Lezen

Tip

Zonder titel

Niet dat het hiervoor ooit de juiste tijd zal zijn. Dat er voor zo’n wrede daad ooit een juiste tijd kan zijn. Maar het is te ver zoals het nu is. Het moet gebeuren. Vannacht. We roken en we drinken om niet langer te voelen in welke verschrikkelijke situatie we zijn terecht gekomen. En hoewel we allebei weten hoe weinig het roken en het drinken helpt, want deze routine gingen we vaak door, doen we door. Moed hebben we nodig om te doen wat al lang moest gebeuren, moed om te ontdoen wat we deden. Daarna zullen we onszelf moeten vergeven. Vergeten is geen optie. We discussiëren over wie er zal rijden. Het is half twee en de tijd dringt. In elk ander geval zou ik willen rijden, maar hoe minder ik moet deelnemen aan vannacht hoe beter. Zij weigert, zegt niet in staat te zijn. En ik wel dan? Er is geen tijd om te treuzelen. Dat deden we al te lang. Al van in ’t begin. Ik neem de sleutels. Dan gaan we samen naar boven en nemen mijn kind, ons kind uit zijn bed. Zachtjes, zodat hij niet wakker wordt. Terwijl ze hem uit mijn handen neemt, fluistert ze mij hoe graag ze hem ziet. Hoe hij haar leven beter maakte en wat hij allemaal betekend heeft voor haar in de korte tijd sinds hij geboren is. Ik heb moeite om mijn tranen op te eten, want ik voel ieder woord, iedere toon in haar stem. We omhelzen elkaar met ons kind tussen ons in. Een verschrikkelijk moment. Misschien dat dit gevoel nog verschrikkelijker is dan dat dat ons buiten opwacht. Ik ga het huis uit om de auto te halen. Mijn gezicht is nat en de koude winterwind snijdt in mijn vel. Touw, stenen en een vuilniszak lagen al klaar in de koffer, daar hoef ik niet meer aan te denken. Ik rij tot aan de deur van mijn huis, waar zij klaarstaat met ons kind, ingewikkeld in zijn donsdeken. Ik stap uit om de deur te openen voor haar, zij stapt in met het kind op haar schoot. “Waar rij ik naartoe?”, vraag ik. Dit hadden we al lang afgesproken. Ik weet niet waarom ik het vroeg. Misschien wilde ik haar zo wel vragen of ze het zeker wist. Het spaarbekken in Wippelgem. Een plaats die ik haar had willen laten zien toen ze nog zwanger was. De onnatuurlijke manier waarop daar zoveel water op één plaats verzameld wordt, vond ik iets vreemds. Ik parkeer de auto tussen de bomen, zo dicht mogelijk bij het water. Ik haal wat we nodig hebben uit de koffer terwijl zij ons kind naar de rand van de artificiële massa water draagt . Ik blijf denken hoe het had kunnen zijn, hoe ons kind groot had kunnen worden, hoe we het een vol leven hadden kunnen schenken. We hadden er de kracht voor. We zouden goede ouders geweest zijn. Zij spreekt al niet meer sinds we in de auto stapten. Maar woorden waren niet nodig. Ik ken haar. Ik weet hoe ze op dit moment denkt. Net... zoals... mij... Gelukkig slaapt hij nog. “Dit vergeef ik mezelf nooit”, fluister ik en de stilte van de nacht breekt hard met het geluid dat het water maakt. De tijd stopt. Mijn hart raast in mijn borstkast. Ik mag niet denken aan wat ik net deed. Ik neem haar arm vast, want ze staat te wankelen en dreigt neer te vallen. Ik ondersteun haar, spoor haar aan om samen te verdwijnen. We struikelen samen naar de auto. Ik neem het stuur vast, zet de radio uit en begin te rijden. Ik ben moe en dronken, maar we moeten nog ver.

