Lezen

weemoed

weemoed   Je bent net weggegaan, vertrokken uit mijn leven. Toch wil ik me nog even koesteren in de waan dat jij nog terug zult komen. Ja, ‘k wil nog even dromen dat niets is stukgegaan,                               dat jij me 'n hand zal geven        en vraagt met mij te leven                                                        in een nieuw bestaan.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           Ik voel me aangedaan   om wat ik heb verloren: eens was ik uitverkoren                                                                             en droeg ik trots jouw naam. Maar dat ligt in ’t verleden wat nu telt is het heden: we hebben niets meer saam, al zijn er nog wel sporen: kinderen die zijn geboren de enige band voortaan.                   Je bent net weggegaan, en ‘k moet er niet om treuren: het moest eenmaal gebeuren, het was allang gedaan met alles wat w' ooit voelden: de liefde die bekoelde tot niets, zo langzaamaan.                                                                         Ons huwelijk moest wel scheuren,                        En nogmaals: ‘k moet niet zeuren                          om wat heeft afgedaan.                                                                                            ‘k Ben nu alleen, ’t doet pijn. En ik weet voor ons beiden dat wij nu samen lijden, maar ’t heeft zo moeten zijn. We moeten uit die jaren het goede maar bewaren: het was toch ook vaak fijn. We zijn toch te benijden dat wij, ondanks ons scheiden, nog altijd vrienden zijn!  

