Lezen

Leer

Gino had een obsessie: leren jassen. Zijn kasten hingen er vol mee. Zwarte leren perfecto's, jassen uit omgekeerd schaap, jekkertjes met glitter en opschriften van motorclubs, zelfs paarse blousons uit namaak struisvogelleer met gouden kettingen. De garderobekast aan de inkomhal was voor de mannenvesten, de kapstok in de gang voor de leren regenjassen en de instapkast in zijn slaapkamer voor de damesblousons en daim jasjes. Dat was zijn buit. De schatkamer van kapitein Gino, waar hij vijf jaar aan had gewerkt. Gino was een klein ventje met een agressiviteitsprobleem. Hij reed met een zware motor om zijn lengte te compenseren. De motor deed 250 kilometer per uur. Maar dat was niet genoeg. Elk weekend ging hij naar de discotheek, de Bocaccio en de Carré, om coke te snuiven, xtc te slikken en te dansen op de new beat van de Confetti's. Zijn hobby was onschuldig begonnen. Eerst kon hij zijn jekker niet terugvinden in de vestiaire van het Feestpaleis in Beervelde. Eigenlijk had hij hem in de hoek van de zaal naast een luidspreker laten liggen, maar hij was te dronken om zich dat te herinneren. Daarom had hij toen op zijn dooie gemakje een andere leren vest van de kapstok gehaald toen de garderobejuffrouw even de verkeerde kant opkeek. Het bleek een betere jekker te zijn dan zijn oude, een echte Chevignon uit dik en soepel leer, een pilootmodel met een blinkende goudkleurige voering. Nu hij had begrepen hoe gemakkelijk het was, maakte hij er zaak van om ieder weekend met minstens één vest aan de haal te gaan. In het weekend droeg hij de jassen niet. Hij droeg ze alleen tijdens de week, om naar zijn werk te gaan. Hij werkte in een bakkerij als bakkershulpje en moest om vier uur 's morgens opstaan, reed vijfhonderd meter met zijn motor en was al ter plekke. Om twee uur in de namiddag was hij klaar met werken voor de rest van de dag en van zijn collectie leren jekkers had hij uiteindelijk maar weinig plezier. De enige die ze zag, was bakker Guy, die hem vroeg of zijn moeder een klerenwinkel uitbaatte toen Gino voor de derde keer op één week met een ander jasje kwam aangesnord. Gino vond het spijtig dat hij niet wat meer de show kon stelen met zijn jasjes, want hij had er een paar mooie in zijn collectie. Wanneer hij 's namiddags thuiskwam stalde hij ze uit op zijn bedsprei, trok ze aan en bewonderde zichzelf in de kamerbrede spiegel van zijn instapkast, die zijn ouders hem cadeau hadden gedaan toen hij vorig jaar alleen was gaan wonen. Voor één jasje had hij een zwak: dat van Carine De Gucht. Het hing in zijn kast met damesjasjes: jasjes die hij niet aantrok, maar af en toe besnuffelde naar sporen van parfums – bloemige parfums zoals Anaïs Anaïs van Cacharel en zware muskusrijke parfums zoals Poison van Christian Dior – en ook gewoon leer en zweet. Het jasje van Carine De Gucht rook naar iets anders. Het was gemaakt uit lichte daim, rozig, met de snit van een blazer. Hij had het gestolen in snookerclub Eddy's Balls in de Groendreef. Het lag op een bank die bezet werd door een gezelschap van yuppies in gestreepte hemdjes en Italiaanse schoenen. Op hun tafeltje stonden Duvels, pintjes en Gini. Ze waren in de ban van een kloot die de show wilde stelen en met zijn keu allerlei effecten met de biljartballen uithaalde, die naar hem terugkeerden en allerlei geometrische figuren beschreven op het groene tapijt. Voor Gino was het een koud kunstje geweest om het jasje van de zitbank te grissen en er vandoor te gaan. In het jasje zat een portefeuille met een identiteitskaart, bankkaart en vijfduizend frank. Een hele hoop geld. Gino deed nooit iets met de dingen die hij vond in de jekkertjes. Meestal trof hij lipstick of condooms aan. Af en toe een halflege portefeuille. De spullen slingerden rond op zijn appartement, in schuiven en mandjes. Als er een balpen bij zat, gebruikte hij die om 's morgens kruiswoordraadsels op te lossen. Gino was meteen weg van Carine De Gucht. Zelfs op haar identiteitskaart zag ze er adembenemend uit. Haar blik was open en leek je tegemoet te komen. Gino keek er elke ochtend naar bij het ontbijt, terwijl hij slurpte van zijn koffie en kauwde op zijn boterham met salami. Toen hij nog maar net was begonnen werken, had hij zo vroeg in de ochtend nog geen honger. Het was per slot van rekening nog maar vier uur. Na drie weken deeg kneden bij bakker Guy, tussen de heerlijke geuren van rijzend deeg, gist, opgelegde rozijnen, hete karamel en smeltende boter had hij er een gewoonte van gemaakt om 's ochtends uitgebreid te ontbijten. Anders kreeg hij rond negen uur honger, net wanneer de meeste klanten de winkel binnenkwamen. En dan moest hij van Guy