Lezen

Allerheiligen op de Filippijnen

  Bij ons is Allerheiligen een dag waarop we op een zeer serene en ingetogen manier onze overledenen herdenken. Maar elke cultuur heeft zijn eigen tradities. Niet overal wordt Allerheiligen op dezelfde manier gevierd. Neem nu de Filippijnen.   ETEN, SLAPEN EN … GOKKEN   De overgrote meerderheid van de Filippijnse bevolking is katholiek. Je zou dus verwachten dat de Allerheiligenviering min of meer dezelfde vorm aanneemt als bij ons. Niets is minder waar!   De voorbereidingen beginnen reeds enkele dagen voor 1 november. De mensen gaan naar het kerkhof om de grafsteen van hun overleden familielid op te poetsen, zodat die er proper bijligt voor de grote dag. Op dat ogenblik lopen er op de kerkhoven mensen rond die met verf en kwast een centje proberen bij te verdienen door de namen op de grafstenen te herschilderen. Bij ons blijven die namen er voor altijd opstaan, maar daar worden die geschilderd en zijn de letters jaarlijks vervaagd.   De dag zelf krioelt het er van het volk. Mensen brengen een picknick mee en blijven de hele dag bij het graf zitten, waar ze hun tijd verdrijven met – je gelooft het niet – gokken! Op het kerkhof lopen priesters rond en als je die een paar Peso’s toestopt komen ze bidden bij je overledene. Dan worden de speelkaarten terug bovengehaald of wordt er nog een hapje gegeten. Daarna gaat iedereen slapen. Nee, men gaat niet naar huis om te slapen! Men slaapt gewoon op het kerkhof! Nou ja, voor de temperatuur hoeven ze het niet te laten, want zelfs in november haalt men daar ’s nachts nog vlotjes meer dan 20°C.   OMGAAN MET DE DOOD   Als Belg met een Filippijnse echtgenote werd ik op de Filippijnen reeds twee keer geconfronteerd met de dood. De manier waarop men daarmee omgaat verschilt enorm met wat wij hier gewend zijn.   Tijdens onze vakantie in 2003 zouden we vanuit onze thuisbasis in Ormoc City een uitstap maken naar Padre Burgos, op het zuidelijkste puntje van het eiland Leyte. We zouden eerst mijn schoonbroer en schoonzus oppikken, maar toen we daar aankwamen vertelden zij ons dat ze forfait moesten geven, omdat de oom van mijn schoonbroer die nacht overleden was. Na de familie gecondoleerd te hebben, vertrokken wij dus zonder hen op uitstap.   Toen we in de late namiddag terugkeerden, reed ik eerst langs mijn schoonzus om te informeren of ze al wist wanneer de begrafenis zou plaatsgrijpen. “Die is al voorbij,” was het antwoord. Ik schrok mij een hoedje! Om negen uur ‘s ochtends was de man dood aangetroffen en om vier uur in de namiddag lag hij al onder de grond.   Er zijn in Ormoc City twee kerkhoven: één voor de rijken en één voor de armen. Op het kerkhof voor de rijken kan je grond kopen en die is dan voor altijd van jou. In België staat er een tijdslimiet op zo’n concessie. Daar niet. Maar je moet die dus wel kopen en daar hebben arme mensen het geld niet voor. Dus worden de meeste mensen begraven op het kerkhof voor de armen en dat gaat zo:   Nadat men had gemerkt dat zijn oom overleden was, was mijn schoonbroer naar een dokter gegaan, die de dood moest komen vaststellen. Gewapend met de door deze dokter getekende overlijdensakte ging hij vervolgens naar het stadhuis, waar hij de overledene op de dienst bevolking liet uitschrijven. Samen met zijn broer en enkele kozijns ging hij dan een goedkope kist kopen en zette die thuis af. Nog armere mensen maken hun kist zelf. Daar werd de oom in de kist gelegd. Let wel: hij was in de loop van de nacht overleden en eerst ’s morgens gevonden. Het lichaam was al stijf en hij lag met zijn benen opgetrokken. De knieën moesten dus gebroken worden om hem in de kist te leggen. Bij ons doet de begrafenisondernemer zo’n dingen buiten het zicht van de familie. Hier doet de familie dat zelf!   Intussen was mijn schoonbroer met zijn kozijns naar het kerkhof gegaan om te vragen waar ze hem mochten begraven. De verantwoordelijke van het kerkhof had de plaats aangewezen en voor de rest moesten zij hun plan trekken. Zij groeven zelf de put, met spaden die zij zelf hadden meegebracht, en keerden dan huiswaarts. Intussen was de priester verwittigd en trok de hele familie in processie, met de kist op de schouder, naar de kerk. Daar sprak de priester een paar gebeden uit en wijdde de kist, die dan terug op de schouder ging. Te voet trok het gezelschap naar het op een steile helling gelegen kerkhof. Daar werd de kist in de put gelaten, die dan door de familie zelf terug werd dichtgegooid. Precies zeven uur nadat men de man dood in zijn bed had aangetroffen was alles voorbij. Zo worden op de Filippijnen onbemiddelde burgers begraven.   EERST BETALEN, DAN BEGRAVEN   Als je geld hebt kan het ook anders. Dat hebben wij een jaar later ervaren toen de grootmoeder van mijn vrouw overleed. Dat gebeurde de maandag van de laatste week van ons verblijf in Ormoc. Vrijdag zouden wij terug naar België keren en natuurlijk wilden wij haar nog voor ons vertrek begraven. Maar dat voor elkaar krijgen bracht heel wat aarde aan de dijk!   Ik wou niet dat oma een instant begrafenis kreeg, zoals de oom van mijn schoonbroer het jaar voordien. Dus reed ik met mijn vrouw naar een begrafenisondernemer om de begrafenis te regelen. We kozen voor een beperkte balseming, die vijf dagen standhoudt, want oma zou in haar huisje opgebaard worden in een open kist.   Op de Filippijnen vraagt de traditie dat er na een overlijden negen avonden na elkaar gebeden wordt in het huis van de overledene. Daarna krijgen de deelnemers aan de gebedswake een maaltijd aangeboden. Eén keer moet de naaste familie ook een nacht bij de overledene doorbrengen. Mijn vrouw heeft dat gedaan, maar zij vond het niet nodig dat ik dat ook deed.   Wij wilden oma niet op het arme-mensen-kerkhof begraven, dus zouden we op het andere kerkhof grond kopen. Zoals alles is ook een begrafenis op de Filippijnen naar onze normen spotgoedkoop. Met de grond en alles erbij betaalden wij voor het hele gebeuren de prijs van een zerk bij ons in België. Dat was dus geen probleem! Het probleem was echter wel dat dit alles gebeurde enkele dagen voor onze terugkeer en dat bijgevolg ons geld bijna op was. Hier ga je dan naar een automaat en haalt er geld uit, maar in Ormoc kon ik met mijn Visa-kaart nergens terecht. American Express en Master werden wel aanvaard, maar ik had enkel Visa. Ik belde dus naar mijn moeder in België met de vraag om geld over te schrijven. Dat geld zou eerst donderdag arriveren en dat was de dag van de begrafenis.   We legden dus uit dat we eerst donderdag konden betalen. Dat was een probleem, want op de Filippijnen wil men niemand begraven alvorens alles volledig betaald is. Ergens kan ik dat begrijpen, want de meeste mensen kunnen zo’n begrafenis niet betalen en de firma zou vaak naar haar geld kunnen fluiten. “Ik heb alle begrip voor uw standpunt,” zei ik, “maar ik ben geen Filippijn. Ik kan dit heus wel betalen. Kwestie is alleen om het geld op tijd hier te krijgen.” “I’m sorry, sir,” zei de manager, “maar zolang wij het geld niet ontvangen hebben kan de begrafenis niet doorgaan.” Er ontspon zich een discussie en op een gegeven moment vroeg zij: “Kan u mij een referentie geven van iemand hier in Ormoc?” “Zeker,” zei ik onmiddellijk. “Bel maar naar uw vice-burgemeester.” Zij keek van mij naar mijn echtgenote. Die knikte instemmend. De manager nam de telefoon en belde naar het cabinet van de vice-burgemeester. “Paul en Roselle Carremans? Ja, die ken ik! Geen probleem, hoor! Die zullen u zeker betalen.” De dame was nu een beetje gerustgesteld en we mochten de begrafenisondernemer meedelen dat de begrafenis donderdag kon doorgaan. Maar we moesten dan wel donderdagmorgen, nog voor de ceremonie begon, komen betalen.   Donderdagmorgen ging mijn vrouw naar de bank en wat bleek? De transactie had een dag vertraging! Het geld zou eerst vrijdag toekomen, maar dan moesten wij vertrekken. Paniek! Wij terug met de manager van de begraafplaats gaan praten. Probleem! Indien het geld er niet was, kon oma niet ter aarde besteld worden. Nu begon ik mij kwaad te maken. “Mevrouw, zie ik eruit als iemand die zijn rekeningen niet kan betalen? Bovendien hebt u een referentie gekregen van uw vice-burgemeester!” “Sorry, sir, maar dat is niet voldoende.” Er werd nog een tijd heen en weer gediscussieerd en tenslotte - ben ik een Belg of ben ik het niet? - werd er een compromis bereikt. Ik zou ons minibusje in onderpand geven. Doorgedreven onderhandelingen hadden als resultaat dat ik het wagentje nog mocht gebruiken voor de begrafenis, maar dat ik het daarna bij hen moest achterlaten. Als mijn schoonfamilie dan vrijdag, na ons vertrek, de rekening ging betalen, zouden zij de auto terug mogen meenemen. Wat een heisa!   Enkele uren later kwam iedereen samen in het huisje waar oma lag opgebaard en kon de rit naar het kerkhof beginnen. Ik reed als eerste achter de lijkwagen, met mijn schoonfamilie. Achter mij reed nog een minibusje waarin de rest van de familie had plaatsgenomen. De stoet werd gesloten door een open vrachtwagen die een van mijn schoonbroers had geleend en waar de rest van het gezelschap als beesten in rechtstond. Het deed mij denken aan de televisiebeelden die ik gezien had van Jodentransport tijdens de tweede wereldoorlog. Voor mij was dit mensonterend en indien men mij op voorhand had verteld dat ze dit transportmiddel gingen gebruiken om onze gasten te vervoeren, waren ze ongetwijfeld op mijn veto gestoten. Maar onze gasten vonden dit heel normaal. Waarom zou ik mij er dan druk om maken?   De begrafenisstoet hield halt aan een grote, open kapel voor een gebedsdienst. Daarna werd oma naar haar laatste rustplaats gedragen. Die was niet moeilijk te vinden, want er stond een grote partytent over de put opgesteld. Over die put stond ook een metalen frame waarover de riemen gespannen waren om de kist mee neer te laten. Daar werd de kist opgezet en tot mijn grote verbazing terug geopend. Men was blijkbaar nog niet van plan ze te laten zakken. In België gaan we na de begrafenis naar een zaal, waar pistolets en koffiekoeken gegeten worden. Hier worden op het kerkhof broodjes uitgedeeld aan de gasten. Vandaar de tent! Nadat we allen gegeten hadden werd er nog een laatste keer rond de kist verzameld voor een gebed. Toen werd ze gesloten en in de put neergelaten. Een Filippijnse begrafenis is toch wel iets apart!  

