Lezen

WONDERVLUCHTDROOM

  Het bericht was voor het eerst op het radiojournaal van 14u. Doordat hij geconcentreerd bezig was met het redigeren van een artikel, luisterde Maarten maar met een half oor. Maar de woorden Airbus, Diamond Airways en Lanzarote, waren voldoende om zijn aan­dacht te trekken. Terwijl de nieuwslezer de overige berichten voorlas, sloeg hij zijn tekst op en surfte meteen naar de nieuwssite van de openbare omroep. Daar stond te lezen: “PASSAGIERSVLIEGTUIG VERMOEDELIJK GECRASHED BOVEN ATLANTI­SCHE OCEAAN. Zopas bereikt ons het bericht dat de Airbus van Diamond Airways die een uur geleden opsteeg in Zaventem met bestemming Lanzarote, even voor de landing alle contact met de luchtverkeersleiding verloor en van de radar is verdwenen. Waarschijnlijk is het vliegtuig boven de Atlantische Oceaan gecrasht. Van zodra wij over meer informatie beschikken...” enzovoort, enzovoort. Secondenlang staarde Maarten naar zijn computer­scherm. Hij hoefde zich­zelf niet te knijpen om te weten dat dit geen nare droom was.   * * *   “En jij wist daarvan?” De langharige, blonde vrouw van een jaar of vijfendertig voor hem, stond te trillen op haar benen. “Ja, Linda,” zei hij. “Ik wist ervan.” “Godallemachtig… Een mens denkt dat hij alles heeft meegemaakt!” Ze hapte naar adem. Maarten wilde iets zeggen: zich verontschuldigen des­noods, maar de woorden kwamen niet. Wat viel er overi­gens te zeggen? Er waren voorlopig enkel onbe­antwoorde vragen.   Tegen zijn vrouw had Joran gezegd dat hij voor zijn werk een paar dagen naar het buitenland moest: de klassieke smoes. In werkelijkheid vloog hij samen met Muriël, de vrouw van Maarten, voor een zonnig midweekje naar Lanzarote. En nu crashte dat verdomde vliegtuig boven zee. Maarten had moeilijk anders gekund dan de telefoon pakken en Linda inlichten, waarna hij, toen ze van de eerste schok was beko­men, haar gevraagd had onmiddellijk hierheen te komen. En hier stond ze dan: in alle staten. Begrijpelijk, natuurlijk!   “En… en hoe heb jij het ontdekt… van die twee?” vroeg ze met een bittere trek om de mond. Maarten antwoordde naar waarheid dat hij van in het begin op de hoogte was, en ook dat het allemaal met zijn goedkeurig plaatsvond. “Maar waarom in ‘s hemelsnaam!” vroeg Linda. “Dit is toch absurd! Een man die toelaat dat zijn vrouw een affaire heeft met een andere, getrouwde man en… en…” Ze begon te huilen. Maarten nam haar voorzichtig bij haar schouders en trachtte haar te kalmeren. “Dat heeft nu even geen belang, Linda,” zei hij. “Veel kans dat we hen allebei kwijt zijn, of er zou een wonder moeten gebeuren.” De vrouw keek op en staarde hem hoopvol aan: “Geloof jij in wonderen, Maarten?” vroeg ze. “Ik euh… mag toch Maarten zeggen?” Hij knikte: “Daar vraag je me wat, Linda!”   * * * Volgens Muriël begon het vrij onschuldig tussen Joran en haar. Ze leerden elkaar kennen in de groothandel waar ze werkte. Ze waren sa­men iets gaan drinken, hadden nog eens afge­sproken, en nog eens… Van het één kwam het ander, om het met een gemeenplaats te zeggen. Dat Muriël een man had, stoorde Joran niet. Net zo min als het haar wat kon schelen dat ook hij getrouwd was. “Met één ding moet je rekening houden, lieve schat,” zei Maarten als enig commentaar toen ze hem de affaire opbiechtte, “een getrouwde man zal altijd met zijn vrouw blijven slapen. Doet hij het niet uit gewoonte, dan om geen achterdocht te wekken.” “Oh,” zei ze, dromerig voor zich uit starend. “Het zal tussen Joran en zijn vrouw niet anders zijn dan tussen ons, zeker? Met dat verschil dat jij me tenminste mijn verzetje gunt. Heb ik je trouwens al bedankt daarvoor, lieve schat!” “…” Om eerlijk te zijn: er viel een last van Maartens schouders nu Muriël een vaste vriend had. Het beloofde immers stabiliteit en rust in haar en dus ook zijn leven. Heel anders dan toen ze om de haverklap met een andere minnaar op de proppen kwam. Voor monogamie had Muriël nu eenmaal geen talent, zoals ze het steevast verwoordde. Dan was een vaste buitenechtelijke relatie nog het minste van alle kwaden, zeker?   * * *   “Hoe moet dat nu verder?” vroeg Linda. “Ik tracht al de hele tijd de luchthaven en het reisbureau te bellen, maar ik krijg enkel een bezettoon.” “Tja,” zei ze, haar lange blonde haar zenuwachtig uit haar gezicht strij­kend. “Die lijnen zullen nu wel overbelast zijn.” “Denk ik ook,” zei Maarten. “Kom mee naar de woonkamer. Wil je wat drinken?” De vrouw zuchtte en terwijl ze achter hem aanliep: “Normaal zou ik weigeren, maar in deze omstandigheden kan ik een borrel best gebruiken.” “Ik denk, Linda, dat we daar allebei aan toe zijn!” Hij ging haar voor en liet haar plaats­nemen op de bank. Daarop schonk hij twee behoorlijk gevulde bellen cognac in. “Wil ik nog eens proberen te bellen?” vroeg hij, terwijl hij Linda haar glas aanreikte. “Ja, alsjeblieft.”   * * *   Woensdagavond was hun vaste afspraak. Rond halfacht kwam Joran Muriël ophalen, om haar even voor midder­nacht veilig en wel weer thuis te brengen. Hoewel Maarten er 's ochtends nooit vroeg uit moest, lag hij rond die tijd meestal wel al in bed: wachtend op zijn vrouw. Naakt onder de donsdeken staarde hij naar het plafond. De lichtbundels van de weinige voorbijrijdende auto’s projecteerden er hun parallello­gram­achtige vormen op. En dan was er die ene die vertraagde en met draaiende motor voor de deur parkeerde. Het duurde even. De ene keer al wat langer dan de andere keer. Stemmen, die van Muriël, die van Joran. Gelach, een tijdje niets meer. Dan weer gepraat. Ten­slotte dicht­slaande autoportieren. De wagen reed weg en een sleutel gleed in het slot van de voordeur. De deur die met een doffe slag weer in het slot viel. Wat later hoorde hij Muriëls hooggehakte pumps de trap bestijgen. Dan de kamerdeur die open ging. “Hallo, nog wakker, schat?” “Mmm...” Een vlaag geparfumeerde tocht: Muriël die hem vluchtig kuste. Hij keek in het halfduister naar haar silhouet terwijl ze zich uit­kleedde. Naakt op haar zwarte, zelfophoudende nylons na schoof ze naast hem. “En? Hoe is het geweest?” vroeg hij oprecht nieuwsgierig. Ze legde een koude hand op zijn torso: “Zoals meestal met Joran, lieverd: fantastisch!” Ze begon hem teder te strelen. Ondertussen vertelde ze zonder de minste gêne hoe hun avond was ver­lopen. Vooral de expliciete details, wonden Maarten zozeer op, dat Muriël meestal niet tot het einde door hoefde te gaan. Eens ze merkte dat zijn begeerte was gewekt, kwam ze over hem heen, een enkele keer nog open na de seks net ervoor.   Buiten de woensdagavonden ontmoette Muriël haar minnaar af en toe ook in het week­end. Maar dat hing ervan af of hij thuis al dan niet weg geraakte.   * * *   “En?” vroeg Linda. “Nog altijd bezet.” Maarten ging naast haar zitten, terwijl zij gestrest van haar cognac nipte. Hij bekeek haar wat aandachtiger. Ondanks de sporen die het leven en drie zwangerschappen hadden achter­gelaten, moest zij des­tijds ongetwijfeld een mooie vrouw zijn ge­weest; was zij eigenlijk op een bepaalde manier nog altijd mooi. Mooi van door­leefdheid, zou je kunnen zeggen. “Ik begrijp het niet,” zei ze. “En dat dat al zolang bezig was!” Hij zag de kraaienpootjes rond haar mooie, blauwe ogen. Ze ontroerden hem. “Verdomme, verdomme,” kreunde ze, meer tot zichzelf. Toen huilde ze zachtjes.   * * *   “Wat wel vervelend is,” zei Muriël op een keer aan de donderdagse ontbijt­tafel, “is dat Joran en ik telkens een kamer moeten nemen.” “Tja,” zei Maarten, “dan organiseren jullie toch ergens een vaste stek.” “Sneller gezegd dan gedaan, hé, schat!” Muriël en hij verdienden behoorlijk, maar niet zoveel dat ze zich nog er­gens een extra optrekje konden veroorloven. Hun vakantieappartement aan zee koste al handenvol geld. En daar telkens met Joran heen rijden leek Muriël ook geen optie. Tegen­over Maarten kon ze dat niet maken. Ook Joran had een aardig inkomen als IT-consulent, maar volgens Muriël beheerde zijn vrouw hun geld, waardoor wat dat betreft de weg opge­broken lag. “Gebruik dan de logeerkamer!” zei Maarten prompt. “De logeerkamer! Zou je dat goedvinden?” “Het Grand Hotel is het niet, maar als het jullie kan helpen. Alles is beter dan niets. Wat denk je?” “Maar die logeerkamer is een rommel­hok!” “Dan zal ik daar eens iets aan doen, zeker?” Het was enkele dagen na Nieuwjaar. Maarten had een week of drie vrij tussen twee opdrachten. Dezelfde dag nog begon hij het kamertje op de zolderverdieping leeg te maken. Op Muriëls aanwijzingen richtte hij het daarna bescheiden maar gezellig in: verf en behang van de doe-het-zelfzaak, meubels en verlich­ting uit een postorder­cata­logus met 24-uurs service, en verder wat vintage­spulletjes van de kring­winkel. Het resultaat was dan ook meer dan behoorlijk.   De avond dat Muriël en Joran hun nieuwe liefdesnestje inhuldigden, zorg­de Maarten ervoor niet thuis te zijn. Net als zij was ook hij best zenuw­achtig. Maar weten dat zijn vrouw niet langer met haar minnaar langs obscure etablisse­menten doolde, maakte veel goed. Toen hij na twaalven weer thuiskwam, was Joran alweer vertrokken. Muriël was opgelucht en blij. Het spreekt vanzelf dat Maarten en zij heel wat hadden bij te praten die nacht… Vanaf toen verliep het contact tussen Joran en Maarten ook soepeler en ongedwongener. Joran werd een huisvriend in de volle beteke­nis van het woord. Dat hij Muriëls minnaar was, stoorde na verloop van tijd niet echt meer. Het wende, zoals alles. Niettemin bleef voorzichtigheid geboden. Beide koppels woonden immers in dezelfde gemeente. De minste verspreking of onacht­zaamheid kon fataal zijn.   * * *   Maarten legde een arm om Linda’s schokkende schouders en trok haar zachtjes naar zich toe. “Het… het… is gewoon niet… eerlijk,” griende ze. “Tegenover mij en… zijn kinderen… de ploert…” “Kalmeer nu maar, Linda,” zei hij. “Ze waren verliefd. Dat heb ik met mijn eigen ogen gezien.” “En geeft hem dat het recht om mij te bedriegen?” Maarten keek haar ernstig aan: “Ik weet het niet, al sla je me dood. Ik heb de laatste tijd zoveel gezien en gehoord dat ik amper nog durf te oordelen. Staat er trouwens niet: oor­deelt niet opdat gij niet zult geoordeeld worden?” “Dat moet jij nodig zeggen! Je bent immers geen haar beter! Je hebt voor pooier gespeeld voor die twee! Feitelijk ben jij medeplichtig. Besef je dat wel? Je bent er mee de oorzaak van dat Joran nu…” Dat het daarop zou uitdraaien, had hij verwacht. “Komaan, Linda,” zei hij. “Ik begrijp dat je verdrietig bent en boos. Maar de zaken zijn wat ze zijn. Zal ik nog eens trachten de lucht­haven…?” “Neen, godverdomme,” zei ze onverwacht fel, “blijf hier. Blijf bij mij, houd me vast. Of liever, vul de glazen nog eens!” * * *   Eén enkele keer kon Muriël Maarten overhalen tot een triootje. Hij had wat dat betreft de boot lang afgehouden, omdat het hem maar niets leek zo samen met zijn vrouw en een andere man. Er echt van genoten had hij dat keer ook niet, omdat hij er ondanks het op­windende van de situatie, steeds op bedacht bleef onder geen beding lichamelijk con­tact met de andere man te hebben!   * * *   Nadat Linda gulzig de helft van haar tweede glas had leeggedronken, wierp ze zich plots bovenop Maarten en overlaadde hem met onstuimige kussen, waarna ze hem zowaar de kleren van het lijf rukte. Het verbaasde hem wel van deze anders zo gereser­veerde vrouw. Cultuur en beschaving: toch maar een dun laagje, zeker? Wat Linda betrof, was het puur revanche. En voor Maarten? Muriël terugbetalen met gelijke munt? Wat een onzin. Of het nu met Linda, de Poolse werkvrouw, of de hoer van Babylon was, het kon hem op dat moment echt niet schelen.   Toen Linda en Maarten even later nog in elkaar verstrengeld lagen, rinkel­de plots de telefoon. Ze keken elkaar ontnuchterd aan. “Zouden ze dan toch…?” fluisterde Linda. “Zou het kunnen…?” “…” Maarten liet zich uit haar glijden, een vochtig, wit, spinragachtig spoor op haar linker dijbeen achterlatend, en liep naar het toestel in de hal. Net voor hij de hoorn van de haak nam, dacht hij: wonderen, als ze be­staan, zullen we het nu aan de weet komen, zeker?

