifje voor hun dertiende verjaardag. Anna zweeft, maar al snel landt ze op de grond, ‘Hoe ga ik dat aan papa verkopen?’   Ze klapt de laptop dicht, spurt de trap op en valt binnen in de kamer van Lizzy om haar beide kwesties voor te leggen. Ze verwacht Lizzy op bed te zien met de ontbijtmand en een tijdschrift. Maar er is niemand. Ze kijkt snel in de badkamer, maar ook daar is niemand. Ze heeft Lizzy net toch zelf naar boven zien gaan? Onthutst kijkt Anna de kamer rond, achter de deur en onder het bed. Er is echt niemand. Plots ziet Anna dat de fotowand verschoven is. Ze grijpt het uiteinde beet en trekt het verder naar zich toe. En dan ziet ze het.   Aan de achterkant van de fotowand zit een tabletscherm en drie genummerde haakjes. Aan het tweede en derde haakje hangen futuristische armbandjes met een schermpje, maar het eerste haakje is leeg. Onder de tablet hangt ook een schriftje aan een nageltje. Anna herkent het handschrift van haar mama. Het is een handleiding met als titel ‘Het portaal om door de hele wereld te reizen’. Voorzichtig pakt Anna het boekje, zet zich in kleermakerszit en leest het in één ruk uit.   Ze leert dat er achter de fotowand een portaal zit dat toegang biedt tot een heleboel plaatsen op de aarde. Er zijn portalen in duizenden plekken over de hele wereld. Door een plaats aan te tikken op de tabletcomputer kan je ernaartoe reizen. ‘Opgelet,’ schrijft Anna’s mama, ‘je moet een armbandje aandoen met de code van de deur waardoor je vertrokken bent. Zo kom je vanzelf terug. Zonder armbandje kan je niet reizen.’   Anna legt de handleiding naast zich en drukt op het schermpje. Een plattegrond van haar dorp licht op, met een rood ballonnetje boven haar huis. Ze zoemt wat verder uit en ziet in verschillende steden ballonnetjes. In Gent, Brugge, Antwerpen, Brussel, maar ook in kleine dorpjes. Voorzichtig typt Anna het eerste wat in haar opkomt; ‘Disneyland Parijs’. En ja hoor. Het kaartje zoemt in ten oosten van Parijs. Er lichten drie ballontjes op, eentje is blauw, twee zijn rood. Anna zoekt het even op in de handleiding. Er staat: ‘Blauwe ballontjes zijn openbaar, rode zijn privé.’ Het portaal in Disneyland is blauw, dus ze kan ernaartoe zonder toestemming te vragen. Anna kan zich niet bedwingen. Ze neemt het tweede armbandje van het haakje, doet het om en tikt op het schermpje. De thuiscode licht op. Dan tikt ze op het Disney ballonnetje op het scherm en duwt met haar grote teen tegen de bakstenen muur achter de fotowand. Ze voelt haar voet door een elastisch vel glijden. Alsof je door een watergordijn stapt, maar dan kleveriger en harder. Snel trekt ze haar voet terug, haalt dan diep adem, sluit haar ogen en stapt hoofd vooruit door het vel.      5. Disneyland.   Anna landt met haar blote voeten op een natte koude vloer. Wanneer ze haar ogen opent staat ze helemaal alleen in een openbaar toilet. Links van haar zijn er wasbakjes en spiegels, rechts toilethokjes. Ze draait zich om. Achter haar is een berghok met een paar bezems. Ze sluit de deur van het berghok en loopt nieuwsgierig naar buiten. Daar schijnt de zon en klinkt er parkmuziek. Het is nog vroeg en dus rustig in Disneyland. Anna loopt een klein stukje in de richting van een souvenirwinkeltje wanneer ze plots een gezinnetje ziet aankomen. ‘Mama,’ zegt het kleinste jongetje, ‘Ik moet plassen.’ ‘O jee,’ denkt Anna, ‘Ik ben in pyjama en op blote voeten. Zo meteen zijn ze hier!’ Snel rent ze terug naar het berghok. Ze glijdt een stukje op de natte vloer, maar net op tijd bereikt ze de deur. Anna opent hem en drukt op haar armbandje. Meteen verschijnt het melkkleurige vlies in de plaats van de bezems en voor ze het weet, staat ze weer in de zolderkamer.   ‘Anna?’ hoort ze roepen van beneden. ‘Aàààànna? Waar ben je?’ Papa is wakker. Anna ruikt de koffie die hij gezet heeft. Wat een geluk dat ze zo snel teruggekomen is. Ze draaft naar beneden. ‘Hier ben ik!’ roept ze, ‘Ik was…. in de badkamer.’ Halverwege de trap merkt Anna dat ze het armbandje nog om heeft. Ze loopt snel weer naar boven om het terug te hangen. ‘Ik kom zo meteen, nog even mijn haar kammen!’ In de zolderkamer hangt ze haar bandje aan het tweede haakje. Het eerste armbandje is nog steeds weg.   Wanneer ze beneden komt zit papa de krant te lezen aan de tafel. Hij kijkt op en ziet zijn dochter met piekenhaar en in pyjama. ‘Kijk eens aan.’ mompelt papa, ‘Zo lang in de badkamer en nog niet gewassen? Ga je maar vlug klaarmaken, we gaan op bezoek bij oma. Ze vroeg zich af of jij haar volgende zaterdag wil helpen koken, dan komen haar vriendinnen.’ ‘Ok.’ zegt Anna, maar dan bedenkt ze zich, ‘Papa, ik kan zaterdag niet. Er is een feestje van de tweeling uit mijn klas.’ ‘Ah.’ zegt papa, ‘Waar en wanneer is dat feestje? Zijn er ouders bij?’ Dit wordt moeilijk, weet Anna. ‘Het is zaterdag van 8 tot 10 uur.’ Papa fronst, dus gaat ze steeds stiller verder, ‘Het is een fuif in de garage van hun huis aan zee.’ ‘Juist,’ zegt papa, ‘Dan denk ik dat we allebei weten wat het antwoord daarop is?’ ‘Maar papa, iedereen van de klas mag gaan. Het is het weekend voor de paasvakantie.’ ‘Anna, je bent nog veel te jong en te onschuldig voor fuiven. Zeker zo ver weg. Wie zou je brengen?’ ‘Misschien kan Lizzy mij brengen?’ ‘Niks van. Je weet dat Lizzy in het weekend vrij heeft. En ik vind je echt te jong.’ Papa kijkt weer naar de krant en leest verder. Als hij merkt dat Anna blijft staan, kijkt hij op. ‘Schatje, ga je nu maar omkleden, we moeten naar oma.’ Anna draait zich om, gooit de keukendeur met een knal toe en bonst de trap op.    6. Het plan.   Al de hele week houdt Anna Lizzy op afstand. Ze houdt haar lippen stijf op elkaar, zelfs wanneer Lizzy op haar kamer komt en haar het petje van de Yankees geeft dat ze bij had op de luchthaven. Ze mag haar petje houden, net als al haar geheimen. Woensdag na school fietst Anna alleen naar het winkelcentrum om cadeautjes te kopen voor het feestje. Ze verstopt ze in haar kleerkast.   Vrijdagavond zet Anna haar plannetje in werking. Wanneer ze met Lizzy naar huis fietst, doet ze alsof ze buikpijn heeft. De hele avond houdt ze vol, ze eet niet en ligt kreunend in de zetel. Papa belt dan maar naar oma om te zeggen dat Anna niet kan komen helpen. ‘Zal ik de dokter bellen?’ vraagt papa. ‘Neen, niet nodig,’ mompelt ze, ‘ik ga gewoon vroeg slapen. Ik heb iets verkeerd gegeten, denk ik.’ Lizzy kijkt bezorgd. Ze heeft haar jas al aan en wacht nog op Hans, de student die ze kent van het brieven vouwen, om samen de stad in te duiken. ‘Wil je een dekentje?’ vraagt ze. ‘Neen.’ zegt Anna kribbig. Ze krabbelt uit de zetel, draait zich naar papa en zegt; ‘Ik ga slapen. Tot morgen.’   In haar kamer kleedt Anna zich razend snel om. Ze hoort papa nog praten met Lizzy en dan zet hij de tv aan om voetbal te kijken. Die is de komende twee uur zoet. Anna neemt een paar rondslingerende kleren en boetseert ze tot een menselijke vorm onder haar donsdeken. Zo zal papa denken dat ze slaapt. Voor de zekerheid hangt ze een briefje aan de deur waarop staat: ‘Laat mij slapen, niet binnenkomen.’   Dan neemt ze voorzichtig haar cadeautjes uit de kast. Voor Milan heeft ze een voetbalshirt van Barcelona, voor Evelyne een paar oorbellen die lijken op kleine croissantjes. Met ingehouden adem sluipt Anna de trap op naar de kamer van Lizzy. Haar oren zijn gespitst, maar beneden hoort ze alleen de voetbalcommentator die zich opwindt. Af en toe roept papa: ‘Oooo!’ of ‘Bijna!’.   Anna pakt de klink van Lizzy’s kamer met bezwete handen en duwt voorzichtig. De deur zit muurvast. Lizzy heeft haar deur op slot gedaan! Anna voelt haar hart in haar keel kloppen. Ze moet naar dat feestje, ze heeft het beloofd aan Milan. Koortsachtig kijkt ze rond. Zou Lizzy de sleutel ergens verstopt hebben? Ze tilt de mat op, voelt aan de planken in de vloer en kijkt bovenop de deurstijl, maar ze ziet ze niets. Opeens krijgt ze een idee. Ze loopt naar de slaapkamer van papa. In een kistje in de onderste lade van zijn nachtkastje bewaart hij alle reservesleutels. Anna graait tot ze het blauwe labeltje vindt waarop ‘zolderkamer’ staat. Bingo!   Voorzichtig draait ze de sleutel om in het slot van Lizzy’s deur. Hij zwaait open, gelukkig. Anna sleurt de fotowand opzij zodat het portaal zichtbaar wordt en doet een armbandje om. Op de tablet tikt ze het adres van het feestje in. Vlakbij is er maar één blauw ballonnetje, drie straten van het feestje af. Anna haalt adem, drukt op het ballonnetje en stapt door het witte vlies.   