Lezen

Dipje

Op de eerste ochtend van het jaar knijp ik mijn ogen dicht tot ik sterretjes zie. De muziek die in de straat weerklinkt, maakt krasjes op mijn ochtendhumeur. Ik open mijn ogen en staar naar mijn lief, maar hij slaapt te diep om mijn kijkers te voelen priemen. Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht als ik aan de vorige avond denk. In een sprookjesachtige kamer vierden we met veel gezelligheid de laatste avond van het jaar. Hij en zij. Wij. Eenvoudig lekker eten en vuurwerk langs alle kanten. De muziek verstoort de herinnering en dwingt me op te staan. Ontstemd graai ik wat kleren van de vloer en kleed me aan. In een slaperige haast, glijd ik bijna van de trap. Mijn hart slaat een slagje over en mokkend sta ik op blote voeten voor het huis. Mijn blik is wazig en ik kan de bron van de muziek niet duiden. Net voor de deur dicht valt, kan ik haar tegenhouden. 'Ook dat nog', mopper ik in mezelf. De stoep is te koud en snel sluip ik weer naar binnen. Gedraaid in dekentjes lig ik in de zetel. Ik staar naar de donkergrijze wolk boven de televisie. Ze volgt me nu al een tijdje en hoe harder ik haar doodzwijg des te donkerder ze kleurt. Met een grote frons daalt mijn lief de trap af om even halt te houden bij de zetel. ‘Muziek’, zegt hij met een zware en vermoeide stem. Ik open de berg dekentjes en dicht bij elkaar kijken we naar dieren in het wild. Bij zijn verschijning drijft de wolk af en lanterfant ze een beetje in een hoekje. Ze lijkt zelfs lichter van kleur en even vergeet ik haar. Maar enkele dagen later, regent het tranen in de woonkamer. Her en der zet hij emmertjes. En in de onweersbui vormen we samen een bolletje. Hij luistert en sust. Hij wiegt en aait. Hij belooft: 'Alles komt goed'. (Foto: Karin and the camera)

Katrien Meermans
0 0

onderlicht 3. Koffie 3. Paraat ijlen 1.