Yves Taffin
0 0

MOETES

‘Zeg eens, Lilian, waarom strooi jij al die leugens rond? Je weet toch dat ik onmogelijk de vader van je kind kan zijn. Jij en ik hebben immers nog nooit…’ Een zondagmiddag begin oktober 1978. Mijn buurmeisje en ik bevonden ons in de keuken van mijn ouderlijke woning. Onze respectieve ouders bespraken in de aangrenzende woon­kamer hoe ze de kwestie op de meest rimpel­loze wijze kunnen afhan­delen. Het was de eerste keer dat ik Lilian onder vier ogen zag sinds haar bekendmaking vorige donderdag. Ze grijnsde: ‘Snap je dat dan niet, Corneel?’ ‘Wat moet ik snappen?’ vroeg ik. ‘Jij bent de enige die ik ken van wie de ouders er zo warmpjes inzitten. Bovendien heb je net als ik broers noch zussen. Ik kan toch geen betere zaak doen, zeker!’ Ik was als van de hand Gods geslagen. ‘Maar, Lilian. Dat kun je toch niet menen!’ ‘Toch wel. Daarbij, ben je soms vergeten hoe ik je acht jaar geleden het leven heb gered? Je hebt me toen gezworen dat je ooit iets voor me terug zou doen. Wel, dan is het nu HET mo­ment, Corneel.’   Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten! Het gebeurde in het jaar dat ik elf was en zij dertien. Een warme zomer­middag. Lilian en ik waren aan het spelen vlakbij de oever van de Vleterbeek, hier de vaart genoemd, omdat deze sinds lang in on­bruik geraakte waterweg in de Middel­­eeuwen bevaar­baar moet zijn ge­weest. Op sommige plaatsen is die Vleterbeek zelfs nu nog vrij diep en ze kent hier en daar verraderlijke stromingen. Op zo’n plaats, ter hoogte van het College en de Deken de Bolaan, gebeurde het. Ik gleed uit en schoof meteen naar het midden van de beek waar het iets meer dan een meter diep is. Mijn beide voeten zogen zich vast in de modder. Ik kon geen kant meer op. Hulpgeroep zou niets hebben uitgehaald. Het was immers zo­mer­vakantie. Buiten Lilian en ik was er niemand in de wijde omgeving. Dus eerlijk is eerlijk: was zij er toen niet geweest en had ze niet zo koelbloedig gereageerd, dan had ik dit allicht niet naverteld. Zo een gebeurtenis schept natuurlijk een band tussen mensen. En ik bleef haar echt eeuwig dankbaar voor wat ze toen had gedaan. Maar wat ze me nu vroeg… ‘Ik denk dat je toch wat hard van stapel loopt, hoor, Lilian.’ ‘Absoluut niet,’ antwoordde ze. ‘Jij doet wat van je verwacht wordt: met me trouwen. Je mag nog duizend keer zeggen dat het kind niet van jou is. Wie zullen ze geloven, denk je?’ Ze had gelijk. Zelfs mijn eigen ouders twijfelden, hoezeer ik ze ook op het hart drukte dat Lilians kind onmogelijk van mij kon zijn. Ik zei: ‘Maar Lilian, wij hebben toch al lang niets meer samen. Waar­om wil je dan per sé dat ik met je trouw?’ ‘Dat heb ik je al uitgelegd, Corneel. Daarbij, ik ZIT er wel mee!’ ‘Okay, okay, maar daarom is het nog mijn verantwoorde­lijkheid niet.’ Even bleef het stil. Toen opperde ik voorzichtig: ‘Ik euh… zou je kunnen helpen met geld voor een… abortus.’ ‘Een abortus? Wie zegt dat ik een abortus wil?’ ‘Ik weet niet… Misschien is dat in de gegeven omstandigheden wel de beste oplossing en…’ ‘Dat was ook het eerste waar mijn moeder mee aankwam, toen ik het haar vertelde. Tot ik haar zei dat jij de vader was. Toen veranderde ze snel van gedacht, hoor!’ Dat zal wel, dacht ik wrang. Die zag natuurlijk het oogje vet. Ik reageerde echter: ‘Trouw dan met de echte vader van je kind. Wie is het trouwens die je dit heeft geflikt?’ ‘Dat doet er niet toe. Hij noch zijn ouders bezitten een rooie duit. Het heeft dus geen enkele zin hem voor zijn verant­woor­de­lijkheid te plaatsen. Trouwens, we hebben het maar één keer gedaan. Tijdens de late uurtjes van een septem­berfuif achter de Maeke Blydezaal. Ik was met hem mee naar buiten gegaan: hij had me tenslotte al de hele avond getrakteerd! En voilà, hier zit ik nu met de gebakken peren!’ ‘Jesus, Lilian!’ ‘Hoe dan ook,’ ging mijn buurmeisje onverstoorbaar verder, ‘hij is een nietdeug, een drinker, een bruut: één waar ik zeker niet mee getrouwd wil zijn. Dan nog liever…’ ‘Aha,’ zei ik, ‘je geeft toch nog meer om mij dan om die ander.’ Lilian keek me doordringend aan, kruiste de armen en zei: ‘Awel: ja. Mijn moeder wilde altijd al dat ik het weer met jou aan­legde. Ze krijgt dus nu haar zin. En jouw ouders? Die hadden dan misschien een heel andere schoondochter in gedachten. Maar ze mogen gerust zijn: ze kennen me en ze weten wat ze aan me hebben. Want het is niet omdat jullie een florerende handelszaak, eigen­dommen en geld hebben, dat jij met die han­dicap van jou een filmster aan de haak zult slaan. Zeg het als ik ongelijk heb!’ Het was of er een mes in mijn rug werd geplant. Waarom moest iedereen me dat altijd weer te pas en te onpas onder de neus wrijven. Wat kribbig reageerde ik: ‘Dat heeft er allemaal niets mee te maken, Lilian. Vertel me liever, als je niet verliefd op me bent, hoe lang je dan van plan bent deze komedie vol te houden?’ ‘Tot de kleine groot genoeg is,’ antwoordde ze prompt. ‘Laten we zeggen tot hij of zij naar de middelbare school gaat. Als je wilt mag je dan van me scheiden. Maar betalen voor je kind en mij zul je. Vergeet dat niet. En verder…’ Ze aarzelde. ‘En verder wat?’ vroeg ik. ‘Verder hoef je van mij niet te rekenen op veel seks.’ ‘Pardon?’ ‘Toch niet vóór de geboorte. Daarna zullen we wel zien. Als je dan een beetje redelijk bent, en ik kan het opbrengen om met jou in één bed te slapen, dan… dan zal ik af en toe eens lief voor je zijn en je vertroe­telen zoals een vrouw met haar man hoort te doen. Je bent dan tenslotte mijn echtgenoot. Maar het hangt volledig van jou af.’ ‘Jij wilt dus seks inzetten als beloning,’ concludeerde ik met stijgende ont­zetting. ‘Ik weet niet wat ik hoor, Lilian!’ ‘Precies of er bestaat andere seks,’ kaatste mijn buurmeisje terug. ‘Jazeker,’ antwoordde ik nadrukkelijk. ‘Er bestaat nog zoiets als echte liefde tussen man en vrouw!’ ‘Hahaha.’ Ze lachte als een boer met kiespijn: ‘Jij zit te veel met je neus in de boeken, Corneel. De grote liefde, da’s iets voor supersterren en miljonairs, jong. Niet voor mensen als jij en ik. Wij moe­ten pakken wat langs­komt, en vooral niet dromen van iets dat toch niet bin­nen ons bereik ligt. Anders blijven we achter met lege han­den.’ ‘Jezus, je meent het, Lilian!’ ‘Tuurlijk. Trouwens, mijn ma zegt altijd: als een vent zijn ple­ziertje heeft gehad, trekt hij zijn broek weer aan, doet zijn gulp dicht en dat was het. Terwijl het voor ons vrouwen dan allemaal pas begint.’ ‘Zeg dat maar tegen de echte vader van je kind!’ ‘Begin jij er alvast maar aan te wennen dat het vanaf nu jouw kind is! Je hebt het in het bijzijn van anderen voortaan over ONS kind. Begrepen?’ Ik wilde nog wat zeggen, maar net op dat moment zwaaide de keuken­deur open. Daar was mijn moeder: ‘Zeg, waar blijven jullie? Er is nog van alles te bespreken hier­naast.’ Te bespreken, misschien wel, dacht ik. Maar of het de zaak nog zal veran­deren?   *  *  *   Nadat Lilian en haar ouders waren vertrokken, liep ik nog een eindje om. Kwestie van een beetje uit te waaien en de dingen op een rijtje te zetten. Hoewel, viel er eigenlijk veel op een rijtje te zetten? Ik was geflest, zoveel leek duidelijk. Wat kon ik ertegen inbren­gen? Een bloedtest eisen?(1) Maar wat zou dat, als bijvoorbeeld bleek dat onze bloedgroepen toevallig dezelf­den waren! Zoals de zaken nu stonden, kon ik geen kant op. Eerlijk gezegd: ik had nooit van Lilian verwacht dat ze het zo zou spelen. Hoe lang kende ik haar nu? Sinds ik een jaar of acht, negen was? We waren inderdaad al buren sinds onze geboorte, maar op een dag tijdens een kerst­vakantie, er lag sneeuw en alle kinderen van de straat kwamen buiten, maakten we nader ken­nis. Sindsdien zagen we elkaar geregeld, zeker toen kort daarop haar moeder bij mijn ouders in de huishouding kwam werken. De eerste maanden konden Lilian en ik het erg goed met elkaar vinden. Toen ik echter op mijn tiende naar het blindeninternaat in Brus­sel trok, minderde onze wederzijdse belangstelling. Zij was tenslotte anderhalf jaar ouder dan ik. Op die leeftijd is dat rede­lijk veel. Wij gingen elk zo’n beetje onze eigen weg, zij kreeg een lief en ik ontwikkelde heel andere interesses. Onder invloed van mijn nieuwe vriendenkring in Brussel ver­vreemdde ik gaandeweg van mijn oorspron­kelijke omge­ving. Ik vond dat toen niet erg, omdat ik meende er veel meer voor terug te krijgen. Echter later zou ik daar anders over gaan denken. Toen ik na mijn studies weer thuis kwam wonen, was de band tussen Lilian en mij zo erg verwaterd, dat er nog amper van vriendschap sprake was. Maar tot mijn verbazing keerde dat vrij snel. Ik kreeg haar weer vaker te zien en sprak al eens af met haar. Misschien had ik dat beter niet gedaan. Want zie wat ze me nu lapte, dat terwijl we nog nooit echt seksueel contact hadden gehad.   Het was pas tegen negen uur die avond dat ik weer op huis aanliep, in de hoop dat intussen de storm zou zijn gaan liggen. Maar neen, zowel mijn vader als mijn moeder wacht­ten me op met alweer een preek, in het bijzonder (hoe kon het ook anders?) van mijn moeder dan. Ze trok gelijk van leer: ‘Je hebt ons mooi voor schut gezet met die affaire. Wat moeten de mensen wel niet denken?’ Wat de mensen ervan dachten, liet me Siberisch. Ik antwoordde echter zo rustig mogelijk: ‘Zoals ik jullie al duizend keer heb proberen uit te leggen: dat kind is niet van mij!’ ‘Jij kunt dat wel zeggen, maar waarom zou Lilian daar nu over liegen?’ ‘Omdat zij en haar moeder geld hebben geroken, natuurlijk. Je hebt goed genoeg gehoord wat Christine daarstraks hier aan tafel zei: zelf hebben ze nauwelijks geld voor de trouw. Dus, wij zullen alles mogen ophoesten.’ ‘Je bedoelt,’ reageerde mijn moeder, ‘dat je vader en ik alles zullen mogen betalen. Enfin, stel dat je gelijk hebt, dan kan ik er nog niet bij, hoor! Wie trouwt nu met iemand die de vader van haar kind niet is.’ ‘Omdat het gemaakt is door een nietsnut die nog berooider is dan zij. Ze heeft het tegenover mij anders wel zelf toegegeven: dat ze het doet omdat ik de beste partij ben die ze kan strikken. Ze ziet het ook als een soort weder­dienst voor die keer dat ze me halfdood uit de beek heeft gehaald.’ ‘Oh, nee! Dat weer!’ ‘Ja. Dat weer!’ ‘Dat jij toen ook zo stom moest zijn je door haar te laten redden. Je ziet nu wat ervan komt!’ ‘Moest ik me dan soms laten verzuipen!’ Mijn moeder ging hier niet op in, maar vroeg: ‘Wanneer heeft ze dat gezegd?’ ‘Toen ik daarstraks met haar alleen in de keuken was. Ik had een bandop­nemertje op zak moeten hebben. Dan hadden jullie me wel moeten gelo­ven.’ Uit de blik van mijn vader kon ik opmaken dat hij wel geneigd was me te volgen. Mijn moeder die dit kennelijk doorkreeg, ging snel verder: ‘Hoe dan ook: je hebt vroeger genoeg achter haar gat gelopen, terwijl ik je altijd voor haar heb gewaarschuwd. Je weet goed waarom. Dat meisje is geen partij voor jou. Je ziet nu van welke praktijken ze zich bedient om haar doel te bereiken.’ ‘Vroeger was vroeger,’ zei ik. ‘Waar jij over spreekt is zes, zeven jaar geleden. Het is al zolang dat ik niets meer met Lilian te maken heb. Trouwens, ze heeft me toen zelf de bons gegeven.’ ‘En in Brussel? Hoe zit het daar?’ vroeg mijn moeder als van de hak op de tak. Dat deze vraag zou komen, had ik verwacht. Toch verraste ze me nog. ‘In Brussel?’ herhaalde ik om wat tijd te winnen voor ik hierop antwoord­de. Op dat moment had ik daar een deel­tijdse betrek­king als muziek­leraar in een instituut voor slechtziende en blinde meisjes. ‘Je weet best wat ik bedoel,’ zei mijn moeder. ‘Je bedoelt… Gonda?’ ‘Een schande is het, die aanhouderij.’ ‘Pardon, ma. Gonda en ik zijn niets aan elkaar verschuldigd. Ze is me zelf in mijn chambrette komen verleiden. Dat zij haar vriend horens zet, is haar zaak. Daar kom ik niet tussen. Ik ken die gast niet eens!’ ‘Je zou er nu op zijn minst een einde aan kunnen maken, Corneel. Al goed trouwens dat de mensen er hier geen lucht van hebben. Je zou wat horen!’ ‘Er is alleen… Lisa,’ zei ik nog. Lisa was een opvoedstertje dat ook op het instituut werkte en op wie ik al maanden smoorverliefd was. Ze wees me echter iedere keer weer af. ‘Die droom zal je nu definitief moeten opbergen, jongen.’ Dat was mijn vader die nu voor het eerst wat zei. ‘Ah, ja? En waarom dan?’ ‘Omdat je nu gaat trouwen met Lilian. Daar kun je niet meer onderuit.’ ‘Ah, nee? En waarom niet, als ik vragen mag?’ ‘Omdat ze anders…’ ‘Omdat als zij schandaal maakt onze zaak hier naar de kloten gaat. Daarom!’ viel mijn moeder in. ‘Dat geloven jullie zelf toch niet!’ riep ik uit. Nochtans… Mijn vader werkte als werktuigkundige. Hij onderhield en ver­handelde hier in Meervoorde hoofdzakelijk landbouw­ma­chines, ook al eens een lichte vracht­wagen of bestel­wagen. Zijn zaak moest het inder­daad hebben van over het alge­meen erg conser­vatief denkende boeren. Mijn moeder zei: ‘Als Lilians al dan niet gefantaseerde verhaal hier de ronde gaat doen en jij laat haar zitten, dan blijven onze klanten weg en… en dan kan jij je pianohan­deltje ook op je buik schrijven. Dat begrijp je toch!’ Daar raakte ze me nog het meeste mee. De bescheiden piano­zaak die ik voorzichtig aan het opstarten was, begon nu eindelijk wat te lopen. Jammer genoeg moest ik voor mijn verplaatsingen naar de klant meestal wel een beroep doen op mijn vader. Die piano’s waren in feite het enige dat me hier nog bond, momen­teel. Ik had dan ook lang getwijfeld of ik hiermee voort zou doen. Goed, het was nog geen vetpot, maar nu ik eenmaal zover stond, kon ik toch moeilijk al die klanten weer laten stikken. ‘Verdomme…’ mompelde ik. ‘Wat is dat hier eigenlijk voor een gat?’ ‘Je zult er toch mee moeten leren leven, Corneel,’ zei mijn vader op sussende toon. ‘Daarbij, of je nu met Lilian of met iemand anders trouwt, zoveel verschil maakt dat niet. Lilian is niet lelijk en…’ ‘Vind jij dat?’ vroeg mijn moeder. ‘ze is wat plomp van voor­komen, haar kuiten zijn te dik en ze heeft verdorie koeienogen.’ ‘Bah, dat valt allemaal nog wel mee!’ reageerde mijn vader. En ik dacht: hij wil zeggen, als je het licht uit doet, zeker? ‘Waar het mij om gaat is dat Lilian geen partij is voor onze zoon,’ zei mijn moeder. ‘Het is niet omdat Christine hier jaar en dag het huishouden komt doen, dat ze nu ineens van onze stand zouden zijn. Het is en blijft simpel werkvolk. En nu mag ik van Christine geen kwaad woord zeggen, maar die familie van hen is toch maar het laagste van het laagste. Straatjesvolk, dat is het. Ter­wijl wij… En wat voor opleiding heeft dat meisje eigenlijk? Huis­houdkunde? Denk je nu in alle ernst dat zij onze Corneel geluk­kig kan maken? Maar ja, hij zit in het bootje, en dus zal hij moeten varen! Zeg niet dat ik hem niet verwittigd heb!’ Langzamerhand begon dit welles nietes gesprek me grondig de keel uit te hangen. Trouwens, wat had ik de hele dag anders gehoord? En altijd draaide het op hetzelfde uit: geld, geld en nog eens geld. Of er niets belangrijkers in het leven was! Onder het mompelen van een vaag excuus maakte ik dat ik de kamer uit kwam, de trap op naar boven. Daar op mijn verdieping was mijn eigen wereld, een wereld die ik weldra zou moeten delen met…? Allicht niet, daarvoor lagen Lilians en mijn interes­ses te ver uit elkaar. Gelukkig was het appartement voldoende ruim om elk een beetje zijn eigen plaats te geven. Niettemin zou het toch een hele aanpassing worden. Maar kom, zo ver was het nog niet. Van de andere kant, hoezeer de idee van dat huwelijk me daarnet nog tegenstond, nu begon er bij mij toch iets te ontwaken van een zekere sympathie ervoor. Sterker, dat huwe­lijk met Lilian begon ik te zien als een uitdaging. Want je kon het ook zo beschouwen. Zij had me jaren niet meer zien staan, terwijl ze me nu nodig had. In feite was ik het dus die nu over haar triomfeerde. Ze zei nu wel dit en dat, maar eens ze met me getrouwd zou zijn, zou ze toch op zijn minst rekening met me moeten houden. Het was in onze streek trouwens de gewoonte dat de man de baas was in huis. Emancipatie, dat kenden de boeren hier niet. Niet dat ikzelf zo hoog opliep met die achterlijke mentaliteit –- ik was namelijk een democraat in hart en nieren –- maar in dit geval kwam het me wel bijzonder goed uit.   Ik slaakte een diepe zucht, liep naar mijn SBR-transistor en schakelde hem aan. Onmiddellijk weerklonken van op de licht gestoorde Radio Caroline middengolffrequentie de tonen van Steeley Dan’s ‘Do it Again’. Er waren dus nog zekerheden, bedacht ik, net voor ik mij op bed liet ploffen. Als ik ’s avonds de radio aanzette, luisterde ik meestal naar Radio Caroline. Die draaiden tenminste geen van die schreeu­werige discoplaten zoals die opdringerige Radio Mi Amigo over­dag, maar intelligente progressieve albummu­ziek. Tot eind verle­den jaar kon je Caroline overdag nog van op een eigen golfleng­te beluisteren, maar sinds vorige december zaten Mi Amigo en Caroline weer op één frequentie, namelijk de 319m of 963khz. Mi Amigo overdag en Radio Caroline ’s avonds en ‘s nachts. Waarom ze na een paar jaar weer tot die regeling waren terug­gekeerd, wist ik niet precies. Kwa­tongen zoals onder andere mijn neef die vaak de krant las, beweerden dat het was omdat het verre van goed ging met ons laatste radiozendschip op de Noordzee: de MV Mi Amigo. De oude kustvaarder gebouwd in 1921 zou zo lek zijn als een zeef, en de leef- en werkom­standigheden aan boord erbar­melijk. Maar aan de olijke sfeer van de Mi Amigo live-uitzendingen hoorde je dat niet, en de Caroline-jongens bleven zoals steeds zo stoïcijns en flegmatiek als maar kon. Het zouden anders geen Britten zijn, zeker. En ja, er was al zoveel gezegd en geschreven over The Old Lady, zoals de Mi Amigo onder radiofreaks gemeenzaam werd genoemd. Zolang Radio Caroline, the only album Station in Europe, maar in de ether bleef, was het wat mij betreft prima. Ik gaf het toe: ik was een zeezenderfreak. Ik droomde er dan ook heimelijk van om voor een zeezender te werken, maar de kans dat het ooit zover zou komen, was wel heel erg klein. Programma’s aan land opnemen zou nog lukken, maar zag je mij als slechtziende al naar dat zendschip afreizen? Het leven daar moest toch alles bij elkaar niet zo comfortabel zijn, en op bepaalde momenten zelfs hachelijk. Het zou al een hele toer zijn om mijn baantje in Brussel te behouden, nu daar werd gesproken over herstructureren, fuse­ren met andere blindenin­stituten en besparen. Daar moest ik het ten gepaste tijde met Lilian ook nog eens over hebben. Over wat al niet, eigenlijk! ------------------------------------------------------------------- (1) Destijds de enige manier om grosso modo achter het vaderschap te komen. DNA-testen bestonden in 1978 nog niet.  