bomien
0 0

we are based on deception kaat arnaert en rosalie vw 11-11-2011

bienvenue, wilkommen welkom welcome   I start first in english because you know they won the war, and as you see this exposition is about world war I   (nu komt dus een stukje Prince mijne all time favoriete) my name is katinka arnardo. i am an art critic Rosalie asked me to be here. and talk to you, and reflect with you about here work. so, Dearly beloved I think We are gathered here today to get through this thing called life   Electric word life It means forever and that's a mighty long time But I'm here to tell you There's something else The afterworld lady’s and gentleman, there is A world of never ending happiness You can always see the sun, day or night   So when call up your doctor in Brussels Instead of asking him how much of your time is left Ask him how much of your mind, baby.   Cause in this life Things are much harder than in the afterworld In this life You're on your own and I am not gonna talk anymore in english   ik ben Katinka Arnardo, kunstkritikus van het weekblad kut kult kunst in english kiss cult art   u ziet aan mijn haar dat ik mijn werk zeer serieus neem. ik pas mij namelijk aan aan het werk van de kunstenaar en ik heb hier geluk want ik mocht hier mijn lievelings kleur gebruiken. ( Kaat met elektriekblauwe pruik) toen ik twee weken geleden een lezing hield over Luc Tuymans dan had ik een bijvoorbeeld grijze pruik. Ik vond het belangrijk om helemaal mee in zijn werk te vervagen. ik vind het belangrijk dat je merkt dat ik de kunstenaar helemaal snap het gaat hier zeer duidelijk om het gebruik van kleur: voor mij is kleur primordiaal in kunst. kleur is “sesam open u”, kleur is vibratie, kleur glinstert. kleuren geven me informatie over mijzelf en anderen. ik wordt daar echt lyrisch over: wanneer ik me in een blauwe kamer bevind, mijn lievelingskleur, en een soort lichamelijke gewaarwording voel, weet ik dat er voor mij in die kleur informatie verborgen ligt. Het is alsof blauw met mij in contact probeert te komen, mijne plexus solaris trekt dan samen en iedereen ziet aan mij dat ik in contact ben met de ruimte, met de schilderijen, ik zweef en voel wat de kunstenaar heeft bedoeld. ik doorleef dat, ziet ge ik wordt dan kunst, één met enfin, een installatie of ne gekapte steen, het doet er niet toe, maar hier dus op deze tentoonstelling, kan ik me vereenzelvigen met dat kanaal, want ja het is een lied, een taal, een geheugen van iets van een verleden in kleur gezet, ik wordt daar zo gelukkig van maar bon radeloze Rosalie heeft een hele expositie bij elkaar geverfd een hele zaal met rood en groen en recht en rond en gevoelig gekweld bezeten. En daar wij van het leven van Rosalie weten dat het een kosmische strijd om de kleur en de vorm en de toets en de verfhuid de blabla de bloblo de blauwblauw is, dat ieder stilleven een snauw van wanhoop, ieder portret een sterfhuis van smart is, een kreet en een aanklacht, zijn wij voordat er museale aandacht komt, voor de kunstenaar zijn vragen, en voor de pers hier lucht van krijgt komen kijken, of zij nu nog leeft en haar beide oren heeft, en ja hoor Rosalie wilt zoals elke kunstenaar het betaamt als klassiek opgenomen worden in de heldengeschiedenis van kunst en cultuur maar rozalie Waarom, waarom die wapenstilstand. Het is nochthans nooit wapenstilstand in je hoofd. eh rozalie Daarop beste gepriviligeerde uitgenodigden heb ik Katinka Arnardo hoofdredacteur en kunstcriticus van het befaamde blad Kut Kult Kunst een antwoord.   de wereld is een verhaaltje, en wie dat het beste kan vertellen mag de verteller zijn.. en voor alle duidelijkheid.. dat ben ik.. de wereld is een vliegmachine en een vliegmachine dat heeft een piloot... de wereld is een hond en een hond heeft vlooien, de wereld is een cadeau, en cadeaus dat koestert ge hoe lelijk dat het ook is. wereld is pikant schijt... niet naast kijken en zonder grip, de wereld  is een wemelend zoemend bijke en een bij prikt u àls ge uw plek niet kent mensen die altijd weglopen van bijen... zit gewoon stil.. laat em gerust.. de wereld is druipende honing.. en honing plakt en maakt u dik als het niet juist gebruikt de wereld is een herfsteblaadje en als ik dat zie vliegen dan wordt ik gelukkig de wereld is dartel, gul en vrijgevig. de wereld is goud en golden is silence but my heart can't stop beating this loud loud rythm of glitter and love glitter and love, love and love, pounding in my body, pumping in my brain gold gold gold, it is driving us insane en gij meneer, gij ziet er  een beetje geel uit dat is een kleur waar ge niet op of onder kunt, zijt gij nu gelijk stuifmeel of zand? of is het u lever of uw gal. dat is ok,meneer,  sommige mensen vinden geel schoon.. vraag bijvoorbeeld aan een schildpad wat schoonheid is en hij zal zeggen dat dat zijn wijfje is.. haar twee uitpuilende ogen die bijna uit haar kop springen vraag het aan een boer en hij zal misschien twijfelen tussen de kont van zijn koe of die van zijn vrouw.. vraag het aan mij en ik zeg zeg blauw, blauw zo flauw dat ge het bijna groen zou noemen,  het blauw van een koekoek dat den nacht streelt het is een blauw dat afscheid neemt omdat het lichter wordt het is blauw dat gelijk rood is.. daar graaft ik in innig wilt zijn, dat riekt naar welkomen, het  doet mij doet zoeken naar de tetten die ik nooit heb gehad, snap ge? het rood van een man die met zijne schuurpapieren baard lichaam belijdt... of ik die in mijne rode soutien op ‘t zijne rijd. puntje puntje ijt ijt ijt.. mijn vader zou zeggen: rood dat plak aan mijn kakpapier als ik te veel en te te vol, te graag en met spijt … rood gelijk een ruwe kaak van’t gefrot van de winter die bijt, niet het rood van boerebollekeszakdoeken rood, van schaamte, terechte schaamte voor’t paniek van’t vreemde... bang van de dood met het bloed.. en ge wordt blauw,  en blauw dat is het onmetelijk kille gevoel dat ge er bij krijgt... als ‘t er een soldaat op u rijdt zonder spijt... buktje wuvetje kgo je nar us duwn! hahahaa dat wil’t zeggen buigt uw vrouwken, kga u naar huis duwen .. jamma... ik bent efkes kwijt... ‘t ging over de lucht... ‘tging over de lucht.. tging over de wereld.   de wereld hypnotiseert  zoals kolen gloeien, en ze houdt u warm aan de stoof. Rosalie en ik zitten graag aan het vuur, maar niet aan de haard.   