Overal klinken luide galmende stemmen en lachende jongens, het is warm en vochtig en vlak voor haar neus is een knaloranje plaat. Verbaasd kijkt ze rond, ze zit in een oranje kleedhokje in het zwembad. Anna sluit vlug de hendeltjes aan beide kanten van het hokje, zodat niemand de deur kan opendoen, en gaat even zitten op het bankje. ‘Goed, een zwembad,’ denkt ze, ‘dan heb ik een zwemzak nodig, anders lijk ik verdacht.’ Ze drukt weer op haar armbandje en stapt door het portaal terug naar de kamer van Lizzy. Daar zoekt ze Lizzy’s rugzak, schudt hem leeg op het bed en stopt haar cadeautjes erin. Aan het wasbakje in de kamer maakt ze haar haren een beetje nat, zodat het lijkt of ze gezwommen heeft. Ziet er prima uit, denkt ze zelf. Dan drukt ze weer op het ballonnetje op het scherm en stapt door het witte vlies naar het kleedhokje. Zo nonchalant mogelijk loopt Anna het zwembad uit, de frisse zeelucht in.       7. Het feestje.   Er zijn wel twintig jongeren in de garage. Anna herkent twee jongens uit de klas, maar verder zijn er vooral oudere jongens en meisjes. De muziek staan behoorlijk luid en er hangen discolichten en slingers aan het plafond, maar niemand danst. ‘Hi Anna,’ wuift Milan vanachter een tafel met bekertjes en frisdrank. Hij wurmt zich langs een groepje grotere meisjes tot bij haar. ‘Blij dat je gekomen bent,’ zegt hij en hij klinkt echt opgelucht, ‘Er zijn vooral neven en nichten tot nu toe, en de balletvriendinnen van Evelyne. Maar Sam en Ruben van school zijn gekomen.’ Anna glimlacht flauw. Ze kent Sam en Ruben niet zo goed. Als Milan lacht, heeft hij een schattig kuiltje in zijn rechterwang. Anna geeft hem het pakje met het T-shirt. ‘Voor jou, van je favoriete ploeg.’ Milan straalt, ‘Leuk, dat je dat weet.’ Hij trekt het shirt meteen over zijn kleren aan en Anna krijgt een zoen op haar wang. Om maar iets te zeggen, zegt Anna, ‘Ik wist niet dat jullie een huis aan de zee hadden. Is het ver van het strand?’ ‘Nee, helemaal niet. Wil je er eventjes naartoe lopen?’ vraagt Milan. ‘Graag!’ lacht Anna.   Even later staan ze buiten. Milan lijkt opgelucht dat hij even weg kan. Ze wandelen naar de zee. ‘Sorry,’ zegt Milan, ’Dit is meer Evelyne’s feestje, ik had niet zoveel te beslissen. Ze wou onze verjaardag met een fuif vieren omdat ze zo bij Evert kan zijn.’ ‘Wie is Evert?’ ‘Haar vriendje en de beste vriend van mijn neef. Hij is vijftien. Daarom zijn al die groten hier, anders wou Evert niet komen.’ Ze wandelen een stukje in stilte. Anna wou dat ze iets interessants had om te vertellen, maar ze durft niet over het portaal beginnen. Alle andere dingen in haar leven lijken nu zo saai. Op de dijk waait het. Het is al donker, dus ze kunnen de zee niet goed zien, maar wel horen. ‘Weet je,’ zegt Milan, ‘Ik was liever gewoon met een paar vrienden naar de film gegaan. Of met jou iets gaan doen.’ Anna kijkt op. ‘Met mij?’ denkt ze. Haar tong laat haar in de steek. Waarom weet ze op beslissende momenten nooit wat zeggen? ‘Naar de film bedoel ik.’ zegt Milan. Het is moeilijk om zeker te zijn in het licht van de straatlantaarn, maar het lijkt alsof Milan een beetje bloost. ‘Lijkt mij leuk,’ zegt Anna. Milan straalt, ‘Goed,’ zegt hij,’ dat is dan afgesproken.’ Anna rilt in haar jeansjasje. ‘Zullen we teruggaan?’ vraagt Milan. Anna knikt. En dan voelt ze Milan’s hand die de hare pakt. Ze lopen hand in hand weer naar de garage. Anna heeft het helemaal niet meer koud, ze gloeit vanuit haar hand, over haar arm naar haar hele lichaam.   Wanneer ze weer in de garage zijn en Milan een cola gaat halen voor Anna, staat Evelyne plots voor haar neus. ‘Ah, Anna’ zegt Evelyne droog, ‘Daar ben je. We gingen je bijna zoeken. Heb je ook een cadeautje voor mij?’ ‘Euh, ja hoor,’ zegt Anna. Ze haalt het pakje boven met de oorbellen en geeft het. Evelyne’s vriendinnen zwermen om haar heen zodat Anna zelf een stapje achteruit moet doen. ‘Oorbellen,’ zegt Evelyne terwijl ze rolt met haar ogen, ‘Hoe origineel.’ Ze geeft ze achteloos aan één van de meisjes. ‘Weet je wat,’ zegt Evelyne tegen Anna, ’ik wil ze wel ruilen tegen dat armbandje van jou.’ Anna kijkt naar haar pols. Het bandje van het portaal. Ze weet niet goed wat zeggen tot Milan aan komt lopen met in elk hand een boordevolle cola. ‘Evelyne,’ pruttelt hij zwakjes, ’Laat Anna gerust.’ Anna kijkt hem dankbaar aan. Maar Evelyne laat zich niet doen, ‘Milan, moet ik papa roepen? Of Evert? Laat ons gerust, dit is onder vriendinnen, nietwaar Anna?’ Evert loopt net voorbij en hoort zijn naam. ‘Is er een probleem Evelyne?’ vraagt hij stoer. ‘Ja,’ zegt ze schril en ze wijst naar Anna, ‘die geit wil mijn verjaardagscadeautje niet geven.’ ‘Dan lossen we dat toch even op,’ zegt Evert. De vrienden van Evert drummen Milan naar achter en staan nu met z’n zessen om de meisjes. Ze zijn een kop groter. Anna kijkt verschrikt. Ze kan het armbandje niet geven, anders geraakt ze niet thuis. Maar Evert maakt er niet veel woorden aan vuil. Hij pakt haar arm en trekt de mouw omhoog. In paniek rukt Anna zich los, draait zich om en duikt onder de armen van de andere jongens door. Voor die doorhebben wat er gebeurd is, loopt ze alweer op straat, op weg naar het zwembad.   Ze rent zo hard ze kan, haar hart klopt als losgebroken kudde wilde paarden. Uitgeput komt ze aan bij het donkere zwembad. De moed zakt in haar schoenen, want de deur zit potdicht. Ze kijkt achterom, maar gelukkig volgen de jongens haar niet. Op het pleintje voor het zwembad staat geen telefooncel. ‘Natuurlijk niet,’ denkt ze, ‘iedereen heeft een gsm, behalve ik.’ Op de leuning van een bank, zit een meisje met haar gsm te spelen, naast haar voeten ligt haar zwemzak op de zitting van de bank. Met de rug van haar hand veegt Anna haar tranen af, en haalt diep adem, ‘Hi, zou ik even mogen bellen?’ ‘Is jouw mama je ook vergeten?’ zegt het meisje met een lachje, ‘Bel maar hoor.’ Het enige nummer dat ze vanbuiten kent is dat van thuis. ‘Hello, met Lizzy’ ‘Hoi, het is Anna.’ Anna’s stem knijpt samen, maar Lizzy merkt er niets van, dus die steekt volijk van wal, ‘Hi Anna, bel je voor papa? Ik word hier knettergek van die mannen. Ik zou met Hans de stad in gaan, maar toen wou hij je papa nog even dag zeggen. Voor ik het wist, zaten die twee voetbal te kijken, en nu krijg ik er geen woord tussen. Ben jij dan toch naar oma gegaan? Hoe is het daar?’ Anna slikt even. ‘Neen, ik ben aan zee, bij een zwembad. Het heet het Stormbad’ Ze kan wel in tranen uitbarsten. ‘Zeg alsjeblieft niets tegen papa, maar kan je mij komen ophalen?’ ‘O,’ Lizzy fluistert opeens,’o. Ja, ik denk het wel. Ik verzin wel iets.’   Even later begint het zachtjes te regenen. Het meisje met de gsm werd al opgehaald. Wat mist ze mama nu.         8. Het zusterschap.   Lizzy draait het pleintje op in de auto van Hans. Anna stapt rillend in, ze voelt zich een verzopen katje. ‘Goed,’ zegt Lizzy, ‘We moeten even om pizza, want ik heb de mannen wijsgemaakt dat ik die ben gaan halen. Maar vertel eerst wat er gebeurd is.’ In een gulp komt het hele verhaal eruit, hoe ze het portaal ontdekte, Disneyland en het feestje van de tweeling met de gruwelijke Evelyne. ‘O neen,’ zucht Lizzy, ‘Het is allemaal mijn fout. Ik had het logboek van het portaal moeten bekijken, dan had ik gezien welke trips er gemaakt werden. Meisje toch!’ Lizzy parkeert de wagen aan het drive-in raampje van het pizzarestaurant en bestelt. ‘Ik ben jou wel wat uitleg verschuldigd, denk ik.’ Anna knikt, ‘Je kent mama al van vroeger.’ ‘Ja,’ zegt Lizzy, ‘Je mama en ik hebben elkaar via het portaal leren kennen, toen je ouders pas in het huis woonden. Ik heb er ook eentje in mijn appartement in New York. We hebben eerst ook wat gekke dingen gedaan, net als jij. Een avondje China, even gaan skiën, het was fantastisch. Maar we wilden ook iets nuttigs doen. Je papa was zo begeesterd bezig met zijn vredesorganisatie en je mama wou ook iets bijdragen En zo vond het Zusterschap ons.’ ‘Het Zusterschap?’ ‘Het is een groep vriendinnen die we leerden kennen via het portaal. Samen proberen we heel discreet te helpen in oorlogsgebied. We kunnen de oorlog niet stoppen, maar we proberen kinderen die in vreselijke omstandigheden leven, een klein beetje te helpen. Daarom smokkelen we manden met eten naar plaatsen waar honger is. We verzorgen gewonden, we troosten eenzame kinderen en brengen ze warme kleren, dekens en schoolgerief. Het is vaak gevaarlijk en we moeten altijd oppassen dat niemand het portaal ontdekt. Als soldaten of mensen met slechte bedoelingen de portalen ontdekken, kunnen ze die misbruiken of afbreken.’ De man in het raampje geeft haar de pizza’s. Lizzy rekent af en geeft de dozen aan Anna. Ze voelen lekker warm op haar benen. Voor ze doorrijdt, kijkt Lizzy Anna indringend aan, ‘Jij moet de portalen dus ook geheimhouden. Voor iedereen.’ ‘Beloofd. Maar Lizzy, wie heeft die portalen gemaakt?’ ‘Het zusterschap zelf. Het begon met enkele professoren, dames met een neus voor fysica, wiskunde en computers. Door hun knappe koppen bij elkaar te steken, zijn ze erin geslaagd om een portaal voor teleportatie bouwen. Teleportatie is een duur woord voor de snelle reizen die we kunnen maken met het portaal. Ondertussen zijn er al heel veel portalen dankzij de zusters die er telkens nieuwe bouwen, zelfs in oorlogsgebied en in vluchtelingenkampen.’ ‘Kan jij er ook één bouwen?’ vraagt Anna. ‘Neen,’ lacht Lizzy,’nog niet. Ik ben naar hier gekomen om te onderzoeken wat er precies met je mama is gebeurd, en om een opvolgster voor haar te zoeken. Voorlopig doe ik haar taken van hieruit, op weekavonden, of in het weekend terwijl jullie denken dat ik slaap of lees in mijn kamer.’ ‘Cool, mag ik helpen?’ smeekt Anna. ‘Neen, meid, dat is veel te gevaarlijk. Oorlogsgebied is echt niets voor kinderen. Ik zou niet willen dat jou iets overkomt, zoals je mama.’ ‘Maar wat is er dan precies met mama gebeurd?’ ‘Ik wist het eerst niet zeker, maar ik denk dat je mama is omgekomen in een gifgas aanval in Damascus, de hoofdstad van Syrië. Jullie vonden haar toch op 21 augustus?’ Anna knikt. ‘Die nacht dreef het gas door de straten, door deuren en kieren. Wij liepen op straat want we waren op weg om Zanubiya te vertellen dat we haar mama gevonden hadden in Antakya, in Turkije. Je mama wou Zanubiya meenemen naar daar. Maar de weg van Zanubiya’s schuilplaats naar het portaal werd bewaakt door scherpschutters, dus moesten we haar ’s nachts ophalen. Toen je mama het gevaar van het gas merkte, stuurde ze mij meteen terug naar het portaal. Zelf kon ze nog roepen naar de hoge vensters van het flatgebouw waar Zanubiya was, dat ze zo hoog mogelijk moest klimmen en een doek voor haar mond moest binden. Dan is ze zo snel ze kon teruggelopen naar het portaal. Ik zag haar aankomen en ben net voor haar gesprongen. Door de instellingen van mijn armband was ik meteen in New York. Ik dacht eerst dat je mama het ook had gehaald, maar twee dagen later zag ik de rouwtekstjes op Facebook. Het gas was blijkbaar in haar lichaam gedrongen. Ze moet gestorven zijn toen ze in de zolderkamer aankwam.’ Anna snuit haar neus en door haar tranen heen vraag ze, ’En Zanubiya?’ ‘Ik ben sindsdien op zoek is naar haar,’ zegt Lizzy, ‘Weet je nog dat we haar een tijdje geleden op dat filmpje van het internet hebben gezien? Ik ben de dag nadien naar het kamp in de sneeuw gegaan. Maar het filmpje was al oud. Zanubiya was niet meer in dat kamp. Nu heb ik geen enkel spoor meer. Ik ben wel nog op bezoek geweest bij haar mama in Antakya. Ze woont boven de kruidenier waar het enige portaal van de stad zit.’ Lizzy rijdt de oprit op en dooft de lichten van de auto. ‘Goed,’ zegt ze, ‘Ik zal de pizza’s naar binnen dragen. Loop jij snel even een stukje de trap op, en kom dan naar beneden. Dan lijkt het net alsof je de hele tijd geslapen hebt en je nu wakker geworden bent met honger.’       9. Zanubiya.   Tijdens de rest van de paasvakantie hangt Anna rond met Lizzy en Hans. Ze doen allerlei leuke dingen, maar omdat Hans erbij is, praten ze niet meer over het portaal. ’s Avonds muizen Lizzy en Hans onderuit na het avondeten en kijken Anna en papa samen naar tv.   Op zaterdagavond is er een live verslag uit het Al Za’atri vluchtelingenkamp nabij de Jordaanse stad Mafraq, waar veel gevluchte Syrische families in tenten wonen. Het kamp is zo groot is dat het van bovenaf een witte zee van tenten lijkt. Ze zien de onthaalruimte waar pas aangekomen vluchtelingen worden opgevangen. Het is al donker, maar de mensen schuiven aan. En dan ziet Anna haar, helemaal alleen. Zanubiya. ‘Papa, kijk, ik ken dat meisje,’ roept ze. Papa trekt een frons in zijn voorhoofd. ‘Liefje, ik denk niet dat je dat meisje kent. Ze lijkt misschien op een kleuter van school? ‘Neen papa, je moet haar helpen!’ ‘Anna, je weet toch dat dat niet kan? Onze organisatie legt het oorlogsrecht uit aan de ruziënde partijen. Dat neemt tijd. We kunnen niet zomaar één meisje helpen.’ ‘Dus je kan niets doen?’ briest Anna, ‘Waar dient die stomme organisatie dan voor?’ Papa begint een uitleg, maar Anna hoort het niet meer. Ze stormt de trap op en kan alleen maar denken: ‘Ik moet iets doen. Zanubiya is nu in de onthaaltruimte van het kamp. Als ik wacht op Lizzy, zijn we haar weer kwijt. Dat kamp is eindeloos groot. Als papa niet wil helpen, dan doe ik het zelf!’   Die avond komt Lizzy laat thuis van een avondje theater met Hans. Ze hoort papa snurken in de zetel. Hij is in slaap gevallen voor de tv. Voorzichtig sluipt ze naar boven. In haar kamer merkt ze meteen dat de fotowand verschoven is en dat er een armbandje weg is. Er ligt een briefje van Anna; ‘Ik breng Zanubiya naar huis.’ In paniek bekijkt Lizzy het logboek. Ze is naar een kamp in Jordanië. Zonder aarzelen grijpt Lizzy zelf het tweede bandje en duikt achter Anna aan.   In het kamp loopt Lizzy uit de stinkende toiletgebouwtje naast de onthaalruimte van het kamp. Ze klampt wachtende vluchtelingen aan en vraagt of ze een westers meisje gezien hebben. Ze schudden het hoofd want ze begrijpen haar niet. Maar één vrouw knikt en wijst naar het gebouwtje waar Lizzy uitkwam, ‘She came out of there, took a little girl with her and disappeared again in the building. ’ ‘Thank you!’ zegt Lizzy. Ze rent weer naar de toiletten, maar alle hokjes zijn leeg, op een zwerm vliegen na. Zouden ze elkaar gekruist zijn en is Anna weer naar huis, met Zanubiya? Lizzy drukt op haar armband en stapt door het vlies heen weer de zolderkamer in.   Thuis vindt ze niemand, alleen papa, slapend op de bank. Waar is Anna dan? Lizzy tikt koortsachtig op het tabletcomputertje, maar die heeft het antwoord niet. Hij registreert alleen waar iemand naartoe gaat, niet naar waar die doorreist. Lizzy is radeloos. Tot Anna plots de kamer instapt via het portaal. ‘Anna!’ juicht ze, ‘Waar was je?’ Anna vertelt dat ze Zanubiya op tv had gezien in de onthaalruimte van het vluchtelingenkamp, en dat ze meteen door het portaal naar het toiletgebouw is gereisd. ‘Ik heb Zanubiya bij de hand genomen’, vertelt ze, ‘ en zachtjes, ‘You want mama?’ gevraagd. Ik weet niet of ze mij begreep, maar kwam mee.’ ‘En dan, ‘vervolgt Anna trots, ‘zijn we samen door het portaal gestapt, hand in hand. Ik had de code van het kruidenierswinkeltje in Antakya opgezocht, dus we konden meteen doorreizen naar haar mama. Die was superblij.’ ‘Wat jij gedaan hebt, Anna, is iets wat ons maar niet lukte,’ zegt Lizzy, ‘Je bent echt dapper, slim en snel.’ Anna glundert, ‘Ik heb thee van Zanubiya’s mama gekregen en zoete snoepjes.’ ‘Weet je, Anna, het zusterschap kan de oorlog niet oplossen, maar we kunnen allemaal kleine dappere dingen doen die de wereld een beetje beter maken. Jij hebt je hoofd cool gehouden en gedaan wat er moest gebeuren. Misschien ben je een beetje koppig, maar zo was je mama ook.’ Lizzy kijkt plots heel ernstig, ‘Anna, ik denk dat ik de opvolger voor je mama gevonden heb.’        10. Geen afscheid.   Op de luchthaven is het alweer druk. Mensen verdringen zich met koffers en rugzakken. Maar Lizzy niet, ze heeft alleen een klein rugzakje. Papa en Anna geven haar een knuffel. Anna had verwacht dat Hans tranen met tuiten zou huilen, maar hij omhelst Lizzy met een grote glimlach. ‘Zo gaat dat met de jeugd,’ zegt papa, ‘Die zijn niet meer treurig bij een afscheid, want ze houden contact via Facebook.’ Hij klopt op Hans’ schouder. Maar dan ziet Anna vanonder de mouw van Hans een glimp van een armbandje piepen. Ze kijkt naar Lizzy, die knipoogt en zegt, ‘Hans houdt wel een oogje op jou na school, als je hem af en toe binnenlaat.’ ‘Dat doe ik,’ zegt Anna, en ze fluistert tegen Hans, ’Als jij deze zaterdag met Milan en mij naar de film wil gaan.’ Hij lacht en knikt. Lizzy loopt naar de douane en zwaait, ‘Tot binnenkort, Anna!’