weet je nog, zegt hij. Tsjeu doet niet eens de moeite om natuurlijk te zeggen. als je jong bent, zijn dingen als een paraplu bij de hand hebben onbelangrijk, laat de regen maar vallen. toen Tsjeu jong was, had hij niet eens een portefeuille bij. gewoon wat geld in zijn broekzak, was alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij oud. hij had sleutels bij zich, van het huis, de wagen, de brievenbus. hij had een zakdoek bij, iets wat hem vroeger nooit overkwam, niezen, gebeurde nu te pas en te onpas, en een keer had het hem verrast, dus sindsdien, altijd een zakdoek op zak.natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, hoewel het een oud onhandig ding was, maar er was hem verzekerd dat hij binnenkort niet zonder zou kunnen. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal instak, van jong kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt oud zo, bepakt en bezakt. als je oud bent, zijn dingen als een paraplu bij hebben belangrijk, je haren mogen niet krullen. toen Tsjeu oud was, had hij altijd een portefeuille bij. gewoon zijn identiteitskaart erin, zijn geld erin, en kredietkaarten en tankkaarten en kortingsbonnen, maar nooit alles wat hij nodig had. als je dat vergelijkt met die dag in maart, leek hij jong. hij had sleutels bij zich, maar niet van de garage, niet van het kantoor, niet van het kluisje in de bank, en niet van moeder's huis in geval van nood. hij had geen zes zakdoeken bij, niet eentje om zijn schoenen af te vegen, niet eentje om zijn voorhoofd af te wissen, niet eentje om voor zijn mond te houden bij ziekte, zijn ziekte of een ander z'n ziekte, en niet twee in reserve. natuurlijk had hij zijn telefoon ook bij, maar geen tweede telefoon, hoewel het een splinternieuw snufje was, maar er was hem verzekerd dat hij er even mee door kon. ze hadden even gelijk gehad, en toen niet meer.hij droeg een bruinlederen schoudertas, wat daar allemaal niet instak, van oud kon je echt niet meer spreken, nee Tsjeu leek echt jong zo, onbepakt en onbezakt. zij hing als een maartse bui in de lucht. ik had mijn paraplu bij. 'ik weet nog meer' 'zeg het maar' haar hak brak, ze klonk om, maar haar enkel was sterk, het was toch nog te vroeg om haar aan te raken, dat wist Tsjeu, zoals ze daar door de straten liepen.  met z'n linkerhand hield hij de riem van zijn bruinlederen schoudertas stevig vast, zijn rechterhand zwaaide lichtjes tussen hen in. hij had haar bij het breken bijna bij de arm gegrepen, maar ze leek iemand te zijn die zichzelf kon corrigeren, of zo iemand leek ze te willen zijn. ze lachte wat onhandig met een halve lip bebeten.  oeps was de gedachte, ze bleek tijd te hebben, na die eerste onbelangrijke woorden te hebben gesproken. ze gingen iets drinken, omdat dat zo hoorde. ze deden negen weken wat hoorde. drinken, eten, lachen, kijken. die eerste dag van wandel, struikel en afspraak gemaakt, dacht hij alles aan haar, om haar, van haar te kunnen beschrijven, dat hij haar kon vangen in schoonheid als oeps. maar oeps bleek een wederkerend fenomeen. het was die eerste keer toen zijn vingers langs de hare streken, toen het tijd was om dat te laten gebeuren, dat hij begreep dat ze niet te vangen viel, maar oeps wat was ze mooi. elke afspraak weer meer, elke week weer meer, werd ze per ongeluk mooier en mooier. hij hield van haar. zij van hem. het werd hen per ongeluk duidelijk.  van die keer in de negende week, bleven woorden hangen als beloftes vol overmoed gemaakt. dat ze hem nooit zou verlaten. dat hij haar oeps altijd zou beminnen. ze zaten in een restaurant, het tafereel niet voor niets een tafereel, hand in hand verstrengeld, ogen die door kaarsvuur en boven rode wijn elkaar zoeken, onder de tafel voeten die sluipen, dichterbij, en hoe diep dat gevoel vanuit een bodemloze tijd terugkaatst, alsof liefde altijd zo'n prille tafel zet, om ooit terug plaats aan te nemen. we spraken van dromen die we voor elkaar wensten uit te komen, van kinderen en een huis en hoe werk er zo niet toe deed, dat alles wel kwam zoals wij, in oeps, per ongeluk duidelijk. maar ook dat ze eerst wilde gaan, niet wilde zien hoe hij zou wegkwijnen als oud en ziek verkrampend mannetje, dat ze dat niet zou kunnen verdragen, dat hij verder moest leven twee keer zo lang als hij dat kon, dat zou haar gelukkig maken. hij dacht in oeps flapte ze er wat uit, zag niets zo duidelijk dan dat hij het haar beloofde. al wist hij niet waarom. 'dat ik me dat nog herinner, vreemd' 'misschien omdat je't moet weten, maar vertel verder, jullie gingen samenwonen?'  