Paul Carremans
63 0

Gelukkig Nieuwjaar Madelon!

Buiten wiegen berijmde spinnendraden in de wind. Zoals ze daar hangen, lijken ze op witte serpentines in een gebleekt decor. Alleen de hemel draagt alle lichtste tinten uit de kleurkaarten bij de schilders. De zachtste versies geel, oranje, blauw, groen hangen, door de avondzon aangemoedigd, als een pastelregenboog aan de horizon. De eerste zaterdag van het jaar maken de buren er een traditie van om tegen de middag in de scoutslokalen te klinken op het nieuwe jaar. Bij een voorraad broodjes blijft een hele groep plakken tot de avond. Vanuit het keukenraam ontdekt Madelon enkele feestvierende buren die schuifelend hun weg naar huis zoeken. Ze vindt er niks aan dat buren mekaar willen Nieuwjaarszoenen onder invloed van een overdosis alcohol en hapjes uit zakjes. Madelon kiest veel liever voor een frisse neus bij een wandeling . Ze propt haar handen in een dubbel stel wanten, schuift haar voeten in wollen laarzen, trekt een jas boven haar trui en werkt haar tenue af met een haarband, een muts en een meterslange sjaal. Ze is helemaal klaar voor een ontmoeting met de winterkou, zonder risico. Met haar voeten proeft ze de gladheid van het sneeuwijs. Alles om haar heen ziet er statig uit alsof een tovenaar de wereld even een pauze toeroept en minutieus de kleuren van de natuur heeft verstopt. Het is veel te koud om lang buiten te staan. Madelons wangen voelen pijnlijk ijzig en de druppel aan haar neus bevriest, maar toch kan ze haar blik niet van het sneeuwdecor losrukken. Met betraande ogen stapt ze de sneeuw in die onder haar voeten knispert. Ze ademt de vrieskou. Aan lange lissen langs de gracht groeien ijskristallen, unieker en natuurlijker dan het duurste juweel. Welk woord zouden de Eskimo’s hiervoor hebben? Het sneeuwtapijt verraadt hoeveel hazen en konijnen in de buurt wonen en op een of andere manier aan eten moeten zien te komen. Iets fels in de sneeuw trekt Madelons aandacht. Vlekken rood steken hard af tegen hun witte  achtergrond. Ze lopen als een lijn naar het einde van de straat. Rode kleine stippen, intens van kleur in het midden en vager aan de rand. De vlekken volgen mekaar regelmatig op als een spoor. Ernaast zitten afdrukken van grote, brede voeten. Een man liep hier. Wie weet heeft hij zich verwond? Dan moet ze minstens gaan kijken en helpen. Misschien loopt iemand met een bloedneus rond. Dat gebeurt wel vaker bij deze kou. Of misschien is er iets veel ernstiger aan de hand. Madelon hoorde wel eens een verhaal van iemand die zo dom was om zonder handschoenen met sneeuwballen te gaan gooien. Zijn vingers waren na een tijd zo bevroren dat een ijsbal die slecht terecht kwam een topje van zijn vinger wegsloeg. Kan een vinger in dat geval gaan bloeden? Vast niet. Wie weet, en dat zou vreselijk zijn, kwam er iemand met de fiets naar huis en is hij onderweg heel lelijk gevallen, liet hij zijn fiets achter om te voet en behoorlijk gekwetst verder te gaan. De arme ziel ligt misschien ergens uitgeput dood te vriezen. Het spoor van vlekken wordt steeds kleiner terwijl de voetafdrukken gewoon verder lopen. Madelon kijkt op. Bij de hoek van de straat staan twee buren te praten. Het mannenspoor loopt hun richting uit. Al van ver steekt buurman Bert zijn hand naar haar op. ‘Gelukkig Nieuwjaar Madelon, ook aan het genieten van een wandeling? Ga jij niet naar het buurtfeest? Het is ferm gezellig ginder en die glühwein is heerlijk. Ik nam nog om een bekertje mee  naar huis, maar die dingen waarin ze het spul doen, zijn niet meer wat ze geweest zijn. Een klein kraakje en de boel loopt leeg natuurlijk.’