Tine Tytgat
0 1

H2O O O O O

De natte massa baant zich een weg door de kieren en spleten van het oude huis. De bewoner maakt het nog natter door zijn interne kraan te laten meewerken aan de verdrinkingsdood van zijn geliefde elektronische apparaten. De digitale revolutie is niet opgewassen tegen moeder natuur, zeker niet als ze nat is. De bewoner had recent nog een extra hypotheek op zijn huis genomen om een luxe flatscreen aan te schaffen,  die nu als een halflek opblaasbootje door de kamer heendobbert. Geld krijgt de man er niet voor, want het geld dat hij normaal voorzien had voor een brandverzekering had hij in een iphone geïnvesteerd.   verderop in de straat kijkt een vrouw bedroeft naar haar collectie namaakpenissen, ze drijven als verlaten badeendjes door haar kelder heen, waar ze ze verstopte voor haar iets minder experimentele man. De veelvraat op nr 5 ziet een mooi excuus in de watersnoodramp om de inhoud van zijn goedgevulde koelkast in een ruk op te eten. hij is erg verdrietig dat zijn koelkast nu al stuk is terwijl hij een paar dagen geleden nog een krantenartikel las over een van de oudste nog werkende modelen in Engeland en hij de uitdaging wou uitgaan zijn koelkast ook lang te laten leven. Hij maakte er een sport van zijn koelkast vol te stouwen met een divers aanbod aan hamburgers. De lekkerste verse bovenaan en de oude wat groen uitgeslagen varianten op de laagste plank voor de noodgevallen.   Op nr 10 kijkt een verstrooide nog niet ontdekte kunstenaar ongelukkig naar zijn huis dat tijdelijk in een indoorrecreatiebad is veranderd. Iedereen uit zijn nabije omgeving wist dat hij nooit ontdekt zou worden, maar zelf had hij de hoop op ontdekking nooit opgegeven, tot nu. Er lag een dike laag modder over zijn manuscripten en de letters waren uiteengevallen in inktvlekken. In een laatste hoop enige naambekendheid te krijgen klampt hij een cameraman aan, die in de buurt is om de ramp in kaart te brengen. Hij smeekt hem zijn verhaal te tonen, zodat de mensen weten wat een groot verlies voor Vlaanderen deze manuscriptendouche is. Zijn vrouw kijkt het met lede ogen aan, maar is opgelucht dat ze de manuscripten de volgende week niet meer moet afstoffen.   Zo kijkt een hele straat beteuteld naar de verloren beneden verdieping van hun huis, je hoort iemand mompelen, dat het maar snel ergens anders gebeurt, in tijden van nood zijn we allemaal egoïstisch.