Yves Taffin
20 0

DE LAATSTE ZOMER

  BLINDENINSTITUUT   De jongen is helemaal overdonderd. Het is de voorlaatste zondag van juni. Zonet heeft de broeder-overste hem samen met zijn ouders rondgeleid in het imposante blinden­instituut. Of liever: het Instituut voor Blinde en Slechtziende Jongens, zoals de instelling officieel heet. Rare sfeer op een zondag. En alles is zo anders hier: de klaslokalen, elk voor slechts een tiental leer­lingen, de ruime, lichte slaap­zaal, de refter met ongewone acht­hoe­kige tafels, en tenslotte de muziekstudie, afdeling waar onder andere de piano­lessen worden gegeven waar hij al zo lang naar uitkijkt. Zijn ouders vragen het hem nog eens, zij het eerder voor de vorm: of hij echt wel zeker is dat hij vanaf het volgende schooljaar hier op internaat wil komen. Hij antwoordt volmondig: ja. Dit niettegen­staande het diep in zijn binnenste schreeuwt: Heer, neemt deze kelk van mij weg! Dat zeggen kan en durft hij echter niet. Zijn vader en moeder verwachten immers zoveel van deze verpotting van schoolomgeving. In het plaatselijke college was het de laatste tijd ook altijd wat. De ene keer werd hij door medeleerlingen gepest, een andere keer hield de onderwijzer tegen alle afspraken in plots geen rekening meer met zijn visuele handicap. Kortom: een situatie die op langere termijn echt niet houdbaar is. De conclusie ligt dus voor de hand: in de beschermde omgeving van het blindeninstituut zal hij beter dan waar ook zijn weg kunnen vinden naar een voor­spoedige toekomst. En wat wil hijzelf? Als hij dat maar eens wist! Op dit ogenblik voelt hij zich een klein, bang wezentje, overgeleverd aan de naar hij mag hopen weloverwogen beslissingen van de grote mensen. Zij doen dit immers voor zijn goed, beweren ze met stelligheid. Eens volwassen zal hij hen dank­baar zijn. En studeren in Brussel bij de paters (in werke­lijkheid zijn het Broeders van Liefde, maar dat onderscheid maken deze brave zielen niet): het is niet voor iedereen weggelegd. Velen zullen hem erom benijden! Maar die gedachte troost de jongen allerminst. Integendeel! Hij wil helemaal geen geprivi­legieerde positie. Trouwens, hoe zal dat gaan, zo tussen allemaal vreemden? Hij durft het zich amper voor te stellen. En wat zullen die jongens spreken onder elkaar? Zeker geen West-Vlaams, zoals in het college. En er is nog zoveel waar hij het gissen naar heeft. Niettemin beseft hij maar al te goed dat de teerling is geworpen. De tranen prikken nu al achter zijn oogleden. Maar hij weet dat hij zich sterk moet houden en niet het klein kind uithangen. Trouwens, heeft hij tranen gezien bij zijn ouders? Neen, en hij zal ze ook nooit zien. Ondertussen hoopt hij stiekem op een wonder, of tenminste op een grote vakantie die eindeloos duurt.   TENT   Hij is naar buiten geweest om te plassen. Het heeft geregend en de aarde geurt vochtig, zoals dat alleen kan op onweerachtige zomerdagen. Als hij de flap wegslaat en op het punt staat de tent weer binnen te gaan, ziet hij haar liggen op het geïmproviseerde bed. Ze heeft haar shorts en blouse uitgetrokken, en draagt nog slechts een smetteloos wit hemdje en dito onderbroekje. Ze kijkt hem aan met die grote ogen van haar; koeienogen, beweert zijn moeder. Liliane zegt: “Je komt binnen en je zou me hier zo naakt zien liggen.” De jongen aarzelt. Besluiteloos kijkt hij haar aan en wacht op wat komen zal. Er gebeurt echter helemaal niets. “Wel… hoe zit het, joh?” vraagt het meisje, en ze maakt een rare beweging met haar onderlichaam. Hij voelt zich onnozel zoals hij hier staat, de handen in de zakken van zijn korte broek. Wat denkt ze? Wat wil ze van hem? Hun spelletjes zijn die van een getrouwd stel. Alsof er soms andere vormen van samenleven mogelijk zijn, hier in dit gat op de drempel van de jaren zeventig. De tent in de tuin van zijn ouders doet dienst als hun woning. Lilianes poppen zijn hun kinderen. Ze heeft er hem zelfs één toever­trouwd. Hij mag ervoor zorgen als zij er niet is. En dat is het meeste van de tijd. Liliane is zijn overbuurmeisje, de dochter van hun werkvrouw Christine die getrouwd is met Jules, een stuurse metser. In de schoolvakanties komt het meisje hier geregeld spelen, maar volgende week en de week erop zal hij haar niet te zien krijgen. Dan logeert ze bij haar tante Lien, een jon­ge­re zus van haar moeder, die een café uitbaat in de buurt van de Oostendse Visserskaai. Dat steekt de jongen. Maar wat kan hij doen? Net als hij is ook Liliane enig kind, maar anderhalf jaar ouder dan hij. Hij be­schouwt haar als zijn lief, zonder dat dat ooit is uitgesproken tussen hen.   Moet je hem daar nu zien staan, denkt het meisje, tegen het binnen­vallende licht naar hem opkijkend. Ik lig hier verleidelijk te zijn en hij merkt het niet eens. Ik ben wel niet echt bloot, maar toch… Van de andere kant: stel je voor dat ik hier echt in mijn pure had gelegen, en hij begreep de hint al evenmin. Dan pas had ik mezelf te kakken gezet. Om nog maar te zwijgen van het risico dat zijn bazige moeder of iemand anders hen hier in de tent komt controleren! Hoewel daar weinig kans toe is. Hun tuin ligt immers helemaal achter de werkplaats van zijn vader: goed verscho­len voor de blikken van uit het woonhuis. Zelfs als mijn ma er aan het poetsen is, kan ze me onmogelijk in de gaten houden, hier. En dat die uil dat nu niet snapt! Dat is toch om dood te vallen! Ieder ander zou de gelegenheid maar wat graag te baat nemen. Maar hij! Liliane trekt de schouders op en komt zo nonchalant mogelijk overeind. Misschien vergeet ze te gauw dat hij nog maar tien is, en zo… fragiel, zo wereld­vreemd. Hij kan het allemaal wel mooi uitleggen, maar daar staat tegen­over dat hij echt nog niet weet waar Abraham de mosterd haalt. Terwijl zij… Maar goed, meisjes zijn nu eenmaal sneller rijp dan jongens, beweert haar ma. En die kan het weten, zeker? Dat zij Liliane naar de staatsschool gaat, zal er ook wel voor iets tussen zitten. Het is trouwens de enige zoge­naamd gemengde school in deze hele achter­lijke streek, en er zitten tenminste echte gasten, hippies, nozems en zo, en geen van die zenuw­lijders en pilaren­bijters zoals in dat college van hem. Tenminste, tot nu toe dan toch. Want verleden week vertelde hij haar dat ze hem vanaf september op internaat gaan sturen. Naar zo’n speciale school ergens in Brussel, waar allemaal jongens zitten zoals hij die niet goed kunnen zien. En het is bij de paters. Wie weet maken ze daar wel een pastoor van hem! Hij zou in ieder geval goed kunnen preken. Hoewel, pastoor worden wil hij toch niet, heeft hij haar een keer toever­trouwd. Tenminste zolang die niet mogen trouwen van Rome. En dat zal nog lang duren, beweert haar vader. Dan moet er eerst een andere paus komen. Wie weet wordt het volgende keer na Paulus VI wel een neger, gekscheert haar ma. En dan wordt er hartelijk gelachen. Een zwarte paus! Wie verzint nu zoiets!   De jongen ziet hoe zijn buurmeisje overeind komt en haar kleren weer aantrekt. “Kom,” zegt ze, “we doen voort.” En ze doen voort. Hij is er echter met zijn hoofd niet meer bij. Anders dan andere keren is hij zelfs opgelucht wanneer ze rond halfzes haar boeltje pakt.   MANSARDE I   Twee dagen later. Ze zijn op de mansarde. De regen striemt onophou­delijk het erkerraam. Het is geen weer om een hond door te jagen en dus nog minder om in de nu halfverzopen tuin te spelen. “Zulke slechte zomers hadden we vroeger niet,” beweert zijn groot­moeder. “’t Is allemaal de schuld van die maanraketten en dat ander ruimtetuig dat ze tegenwoordig de lucht inschieten. Daar komt niets dan miserie van: let op mijn woorden!” Liliane en hij zijn met hun hebben en houwen naar de bovenste verdieping van het woonhuis getrok­ken: naar de mansardekamer die zijn ouders enke­le jaren eerder, toen na het overlijden van zijn grootvader zijn grootmoeder bij hen kwam inwo­nen, voor haar hebben ingericht. Maar nu dat oude mens kost wat kost een verdieping lager wil slapen (last van de benen, weet je wel), is de kamer hem toegewezen. Zijn eigen kamer? Met het bloemetjesbehang en de geboende oude meubels, zeker! Noemen ze dat een eigen kamer! Dan heeft hij daar toch een heel andere opvatting over. Maar hij heeft er niets over in de pap te brokken. Hij mag zelfs geen teke­ningen of posters tegen de muren ophangen. De familiefoto’s hangen daar goed, zegt zijn moeder. Hun spel is dat van altijd als ze samen zijn. Liliane haar poppen liggen in een houten kistje dat een kinderbedje moet voorstellen. Het meisje is bij hem komen liggen in het grote bed, destijds gekocht in het Franse Limoges door de ouders van zijn grootmoeder, met wie ze tijdens Wereldoorlog I op de vlucht was voor het gifgas, ieperiet. De enige romantische noot is de gutsende regen buiten.   Wat doe ik hier, vraagt het meisje zich af. Dat hij zo onschuldig is als een koorknaap, staat nu wel buiten kijf. Zie ons hier nu liggen. Als hij nog maar een beetje poeier in zijn kloten had, dan pakte hij me toch eens stevig vast en… Och, laat maar zitten. Wat lost het op. Volgende week ben ik bij Tante Lien in Oostende. Ja, van die logeerpartij verwacht Liliane wel wat. Tante Lien is tenminste niet zo preuts en bekrompen als die stompzinnige boeren en kwezels hier. Oostende, dat is de stad, de zee, het strand, de winkels: alles voor de moderne mens. Alles wat je hier in dit door God vergeten gat nog in geen duizend jaar zult vinden!   MANSARDE II   Zou Liliane nu aan mij denken, vraagt de jongen zich af. Het weer is niet meer zo slecht als de voorbije week, maar het regent toch nog af en toe, zodat hij weinig zin heeft om buiten alleen in zijn tent te koeke­loeren. Hij zit op de mansarde met een prentboek op zijn knieën waar hij nauwelijks aandacht aan besteedt. Liliane is in Oostende en ik ben hier, mijmert hij melancholisch. Hoewel hij vaker een middagje met zijn ouders naar zee gaat (ze wonen er tenslotte op slechts circa 35km vandaan), zijn ze nog nooit in die kust­stad geweest. Ze rijden altijd naar Koksijde of naar Nieuw­poort, waar zijn moeder in de vismijn verse vis inslaat. “Oostende is veel te druk,” zegt ze, “en de vis is er niet zo vers als in Nieuwpoort, omdat Oostende grotere vissersschepen heeft, die dikwijls al veel te lang met hun vangst op zee zijn voor ze ermee aanmeren.” Toch vindt de jongen het jammer. In de klas heeft de meester prenten van Oostende en de maalboten getoond. Hij zou er eigenlijk wel eens heen willen. Die Koningin der Badsteden moet best een leuke plaats om toeven zijn. En wat hij ook zou willen is eens een ritje maken met de tram die hij er iedere keer langs de Koninklijke Baan ziet rijden. In Brussel, waar zijn groottante woont en bij wie hij al eens samen met zijn groot­moeder logeert, reed hij al vaker met de tram. Maar die merk­waar­dige, ouderwetse gele tram aan de kust met telkens niet één of twee, maar drie rijtuigen, intrigeert hem bovenmatig. Die lijkt een beetje op de Brusselse boerentram, maar dan duidelijk aange­vreten door de zilte zeelucht. Als hij daar tegen zijn ouders over begint, lachen ze hem vierkant uit. Wie rijdt er nu met de tram als hij een auto heeft! ’s Middags aan tafel vertelt Christine hoe haar zus de klanten van haar café op gezette tijden gezouten vis trakteert om ze zo meer te doen drinken. De jongen is onthutst over zoveel doortraptheid en vraagt zich vertwijfeld af of Liliane ook zo’n bere­kende sloerie zal worden.   ÉÉN SEPTEMBER   Hij had nooit gedacht dat het zo snel zou gaan, maar vandaag is het zover: maandag 1 september 1969. Terwijl zijn klasgenoten voor hun eerste schooldag als van ouds naar het college trekken, brengen zijn ouders hem met hun tweedehandse Ford Zodiac bouwjaar 1963 naar het verre Brussel. Het is nu echt. Voor het eerst in zijn korte leven zal hij een week lang tussen vreemden doorbrengen. Het vooruitzicht knelt als een bank­schroef rond zijn jonge hart. Voor zijn logies tijdens het schooljaar doen zijn ouders bewust geen beroep op hun familie in de hoofdstad. Dit omdat ze geen verplichtingen willen tegenover die mensen. “Dat zijn allemaal maar geleende broodjes,” zegt zijn groot­moeder. En dus gaan ze er enkel af en toe eens langs, zoals ook deze middag. Na het geanimeerde middagmaal brengen zijn ouders hem tenslotte naar het instituut dat er nu heel anders uitziet en aanvoelt dan die keer in juni. Het is al laat in de middag wanneer er afscheid wordt genomen, waarna hij pardoes in de les geschiedenis wordt gedropt. Als rond vier uur de klas uit is, drommen de andere kinderen op de speelplaats nieuwsgierig om hem heen. Hij een West-Vlaming? Afkomstig van Poperinge, zeg je? En waar ligt dat ergens? In Bachten de Kupe(*)! Algemene hilariteit. De toon lijkt gezet. De jongen zijn maag draait zich om en hij wilde dat hij hier nooit aan was begonnen. Maar een weg terug is er niet. Dat weet hij maar al te goed. Onwillekeurig denkt hij aan zijn vriendjes op het college. Het moet hen toch opvallen dat die jongen die altijd vooraan aan het bord zat er niet meer bij is dit schooljaar. Het kan dus niet anders of ze missen hem, concludeert hij in zijn naïeve onschuld. En Liliane, hoe zou het met haar nu zijn? Na haar thuiskomst uit Oostende heeft hij haar amper nog gezien. “Liliane heeft geen tijd om te komen spelen,” zei haar moeder. “Ze moet nog van alles doen voor het nieuwe schooljaar.” Wat dat ‘van alles’ precies inhield, vertelde ze er niet bij.   Ook voor Liliane is dit een schooljaar van veran­dering. In juni heeft ze immers de lagere school achter zich gelaten. De eerste dag in de midden­school (de école moyenne, zoals ze hier zeggen) verloopt wat onwennig. Gelukkig zijn de meeste van haar klasgenoten mee overge­gaan, zodat hun vertrouwde kliek intact blijkt. Af en toe denkt ze aan de voorbije zomervakantie, aan haar verblijf in Oostende, aan tante Lien, … Als ze die middag op de speelplaats komt, wordt plots haar aandacht getrokken door enkele oudere, uitgesproken knappe, langharige jongens. Die zien er niet slecht uit, denkt ze. Haar hart maakt een sprongetje en op slag is al haar weemoed ver­dwenen. En de slechtziende jongen van haar overburen? Die trekt zijn plan wel in het verre Brussel, zeker? ___________________________________________________________ (*)Bachten de Kupe, ook wel de Westhoek genaamd, is een gebied in de Belgische provincie West-Vlaanderen, dat geklemd ligt tussen de rivier de Ijzer, de Vlaamse Kust en de Franse grens. Bachten de Kupe betekent letterlijk: achter de kuip. Een groot deel van deze uitgesproken landelijke streek (vandaar de wat pejoratieve bijklank als het gaat over iemand van ginder) wordt nog steeds gekenmerkt door zijn oorlogsverleden. Tussen 1914 en 1918 vonden velen er de dood in één van de bloedigste loopgravenoorlogen van de voorbije eeuw. De vele indrukwek­kende oorlogsmonumenten en -kerkhoven van zowel Duitsers als Geallieerden zijn hier tot op vandaag de stille getuigen van.