Annemie Dufromont
0 0

Dieprood

De zon waait door de tuin. Zo’n heerlijke vrije middag ergens in september. De tuin lijkt verward. Twijfelt tussen bloei en schreeuw om winterhard. Volledig in dat wat deze week was, schakel ik voorzichtig om. Genieten of aan de slag? De gulden middenweg bevindt zich buiten. Daar waar ambitie en actie naadloos samengaan. Waar focus nooit een probleem lijkt, resultaat altijd bevredigend is  en oplossend vermogen geen talent. De vereiste tijd echter ontbreekt, hardlopen en doordraven lijkt gewenst. Toch doe ik niets en denk een beetje voor me uit. De gelakte nagels volgen de gedachten in mijn hoofd. Mijn lijf laadt op met ieder woord en vindt de ruimte die er eerst niet was, maar nu zichtbaar wordt. Doorzetten blijkt een farce als mijn proces wordt verstoord. De langzame bewegingen veranderen gestaag in haast en terwijl ik eigenlijk nog iets moest kondigen de logees  zich al aan. Het logeevrije huis  vult zich met herinneringen. Muziek dwars door alle commentaren over het volume heen. De nagels doen, hetzij gehavend, wederom  hun werk.  Met het uitzicht op een pretentieloze avond geniet ik vast vooruit. Een zee aan ruimte, een eeuwigheid aan rust. De zon zakt buiten voorzichtig in de tuin en brengt het leven langzaam weer naar binnen.  Het licht van kaarsen, de bloemen op tafel en de schakering van wijn die steeds meer neigt naar rood. Heerlijk knus en warm zacht. Het voelt goed, het samen, de wereld even buiten, behapbaar en met  belofte. De hete zon verwarmd, maar ik klim door en geniet vanuit mijn nieuwe perspectief. De zwemles achter mij, mijn lief op wacht. Dwalen door het bos of iets met zwerven komt in me op. De realiteit is anders, maar eigenlijk niet minder leuk. Met een plof land ik in het zachte zand. Op pad! De reflectie van de zon doet onnatuurlijk aan. Overtuigd in ambitie dat mijn nieuwe wildernis meer baat heeft bij onderhoud dan een creatieve invalshoek, dan toch de tuin. Alleen, gedachten vrij, en rust. Het resultaat is verbluffend, maar de weg er naar toe is wat telt. De nagels niet meer te redden,  rond ik af. Het huis omarmt en ik land zonder moeite in de warmte van mijn gezin. Met de gedachten voorzichtig gericht op morgen, onderuitgezakt in de vrijblijvendheid van het weekend die nu nog onverwoestbaar lijkt, drink ik mijn echt allerlaatste glas wijn, dieprood. Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Schone Lei

Het bericht brengt me terug in de tijd. De vermelding van het liefelijke stationnetje op mijn geboorte grond levert een korte impressie op van herinneringen die daar ergens zwerven op het perron. Het vertrekpunt voor mijn reizen richting kroeg, kamers en de schuchtere momenten in de directe omgeving van het destijds pittoreske fietsenhok. Zonder te verzanden in details gaan mijn gedachten moeiteloos terug naar toen en vullen de ruimte met een melancholie die zo kenmerkend is voor de herinneringen uit mijn jeugd. De eerste openbare beelden tonen het toen rustieke plattelandsstation, de gestutte overhellende muren wachtend op het noodstation op komst.  De beelden van een eeuw daarna tonen het station zoals ik het ken.  Mijn symbool voor vrijheid en zelfstandigheid en net zo hard voor geborgenheid, wanneer de wereld groter bleek dan gedacht en de ouderlijke keukentafel  uitkomst bood. Met de naïviteit van de jeugd en de wijsheid van de wereld op zak heb ik daar gestaan met de geur van vrijheid om me heen. Weg van de basis die de ander had gelegd, op weg naar het fundament voor m’n eigen bestaan. Kiezend voor kwetsbaarheid door te vertrekken in een richting waar de ander misschien niet zou volgen met het gevoel dat de wereld van mij was. Tabula Rasa……een schone lei.  Pas veel later met het besef dat die schone lei onvermijdelijk krijtsporen droeg van het verhaal ervoor. Het fundament van ervaring wat ervoor zorgde dat ik kon blijven staan. Voorzichtig kantelend dat wat wel merkbaar maar niet direct zichtbaar was, om het te vangen in het licht, richting m’n eigen perspectief. Ieder vertrek een stap vooruit in het proces naar de basis voor mijn eigen jeugd. Een strak gelakte keukentafel vast voorzichtig  bij de hand. Heel af en toe kom ik daar nog, bij datzelfde station. Het hedendaagse beeld past niet meer bij het dorp zoals ik het ken, maar het gevoel blijft. En terwijl ik daar sta, de oudere jeugd in een veranderde tijd, ruik ik, tegen beter weten in, nog steeds een vleugje vrijheid.   Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Wijze Indiaan

Is schrijven een roeping? Ik ervaar al de hele dag een gevoel van"bijna ontploffen". Alles dwaalt rond in mijn hoofd, ongeordend, het één het ander verdringend. Van de drukte van mijn gedachten alleen al word ik zenuwachtig. Ik hunker de hele dag naar dit ultieme moment van rust en sereniteit waarop ik eindelijk kan neerzitten en schrijven. Alles moet eruit kunnen vloeien. Ik heb het idee dat alleen al het opschrijven mijn leven als vanzelf in de plooi laat vallen. Alhoewel; wat is de plooi? Wie zegt hoe het moet? Wie controleert? Het is juist omdat ik het zelf wil bepalen dat het zo moeilijk is, zo vermoeiend. Soms lijkt het meer een gevecht. Het is pas als er problemen zijn op te lossen dat je voelt dat je echt leeft, hoe moeilijk ook. Een deel van het gezinsleven is soms een beetje geleefd worden.; een aantal robotacties die je kan uitvoeren op automatische piloot. Toch is het niet zo dat je uitzonderlijke dingen in je leven moet doen om het moeilijk te hebben; Opvoeden bvb. is al eeuwen oud, zou men ondertussen toch al onder de knie moeten hebben... het probleem is dat het altijd nieuwe ouders zijn die nieuwe kinderen opvoeden, elk kind al weer anders samengesteld anders reagerend op andere dingen. Het maakt de klus er niet gemakkelijker op. En het is zo verdomd belangrijk. je bent bezig een leven te vormen. Je helpt een schijnbaar hulpeloos hoopje baby kneden ,vormen, ontwikkelen. het is allemaal natuurlijk ook ontzettend boeiend. Maar het is ook en vooral "altijd". Je kan part time werken , een relatie opbouwen en afbreken, vrienden aanhalen of afweren, een cursus volgen ,een boek uitlezen en wegleggen maar eens dat je dat kind op de wereld hebt uitgestoten is er geen weg terug, geen afhaken. Als je het een beetje goed doet hebben ze een kans op een goed leven. Niettegenstaande alle problemen onderweg heb ik de ingrediënten om er iets van te maken voor hun. Dat mag ik nooit uit het oog verliezen. Ik ben het verplicht aan mijn gezin om de dingen op een rijtje te houden, alles binnen proportie, alles op z'n plaats. Ik moet sterk zijn :regiseren,toveren,ordenen,improviseren,repareren en vooral mezelf blijven. Toch wil ik vandaag heel erg graag een oude wijze Indiaan zijn, met waardige trage bewegingen die respekt afdwingen. Geen overhaaste zenuwachtige beslissingen, geen snelle oordelen, het zwijgen eerder dan verkeerde zinnen uitstoten. Het leren zwijgen, nadenken, bezinnen en vooral : evenwicht. Geboren weegschaal zou me dat toch moeten lukken. Omgaan met veel mensen maar niet direkt veroordelen. Mensen een kans geven,  innerlijke rust en  mensenkennis. De Indiaan legt zijn pijp neer, staat langzaam op en strekt zich vervolgens behaaglijk uit op de mat van zijn tipi.