phyllox wanderlust
0 0

Snot, aap en nootjes

Dit is een wç voor piraten met één hand of minder. Overmorgen is er die babyborrel en over die zelfmoordplannen van een cirkel zal ik zwijgen. Zwaartekracht kan dodelijk zijn. Bij miereneters is het omgekeerd.   Geen melk vandaag. Ik ben op reis in een verwarrend land, lelijk en mooi, zijn tien parkieten in een kooi. Een man doodt soms de ganse dag. We kunnen een tentje opzetten, erin vertellen over vroeger. Kapitein Iglo woont in een kajuit. Ik had een fiets met een zelfgelast karretje. Hij was best abnormaal maar we wisten het niet.   1989, een helrode Ford Escort, paar dia's, een gewonnen hangertje, toch dat zakje apennootjes, symbolisch. Ver weg, Baltimore, de Baltische Zee, een strand met duizend vliegers, lachende gezichten in de branding. Kruimels waaien uit het bord. Het meesje is verduiveld snel, vangt de onraad met zijn bek want ik lieg. Over het aantal. De kinderen die ik heb verwekt.   De man telt ze niet meer. Runderblik, paté in potjes. Bij de croissant ligt er wat confituur, weet ik weer hoe je mijn grappen zelfs verdroeg. De waardebon voor een voldragen zwangerschap had ik naar een god gestuurd. Hij lachte, had een uurwerk. Toen ik hem later zag, sprak ie smalend dat het zo moest zijn, gij snotaap, die man, die ouwe zot in veelvoud, de haperingen, die krekelsprongen in mijn hoofd, zij weg, hun dood.    Beertje Colargol, met zijn koffertje, vond altijd een oplossing. Vruchteloos, adertjes, elektrische garagepoort, een boom met noten. Dakloze gedachten zijn ontzettend vrij. Het biggetje, het is van roze marsepein. Het kindje heeft dezelfde kleur en geurt naar toekomst. Ik herinner me de vorm van je mond.   Het kalf met dolle vlekken rust, op een lappendekentje. Hij staart naar de natte snuit. Je mag mijn snorkel gebruiken, geen wolkje, Petit Bateau. Moe. Ik wil straks in je schootje liggen, terwijl je de littekens streelt. Had gekund.   Toen ze plots kwamen, legde men ze achter het glas te stikken. Meer niet. Het brugje over de ravijn is roest, twaalf stappen lang. Er wachten geitjes aan de overkant. De herder heeft maar beter sterke armen en een stok.       uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'   

Bernd Vanderbilt
0 0

Duizend stukjes

Een gewaarschuwd man is er twee waard: ik kon douchen, we hebben een handdoek voor je, maar breng je eigen zeep mee. De verwachting dat ik zou zweten had niks te maken met het takenpakket dat ik normaal voor mijn bezorgde werkgever uitvoer, wel met het afnemen van een inspanningstest van het hart. Dat wordt verondersteld ongestoord en onverstoorbaar het ritme aan te houden, en geen slag over te slaan - tenzij het getroffen wordt door een bliksemschicht, uiteraard. Thuis, vanuit een zetel waarin sinds twee uur vakantie heerst, komt een andere ritmestoornis me tegemoet. 'Ik verveel me'. De puber heeft last van de gapende leegte die komt na een tijd van geconcentreerd, monomaan werken. 'Maak een puzzel', suggereer ik, maar het vooruitzicht eerst duizend stukjes te moeten omdraaien en de kantjes eruit te vissen, is hem te vermoeiend. Er ligt nochtans nog een mooie in de kelder. Bloemen, een bergdorpje, stralende hemel met wat schapenwolkjes. Het bericht kwam op zaterdagavond, als een donderslag bij heldere hemel. Of ik maandag wat eerder op het werk kon zijn? De baas wou me even apart spreken, nog voor onze directievergadering. Het was rotweer, de files lang en het gesprek kort. Dat was ook de werkdag, de werkweek en de werkmaand. En mijn carrière bij die werkgever. Wat doe je wanneer je op een maandagochtend om kwart na negen terug thuis bent, terwijl je nog het hele weekend op je cijfers hebt zitten wroeten? Je bent kwaad, je belt een reeks mensen, zoekt een advocaat, maakt afspraken, maar zo ergens in de vroege namiddag besef je al: er is teveel tijd om in één keer in te kunnen vullen. Een puzzel. Die gaat je helpen om je gedachten op orde te krijgen. Een shortcut naar zen: bloemen, bergdorpje, stralende hemel met wat schapenwolkjes. Tegelijkertijd verdiep je je in het vrouwentornooi van Roland-Garros en tel je de uren af tot je je zoontje van school kan halen - dezelfde die zich nu puberaal verveelt. Je wringt je tussen de huishoudelijke taken, en misschien, heel misschien, ga je een kamer in huis schilderen. Niets doen is moeilijker dan het lijkt. Eerst is er rusteloosheid, maar verveling zet snel in. De tijd voor je wordt een vormeloze, kleverige brij, en wat je je ooit ook had voorgenomen om te doen als je maar de tijd zou hebben - een roman schrijven, een marathon lopen, een blog beginnen desnoods - daar lijk je in de eindeloosheid van de meeste dagen maar niet aan te kunnen beginnen. En ook de vierde muur van die kamer wacht nog steeds. Hoe kostbaar is tijd echt? We nemen als vanzelfsprekend aan dat het leven sneller gaat dan ooit tevoren, dat vooruitgang en beschaving in ons een hoogtepunt vinden. Te snel gaat het zelfs. Maar het nieuwe doel, slow food, slow seks, slow travel, gooien we nagelbijtend overboord in onze voort schuifelende auto's en stilstaande treinen. Voor ons moet het toch vooral vooruit gaan. Behalve misschien dan voor dat ene meisje, een paar plaatsen van je vandaan in de trein. Zij kijkt de hele reis zo maar een beetje voor zich uit. Zich volledig onbewust van de omgeving, en al zeker van mijn bijkleurende blik, geeft haar gezicht afwisselend uitdrukking aan alle mogelijk emoties. Ik zie angst, bewondering, woede, verlangen, onzekerheid, genot en ongeduld passeren. En dan durf ik niet eens het hele half uur kijken. Bliksemschicht. Als er al verveling bij is, dan is het een sierlijke vorm. Niet veroorzaakt door het tot stilstand komen van het ritme van het dagelijkse werk of door het tegengestelde daarvan, het eindeloos doorgaan van steeds hetzelfde. Zij lijkt de leegte van de treinrit te omhelzen met een ritme dat steeds wisselt, vol met leven en ver van de gelijkmoedigheid, die zo makkelijk te verwarren is met onthechting. De val van verveling ligt misschien net daar, tussen de rust van de oneindigheid, en de berusting in de ketenen van het hart en de geest. 'Misschien moet je gewoon iets geks doen', zeg ik tegen mijn puber. 'Iets wat je nog nooit heb gedaan, iets waar je nog nooit aan gedacht hebt om te doen. Wedden dat je dan als Zeus bliksemschichten kan rondstrooien en meisjesharten in duizend stukjes laten breken?' Hij kijkt me meewarig aan. 'Morgen misschien', mompelt hij. En sloft naar een herhaling van een Top Gear aflevering, waarin snelheid als enige god wordt aanbeden. Met mijn hart is overigens niks mis, op die paar barsten na, die komen met de leeftijd. Dirk Van Boxem meer op www.bijgekleurd.wordpress.com

