Lezen

De knuffels van meneer Wan

1. Als je je ooit hebt afgevraagd hoe het is om in een winkel te wonen, dan zou je het aan de knuffels van meneer Wan moeten vragen. Of aan meneer Teddy, de winkelkat. Die blijft ook elke nacht slapen, samen met de knuffels. Je hebt er ongetwijfeld ooit van gehoord. Tenminste, als je van knuffels houdt. Het is de grootste knuffelwinkel ter wereld en hij ligt in de grote stad. Dat is tweemaal ‘groot’, maar wat knuffeldieren zo groot maakt, is dat ze grootse dingen kunnen doen. 2. Misschien moeten we eerst meneer Wan voorstellen. Na het einde van de oorlog ging hij in de grote stad wonen.  Daar wonen veel mensen en die had meneer Wan nodig na de oorlog. Om ze te vertellen over wat hij had meegemaakt en om ze te kunnen knuffelen. Wellicht is hij daarom een knuffelwinkel begonnen. 3. De winkelbel is nog een echte bel.  Meneer Wan staat in de werkplaats waar hij de knuffels maakt en herstelt, maar de winkelbel hoor je van ver. Charlotte komt met haar oma de winkel binnen. Voor Charlotte is het de eerste keer dat ze er komt, voor oma niet. Met elk van haar kinderen en kleinkinderen is ze met de trein naar de grote stad gereisd om een bezoekje te brengen aan de winkel van meneer Wan. Daar mogen ze een knuffel uitkiezen.  Dit heeft Charlotte nog nooit gezien. Zoveel knuffels. 4. “Dag Marlene”, zegt meneer Wan. “Ben je terug?” “Ja. Maar niet voor het laatst. Tenminste, dat denk ik toch niet”, lacht ze.  “Dit is Charlotte. Mijn vierde kleindochter. De volgende wordt een jongen.” “Dat zei je vorige keer ook”, lacht meneer Wan. “Maar ik veronderstel dat Charlotte een knuffel mag uitkiezen?” Charlotte knikt met haar hoofd. “Ja”, fluistert ze, maar het is bijna niet te verstaan. Zo stilletjes zegt ze het. 5. “Dan zal ik je een paar mooie exemplaren laten zien. Is het goed dat ik knuffels van dieren toon? Soms zijn ze veel slimmer dan mensen. Mij hebben ze alleszins geholpen.” Charlotte denkt dat meneer Wan iets over de oorlog gaat vertellen. Oma heeft haar al verteld dat meneer Wan de winkel is begonnen toen hij uit de oorlog kwam. Gelukkig was hij niet gewond, want dat gebeurt ooit in een oorlog, als je aangevallen wordt. Als die dieren meneer Wan in de oorlog hebben geholpen, zullen ze Charlotte ook zeker beschermen. Oma heeft nog verteld dat meneer Wan een van de slimste mensen is die ze ooit heeft gezien. 6.  “Dit is bijvoorbeeld een kameleon”, zeg meneer Wan. “Weet je dat die van kleur kunnen veranderen? Wij deden dat ook. Dan verfden we bijvoorbeeld onze gezichten groen, zodat de vijand ons niet zag in het bos.” 7.  “En dit is een wolf. Wij huilden in het bos ooit zoals een wolf. Om de vijand af te schrikken. Zullen we het samen even proberen?” “Whooeeeeeeeeeeeee”, huilen ze samen. Ook oma doet mee. Net als Teddy de winkelkat. 8.  “En een hond?”, vraagt Charlotte, terwijl ze een knuffelhond vastneemt. “Kan die ook iets bijzonder in het bos?” “Hij kan snel een prooi halen, maar een hond is bovenal heel trouw. En dat heb je in de oorlog ook nodig. Vrienden op wie je kan vertrouwen. Een goede vriend is daar misschien wel het allerbelangrijkste.” 9.  “Van een slang weet je ongetwijfeld wat die kan”, zegt meneer Wan terwijl hij Charlotte een knuffelslang geeft. “Die kan heel goed sluipen. Dat moet je in een oorlog ook goed kunnen. ‘Goed laag blijven’, zei onze commandant altijd. Probeer zelf maar even te sluipen zoals een slang.” Oma doet niet mee, maar Charlotte sluipt als een echte slang door de winkel. “Ja, jij kan dat ook”, zegt meneer Wan tegen Teddy de winkelkat, die ook aan het sluipen is. 10. Samen bekijken ze nog heel wat knuffeldieren. Telkens heeft meneer Wan een bijzonder verhaal over het dier.  “Weet je al wie je gaat kiezen?”, vraag oma.  Meneer Wan ziet dat Charlotte twijfelt. “Neem je tijd maar”, zegt meneer Wan. “Want een echte knuffel is zoals een vriend. Die blijft je altijd trouw. Enkel jij ziet wat er bijzonder aan is. Ik heb hier al veel kinderen over de vloer gehad en meestal komen ze later terug met hun eigen kinderen. Net als je oma. Ze vertellen me dan dat hun knuffel altijd hun beste vriend is geweest. En dat het soms leek alsof hij echt leefde.” 11.  “Mijn beste vriend heb ik ook leren kennen in de oorlog”, zegt meneer Wan. “We hebben samen veel meegemaakt. Dat zorgt voor een speciale band.” “Die heb je ook met je eigen knuffel, omdat je samen veel avonturen beleeft.” “Maar het is nog beter dat je geen oorlog meemaakt, want veel goeds is daar nog nooit uit voortgekomen. Al dat vechten, bah. Je kan beter knuffelen”, lacht hij. 12.  Charlotte kijkt naar alle knuffels in de winkel. Plots ziet ze een tijger. Die lijkt wel te bewegen. “Die tijger daar”, zegt ze.  “Ah ja”, zegt meneer Wan. “Onze tijger. Normaal valt die niet op, want daarvoor dienen zijn strepen. Hij kan zich goed verbergen. Het is wel heel bijzonder dat jij hem ziet.” Meneer Teddy komt ook kijken. Hij denkt dat het over hem gaat. Want katten zijn familie van tijgers. Meneer Wan neemt Teddy in zijn armen. “Een tijger is best een gevaarlijk dier. Maar weet je wat er zo bijzonder aan is? Als hij niet aangevallen wordt, doet een tijger niets. Op dat gebied lijkt hij op een mens.” 13. Terug buiten denkt Charlotte aan de verhalen die meneer Wan heeft verteld.  Nu moet ze enkel nog een naam bedenken voor haar tijger. “Oma, zullen we in de trein samen een naam bedenken voor tijger?” “Goed idee Charlotte”, knipoogt oma. In de trein denkt Charlotte al een tijdje na met tijger op haar schoot. Ze kijkt uit het raam. “Zou meneer Wan het erg vinden als we tijger naar hem vernoemen?”, zegt Charlotte. “Nee”, lacht oma, “dat vindt hij zeker niet erg.” 14. Zo ging tijger voortaan door het leven als meneer Wan. Hij is trouwens niet de eerste knuffel met die naam, dat kan je wel denken.  Je hebt er ongetwijfeld ooit van gehoord.    (einde)  