Calamity yo
0 0

Smokin' Hot

Een femme fatale rookt. Mijn benevelde conclusie na een kwarteeuw staren naar schoonheden en sigaretten. Maar waarom geven zoveel beauties zich over aan de macht van nicotine? Zijn ze de botergeile blikken beu en willen ze hun pracht verhullen achter een stinkend rookgordijn? Of vormt de waas van smeulend teer een rookbom in hun mysterieuze vertoning?   Met de invoering van het rookverbod is het schisma tussen mooi en lelijk in het nachtleven alleszins zonneklaar. Binnen heerst de saaiheid met schimmelende muurbloempjes als derderangsprinsessen. Sexy staat buiten, flirtend onder de warmteblazers. De bannelingen der maatschappij. Geslaagd op kankerrapporten, gebuisd door politiek en zeden. Maar wie stout is krijgt lekkers (en roet). Smoking is hot.   De exodus der eclatanten naar deze schemerige schiereilanden start steeds met dezelfde openingszin: 'Wil je met mij effe naar buiten gaan?' Het klinkt even veelbelovend als 'wil je met mij naar boven gaan?'. Buiten roken draagt een verboden vrucht in zich. Likkebaarden bij de crème de la crème op schimmige terrasjes. Waar rook is, brandt het verleidingsvuur. Smoke gets in my eyes en doet me huilen bij de aanblik van al dat moois. Lichtpuntjes in de duisternis. Geen wonder dat ook deze niet-roker zich bij die prikkelende massa schaart. Peer pressure van zandloperfiguren waarbij ik elke nachtelijke seconde wil vertoeven. Als een loyale puppy loop ik de kokette bazin achterna, die me met de Lucky Strike omhoog naar de uitgang gidst. In haar rooksluier richting altaar. She's pulling on me like a cigarette.   Elk tabakwolkje vormt een vleugje erotiek. Met haar vingers in een v-vorm masseert ze het toverstokje voordat haar lippen het kleinood omsluiten. Elke keer ze met toegenepen oogjes aan de filter zuigt, raak ik in ademnood. Girl, I couldn't get much higher… Tot ik die veredelde asbak binnendoe. Zure regen daalt neer op mijn tong, die zich na twee rondjes op het teer al terugtrekt. Mijn smaakpapillen wijzen immers resoluut nicotine én whisky af. Helaas blijft het imago van Don Draper zo een eeuwige illusie.   Toen ik acht was en telefonist van Buiten de Zone wilde worden, weigerde ik m'n eerste sigaret. De eerste in een lange rij. Ze mochten zo parisien als Gauloises of exotisch als Camel klinken, ik bezweek niet. Ik wilde mijn gedroomde tenniscarrière niet op het spel zetten.   Nu Wimbledon bijna onmogelijk lijkt, rookte ik gisteren toch voor het eerst. Gepusht door een gladde advocaat van Lucifer en een bevallige luchtverkoopster. Slechte lucht, bleek snel. Het zullen serieuze poesjes zijn die me nog tot dergelijke katers dwingen.

Magnus Sørenson
0 0

Familie- en bildungsroman De Bevruchting - Proloog.

De buitensporige disfunctionaliteit van het gezin Parker had lachwekkend kunnen zijn - en dat was het ook tot op zekere hoogte - ware het niet dat ouders en nageslacht in toenemende mate milde tot groteske sporen vertoonden van wat men met een eufemisme 'onaangepast gedrag' pleegt te noemen. Een krak in de kop, een hoek af zo je wil. Mooi verpakt, dat wel maar toch her en der steeds meer barstjes vertonend. Niet dat iemand ook maar iets vermoedde, natuurlijk niet. Laat staan dat ook maar één buitenstaander het zou geloven. Immers, toen de heer Parker op 70 jarige leeftijd besloot zijn succesvolle bedrijf op te doeken wegens geen erfelijke opvolging, kwetterde een verkoopster op de regionale bladzijden van een plaatselijke krant hoe jammer dit toch was en wat een goede baas de heer Parker altijd was geweest. De restaurantuitbater van de oester- en kreeftenbar waar de pater familias al dan niet dagelijks dan toch drie maal per week ging dineren, wist te melden dat de heer Parker bij elk bezoek aan zijn zaak uitermate vrijgevig en vriendelijk was geweest en het 4de provenciale voetbalteam was nog steeds verrukt met de centen die de goede man in hun ploeg investeerde en vertelde hoe geestig hij toch kon zijn tijdens het hijsen van ettelijke pinten in de kantine na weer een verloren match. Ja, ja ... Maar achter de glitterende façade van dure wagens, grote villa's en andere oogverblindende welstand, gaapte de leegte, erger nog, de leegte was tot de nok toe gevuld met menselijk wrakhout. Ze zwegen. Allemaal. Niet zozeer omdat de uiterlijke schijn ten koste van alles moest worden opgehouden - dat ook, zeker en vast - maar vooral omdat spreken nog erger was dan zwijgen. Ach, die angst voor represailles, de macht die aan de vader werd toegedicht, terecht of onterecht, om nog maar te zwijgen over al het geld, immobiliën en aandelen die na zijn dood verdeeld moesten worden. Daar zouden de erfgenamen nog voor vechten, zeker weten. Of toch niet? En was er wel zoveel geld als de heer Parker altijd liet uitschijnen? Geen mens die het wist. En toen viel hij dood, zomaar. Te midden van zijn zelfgecreëerde keizerrijk, tussen geld, aandelen en vastgoed, maar zonder een levende ziel die nog om hem gaf. De eerste die hem mistte was de oester- en kreeftenbar baas. Toen na een week of twee zijn omzet dermate begon te dalen, dacht hij : tiens, lang geleden dat we de heer Parker hier nog hebben gezien. En zo ging de bal aan het rollen. Via, via bereikte het nieuws de jongste zoon en werd in een uithoek van het 300m2 grote luxe appartement van de heer parker, zijn stinkende, in staat van ontbinding zijnde lijk aangetroffen.