overal met zijn handen afblijven. Carine had een mooie handtekening met veel krullen. Ze woonde op de Dennenlaan in Lochristi en was geboren in Sint-Niklaas op 13 juli 1977. Haar rijksregisternummer was 770713-84912. Gino kende het van buiten. Gino keek uit naar 13 juli. Zelfs meer dan naar 27 augustus, zijn verjaardag. Elke nacht dacht hij aan Carine, en hij hoopte haar ooit nog eens tegen het lijf te lopen. Hij zou haar herkennen in een massa van duizend mensen. Op de straat en in de supermarkt hield hij zijn ogen open, klaar voor een onverwachte ontmoeting. Op zaterdagen bezocht hij de snookerbar, maar daar trof hij haar nooit aan. Ook discotheken leek ze niet te frequenteren. Het was 13 juli. Guy was een week geleden op zomervakantie vertrokken met zijn vrouw Sandra en zijn drie kinderen. Gino werd al de hele week elke ochtend om vier uur wakker, alleen maar om te beseffen dat hij eigenlijk verder mocht slapen. Maar hij kon de slaap niet vatten. Hij liep ongeduldig door de stad tot de winkels opengingen, kocht een groot boeket rozen en reed met zijn motor naar Lochristi. De Dennenlaan in Lochristi was een chique buurt met villa's, lommerrijke tuinen en hoge bomen die hun schaduw lieten vallen op het asfalt van het dreefje. Gino stopte voor huisnummer 46, een bungalow in rode baksteen met een schuin zwart dak. De bungalow stond een tiental meter diep in de tuin, op een kortgeknipte gazon. Een paadje uit stapstenen leidde naar de voordeur. Gino had zijn mooiste jeans en een wit hemd aangetrokken. Zijn helm hield hij onder zijn ene arm geklemd; de bos bloemen, de zak met haar leren jekker, portefeuille en de vijfduizend frank onder de andere arm. Zijn zware cowboyboots klakten op de stenen. Carines identiteitskaart zat in zijn binnenzak: die zou hij niet afgeven. Het was Carines moeder die opendeed. Gino stelde zich voor en overhandigde haar het boeket. 'Carine slaapt nog,' zei ze. 'Ben jij haar vriend?' 'Ja,' zei Gino, 'zo zou je het kunnen zeggen.' 'Kom binnen voor een kop koffie.' Nieuwsgierig stapte Gino het huis binnen. Zijn ouders woonden in een rijhuis. Ook de bakkerij was in een rijhuis gevestigd. In een wijk als deze was hij nog nooit verder dan de voordeur geraakt. Dat was overigens nog in de lagere school, wanneer hij met zijn vriend Robby voor Driekoningen van deur tot deur ging om liedjes te zingen of auto's te wassen. Hij veegde voorzichtig zijn voeten af aan iets wat waarschijnlijk een Oosters tapijt was en volgde mevrouw De Gucht naar de grote keuken met uitzicht op de achtertuin. 'Een mooie keuken,' zei Gino, 'en wat een tuin. Hier zou ik wel willen wonen.' 'Waar woon jij, Gino? vroeg Carines moeder. 'Ik huur een studio in de Groenstraat,' zei Gino, 'ik zit op leerschool bij bakker Guy op het Stationsplein.' 'Aha', zei Carines moeder. Ze schonk hem verstrooid zijn koffie in. De zak met Carines spullen lag op Gino's schoot en belemmerde hem aan te schuiven aan de tafel en van zijn koffie te nippen zonder op zijn jeans te morsen. 'Wil je die zak niet wegzetten?' vroeg Carines moeder. 'Hier', zei Gino, terwijl hij haar de zak aanreikte. 'Er zitten kleren in van Carine. Ik heb die gevonden.' Carines moeder deed de tas open en haalde het jasje eruit. Verbaasd plooide ze het open en keek ze ernaar in het licht van het brede keukenvenster. Carines moeder had veel weg van Carine. Dezelfde blik. Ze had mooie borsten, maar een plat achterwerk. 'Waar heb je dat gevonden? Carine dacht dat het gestolen was. Dat is al maanden geleden. Heeft ze dat bij jou achtergelaten?' Gino wist niet wat hij hierop moest zeggen. Hij was helemaal niet voor Carines moeder gekomen en had eigenlijk verwacht dat deze dag anders zou uitdraaien. Daarom stond hij recht. 'Uw koffie was heel lekker, mevrouw De Gucht, maar nu moet ik er vandoor. Ik denk niet dat ik ga wachten tot Carine wakker is.' Mevrouw De Gucht stond ook recht. Terwijl ze hem naar de deur begeleidde, zei ze: 'Carine zal heel blij zijn dat haar jekker terecht is. Het was een cadeau van haar vader voor haar achttien jaar. Ik vraag haar om je op te bellen wanneer ze wakker is, om je te bedanken. Heeft ze jouw telefoonnummer?' Gino krabbelde zijn telefoonnummer op een papiertje en nam afscheid. Die dag reed hij op zijn Ducati door velden en bossen tot zijn tank leeg was. De volgende dag stond de politie aan zijn deur. Ze vroegen of ze eens mochten rondkijken en Gino durfde hen niet tegen te spreken. Ze vroegen hem waar hij al die leren vesten vandaan had. 'Ik heb ze gekocht', zei Gino. 'Ze zijn allemaal van mij.' Een van de agenten haalde tampons uit de zak van een leren jekker. 'En die, zijn die ook van jou?'  