Rudi Lavreysen
51 1

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 10/10)

De nacht viel als sneeuw. Niet bruusk, niet volledig. Maar in vlokken.Vlokje duister na vlokje duister.Traag dwarrelend — het donker wilde zich niet opdringen, maar verlegen zichzelf uitnodigen. Een zachte val. In de woonkamer, waar boeken half geopend op planken lagen, nauwelijks hoorbaar nagalmend van hun eigen woorden, bracht kaarslicht de sfeer in de juiste stemming. De kaarsen weerstonden het donker niet heroïsch, wel koppig, elk omsingeld door hun eigen kleine kring van licht. Het was geen strijd, eerder een soort van verdrag tussen licht en nacht. Lys en Mauro zaten verstopt in een sofa die duidelijk niet gewend was aan dramatiek. Een blozende sofa. Met ervaren plooien en zachte kussens die zich graag stilhielden. De sofa wist: Dit is niet mijn scène, ik ben slechts de omarming. Ze zaten dicht. Nog net niet tegen elkaar. Via de geringe lucht tussen hen in voelden ze elkaars temperatuur. Hun schouders: dichte buren. Hun knieën: toevallige passanten. De stilte tussen hen was geen leegte. Ze was geladen, net als de wolken voor een zomers onweer dat nooit echt losbarst. “Het is vreemd,” fluisterde Lys, zonder te weten waarom ze precies fluisterde. Misschien wilde ze met haar stem de kaarsen niet laten uitdoven. Mauro keek haar aan. Niet rechtstreeks. Diagonaal. In een poging haar dubbel te zien. Een hartendame. “We zijn een beetje…” Hij zocht het juiste woord. “…heel zwakke magneten.”Ze knikte traag, overtuigd van het feit dat ze haar hoofd nog maar pas kon bewegen.“Zwakke magneten… zonder pool.” De sofa, zijn discrete zelf, haalde diep adem, werd een fractie zachter. Een verre herinnering ophalend aan hoe het voelt om geliefden te dragen. Toen gebeurde het.Niet gepland.Niet als besluit.Wel als nachtvlinder. Een eerste kus.Hij fladderde binnen.Werd niet gezocht.Werd niet gevangen.Maar vond een plek. Op haar lippen, tegen zijn bovenlip. Een aanraking die zachter was dan elke stof. Minder tastbaar dan een droom, veel duidelijker dan welke taal dan ook. Een stoel keek beschaamd weg. De plant naast de sofa begon iets sneller te ademen. Een boek viel dicht, zonder wind. Ze bleven daar, hun voorhoofden tegen elkaar, in het midden van iets wat nog geen naam had. De ademhaling synchroon, handen als nieuwsgierige diertjes op zoek naar een plek om te rusten. De sneeuw van de nacht bleef vallen.Onhoorbaar.Onmerkbaar.Bescheiden echt.En in die langzaam dichtvallende wereld waren Lys en Mauro een kleine stille vlam, omsingeld door elke mogelijke toekomst.

Piet V.
156 2

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 9/10)

De afwas begon halfhartig. In het oranje licht van de ondergaande zon leek de keuken van Mauro zich te transformeren. Alles kreeg een zachte gloed, omdat er niets meer te bewijzen viel. De besmeurde pan, de vuile borden, de druipende kraan — ze werden plots geen taken meer, maar decorstukken. Alles was doordrenkt met dat melancholische licht dat niet verdrietig was, maar wel zachtjes afscheid nam. Zacht zuchtend: Ik was hier graag, maar moet nu echt weg. Lys stond aan de wasbak, haar handen in het warme water, haar armen glinsterend van spetters. Mauro droogde af. Hij hield de vaatdoek meer vast als een vergeten accessoire dan als iets functioneels. Er waren nog borden, er waren nog glazen, bestek. Maar de tijd had zich ergens tussen hen opgerold en lag nu te slapen op het aanrecht. Toen klonk er geen muziek, maar wel iets anders. Een geluid dat je eerder voelt dan hoort: het schrapen van voeten op tegels, het zachte glijden van een ademhaling langs een nek, het magnetisch klikken van blikken die blijven hangen. Mauro legde de vaatdoek neer op een stoel. Lys veegde haar handen af aan haar broek, haar ogen op zijn borst gericht, alsof ze daar iets wilde lezen dat ze niet hoefde te onthouden. Ze begonnen te bewegen. Niet synchroon, wel als twee kinderen die vergeten waren hoe gêne werkte. Eerst was er een halve draai.Dan een stap achteruit.Mauro stak zijn hand uit, zonder verwachting.Lys legde haar vingers erin, alsof ze water proefde met haar vingertoppen. Een soort wals vormde zich, maar alleen in hun knieën. Een tango, alleen in hun blikken. Zijn rechtervoet streelde haar linker scheenbeen. Zij excuseerde zich door hem dichter naar zich toe te draaien. Haar haar raakte zijn kin. Zijn neus haar slaap. Ze dansten niet op ritme, maar op herinnering. En dan… in één beweging die nergens op leek, maar alles betekende, tilde Mauro haar hand op en draaide haar langzaam rond. Ze lachte. Niet luid. Diep. Verankerd in haar borst. Lys begreep op dat moment exact wat zijn grootmoeder bedoelde met 'portulana'. Terwijl ze draaide, haperde het zonlicht even. Het strekte zich languit voor een laatste zucht. De keuken vulde zich met lange schaduwen die niet donker waren, eerder zacht als kussens. Tussen een halve afwas en een halve dans bestond niets meer buiten wat hun voeten, hun vingers en hun adem besloten samen te doen. Buiten stond de wereld op pauze. Binnen was er alleen het geritsel van warmte die langzaam haar plaats vond in twee lichamen die elkaar voorzichtig begonnen te raken.