Yves Taffin
12 0

De Professor

Druk gesticulerend gaf de Professor nog enkele laatste regieaanwijzingen. Zijn assistenten dwongen hem uiteindelijk in een witte, strakke schort; ze forceerden zijn armen in de veel te lange mouwen, knoopten die vast en begeleidden hem naar het spreekgestoelte. Daarna verdwenen ze door de deur achteraan in het lokaal.   ‘Hallo, hallo, Tokyo,’ sprak de Professor bij wijze van test door de microfoon. Die scheen te werken. ‘Welkom allemaal,’ vervolgde hij. ‘Vandaag zal ik u mijn revolutionaire uitvinding onthullen. Ik heb er geen doekjes om gewonden, het toestel bevindt zich recht voor uw ogen. Zonder dat u het wist was u al op de hoogte. Kijkt u goed, observeer nog beter en aanschouw,’ hier nam de Professor een kleine, doch dramatische pauze in acht, ‘de Animicro!’ De algemene stilte die op zijn aankondiging volgde kon niets anders betekenen dan dat verbazing het publiek de adem had benomen. De Professor glimlachte trots naar de microfoon. ‘Dit toestel, dames en heren, zet dierentaal om in mensentaal en omgekeerd. Voortaan zal het mogelijk zijn om deze schepsels van God te interpelleren over hun gedrag. Stelt u zich de draagwijdte hiervan voor! Regels en wetten zullen voortaan ook hen treffen. Bovendien kunnen zij ons belangrijke informatie aanreiken met betrekking tot de meest efficiënte manier om hen tot handelbare lammetjes te kneden. De technische kaart van deze micro is uiteraard Top Secret en bewaak ik met mijn leven, maar ik zal u met plezier de werking van dit wonderbaarlijke instrument demonstreren.’ Hierop knikte hij naar de koe die nu met zichtbare tegenzin naar de microfoon slenterde. ‘Naam?’ Met de armen voor zich gekruist wachtte de Professor het antwoord af. ‘André,’ zei het beest moeizaam, alsof haar bek nog niet de juiste flexibiliteit voor de woorden had ontwikkeld. ‘Welkom, André. Wat kan u ons vertellen over de zorgen waarmee wij u het beste omkaderen?’ ‘Bwa, doe mij maar gewoon een grote, frisse wei,’ antwoordde André. ‘En neem er zelf ook een.’ Opnieuw klonk het alsof ze door dichtgeknepen lippen sprak. De Professor knikte de zaal betekenisvol toe en vroeg vervolgens de aap op het podium. Een ietwat sjofel beest beklom het gestoelte. Zijn vacht vertoonde hier en daar kale plekken en met zijn rechteroog was duidelijk iets mis. Het leek zelfs te ontbreken. ‘Hebt u misschien een boodschap voor ons?’ vroeg de Professor met een vreemde schittering in zijn blik. Het bleef even stil. De Professor gaf met zijn schouder de aap een lichte por. Dat bracht het beest tot leven. ‘Bongo! Bongo! Banana!’ schreeuwde de lelijkerd, terwijl hij op en neer sprong. Hij sprak de woorden uit met een stereotiepe kadans en een tempo waarin je het ritme van de jungle kon vermoeden. ‘Het toestel is nog niet volledig getuned,’ verontschuldigde de Professor zich. ‘Het betreft hier een prototype. De laatste foutjes hoop ik er tegen eind deze week uitgewerkt te hebben.’ Hij trachtte de aap opzij te schuiven, maar deze bleef zich nogal hardnekkig aan de microfoon vastklampen. Dit was niet naar de zin van de Professor, toch slaagde hij er nog even in een professionele kalmte te bewaren. ‘Laten we ons wenden tot de giraf,’ sprak hij. Het viel niet te ontkennen dat een licht hysterische toon de weg naar zijn stem had gevonden. De Professor keek om zich heen. Hoe hij zich ook draaide of keerde, nergens liet een giraf of ander langnekkig wezen zich opmerken. ‘Giraf!’ riep de geleerde met overslaande stem. ‘Giraf!’ Geen beweging in de zaal, tenzij op het podium waar de witgejaste verwoed over de planken ijsbeerde. ‘Giraaaf!’ De man transpireerde nu hevig. Een van zijn assistenten kwam haastig vanuit de aanpalende kamer op hem toegelopen. ‘De giraf moest naar de wc,’ lichtte hij de Professor in. ‘Geen reden tot paniek. Drinkt u in afwachting van zijn terugkomst een beetje water.’ De assistent bracht een glas tot aan de lippen van de Professor. Met grote gulzige slokken liet die het vocht door zijn keel glijden. Dat hij daarbij morste scheen hem niet te deren. ‘Prima,’ prevelde hij, ‘Laten we de voorstelling even onderbreken. Een sanitaire pauze inlassen. Misschien …’ Het lukte hem niet de zin af te maken. Dikke watten omzwachtelden zijn gedachten. Zijn tong hing als een slappe doek over zijn kin. Zijn ogen konden slechts met moeite enkele schimmen ontwaren doorheen de witte mist die plots in het lokaal was komen opzetten. Vaag voelde hij hoe sterke armen hem op een draagberrie neer vlijden. ‘Grf,’ mompelde hij een laatste keer, waarna de dieren zich zachtjes tegen zijn lichaam nestelden.

Ruth A
0 1

I love la douce France

Zo’n donkere, koude ochtend, hartje winter, begin jaren 60. Zoals elke donkere, koude winterochtend kruip ik dicht tegen de kachel aan. ‘Feu continu’ noemt mijn moeder die kachel. Maar ik merk ’s morgens weinig van zijn ‘doorlopende warmte’, wanneer de verse lading kolen alle moeite heeft om vuur te vatten. Terwijl ik rillend mijn kleren aantrek, denk ik aan de kou en de schaars verlichte kerkwegel waar ik straks langs moet, op weg naar school. Zou de grote herdershond van het tankstation op de hoek weer los lopen en komen snuffelen? Ik hou mijn adem nu al in en huiver nog meer.    Intussen speelt op de radio, elke dag opnieuw, Franse muziek. Mistinguette, Piaf, Brassens en Georgette Lana, ik ken ze feilloos. Maar ik hou er niet van. Mistroostig vind ik hen klinken. Eindeloos treurend met een tremolo in de stem of vals meeslepend met een ‘Java’ of ‘Mylord’ op de vloer… Geef mij maar de vrolijke Engelsen. Jerry Lee Lewis, Cliff Richard en de Everly Brothers. Of Elvis. Maar neen, Frans zal ik leren, door elke dag een stevige portie Franse cultuur bij de lauwe kachel. Het effect is net andersom: ik haat Frans. En ‘s avonds luister ik stiekem naar ‘mijn’ Engelse muziek op mijn transistorradiootje.   Verplichte verblijven bij Waalse kennissen versterken alleen maar mijn afkeer. Boeiende taalvakanties tussen jongeren in Engeland voeden mijn Angelsaksische voorkeur met grote scheppen.   Tot ik de man van mijn leven ontmoet. Hij houdt ook niet van Brassens, maar is overtuigd francofiel.  Kent Parijs en het Franse platteland op zijn duim en neemt me mee. Hij laat me de deugden ontdekken van een casse-croûte in het veld, met wat ‘pain’, een slok ‘vin’ en een mals stuk kaas. Toont me de schoonheid van een boomgaard in Normandië, een wijngaard in Bourgogne, een lavendelveld in de Provence. Praat met de boulanger, de vigneron en de garçon. En zie, gaandeweg begint ook voor mij die taal te zingen.  Worden de associaties alleen maar leuk en warm en krijgt Frankrijk een heel apart plaatsje in mijn hart. Naast Engeland warempel.   Nu, zovele jaren later, hou ik volop van allebei. Vakanties en lange weekends breng ik geregeld, met nog steeds dezelfde man van m’n leven,  in één van beide landen door. De tuinen in Engeland zijn altijd een mooi excuus voor een trip overzee en het goede leven bij onze zuiderburen doet ons vaak even uitblazen op een mooi plekje van het uitgestrekte Franse land.  We hebben intussen de wereld rond gereisd en prachtige landen bezocht. Maar elk jaar opnieuw moeten we ook even de batterijen opladen in één van beide buurlanden.   Wie zei ook weer ‘liefde dwing je niet’…?

Quickfox
0 0

Koffie voor ingewijden

Op vakantie in Zuid-Californië stap ik een plaatselijke koffieshop binnen voor een hartversterkertje. Terwijl ik de wegenkaart probeer te doorgronden, vang ik met een half oor de bestellingen op die andere gasten doorgeven: “Voor mij een dubbelgrote hazelnootdecaf met een scheut vetvrije mokkamelk”, zegt een dertigjarige vrouw met hoogblond haar en een designer brilletje op het puntje van de neus. De ober noteert zonder verpinken en geeft de bestelling even onverstoord aan de bar door. Naast mij zit een veertiger met perfect getrimde baard en keurig gekleed in gestreken shorts en een gesteven sporthemd (wie dacht dat Amerikanen alleen maar nonchalant zijn?). Hij wil een ‘venti’ caramelkoffie met ‘macchiato’ melk en een toefje slagroom. Twee piepjonge tieners met stekeltjeshaar bestellen aan de bar elk een ‘Frappuccino’.   Met tuitende oortjes grijp ik naar de menukaart. Ben ik nog wel op aarde en goed en wel in de States, waar ze doorgaans alleen maar een grote pruttelende kan op een kookplaat hebben staan en dat gekookt afwaswater voor koffie laten doorgaan? Waar hebben die mensen het over?   Een oudere dame, die net voor mij binnenkwam en nu puffend haar talloze winkeltasjes naast zich schikt, brengt me terug naar de werkelijkheid. Op het obligate ‘Can I help you?’ van de ober antwoord ze verzuchtend “Ik hoef alleen een kop koffie. Geef maar de huismengeling.” “Mélange van de dag of de gewone?” wil de ober weten. “En wat zijn die?” “Dagmélange is Colombia met Mexico, de gewone is Sumatra.” “De gewone dan maar.”  “Groot en gefilterd of espresso?” gaat de ober stoïcijns door. Ik ben blij dat nu ook de dame verwonderd opkijkt. Is die koffiepuzzel nog niet opgelost…? “Wilt u een grote?” vraagt de ober kalmpjes opnieuw en wijst naar een stapel papieren bekers, en vervolgt dan even rustig “gefilterd? (terwijl hij naar een grote koffiezetmachine wijst) of espresso?” (zijn vinger gaat nu verder de toonbank op, richting blits espresso-apparaat). “Espresso graag”. “Venti, gewoon of ristretto?” De ogen van de dame worden grote vraagtekens met hulproepende uitroeptekens boven en onder. En haar geduld raakt op. “Doe maar wat!!” roept ze net iets te luid, terwijl haar beide handpalmen luid op het aluminium tafeltje neerkomen.   Mij breekt het zweet intussen ook uit. Ik worstel nog met de hazelnoten, frambozen of amarettosmaak die mijn kopje straks dreigen te teisteren. En dan wil die ober zo meteen vast weten of dat soms een triple half-decaf moet zijn en of er al dan niet suikervrije, niet opgeschuimde afgeroomde melk bij moet. De jongeman met blocnootje in de hand en de nooit aflatende glimlach nadert mijn zitje. Laat ik me kennen of waag ik een gok?   … Ik laat me kennen.