Dirk Van Boxem
0 0

O.T. & Fitch

“De grond die u bewerkt zal niets meer opbrengen: een zwerver en een vagebond zult u zijn op de aarde” Dergelijke zwaarwichtige Bijbelse frase was onze Godfather Clombie op zijn zelfverklaard Pantocrator-lijf geschreven. Als waren we lijfeigenen hadden wij Zijn land bewerkt, hadden wij Zijn veestapel uitgebouwd. Tijdens ons offeren droomden we soms van een leven als de verkwistende verloren zoon. En plots: een historische jobstijding, in maar één gebenedijd woord: EXODUS ! Verbannen van onze gronden, en dan nog wel naar een achterlijk goj-gat als Nod, begot. We vernamen pas wat er ons in de sandalen was geschoven toen we in die buurt zwartwerk deden bij een optreden van Genesis. We stonden te boek als waren we een tweede erfzonde.. Zo'n danteske vorm van desinformatie en diffamatie vindt snel een breed lezerspubliek. “Zij leven als Caïn en Abel” hoorden wij nadien alsmaar zeggen. Welke broers hebben er nooit ruzie?  Met wie moesten we trouwens anders ruzie maken? En waar wordt er dan al niet eens geduwd en getrokken? Misbruik heeft Hij gemaakt van dat ene moment. Na een slechte val en een gekloven wenkbrauw durven moord en brand schreeuwen en ons dood verklaren en verbannen, is toch om te vloeken. Zeker omdat het zelfs niet was voorgevallen zonder Zijn treiterig favoritisme. Ondertussen moesten wij als ballingen in die verre voorloper van de diaspora zien te overleven. We gingen schuil onder onze aliassen Caleb en Aron. In Nodmansland had toch geen kat Steinbeck gelezen. Gelukkig was er kozijn Elia, die ons daar ten oosten van Eden elk een filmrol aanbood. We konden ons vlot in onze rol inleven en voelden ons even James Dean. Met onze talenten en een handvol zilverlingen konden we weer verder. Wij trokken samen naar het Avondland. Eerst moesten we nog door een woestijn, maar eigenlijk leek ons – nu – alles beter dan voor eeuwig en nog wat langer achter schapenkonten te lopen, zoals neef Gavino Ledda voor ZIJN Padre. Ginds in het verre westen maken de kleren de man en maakt de man de kleren. Het merkteken dat wij als stigma van onze Heer en Meester hadden meegekregen werd onze geuzennaam. C&A. The store and the story of Cain and Abel. Kledingwinkelketen C&A maakten wij tot een hemelsbreed succes. Nu waren wij én idolen én bloedbroeders. De beweerde afgunstige eerzucht, het veelbeschreven onontkoombare Fatum, en zelfs de Almachtige profetieën hadden we bezworen. Of werden de geschriften pseudo postuum bewaarheid toen de Chinese kledingmarkt werd veroverd door Abelclombie? hybris