Piet V.
77 1

Hasta luego

In de periode tussen de twee ambtstermijnen van Donald Trump werd er gegekscheerd over de keer dat hij zich moest aanbieden in de gevangenis van Fulton County. Zowel over zijn lengte als zijn gewicht werden de wildste verhalen verteld. Over documenten uit de nor in kwestie was geweten dat ze het niet zo nauw namen met geregistreerde gegevens. Tijdens zijn eerste presidentschap kwam het Spaanse koningspaar al eens op het Witte Huis voor een officieel staatsbezoek. De Spaanse koning is nu met een zakendelegatie op weg naar landen in Zuid-Amerika en gaat eerst bij Trump langs om hem vragen te stellen over diens aangekondigde importtarieven.  Het is geen staatsbezoek, doch ere aan wie ere toekomt, ontvangt Trump de koning in het Oval Office. Eens de deur van zijn kantoor dicht is, haalt Trump een foto uit de lade van zijn bureau. Het is een recente foto waarop hij en de first lady  naast de Spaanse koning en koningin staan tijdens de begrafenis van wijlen paus Franciscus. “Kijk Felipe”, zegt Trump: “Ze zeggen dat ik een fout kostuum aan had, maar dat terzijde. Ik word verondersteld één meter tweeënnegentig te zijn en Melania meet precies één meter tachtig. Toch lijken we even groot op deze foto. Dat kan want de Louboutins van Melania zijn inderdaad twaalf centimeter hoog.”“Vale, wat wil je daarmee zeggen, Donald”, vraagt de koning verbijsterd.“Als ik naar jouw schattige echtgenote kijk, is ze op de foto haast even groot als Melania. Draagt Letizia ook van die duizelingwekkende hakken? Maar jij man, je bent een kop groter dan mezelf, hoe lang ben je wel?”“Ik wist niet dat we het daarover zouden hebben. Mijn lengte bedraagt één meter zevenennegentig, dat is dan inderdaad groter dan jij Donald.”“Ja, maar toch nog kleiner dan onze Baron, die jongen is inmiddels net iets meer dan twee meter en hij zit nog volop in de groei. Hij heeft dat van de moeder of de grootmoeder van Melania.”“Kunnen wij ter zake komen, Donald. Hoe zit dat nu met die invoerrechten? Waar haal je die cijfers vandaan?”“Ach eerst dacht ik wij rekenen een percentage aan dat gelijk evenredig is met de lengte boven één meter van de lokale heerser in een land. Dan zou Spanje echter 97 % moeten betalen en zou mijn vriend Zelenski veel beter af zijn.”“Donald, meen je dat nu?”“Grapje, Felipe. Je beseft toch dat ik je mooie land nooit zoiets zou aandoen, jullie zijn echter lid van dat clubje in Europa en met jouw Europese vrienden ben ik nog niet klaar. Misschien moeten jullie zelf een systeem uitwerken wie wat gaat betalen.”“Het spijt mij Donald, mijn delegatie wacht op mij, wij worden vanavond verwacht in Panama. Ik kom later nog wel eens langs.”“Naar Panama, Felipe? Daar spreken ze natuurlijk dezelfde taal als jij. Herinner ze vooral aan het feit dat wij hun dat kanaal geschonken hebben en dat ze hun onafhankelijkheid aan de V.S. te danken hebben. Adios, amigo.”“Bye, Donald, tot binnenkort.”

Vic de Bourg
32 2

Gevouwen geluiden (Hoofdstuk 8/10)