Quickfox
0 0

De eerste keer

Zijn blad glanzend en scherp, de steel gaaf en glad. Mijn nog onervaren handen strelen dit schitterend instrument, als om het moed in te spreken: zet je schrap, hier komt het, de eerste steek in rasechte polderklei. Zoals ik het mijn grootoom altijd heb zien doen, zet ik beide voeten stevig en een beetje uit elkaar op de zompige grond. Met al mijn kracht hei ik mijn gloednieuwe spade in de zware klei. Twee vingers diep zakt het blad, en niet verder. Ik wrik hem er weer uit en steek de spade opnieuw stevig in de kier die ik net heb gemaakt. Met mijn voet op het blad en mijn hele gewicht ga ik nu zowat op de spade staan. Dieper zakt het blinkende blad in de donkere aarde. Wanneer ik de spade nu omhoog krik, bid ik stilletjes dat de steel niet zal afbreken. Maar hij is van goeden huizen, mijn spa. Een hele kluit komt los. Die keer ik om en herbegin. ‘In het zweet uws aanschijns zult gij werken’. Zoveel is duidelijk, een moestuin zet je niet klaar in een handomdraai en een groentenbed moet nu eenmaal bewerkt worden voor je er het kostbare zaad in kwijt kunt.  Na ettelijke omgekeerde aardkluiten, spa in de grond, met beide armen geleund op het handvat én met het zweet op de rug, overschouw ik mijn eerste kleine moestuin. Ik wil de blaren die op mijn handen beginnen te kniezen niet voelen. Eén met de aarde en haar groeikracht, dat is waar het om gaat. Maar niet getalmd. Er moet nog gevoed worden met compost. En dan die dikke kluiten klein krijgen. Want zaaien op een veldje vol blokken gaat ook niet. Met mijn intussen al geroutineerde spade hak ik de kleibrokken nog eens door en dan eggen en harken. Tot de zwarte aarde murw en ontvankelijk is, klaar voor de sla en de erwtjes, de peterselie en ajuintjes, een beetje kool en tomaten… Terwijl de avondzon achter wat wolken verdwijnt,  hurk ik uiteindelijk neer en kijk voldaan naar dat veelbelovend stukje grond.  Mijn spade staat trouw naast me. Het blad vol knoesten klei, de steel al even zwart als mijn handen. Weer aai ik hem even en voel onze verbondenheid. Samen kunnen we die koppige grond wel aan. Samen zorgen we voor een mooie oogst.

Quickfox
0 0

Een doordeweekse donderdag

(alsof een donderdag ooit in het weekend zou kunnen vallen, ha) Donderdagavond, 21u37, Brussel. Licht gehaast wandel ik door de betonnen bouwwerf die ooit weer station Schuman moet worden. Een vieze gang door, een vuile trap af. Er hangt een groezelig sfeertje, ik kan niet ontdekken waarom. Nog niet. Ik moet superdringend naar de wc. Is hier een wc? Ik mag het hopen, verdomme. Er zit een liter bier in mijn lijf en die moet er nu uit. Die kan niet wachten tot ik eindelijk het juiste metrospoor heb gevonden, de juiste metro komt aanrijden, ik aan de juiste halte weer afstap en dan het volledige driestappenplan herhaal om met de trein naar mijn eigen stad te sporen. Ik moet nú. "Il y à une toilette ici?" Gelukkig luistert de man achter het loket wel in het Frans - een eerdere poging in onze andere landstaal leverde niets op. "Oui, je viens de la nettoyer." Hij gaat me voor in een nog smoezeliger stukje gang en duwt de afgebladderde toiletdeur open. Het is er inderdaad net gepoetst. Ahum. De vloer is drijfnat, de wc-bril ook, het papier ernaast eveneens. Ondanks de ontegensprekelijke opdringerigheid van de liter bier kan ik het niet nalaten de vieze bruine spatten op te merken. Maar ik heb geen keuze. Ongelofelijk opgelucht sla ik enkele ogenblikken later weer een hoekje om. Althans, dat is de bedoeling. Voor ik over de knielende figuur in overall, machinegeweer in afvuurpositie, kan struikelen, deins ik achteruit. En nog eens. What the f...! Ik ben vanavond al eens gevlucht. Wellicht van een minder levensbedreigende situatie, maar toch. Een tent tot aan de nok gevuld met lallende lederhosen plus deinende dirndlborsten, honderden armen die honderden liters bier de lucht in heffen en hijsen onder een luid schallend prosit, Duitse schlagers die uit de boxen knallen, en een buik die barst van de zuurkool, een half zwijntje en een soort van knödelbol/cement, zo ongevaarlijk is dat nu ook weer niet. Juist ja, ik was aanwezig, tegen wil en dank, op een Oktoberfest waar alle mogelijke clichés over onze liebes buren bevestigd werden. Na mijn eerste pintje - en ik kan het niet genoeg herhalen: de norm was 1 liter en daar werd naar Duitse grundlichkeit niet van afgeweken - nam ik de benen, alvorens een of andere lederhoos mij een tweede kroes kon verkopen. Zonder het preventieve wc-bezoek, o wee. En daardoor dus nu hier. De sluipschutter grinnikt eens. Ik lach niet. Ik sta aan de grond genageld. Hij zit nog steeds gehurkt, in een vuil en stinkend pak. Dan zie ik ook zijn glimmende haren, vol brillantine. Of wacht eens, dat is geen brillantine, dat is bier. Waarschijnlijk komt het door de zuurkooloprispingen dat ik de stank nu pas gewaarword. Look en al. Eindelijk klopt mijn hart weer aan een normaal ritme. Het dringt door. Het machinegeweer is nep. De man is een student. Een eerstejaars. Een groentje dat zich laat dopen. Ik begin bijna hardop te lachen. Niet omdat ik dat gedoop zo grappig vind, wel omdat ik hartstikke geschrokken was. En me geen houding weet geven. Moehaha, lachen zeg. In de metro word ik omringd door dopelingen. Alsof het allemaal normaal is, staan ze daar met zijn vijven, allen een stuk rauw vlees in de bek. Ja, met een stuk rauw vlees in hun mond. Ik ben gedegouteerd en geïntrigeerd tegelijk. Wat is dat toch in hemelsnaam? De andere reizigers zijn vooral versteend van onbegrip. Ik wil, ik moet weten wat het is. "C'est quoi dans ta bouche?" Vanavond gebeurt het in het Duits en in het Frans. Het blijkt ossentong te zijn. Hele grote ossentong. Voor elk een. Ik vraag mij af wat het nut is van de opdracht. Niet dat ik het nut van gel van bier en een parfum van look al heb ingezien, maar wie weet, misschien zijn er voordelen aan rauwe-ossentong-tussen-je-tanden-klemmen die mij al een dikke dertig jaar zijn verzwegen. Even twijfel ik om er verder op in te gaan, de conversatie aan te knopen. Maar nog voor ik aan mijn nieuwsgierigheid kan toegeven, moet ik het alweer op een lopen zetten. Een van de overmoedige jonkies heeft het in zijn hoofd gehaald dat hij mij moet kussen om zich te verontschuldigen voor de overlast. "Noooooooon!" Ik ren door de gangen van het station, spring de openstaande wagon van de eerste de beste trein in. Slechts een klein beetje nahijgend - lady Bulinski beschikt namelijk over een tamelijk uitstekende conditie, of wat had u gedacht - plof ik neer op het bruine leer van het coupébankje. Wat een avond, wat een avonturen! Overenthousiast kom ik thuis. "Moet je nu eens iets weten!""Vertel", murmelt mijn mister Rolexico vanuit de zetel. Ik wrijf in mijn handjes, bedenk snel hoe ik het nog spannender kan maken. De aandachtsspanne is helaas voorbij, een Twitterschermpje licht op. Een doordeweekse donderdag.

Lady Bulinski
0 0

Proloog van mijn roman 'Het witte boek'