Wita Meersch
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 1

Oh god, zeg dat het niet waar is. Zeg alsjeblieft dat het niet waar is. Tegen beter weten in, staarde ik nog eens priemend naar de treffende figuur in de verte. Die okerkleurige trenchcoat, steevast halfopen rond haar middel zwierend, dat warrige zwarte haar onbeholpen in een minuscuul staartje gemoffeld, dat duo fleurige oorbellen, aan weerszijden van het hoofd olijk dansend op de cadans van haar tred. Geen twijfel mogelijk, zij was het. Een lichte paniek maakte zich meester. Hoe was het mogelijk. Dat ik haar net nu tegen het lijf moest lopen. Een ongeluk komt natuurlijk nooit alleen. Minuten, uren, wat zeg ik, dagen had ik erover gepiekerd, over deze ontmoeting. Over de conversatie die we, aangestuurd door onbeholpen toeval, zouden starten, en over waar die – Joost mocht het weten – eindigen zou. In die halsstarrig terugkerende overpeinzingen was zowat elk mogelijk scenario de revue gepasseerd. Gaande van een lichtvoetig niemendalletje, waarin weinig meer dan de strikt noodzakelijke vriendelijkheden werden uitgedeeld, tot iets fijner besnaarde gesprekken waarin geen zin verkeerd gelegd werd, tot een ronduit catastrofale clash waarin alle onbesproken gruwel eindelijk de vrije loop zou worden gelaten.In mijmeren was ik goed, in fantaseren trouwens ook. In onze urenlange gesprekken van weleer was rond alles wat er echt toe deed dan ook zo zorgvuldig heen gedraaid, dat ik de mogelijkheid om al deze nooit uitgesproken affaires ooit nog met woorden te bezweren zwaar in twijfel begon te trekken. In mijn ooghoeken, zag ik de contouren van haar ritmisch bewegende lichaam schichtig dichterbij komen. Onwillekeurig flitsten mijn gedachten terug naar de talloze keren dat ik op haar zat te wachten. Naar hoe ik, precies aan de toegewijde regelmaat waarmee zij de ene voet voor de andere plaatste, kon voorspellen dat zij het was die met haar virtuoze haar passen de verder verlaten gang vulde. Bij elke stap die ze zette, leek de druk in mijn borstkas - net als vroeger - een beetje toe te nemen. Even overwoog ik het om het – als een halvegare – tussen de winkelende zaterdagnamiddagmassa op een lopen te zetten. Of om in een halfslachtige duikvlucht achter de eerste de beste volgestouwde rayon te verdwijnen. Helaas weigerde mijn elastieken onderstel voorlopig dienst. Het enige waartoe het zich op dit moment eventueel kon lenen, was tot een puike imitatie van een schrikkerige epileptische aanval – hé, dat was misschien nog een idee – en dat terwijl L. nu met de snelheid van een opgejaagde bloedhond leek te naderen. Neen, kom op, niet flauw doen, gewoon zijn. Of zen, of iets dergelijks. Ik overleefde het wel, het was immers niet de eerste keer dat ik dit gesprek voeren zou. Als een getrainde rot in het vak doen-alsof-je-neus-bloedt keek ik gebiologeerd naar een stel pakken suiker in de rek links van mij. “Hee, Riska!” Oh hemel, daar gingen we. Hooghartig draaide ik het hoofd om. “Oh, hee Maira, ik zag je niet.” Lachend keek ze mij aan. Die blik. Ja lachen met haar ogen kon ze altijd al. Aan de manier waarop zich bij het ontbloten van de tanden in beider ooghoeken een lichte optrekkende rimpeling openbaarde, kon je de oprechtheid van haar glimlach aflezen. Dit exemplaar leek me overigens vrij rechtschapen te zijn. “Hoe gaat het met je?” Ze stelde de vraag niet zoals ieder ander hem stellen zou: achteloos, meer uit gewoonte dan uit oprechte interesse in de gemoedstoestand van de toevallig tegen het lijf gelopen gesprekspartner. Neen, niet zij. Zij leek het te menen. Vriendelijk gesticulerend, de glimlach secuur in de plooi houdend, pinden haar ogen zich steeds dwingender vast op mijn eigenste spraakorgaan, dat – jammer genoeg – voorlopig geen enkele aanstalten maakte om een enigszins gepaste reply in de strijd te werpen. Als dit geveinsde interesse was, dan was ze goed. Beroepsmisvorming wellicht, schoot me door het hoofd. Bijna was ik er met open ogen ingelopen. Nog net op tijd wist ik de valkuil der openhartigheid te ontwijken en er een korte "Best hoor." uit te gooien. De bijbehorende "Met jou?" slikte ik maar even in. Ik vond het een al te vrijmoedige inbreuk op haar privacy, iets waar ik absoluut geen zaken mee had. Ook beroepsmisvorming, dacht ik monkelend. In de stilte die daarop volgde, bleef ze me volhardend vrolijk aankijken. Walgelijk. Zoveel levensvreugde zou verboden moeten worden. En al dat kijken, je zou er zowaar gestoord van worden. Net als vroeger - wanneer ze mij al nippend vanachter haar koffie schaamteloos zat aan te staren - voelde ik haar ogen prikken. Ik voelde ze zoeken naar de mijne. Ik denk niet dat ik ooit iemand zo diep had zien kijken. Alsof ze met haar ogen letterlijk in je ziel wilde graven, zo schrijnend aandachtig staarde ze je aan. Alsof je diepst menselijke geheimen daar op de bodem zomaar lagen te wachten op haar vraag, klaar om opgehaald te worden. Abrupt wendde ik mijn ogen af. Dit trucje moest ze heus niet meer uithalen, dat voorrecht had ze verspeeld. Op de zwart-wit geruite supermarktvloer – waar ik mijn ogen bij gebrek aan beter dan maar op fixeerde – ontwaarde ik een schuifelend paar auberginekleurige botjes. Aha, dus toch. Een eerste teken van genaakbaarheid. Ik voelde mijn pols verslappen. Uit het niets borrelde plots ook de sterke aandrang op om haar mee op de koffie te vragen. Stedelijke koffiehuisjes leenden zich zo heerlijk uitstekend voor onzinnig langdradige gesprekken over niets en over alles tegelijk. Een plek waar we nostalgisch langs onze neus weg dingen konden oprakelen als 'weet je nog, toen ik van je hield' en daar dan – tussen twee koekjes door – eens hartelijk om konden lachen – of huilen – het bleef al gelijk. Gewoon, even praten, zoals alleen oude bekenden dat kunnen. Gewoon, alles, heel even alles, heel gewoon. "Nu goed, ik moet eens gaan." De zin rolde uit mijn mond, als een mokerslag uit de vuist van een zwaargewicht eersteklas. Zo kwam hij ook aan. Een kort pleidooi over drukte, veel werk en treinen die gehaald moesten worden – je kent dat wel – ratelde er achteraan. De blik in haar ogen veranderde van toon: minder etherisch, scherper, serieuzer ook. Ik wist dat ze me doorhad, maar dat kon me weinig schelen. "Zeker, ik zie je wel weer." bracht ze terug, opnieuw haar hartelijkste glimlach bovenhalend. Ik wist dat ze loog. Zes korte woorden, meer was er niet nodig geweest om van alles op slag terug niets te maken. Terwijl ik al een eerste stap in de richting van het netjes uitgestalde assortiment confituren zette, keek ik haar nog eens strak in de ogen, haakte deze vervolgens los en vulde de vrijgekomen ruimte in met een blik op oneindig. Weg, hier vandaan, was al wat ik bedenken kon. Enkele tellen hield ik het vol, maar kon het uiteindelijk toch niet laten. Nog één keer keek ik achterom. Al wat ik daar zag was het auberginegetinte laarsjesduo, dat onbestemd, maar met de vertrouwde regelmaat van pas, hopelijk voor de laatste keer mijn leven uitwandelde.