In het schemerlicht van Mauro’s keuken, waar de muren net niet wit genoeg waren om steriliteit uit te stralen en de vloer zachtjes kraakte bij elke stap, stonden Lys en Mauro tegenover elkaar. Tussen hen in lag een houten snijplank waarop tomaten, basilicum en een handvol bonen lagen als schuchtere figuranten in een scène die nog niet geschreven was. “Wat dacht je van iets eenvoudigs?” stelde Lys voor terwijl ze een tomaat doormidden sneed. “Zo’n gerecht waar je achteraf niet van weet of het ontbijt of avondmaal was.” Mauro knikte. “Perfect. Tijdloos voedsel.” Hij trok een kleine, vierkante tinnen doos uit een kastje boven zijn hoofd. Op het deksel stond niets. Geen merk, geen opschrift. Alleen een lichte deuk in een hoekje. Hij opende het met een soort voorzichtigheid die men normaal voorbehoudt aan oude brieven of libellen met fragiele vleugels. Binnenin lag een stof, korrelig en okergeel. Schijnbaar een samenvloeiing van tedere kurkuma en zachte kaneel. Mauro schepte een halve theelepel op en liet het poeder haast achteloos in de pan glijden waarin de bonen al zachtjes sisten. Lys keek op. “Wat is dat?” Hij glimlachte. Zijn mondhoeken één halve graad hoger dan gewoonlijk. “Een familieding. Mijn grootmoeder noemde het ‘portulana’.” Ze liet haar mes even rusten. “Is het… pittig?” “Niet op je tong,” sprak Mauro zacht. “Meer… in je hoofd. Het opent dingen.” Lys lachte, maar voelde een lichte spanning achter haar ogen. Net alsof haar pupillen zich wilden uitstrekken als kattenpoten in zonlicht. “Wat voor dingen opent het?” “Soms ramen. Soms deuren. Soms hele gangen waarvan je niet wist dat ze bestonden,” haalde Mauro zijn schouders op terwijl hij de pan televisiekok-gewijs even opschudde. Toen ze even later samen op de vloer zaten, hun bord balancerend op hun knieën, stoelen ongebruikt, proefden ze samen hun creatie. Het gerecht was warm en aards, met een onbestemde diepte. Smaken die zich heel ver uitstrekten naar vroeger, naar hun kindertijd. Traag glimlachte Lys. “Mauro… ik herinner me ineens hoe mijn moeder vroeger haar vingers aflikte na het snijden van sappige perziken. Ik proef die perziken. Hoe kan dat?” Mauro keek haar aan, zijn ogen een seconde langer rustend op haar gezicht dan zijn woorden. “Soms liggen herinneringen verborgen achter deuren die nooit open gaan. Tenzij je niet probeert ze te openen.” “En jij probeert niet?” “Soms weet ik hoe ik niet moet proberen,” prevelde Mauro. Ze keken elkaar aan. Er klonk een zacht ‘klikje’ van het raam boven de gootsteen. Het stond nu op een kier. Niemand had nochtans iets aangeraakt. Niets geprobeerd.