Proloog Je moet een verhaal hebben. Tragisch, komisch, satirisch, bombastisch, potsierlijk. Allemaal goed, als je maar een verhaal hebt. Een stok waarlangs de rank van je leven opwaarts kan schieten, regelrecht naar het licht toe. Zonder verhaal ben je verloren, groeit het leven met jou alle kanten uit en voelen anderen zich geroepen om te doen wat jij naliet. Met hun vlijmscherpe logica's en verhalen zetten ze het mes in je en snoeien je helemaal kaal, totdat je op het eind niet eens meer beschutting vindt in jezelf. Achterblijven zul je als een open boek waarin vreemde plakkerige handen ongegeneerd hun meningen en overtuigingen lozen. Je pagina's zullen gevuld raken met de kitscherige krullen en tierelantijntjes van anderen, stuk voor stuk grote kunstenaars die je zullen peilen en keuren, terwijl ze in stilte denken: niet slecht, maar misschien moest ik het elders nog eens proberen. Je leven niet meer dan een kladje voor andermans briljante work in progress. Ik was een man zonder verhaal. Sinds mijn aankomst in Chicago echter, nu ongeveer een maand geleden, zijn de dingen aan het veranderen. En mogelijk bespeuren deze mensen hier, met wie ik samen op deze faculteitsreceptie sta te klinken op het begin van het nieuwe academiejaar, in mij wel de eerste contouren van een eigen verhaal. Een dertigtal jonge onderzoekers en professoren zijn het die zich hebben verzameld in de woonkamer van het stijlvol ingerichte appartement van de decaan en zijn vrouw. Hoge, met liefde gevulde boekenkasten tooien de muren, terwijl de immense ramen op het zestiende ons het gevoel geven dat de golfjes van het helderblauwe Lake Michigan onder onze voeten door rollen en dat we zo in een van de yachten kunnen springen die wat verder staan te dobberen in het afgeschermde Belmont haventje, geflankeerd door de bomen van Lincoln Park. Terwijl we wegzakken in het hoogpolige tapijt als in halfhard zand, doppen we een wortel- of komkommerstaafje in wat cocktailsaus en nippen van onze champagne. We wijzen elkaar boeken aan die we zeker eens moeten lezen en kijken bedachtzaam naar het vliegtuig dat in de verte de afdaling naar de stad begint in te zetten, dankbaar om het feit dat de rit van de vlieghaven naar het leefbaardere gedeelte van Chicago ons op een hete augustusdag als deze bespaard blijft. Niet alleen is het geen pretje om in dit weer door de achterbuurten van Chicago te denderen in de aftandse treinstellen van de 'L', ik ben lang niet de enige die weet hoe het aanvoelt om moederziel alleen te arriveren in een vreemd continent en verwelkomd te worden door al die lastige vragen waar de wriemelende maar uiterst gerichte mensenmassa van een intercontinentale luchthaven je onvermijdelijk mee confronteert: wie ben je? Wat kom je hier doen? En bij wie hoor je? Kortom, wat is je verhaal? Toen, nog geen maand geleden, had ik nauwelijks een idee. Wie was ik? Ik kon hoogstens wat feiten opsommen die anderen je net zo goed van de hand hadden kunnen doen. Anthony. Geduldige, rustige jongeman. Onopvallend. Geen kuren. Leergierig. Vlotte student destijds. Intelligent en tegelijk bedeesd genoeg om zijn leerkrachten niet voor het hoofd te stoten. Zelfstandig en onafhankelijk, doch niet asociaal of psychopathisch. IJverig, zonder een slijmbal te zijn. Brede interesse met een lichte, maar ongevaarlijke tempering van de muzikale en artistieke vermogens. Studies filosofie met brio voltooid. Doctoraat in de filosofie. Postdoctoraat. Zopas aangeworven als Visiting Professor aan een universiteit in Chicago om gedurende één jaar naar eigen inzicht te doceren en te schrijven rond The Beatles and Philosophy. Had één broer, Gilles, een tweelingbroer, eeneiig — gestorven. Burgerlijke status: ongehuwd.  Ik ben een maand voor de start van het academiejaar gearriveerd, zodat ik de tijd zou hebben om een geschikt appartement te vinden. Dat werd uiteindelijk een gedeelde flat in het noorden van de stad, tussen Lakeville en Andersonville, niet ver van het beroemde baseballstadium Wrigley Field en de immense dodenstad Graceland Cemetery. Dat laatste begint stilaan een thema te worden in mijn leven, kerkhoven. Bij al mijn studieverblijven in het buitenland de laatste jaren blijk ik telkens te zijn gehuisvest in de buurt van gigantische begraafplaatsen. In Boedapest was dat Kerepesi, in Buenos Aires La Chacarita, in Chicago Graceland Cemetery. Heuse necropolissen zijn het, gescheiden van de steden der levenden middels hoge muren waarvan je je afvraagt of die er zijn om de geesten binnen, of ons buiten te houden. Ingangen zijn in de drie gevallen opvallend moeilijk te vinden. Ook op kaarten staan ze niet aangegeven. Er zit niets anders op dan met je fiets de doofstomme muur te blijven volgen totdat je bij de goed verstopte ingang komt, langs drukke verkeersaders en onmogelijke kruispunten (Buenos Aires), langs verlaten fabrieken en verroeste tramsporen (Boedapest), langs ronkende bussen die wachten op de terugkeer van een horde bier drinkende en hot dog verslindende baseballfans (Chicago).  Maar dat alles vergeet je van zodra je de verscholen poort passeert. Je stapt een universum binnen waar andere wetten heersen. In Graceland Cemetery zoeken rechte, grijze lanen zich een weg tussen sombere cipressen en coniferen, en de enkele auto's die er tussen de marmeren mausolea rijden lijken van speelgoed. Voor een keer zwijgen de kinderen op de achterbank, blijven de fastfoodfrieten onaangeroerd liggen in het kartonnetje waarvan het clownengezicht een steeds grotere vetmond aanzuigt. Luguber of griezelig zijn niet de juiste woorden. Die zijn allang gepatenteerd en uitgeknepen door het jaarlijkse marketingfeest dat Halloween heet. Zombies, heksenhoeden en gekromde geraamtes met een zwarte cape om en een zeis in de knokige hand zijn in deze context alleen maar aandoenlijk. Geen pompoen die hier niet binnen de minuut verschrompelt en wegrot tot een slijmerig paradijs voor maden en wormen.  Wat je hier ziet is de dood in haar ware gedaante. La comédie humaine als zwarte komedie. Deze necropolissen stammen uit een tijd waarin het Individu nog betekenis had. Een tijd van Helden. Genieën. Martelaren. Van Naties. Het ene Grieks ogende tempeltje verrijst naast het andere. Kariatiden bezingen de daden van het skelet dat ze bewaken. En geboorte- en sterfdata bakenen met vergulde Romeinse letters niets minder dan een tijdperk af. Zo is er vóór en ná ene Potter Palmer, laat een heiligdom naar Grieks-Siciliaans model me verstaan, en ná zal nooit meer hetzelfde zijn als vóór. Dit in duizendvoud, en met al die skeletten die elkaar vanuit de dood de loef blijven afsteken met architectonische vondstjes en snoeverige gedichtjes veroorzaakt een ware culturele implosie. Hoeveel ton marmer is hier bij elkaar gebracht? Hoeveel ook, voor de hedendaagse bezoeker komt voor dat getal automatisch een kwalijk minnetje te staan. Held, genie, staatsman, gouverneur, natie, ziel: al die retoriek zakt hier als pudding in elkaar.  Nee, dit zijn geen begraafplaatsen voor de personen die er begraven liggen, maar voor ons, de mensen die erin verloren lopen. Op deze plaats ligt het Individu begraven. En wij die Hem of Haar overleefd hebben, vragen ons verweesd af wat wij dan wel niet zijn. Rondlopende vraagtekens, anachronismes, aliens, buitenstaanders van een Zelf dat voorgoed ligt opgebaard. In een hier dat nergens is. Zuiltje Griekenland, standbeeldje Rome, kruisje Jeruzalem, triomfboogje Parijs, vijvertje en treurwilgje Londen. New England. Washington D.C.  New York City. Ik zit op een bus van Boston naar NYC en zie in de verte de skyline van Manhattan opdoemen, een luchtspiegeling zwevend boven zichzelf, een werkelijkheid die niemand nog voor werkelijk kan nemen. Wat spiegelt wat: de films Manhattan, of Manhattan de films? Of zijn beeld en realiteit intussen vergroeid tot tweelingbroertjes, met tussen hen in een eigen retoriek die als een onstuitbare loop de planeet ronddanst? These en antithese die elkaar iedere dag opnieuw om de hals vallen via de synthese van de alles vergoelijkende beurskoersen. Twin Towerpolen die samen een supermagneet vormen, spil van een planetair krachtenveld met op ieder punt een homogene vectoriële marktlading. Vraag: wat is elf september in dit verhaal? Een poging om het heersende imperialistische verhaal open te breken en ruimte te creëren voor een nieuw verhaal? Of is dit zogenaamd nieuwe verhaal uiteindelijk niet meer dan een heropgeblonken versie van de oude retoriek van Zelf en Individu? Dat wil zeggen: waren de slachtoffers van elf september doel — werden ze door hun moordenaars gered? — of slechts een goedkoop middel voor de terrorist om zelf te kunnen promoveren tot Martelaar? In welke richting van de geschiedenis houden deze fanatieke Zieners hun blik gericht: zijn het profeten van de toekomst of slechts voorspellers van een reeds lang begraven verleden?  Pas als onze bus stopt voor een rood licht zie ik ze staan, de duizenden mini-skyscrapers langs de kant van de weg. Hun spitse toppen raken de toppen van hun grote broers in de verte en het duurt enige tijd voor ik begrijp dat dit geen Amerikaans Brupark of Madurodam is, noch een artistieke parodie van de stad op zichzelf, maar een begraafplaats. Calvary Cemetery, Queens (New York), zoals Wikipedia me nadien leert, met de mini-skyscrapers kleine obelisken uit een tijd dat individuen nog zelf de hoogte in konden schieten. Op de achtergrond hebben de investeringsbanken en multinationals die taak intussen stilzwijgend van hen overgenomen. Hemelhoge columbaria zijn het met een bescheiden hokje voor ieder individutje.  De afgelopen maand heeft me alvast geleerd dat ik een goede woonplaats heb uitgekozen, een groot herenhuis waarvan iedere etage is ingericht als comfortabel appartement en waarvan ik de bovenste verdieping deel met een Hongaars meisje, Noemi. Schuin tegenover het huis bevindt zich een coffeehouse. In deze zwoele augustusmaand ga ik er iedere ochtend ijskoffie drinken en wat lezen. Ik houd ervan om een heel stadsscala aan mensen op nog geen halfuur tijd te zien passeren: een joggende gepensioneerde, een zakenman op weg naar zijn downtown kantoor, twee universiteitsstudenten die een of andere zomerconferentie op poten zetten, een postbode die even binnenwipt en een huisvrouw die met haar kindje boodschappen aan het doen is. Allemaal dragen ze sportschoenen. Als ik 's avonds niets te doen heb, ga ik er opnieuw heen, bestel huisbereide limonade en laat me met een boek wegzinken in een van de leeszetels achterin het donker bemeubelde sousterrain, weggedoken onder het licht van een ouderwetse staanlamp.   Om bij het meer te komen hoef ik gewoon de straat uit en een tunneltje door. Iedere ochtend vind ik zo aansluiting bij de ongeregelde stroom fietsers en lopers die op ieder moment van de dag onvermoeibaar het Lakefront Path afdweilen. Het brede autovrije pad loopt vlak langs het meer met al zijn prachtige stranden en jachthaventjes, van het noorden van de stad tot helemaal in het zuiden, waar het je naar de plek leidt waar in 1942 de eerste atoomsplitsing plaatsvond, in een sjofele hut boven een squashterrein op de University of Chicago-campus. Op de plaats van de hut staat nu een sculptuur van Henry Moore, Nuclear Energy, een drieënenhalf meter hoog brons met wanden die als kathedraalmuren opkringelen naar het overkoepelende paddestoeldak — een massieve, glanzende, dreigende globe waaronder enkel plaats is voor de god van onze menselijke onvolmaaktheid.  Als ik 's ochtends door het tunneltje fiets, voelen mijn ledematen stram aan. Maar weldra maak ik deel uit van de sportieve mensenketting of ik voel hoe mijn brein het ritme van de hijgende stroom gul doorgeeft aan mijn ledematen, alsof mijn lichaam de ijskoffie nu pas in zich opneemt. Een medidatieve rust daalt over me neer en het ritme brengt me in dialoog met mijn beste zelf, dat wil zeggen met een geestelijk bezinksel van alle mensen die ik graag zie en die nu gelegenheid krijgen in mij hun ongezegde zegje te doen.  In de verte zie ik de zon blikkeren in het spiegelpaleis van de downtown skyscraperstructuren — een glazen orgel dat me hemelse muziek toe blaast. Ik heb me een koersfiets gekocht en het fietsen lijkt vanzelf te gaan. Toch parelt mijn voorhoofd na goed een kwartier van het zweet. Ik hang mijn computertas en mijn fiets vast aan een paal, schiet mijn kleren uit en duik het water in. Wat verder staat een redder. Ik wuif naar hem en de redder doet teken dat hij mijn computer in de gaten zal houden. Ik steek mijn duim omhoog en laat me languit wiegen op de zachte golfslag, de diepe ademhaling van een dier dat me gedoogt op haar enorme buik. Vanuit het water kijk ik naar de aerodynamische fietsers die voorbij koersen op het hellende vlak van de betonnen kade.  Als ik even later hun wiel opzoek, kijk ik nog even naar de sportzwemmers die als otters uit het water steken. Dan duik ik een ondergrondse wereld van parkings en autostrades in, waar ook de beroemde achtervolgingsscenes van de Batmanfilm The Dark Knight werden opgenomen. Wanneer het pad bij een volgend jachthaventje opnieuw tegen het meer begint aan te schurken, steek ik via Millennium Park door naar het stadscentrum, waar ik een flink stuk westwaartser een toren binnenstap die er langs buiten allesbehalve aantrekkelijk uitziet maar die me binnenin alle comfort biedt die ik nodig heb: een stil en koel bureau en een plaats waar ik koffie en broodjes kan krijgen.   Op het administratieve personeel na is er in augustus bijna niemand in de toren — geen geschikt doelwit voor terroristen. In plaats van gonzende stemmen hangt er in de gangen een bevreemdende stilte, aangedikt door het gezoem van het aircosysteem. In september zal ik verhuizen en een plaats krijgen tussen de andere filosofieprofessoren, maar tot dan moet ik het doen met een tijdelijk bureau op een vaag humaan wetenschappelijk departement enkele verdiepingen lager, iets tussen geschiedenis, sociologie, antropologie en economie in. Ik stel geen vragen. Het is ook onduidelijk aan wie ik dat zou moeten doen: ik ben de enige levende ziel op de verdieping. De secretaris van Indiaanse afkomst reken ik principieel niet mee. Hij rekent mij ook niet mee: iedere ochtend als ik met een ijskoffie uit de lift kom gestapt en voorbij zijn glazen workunit loop, knik ik hem vriendelijk toe. Het is ondenkbaar dat hij me niet opmerkt. Toch blijft hij zich onverstoorbaar wijden aan waar hij dan ook mee bezig is. Ik gun het hem. Maar tegelijk blijf ik mezelf mijn dagelijkse groet gunnen. Mijn eigen vredespijp. Veel kans dat de man het slachtoffer is van positieve discriminatie.  Mijn kantoor is zo goed als leeg, op een defecte fiets na en een kast vol filosofische boeken: voornamelijk wat Kritische Theorie en een hoop vergeelde analytische werkjes over epistemologie en philosophy of mind. Stof tot discussie allicht, maar in mijn ogen toch voornamelijk stof: ik kom zelfs niet in de verleiding te gaan grasduinen. Stiekem beschouw ik het als mijn didactische plicht mijn studenten dit jaar zover te krijgen dat ze geen filosofen meer zullen lezen — een haast onmogelijke opdracht. We zijn allemaal kinderen en willen graag de hoogte in: we joelen als we de bibliotheekdeuren opengooien en het zigguratvormige klimrek der boekenkasten ontwaren, met de miljoenen zwarte regels als strakke touwen waarop we ons spoedig acrobaten wanen, gewichtloze koorddansers boven conceptuele ravijnen en diep logische kloven. Slechts weinig filosofen echter zijn in dit spinnenwebachtige labyrint in staat hun gevoel voor oriëntatie te behouden: de meesten grijpen kirrend naar steeds maar weer een volgende sport en pas als ze beseffen dat ze niet meer weten waar boven en onder is, bouwen ze zich een leven uit rondom die ene sport die ze toevallig stevig beet hebben. Een leven als een vlieg in een fles, zoals Wittgenstein het keurig typeert, waaraan hij toevoegt dat het er dus op aan komt de vlieg de opening uit de fles te wijzen. Maar daar heeft hij zich dan toch mispakt aan de hardnekkigheid waarmee de doorsnee academische vlieg in de eigen glazen flesversie van de werkelijkheid wil blijven geloven, zijn of haar hoogstonpersoonlijke donkergroene of bruinachtige aanfluiting van alles wat ik gezond verstand zou willen noemen. De menselijke geest, in geïsoleerde toestand, vernauwt zichzelf tot een steeds smallere tunnel, een spleet die het licht fijnknijpt in plaats van erop uit te geven. Ouro-boroi: slangen die zich vastbijten in hun eigen staart. Mannen en vrouwen die snakken naar geslachtsgemeenschap met zichzelf. Het staat in ieder geval vast dat er maar weinig academici rondlopen met een boeiend seksleven. Dat is althans wat ik las in een gerespecteerd tijdschrift — dat zelf weliswaar geen academische ranking geniet. Ik heb geen toegang tot internet in mijn bureau. Iemand in het gebouw zal mij spoedig een persoonlijke toegangscode bezorgen, heeft men mij verzekerd, maar daar liet men het bij: de identiteit van iemand werd mij niet geopenbaard. Veel kans dat het de Indiaan is, besef ik nu, maar als dat zo is, kan ik hem alleen maar dankbaar zijn om de verzegelde toestand van zijn lippen. Internet verbindt je zowat met alles en iedereen, alleen nu net niet met jezelf. Het is een gouden uitvinding. Maar soms is het ook een zegen om terug te kunnen glippen naar de primitieve jaren van daarvoor, toen enkel nog militairen in een virtuele wereld leefden — een tijdperk dat even ver achter ons lijkt te liggen als het tijdperk van rooksignalen en tromgeroffel. Al vier weken lang doe ik in mijn kantoor niets anders dan aandachtig te luisteren. Ik denk na over het boek dat ik moet schrijven en herlees de voorbereidende stukken die ik enkele maanden geleden thuis schreef. Ik zet het ene Beatlesnummer na het andere op, sluit mijn ogen en concentreer me. Ik word een stethoscoop waarvan het koude metaal traag langs mijn ledematen glijdt, terwijl naast mijn computer de tand ligt die via Gilles bij mij is terechtgekomen. De tand, of moet ik zeggen: het relikwie?  Aanvankelijk hoorde ik geen hart, maar enkel het geraas van duizenden stemmen. Mijn lichaam was een kakofonisch universum dat ieder ogenblik uit elkaar kon spatten. Nergens was plaats. Alles trok, wrong, zocht, blies. Pas na enkele dagen leek er een opening te ontstaan. Een holte die plaats bood aan een zekere akoestische regelmaat. Een hart dat in de verte zwakjes leek te bonzen.   Iedere dag wordt de holte groter, klinkt het gebons vertrouwder. Eerst was het nog iets dat zich voortbewoog in een vreemd medium, alsof ik van onder water naar geluiden boven het wateroppervlak luisterde. Nu drijft alles in één medium. In het doffe ritme begin ik mijn eigen hart te herkennen.   Eenmaal terug thuis 's avonds schiet ik in mijn sportkleren en verover me opnieuw een plaatsje in de eindeloze mensenketting langs het meer. Ik loop tot aan Belmont Harbor en beschrijf een lus omheen de Sydney R. Marovitz golfclub, zodat ik via een smal grindpaadje het meer nu in noordelijke richting kan volgen. Ter hoogte van Montrose Harbor, waar een scherpe landtong het water in krult, steek ik een grasveld over tot ik bij het brede Montrose-Wilson strand kom. Vanaf daar, luister goed, is het bijna enkel nog Spaans dat je hoort. Mexicanen, Puerto Ricanen en Ecuadorianen maken muziek en overal wordt gebarbecued. Naast een barak met surfmateriaal loop ik via een houten plint op de golfjes toe. Mijn schoenen en kleren laat ik achter en terwijl het zweet van mijn lichaam drupt, stap ik bedachtzaam het meer in. Als het water tegen mijn navel klotst, laat ik me drijven op mijn rug. In de verte waakt een redder over een menigte plonzende kinderen, maar met mijn oren onder water dringt hun gejoel nauwelijks tot me door. Ik hoor alleen mijn eigen ademhaling en het diepe ritme van het meer dat zich daarnaar lijkt te voegen — of andersom natuurlijk. Langzaam vouw ik mijn armen open, sluit mijn ogen en besef dat vrede inderdaad dropping slow komt. Ik luister heel aandachtig en stel me voor — nee, weet — dat in het midden van het meer, op de bodem, iemand zit. Iemand wiens identiteit me vooralsnog niet wordt geopenbaard. Maar wel wordt me op het hart gedrukt dat hij of zij me een verhaal zal vertellen. Een verhaal dat verteld moet worden. Míjn verhaal. Mogelijk is het zelfs al bezig. Dus wat ik moet doen, is luisteren. Luisteren luisteren luisteren.  En dat is wat ik doe.  