IT
0 0

Things we lost in the fire

Dit verhaal is geschreven rond het liedje 'Things we lost in the fire' van Bastille Ik keek hoe de vlammen het papiertje langzaam verteerden. Hoe de herinnering aan haar steeds vager werd toen het kleine papiertje zwarte as werd. Het werd ingesloten door de gele vlammen. Ik moest haar vergeten. Mijn gedachten gleden naar een aantal jaar geleden. Toen we samen een kampvuur hadden aangestoken om de dingen uit het verleden te verbranden. Mijn vingers reikten naar de radio, draaiden de volumeknop open. Things we lost to the flamesHet had ervoor gezorgd dat we nog meer van elkaar werden vervreemd. Haar verleden en mijn verleden dat samen werd verbrand.Things we’ll never see again Niets dat ons ooit nog zou herinneren aan het verleden. Niets dat de pijn opnieuw zou kunnen oproepen.All that we’ve amassed.Sits before us, shattered into ash.Ik zag voor me hoe die verschillende objecten hadden gevochten tegen de verzwelgende vlammen. Hoe ze langzaam gereduceerd werden tot zwarte as. These are the things, the things we lost.The things we lost in the fire fire fire.These are the things, the things we lostThe things we lost in the fire fire fire.De beelden kwamen als vervelende vliegen op me afgevlogen. Lieten me niet met rust. De landkaarten. De brief. Het dagboek. Onze benodigdhedenlijst. Het houten doosje. Alles hadden we in de vlammen gesmeten.We sat and made a list.Of all the things that we had.Down the backs of table tops.Ticket stubs and your diaries.Ik zag voor me hoe ze met een wit potlood tussen haar vingers geklemd op de achterkant van een kassaticket een lijstje had geschreven. Een lijstje van de dingen die we moesten verbranden. Het ticket was er eentje geweest van een grootwarenhuis waar we tijdens onze tocht waren gestopt. De tocht die alles had veranderd. Het lijstje was het enige dat we niet in de vlammen hadden gesmeten.I read them all one day.When loneliness came and you were away.Oh they told me nothing new,but I love to read the words you used.Hoe vaak had ik het lijstje niet opnieuw gelezen? Gewoon om haar handschrift te zien? Om mezelf ervan te overtuigen dat ze er wel degelijk was geweest? Maar ze was er niet meer. Ik kende de lijst ondertussen vanbuiten. Net zoals haar kleine handschrift. Ik zou het overal kunnen herkennen. These are the things, the things we lost.The things we lost in the fire fire fire.These are the things, the things we lostThe things we lost in the fire fire fire.We hadden toen niet enkel de dingen verbrand die ons zouden kunnen herinneren aan die vreselijke tocht. We hadden toen onbewust ook onze vriendschap verbrand. Het touwtje dat ons had verbonden was samen met al de rest verteerd geweest door de dansende vlammen.I was the match and you were the rock,maybe we started this fire. We sat apart and watched. All we had burned on the pyre.Ik had het vuur aangestoken. Maar zij had het idee gehad om alles te verbranden. We hebben uren rond dat kampvuur gezeten. Tegenover elkaar. Gescheiden door de muur van vlammen. We hadden gekeken hoe de objecten een voor een hun strijd tegen de vlammen hadden verloren. Maar we bleven zitten. Zelfs toen er enkel nog een hoopje as restte. We waren pas weer opgestaan toen de vlammen waren gedoofd. Toen we beseften dat dat het einde was. Het einde aan de pijn. Het einde aan onze vriendschap.You said we were born with nothing.And we sure as hell have nothing now.Een droevige glimlach gleed om mijn lippen toen die zinnen mijn oren binnengleden. Ze had effectief gezegd dat we werden geboren met niets. Dat we langzaam opgroeiden en uiteindelijk zoveel bezaten, op materieel en emotioneel vlak, dat het gewoon op een bepaald moment te veel werd. Daarom hadden we het vuur aangestoken. Om de stapel weer kleiner te maken. Maar ik had niets meer. Niets meer dat me hielp om terug te kunnen kijken naar het moment waarop het allemaal was fout gelopen. Ik had haar niet meer. En zonder haar was ik verloren. These are the things, the things we lost.The things we lost in the fire fire fire.These are the things, the things we lostThe things we lost in the fire fire fire.Ik keek hoe de vlammen het papiertje uiteindelijk volledig wisten te verschrompelen tot er enkel een hoopje as achterbleef. Alleen was dit hoopje niet zo groot zoals het een paar jaar geleden was geweest. Ik staarde naar de as terwijl ik langzaam alle gedachten aan haar liet wegglippen uit mijn hoofd. Ik moest haar vergeten. Verder gaan met mijn leven. Met niets om me heen dat me aan haar kon herinneren. Do you understand that we will never be the same again?The future’s in our hands and we will never be the same again.Het lied had weer eens gelijk. We zouden nooit meer hetzelfde kunnen zijn. Wat er op de tocht was gebeurd had ons voorgoed veranderd. De verbranding had ons enkel nog verder van elkaar gedreven. Ik sloot mijn ogen terwijl ik de woorden van het lied tot me door liet dringen. Nog een laatste keer liet ik mezelf toe om aan haar te denken. Om haar gezicht weer op te roepen. Haar groene ogen voor me te zien, haar lange bruine haar dansend in de wind. Haar lippen donkerrood van de lippenstift die ze er altijd op smeerde. Flames – they licked the walls.Tenderly they turned to dust all that I adore.Ik zag voor me hoe de schuur, onze schuur, tot stof werd gereduceerd. Ik had hem zelf in brand gestoken. Toen het gruwelijke besef tot me was doorgedrongen dat ze weg was. Dat ze niet meer terug zou komen. Mijn ogen hadden zich gefixeerd op de vlammen die aan de wanden van de schuur hadden gelikt. Een onmenselijke schreeuw was over de vlakte gerold toen ik me op mijn knieën had laten vallen en mijn tranen de vrije loop had gelaten. Ze was er niet meer. Mijn vingers reikten weer naar de knop van de radio, draaiden de volumeknop naar beneden. Langzaam liet ik me omarmen door de stilte terwijl ik de laatste gedachten uit mijn hersenen liet vloeien. Mijn ogen fixeerden zich op de dansende vlammen in de open haard. Ik bleef zitten tot de allerlaatste vlam was gedoofd en de rook die het met zich meebracht was verdwenen. Toen stond ik langzaam op en draaide mijn rug naar de open haard toe. Klaar om eindelijk te vergeten.