Nicolas Severyns
0 0

De hond zonder naam

Harry De Bleeckere had zich een hond gekocht van zodra zijn vrouw hem had verlaten. Hij had daar altijd van gedroomd, al sinds zijn kindertijd, maar zijn vrouw had een hekel aan honden. Aan alle dieren eigenlijk. En niet alleen aan dieren, aan mensen ook. Ze had hem waarschijnlijk verlaten omdat ze overal een hekel aan had. Dat was het. Maar bon, nu had hij een hond en dat maakte hem blij. De hond mocht bij hem slapen in zijn bed, lag samen met hem op de sofa tv te kijken en at dezelfde diepvriesmaaltijden als Harry. Wijn, whiskey of bier gaf hij niet aan de hond. Hij was geen dierenbeul. Zelf dronk hij natuurlijk graag een glaasje. Harry was niet de meest sportieve kerel. Hij hield van sportauto's, keek graag naar sport, in het bijzonder tennis, formule 1 en golf, maar zelf zag hij op tegen de inspanning. Hij ging soms met zijn vrienden joggen, een groepje dichte en verre buren. Je had Marc de cardioloog, Bernard de notaris, Jo de boekhouder en Carl die iets deed op de haven van Antwerpen. Ze waren echter allemaal superfit en een paar jaartjes jonger dan hij. Hij was de eerste die op de verkaveling een villa had gezet, nog in 1965. Toen was alles nog bos. Nu waren het villa's, fermettes en bungalows en werd het geluid van de vogels overstemd door het geluid van grasmaaiers. Zij gingen elke twee weken joggen. Het loopclubje praatte alleen maar over loopschoenen, over hoe ze een winkel kenden waar ze je voet filmden of er een foto van trokken en dan op basis daarvan een ideale schoen voor je voet uitzochten, enz. Ze droegen ook felle sportbroekjes, alsof ze echte athleten of marathonlopers waren. Niets voor Harry, die last had van overgewicht en helemaal niet van plan was om tot het uiterste te gaan, zoals zij elke keer deden. Het clubje liep tien kilometer door bossen en weiden, langs allerlei wegeltjes en op het oude vliegveld, maar Harry hield het meestal voor gezien na een kilometer of twee en nam een kortere weg, zodat hij ongeveer tegelijk met hen terug op de ontmoetingsplaats aankwam, café Rozenbroek. Daar genoten ze allemaal van een pintje. De pindanootjes waren voor Harry. Dat wist iedereen. Harry kon maar geen naam bedenken voor de hond. Voorlopig zei hij 'beestje'. Het dier was speels en wilde de hele tijd de tuin in, die bij Harry klein was en zonder omheining. Harry had de hond een paar keer buitengelaten toen hij terugkwam van het werk, omdat het beest zat te blaffen en droevig te janken, want het was de hele dag thuis opgesloten. Maar de buren waren niet tevreden. De hond liep de hele tijd hun tuin in, had op de gazon een drol gelegd en hun zoontje was er met zijn blote voeten in gelopen. De buurman was de stront in een zakje naar Harry komen brengen, om hem te zeggen dat hij zijn stront in het vervolg zelf moest opruimen. Harry's secretaresse, die sinds zijn vrouw was gaan lopen veel interesse en medelijden met hem toonde, zei dat zo een huskie minstens tien kilometer per dag moet kunnen lopen. Anders kon die depressief worden en zelfs sterven of kanker krijgen. Dat zette Harry aan het denken. De volgende ochtend reed Harry heel de wijk door: langs de Eikenlaan, de Kastanjelaan, de Beukenlaan, alle straten in zijn wijk waren naar bomen genoemd. In de nieuwe verkaveling, met kleinere villa's en kleinere percelen, daterend van na de oliecrisis, droegen de straten de namen van exotische planten, zoals Wespenorchideelaan. Tijdens het rijden hield hij zijn behaarde arm uit het opengedraaide venstertje van zijn BMW. De huskie waarvoor hij nog altijd geen naam had bedacht (wel had hij op een bierviltje al een lijst met mogelijke varianten opgesteld en was hij een rondvraag gestart op het werk), liep met zijn tong uit zijn bek naast de auto en verkeerde in een opperbeste stemming. Harry reed in tweede versnelling, met een snelheid van ongeveer 25 kilometer per uur. Hij stond versteld van de snelheid van zijn hond. Hij reed naar het oude vliegveld en deed het toertje van tien kilometer dat normaal de joggers deden. De energie van de hond leek onuitputtelijk. Hij merkte dat de hond dit nodig had en maakte er een gewoonte van. De volgende maanden reed hij iedere ochtend door de verkaveling, met zijn hond aan de leiband uit het venstertje. 