Ik leg een nieuw Beatlesalbum op en luister. X Proloog Je moet een verhaal hebben. Tragisch, komisch, satirisch, bombastisch, potsierlijk. Allemaal goed, als je maar een verhaal hebt. Een stok waarlangs de rank van je leven opwaarts kan schieten, regelrecht naar het licht toe. Zonder verhaal ben je verloren, groeit het leven met jou alle kanten uit en voelen anderen zich geroepen om te doen wat jij naliet. Met hun vlijmscherpe logica's en verhalen zetten ze het mes in je en snoeien je helemaal kaal, totdat je op het eind niet eens meer beschutting vindt in jezelf. Achterblijven zul je als een open boek waarin vreemde plakkerige handen ongegeneerd hun meningen en overtuigingen lozen. Je pagina's zullen gevuld raken met de kitscherige krullen en tierelantijntjes van anderen, stuk voor stuk grote kunstenaars die je zullen peilen en keuren, terwijl ze in stilte denken: niet slecht, maar misschien moest ik het elders nog eens proberen. Je leven niet meer dan een kladje voor andermans briljante work in progress. Ik was een man zonder verhaal. Sinds mijn aankomst in Chicago echter, nu ongeveer een maand geleden, zijn de dingen aan het veranderen. En mogelijk bespeuren deze mensen hier, met wie ik samen op deze faculteitsreceptie sta te klinken op het begin van het nieuwe academiejaar, in mij wel de eerste contouren van een eigen verhaal. Een dertigtal jonge onderzoekers en professoren zijn het die zich hebben verzameld in de woonkamer van het stijlvol ingerichte appartement van de decaan en zijn vrouw. Hoge, met liefde gevulde boekenkasten tooien de muren, terwijl de immense ramen op het zestiende ons het gevoel geven dat de golfjes van het helderblauwe Lake Michigan onder onze voeten door rollen en dat we zo in een van de yachten kunnen springen die wat verder staan te dobberen in het afgeschermde Belmont haventje, geflankeerd door de bomen van Lincoln Park. Terwijl we wegzakken in het hoogpolige tapijt als in halfhard zand, doppen we een wortel- of komkommerstaafje in wat cocktailsaus en nippen van onze champagne. We wijzen elkaar boeken aan die we zeker eens moeten lezen en kijken bedachtzaam naar het vliegtuig dat in de verte de afdaling naar de stad begint in te zetten, dankbaar om het feit dat de rit van de vlieghaven naar het leefbaardere gedeelte van Chicago ons op een hete augustusdag als deze bespaard blijft. Niet alleen is het geen pretje om in dit weer door de achterbuurten van Chicago te denderen in de aftandse treinstellen van de 'L', ik ben lang niet de enige die weet hoe het aanvoelt om moederziel alleen te arriveren in een vreemd continent en verwelkomd te worden door al die lastige vragen waar de wriemelende maar uiterst gerichte mensenmassa van een intercontinentale luchthaven je onvermijdelijk mee confronteert: wie ben je? Wat kom je hier doen? En bij wie hoor je? Kortom, wat is je verhaal? Toen, nog geen maand geleden, had ik nauwelijks een idee. Wie was ik? Ik kon hoogstens wat feiten opsommen die anderen je net zo goed van de hand hadden kunnen doen. Anthony. Geduldige, rustige jongeman. Onopvallend. Geen kuren. Leergierig. Vlotte student destijds. Intelligent en tegelijk bedeesd genoeg om zijn leerkrachten niet voor het hoofd te stoten. Zelfstandig en onafhankelijk, doch niet asociaal of psychopathisch. IJverig, zonder een slijmbal te zijn. Brede interesse met een lichte, maar ongevaarlijke tempering van de muzikale en artistieke vermogens. Studies filosofie met brio voltooid. Doctoraat in de filosofie. Postdoctoraat. Zopas aangeworven als Visiting Professor aan een universiteit in Chicago om gedurende één jaar naar eigen inzicht te doceren en te schrijven rond The Beatles and Philosophy. Had één broer, Gilles, een tweelingbroer, eeneiig — gestorven. Burgerlijke status: ongehuwd.  Ik ben een maand voor de start van het academiejaar gearriveerd, zodat ik de tijd zou hebben om een geschikt appartement te vinden. Dat werd uiteindelijk een gedeelde flat in het noorden van de stad, tussen Lakeville en Andersonville, niet ver van het beroemde baseballstadium Wrigley Field en de immense dodenstad Graceland Cemetery. Dat laatste begint stilaan een thema te worden in mijn leven, kerkhoven. Bij al mijn studieverblijven in het buitenland de laatste jaren blijk ik telkens te zijn gehuisvest in de buurt van gigantische begraafplaatsen. In Boedapest was dat Kerepesi, in Buenos Aires La Chacarita, in Chicago Graceland Cemetery. Heuse necropolissen zijn het, gescheiden van de steden der levenden middels hoge muren waarvan je je afvraagt of die er zijn om de geesten binnen, of ons buiten te houden. Ingangen zijn in de drie gevallen opvallend moeilijk te vinden. Ook op kaarten staan ze niet aangegeven. Er zit niets anders op dan met je fiets de doofstomme muur te blijven volgen totdat je bij de goed verstopte ingang komt, langs drukke verkeersaders en onmogelijke kruispunten (Buenos Aires), langs verlaten fabrieken en verroeste tramsporen (Boedapest), langs ronkende bussen die wachten op de terugkeer van een horde bier drinkende en hot dog verslindende baseballfans (Chicago).  Maar dat alles vergeet je van zodra je de verscholen poort passeert. Je stapt een universum binnen waar andere wetten heersen. In Graceland Cemetery zoeken rechte, grijze lanen zich een weg tussen sombere cipressen en coniferen, en de enkele auto's die er tussen de marmeren mausolea rijden lijken van speelgoed. Voor een keer zwijgen de kinderen op de achterbank, blijven de fastfoodfrieten onaangeroerd liggen in het kartonnetje waarvan het clownengezicht een steeds grotere vetmond aanzuigt. Luguber of griezelig zijn niet de juiste woorden. Die zijn allang gepatenteerd en uitgeknepen door het jaarlijkse marketingfeest dat Halloween heet. Zombies, heksenhoeden en gekromde geraamtes met een zwarte cape om en een zeis in de knokige hand zijn in deze context alleen maar aandoenlijk. Geen pompoen die hier niet binnen de minuut verschrompelt en wegrot tot een slijmerig paradijs voor maden en wormen.  Wat je hier ziet is de dood in haar ware gedaante. La comédie humaine als zwarte komedie. Deze necropolissen stammen uit een tijd waarin het Individu nog betekenis had. Een tijd van Helden. Genieën. Martelaren. Van Naties. Het ene Grieks ogende tempeltje verrijst naast het andere. Kariatiden bezingen de daden van het skelet dat ze bewaken. En geboorte- en sterfdata bakenen met vergulde Romeinse letters niets minder dan een tijdperk af. Zo is er vóór en ná ene Potter Palmer, laat een heiligdom naar Grieks-Siciliaans model me verstaan, en ná zal nooit meer hetzelfde zijn als vóór. Dit in duizendvoud, en met al die skeletten die elkaar vanuit de dood de loef blijven afsteken met architectonische vondstjes en snoeverige gedichtjes veroorzaakt een ware culturele implosie. Hoeveel ton marmer is hier bij elkaar gebracht? Hoeveel ook, voor de hedendaagse bezoeker komt voor dat getal automatisch een kwalijk minnetje te staan. Held, genie, staatsman, gouverneur, natie, ziel: al die retoriek zakt hier als pudding in elkaar.  Nee, dit zijn geen begraafplaatsen voor de personen die er begraven liggen, maar voor ons, de mensen die erin verloren lopen. Op deze plaats ligt het Individu begraven. En wij die Hem of Haar overleefd hebben, vragen ons verweesd af wat wij dan wel niet zijn. Rondlopende vraagtekens, anachronismes, aliens, buitenstaanders van een Zelf dat voorgoed ligt opgebaard. In een hier dat nergens is. Zuiltje Griekenland, standbeeldje Rome, kruisje Jeruzalem, triomfboogje Parijs, vijvertje en treurwilgje Londen. New England. Washington D.C.  New York City. Ik zit op een bus van Boston naar NYC en zie in de verte de skyline van Manhattan opdoemen, een luchtspiegeling zwevend boven zichzelf, een werkelijkheid die niemand nog voor werkelijk kan nemen. Wat spiegelt wat: de films Manhattan, of Manhattan de films? Of zijn beeld en realiteit intussen vergroeid tot tweelingbroertjes, met tussen hen in een eigen retoriek die als een onstuitbare loop de planeet ronddanst? These en antithese die elkaar iedere dag opnieuw om de hals vallen via de synthese van de alles vergoelijkende beurskoersen. Twin Towerpolen die samen een supermagneet vormen, spil van een planetair krachtenveld met op ieder punt een homogene vectoriële marktlading. Vraag: wat is elf september in dit verhaal? Een poging om het heersende imperialistische verhaal open te breken en ruimte te creëren voor een nieuw verhaal? Of is dit zogenaamd nieuwe verhaal uiteindelijk niet meer dan een heropgeblonken versie van de oude retoriek van Zelf en Individu? Dat wil zeggen: waren de slachtoffers van elf september doel — werden ze door hun moordenaars gered? — of slechts een goedkoop middel voor de terrorist om zelf te kunnen promoveren tot Martelaar? In welke richting van de geschiedenis houden deze fanatieke Zieners hun blik gericht: zijn het profeten van de toekomst of slechts voorspellers van een reeds lang begraven verleden?  Pas als onze bus stopt voor een rood licht zie ik ze staan, de duizenden mini-skyscrapers langs de kant van de weg. Hun spitse toppen raken de toppen van hun grote broers in de verte en het duurt enige tijd voor ik begrijp dat dit geen Amerikaans Brupark of Madurodam is, noch een artistieke parodie van de stad op zichzelf, maar een begraafplaats. Calvary Cemetery, Queens (New York), zoals Wikipedia me nadien leert, met de mini-skyscrapers kleine obelisken uit een tijd dat individuen nog zelf de hoogte in konden schieten. Op de achtergrond hebben de investeringsbanken en multinationals die taak intussen stilzwijgend van hen overgenomen. Hemelhoge columbaria zijn het met een bescheiden hokje voor ieder individutje.  De afgelopen maand heeft me alvast geleerd dat ik een goede woonplaats heb uitgekozen, een groot herenhuis waarvan iedere etage is ingericht als comfortabel appartement en waarvan ik de bovenste verdieping deel met een Hongaars meisje, Noemi. Schuin tegenover het huis bevindt zich een coffeehouse. In deze zwoele augustusmaand ga ik er iedere ochtend ijskoffie drinken en wat lezen. Ik houd ervan om een heel stadsscala aan mensen op nog geen halfuur tijd te zien passeren: een joggende gepensioneerde, een zakenman op weg naar zijn downtown kantoor, twee universiteitsstudenten die een of andere zomerconferentie op poten zetten, een postbode die even binnenwipt en een huisvrouw die met haar kindje boodschappen aan het doen is. Allemaal dragen ze sportschoenen. Als ik 's avonds niets te doen heb, ga ik er opnieuw heen, bestel huisbereide limonade en laat me met een boek wegzinken in een van de leeszetels achterin het donker bemeubelde sousterrain, weggedoken onder het licht van een ouderwetse staanlamp.             Dollop Coffee House, Chicago Om bij het meer te komen hoef ik gewoon de straat uit en een tunneltje door. Iedere ochtend vind ik zo aansluiting bij de ongeregelde stroom fietsers en lopers die op ieder moment van de dag onvermoeibaar het Lakefront Path afdweilen. Het brede autovrije pad loopt vlak langs het meer met al zijn prachtige stranden en jachthaventjes, van het noorden van de stad tot helemaal in het zuiden, waar het je naar de plek leidt waar in 1942 de eerste atoomsplitsing plaatsvond, in een sjofele hut boven een squashterrein op de University of Chicago-campus. Op de plaats van de hut staat nu een sculptuur van Henry Moore, Nuclear Energy, een drieënenhalf meter hoog brons met wanden die als kathedraalmuren opkringelen naar het overkoepelende paddestoeldak — een massieve, glanzende, dreigende globe waaronder enkel plaats is voor de god van onze menselijke onvolmaaktheid.  Enrico Fermi Als ik 's ochtends door het tunneltje fiets, voelen mijn ledematen stram aan. Maar weldra maak ik deel uit van de sportieve mensenketting of ik voel hoe mijn brein het ritme van de hijgende stroom gul doorgeeft aan mijn ledematen, alsof mijn lichaam de ijskoffie nu pas in zich opneemt. Een medidatieve rust daalt over me neer en het ritme brengt me in dialoog met mijn beste zelf, dat wil zeggen met een geestelijk bezinksel van alle mensen die ik graag zie en die nu gelegenheid krijgen in mij hun ongezegde zegje te doen.  In de verte zie ik de zon blikkeren in het spiegelpaleis van de downtown skyscraperstructuren — een glazen orgel dat me hemelse muziek toe blaast. Ik heb me een koersfiets gekocht en het fietsen lijkt vanzelf te gaan. Toch parelt mijn voorhoofd na goed een kwartier van het zweet. Ik hang mijn computertas en mijn fiets vast aan een paal, schiet mijn kleren uit en duik het water in. Wat verder staat een redder. Ik wuif naar hem en de redder doet teken dat hij mijn computer in de gaten zal houden. Ik steek mijn duim omhoog en laat me languit wiegen op de zachte golfslag, de diepe ademhaling van een dier dat me gedoogt op haar enorme buik. Vanuit het water kijk ik naar de aerodynamische fietsers die voorbij koersen op het hellende vlak van de betonnen kade.  Als ik even later hun wiel opzoek, kijk ik nog even naar de sportzwemmers die als otters uit het water steken. Dan duik ik een ondergrondse wereld van parkings en autostrades in, waar ook de beroemde achtervolgingsscenes van de Batmanfilm The Dark Knight werden opgenomen. Wanneer het pad bij een volgend jachthaventje opnieuw tegen het meer begint aan te schurken, steek ik via Millennium Park door naar het stadscentrum, waar ik een flink stuk westwaartser een toren binnenstap die er langs buiten allesbehalve aantrekkelijk uitziet maar die me binnenin alle comfort biedt die ik nodig heb: een stil en koel bureau en een plaats waar ik koffie en broodjes kan krijgen.   Op het administratieve personeel na is er in augustus bijna niemand in de toren — geen geschikt doelwit voor terroristen. In plaats van gonzende stemmen hangt er in de gangen een bevreemdende stilte, aangedikt door het gezoem van het aircosysteem. In september zal ik verhuizen en een plaats krijgen tussen de andere filosofieprofessoren, maar tot dan moet ik het doen met een tijdelijk bureau op een vaag humaan wetenschappelijk departement enkele verdiepingen lager, iets tussen geschiedenis, sociologie, antropologie en economie in. Ik stel geen vragen. Het is ook onduidelijk aan wie ik dat zou moeten doen: ik ben de enige levende ziel op de verdieping. De secretaris van Indiaanse afkomst reken ik principieel niet mee. Hij rekent mij ook niet mee: iedere ochtend als ik met een ijskoffie uit de lift kom gestapt en voorbij zijn glazen workunit loop, knik ik hem vriendelijk toe. Het is ondenkbaar dat hij me niet opmerkt. Toch blijft hij zich onverstoorbaar wijden aan waar hij dan ook mee bezig is. Ik gun het hem. Maar tegelijk blijf ik mezelf mijn dagelijkse groet gunnen. Mijn eigen vredespijp. Veel kans dat de man het slachtoffer is van positieve discriminatie.  Mijn kantoor is zo goed als leeg, op een defecte fiets na en een kast vol filosofische boeken: voornamelijk wat Kritische Theorie en een hoop vergeelde analytische werkjes over epistemologie en philosophy of mind. Stof tot discussie allicht, maar in mijn ogen toch voornamelijk stof: ik kom zelfs niet in de verleiding te gaan grasduinen. Stiekem beschouw ik het als mijn didactische plicht mijn studenten dit jaar zover te krijgen dat ze geen filosofen meer zullen lezen — een haast onmogelijke opdracht. We zijn allemaal kinderen en willen graag de hoogte in: we joelen als we de bibliotheekdeuren opengooien en het zigguratvormige klimrek der boekenkasten ontwaren, met de miljoenen zwarte regels als strakke touwen waarop we ons spoedig acrobaten wanen, gewichtloze koorddansers boven conceptuele ravijnen en diep logische kloven. Slechts weinig filosofen echter zijn in dit spinnenwebachtige labyrint in staat hun gevoel voor oriëntatie te behouden: de meesten grijpen kirrend naar steeds maar weer een volgende sport en pas als ze beseffen dat ze niet meer weten waar boven en onder is, bouwen ze zich een leven uit rondom die ene sport die ze toevallig stevig beet hebben. Een leven als een vlieg in een fles, zoals Wittgenstein het keurig typeert, waaraan hij toevoegt dat het er dus op aan komt de vlieg de opening uit de fles te wijzen. Maar daar heeft hij zich dan toch mispakt aan de hardnekkigheid waarmee de doorsnee academische vlieg in de eigen glazen flesversie van de werkelijkheid wil blijven geloven, zijn of haar hoogstonpersoonlijke donkergroene of bruinachtige aanfluiting van alles wat ik gezond verstand zou willen noemen. De menselijke geest, in geïsoleerde toestand, vernauwt zichzelf tot een steeds smallere tunnel, een spleet die het licht fijnknijpt in plaats van erop uit te geven. Ouro-boroi: slangen die zich vastbijten in hun eigen staart. Mannen en vrouwen die snakken naar geslachtsgemeenschap met zichzelf. Het staat in ieder geval vast dat er maar weinig academici rondlopen met een boeiend seksleven. Dat is althans wat ik las in een gerespecteerd tijdschrift — dat zelf weliswaar geen academische ranking geniet. Ik heb geen toegang tot internet in mijn bureau. Iemand in het gebouw zal mij spoedig een persoonlijke toegangscode bezorgen, heeft men mij verzekerd, maar daar liet men het bij: de identiteit van iemand werd mij niet geopenbaard. Veel kans dat het de Indiaan is, besef ik nu, maar als dat zo is, kan ik hem alleen maar dankbaar zijn om de verzegelde toestand van zijn lippen. Internet verbindt je zowat met alles en iedereen, alleen nu net niet met jezelf. Het is een gouden uitvinding. Maar soms is het ook een zegen om terug te kunnen glippen naar de primitieve jaren van daarvoor, toen enkel nog militairen in een virtuele wereld leefden — een tijdperk dat even ver achter ons lijkt te liggen als het tijdperk van rooksignalen en tromgeroffel. Al vier weken lang doe ik in mijn kantoor niets anders dan aandachtig te luisteren. Ik denk na over het boek dat ik moet schrijven en herlees de voorbereidende stukken die ik enkele maanden geleden thuis schreef. Ik zet het ene Beatlesnummer na het andere op, sluit mijn ogen en concentreer me. Ik word een stethoscoop waarvan het koude metaal traag langs mijn ledematen glijdt, terwijl naast mijn computer de tand ligt die via Gilles bij mij is terechtgekomen. De tand, of moet ik zeggen: het relikwie?  Aanvankelijk hoorde ik geen hart, maar enkel het geraas van duizenden stemmen. Mijn lichaam was een kakofonisch universum dat ieder ogenblik uit elkaar kon spatten. Nergens was plaats. Alles trok, wrong, zocht, blies. Pas na enkele dagen leek er een opening te ontstaan. Een holte die plaats bood aan een zekere akoestische regelmaat. Een hart dat in de verte zwakjes leek te bonzen.   Iedere dag wordt de holte groter, klinkt het gebons vertrouwder. Eerst was het nog iets dat zich voortbewoog in een vreemd medium, alsof ik van onder water naar geluiden boven het wateroppervlak luisterde. Nu drijft alles in één medium. In het doffe ritme begin ik mijn eigen hart te herkennen.   Eenmaal terug thuis 's avonds schiet ik in mijn sportkleren en verover me opnieuw een plaatsje in de eindeloze mensenketting langs het meer. Ik loop tot aan Belmont Harbor en beschrijf een lus omheen de Sydney R. Marovitz golfclub, zodat ik via een smal grindpaadje het meer nu in noordelijke richting kan volgen. Ter hoogte van Montrose Harbor, waar een scherpe landtong het water in krult, steek ik een grasveld over tot ik bij het brede Montrose-Wilson strand kom. Vanaf daar, luister goed, is het bijna enkel nog Spaans dat je hoort. Mexicanen, Puerto Ricanen en Ecuadorianen maken muziek en overal wordt gebarbecued. Naast een barak met surfmateriaal loop ik via een houten plint op de golfjes toe. Mijn schoenen en kleren laat ik achter en terwijl het zweet van mijn lichaam drupt, stap ik bedachtzaam het meer in. Als het water tegen mijn navel klotst, laat ik me drijven op mijn rug. In de verte waakt een redder over een menigte plonzende kinderen, maar met mijn oren onder water dringt hun gejoel nauwelijks tot me door. Ik hoor alleen mijn eigen ademhaling en het diepe ritme van het meer dat zich daarnaar lijkt te voegen — of andersom natuurlijk. Langzaam vouw ik mijn armen open, sluit mijn ogen en besef dat vrede inderdaad dropping slow komt. Ik luister heel aandachtig en stel me voor — nee, weet — dat in het midden van het meer, op de bodem, iemand zit. Iemand wiens identiteit me vooralsnog niet wordt geopenbaard. Maar wel wordt me op het hart gedrukt dat hij of zij me een verhaal zal vertellen. Een verhaal dat verteld moet worden. Míjn verhaal. Mogelijk is het zelfs al bezig. Dus wat ik moet doen, is luisteren. Luisteren luisteren luisteren.  En dat is wat ik doe.  Ik leg een nieuw Beatlesalbum op en luister.