Hanna Lucia
0 0

Second hand mythology

Teach history as if history teaches you: that mankind is still wailing the desert, still walking its Exodus, still stalking a god who created earth in 6 days and then fell asleep eternally, making universe bleed internally. ‘Après moi le déluge’ God said  and turned his head. Leaving us with oceans of hours to realise that history is not His story, its ours. And while we walk this infinite Sunday, limping our way through time, we take 2 steps forward one step back:   +1 the first settlements +2 the rise of empires -1 imperialism   +1 Industrial revolution +2 Technological evolution -1 Ecological breakdown   +1 prosperity +2 health care -1 overpopulation   Out here in the West we forget to feel, that consumption is our Achilles’ heel and every time we kneel for banks and dollar Goliath grows taller and David smaller.   Thus teach us to walk tall, yet respect all things small. Teach us that for half a century it’s been five to twelve now. That humanity became a gigantic, packed Trojan horse evolving towards the sun - wrapped as a poisoned present for the Gods on a run. Teach us that 1 Icarus times 7 billion equals mankind. Teach us to practice what you preach, that in the end no man is left behind.   With few Phoenix’s to rise up from this globe, Few  heroes to guide us through concrete labyrinths with Ariadne’s rope. So many teachers needed to restore hope.   So reach us, unleash us, teach us Not to kneel but to feel not to steal but to heal Not to avoid but to involve Not to exploit but to evolve Teach us ... to teach    

Joachim Stoop
0 0

Mensen zonder verhaal: deel 2

Zoals mensen wel eens durven beweren in tijden van hevige rampspoed “ Ik weet nog precies waar ik uithing op het moment dat het eerste vliegtuig één der WTC-tweelingen indook om er, samen met het gruis door de New Yorkse straten, ook een walm van chaos de Westerse samenleving in te katapulteren” – zo herinner ook ik mij het startpunt van dit verhaal. En hoewel het hier niet onmiddellijk een geval van groot verderf of droefenis betreft, sloegen de weerhaken ervan desalniettemin in als een bom. Vorige week vrijdag was het. In een jammerlijke poging tot het afronden van alweer een erbarmelijk hoofdstuk uit de thesis van mijn leven, zocht ik –geheel volgens procrastinatieve planning – zielsrust en mentale verpozing in de buitenwijken van het wereld wijde web. Ruimte genoeg om een tijdje van arbeidsintensief geesteswerk te worden afgeleid. Net wanneer ik de startpagina van facebook voor zo ongeveer de zevende maal in tien minuten mijn bureaublad vullen liet, sprong er een binnengelopen bericht het scherm op. Margot. Of ‘de meisjes’ vanavond zin hadden in een hapje en een drankje ten huize Liefmans - Vangerven? Een gesmoorde grinnik ontsnapt mijn lippen. Het getrouwde leven had zich al goed genesteld. In alle heimelijkheid was het twee weken geleden haar wezen binnengeslopen om zich vervolgens als een virale infectie te verspreiden door de aderen van haar bewustzijn. Klaarblijkelijk had het zich ondertussen ook al weten vast te klitten aan de uiteinden van haar dagelijks leven. Maar als beschaafde en welgeorganiseerde dinertjes achter ordentelijke gevels, waar met trots een dubbele voornaam op de deurbel aan de voordeur prijkt, de toekomst waren, dan kon ik daar maar beter meteen aan wennen. Dat aan onze voordeur nog steeds naam Joe Mehreb de deurbel sierde was bij wijle vast geen toeval. Hoewel mijn strakke Moleskine een al even welomlijnd en druk weekendschema voorschreef, berichtte ik – als een trouwe volgeling – toch enthousiast terug: ‘Klinkt super: Ik zal er zeker zijn.’ Ook de daaropvolgende reacties van de vriendinnen waren unaniem instemmend. Iedereen zou zijn uiterste best doen om er te geraken, all other activities put aside. Al deze goodwill van een bende drukbezette jongedames die normaal geen kans onbenut liet om de naaste omgeving te overtreffen in de omvang van hun sociale activiteiten; het had een teken aan de wand kunnen zijn. Diezelfde avond, 19u47 om precies te zijn en slechts zo’n kleine tweeëndertig minuten over tijd, kondigde een luid geclaxonneer aan dat mijn taxi gearriveerd was. Het weerzien met de high-school vriendinnen was zoals elk weekend weer dol: alsof ik bij het instappen prompt zes jaar terug in de tijd gekatapulteerd werd en op de trappen van de agora – een met vaal bruin tapijt beklede ruimte die voor overdekte speelplaats moest doorgaan – de tijd te slim af moest zijn met roddels en nutteloze weetjes allerhande. De twintig minuten durende autorit werd dan ook gevuld met uitbundig gekwebbel over alle futiliteiten van de afgelopen week. Van vermoeiende stages en ongemeen onbeschofte treinconducteurs - die zich op vrijdagavond steevast van hun schoonste kant laten zien - tot kwijlende patiënten, afmattende maar spijtig genoeg verplichte sportdagen met collega’s, rebellerende leerlingen en achterlijke schoolreisjes; het kwam allemaal aan bod. Over het hoe en waarom van onze avondlijke onderneming werd vooralsnog bedachtzaam gezwegen. Het niet uitgesproken onderwerp hing als een vervaarlijke zeepbel in het midden van de wagen, die vanaf het ogenblik dat er ook maar één vinger naar uitgestoken werd, genadeloos uit elkaar dreigde te spatten. De policy ‘kijken mag aankomen niet’ werd door alle spelers van het spel zonder woorden netjes gerespecteerd. De met blauwe kiezelsteentjes bedekte oprit van Heirbaan nummer 7 was bij aankomst reeds met wagens bezaaid. Nu vrijwel iedereen een rijbewijs in zijn achterzak had steken, leek fietsen prompt geen optie meer. Het zag er naar uit dat we weer eens laatst waren. Vanuit de deuropening kwam een licht spottend ‘Aha, daar zullen we de diva’s hebben’ ons bij wijze van hartelijke begroeting dan ook al tegemoet gestroomd. Na een weerwoord dat clichématig beweerde dat het schoonste volk altijd een beetje op zich laat wachten, schoven we het gezelschap bij. Als een soort van ideale gastvrouw – maar dan wel eentje die lijdt aan hyperkinesia – sloofde Margot zich uit voor haar onoplettend publiek. Bijna lege wijnglazen werden naarstig bijgevuld, koffies werden klaargestoomd, en vanaf het moment dat er een prikkertje zo goed als nog maar in de richting van het laatste blokje salami wees, werd het schoteltje pront van tafel gerukt om vervolgens vervangen te worden door een gloednieuw afgeladen exemplaar. Net toen ik mij bedacht dat ik best chance had, en dat ik het zo nog wel een tijdje hebben kon, werd de ontspannen sfeer plots verstoord door verhit gefluister. In mijn ooghoek zag ik hoe aan de overkant van de tafel een hand naar een mond glipte, enkele koppen in cirkelvormige beweging bij elkaar werden gestoken. Enkel een waas van gedempte geluiden wist de muur van opvangende oren en zorgvuldig geplaatste schouders te ontsnappen. Een nieuwsgierig ‘En weten ze het al? Is het nog geen tijd?, glipte tussen de vingers door, en kaapte de aandacht van het resterende gezelschap weg. Tijd waarvoor? , vroeg ik nog achteloos, met een mond vol kaas. Aangespoord door deplorabel geglunder, opgewonden gegiechel en enkele samenzweerderige knipoogjes links en rechts, blikte onze gastvrouw gelukzalig de kamer rond. Nog enkele seconden werden we in spanning gehouden, maar toen werd het grote woord op tafel gelegd. “Ik ben zwanger”, zei ze, terwijl de fierheid zowat van haar gezicht afdroop. Terwijl de vreugde die zo-even vaan haar lippen gerold was, zich als een lopend vuurtje onder onze groep verspreidde, bleef ik bekrompen zitten: roerloos,en nog steeds met een mond vol kaas. Na wat best enkele minuten kon zijn schoot me te binnen dat een slokje wijn bij wijze van doorspoelen hier misschien geen misplaatst idee zou zijn. Rondom mij had de ruimte zich ondertussen weten te vullen met gejoel, gejuich, geschreeuw: kortom ultieme vrolijkheid troef. Flarden van gelukwensen aan de toekomstige moeder vlogen in paartjes door de kamer. Ze kruisten er stemmen die gingen van ‘Zei ik het niet?’, ‘Ik wist het wel!’ en ‘Zie ik daar al niet een kleine baby-bump?’. Daar, te midden van al die broeiende algehele euforie, bezweek ik. In alle baldadigheid liet ik me volledig meeslepen door de nieuwgeboren babyvreugde. Voor ik het goed en wel doorhad werd er een stel wollige babysokken mijn handen in geduwd, gevolgd door een akelig paar knisperende pluchen beesten en een slabbetje van een zachtheid dat het geen naam heeft. Wat moest ik met die hele peutertuin? Meer dan ondingen uit een mij vaag bekend verleden waren het niet. De geëxalteerde opgetogenheid die ze bij het omringende publiek teweeg schijnen te brengen was mij dan ook volledig vreemd. Lachen en doorgeven die handel. Enkele seconden later werd mij een vale prent onder de neus gedrukt. Maar kijk dan toch, hier zie je het neusje, daar de beentjes, en ja tien vingers en tien tenen, alles er op en er aan. Dat ik uit de 6cm grote fotografische vlek onder mijn ogen maar weinig kon maken, bleek geheel aan mij te liggen. Te midden van al deze drukte keek ik naar haar. Hoe ze daar zat, vol rust en ingehouden blijdschap in haar stoel, met haar handen vol buik en de ogen met trots naar binnen gekeerd. Onwillekeurig sprongen gedachten terug naar het kleine, fijne meisje met rebelse piekjesharen. In een citroengeel jurkje en platte sandaaltjes, in het gras vooroverbuigend, reikend naar het laatste madeliefje in het voltooien van haar kroon. Hoe deze kleinste vlak onder onze neuzen zo snel groot was geworden, was mij een raadsel. Hoe ze zonder dat we het in de smiezen hadden ons allen, één voor één, traag maar gestaag voorbij was gestoken, ons in leven én in welzijn was ontgroeid. En net zoals ze enkele weken geleden de eerste vrouw onder de meisjes was geweest, toen ze onder menig goedkeurend oog aan hare Michiel het jawoord had gegeven, was ze nu de eerste moeder onder de dochters. Hoe groot en fel het contrast, en wat een overgang dat zijn moest. Wat er moest gebeuren in het hoofd van een meisje op het moment dat ze de eerste trap van dat zelfgemaakte voetje tegen de rand van zijn wereld voelt schoppen. En te begrijpen dat die wereld niets meer of minder is dan haar oneindige zelf. Te veel spanning voor een buik. Hoe zij daar zat, zonder angst, met de rust in haar schoot. Het deed me denken. Zou het dan toch waar zijn wat ze zeggen? Kleine meisjes worden snel groot. Een enkeling dan toch. Als ik rondkeek, zo’n één op twaalf, gemiddeld. Zo goed voor zichzelf gezorgd had zij, dat ze klaarblijkelijk zorgen over had voor een nieuwe ander. Instinctmatig voelde ik een soort van trots opwellen. Het borrelde, kwam van ergens onderaan de buik, woelde zich door maag en borstkas, waar het in lichte benauwdheid bleef steken. Ze had het toch verdorie niet slecht gedaan, die Margot. Het moet daar en toen geweest zijn, dat ik met mezelf een deal sloot, een besloten overeenkomst tussen twee ikken die zich voornemen om elkaar niet langer voor de voeten teblijven lopen. Misschien werd het voor mij ook wel eens tijd om het ‘niet slecht’ te gaan doen. Om een beetje minder dochter te zijn, en hoewel het voor moeder duidelijk een beetje vroeg was, dan toch op z’n minst een beetje meer vrouw. Klein beginnen zou geen schande zijn. Misschien kon ik dit weekend vast beginnen met de vaat, de was, de strijk, het verdrijven van het stof. En misschien, heel misschien, kon er dan op maandag wel een nieuw kaartje aan de deurbel af. Zo eentje met een dubbele naam, wie weet. Maar dat zijn puur veronderstellingen natuurlijk.