Ward Sprolie
14 2

Schrijversblok

Hulpeloos zit ik voor mijn pc. Een wit blad voor me wacht geduldig om beschreven te worden. Tevergeefs tracht ik me die prachtige zinnen te herinneren die vorige nacht ontsproten aan mijn slapeloze brein. Een angstaanjagende gedachte schiet me door het hoofd. Papa heeft Alzheimer, zou ik…? Nagelbijtend bekijk ik het maagdelijk witte scherm. Ik troost mezelf met het feit dat ben ik nog jong ben, 59 lentes, neen ik heb gewoon last van een schrijversblok. Ik heb al maanden niet geschreven. Nou goed, het wil met niet te binnen schieten. Dus zal ik alvast beginnen met een klaaglied over mijn troosteloze toestand. Dat wil geen kat lezen mens, zeg ik tegen mezelf. Saaie, deprimerende lectuur. Wie zit daar nu op te wachten. Lezers willen drama, opwinding, mysterie, spanning, seks. Nou goed, als ik die zwarte gedachten van me afgeschreven heb, lukt het misschien wel weer. Schrijven is voor een auteur een primaire levensbehoefte zoals eten, drinken of slapen. En kijk, ja hoor, ondertussen staat er een eerste paragraaf voor me. Een nieuw begin, na maanden van inactiviteit. Ik feliciteer mezelf, vastbesloten er morgen aan te beginnen.   Ondertussen heb ik enkele schamele pogingen ondernomen om weer te gaan het schrijven. Twee nietszeggende paragraafjes die het begin moeten vormen van een verhaal dat ik zelf nog niet ken. Misschien ben ik niet eerlijk want wat ik schrijf gaat over mezelf. Ik ken het verhaal dus maar al te goed.  Een onzichtbare sluier heeft mijn creatieve brein bedekt en verhindert de zwarte gedachten te ontsnappen, ik ben er nog niet aan toe mezelf bloot te geven. Maar een onbekende kracht drijft me naar mijn pc en dwingt me te schrijven. Ik wil de sluier wegrukken, het uitschreeuwen, mijn verhaal vertellen. Ik wil mezelf bevrijden uit deze waanzinnige toestand. Waar zal ik beginnen?