's Ochtends was het rustig en kwam hij bijna nooit iemand tegen, hooguit af en toe een scholier met de fiets op weg naar de school. Met volle teugen ademde hij de geneeskrachtige lucht van de sparren in en - omdat hij nu zo traag reed - zag hij op verschillende plaatsen eekhoorntjes door de bomen springen en konijnen huppelen op de gazons. Hier en daar zag hij een huisvrouw of man in kamerjas die sloffend de ochtendkrant uit de postbus kwam halen. Ondertussen bromde zijn motor en trippelde de hond met zijn nagels het asfalt. Hij werd er natuurlijk op aangesproken. Eerst keken de mensen hem vreemd aan bij de bakker en de slager. Toen hij nog eens ging joggen, een verplichting die hem destijds door zijn ex-vrouw was opgelegd, om beter in de buurt te integreren, vroegen ze hem lachend of hij nog geen pijn had in zijn arm. Maar Harry lachte het weg en legde uit hoe blij hij wel was met die hond en dat hij in een depressie zou hebben gezeten mocht dat beest er niet geweest zijn. Dat het een droom was die uitkwam voor hem en dat hij nog nooit zo gelukkig was geweest. En dat hij niet de indruk had dat hij iemand stoorde door zo 's morgens met zijn auto door de verkaveling te rijden. De joggers stemden daar mee in. Ze vonden het origineel en ongewoon, maar er was inderdaad niets illegaal aan. Met zijn ex-vrouw Greta ging Harry vaak naar concerten, voornamelijk klassieke muziek en in het bijzonder opera. Harry's ex-vrouw was gek geweest op Maria Callas, waardoor Harry telkens hij een aria van Puccini hoorde en het bekende stemtimbre hem ter ore kwam, direct in het verleden werd teruggegooid en zich alle ruzies herinnerde die hij met haar had gemaakt en hoe ze zijn leven had verziekt. Hij bleef niettemin een muziekliefhebber en luisterde 's avonds, bij het avondeten, naar een elpee op zijn hifiketen van Marantz en zijn gigantische luidsprekers, die hem het gevoel gaven dat hij zich midden in de concertzaal bevond. In de auto luisterde hij ook naar muziek, bij voorkeur naar de klassieke zender. Vooral 's morgens, wanneer hij met de hond zijn rondjes deed, probeerde hij hiermee de routine min of meer te doorbreken. Hij legde nu elke dag hetzelfde traject af met zijn hond, en had graag een deuntje waarop hij kon meefluiten. Op een dag was hij tijdens de ochtendwandeling aan het luisteren naar een streepje klassiek. Ze naderden het oude vliegveld en reden over een grindweg waar Harry steeds van versnelling moest veranderen. 'Mio babbino caro, mi piace, è bello, bello,' weerklonk de stem van Maria Callas uit de zwarte luidsprekers die in zijn portieren waren gemonteerd. Er liep een koude rilling over Harry's rug, als een kudde bizons die raasde door de prairie, en zijn reflex was om de radio onmiddellijk uit te zetten. Hij was echter net met zijn rechterhand de versnellingspook aan het verplaatsen. Hij nam de leiband tussen zijn tanden om met zijn linkerhand de radio uit te zetten en dat doordringende stemgeluid te doen verdwijnen. De leiband slipte echter uit zijn tanden, het venstertje uit. De zwarte leren vlecht kletterde de straat op, de hond achterna. Harry probeerde er zijn hand naar uit te strekken, maar verloor de controle over het stuur. De wagen maakte een bruuske bocht naar links. De hond kwam onder het wiel terecht en jankte kort en klaaglijk. Er volgde een bonk. Harry duwde op zijn rem. Hij werd tweemaal omhoog geworpen in zijn zetel voor hij tot stilstand kwam. De hond lag achter de auto. Op het eerste zicht leek er niets gebroken, maar het dier bleef wel liggen en jankte. Het keek voor zich uit en knipperde af en toe met de oogleden. Harry legde de hond voorzichtig op de achterbank, zei dat alles goed zou komen en dat het zich geen zorgen hoefde te maken. De dierenarts zei echter dat er niets meer kon worden gedaan en Harry stemde ermee in om het dier een spuitje te geven. Hij begroef de hond in de tuin en timmerde een houten kruis.  Hij had niet eens een naam voor de hond bedacht.