Hanna Lucia
0 0

Schizofrenie

Ken je t gevoel dat je als kind van een iets te steile heuvel holt zodat je je benen bijna van onder je lijf rent? Dat je daarbij ofwel in je broek piste van t lachen ofwel je voet zwaar verstuikte? Wel, dit is de perfecte metafoor van hoe mijn gedachten werken: kans tot lachen, risico op tranen, maar wel zo intens en zo on-vergetelijk mogelijk. Alsof mn gedachten me telkens een stap voor zijn, loop ik in mn eigen schaduw… in constante achtervolging - … waanzin gewoon!     Laat ik starten op t ‘Zuid: aan die arty farty horizontale fontein. De buurt van musea, schone vrouwen en andere kunsten. Ik zie enkelingen die nog steeds verstoppertje spelen met de economische crisis en maar niet worden gevonden. Snel genoeg in hun Porsche om hen weg van de tsunami van de algemene malaise te voeren. Hun GPS ingesteld op de veilige buurten van t stad. Nee, hun satelliet reikt niet tot 2060! Ze zijn de lottowinnaars van hetzelfde systeem dat een crisisje hier en een vervuild planeetje daar veroorzaakt. Maar met een dikke nek is het blijkbaar moeilijker achterom kijken.   -----------   Vooruitkijken is mijn motto. T’zuid is namelijk ook de plaats van antiek, mode, fusion-cooking, fotografie, cultuurhuizen en andere verworvenheden. Ik beken dat een deel van me zich hier toch thuis voelt. Hemel en hel zijn buurlanden…   ------------------------   Ik wandel verder richting oud-justitiepaleis. Liberté, égalité, fraternité. Ken je ze nog? De verlichting boven het gebouw hapert. De verlichting in de wéreld staat op knipperen. Mensenrechten -aan. Darfour -uit. Indignados -aan, Goldman Sachs- uit, Occupy Wall Street - aan, Geert Wilders en Sharia4belgium uit. We hebben nieuwe lampen nodig -liefst op zonne-energie- om ons van dwaallichten tot vuurtorens te maken. Als een kat 9 levens mag hebben, waarom de mensheid dan geen 2 renaissances? In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zijn geen kleine lettertjes te lezen; geen clausules te bespeuren, geen procedurefouten mogelijk. Op rechtvaardigheid valt niet af te dingen, meneer, want het is onze enige houvast; de enige rode draad in het bestaan - rood van liefde, rood van bloed, steeds rood van beide. We staan met zn allen in een overvolle lift te wachten op … verdieping. De lijn ts. goed en kwaad is flinterdun geworden; dus moeilijk met het blote oog te zien - mss sta ik er wel pal bovenop … met mijn maatje 50.    ------------------   Mijn voeten brengen me naar de andere kant van de behoeftepiramide van Maslow: ’t Noord. In de Handelsstraat zie ik een man op een bankje. In een chaotische wereld van beurstransacties, twitters, face en andere books klampt hij zich vast aan zijn eigen boekje: de koran (het had evengoed een bijbel of thora kunnen zijn). Een mens die slechts één boek in het leven leest en blijft lezen -hoe heilig dan ook, beperkt zichzelf- het is als met een telescoop naar een bladje papier staren … - en zoals de sterren die we nu zien al eeuwenlang zijn uitgedoofd - zo hebben de Adams, Evas en andere dogma’s al generaties lang hun houdbaarheidsdatum overschreden. MAAR: het is wél dezelfde koran die deze man aanspoort om aalmoezen te geven aan de minderbedeelden (de Sakat). Het is datzelfde boek dat respect oproept voor de ouderen. Ik zeg altijd: ‘Wie het kleine niet eert, krijgt het kwade niet verteert.‘     Er zijn 2 soorten verdraagzaamheid. Bij de eerste komt er iemand expres op je tenen staan en jij ziet het door de vingers. AAAAAA! Tis ok, zenne, blijf nog maar efkes staan, ik kan het wel aan, ik ‘verdraag‘ het wel! Moet je bv. verdraagzaam zijn tegen iemand die onverdraagzaam is tegen een homoseksuele vriend? Moet ik mijn rode draad van mensenrechten telkens doorknippen omdat ik op ‘t zelfde moment zoveel mogelijk begrip en verzachtende omstandigheden moet inroepen? Cultuurrelativisme of niet: een burqa blijft een burqa, kindermisbruik blijft kindermisbruik -ook, en vooral- in een biechtstoel.   Bij de tweede -betere- vorm van verdraagzaamheid gebruik je je oren én je empatische vermogens. Als je lange tenen hebt, is de kans groter dat er iemand op trapt, maar als je allebei een stap in de goede richting zet, daalt het risico dat je iemand tegen de schenen trapt. Ooit schreef ik: Empathie is een totaal onderschatte schat waarvan de landkaart ver zoek is er is geen enkele waan zinnig behalve die vrede vol waant, geweld loos en elk leger leeg.   In het Midden-Oosten heeft men het spreekwoord: ‘een vijand is iemand wiens verhaal men nog niet heeft gehoord.’ In het Wilde Westen zong ene Nina Simone: ‘You don’t have to live next to me, just give me my equality.’ Samen weten we meer. Deze vuist op deze vuist en zo gaan we naar boven. Ben ik schizofreen?     Het is immers mijn zelfde huid die kippenvel krijgt bij klassieke Arabische muziek, als bij de Def Jam Poetry van Mos Def en co. Het is mijn zelfde bloed dat kookt bij de oorlogsdrift van Amerika als bij de uitvoering van de Sharia door de Taliban. Het zijn dezelfde grijze haren die ik krijg van de Grand Canyon tussen kansarm en belachelijk rijk, als bij elke vorm van onverschilligheid, religieus fanatisme en ander sluikstort van de geest.    -----------------   Potentieel zie ik iedereen graag. En hoewel het moeilijk is om met deze liefde zowel op t Zuid als op Noord geen blauwtje op te lopen,…hoewel ik af en toe zoals hier en nu wat gal moet spuwen, is mijn eindbalans positief. Want ik zie gewoon zovele vuurtorens: Ik zie mijn anderstalige studenten die samen geld inzamelen voor het goede doel en van elkaars nationale gerechten proeven. Ik zie de vreedzame sfeer als je in Borgerhout naar de Perry’s fruit gaat -waar chassidim en moslims symbolisch met elke gekochte banaan en elke verkochte ananas de muur afbreken.  Ik zie de geweldige initiatieven van een stad met zomerfabrieken en reuzeolifanten en kleine duikers die het volk buitenlokt en noord en zuid verenigt. Ik zie deze Open Mic want tegen de stroom in kan je de mensen makkelijker in de ogen kijken.   --------------------   Ken je t gevoel dat je als kind van een iets te steile, groene heuvel holt zodat je je benen bijna van onder je lijf rent? Dat je daarbij ofwel in je broek pist van t lachen, ofwel je voet zwaar verstuikt? Vandaag is het niet anders: alsof ik de Niagarawaterval door een trechter probeer te persen.        Analiseren is kanaliseren plus fantaseren is transformeren   -----------------------   Uiteindelijk wandel ik richting centrum van de stad. In ‘t stadspark kom ik mezelf tegen: … nee, niet symbolisch gesproken: nee, echt 2 Joachimmen die samen in het gras gaan liggen, zij aan zij, in het midden van de stad. In het midden van alles -……… net als de waarheid      