hybris
0 0

Canada

Inleiding   Op 11 oktober 1926 vertrok de Pennland II van rederij de Red Star Line aan de Rijnkaai in Antwerpen.  De reis ging  via Southampton naar Halifax in Canada. De om en bij twee duizend passagiers waren emigranten uit België, Duitsland, Oostenrijk, maar vooral uit Oost-Europa, Rusland, Polen en Hongarije. Onder de kleine honderd Vlamingen bevonden zich mijn grootouders die afkomstig waren van Kortrijk. In Canada vestigden ze zich in de township Sandwich nabij Windsor, een stad in het zuidwesten van de provincieOntario. In augustus 1931 kwamen ze voorgoed terug met mijn moeder, die toen negen maand oud was. Dit boek is geïnspireerd op wat mijn familie vertelde en op de getuigenissen van emigranten die ik vond in de talrijke bronnen die ik raadpleegde. Het verhaal is fictief. Mocht iemand zich herkennen in een van de personages, dan berust dit op toeval. Bertha laat de knopendoos in haar jaszak glijden. Ze kent de deukjes in het deksel. Blindelings vinden haar vingers de gezichten van het verkleurde koningspaar. Haar duim streelt langs de versleten gouden krullen. De kromme pootjes onderaan haken in de voering van haar jas. Plots voelt Bertha een kneepje in haar arm en ze ontwaakt uit haar dagdroom. Ze staat werkelijk aan de reling van een gigantisch schip. Naast haar neuriet Flor een vrolijk deuntje. Enthousiast als een kind wijst hij naar de matrozen die de loopbrug ophalen. Ze kijkt op naar zijn knap gezicht, zijn sterke hoekige kin, zijn metaalblauwe ogen. Haar man. Tien dagen geleden zijn ze getrouwd. Flor strijkt langs de rand van zijn nieuwe hoed en geeft haar een knipoog. Hij stuurt zijn fraaiste glimlach naar de wal en brengt een groet uit die veel weg heeft van een militair saluut. ‘Bertje,’ lacht hij, ‘eindelijk.’ ‘Ja,’ zucht Bertha. ‘Schat, je moet blij zijn vandaag. We zetten de eerste stap in ons groot avontuur. Er wacht ons een fantastische toekomst aan de overkant van de oceaan.’ ‘Als jij het zegt.’ ‘Ik ben er zeker van. Je weet toch wat nonkel Gust geschreven heeft. Hij woont daar nu vijf jaar en hij rijdt al met een automobiel.’ Bertha knikt dapper, maar heimelijk twijfelt ze aan de eerlijkheid van nonkel Gust. Misschien is hij een praatjesmaker, net als Flor’s stiefmoeder?  Bertha wil Flor graag geloven en ze forceert een glimlach. Ze legt een arm om zijn middel, maar tegelijk omklemt ze met haar rechterhand de blikken knopendoos in haar zak. Mama’s afscheidsgeschenk.   Moeder Stiene staat op de kade. Een nietig vrouwtje in de deinende mensenzee. Tussen de achterblijvers die glimlachen of huilen, knijpt zij haar mond stijf dicht in een rechte streep. Wellicht kan ze niet beslissen wat het beste is, denkt Bertha. Nooit eerder vertrok een van haar kinderen. Vader Kamiel is er niet. Hij kon geen dag verletten in de fabriek. Een typische uitleg, vindt Bertha. Wat hij niet goedkeurt, negeert hij. Zo is hij altijd geweest. Van haar broers en zussen nam ze gisteren afscheid. Er vloeiden tranen en er werden beloftes gedaan. Ze zouden schrijven. Lange brieven over alle lief en leed. De zakdoeken op de Antwerpse Rijnkaai wapperen. Ze klapwieken als witte duiven die nooit leerden vliegen. ‘Ga dan, ‘lijken ze te zeggen, ‘vertrek nu maar. De lucht is vrij en de zee is kalm.’ Familie en vrienden roepen voor de laatste keer de namen van hun geliefden en wuiven, wuiven. Bertha ziet dat de zakdoek van mama Stiene stil hangt in de lucht. Als een vlagje dat halfstok hangt, halfweg tussen vreugde en droefheid. Een doordringende stoomfluitkondigt de afvaart aan. Tot driemaal toe, hees en angstaanjagend luid. Bertha houdt haar handen voor haar oren. Er komt beweging in het schip. Zijn kolossale romp trilt en een gegrom stijgt op uit zijn ingewanden. De Pennland schudt zich vrij met een lichte deining. De passagiers houden even hun adem in. Het schip komt los van de kade. Er klinkt een uitgelaten gejoel. Ze vertrekken. Naar Canada. Het is 11 oktober 1926.   ***   Bertha ziet Antwerpen vervagen. De kade wordt een grijze vlek met één witte stip, daar  waar ze de zakdoek van mama vermoedt. Ze blijft ernaar staren, durft haar ogen niet te sluiten omdat ze bang is het beeld voorgoed te verliezen. De Pennland wordt de haven uit geloodst door twee sleepboten. Langzaam vorderen ze in de richting van de zee. Het water is niet blauw, zoals Bertha altijd dacht, maar eerder bruin. Als een vieze soep waar schuim op drijft. Ze huivert en denkt aan de drenkelingen van de Titanic, het luxeschip dat zonk omdat het tegen een ijsberg aanbotste. Bertha was een jaar of tien toen dit gebeurde. Ze herinnert zich nog de artikels in de krant. Het moet verschrikkelijk geweest zijn, al die dode mensen in het water. Flor verzekerde haar dat dit nooit kan gebeuren met hun schip, omdat het gebouwd is volgens de modernste technieken. De enorme schoorstenen van het schip stoten zwarte rook uit. Roetdeeltjes dwarrelen neer over de reizigers. Bertha duikt in elkaar wanneer een vlucht meeuwen over het dek scheert. Een zwerm late trekvogels vat de reis aan naar het zuiden. Op dat vlak zijn beesten slimmer dan mensen, denkt ze. Ze wisselen van land  naargelang de seizoenen, maar altijd met het vooruitzicht te zullen terugkeren. Een voorrecht en een lot tegelijk. Ze vraagt zich af of zij Antwerpen ooit zal terugzien. De geluiden van de stad zijn verstomd. Bertha hoort enkel het  klotsen van de golven en de meeuwen die krijsend rondcirkelen. Ook mama Stiene’s stem is dun geworden. Haar laatste woorden blijven als een zwakke echo in Bertha’s hoofd hangen: ‘God zegene en beware u.’ Ze buigt zich over de reling om een laatste glimp op te vangen van de stad. Antwerpen schuift traag weg achter de eerste bocht in de stroom. De Schelde, leerde ze op school, is de deur van Vlaanderen naar de wereld. Wat er aan de overkant van de oceaan ligt, weet Bertha niet. Ze was dertien jaar, toen vader Kamiel op een middag voor de schoolpoort stond. ‘Kom mee, Bertha.’ ‘Waar gaan we naartoe?’ ‘Naar de fabriek.’ ‘Wat? Waarom?’ ‘Het wordt tijd dat je geld verdient. Je bent de oudste.’ ‘Maar papa, deze namiddag vertelt Soeur Remi over de Noordzee en…’  ‘Genoeg, Bertha.' Hij keek haar nors aan, met de blik die geen tegenspraak duldt. Op haar klompen klepperde ze gedwee verder en had moeite om hem bij te houden. Dit gebeurde enkele maanden voor de leerplicht tot veertien jaar werd ingevoerd. Bertha keerde niet meer terug naar de klas en leerde de weefgetouwen bedienen. Ze dacht niet meer aan stromen en zeeën. Een brutale fluitstoot is het signaal dat de Pennland het havengebied verlaat. Bertha’s vingers hebben zich krampachtig om de metalen reling geklemd. Met enige moeite wringt ze zich los. Ze draait zich om en zoekt Flor. Hij staat midden op het dek, druk gesticulerend in gesprek met een officier. Hij wenkt haar. Bertha doet een stap voorwaarts, maar staakt onmiddellijk het voornemen naar hem toe te gaan. Ontzet stelt ze vast dat de plankenvloer beweegt. Niet hevig, maar toch voldoende om haar duizelig te maken. Lieve God, denkt ze, hoe zal het zijn als we in volle zee varen? Angstig keert ze terug naar haar plekje bij de reling.       Het schip vaart nu midden op de stroom. Bertha ziet hoe de Schelde steeds breder wordt. Daarmee vergroot ook de deining. Bertha plant haar voeten stevig neer. Zo’n dertig centimeter uit elkaar, zodat ze in evenwicht blijft. Verder schijnt niemand zich de beweging van het schip aan te trekken. Er komt een rust over de passagiers. De meesten zoeken hun kajuit op, sommigen gaan op de grond zitten en nemen wat eten uit hun knapzak. Anderen, de bangeriken vermoedt Bertha, blijven net als zij bij de reling staan. Bertha haalt de knopendoos uit haar jaszak. Ze opent het deksel en schudt de knopen zachtjes dooreen. Ze glijden tinkelend over elkaar. Dat ben ik, denkt Bertha, het parelmoeren knoopje. Wit en glad gepolijst. Vandaag vertrek ik naar Canada. En dat is mama, de donkerblauwe knoop bekleed met zacht fluweel die in een hoekje gedrumd wordt. Straks neemt ze de trein terug naar huis. Zie ik je ooit terug, mama? Bertha wil niet toegeven aan de tranen die haar zicht vertroebelen en ze duwt haar neus in een zakdoek. *** Bertha gaat zitten op het dek en drapeert haar jas over haar benen want het wordt frisser. Onder de jas draagt ze haar trouwjurk. Ze voelt zich onwennig in het zwarte satijn. ‘Kan ik niet beter een gewone rok en bloeze aantrekken?’ vroeg ze aan mama toen ze samen haar spullen inpakten. ‘Neen kind, je vertrekt naar de Nieuwe Wereld en dat doe je best in je mooiste kleren. Het is belangrijk een goede indruk te maken op de mensen ginder.’ Gisteren vond ze dat mama gelijk had, nu is ze daar niet meer zo zeker van. De wind rukt aan Bertha’s krullen. Ze waaieren uit in een donkerbruin aureool. Veilig op de grond tegen de reling aangedrukt, durft ze nu wat rond te kijken. Hier en daar staan of zitten groepjes passagiers. Overal liggen tassen, valiezen en uitpuilende zakken. Ze ziet bonte hoofddoeken, met pluimen versierde hoeden en over de planken slepende rokken. Petten met lederen kleppen en astrakan mutsen, jassen van geitenvellen en klederdrachten die ze niet kan thuisbrengen. Die ochtend zag ze in het station van Antwerpen in het zwart geklede mannen met lange pijpenkrullen. Joden, zei iemand en hij haalde daarbij smalend zijn neus op. Ze begreep het niet. Naast hun perron had de trein uit Keulen een allegaartje van Oost-Europeanen aangevoerd. Polen, Russen en Hongaren met afgetrapte schoenen en smerige laarzen. Hun kleren waren met lappen versteld. In geknoopte lakens sjouwden ze hun bezittingen mee op hun rug. Bertha las de vermoeidheid en ontbering in hun donkere ogen. De kinderen klampten zich angstig vast aan hun moeders. Ze hoorde dat velen al weken onderweg waren. De hele stoet van emigranten had zich in beweging gezet onder de stalen koepel van het station. Het helse rumoer werd nu en dan overstemd door een holle stem uit een luidspreker. Onderaan de marmeren trappen werden ze in de grote hal aangeklampt door geldwisselaars. ‘Niet op ingaan,’ zei Flor en hij spoorde haar en mama aan snel naar de uitgang te gaan. ‘Nonkel Gust heeft zich hier laten rollen toen hij naar Canada vertrok.’ De tocht ging verder door het centrum van Antwerpen in de richting van de kaaien. Onderweg sloten honderden landverhuizers zich bij de groep aan. De meesten hadden de nacht doorgebracht in een van de talrijke migrantenhotels. Aan de Rijnkaai zagen ze hun schip liggen. Als een reusachtig monster werd het gevoed met een constante stroom van goederen en levenswaren. Ze waren er stil van geworden. Uit Bertha’s jas stijgt een zwakke geur op. Dit is trouwens het aroma dat om alle emigranten en hun bagage hangt. Het is afkomstig van het goedje waarmee hun kleren gedesinfecteerd werden. In het gebouw van de Red Star Line aan de Rijnkaai, hadden ze in lange rijen hun beurt afgewacht. In de ontsmettingsruimte moesten ze hun bagage achterlaten. Enorme stoomketels stonden langs de muur opgesteld. Mannen en vrouwen werden vervolgens in aparte lijnen verder geleid. De moeders hielden de kleinste kinderen bij zich. De wasbeurt en controle was enkel voor de passagiers van de derde klasse, waartoe ook Flor en Bertha behoorden. Ze kwamen in een lange gang ondersteund door cementen palen, met aan de rechterkant een twintigtal granieten douchecabines. Toen zij aan de beurt was, kleedde Bertha zich uit en stak haar kleren in een zak met een nummer op. 1253. Haar paspoort legde ze op een apart plankje. Juwelen droeg ze niet en haar trouwring hield ze toch liever om.  Bertha zag hoe het personeel van de rederij de zakken met kleren ophaalde. Ze liet zich vertellen dat ze besproeid werden met ontsmettingsmiddelen, benzeen en azijn. Daarna werd alles in grote drukketels onder stoom gesteriliseerd. Glimlachend dacht Bertha aan de princessenbonen en augurkjes die moeder Stiene oplegde. Net als de andere emigranten zeepte Bertha zich grondig in met het stuk zeep dat ze kregen. Nog nooit eerder had ze een douche genomen. Voorzichtig stak ze haar rechterbeen vooruit en voelde het hete water. Ze hoorde meisjes giechelend plenzen en dat gaf haar moed. Ze liet de straal kletsend op haar schouderbladen neerkomen. De douche duurde wel een uur. Net zo langs als nodig was om de kleren te desinfecteren. Bertha haalde opgelucht adem toen ze zag dat haar jurk geen noemenswaardige schade had opgelopen. Schoon en van alle mogelijk bacillen verlost, schoof ze aan bij de dokter op de eerste verdieping. Een verpleegster verplichtte de vrouwen zich tot hun middel uit te kleden. Bertha voelde zich daar ongemakkelijk bij. Sommige vrouwen werden heel zenuwachtig en begonnen zelfs te huilen.  Een Canadese arts met een puntbaardje beluisterde Bertha’s longen en hart en klopte op haar ruggengraat. Hij scheen met een lichtje in haar ogen. Er volgde een goedkeurend knikje en hij drukte een stempel op haar medische kaart. ‘Nekst,’ verstond Bertha en ze realiseerde zich dat het de eerste keer was dat ze Engels hoorde. Toen Bertha opgelucht het kabinet verliet zag ze hoe een krijsende vrouw en een kleine jongen onder zachte dwang naar buiten geleid werden. ‘Alstublief dokter!’ schreeuwde de vrouw hysterisch. ‘Ik kan mijn zoontje van tien hier toch niet alleen achterlaten.’ ‘Uw zoon heeft een ooginfectie, mevrouw. Het spijt me,’ zei de dokter droogweg. De moeder klemde de jongen tegen zich aan. ‘Kunt u geen uitzondering maken? Alstublief! Ik smeek u dokter.’ De dokter schudde zijn hoofd. ‘Instructies van Canada.’ Voor veel migranten betekende zo’n afkeuring het einde van hun droom. Onherroepelijk werden ze terug gestuurd. Eén stempel te weinig en een familie werd uiteengerukt. Bertha kreeg nog kippenvel als ze dacht aan het hartverscheurende tafereel. Enkele kinderen spelen aan dek een hinkelspelletje. Ze zingen er een versje bij. Bertha begrijpt niets van hun taal, maar herkent er het liedje in dat zij en haar zussen ook zongen toen ze speelden op de binnenkoer van hun beluik. ***