wij zijn soldaten en ge heb het nog niet in de gaten de uren gaan lang duren uw deurklinkers gaan verzuren buren zullen u haten muren tegen u praten principes, en kaders en wapens en iets op ijven zullen altijd onmacht blijven het is tijd. tijd voor rare dingen, tijd om het niet te willen vatten om te stoppen want wat als de electriciteit uitvalt. hooba hooba hooba shakkaa .. hooba hooba ok,  stel u voor we zitten in een kunstgallerij en het is zeer warm en de zaalwachter snurkt zachtjes. En ik werp een blik langs de muren en ik zie handen en ogen en hier en daar verdwijnt een gezicht onder een vlek licht. Als ik mij naar een portret van Rosalie keer dan houdt iets me terug. Van het doek werpt een soldaat een heldere blik naar mij, hij staat rechtop, heeft het hoofd licht achterover geheld, in zijner handen, tegen zijn kopergroene pantalon houdt hij zijn fallische telescoop gericht en ik kan mij niet aan een zekere bewondering onttrekken niets dat aanleiding geeft tot kritiek. Grote voeten, smalle handen, brede worstelaarsschouders, een glimmende Hercule Poirotsnor en een helm en een zweem van fantasie. Een bescheiden elegantie Hij biedt jullie op hoffelijke wijze de gladheid van zijn rimpelloze geweer en gelaat, de schaduw van zijn glimlach zweeft zelf over zijn lippen. Maar zijn zwarte ogen glimlachen niet. Hij ziet er vijftig jaar oud uit maar dat is door al die miserie, hij is nog zo jong en fris vijventwintig of dertig. Hij is schoon, ik zie er van af naar tekortkomingen in hem te zoeken maar hij laat mij niet los. Ik lees in zijn ogen een rustig en onverbiddelijk oordeel en ik begrijp alles wat ons scheid. Het raakt hem niet hoe ik over hem denk, Zijn oordeel gaat als een zwaard door mij heen. En het trekt mijn recht tot bestaan in twijfel. En het is waar, ik heb er mij altijd rekenschap van gegeven dat ik niet het recht bezit om te bestaan. Ik ben bij toeval verscheen, ik besta als een steen, als een plant, een microbe, mijn leven zet zich lukraak voort in alle opzichten, het geeft me soms vage tekens en andere keren voel ik niks anders dan een gemurmel zonder gevolg. Maar voor die soldaat thans dood, is het anders geweest. De slagen van zijn hart en de gedempte geluiden van zijn organen waren voor hem kleine zuivere en plotseling optredende rechten, gedurende de oorlog had hij zonder in gebreke te blijven gebruik gemaakt van zijn rechten om te leven, om te blijven bestaan. Wat een prachtige zwarte ogen, er gaat niet de minste twijfel door. Hij had steeds zijn plicht gedaan, zijn gehele plicht als zoon, als echtgenoot, als vader, als hoofd van zijn bedrijf. Hij had ook zonder zwakheid zijn rechten opgeeist: als kind het recht om goed opgevoed te worden in een eensgezinde familie, het recht op de erfenis van de vlekkeloze naam, als echtgenoot het recht om goed verzorgd te worden, het recht om omringd te worden door tedere genegenheid, als vader het recht om vereerd te worden en als officier het recht om zonder gemopper gehoorzaam te  worden. Want recht is nooit anders dan de andere kant van een plicht. plicht, plicht,  plicht is vullend en met een hele lange nasmaak. hmm.. misschien gelijk gal, ‘tlaatste stukse, tlaatste... en ‘ t begin van ‘als ge niks meer te kotsen hebt’ en groen jaaaaa die fosforbommen jong........ zeer bevreemdend allemaal.. ik heb vanalles gelezen en ge zocht naar vanalles om het te begrijpen. maar vanalles dat zwijnestront en zwijnestront dat stinkt. en geuren das voor een andere keer. rosalie houd van bevreemding.. de bevreemding zit in haar kleuren... het roos en het is oranje en het  is groen en het is oneetbaar, gelijk electriek, ‘t is lawaai en het blijft tuten gelijk een bom ietske verder van uw bed, het is een even universeel geluid als een geluid van een dampkap. het flitst door ons kop maar het zit niet in ons lijf... of niet meer... groen is wat de mensen van dromen maar meestal missen. groen is natuur, en natuur is waar goed en kwaad geen naam meer hebben en  waar de mens verdwijnt. voor natuur is een mens zijn kop daar te klein voor.. een mens probeert giftig maar ons gif dat zit alleen maar in’t kopke en we blazen dat uit gelijk koue lucht en de aardbol die die vangt het op en de wilde woeste blaast het weg en de marie louise gaat op en neer. De Marie-Louise danst op en neer Ze gaat dwars door de woeste orkaan En de huilende wind gaat weer wild tekeer Maar de Marie-Louise zal nooit vergaan Lalala.... Maar de Marie-Louise zal nooit vergaan   als je in het midden van een verhaal zit is het eigenlijk helemaal geen verhaal. maar alleen maar een verwarring, een donker gebrul, een blindheid,een puinhoop van gebroken glas en houten splinters. een huis in een wervel wind of een gezonken marie louise door een ijsberg waar iedereen op dat schip roept en schreeuwt.. stop het stop het. het is alleen achteraf dat het zoiets als een verhaal wordt. wanneer ge het vertelt tegen u zelf of tegen iemand anders   ik heb een bruin vermoeden dat we allemaal het leven proberen te pakken door elkaar te pakken, we are all soldiers serving time op een planeet een bruin vermoeden, dames en heren, dat is een  kleur die lijkt op grijs. het is een kleur die triestig is. het zegt me dat er  dan misschien niks zal worden van de menselijkheid en van de liefdadigheid en van de bescheidenheid en van de matigheid, en van de wijsheid en in het zwartst als een half pond lood van op zestighonderd passen afstand wordt afgevuurd, en ik heb van horen zeggen dat als er een half pond lood het lichaam uiteenrijt en sterft in een onbeschrijfelijk lijden.. en als ogen worden uitgebrand en  als het ‘t laatste geluid de oergeluiden zijn van vrouwen en kinderen die onder het puin liggen... dan zijn de kleuren zijn weg! en dat allemaal om  de gril van een paar mensen   en dat is’t.   de vuile handen en het schoon geweten staakt makkers staakt het vuren helpt kinderen helpt buren voedt moeders voedt de monden heelt vrienden heelt de wonden sloopt mensen sloopt de muren staakt makkers staakt het vuren   we zitten in elkaars plek? nemen een ander zijn stek? en wat blijft er over? van een mens gemaakt op een plek die ontploft?   tis kapott kop op een schammel krukske een kleine parasiet.. een klein brokstukske met een stukske brok in de keel in het gat in het bloedvat in het hart in het haar onder denagels tussen de tanden in het snot uit z’n strot want der was weer een aan't sterven der is gemot op een muil stuk tand der is geschoten een put tis geen toneel tis slecht toneel tis een slecht stuk stuk in uw kloten tzie geel die blauwe plek 't etterd   kleur kleur kleur   Rothko schilderde eerst kleur en stillekes vervaagden zijn kleuren tot grijs, tot zwart, tot hij zelfmoord pleegde op 67jarige leeftijd. Zijn kleuren waren weg en dan ging hij. Niks is zo definitief als de dood, dat is niet erg. dat is onze enige zekerheid.   het is goud waard en goud is stilte en stilte dat geeft toegang en toegang laat u binnen   en binnen laat u buiten en buiten kunt ge uw neus snuiten goed lieve mensen dear beloved   Rosalie wilt leven en iconen en kleuren terug, ze ontdekte haar imaginair kleurenpalet en ze wapende zich met fantasie, met fictie, met een penseel, met een dansje, met muziek, dat kan ook de midlifecrisis zijn maar omdat ik haar werk begrijp en hier liever sta met een blauwe pruik in plaats van een grijze, moedig ik jullie aan: dans met ons mee! en als ge twijfelt dat ge niet durft dansen bijvoorbeeld: twijfel is goed, twijfel kan angst zijn maar angst ook hoop. En hoop dat is nen berg waar ge over moet klimmen en achter u laten.. en van klimmen krijgt ge dorst, zullen we ene drinken en klinken op het leven? en het succes. eigenlijk is hetgeen hier verteld wordt op de vernissage even interessant als de portretten. Dat is pas kus kult en kunst, dus laat u gaan, ik schrijf wel een zeer beklijvend stuk aan één stuk, stuk, kut, kus kult kunst, kukulekuuu! Time to wake up and smell the vodka Santé op wapenstilstand Skoll Nasdrovie campai cheers EINDE X