Quies
0 0

onderlicht 3. de zitkamer

het is niet dat Tsjeu het besefte. niet dat hij besefte dat bij elk gekraak van de vloer, elk gekreun van de dakspant, elke zucht van't gordijn. dat hij daarbij haar gezicht zag, Marley zoals ze was, nog voor ze in dan wel, wil wel verkeerde, nog voor ze 't spoor vond om zich aan over te geven. dat ze smeekte, beseft Tsjeu niet. dat ze hem vroeg, niet zo verder te gaan, besefte Tsjeu niet.  Tsjeu besefte niet eens dat bierman niet meer langskwam, afzien, lijden 't is niks voor mannen, en Tsjeu besefte niet dat mevr. Gordijn eten bracht en dekens en medicijnen,  nog minder besefte Tsjeu dat de vrouw die hem het klamme washandje op het voorhoofd hield, de rinkelende vrouw op de fiets was. voor al wat Tjseu wist, wist hij iets anders, de zetel een foltertuig dat zijn lichaam kneedde in de meest vermaledijde vormen, de lamp die hem met vurig lava bestookte, de zitkamer die zat als zij, Marley, zat, op zijn borstkas, en zijn ademen bedreigde. hij hijgde zweette bloedde alle tranen die hij kon bedenken, zwoer dat hij ze als een parelduikster uit de diepste meren opvissen zou om ze dan te verkopen aan een bokkenkoning die hoefijzers aan de deur verkocht.  Het ging niet goed, nu, zo, met de winter in volle zwier, en de rinkelende vrouw die zich verder geen raad wist, kon zijn smeekbeden om vader en land niet beantwoordden, maar ze bleef zitten tussen zijn ijlen en hapjes soep in, het enige wat hem op de been hield, een 27-tal erwten om de zoveel uur. maar de zitkamer vertoonde geen teken van opstaan. bleef in dan wel wil wachten, dringend dwingend wat Tsjeu had willen ontwijken.  Het was een zondag uiteindelijk toen de koorts hem opnam, zijn ziel tilde tot tegen zijn lijf en erdooruit in zwevend erboven gezond, keek Tsjeu op zichzelf neer. hier klopte niets meer, geen geesten, geen gisteren, geen nu, geen morgen. hier heerste een stem die hem beval, en zei waarop het stond.  'je bent ziek, maar het komt goed als je een paar dingen voor mij doet'.

IT
0 0