Nicolas Severyns
1 0

Pech

Hoeveel pech kan je hebben binnen de tijdspanne van één ‘werkdag’?  Nadat we onze eerste werkmaanden er op hadden zitten, nodigde de raad van bestuur van onze kersverse werkgever mijn nieuwbakken collega’s en mezelf uit om met elkaar kennis te maken. Uit elke Vlaamse provinciehoofdplaats vertrok er een delegatie naar Brussel. Ons groepje bestond uit een stel jongelui aangevuld met enkele oudere HR-medewerkers die ons zouden begeleiden naar de hoofdzetel in Brussel. Eerst spraken we af in Hasselt om van daaruit gezamenlijk te sporen naar onze hoofdstad. Het was een mooie zomerdag toen ik mijn oude Kever parkeerde op de binnenring. Ik stapte uit en merkte al dadelijk dat ik een knop verloor van mijn blauwe blazer. Ik raapte hem van de straat op en borg hem weg in mijn jaszak. Een ongelukje kan iedereen gebeuren, dus no problem. Enkele minuutjes daarna ontmoette ik de rest van onze bende op het perron. Het zou een werkdag worden zonder dat we ervoor moesten werken. Dat is niet iedereen gegeven, dus de stemming zat erin. Een kwartiertje later zaten we op de trein en we namen een kwart van de wagon voor onze rekening. We waren met velen in dienst genomen in dat voorbije jaar. Van crisis was nog geen sprake. Dat zou niet lang meer duren, zowel voor de Belgische economie als voor mijn outfit van die dag. We naderden Diest. Een tweede knoop kreeg het snode plan zich te ontrukken van mijn nochtans onlangs aangekochte vest. Gelukkig bleef ik cool alhoewel de nog redelijk vroege zomerzon de temperatuur in ons compartiment de hoogte injoeg. Een blazer, dacht ik, wordt regelmatig niet dichtgeknoopt gedragen. Toen Aarschot in zicht kwam voltrok zich het derde ‘stuk’. Toen ik mijn armen kruiste om mijn ontbrekende knopen te verdoezelen, zag ik dat de naden van mijn vestmouwen aan de binnenkant helemaal loslieten en open kwamen te staan zodat de voering naar buiten puilde. Onder het mom van ‘te warm’ besloot ik dan maar mijn blazer uit te doen en over mijn schoot te draperen. Leuven zal voor mij altijd een nare bijklank hebben. Nog voor we onze zoveelste tussenstop deden, besloot ook mijn broek het te begeven. Net zoals bij de mouwen van mijn vest, weigerden de naden van mijn pantalon, nochtans even nieuw gekocht als mijn blazer, hun plicht te vervullen. Er verschenen twee openingen ter hoogte van de binnenkant van mijn knieën. Dit laatste was niet ontsnapt aan de opmerkzaamheid van één van mijn nieuwe vrouwelijke collega’s. Tussen Leuven en Brussel deed ik het relaas van mijn wedervaren aan mijn omzittenden. Eerst hilariteit alom, maar toen zij het hopeloze van mijn situatie inzagen was er alleen nog sprake van het broodnodige medeleven. Gelukkig bleef ik gespaard van het verder uitrafelen van mijn kledij en bleef het een zonnige dag zodat ik met mijn blazer de overige calamiteiten kon verbergen. Goddank gaf mijn toenmalige grote baas een eerder flauw handje in plaats van mij door elkaar te schudden met een fikse ‘poot’. Dat hadden mijn blazer en broek zeker niet overleefd. Iemand geïnteresseerd hoe dit alles kon gebeuren? Welnu, alhoewel beide kledingstukken nog maar enkele maanden voor die destructieve dag aangekocht waren, had ik besloten ze toch aan de nieuwkuis mee te geven: kwestie er op je paasbest uit te zien als je voorgesteld wordt aan je Raad van Bestuur. Een of andere mislukte ‘droogkuiser’ moet ze dan behandeld hebben met een verkeerd product, waardoor de naden verzuurden en verschrompelden, met alle gevolgen van dien. Moraal van dit verhaal: Het was het begin van een veertig jaar durende loopbaan. Regelmatig moest ik naar Brussel terugkeren maar altijd zorgde ik ervoor dat ik kleren droeg die niet pas ‘behandeld’ waren.