Piet V.
70 1

Haak

Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Er lijkt geen einde aan te komen.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Ik hoor niets anders meer. Die ellendige klok. Nog voordat ik mijn vermoeide, bloeddoorlopen ogen open, wanneer ik mezelf terug naar bed sleep, doorheen de dag, mijn dromen zijn gevuld met het getik van een klok die ik niet kan vinden.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Alles zou ik doen, alles voor een paar seconden zalige volledige stilte. Hoe lang is het geleden dat het helemaal stil was in mijn hoofd? Ik kan het me niet herinneren. Welke dag is het? Het is zeker vier dagen geleden sinds ik heb geslapen. Of dat denk ik toch. Dag en nacht vloeien in elkaar over. Alles is schemer.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Alle besef van tijd ben ik verloren. Ik kan het niet meer aan. Ik wil gewoon slapen. Ik wil gewoon rust. Rust en stilte. Zoete zalige stilte. Ik kruip rond op handen en knieën als een beest, op zoek naar de bron van het getik en getak en getik en getak. Ik kan het niet vinden. Ik vind niks meer. Niks. Het concept ‘niks’ begrijp ik niet meer want er is altijd iets tegenwoordig. Altijd getik.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Het heeft zichzelf aan mij vastgezogen en laat niet meer los. Dat getik en getak. Het heeft zichzelf vastgemaakt in mij, die klok. Welke klok? Hoe is die hier ooit gekomen? Ik herinner het mij niet meer. Het enige wat ik me herinner is getik en getak en getik en getak en   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… GENOEG! Ik begin te schreeuwen en blijf schreeuwen en kan niet stoppen want als ik stop begint het weer. Schreeuwend, jammerend, smekend stommel ik rond op zoek naar… naar wat? Naar iets. Naar niets. Ik weet het niet. Ik zal het wel weten wanneer ik het vind.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Wanhoop. Radeloosheid. Niemand kan mij helpen. Absolute allesverlammende paniek. Is er nu een dag voorbijgegaan of een uur of een paar minuten of?   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Ik wil niet meer eten. Wanneer ik kauw gaat dat in hetzelfde ritme als de klok. Alles is het ritme van de klok. Ik wil ontsnappen aan het geluid. Als een rat in het nauw gedreven die elke mogelijkheid zoekt om weg te geraken, zo voel ik mij in het nauw gedreven door de onzichtbare klok.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Er is geen toekomst en geen verleden meer. Er is alleen nog maar nu. Nu tikt de klok verder. De Tijd is gestopt en gaat toch genadeloos verder. Ik zit opgesloten in een geheim moment en de Tijd is mijn bewaker.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Gehaast zoek ik verder. Naar wat? Ik weet het niet. Naar soelaas, verzachting, troost. Snikkend, jammerend, kermend zoek ik. Dan vind ik het instrument dat me zal bevrijden uit mijn eeuwigdurende lijden. De adem stokt in mijn keel. Bevend neem ik het mes vast dat in het midden van de keukentafel ligt, in een lichtstraal doorheen de schemering.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… De klok zit in mij. De enige logische oplossing is om de klok eruit te halen. Wie heeft die daar gestoken? Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik het eruit moet halen. Het moet eruit. Het moet er nu uit. HET MOET ER NU UIT.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Het mes is niet scherp genoeg om in één keer door mijn ribben te geraken. Het doet zoveel pijn. Ik ben vastberaden en snijd verder. Ik val op mijn knieën, verlies bijna mijn bewustzijn, maar het geluid van de klok houdt me wakker. Dat ellendige getik. Schreeuwend maak ik een draaiende beweging met het mes. Zo dichtbij. Ik voel dat de klok tegenwerkt. De klok wilt helemaal niet naar buiten.   Tik… Tak… Tik… Tak… Tik… Tak… Ik hap naar adem en laat het wapen vallen. Bevend graai ik in het slijmerige vel. Versplinterde ribben halen mijn vingers open. Ik voel het niet meer. Dan grijp ik de klok vast. Ik voel het tikken in mijn hand. Het tikt zo snel. De euforie van mijn overwinning zorgt ervoor dat ik licht word in mijn hoofd. Ik trek de klok uit mijn lijf. Daar zie ik het verwerpelijke martelinstrument dat me zo lang heeft gepijnigd. Ik knijp erin en zie het uiteenspatten terwijl ik eindelijk rust vind.   Stilte.