Nadia Lang
0 1

De Ingebeelde Verteller

Ik ben Gert Vanlerberghe en ik ben ziek. Nee. Is dit wel een goed begin? Akkoord, met deze openingszin wek ik nieuwsgierigheid op bij de lezer en dat is goed, dat is zelfs uitstekend. In een volgende zin kan ik dan ook nog specificeren of het om een mentale dan wel een fysieke ziekte gaat. Is het wel oké om mijn eigen naam te gebruiken? Wat anders? Ik ben Mark Vandenbosch en ik ben ziek? Maar het gaat over mij! Hoe zou ik dit het best kunnen formuleren? Uiteindelijk is het geen ziekte waar ik aan zal dood gaan. Dat hebben dokters mij al vaak genoeg in de oren geknoopt. Al jarenlang verzekeren ze me dat het me niet kapot zal maken, maar dat het wel als een zware last op mijn sociale leven zal wegen. Meer nog, dat de ziekte mij zal definiëren. En hoe leg ik mijn ziekte dan precies uit? Nee. Laat ik bij het begin beginnen. Wat is het begin? Ik ben Gert Vanlerberghe en ik ben ziek. Het is niet gemakkelijk om wat dan ook te schrijven, zeker niet als het over jezelf gaat. Want dat lijkt me nog het beste. De waarheid schrijven. Pure non-fictie. Enkel en alleen de feiten en hoe het allemaal precies is gegaan. En er is veel om over te schrijven. Want in mijn korte leven heb ik al heel wat meegemaakt. Zo zou ik het kunnen hebben over mijn ouders en hun jarenlange ruzies. Niet dat die ruzies jarenlang duurden. Er waren ook momenten van peis en vree. Maar, om duidelijkheid te scheppen, moet ik hier toch bij vertellen dat ze jarenlang heel regelmatig ruzie hebben gemaakt. Als ik straks over dit onderwerp begin te schrijven, moet ik dat al van in het begin duidelijk maken. Al in de eerste zin. Maar goed, daar kan ik dus over schrijven. Mijn vader die geen fles ongemoeid liet. Als er maar alcohol in zat. Mijn moeder die geen penis gerust liet. Als het maar niet die van mijn vader was. Op een avond, toen mijn werkloze vader al aan zijn derde fles wodka van de week bezig was – dat was een dinsdagavond, als ik me niet vergis – kwam mijn moeder thuis met een onmiskenbare zuigplek in haar hals. Ik was elf en de eerste getuige van dit onheilspellende brandmerk van overspel. Dat mijn moeders haar volledig in de war was, merkte ik pas enkele beschaamde seconden later. Mijn vader, die er met zijn verweerd gezicht, glazige blik en eeuwige whiskywalm ook niet al te fris uit zag, zat op dat moment voor de televisie te ronken. Na het zich soldaat maken van die derde fles, was hij als een blok in slaap gevallen. Tijd genoeg dus voor mijn moeder om zich naar boven te haasten, te douchen, andere kleren aan te trekken (ik zou voor een koltrui zijn gegaan) en het eten beginnen te maken (ik had honger). En zo joeg de elfjarige prepuber zijn overspelige moeder de trap op, terwijl hij muisstil de zapper van zijn ladderzatte vader probeerde af te nemen, opdat hij naar F.C. De Kampioenen zou kunnen kijken. Echt traumatisch was deze specifieke avond dus niet, maar wel zeer typerend voor mijn jeugd. Ik zou dus over die avond kunnen schrijven, maar ook over die keer dat mijn vader mijn moeder in het ziekenhuis heeft geslagen – nu ja, de plaats van het misdrijf was natuurlijk niet het ziekenhuis, maar eerder het echtelijke bed, maar dat is nu eenmaal een veel gebruikte uitdrukking – of over die keer dat mijn moeder alle drankvoorraad van mijn vader in het W.C. heeft leeg gegoten. Nu ik er zo aan terug denk, volgens mij was dat laatste voorval heel kort voor het eerste. Oorzaak en gevolg voor dummies. Maar goed, keuze genoeg dus. Dan is er nog mijn broer Erik. Drie jaar ouder dan mij en een ware pestkop. Als zwartharige tiran leek hij me Satan vermomd als lastige puber, speciaal door God van zijn wolk getrapt om mij het leven zo moeilijk mogelijk te komen maken. Eigenlijk zijn er geen momenten van broederliefde die ik me nog kan herinneren, en mijn geheugen is nochtans even compleet als de drankvoorraad van vaderlief, die, hoewel hij aan één stuk door kon drinken, er steeds een zaak van maakte om zijn voorraad nauwkeurig aan te vullen. Maar ik had het over mijn broer. Om te beginnen maakte Erik altijd mijn speelgoed stuk. Hij brak iets in de woonkamer en stak de schuld op mij. Hij brak iets in de keuken en stak de schuld op mij. Hij brak iets in de badkamer en… Nou ja, u snapt het ondertussen wel. Hij deelde één van mijn vader zijn flessen wodka met zijn vrienden en zorgde ervoor dat alle aanwijzingen in mijn richting wezen. Alsof ik de fles van een agressieve dronkaard zou ledigen. Dan kan ik beter de grot van een bloeddorstige cycloop binnensluipen om diens kudde schapen stuk voor stuk een stevige beurt te geven. Maar goed, het resultaat was dan ook geen twintig jaar op zee maar een maand huisarrest en goed wat kletsen erbij. Op de speelplaats stookte Erik iedereen tegen me op, terwijl hij zelf ongelofelijk geliefd was. Hij kon alle meisjes krijgen die hij wou, en wanneer ik ook eens een vriendinnetje had, dan ging hij ermee lopen. Hij en hij alleen is verantwoordelijk voor mijn immens laag zelfvertrouwen. Hij stoorde me altijd bij het studeren, waardoor ik zulke lage punten haalde in mijn eerste jaar Geschiedenis dat ik er maar beter mee kon ophouden. Toen ik dan werk moest gaan zoeken, bleek hij al een bedrijf te hebben opgericht. Onder druk van mijn moeder, ondertussen gewillige weduwe (die lever van mijn vader kon toch niet meer gered worden), zorgde Erik ervoor dat ik op zijn bedrijf aan de slag kon gaan, maar hij behandelde me vijf jaar lang als een slaafje, en ontsloeg me wanneer ik het niet eens