Marc M. Aerts
0 0

Kind met duif

[Niño con una paloma (1901) — Pablo Picasso] „Hallo? Wie hebben we hier? Dag jongedame, hoe heet jij?” „Blanca, mevrouw.” Het meisje keek verlegen naar de grond. Ze had een bal onder haar arm geklemd en in haar kleine knuistjes hield ze heel voorzichtig een witte duif vast. De vogel leek het niet erg te vinden. “En kan ik iets voor je doen?” “Ik kom deze duif terugbrengen, mevrouw.” “Ik ben Anna, de meid. Je hoeft mij geen mevrouw te noemen. Is het er eentje van de burgemeester?” “Ja mevrouw… Anna. Hij heeft een ringetje, kijk… en daar staat een nummer in. Mijnheer Delgado van de overkant heeft ook duiven en die heeft ook een heel dik boek waar alle nummers in staan en hij zei dat daarin stond dat-ie van de burgemeester was.” “Nou, dan zal ik onze burgervader maar even waarschuwen.” Anna wilde zich al omdraaien.” “Kan ik hem niet aan u geven?” “O nee, ik raak die griezels niet aan!” Om haar standpunt kracht bij te zetten hield ze haar handen wapperend naast haar hoofd en trok ze een vies gezicht. Blanca moest haast lachen om deze rare vrouw. “Kom maar binnen. Hier, ga hier maar even zitten, dan zal ik de burgemeester laten weten dat je er bent. Bianca, zei je?” “Blanca, mevr— Anna.” Terwijl Anna het huis verder inliep, ging Blanca zitten op het krukje dat haar was aangewezen en keek vol bewondering de enorme keuken rond. Ze vroeg zich af of de oven groot genoeg was om in te wonen. Erboven hingen meer pannen dan haar moeder waarschijnlijk in een jaar zou gebruiken. Ze voelde haar arm moe worden door het klemmen van de bal en ze keek of ze die ergens voorzichtig neer kon leggen, toen Anna alweer terugkwam. “De burgemeester heeft het heel druk maar hij wil je even ontvangen, kom maar.” Ze volgde de huishoudster de keuken uit naar de grote hal. De donkere lambrisering gaf de ruimte iets plechtigs wat ze goed vond passen bij iemand die zo belangrijk was als de burgemeester. In de hoek stond een glimmend harnas dat heel echt leek. Met een zwaard. Anna wees naar een deur die op een kier stond, draaide zich om en ging terug naar de keuken. Blanca durfde niet zomaar binnen te lopen maar ze had geen hand vrij om te kloppen en dus schopte ze met haar voet heel zachtjes tegen de deur. Toen ze geen reactie hoorde, schopte ze iets harder. “JA!” bulderde het. Van schrik deed ze de deur verder open maar vergat de bal. Het vrolijke gestuiter van het plastic op het statige marmer leek oorverdovend en eindeloos. Het was alsof het geluid het hele huis door galmde. Het liefst was ze omgedraaid en hard naar huis gehold. „Hallo, hier ben ik.” Ze overwon haar angst en deed een paar pasjes naar voren. „Ja, kom maar verder. Kom, kom, ik bijt niet.” Blanca schuifelde voetje voor voetje de grote studeerkamer in, haar ogen op de grond gericht. Achterin het vertrek, achter een groot houten bureau, zag ze het silhouet van de burgemeester. Doordat het licht van achter het bureau door een hoog schuifraam naar binnen viel, kon ze niet zien of hij boos was. Ze dacht niet dat de burgemeester vaak werd gestoord door stuiterende ballen. „Zo zo. Kijk aan. Wat hebben we hier. Hoe heet jij?” „Blanca”, klonk het zachtjes, nog niet eens fluisterend. „Kun je iets harder praten, kind, zo kan ik je niet verstaan.” „Blanca, mijnheer,” nu iets luider. “Wat heb je een mooie strik aan je jurk, Blanca.” Blanca keek op, verrast door deze vriendelijke woorden. “Dank u wel, mijnheer. Heeft mijn moeder—“ “Anna zegt dat je een duif komt brengen?” “Ja dat klopt, mijnheer. Mijnheer Delgado van de overkant heeft op het ringetje gekeken en toen zei hij dat-ie van u was.” “Je weet dat dit soort duiven meestal uit zichzelf terug naar huis vliegen?” De burgemeester was achter zijn bureau vandaan gekomen en nu kon ze hem beter zien. Ze vond dat hij er eigenlijk best vriendelijk uit zag. “Ik denk dat hij was verdwaald, mijnheer.” “Verdwaald? Het is een postduif?” “Daarom, misschien.” “Hoe bedoel je.” De burgemeester leunde nu voorover en keek Blanca aan over zijn kleine brilletje. “De meeste duiven gaan nergens naar toe, mijnheer. En als je niet ergens naar toe gaat, kun je ook niet verdwalen.” De burgemeester keek haar verbaasd aan, vouwde zijn brilletje op en stak dat in een zakje van zijn overhemd. “Mmm, misschien heb je wel gelijk. Je bent een slim meisje, Blanca. Maar hoe kun je zien of een postduif verdwaald is?” “Ik weet het niet, mijnheer, maar hij kwam bij ons en wij krijgen nooit post. Behalve één keer per jaar, dan krijgen papa en mama een brief van tante Esmeralda, dat is een zus van mama, die naar Amerika is verhuisd. Maar die wordt nooit door een duif gebracht, altijd door —“ “Laat eens zien.” De burgemeester strekte zijn handen uit om de duif van Blanca over te nemen. De vogel fladderde wat en Blanca voelde even de warme zachte handen van de burgemeester toen ze hem de duif gaf. Zulke warme handen, dat zal hij vast fijn vinden, dacht ze. De burgemeester pakte een vleugel van de duif en spreidde deze helemaal uit. Hij wilde hetzelfde doen met de andere vleugel maar toen begon het dier heftig te protesteren. “Aha, daar zit het probleem.” Hij haalde zijn brilletje weer tevoorschijn, zette het op zijn neus en bestudeerde de linkervleugel van de witte duif. “Heeft-ie pijn, mijnheer?” “Ja, dat denk ik wel, Blanca. Ik denk dat een kat naar hem heeft uitgehaald. Of misschien een roofvogel. Ik ben heel erg blij dat je hem hebt teruggebracht, ik denk dat ik hem anders kwijt was geweest. En weet je, ik denk niet dat hij was verdwaald.” “Niet?” Nu was het Blanca’s beurt om verbaasd te kijken. “Ik denk dat deze duif, toen hij wist dat hij niet meer naar huis kon vliegen, snel op zoek is gegaan naar iemand die slim genoeg en lief genoeg was om voor hem te zorgen en hem terug te brengen.” Blanca kreeg een kleur. Hij bedoelde haar! De burgemeester trok aan een lang koord dat naast zijn bureau aan de muur hing en nog geen tien seconden later stond Anna op de drempel van de studeerkamer. “U had gebeld, mijnheer?”, vroeg ze vanuit de deuropening. “Anna, wil jij deze jongedame een glas limonade geven? Mét ijsblokjes. Ze heeft mijn duif gered.” En tegen haar: “Vanaf nu zijn wij vrienden, Blanca,” hij stak zijn hand uit, “Ik ben je erg dankbaar.” Blanca bloosde nog steeds toen ze zijn grote warme hand schudde en een kniebuiginkje maakte. Toen pakte ze haar bal die bij een boekenkast tot stilstand was gekomen en huppelde achter Anna aan naar de keuken. Toen ze later die middag thuiskwam wachtte haar een verrassing. Een grijze duif zat haar op te wachtten op het gammele tuinhekje dat het moestuintje van haar ouders afscheidde van het zandpad langs de boerderijen. Ze zag al snel dat ook dit een postduif was. Het briefje dat in het kokertje zat dat de duif om zijn nek droeg, was van de burgemeester, die haar nogmaals hartelijk bedankte. Het was ondertekend met: ‘uw vriend, de burgemeester’.