Joachim Stoop
0 0
Tip

Grondvesten

In een straatje zonder eind wonen we in het laatste huis. Wij…dat zijn ik en jij, en jouw ik en mijn ik, en haar zijn en zijn zijn en jullie en zij zijn hier ook thuis. Het huis is van iedereen. Het huis is dus ook van A.    Ons huis is een immens kluwen van penthouses, gesloten asielcentra, kraakpanden, stallingen met bakfietsen, gebedsruimtes, koosjere keukens, Jaintempels, diamantwinkels, achterkamertjes, casino’s, banken, scholen, groene serres, jazzy zolderkamers, bordelen, cellen, supermarkten, yogaklasjes, kindercrèches, chichabars, nachtwinkels, koffieshops, dakterrassen, loften, parlementen en circustenten.  Een allegaartje aan stokpaardjes, divergerende genen en op de spits gedreven gedrevenheden houden stevig huis in dit moeilijk Westers huishouden.   Een enorm trappencomplex tracht deze ettelijke kamers te verbinden, vooroordelen te ontbinden, baan te ruimen voor baanbrekende openheid en een doortastende blindheid. Maar zelfs in het stapvoets verkeer raast men mekaar voorbij in oorverdovende dovemansgesprekken, gebeden naar een voor mij onbekende god, muziek in oortjes als atomaire deeltjes, en het vingergetik op de nieuwste speeltjes. We zijn als een dakloze die speelt met een bos gevonden sleutels.   Op de gang -onze publieke ruimte- botsen we af en toe onder de maretak van wat overkoepelend zou moeten zijn, maar vergeten ogen en blikken te vangen, gemoederen te sussen -laat staan wangen te kussen.   Onze enorme woonkamer telt niet genoeg hoeken om verstoppertje te spelen, rust te verslinden, langzaam af te tellen om elkaar binnenkamers te gaan vinden. Afgeworpen oogkleppen slingeren rond, maar worden te vaak weer opgepikt alsof we bij een gedwongen huwelijk in een omgekeerd Stockholm-syndroom worden verstrikt.   “Ik pik dit niet“, zeg ik. “Ik pik dit niet,” zeg jij. En als kippen zonder kop lopen we de muren op en dansen we uit de maat met totaal verschillende muziek op onze iPod.   Op elke potje past een deksel -maar niet in onze keuken. Tupperware ligt verspreid in de overvolle kast en geen mens weet nog combinaties te maken tussen zwart en wit, jong en oud, fake en goud. Naast de keuken is het berghok- tot op de nok gevuld met wat vooruitgang voorgoed heeft achtergelaten:de volledige Winkler Prins, floppydisks, in het pre-internettijdperk door blozende jongens in krantenwinkels met eigen zakgeld betaalde playboys, Atari’s en Sega‘s, walkmans en cassettebandjes met pennen erin om de draad weer terug te draaien, draden rond afgedankte huistelefoons, evangelies, mayakalenders, polaroids en sleutels van berghokken tot op de nok gevuld. Tja, zelfs vergetelheid wordt al te vaak vergeten…   Terwijl betweterigheid en onbegrip zich als houtwormen tot in onze bovenkamers wurmen, stroomt er drijfzand onder verzuilde fundamenten en staat ons huis op een hellend vlak. Wie roept dat sommigen dan maar moeten verhuizen, kan zelf maar beter weggaan van onder ons gezamenlijk dak.   Nee, we moeten de diversiteit aan kamers niet slopen, maar net bouwen aan méér trappen én gangen én deurmatten om bij elkaar naar binnen te lopen. Meer leuningen,meer houvast om samen afgronden weg te hopen, meer rode draden om elkaars eindjes aan elkaar te knopen.   We moeten het belang van vóórkomen voorkòmen, vooroordelen veroordelen en van de neoliberale profiteurs profiteren.   We moeten de tuin in, afstand bewaren om erna met klare blik de klus te klaren. We moeten de tuin in om het verstarde geloof in ‘mijn God is goddelijker dan de jouwe’ te verbannen. We moeten de tuin in om ons vurig geloof in consumptie op het Olympische vuur van meer en beter en sneller en nog beter te verbranden. We moeten de tuin in, want in niemandsland is iederéén vreemdeling. We moeten de tuin in … om te ontdekken hoe mooi ons huis er vanbinnen zou kúnnen uitzien.   En pas dan … dán kunnen we terug doorheen dezelfde deur naar een thuis waarin we elkaars anders-zijn ontzien        

Joachim Stoop
0 0