zag aankomen. Midden in de financiële crisis. Ondertussen ben ik al zeven maanden werkloos en is er niet het minste sprenkeltje hoop dat daar gauw verandering in zal komen. Maar daar kom ik straks wel op terug. Of niet. Ik kan het ook over mijn vrouw Françoise hebben, die in het begin van onze relatie een paar keer in Eriks bed is beland, maar waar ik dan uiteindelijk toch nog een korte periode van geluk mee heb gekend. Tot ze, na haar vierde miskraam, ook haar goed humeur voor eens en altijd kwijtspeelde, en me op haar beurt al mijn vrije tijd afnam. Een overrijpe Cunégonde waar geen land meer mee te bezeilen viel. Elke avond moest ik meteen na het werk thuis zijn om alle tijd die me nog restte aan haar zijde te spenderen, en dat was ondertussen alles behalve een pretje. Dan keken we wat naar haar geliefde tv-programma’s, van die typische zogenaamde realitysoaps waarbij zelfs de modale burger ondertussen al zo’n vijf jaar heeft afgehaakt. Ze vergeleek mij altijd met de, in haar ogen perfecte, losers die aan zulke programma’s meedoen, en begon daar dan een ongelofelijke zaag over te spannen. Toen bleek dat ze dan toch eindelijk zwanger was geraakt, niet van mij maar van mijn baas Erik, was de maat vol en gooide ik haar buiten. Tenminste… dat probéérde ik, maar met de hulp van mijn broer – die meteen van de gelegenheid gebruik maakte om me te ontslaan, maar dat had ik al verteld – wist ze mij zo ver te krijgen om mijn boeltje te pakken en in één of ander kruipkot te gaan wonen waarvan ik de huur met mijn dopgeld nog nét kan betalen. Mijn huidige buren maken me ook niet bepaald gelukkiger. Misschien moet ik het daar ook over hebben in mijn kortverhaal. Wat mijn bovenbuur overdag uitsteekt, daar heb ik het raden naar, maar ’s nachts is hij een fulltime snurker. Sommige nachten heb ik de indruk dat mijn gehoor even sterk ontwikkeld is als Jean-Baptiste Grenouilles reukorgaan en dat ik ongewild elk aspect, elke nuance, elk detail van het hels lawaai tot op het kleinste foneem kan analyseren. Dat ik niet meer de vertrouwde gedempte geluidsbrij hoor, maar lagen in zijn symfonisch snurkorkest kan ontdekken, als ware het de minst toegankelijke groeiplaat van Radiohead. Met dat verschil dat die helse geluiden als van uit een houtzagerij me in dezelfde mate kwellen als dat Thom Yorkes kunstwerkjes mijn oren strelen. Overdag is die man gelukkig gaan werken, Giazotto weet waar. Maar dan zijn er mijn onderburen nog. Een Pools koppel, allebei aan de dop, hoewel hun dagelijkse activiteit aan het huishoudelijk front geen 9-to-5 job is. Jammer voor mij. Deze oorlogsfilm zonder beeld – waarvan de onmiskenbare strijdkreten, nauwelijks gesmoorde verwensingen en spectaculaire voltreffers me zo overtuigend voorkomen dat de audio van de Slag bij Iwangorod, bij vergelijking, op die van een peutertuin zou lijken – wordt voorzien van een soundtrack door de melomaan die in het appartement tegenover mij woont. Nooit zullen deuren zich zo nutteloos gevoeld hebben als de twee op mijn verdieping. Ik kan ze even goed wagenwijd openzetten en onze Lonsdale-fanaat overtuigen om hetzelfde te doen. Het zou hetzelfde effect hebben. Soms is het moeilijk om precies uit te maken wat de bron van welke beat is. Razendsnelle dreunen komen meestal van tegenover mij, maar je zou ervan opkijken hoe vlug Aleksys vuisten het corpulente lichaam van zijn vrouw kunnen bewerken. Ritmisch slagwerk waar zelfs John Bonham, God hebbe zijn ziel, nog iets van had kunnen opsteken. Is er dan toch een link tussen titel en betekenis bij ‘Moby Dick’? Maar ik dwaal af. Net zoals mijn uitvoerig gefolterde hersenen tijdens het online zoeken naar werk. Een keuken heb ik niet, een tafel ook niet, en vensters of nachtrust al evenmin. Maar draadloos internet dan weer wel. Mijn enige manier om aan een job te geraken trouwens, want met zulke wallen en zo’n moordlustige blik in mijn ogen kan ik toch geen interim-kantoren gaan afschuimen? Mocht de grijze consulente aan de andere kant van de tafel iets te energiek en te ritmisch met haar balpen klikken, ik zou in staat zijn om een spontane lobotomie op haar door anciënniteit afgestompte ambtenarenbrein uit te voeren. In dat geval zou de balpen in kwestie nog als scalpel kunnen dienen. Beter dat dan nodeloos gemarteld te worden door de duim van een aan een terminale vorm van bore-out lijdende pennenlikker die al jaren met pensioen had moeten gaan. Werk zoeken lukt dus van geen kanten. Overontwikkelde ergernis lijkt mijn enige bezigheid te zijn, dag en nacht. Op zoek naar iemand met stuk geknarste tanden en een tot capitulatie gedreven hersenpan? Ik ben je man! Heb je trouwens al kunnen raden wat mijn ziekte is? Zo moeilijk is het eigenlijk niet. Het is het leven. Het is de wereld. Het zijn de mensen die er wonen. Er zijn niet veel geneesmiddelen beschikbaar om me van deze kwaal te ontdoen. Misschien is het net andersom en ben ik de kwaal die chirurgisch uit de zieke wereld moet worden verwijderd. Maar uit het raam springen is geen optie. Ik ben Gert Vanlerberghe en ik ben ziek. Maar het is inkt die me besmet heeft. Inkt, papier en een beetje verbeeldingskracht. De overige personages die deze verhaalwereld bevolken zijn de oorzaak van mijn ongeluk. Er is dus maar één manier om dit alles te eindigen en dat is het onverbiddelijke maar oh zo verlossende einde van dit kortverhaal. Inderdaad, beste lezer. Ik ga van de bladspiegel springen. De spectaculaire dood van een misnoegd personage-verteller. Vaarwel. 2010 - Gert Vanlerberghe