Mieke Vandromme
0 0

postzegels kussen niet

In mijn winkel waar ik kind aan huis ben staat een jongen zijn laatste oudejaarsboodschappen in te pakken. Zijn ietwat lange blonde haren zwaait hij met een vloeiende hand fijn achter zijn oor. De gedachte om een oudejaarslief te hebben flitst doorheen mijn hoofd. Ik voel dat mijn energie verandert, mijn ogen staan scherp en mijn lichaam voelt warm. Zou dit de verrassing zijn voor het nieuwe jaar? zou ik hem ooit nog terug zien? Hij rekent af, stopt alles keurig in zijn ecologische zak, haalt zijn bankkaart uit en vraagt aan de verkoopster of ze ook postzegels verkopen. Ik kijk hem al heel de tijd smeltend aan en denk even bij mezelf "wie stelt nu zo'n vraag". Precies of die vraag uit de lucht kwam vallen als cupido die zijn pijlen afschiet. Een aardbeving of een uitbarstende vulkaan in mijzelf schiet wakker... "wakker worden Tom", wakker worden Tom, dit is het moment"... Dit is een speciaal moment... Plots geeft mijn intuïtie aan om het moment te grijpen... Ik haal mijn portemonnee boven, verbreek alle tijdsrecords in het open doen van mijn portemonnee en zeg heel trots en met een brede glimlach: "ik heb vier postzegels, als je wil, mag je ze hebben...!" Hij kijkt mij lachend en enthousiast aan. Ik wou hem innig zoenen, mijn postzegels op hem kleven, zijn lichaam knuffelen en hem welkom heten. Hij keek mij betoverend aan en de kassierster tikte mijn spullen en keek met zachte ogen. De kassierster zat en genoot van het moment, zoals die af en toe te zien zijn in een romantische film. De jongen vroeg of ik altijd postzegels bij me had, waarop ik zei dat ik altijd laat ben met het versturen van nieuwjaarskaartjes. Hij vond het lief, wenste mij een fijn oudejaar... Hij stapte de winkel weg, ik rekende af, keek nog even om het hoekje. Zijn schaduw was verdwenen, maar het moment blijft eventjes bij me om te koesteren... wat wil ik hem terug zien... Ik wilt weten hoe hij heet... Wat bij elkaar hoort komt ooit wel samen...

Tom Tanghe
0 1

snippers vliegen ademloos

Aangestrand aan zee had ik nog geen enkele idee hoe die dag mij zo zou verrassen in het hier en nu, plots uit het niets aan het wateroppervlak... Ik trappelde aan en zag twee gebouwde piramides met ietsje verderop twee zandkuilen om lekker in te zitten... Daar ging ik dan ook in zitten met zicht op de zee, zon en piramides... Na wat schrijven was het tijd om los te laten... Snippers verscheurde gerecycleerde papiertjes kleurden blauwe inktvlekken opgenomen door de kracht van het water... tijd om nog iets los te laten... en de wind blies ze als confetti de golven in... Verder lezend in mijn dagboek keek ik starend voor mij uit... Plots zag ik iets dichtbij boven water komen... Het was zwart, bruin en rond... Dat kan toch geen zwemmende mens zijn, dacht ik... nu nog? Ik leunde voorover en plots sprongen mijn ogen er bijna uit... Is dit echt... is dit een zeehond... ik sprong uit mijn zitkuil en rende naar de zee... "Waauw, het is een zeehond"... "ongeloofelijk"... "fototoestel"... Ik rende, strompelde omhoog nam mijn fototoestel en rolde bijna van haast over mijn voeten terug... "Zo verwonderd was ik nog nooit geweest... Nu, hier, op dit moment in oog staan met een zwemmende zeehond... Ik zag hem dichterbij, zijn snorharen, zijn grote bruine sproeten op zijn zwarte glimmende kop... Dit was een moment om altijd te koesteren... Meermaals toonde hij zijn snoet en ging onder... We keken elkaar in de blik en raakten elkaars ziel... we waren verbonden... Eventjes dacht ik om in het water naar hem toe te zwemmen... Was hij uitgeput? Wat bracht hem op dit moment tot mij? Zal ik hem helpen? Ik liep stroomwaarts mee waar de golven hem brachten... Wat wou ik dat hij even aan land kwam zodat ik hem kon knuffelen... Wat een wonder openbaart zich hier... Ik begon luidop te chanten als een oude indiaan sjamaan en zong dat hij veilig terug zijn weg naar huis mocht vinden... Zo alleen van zijn pad afgeraakt in die wijde grootse zee... Tranen van emoties kwamen even aan de oppervlakte door dit pure, prachtige natuurlijke wezen die zomaar uit het niets zijn weg tot bij mij had gevonden... Misschien even twee eenzame zielen even de weg aan het zoeken... Bij het voelen was dit een mooie oefening in het los laten, waar ik daarvoor mee versnipperd was... Ik volgde nog even de zeehond en toen keerde ik zingend naar mijn zitput... Ik wenste zeehond een veilige reis, keek nog even diep in zijn ogen en zong een lied voor hem... Ik keek nog even achterom en liet zeehond los... Goede reis zeehond en kom veilig thuis, kom veilig thuis...

Tom Tanghe
0 0