lucia Rozenkin
17 0

half bewust hermetisch dit was voor Ilse

  Het was avond, hij leek indigo, of kobalt, of koningsblauw, zo was de hemel. Bomen tekenden zich af, inktzwarte contouren, schaduwspel tegen licht van miljarden sterren. Een maan was er niet. De vrouw zei: Als origami heb ik mij gevouwen tot een basilisk. Een slang geboren uit zaad van zijn verlangen. Hoe duister kon het in onze zielen zijn als het op dat brandpunt lag van lust. Kunt ge die eeuwige lussen als het nummer acht voelen, uitwisseling, sluiers vol kosmos, vol vuurwerk, kometen, de sterren. Ik weef patronen tussen mijn gedachten, ik klos ze als kant. Een web, een spin. Alles wemelt. Dwarrelende asse van ons vuur, kleine haardschilfers, licht dat verpulvert bij aanraking. Ik gooi er mijn dossieren in, mijn wetten, mijn boeken, papieren, alles in ban van brand, van dat hypnotisch vuur, lust. Zo is alles wat schoon is. Het is schoon op dat moment maar je kan het niet bewaren. Enkel wat ge erbij gevoeld hebt is eeuwig, vergeet dat niet. Uw hart bewaart het. Belemmer ik uw zicht? Uw verdriet? Uw geweld? Ik draag oogkleppen, ik kijk te graag naar het schone. Wie oogkleppen draagt moet een geseling kunnen verdragen. Maar als ge dan niets anders dan een pad zijt waar karrewielen beken hebben uitgegraven. Alleen en door en vooruit, de modder in, het gezicht gegroefd en getekend als dat pad, wel dan mist ge het geheel. Misschien waart ge dan wel ambitieus en hebt ge hard gewerkt, ‘t is een andere kijk maar ik mis dan mijn geheel. Gij zijt mijn geheel. Mijn heel.   De engel des doods zat op de buik van haar man en vroeg: -het is tijd, wilt ge gaan? Uw lichaam zal blank worden als arabische lelies, koud als albast, glad als ivoor. Uw vrouw zal u beminnen als een totem in een grot, vol stalagtieten. Al het werkelijke, de trossen zwarte druiven, de nacht zonder maan, niets zal zo zwart zijn als uw hart en het hare. Ge kunt gaan. Zij zal de mantilla dragen, het verdriet zal haar bewustzijn wezen en liefde, zei de engel. -De liefde siddert niet voor mij. Liefde is purper als een koningsbeeld, het is ossebloed, het is het rode sap van frambozen dat uit haar mond druipt. Voelt ge nu angst, nu ik hier op je zit? -Ik heb geen angst om te gaan antwoordde de man. Ik heb vooral angst van achter te laten. -Kniel dan bij de oever en schreeuw haar naam, buig dan voor haar en kus haar voeten opdat ze je vergeven kan -Ik denk er niet aan zei de man. Het enige wat men mij kan verwijten is dat ik heb geleefd. -En hoe, zei de engel, mensen oordelen maar kijk naar de zon, de zon geeft leven maar is dood begrijp je dat? Woorden zijn naalden in een park vol dennen, kleef ze niet op je huid, loop er niet met blote voeten door. -Wat hoor ik? zei de man, de reusachtige vleugels ruisden -de wind is daar, zei de engel, de warme wind, brengt tranen mee,stortvlagen tot het deken van wolken open geknipt wordt om bogen te vormen vol indigo tot smaragd, dat is die dode zon. Alles moet sterven hier in dit bewustzijn anders bestaat er niets. Je beenderen worden pioenen, viooltjes, kalebassen. Het loslaten, het verpulveren, het oplossen is vruchtbaar worden. Ik hoor hoe vasthoudend je bent. Ik zie stappen naar verlossing maar je laat je gaan. Laat de sterren nu maar op je vallen als onrijpe vijgen, koningen zullen sidderen, rozen worden vuur, dan pas zal je ademhalen. Het vuur heeft je zuurstof nodig. -Ik wil voor je sterven zei de man, hoor je dat? Vertelde je dat aan mijn vrouw? Ze verhinderde mij steeds van hier te komen, ik was al dagen bereid van los te komen, maar loskomen betekent verliezen. Ik zag het zo: er liepen witte pauwen door een tuin van mirte en thijm wij waren onschuldig en zuiver en liepen door de kruiden je vertelt over liefde, je bezingt het in alle talen je vertelt over schoonheid, over witte pauwenveren die je lichaam tooien even en mensen komen rondom je wonen klagen om het geluid van het paradijs gij denkt: Adam en Eva zijn eruit verbannen, verstoten omdat ze elkaar liefhadden de slang het dierlijke, de lust die begeerte vertaalde. Het was niet anders dan het eeuwige lied van samensmelten iedereen kent die partituur. verstoten door anderen die de schoonheid van de lust niet konden verdragen de witte pauwen werden in kooien gestopt de grond werd verkaveld voor legbatterijen en slachterijen “Paradise Lost” wat bleef over van geluid het zwaard van de beul de doffe val van de guillotine een nooit dovende tuut na de zoveelste ontploffing wat honden overlaten van kadavers de wereld de wereld is wreed   de vrouw vertelt: je was een tuin vol witte duiven, arabische lelies je was een paradijs dat ik zo beminde je stem als een wierookvat ik hoorde het gefluister van geheimen tussen opfladderende vlinders in de spiegel van je oogwit Waarom heb je niet naar mij gekeken? de man zei: je legde een blinddoek over de ogen van de engel des doods had ik naar jou gekeken dan was ik versteend dan was ik niet heengegaan maar wat moest ik doen vloedgolven, weiden vol opwinding konden mijn honger naar gaan niet stillen het is wat het is en het ging verloren “Paradise lost” ik ben gegaan om terug te keren naar het mysterie van de liefde de liefde is groter dan het mysterie van de dood pas als iemand sterft kan je de liefde bevatten ik ben geen goddelijk monster dat de sterren verbergt de maan dooft, de zon blust alles is eeuwig het is maar hoe je het voelt enkel wat materie is vergaat een oud koekje verpulvert, lost op, de smaak is weg denk ik -mmm nee: zei de man -nee, het smaakt misschien naar liefde (de vrouw) -ze zeggen dat liefde bitter smaakt (de engel) -En wat dan nog? (de man) Ik heb je ooit gekust en altijd zal ik trachten naar wat geweest is dat is alles  de engel nam zijn ziel mee   waarom mag ik niet mee? vroeg de vrouw   de engel zei: het is te vroeg en kijk het wordt licht.  