Gert Vanlerberghe
0 0

Twee meisjes

 Op een avond in december besluiten we samen in bad te gaan. Ik kan mijn enthousiasme niet te baas en sta in enkele seconden in de badkuip te zingen dat ze de liefde van mijn leven is. Zij gaat bedachtzamer te werk, vouwt haar kleren netjes op en voelt met de elegantie van een ballerina hoe heet het water is.  De grootste poep moet op het afvoerputje zitten daarover is er duidelijk geen discussie mogelijk.  Ik stel mij niet aan, ga zitten en maak van de badkamer een zwembad. Onze benen glijden langs elkaar. Het schuim komt uit een grote twee liter fles waarop een melkmeisje naar ons lacht. Ik voel mij alsof ik in een grote kom slagroom aan het roeren ben. Zij overloopt haar hele dag terwijl ze mijn benen scheert. Ik hou een washandje voor haar ogen en was haar haren. Het drukke leven glijdt van haar af.  Zoals altijd zijn we als beesten deze ochtend uit ons nest gekropen. Te vroeg in de ochtend om elkaar mens te kunnen noemen. Nadien beginnen we aan onze job in dezelfde stad. We redden wat er te redden valt, zijn te sociaal om goede sociale werkers te zijn, ontwijken op het laatste van de dag nog enkele agressieve gastjes in de metro die net zoals ons dromen van warmte en ruimte . We ontmoeten elkaar ’s avonds terug in het midden van onze woonkamer waar je wanneer de nacht valt de Poolse buurman hoort zingen. Vrijen doen we niet deze avond. Het bad is te klein en we zijn bang wat dat schuim te weeg zou kunnen brengen. Stel je voor dat we er zwanger van worden, dan zijn we twee Maria’s en stichten een nieuwe wereld waar gastjes in de metro vrede vinden in zichzelf. We wrijven elkaar enkel droog en luisteren naar een Pools lied. Morgenvroeg overslapen we ons daar is geen discussie over mogelijk.