Bart Snel
196 0

Het leven is een ei

Dat de zonnebril van de man niet stuk is, klopt ergens wel, het is immers een pilotenmodel. Maar dat de man rechtkrabbelt aan de voet van de wolkenkrabber, dat hij zelfs geen schram heeft opgelopen, is fysisch onmogelijk. Hij is het middelpunt van een kleine volkstoeloop, mensen die hem bezorgd of verbaasd aanstaren. ‘Mijnheer,’ begint een vrouw. De man negeert haar, hij negeert al die mensen. Wat zou hij hen meer kunnen vertellen dan dat hij een totale sukkel is? Over een balustrade kruipen en zich de diepte instorten, hoe moeilijk kan het zijn? ‘Mijnheer,’ probeert ze nog eens, ze grijpt zijn arm. Hij rukt zich los. ‘Bent u echt oké? Moet ik een ambulance telefoneren?’ Nee schudt hij, nee, vooral niet. De vrouw dringt niet meer aan, ze zet een stap opzij. Andere omstaanders schuifelen wat achteruit. Er gaat een rilling door de man heen wanneer hij merkt dat ze plaats maken voor een pinguïn. Het is een kleine pinguïn met bemoeizuchtige kraaloogjes. ‘Jij daar,’ de pinguïn steekt zijn borst vooruit, ‘jij bent pretentieus.’ Er klinkt gemompel in het groepje omheen de man. De pinguïn kijkt in het rond en wappert met zijn vleugel. De omstaanders verspreiden zich prompt. De man blijft alleen met de pinguïn achter. De pinguïn schraapt zijn keel. ‘Het is heel eenvoudig: ik zwem en ik loop. Zo is het bedoeld en zo handel ik, op vliegen zal je mij nooit betrappen. Jij als mens dient je net zo te gedragen. Uiteraard loop je beter dan ik, maar dat wordt gecompenseerd door jouw mindere zwemkwaliteiten.’ ‘Ik wilde enkel zelfmoord plegen,’ zegt de man. ‘Wie zich van een toren stort om zelfmoord te plegen, vliegt niet. Jij bent ongedeerd, jij hebt dus gevlogen.’ De pinguïn kijkt de man diep in de ogen. ‘Ik zit strop. Ik moest gewoonweg springen.’ ‘Vliegen.’ Er volgt een ongemakkelijke stilte. ‘Ik wil dood, echt,’ herneemt de man. ‘U moet me geloven. De baas had me bij zich…’ ‘Waaraan doet een ei je denken?’ blokt de pinguïn het betoog van de man af. ‘Een ei?’ Verrast hapt de man naar adem. De pinguïn knikt bemoedigend. ‘Ik weet niet,’ vervolgt de man. ‘Een ei wordt uitgebroed en er komt een vogeltje uit. Dat pikt het ei eerst stuk natuurlijk. Of is het de moedervogel die dat doet?’ ‘Het leven is een ei. Daar zou het woord ei je aan moeten doen denken.’ Hij blikt zelfvoldaan in het rond, maar er zijn geen toeschouwers. Voorbijgangers haasten zich langsheen het duo en besteden er nadrukkelijk geen aandacht aan. ‘Dus geen moedervogel,’ mompelt de man, hij speelt peinzend met zijn zonnebril. ‘Als het leven een ei is, dan is het feit dat ik nog leef een teken?’ De pinguïn reageert niet, staart hem geconcentreerd aan. De man haalt diep adem. ‘Dus ben ik eigenlijk opnieuw geboren?’ Hij knikt nu plots overtuigd. ‘U, mijnheer de pinguïn, bent een soort boodschapper die mij een herkansing brengt. Ik mag nog niet dood. Mijn problemen moet ik aanpakken, dat is wat ik moet doen, ja? Ertegenaan gaan. Iedereen heeft wel eens een slechte dag op kantoor, iedereen verliest wel eens zijn job.’ De pinguïn schudt ontkennend het hoofd. ‘Ik herhaal, het leven is een ei. Jij hebt mij onsterfelijk belachelijk gemaakt en dat pik ik niet.’ ‘Dat was niet mijn bedoeling, echt niet. Ik ben u net heel dankbaar omdat u mij doet inzien dat ik fout zat, dat alles nog zin heeft. Ik moet er nog verder over nadenken, natuurlijk. Maar ik voel hoop, echte hoop. U beledigen wilde ik niet, helemaal niet. Sorry daarvoor.’ ‘Een eenvoudig excuus volstaat niet om deze schande uit te wissen. Dat begrijp je toch?’ ‘Ja, dat hangt van u af natuurlijk, hoe u genoegdoening wenst te krijgen. Ik ben bereid daar ver in te gaan omdat u hier mijn leven redt, met uw inzichten.’ De man steekt een sigaret op. ‘Je had niet mogen vliegen.’ ‘Ik weet het, ik weet het. En toch heeft het een positief gevolg. Ik leef nog.’ ‘Je had dat echt niet mogen doen.’ De man geniet van zijn sigaret, de eerste van zijn nieuwe leven. Het lachen met pinguïns is bij wet verboden, maar gewoonlijk eindigt dit soort zaken met een minnelijke schikking. ‘Het is dus duidelijk wat er moet gebeuren,’ neemt de pinguïn een plots besluit. De man tikt wat asse op de grond. ‘We moeten alles overdoen met de logische gevolgen ditmaal.’ De pinguïn knijpt zijn oogjes samen. ‘U bedoelt…’ De man trekt bleek weg en laat zijn sigaret vallen. ‘Nee, dat kan niet. Ik wil niet meer dood. Ik ben net opnieuw beginnen leven. Dankzij u.’ ‘Uw besognes laten me koud, het leven is immers een ei. Volg me maar.’ Zonder op of om te kijken, waggelt de pinguïn naar de ingang van de kantoortoren. De man blijft staan. Hij is niet van plan opnieuw te springen, echt niet. Aan de toegangsdeur draait de pinguïn zich om, keert terug op zijn stappen. ‘Je hebt geen keuze,’ insisteert hij, ‘dat besef je toch?’ De man blijft koppig staan. De pinguïn schenkt hem een vernietigende blik, waarna hij zich naar een politieman haast die even verderop staat. Er ontspint zich een geanimeerde discussie waarbij ze uitvoerig naar de man en de toren gebaren. De man wacht op wat komen gaat, vluchten heeft geen zin. Hij hoopt dat de politieman hem van die vervelende pinguïn zal verlossen, dat hij de zaak van mens tot mens zal willen regelen. Even later wenkt de politieman hem. ‘Mijnheer, lachen met pinguïns is verboden. Dat weet u toch?’ ‘Maar ik wilde…’ ‘Vliegen! Stel u voor,’ de politieman pauzeert, slikt zijn ergernis weg. ‘Wat deze pinguïn u als genoegdoening vraagt is bijgevolg niet onredelijk. Ik zal u naar boven begeleiden.’ Hij legt zijn hand dwingend op de arm van de man en samen verdwijnen ze in de kantoortoren. De pinguïn blijft beneden. Hij wacht. Enkele minuten later stort de man te pletter op het voetpad. De pinguïn knikt goedkeurend, raapt de zonnebril op en waggelt weg.