lucia Rozenkin
0 1

dement ja het is bijna kerst toen dacht ik aan mezelf

Dement, zo mooi zo jong en zo dement allez zeg niet dat ge ‘t niet kent Waar zijn mijn sleutels waar is mijn jas en dju waar heb ik mijn sjakosse gezet onder tafel onder’t bed en mijne gsm oh gij hebt hem kunt ge mij dat niet zeggen aah god mijnen ipod ipad een gat in mijn kous in mijn schoen in mijn geheugen in mijn broek in den emmer in de put input output putpuutpuuuut tararaa ze zou nog eens haren kop vergeten zeggen ze hare kop mijn lijf als ik over u wrijf als ik ons heen en weer frot dan word ik zot of just nie ge ziet dan bollekes kegelkes in roos, geel, paars karambol en pats dat was dus een orgasme of een fantasme nee want dan denkt ge weer geweer schiet als gij schiet dan zijn mijn gedachten eindelijk dood ge wist ze met een wit vlekske njam njam bèèèè wat hebt ge geten? artisjok sjok sjok ruk nog eens fuck nog eens gooi uw kat buiten en wandel ma waar zijn mijn sleutels waar heb ik mijn sjakosse gezet retteket ik stop neem mijn raket voilà de wereld ging vandaag vergaan ik ben naar buiten gegaan kortsten dag van t jaar waar is mijnen apocalyps waar is mijn doem waar is mijnen engel waar is mijn roem vroem vroem ‘k heb de sleutels gevonden ze zaten in de sjakosse op ne stoel onder’tafel mijnen ipad ipod vol compote ‘t is een complot ‘t waarde gij gij gij gij zot mot oei allez dan weer gefrot en sorry en nog eens sorry ik ben dement jong schoon elastisch en dement met dat ben ik content ge kunt zeggen neurotisch dyspractisch manisch sossis ik wil nie weten wat het is als ‘k mij maar niet moet verantwoorden verexuzereren sexuzeer twas spermalheur ik wou wel tourette op mijn tette gloriaaa heiilig wij houden van sneeuw en van kalkoen  