Annelies De Ville
90 0

Schrijven, Dansen, Drinken

ze schrijft en ze drinkt.Piano streelt haar zwarte haren En ze schrijft en ze peinst Maakt natte kringen In gekloofd hout En is dat een traan Dat in haar bierglas duikt? ***In de zwakke schijn Van de bloemenlamp In het bijna duister Drinken wij, kussen wij Hebben we alle moed verloren Zijn we slechts nog meubilair ***Donkerrood zinkt weg Maakt schaduwen in het hout Ze krijgt een nieuwe En verspilt geen druppel Van haar herwonnen hoop Haar troostende glas wijn ***Wanneer de jazz zachtjes uitsterft En de barvrouw slechts nog gaapt Neemt de demon de boel over Zo belanden we op straat Heel wat centen lichter Maar de duvels des te fellerze drinkt en ze danst.Dans deze zwarte dans met mij.Ik tracht te hinken in de maat,Een sukkeldansje zij aan zijBen ik nog toe in staat.Wat wild gewieg op duist're beats,Een wals op Wire, waarom niet,Waarom niet Wilco, Ween of zelfsWolfmother. Het verbaast me nietsDat jij sneller je pintjes gietDan dat je beentjes swingen.Muziek maakt niets meer uit,Het bier gonst veel te luid,En ik heb alle zin in alWat jij niet bent, verloren.***Sommige dansen dans je beter nuchterEn ik schraap haar voor de derde maalVan de kleverige dansvloerRecht naar huis of nog een dans?Ben je mal, zegt ze, 'k bent zatGeef liever nog een pint***De beat is te snelHaar benen week en lamHet dansen heeft ze opgegevenHet drinken echter nietGeen fut meer, geen ritmeDe wijn ploegt alles om***Met heel de Ultratop in de benenGans de wijnkaart in de maagHaar nummer al te vaak gegevenStaat ze eindelijk op straatHuiswaarts keren is geen optieEr is wel nog ergens een bar openze danst en ze schrijft.Als een schaatser in het ijleSchrijft ze woorden op de vloer,Danst ze zinnen diep vanbinnen,Jongleert ze harten uit de deur.Zoek geen boodschap in haar passen,Geen signifié bij het ontbijt.Dans en hoop dat ze van jou blijft,Of je bent haar al lang kwijt.

Gert Vanlerberghe
20 0

Te licht

Al van bij mijn geboorte werd ik te licht bevonden voor deze wereld. Met een gewicht van amper tweeëneenhalve kilo, wekte ik meteen het medeleven op van mijn omgeving. De dokter vertelde dat het beter zou wezen mij een tijdje in de couveuse te leggen. Maar mijn dappere moeder, die negen maanden lang ongeduldig had uitgekeken naar mijn blijde intrede in deze wereld, bekeek de man minachtend en vertelde hem resoluut dat ze het moederhuis niet zou verlaten zonder haar nieuwbakken dochter en dat een kind niet beter verzorgd kon worden dan door zijn eigen moeder, al was dat kleine wicht nog zo klein en mager. Met een blik die duidelijk te verstaan gaf dat ze geen tegenstand duldde, pakte ze heldhaftig haar spullen. Zo werd mij verteld door mijn grootmoeder want mijn moeder verliet mij nog voor ik drie jaar werd. Misschien werd zij, net zoals ik te licht bevonden, te licht voor deze wereld, te licht voor het moederschap. Een ongeneeslijke ziekte werd haar fataal en dus heb ik mijn dappere moeder nooit gekend. Is het omdat ik nooit een voorbeeld had, dat ik twijfel aan mijn moederlijke instinct? Natuurlijk was er mijn fantastische grootmoeder die zich over mij ontfermde. Mijn schijnbaar onschuldige en weerloze toestand, wekte het medelijden op van deze kordate dame die zelf op jonge leeftijd moederloos werd en door haar oudere zussen werd opgevoed. Als kind had ik al snel begrepen dat mijn grootmoeder ondanks haar scherpe woorden en haar strenge wetten, een peperkoeken hart bezat dat ik met mijn grote bruine ree-ogen deed ontdooien als sneeuw voor de zon. Oma’s schijnen nu eenmaal veel toleranter dan mama’s en dat hebben peuters en kleuters begrepen nog voor ze leren spreken. Toen mijn vader enkele jaren later hertrouwde, werd ik overgedragen aan de zorgen van een stief mama. Een jonge vrouw, veel jonger dan mijn vader en dus absoluut onbekend met de grillen van een moederloos meisje dat bij oma altijd het pleit won. Alhoewel het arme mens echt haar best deed, waren mijn tienerjaren niet echt gemakkelijk. Vooral omdat zij ondertussen zelf moeder was geworden van een jongen, ik kreeg dus een broertje, wat haar ware moedergevoelens wakker maakte waardoor ik mij verwaarloosd voelde. Al was ik nog zo jong, ik had al vlug begrepen wat ‘echte’ moederliefde betekende. Ach ja, ze was lief en vriendelijk maar in wezen bleef ze steeds een vreemde voor mij. En papa, tja mannen hebben zulke dingen niet echt door. Of om het met de woorden van mijn grootmoeder zaliger te zeggen: een moeder kiest voor haar kinderen, een man voor zijn vrouw. Ik was amper negentien toen een jongeman verliefd op me werd. Al was de verliefdheid niet echt wederkerig, ik voelde me gevleid dat ik eindelijk het middelpunt van het universum geworden was. Ik zei dan ook zonder aarzelen ‘ja’ toen de onschuldige jongeman mij blozend ten huwelijk vroeg. Bovendien had ik het gevoel dat ik een goede daad stelde. Ik maakte geen deel uit van dat nieuwe gezin, dat ondertussen nog uitgebreid was met een dochter en een zoon en dus konden zij nu eindelijk hun eigen leventje leiden zonder mij. Te licht bevonden als stiefdochter. En toen werd ik verliefd. Ja, voor het eerst in mijn leven. De lieve jongeman die mij bevrijd had uit mijn moederloze thuis, werd zonder pardon gedropt. Als ik er nu aan terug denk, voel ik mij een meedogenloos monster. Te licht bevonden voor het huwelijk. Al snel was ik terug gescheiden en trouwde ik met mijn droomprins. Eind goed al goed, zou je zeggen. Op mijn dertigste werd ik moeder van een zoon. Een wolk van een baby zoals men zegt. Mijn grootmoeder was ondertussen een oude vrouw en mijn stief mama begreep niet echt dat ik op dat moment nood had aan ‘mijn moeder’. Ik had zoveel vragen die niemand voor mij antwoordde. Het leek wel of ik plots alleen op de wereld was, alleen met een baby die mijn aandacht opeiste en geen medelijden of weet had van mijn onervarenheid. Ik verwende hem als een prinsje en meende dat het zo hoorde. Te licht bevonden voor het moederschap.