LeenB
52 2

De ruimte tussen waak en slaap

Er zijn mij ongetwijfeld heel wat anderen voorgegaan, maar nu wil ik het zelf eens proberen. Ik wil de ruimte tussen waken en slapen – die zacht zwalpende en halfslachtige droomtoestand – proberen te vatten in woorden. Het is om te beginnen een illusie te veronderstellen dat ik haar in haar geheel zou kunnen omvatten. Ik mag al tevreden zijn als ik eromheen kan draaien, er met taal een glimp of versplinterde fractie van mag opvangen. Want taal cirkelt overal onbeholpen omheen, raakt nooit de kern en kan alleen maar suggereren waarover het gaat. Het is aan de interpretator om woorden te ontcijferen tot gevoelens en indrukken. Het harmonisch en efficiënt schikken en combineren van woorden om de essentie van een boodschap of sfeer zo dicht mogelijk te benaderen, is waar het voor een schrijver om draait. Dat is waar het voor mij in deze tekst om draait. En de bewustzijnstoestand tussen waken en slapen is het onderwerp. Het is een onderwerp dat mij wijds, magisch, mysterieus en – vanuit artistiek en literair standpunt – enorm potentieel voorkomt. Het is tevens een bewustzijnstoestand die ik verheerlijk. Nu ik er zo over nadenk, vraag ik me af of ik wel over voldoende expertise beschik om mij hierover schriftelijk en openbaar uit te laten. Als ik het echt serieus en wetenschappelijk zou aanpakken – wat de geloofwaardigheid van deze tekst misschien alleen maar ten goede zou komen – dan hield ik gedurende een lange periode een dagboek bij waarin ik mijn ervaringen neerschreef. Dan zou ik de halfslaaptoestand bewust proberen uit te lokken en deze analytisch benaderen. Ik zou ook een enquête kunnen houden, mensen bevragen over hun ervaringen met deze toestand. Daarin dan patronen en correlaties zoeken. En pas na dit alles zou ik een goed onderbouwd essay kunnen schrijven dat, gezien vanuit een zuiver rationeel perspectief, enig gewicht in één of andere schaal zou kunnen werpen. Maar de kaarten liggen nu anders. De geloofwaardigheid van deze tekst ligt in haar spontane rauwheid. In de eerlijkheid van speelse creativiteit – een bewustzijnstoestand die ook in de onbepaalde tussenruimte heerst. Ik schrijf dit vanuit de losse pols. Geheel onvoorbereid – tot een uur geleden wist ik zelfs nog niet dat dit het onderwerp van een tekst zou worden. Ik ben hier nu een plotse ingeving energie en vorm aan het geven. En degene die dit leest, doet hetzelfde. Evenmin wetend of dit überhaupt ergens toe zal leiden. Uit ervaring weet ik dat er veel waarde schuilt in plotse ingevingen. Op momenten dat ik nergens specifiek mee bezig was – bijvoorbeeld tijdens de gedachteloze, motorisch ingesleten verplaatsing van slaapkamer naar toilet – zijn mij ideeën binnengevallen die later een grote impact op mijn leven hadden. Om maar te zeggen: iets hoeft niet doordacht en wetenschappelijk onderbouwd te zijn om tot grootse inzichten of transformatie te leiden. Waarmee ik niet pretendeer dat deze tekst daartoe zal leiden, maar de aanzet biedt er in elk geval ruimte voor. De toestand tussen waken en slapen is, net zoals mijn routineuze korte tocht van slaapkamer naar toilet, een tussenruimte. Het is een soort vacuüm zonder regels waarin alle schijnbaar tegenstrijdige werelden elkaar ontmoeten. Het begin en einde van deze tussenruimte laten zich niet aanduiden. Ze schuift als het ware geruisloos en onzichtbaar open, en plots zweef ik tussen stukjes onthechte mogelijkheden. Vanaf het moment dat mijn bewuste geest het onbewuste opmerkt en wil begrijpen, voel ik hoe die tussentijdse, tijdloze toestand mij weer ontglipt. Hoe de vaste contouren van de praktische, tijdelijke werkelijkheid zich weer proberen door te drukken in die onvaste, vormloze wereld. De tussenruimte wordt bewandeld door een geest die het begrijpen loslaat en zich laat meedrijven met de ‘onsamenhangsels’ en spiraalvormige kronkels van wat losstaat – en tegelijk verbonden is – met alles dat zich voordoet. Deze ruimte is als een oeverloos bad waarin de denkende geest kan oplossen. In mijn leven draagt alles symboliek, en reflecteren in alle details holistische inzichten. Dat hier nu zo spontaan mijn focus uitgaat naar de lyrische omschrijving van een overgangsfase, komt helemaal overeen met mijn algemene gevoelstoestand. Ik lijk me al enige tijd in een overgangsfase te bevinden. De kans is groot dat heel mijn leven een overgangsfase is. De kans is ook groot dat dit nu zo lijkt, louter en alleen omdat het gevoel van een overgangsfase nu zo uitdrukkelijk leeft. Ook hier kan ik geen duidelijk begin- of eindpunt markeren. Een overgangsfase of tussenruimte voelt als een smalle strook, een soort tunnel of oneindige gang zonder deuren. Het gezellig inrichten van ruimtes is een van mijn passies. Ik wilde eerst ‘kwaliteiten’ schrijven in