lucia Rozenkin
0 0

liefdestrachten

Ik volg het kuiltje in haar wang tot het kuiltje in haar t-shirt, dan duik ik eronder en probeer te denken aan het zilverpapiertje van een reep chocola. Mag ik je uitpakken en proeven? We zitten op een terras onder de platanen, vlekjes op hun bast, vlekjes zon op de jouwe en vlekjes opgewondenheid in mijn hals. Op wie wacht je? Je bestelt espresso, dus ik ook. Het is zwoel vandaag, een dag waar de straten zinderen als een warme adem, een dag waarop je je huid niet voelt, de lucht smelt samen met je lijf. Ik droomde van een verkoelend meer waar we naakt als zeemeerminnen onder elkaar zouden zwemmen en luchtbellen tegen onze lenden blazen. De rekening. Wat nu. Het is nog net geen middag. Ze wandelt vastberaden de straat op. Ik reken snel af en volg haar. Een boekenwinkel. Ze stopt. Ze leest, ze legt haar voorhoofd tegen het raam en leunt haar bekken naar voren. Ze twijfelt. Ze droomt. Bijt op haar lip. Draait met een vinger in haar lang donker haar. Ik wacht tussen twee geparkeerde auto’s en zoek zogezegd sleutels in mijn zak. Ze stapt de boekenwinkel binnen. Ik kijk door het troebele laagje talg van haar voorhoofd naar de boeken. Ijl in mijn hoofd. Weiger te leven naar realiteit, alles is mogelijk, ook zij aan mijn zij.     Alsof de wereld in een versnelde timelaps zit, alles ontluikt, bloeit, rijpt en valt gistend op mijn gedachten, ik wordt niet verliefd op vrouwen maar beeld me graag eens in hoe een man denkt. En dan schrijf ik.   Waarom schrijven. Nu. Omdat ik het voel. De drang. Omdat mijn gevoel tegen de binnenkant van mijn tanden zit en mijn maag dat gewicht wilt naar boven stuwen. Tsunami door mijn cellen. Dat zijt gij. Ik ga u niet benoemen. Ik word makkelijk verliefd. Op wat ooit was. Op wat nooit was. Ik kijk vanuit een lamlendig bureautje in een grauwe kelder naar twee ratelpopulieren; hun bladeren schudden als twee overgeëxiteerde cheerleaders. Ze lijken me meer te willen vertellen dan dat maar ik zit hier en zij wortelen daar. De kleur van de muren rondom mij zijn in het kleur van de stopverf tussen de ramen. Het blik zei: “couleur champagne”, en zelf met een glas champagne in de hand zou het nog blijven deprimeren. Ik ben gekomen om mijn uren uit te zitten. Het oude toetsenbord, een plastieken wandklok en een tweedehands koelkast zoemen en tikken de tijd weg. Gij; gij zit in een proces van beweging, van deadlines en grootse projecten, gij hebt soms even tijd. En dan werpt ge even uw hengel uit en ik ben zo gepakt door die kleine sjnabbel die je me toewerpt. Ik wil opgegeten worden, snap je? Je mag me niet terugwerpen dat is hel.   Ze verhuisde van de “Elle” naar “Het rijk der vrouw”. Van de stad naar het platteland dat is het cliché. Ze had haar wagen volgeladen met goede voornemens. Dat is zo als je naar de veertig gaat en toch nog hebt gekozen voor een paar kinderen als midlife crisismanagement. Je komt vanuit zo’n postmodern stadsnihilisme waar je wanhoop en frustratie verpersoonlijkt ziet in je vrienden die zijn blijven zuipen; de ene het grootste betoog aan de toog houdend, de andere op zoek naar vossen voor één nacht. Het enige verschil met die nachtbrakers: je lijdt aan eenzelfde slapeloosheid maar dan sober met een wenend kind op de arm, vragen stellend over een gerecycleerde wcpapiergrijze toekomst, want veel heb je nooit vooruit gepland daarvoor. Chemie, chemie, chemie; heel haar plantsoen vol hormonen feromonen werd in een tuin geplant op schone rijtjes ontdaan van onkruid en slakken. Wat ik hiermee bedoel is; ze nam een zware pil, nette zaadjes die ze dagelijks in een rijtje slikte en daarnaast,om haar gedachtentrein te laten rusten, woelde ze in perkjes waar ze de vruchten van at wat later op de lente. Dit was wat anders dan wroeten in een kleerkast om als de mooiste bloem de stad te versieren. De competitie in een stad is één van jonge tieners, twintigers en dertigers die strijden om een berucht of beroemd imago. Virtuoze virtualiteit, weet je hoeveel er zich profileren met de prachtigste profielen?   Swat, de werkelijkheid dan maar weer Opgekleed alsof ze dertig was, een vrouw van rond de zeventig   Ik zat daar op den tram met een krimpend hart vol empathie opdat gij vertelde waarom ge zo geworden zijt eigenlijk wou ik het zelf niet te weten en vanaf dat ik mijn drang losliet   begon je te spreken: Kind, zorg dat ge nooit iemand nodig hebt voorzie u eigen van liefde, geluk en trekt u geen klote van de wereld aan doe vooral waar gij goesting in hebt denkt ge dat de wereld naar u omkijkt dat de mens gemaakt is van medeleven en liefde kijk ziet ge daar die gast staan? dat is nog schoon, elastisch, vol blos, vol vos ooit zei er een oude geliefde tegen mij gij waart zo warm als we vreëen uw kaken stonden vol rood gelijk een hete stoof ge waart zo vol gloed in u kon ik thuiskomen ik zie dat niet meer in u ge zijt gelijk perkament geworden dof en geel en taai en ik voelde mij diep gekwetst want ik kleurde mijn wangen met rouge de illusie dat ik mijn jeugd nog kon inhalen en ik zag onze lichamen niet meer oplichten ik zag twee rammelende skeletten waar nog hier en daar wat verschrompeld fruit aanhing en daarmee deden we het met de illusie van de hitte en weet ge hoe ouder dat ge wordt het wordt alleen maar erger die drang ik kijk graag naar jongens met lust ik zit graag op de tram waar ik met trots op het pikuur -ja u hoorde het goed ik zei het uur van de pik- nog tegen een jong lijf kan staan ik heb ooit zo’n oude mannen gezien ik herkende situaties van vroeger als puber en ik weet het is een beetje pervers maar ik heb geen stijve en dat maakt het verschil en zo erg zit ik mijn kut niet aan te schuren aan dat jong geweld sommige houden van die oude gretigheid oud droog hout brandt goed en ik brand toch sneller als een ander ‘k heb mijn leven weggesmeten omdat niemand het toch iets waard vond het beetje leven dat hier nog bijeenstaat profiteert en ik zeg u après nous le déluge feest en geniet als ge die efficiëntie van een machien niet haalt zijt dan zelf een naaimachien al wat ge kunt bij elkaar naaien doe dat want daar hebt ge later nog wat connectie mee omdat het u even terugbrengt naar de gloed de vloed de zonde de stonde meiske ik heb u als een biechtvader gebruikt maar weet dat ik ook net als gij op zoek was naar dat stukske hetzelfde in een ander en dat hebben ze naar de kloten gedaan ik verwijt niemand nog iets misschien wel een stukske mijzelf daarom zie nen helen boterham op de tram maar nu ga ik afstappen de brouckère ik drink hier mijne koffie tot het pikuur komt en dan ge weet wel naar huis met de vochtige muis   Denkt ge nu echt dat ze mij zo aansprak en dat allemaal aan mij oh gieren oh got vertelde?! Zeg, gij gelooft ook teveel in de mens zeker.   Nee ze was beleefd en koud en afstandelijk correct. Ik kroop gewoon in haar gereutel, in haar geremde pezige lijf en voelde tot in haar rimpelige vingertoppen. Ik stopte nadien met roken. Ik zou nooit of te nooit dezelfde weg inslaan. Dacht ik. Ik zit nu weer te doempen als een turk. Stress stress stress. Wordt ik week van dat wat verloren ging? Niet echt. All I want is you dit gaat over mijn verleden the moon and the star    