Nadia Lang
0 0

Gelukzoekers

Wat zet iemand ertoe aan naar het buitenland te verhuizen ? Ik bedoel als je hiervoor geen enkele aanwijsbare reden hebt zoals bv je werk of je geliefde.  Waarom zou je familie en vrienden achterlaten om in een vreemd land met een vreemde taal je geluk te beproeven?  Vanwaar die onrust?  Is het de drang naar avontuur of gewoon verveling?  Om de zin van het leven te vinden?   Om nieuwe mensen te leren kennen en andere culturen te ontdekken? Er zijn duizend vragen en duizend antwoorden.  Michel wil eens wat ‘anders’ doen in zijn leven, hij is het bekrompen België beu. Vooral de koude ongezellige winters, de drukte en de slechte lucht doen hem dromen van een leven in de zon.  Ik verlang vooral naar gemoedsrust, ik hunker naar stilte, vooral stilte in mijn hoofd.  Ons turbulente leven de afgelopen 30 jaar en enkele tegenslagen in het verleden zijn waarschijnlijk geen onbelangrijke factor.   Het blijft natuurlijk een grote stap, vooral als je ouders een dagje ouder beginnen worden of je nog kinderen hebt die wel volwassen zijn, maar je nog niet echt hebben losgelaten. Uiteindelijk beslissen we enkele maanden in Frankrijk te gaan wonen en hier in België een pied à terre te houden. Op die manier kunnen we ervaren hoe het leven daar is maar blijft toch altijd de mogelijkheid naar ‘huis’ terug te keren. Maandenlang hebben we het internet afgezocht naar een geschikte maar vooral betaalbare woning. Tenslotte zijn we geen miljonairs maar jonggepensioneerden met een bescheiden inkomen.   Uiteindelijk valt de keuze op Saint Marsal, een middeleeuws dorp in de oostelijke Pyreneeën, regio Lanquecoc-Rousillon, op ongeveer een uurtje rijden van de kust en van de Spaanse grens.  We huren een klein huisje van een schotse weduwe die daar de wintermaanden doorbrengt maar in de volgens haar te warme zomer Schotland verkiest.