plaats van ‘passies’, maar waar ik passioneel over ben, wordt misschien niet door iedereen als een kwaliteit omschreven. En aangezien ik iemand ben die – zoveel dat het bijna onmogelijk wordt – rekening houdt met het perspectief van anderen, oefent die eigenschap natuurlijk ook invloed uit op mijn woordkeuze. Dat energieslurpende patroon om mezelf te verliezen in de energie van anderen, is een ander paar mouwen. Ik wil wel eens voor de sier en persoonlijke inkijk een zijsprong maken, maar ik dien ook gefocust te blijven op het onderwerp ‘overgangsruimtes’, om te voorkomen dat deze tekst uit zijn vorm zakt zoals een cake die niet wilde rijzen in de oven. Het ding met die lange tussenruimtes is dus dat je erin kunt reizen zonder ergens naartoe te gaan. Dat is misschien ook wat mij het meest eraan aantrekt. Mijn favoriete dagen – dagen waarop mijn lichaam en geest ontspannen – komen overeen met lege vakjes in mijn agenda. Onbepaald en ongepland, net zoals tussenruimten. Gedachten en ideeën die dan resoneren met de energie van het moment, dienen zich aan als gewillige bouwstenen zonder verwachtingen. Het zit niet in mijn aard om potentiële leegte onbespeeld te laten; het wakkert juist mijn creativiteit aan. Geef mij niets, en ik voel mij rijk door zoveel mogelijkheid. In de schijnbare leegte van het tussenmoment wemelt het van de energie. Tussen waken en slapen voel en hoor ik mezelf cirkeltjes maken die steeds groter worden, tot ze uiteindelijk uitdeinen tot hele landschappen die het thuisland vormen dat ik om praktische redenen op aarde dien te vergeten. Er resten enkel nog de vage herinneringen als rafelige, flinterdunne doeken die ik als een idee van bescherming om me heen sla en waarmee ik nu een tekst poog te breien. Ze vallen uiteen op het moment dat ik nog maar de intentie heb om ze in deze tastbare illusie te verwoorden. Ik kom hier nu bij u aanzetten met losse flarden en snippers van iets dat je misschien wel herkent, maar dat om een bewustzijnstoestand vraagt die zich – te midden van de inspanning des levens – moet inspannen om ontspanning te vinden. Want we zijn het overleven zodanig voorbijgelopen dat we geen adem meer over hebben om echt te gaan leven. Deze tastbare materie, met al haar personages en verhalen, geeft ons de indruk ergens naartoe te gaan of ergens vandaan te komen. En de geniale zinloosheid van dat geheel maakt dat ieder voor zichzelf zin en betekenis aan de levenservaring toeschrijft. De tussenruimte van waken naar slapen (en omgekeerd) lost de lijm op die de elementen van een persoonlijke realiteit aan elkaar hecht. Ze ontbindt alle overtuigingen die tot een logisch geheel bijeen gebundeld waren. En terwijl ik in de praktische omgang met anderen een fervente aanhanger ben van logica, doet de ongedefinieerde tussenruimte mij beseffen hoe bevrijdend een onlogisch en spontaan wemelende zijnstoestand kan voelen. Het is een gevoel van in overgave gewichts- en vormloos zweven in de meest vruchtbare poel van oerenergie. En daar een perfect passend deel van uit te maken, zonder het gevoel enige verantwoordelijkheid of controle te hebben. Het is een bewustzijnstoestand waarin geen vragen worden gesteld en waar de meest prominente energieën van het moment geobserveerd kunnen worden vanuit diverse standpunten, zonder hechting of verlangen. Mijn begrijpende geest zoekt verzachting in de buurt van deze tussenruimte. Om het overleven te overstijgen in het praktische leven, ga ik ertegenaan leunen en doorheen de scheidingswanden kijken, voelen en horen. Met deze tekst schets ik u – in weliswaar veel te grove, kortbochtige en onvolledige lijnen – de speelruimte die in ieder van ons leeft. Ik blaas haar concept, het idee van haar bestaan, en alle herinneringen die ons terug naar haar kunnen leiden, levenskracht in. Als een kleine moedige rimpeling in woelige wateren. Een door het lawaai gedempte lofzang voor het ongedefinieerde als oerbron onder alle manifestaties. Het is een lied dat om gevoelige oren vraagt. Dat is eigen aan mijn repertoire. De vraag is, zoals altijd, hoe ik deze spontane creatie tot een enigszins bevredigend einde kan brengen in de oneindige voortgang der dingen. Welk besluit ik kan vormen dat zowel open als afgesloten klinkt. En zelfs als ik tot zo’n einde kom: wat maakt dan dat ik het klaar acht om het – in alle kwetsbaarheid – buiten de perimeters van mijn energieveld te sturen? Kan ik deze tekst niet beter even laten rusten en rijpen, tussen de vele andere die ik met een wijzere blik in de toekomst wil hernemen? Maar de gedachte aan de onvoorstelbare veelheid bagger of ‘content’ die dagelijks de ether wordt ingebraakt, sterkt mij nu om ook spontaan en vloeiend (impulsief, aldus mijn innerlijke criticus) op de ‘deelknop’ te drukken. Et voilà.  

KarolienDeman
22 1