lucia Rozenkin
0 0

Leonard Cohen's grootste fan

  Leonard Cohen’s sexy basstem vult ons grauwe klaslokaal. Elke noot , zwaar en donker ,doet me beven. Verzwaart en bevrijd mijn ziel …tilt me van mijn harde bank. ONMOGELIJK! ONGEHOORD! We kregen zonet de onuitvoerbare en haast oneerbiedige opdracht dit meesterwerk te vertalen ! Verbaasd staart die muziekschenner naar het blad op mijn bank. Geërgerd trekt hij één wenkbrauw op en leest hardop : ‘Vrije Vlaamse vertaling van Suzanne’. Tweeëntwintig hoofden draaien zich om en staren naar mijn blozende appeltjeswangen. Suzanne’s zwierige rokken ruisen. Het kant van haar zoom haakt zich zo nu en dan vast aan droge rivierplantjes die dorstig hun wortels uitstrekken naar de rivier. Jonge drukdoenerige mussen voeren een luchtdans uit boven het donkere water. Twee ogen glinsterend als kristallen volgen de levende pijl van snaveltjes die eensgezind een luchtpaadje naar de andere oever beschrijven . Zonder enige aarzeling tilt Suzanne haar ruisende rokken tot ver boven haar knieën. Haar sierlijke , warme voetjes worden verrast door het koele zompige rivierzand. Vastgezogen maar vol vertrouwen laat ze zich leiden door de mussen die inmiddels neergestreken zijn op de andere oever. Haar roze vingers grijpen zich vast aan de wieren die als een groene bruidssluier boven haar hoofd hangen. Ze glijdt nu door het diepzwarte water. Haar zijden lippen proeven van het zilte sop. Twee groen bruin gestippelde armen steken boven de donkere poel en vormen een driehoek. Hemelwaarts. Blindelings rijst ze op en wordt door twee sterke armen omhooggetild. Een kruidige geur van mannelijke extase vermengd zich met haar naar exotisch geurende bloesems lichaam. Samen klieven ze door de lucht die zich als een bloemblad opent. Kleverig en versmolten mogen ze nu in de eeuwigheid van de hen met honing bedruipende zon baden. Het geluid van scheurend papier en de één na de ander afgevuurde lachsalvo drukt me en dwingt me genadeloos weer op mijn schoolbank. ‘Een nul op je rapport!’ blaft hij .Verontwaardigd verdedig ik mij tegen tweeëntwintig paar ogen die spottend op me neerkijken. ‘Kan ik het helpen dat jullie liever naar newbeat luisteren’ !?