Nadia Lang
0 0

Vertelmonoloog: Waarom ik geen schrijver werd

Al van toen dat ik klein was wist ik het. Ooit zou ik schrijver worden. Ik denk omdat ik door boeken een andere wereld leerde kennen. Ik kon daar dingen in lezen waar er thuis niet eens over gesproken werk en dat vond ik chick, dat wilde ik ook kunnen. Ervoor zorgen dat de mensen hun misère eventjes konden vergeten. Dat is toch een nobele gedachte, niet? Zo iemand dat wilde ik ook zijn. Iemand waarvan men zei: 'Zie daar, daar loopt ze, de schrijver van dat fabelachtige boek.' Als ze aan mij vroegen: 'Wat gaat ge later eigenlijk doen?' Ik twijfelde geen minuut. 'Ik, ik word ik schrijver.' In mijn jaren van jeugdbobbeltjes was dat voor mij de enige juiste vorm van bestaan. Ik had daar niks aan om naar goedkope plaatjes te luisteren of van de ene dag in de andere te slenteren. Ik wou schrijven, werken aan een oeuvre, dat wou ik. Als kleine snotneus al, wist ik dat ik iets speciaal wou doen, anders zou mijn leven niet veel voorstellen. Trouwens, op dat moment zag het er voor mij nogal ingewikkeld uit. Ik moest ik in die verkruimelde toestand eindelijk eens orde scheppen. Daarbij, juist gelijk elk ander meisje had ik een heel grote behoefte om wereldberoemd te worden. En als ik nu alleen maar al in België bekend zou zijn, dan zou ik mij al een stuk gelukkiger voelen. Ik was op dat moment eigenlijk een niemandalleke, een meeloperke, iemand waar niet over gesproken werd en dat is niet plezant. Nu kwam ik op een bepaald moment een Hollandse schrijver tegen. Nico heette hij. Ik zag mijn kans schoon, om aan die mens eens een vraag te stellen. 'Wat moet ge nu eigenlijk doen om schrijver te worden,' vroeg ik. Ik verwachtte natuurlijk dat hij iets zou zeggen in de zin van: 'Ge moet uwe stijl vinden, in de leer gaan bij grootmeesters, maar nee... Weet ge wat die slimmerik antwoordde, zonder ook maar één oog te verpinken? 'U moet schrijven.' 'U moet schrijven.' Allée, kom nu. Niks anders, geen truckjes, geen dure lessen. Die zot zei gewoon: 'Ge moet schrijven.' En het ergste van al was dat hij het precies nog meende ook. Dus vroeg ik het nog maar eens. Kwestie van zeker te zijn. 'Wat zegt u.' Hij zuchtte en hij keek naar mij, met zo een blik, precies of dat ik de grootste stommerik was die er op de aardbol rondliep. 'Nou, ik zeg het je toch. Schrijven. Om schrijver te worden moet je schrijven.' Hij kon het wel schoon zeggen, dat geef ik toe, maar dat een schrijver schrijft, dat wist ik zelf ook wel en daarom dat die woorden zo onthutsend waren. Hoe zat het dan met de kwaliteit van u werk, met de unieke kijk die ge op bepaalde zaken hebt, met de beelden die ge met woorden schept. Allé komaan, dat kon nu toch niet zijn dat die niet meer te vertellen had dan dat. Zestien jaar was ik en het enige dat die grootmeester mij te vertellen had was... dat ik moest schrijven. Alsof dat nu de boost was voor mijn carrière. Het zal waarschijnlijk heel eigenaardig klinken, maar toen is er iets in mij geknakt. Het was precies of dat het schrijversbestaan van zijn pluimen was verloren. 'Wat gaat u later worden,' vroeg die Nico aan mij. Nog wat zout op de wonde strooien, ja.  'Ik, geen flauw idee.' 'Ik dacht dat u misschien ook schrijver wilde worden.' 'Och, dat is een vak voor onnozelèren. Ik ben gaan studeren. Ik ben nooit schrijver geworden en dat knaagt nog altijd. Ik ben nu de vijftig gepasseerd en dan is het tijd dat een mens eens op zijn leven terugblikt. Ge beseft dan ineens dat ge op de terugweg zijt. Bergaf. Dan wilt ge toch nog alle graantjes meepikken die er te pikken vallen. Dan moet een mens doordachte keuzes maken, voor dat het te laat is. Dat heeft mij doen beslissen om naar de kunstacademie te gaan. Om lessen Literaire Creatie te volgen, want tegenwoordig kunt ge dat dus blijkbaar toch leren. En weet ge wat mijn docent tegen mij zei: 'Om schrijver te worden moet ge schrijven, alle dagen.' Nu gij.

bielieke
42 1