Greg Houwer
0 0

De Camping

De omlijsting waar ik naar kijk geeft de uitsnede weer van een grasveld waarop een tent staat. Het is een groot met zon overgoten veld zonder enige vorm van schaduw. De tent is er een van canvas in ergonomische retro vormen. Er staan heel wat spullen buiten de tent. Ze staan daar in een chaotische ordening alsof ze juist in dolle paniek de hitte in de tent ontvlucht zijn. Ze staan nu radeloos buiten in de stekende middag zon. Er zijn buiten de tent ook twee mannenbenen zichtbaar. De benen rusten lui en onbegrensd in een nylon strandstoel. Ze komen in een hoek van zestig graden onder een krant uit. Het horizontale kader waar ik door kijk, is een raam in het sanitaire blok, zo'n dertig meter van de tent vandaan. Ik kijk van binnenuit naar buiten. Het kader is gevuld met enkel de tent rechts tegen het kader aan en een flinke lap dor gras, dat voor twee derde de linkerkant van het kader vult. Wanneer ik door mijn oogharen tuur is het net alsof ik naar een foto kijk. Een foto die ze hier, binnen aan de muur van het sanitaire blok, hebben opgehangen. De plaats waar de foto hangt, benadrukt de verstillende sfeer van wat er op afgebeeld staat. Een sanitaire blok waar dagelijks al het vuil van en uit het lichaam wordt verdreven totdat er niets meer over blijft dan leegte, holle galm en de prikkende geur van schoonmaakmiddelen. Afgebeeld in het kader voor me is de verstilde rust van één man drijvend op een lap dor gras, de diepte van een krant en het cymbaal geklater van het zonlicht hoog op de middag. Het is half twee op de middag en de hitte breekt de groene kleur van het gras in twee. Windstil. Er beweegt niets. De krant slaat niet om en er komen geen spulletjes meer in paniek uit de tent naar buiten. Ik kijk naar de bomen achter de tent. Robuust wolkend en donkergroen. Deze bomen houden zich aan een afspraak. De fotograaf heeft ze op het hard gedrukt niet te bewegen. Ik ben klaar met urineren maar houd als in trance de plashouding aan. Als de man achter de krant nù zijn krant neer legt en naar de sanitaire blok kijkt, ziet hij dat ze buiten aan de muur een kader hebben opgehangen. Een kader met daarin een buste van een man die blijkbaar naar iets heel fascinerends aan het loeren is. Maar de benen bewegen niet. Ze zijn wel van kleur aan het veranderen, zoveel is zeker. Op dit moment zie je dat nog niet. Te veel licht. Straks staat zijn vrouw voor hem. Donkere zonnebril op en wijzend naar zijn scheenbenen; betuttelend. Hij zal opstaan en naar zonnebrand gaan zoeken. Eerst in de tent, dan buiten tussen de paniekerige spulletjes. Smeren tegen de bierkaai wordt het. 's Avonds bij het eten op het terrasje van zijn favoriete restaurant, achter een halve liter 'pression', zal het duidelijk worden hoeveel pijn het doet je scheenbenen te verbranden. Ik probeer nu iets meer van de linkerkant van de foto te bestuderen zonder dat het kadrage en perspectief veranderd. Uit mijn ooghoeken kijk ik naar de geometrische lap gras. Borstelig duwt het wat dreigend tegen de tent. Het lijkt meer in een sluiphouding te liggen. Ik krijgt het gevoel dat als ik even niet kijk, het gras een millimeter naar rechts op rukt. Zodra ik dan weer kijk is de beweging bevroren en wacht het gras opnieuw zijn kans af. Die krant staat vast vol met ellende. Hij zou zich beter bewust zijn van dat sluiperige gras en van de zon op zijn scheenbenen. En van mij natuurlijk. Ik kijk naar zijn benen en zijn tent en heb mijn geslacht nog in mijn hand. Ik gluur heimelijk vanuit een observatiepost, die naar urine ruikt. Ik schrik van deze bewustwording en voel me een viezerik in plaats van een museum bezoeker die naar een foto kijkt. Gluren naar iets alledaags; een foto uit iemands leven. Raar dat je je in een museum nooit zo voelt als je naar een bepaalde foto of schilderij kijkt. Vaak kijk je in een museum onbeschaamd naar uitingen van diepe emotie zonder dat je je een viezerik of voyeur voelt. Ja, heel soms wel. Soms valt je blik daar, in een museum, geheel onverwacht op een paar blote, opengesperde benen met een harig kutje er tussen. Een verstilde hamerslag op het aanbeeld van het ogenblik. Hangt gewoon tussen een aantal verpletterend mooie Manet's. Het was Courbet zo bedoeld, maar Manet had dat niet geduld waarschijnlijk. Courbet, hij stond ergens einde achttiende eeuw met ogenschijnlijk heel andere gedachten in een pissijn toen hij dat schilderij bedacht. De geometrische lap monotoon getergd gras links op de foto voor me, zou van Rothko kunnen zijn. Het vuil dat hij uit zijn lichaam perste is monotoon maar sluipt net zo naar je toe. Juist als je het niet ziet. Het tafereel rechts op de foto, op en rond die tent, heeft meer iets weg van een blijspel met Piet Bambergen.  Doek gaat op. Joop Doderer zit achter zijn krantje op een zonnige camping in Zuid Frankrijk. Je ziet alleen zijn benen onder de krant vandaan komen maar iedereen weet dat het Joop Doderer is. Kan niet anders. Alleen Joop Doderer zit zo achter een krant. Zijn scheenbenen zijn onbehaaglijk rood. Dat moet zeer doen. Joop Doderer neuriet iets dat op het Franse volkslied lijkt. Zie je wel, het is Joop. Alleen Joop Doderer kan zo het Franse volkslied neuriën. Het publiek licht al in een spreekwoordelijke deuk. Plotseling rumoer. Joke Bruijs klatert het toneel op. Een hele hoop boodschappentassen aan haar arm en een grote donkere zonnebril op. Het lachen zwelt aan en neemt een onrustige houding aan. Joke gaat voor Joop staan. In zijn zon. Ze gaat gewoon in de zon van Jopie staan!! Het publiek gaat nu echt uit de knijpert. Er zijn er al die de tranen over de wangen laten rollen. Joke Bruijs en Joop Doderer doen nu ‘de sketch van het onhandig zoeken naar de zonnebrand’. Daarbij worden alle facetten van het huwelijk op de korrel genomen. Het ene lag salvo na het anderen torpedeert de bühne. Op een gegeven moment smeert Joke Bruijs veelvuldig, grote witte hoeveelheden zonnebrand uit over Joop Doderer zijn benen, helemaal tot bovenaan in zijn zwembroek. De lachsalvo’s overstemmen nu hysterisch het gemopper van Joop Doderer. Dan knipt er plotseling een spot aan die een tot nog toe donker gedeelte van het decor belicht. Het publiek wordt plotsklaps geconfronteerd met het gezicht van Piet Bambergen. Een nanoseconde is het stil in de zaal, op een enkele hysterische sirene na. Piet zijn buste is duidelijk zichtbaar achter een klein raampje. ‘Toilet’ staat er in blauwe letters op de witte muur geschreven. Piet Bambergen kijkt verbaast en met een voor hem zo typische ondeugende glimlach het publiek in. Hij heeft alles zien gebeuren! De zaal barst. Piet heeft alles gezien! Het apocalyptisch gelach gaat nu over in een revoltische waanzin. Armen worden uitgerukt en tongen verdwijnen in allerlei holtes en gaten van de lichamen die zich kronkelend van pret en buiten zinnen van verzadiging, op een kluwen hebben geworpen. Na afloop van het blijspel was de stad nog dagenlang onrustig. Op mijn foto, hier voor me, is alles stil. Hopper. Niets heeft nog bewogen en lijkt ook nooit meer te gaan bewegen. Wat zal ik doen? Die man attent maken dat zijn benen aan het verbranden zijn? Neem ik alvast een tube zonnebrand mee? Hoeft hij niet te zoeken. Ik knoop mijn broek dicht en wil door trekken. Juist op dat moment komt er leven in de foto. Een oranje voetbal komt van links onder, met een rot vaart, in een mooie curve over de Rothko op de tent af. De bal klettert eerst tegen de krant en een tiende van een seconde later in het gezicht van de man erachter. Francis Bacon. De man valt met stoel en al achterover. Zijn benen maken nu een hoek van honderdtachtig graden. De rode scheenbenen steken als romeinse kaarsen af tegen de blauwe lucht. Er ontsnapt mij een kleine euforische kreet. Volksvreugde na een doelpunt. Insmeren heeft nu helemaal geen zin meer besef ik en loop het sanitaire blok uit. Zou Messi wel eens aan Rothko denken als hij het groene veld betreed?  Bart-Jan van Vugt

Bart-Jan
0 0

Aangeleerde ethiek

Wroeten in de innerlijke mens daar had ze jaren voor gestudeerd. Feiten in haar kop gestampt. Handelingen leren uitvoeren zoals het opensnijden van die mens en daar te reparen wat niet naar behoren functioneerde.“Scalpel!” zei ze op gebiedende toon.Snijdend in de vleesmachinerie van een medemens voelde ze onderwijl hoe de stille knagende onrust van de afgelopen tijd alweer zijn kop opstak. In haar eigen hersenpulp durfde ze niet te snijden tot op het bot, uit angst onwelriekende dingen te vinden. Dingen die zouden dwingen haar met zichzelf te confronteren.“Stelpen! Vlug.” Zo zelfzeker zij handelde in deze steriele kamer, zo onzelfzeker was ze er buiten.Daarbuiten werd er van alles verlangd van haar. En dat viel haar telkenmale moeilijker. Van kleinsaf aangeleerde ethiek had het wagonnetje van haar leven netjes op een spoor gezet en haar een huis, twee kinderen en een man opgeleverd. De spreekwoordelijke hond bezat ze niet.“Klem. Nu.” Zei ze stemvast.En net zoals het afgeklemde bloedvat geen bloed meer doorliet probeerde ook zij haar gedachten af te klemmen met de argumenten van aangeleerde ethiek.Wel bleek de bloedvloed zich beter te laten temmen dan haar onrust.“Ga door schat” Had ze gisterenavond nog gekreund. Haar wederhelft was verwonderd over de passie die ze deze keer aan de dag legde bij het liefdesspel. Wat hij niet doorhad was dat ze zich opzettelijk voorovergebogen op de knieën had laten zakken opdat hij haar langsachter kon pakken. Zijn blik wilde ze niet zien. Want zij gaf zich niet aan hem. Zij dacht aan de man die ze kortelings geleden had ontmoet.Hij zat te lezen in het cafetaria van de fabriek voor herstellingswerken van menselijk vlees waar ze werkte.Een snel ontbijt wou ze nuttigen tussen het repareren van een dwaas die met zijn zatte kloten tegen een lantaarnpaal was aangeknald en de nog te verwijderen paar galstenen bij een ouderlingWaarom ze hem had gevraagd: “Wat leest u als ik vragen mag?” wist ze nog steeds niet. Maar ze had het wel gedaan.Hij had verwonderd opgekeken. Toen zag ze zijn blik onbeschaamd en onbeschroomd over haar heen gaan.“De glazen bol” Had hij geantwoord nu in haar ogen kijkend.“Nooit van gehoord” zei ze. “Wie schreef het?”“Ik. En wellicht hoort u er nooit van. Er bestaat maar één exemplaar”Geïntrigeerd door deze figuur vroeg ze of er bij komen zitten mocht.Aangeleerde ethiek verdroeg dergelijke acties niet. Getrouwde vrouwen behoren geen mannen aan te spreken en al helemaal niet bij hen aan te schuiven.Toch liet ze deze keer haar eerlijk verlangen overheersen. Ze had simpelweg zin om met deze vent te praten.“En wat verteld die bol je dan. En hoe begint je boek?”“Twee vragen stelde je. Een vraag beantwoord ik. Kies.” zei hij met een rokersstem.“Wat doe ik met deze rare snuiter pratend?” had ze zich afgevraagd bij het horen van zijn antwoord. Maar ondanks deze vraag was haar nieuwsgierigheid gewekt. Een zaadje was in haar kop geplant. Nu was het aan haar het water te geven of onvruchtbaar te laten verdrogen.“Laten opdrogen!” schreeuwde haar aangeleerde ethiek haar toe.“Bewateren en bemesten!” hoorde ze haar eigen eerlijke stem nog luider schreeuwen.“Ik wil zien hoe je boek begint,” nam ze plots een beslissing zonder zichzelf toe te staan de dingen kapot te redeneren.Hij reikte haar het boek over. Een goedkoop ding van een of ander digitaal drukkerijtje.De kaft en achterblad waren zwart. Geen mooie of kunstige foto. Niets.Ze sloeg het boek open en begon te lezen: “Wroeten in de innerlijke mens daar had ze jaren voor gestudeerd. Feiten in haar kop gestampt. Handelingen leren uitvoeren zoals het opensnijden van die mens en daar te reparen wat niet naar behoren functioneerde.“Scalpel!” zei ze op gebiedende toon.” Tom

Tom Lievens
22 0