inez
0 0

Verloren geluiden

‘Als ik stap heb ik het gevoel dat ik niet vooruit ga,’ zei hij zacht. Het klonk een beetje vreemd hem dat te horen zeggen terwijl hij in de zetel zat. Ze sloeg haar ogen op van haar boek en zei: ‘Zo.’ Het ging verloren in de stem van de cassette, maar hij zag de beweging van haar mond en wist wat ze zei. Ze wist niet altijd wanneer hij iets meende en wanneer niet - al wist ze het beter dan de anderen, dat wel. – Welke anderen en hoe wist zij dat nu? – Hij bleef haar aankijken. Ze wist nu dat hij het meende en vroeg zich af of hij haar wel zag of iets achter haar. Ze hoorde stappen op de trap. Hij keek opnieuw in het ijle en zij keek naar haar boek. Het was hun vader maar hij ging voorbij, naar de verdieping hoger.   ‘Het is alsof de wereld onder mij draait en ik blijf waar ik ben.’ ‘Nogal egocentrisch,’ zei ze. En ze keken naar elkaar. Ze stond op en kwam naast hem zitten. ‘Ik heb van een wankelende trap gedroomd,’ zei hij. ‘Ik stond erbovenop en hij was dubbel en ik moest eroverheen, er aan de andere kant er weer af. Ik denk dat ik in de golven viel toen. De ladder stond in de zee…’   ‘Misschien moet je daar weg,’ zei ze aarzelend. ‘Als het je niet bevalt, blijf er dan niet.’ ‘Het zal overal zo zijn,’ antwoordde hij snel. ‘Het heeft geen belang. Morgen is het over. Dan loop ik gewoon weer de struiken voorbij en de vogels vliegen weer over mijn hoofd, gewoon… Het is gek: naar de top van een hoog gebouw blijven kijken en dan ronddraaien. Het is alsof alles om je heen dan op je hoofd zal vallen.’ ‘Je moet er weggaan als het je niet bevalt, Bram. Als je het gevoel hebt dat je er niet kan bewegen, als er niemand is die je interesseert.’ ‘Waar wel,’ zei hij.   Weer stappen op de trap. Vader die weer naar beneden gaat, met boeken in zijn hand. Onwillekeurig grijpt ze naar het boek dat naast haar ligt, maar hij kijkt niet eens op, hij gaat voorbij. Zijn stappen gaan verloren in het geluid dat uit de boxen komt. ‘De muziek mag harder,’ zegt hij. Maar geen van beiden staat op om aan de knop te draaien. Ze kijken niet eens naar elkaar. Dat is ook moeilijker nu ze naast elkaar zitten. ‘Ja,’ zegt hij dan, ‘misschien.’ Ze zwijgen. Hij voelt eerder de schok van schrik in haar schouder dan dat hij het geluid hoort. De knop van de cassettespeler springt af. De muziek valt uit. Zelf voelt hij niets. Het geluid zou hem voorbijgegaan zijn als hij niet die snelle beweging had gevoeld. ‘Jij bent nog mijn enige band met de wereld,’ zegt hij. Ze ziet van opzij zijn onderlip trillen maar de toon van zijn stem verandert niet en zijn ogen worden niet vochtig. ‘Ik denk dat ik niet meer kan voelen,’ gaat hij verder. Ze kijkt naar haar handen. ‘Er zit geen regelmaat in het leven… mijn leven,’ zegt hij. ‘Er is geen vooruit of achteruit gaan, geen oorzaak-gevolg, geen op en neer gaan, geen beweging. Er is niets.’ ‘Ik draai de cassette wel om,’ zegt ze. En hij volgt haar bewegingen. Als iemand die onverschillig is. Ze komt weer naast hem zitten en opnieuw weerklinken de stemmen. ‘Als de aarde onder onze voeten zou draaien, dan zouden wij stil moeten staan als iemand naar ons toe liep voor een omhelzing. Anders zouden we elkaar nooit bereiken.’ ‘Maar wie moet dan stilstaan?’ vraagt zij. Ze wil dat hij blijft praten. Zo bang is ze voor zijn tranen. Zo bang dat ze haar arm om hem heen zal willen slaan als het verdriet over zijn wangen stroomt terwijl dat…   Maar toen ze zag dat zijn lip niet langer trilde, werd ze boos, dat hij net zo was als de rest door stoer zijn tranen te verdringen. Terwijl hij zo broos was. Ze zag hem nadenken. ‘Misschien ben jij een vis die in ondiep water is terechtgekomen en daardoor niet meer kan zwemmen,’ zei ze opeens. Ze wist niet waarom. Hij keek haar aan, zijn wenkbrauwen gefronst. ‘Dus moet je weg, weg uit dat ondiepe water.’ ‘Ik doe niet wat ik wil,’ zei hij. ‘Daar ben ik hier niet voor. Als een vis verdrinkt of geen lucht meer krijgt, is dat zijn lot.’ Hij meende niets van wat hij zei en zij wist dat. Maar hij wachtte af hoe ze zou reageren. Ze zei niets, stond op en ging in de andere zetel weer naar de letters in haar boek zitten kijken. Hij keek naar de lucht achter het raam in de muur tegenover hem en verbaasde zich erover dat hij erdoorheen kon kijken maar niet gaan. ‘Blijf dan maar,’ zei ze toen en keek niet op. ‘Er is iets in je dat al zo verrot is dat het…’ Ze had gelijk, maar dat ze hem zo kwetste kon hij niet verdragen, en hij stond op om de muziek harder te zetten. ‘Bram,’ zei ze, ‘zal jij ooit iets goedmaken? Of altijd de ladder doen vallen en zeggen dat het jouw schuld niet was, maar de schuld van de golven?’ Hij hoorde niet goed wat ze zei. De muziek stond te hard en was te veraf. ‘De golven,’ herhaalde hij zacht en vermoedde dat ze het probeerde goed te maken. ‘Ga je mee,’ zei hij toen. ‘Ik ga zwemmen.’   (en zij ziet het beeld van zijn snelle voeten die rennen over het strand met de wolken erboven, die regen brengen, maar nu nog niet, terwijl de wereld onder hem door schuift waardoor hij nooit het water bereikt)  

jépé
0 0