Luc Geeraert
17 0

Avontuur

"Ga je mee op avontuur?",  vraag ik. "Ik weet nog niet waarheen. Kom, pak je jas en stap in."   Ik geniet van de rit met jou naast me. Kijkend naar de voorbij trekkende velden, de bomen, de koeien in de wei. We hoeven niet te praten. Gewoon samen onderweg zijn is het mooiste wat er is.   Er staat een man te liften in de regen.  Ik stop, zonder me af te vragen of dat wel verstandig is.  "Waar ga je naartoe?", vraag ik, terwijl hij op de achterbank kruipt. "Naar de zee," zegt hij. "Ik heet Maarten." Wij stellen ons ook voor. Daarna is het weer stil. De lucht klaart op. Het grijs verandert snel in fel groen, nu de zon de weilanden en de bomen weer verlicht.   "Waar aan de kust moet je zijn Maarten?",  vraag ik onze passagier. "Maakt eigenlijk niet zo veel uit", zegt hij. "Ik wil een eind op het strand gaan wandelen. Dat doe ik graag." We besluiten naar Zierikzee te rijden en zetten Maarten bij de duinen af.   We parkeren de auto even verderop. "Soep en friet", antwoord je me als ik vraag waar je trek in hebt. We stappen een brasserie binnen waarvan we vermoeden dat ze dat wel op het menu hebben staan. De ober komt onze bestelling opnemen. Hij ziet er wat slonzig uit. Hij heeft lang, vettig haar en een snor. Het wordt tomatensoep met patat speciaal. En een biertje natuurlijk.   Je ziet er prachtig uit met je natte haar en de zwarte vegen rond je ogen door de uitgelopen mascara. Nu je hier zo tegenover mij zit, realiseer ik me opeens hoe zielsveel ik van je houd. Tranen wellen in me op. Die stomme ruzies ook altijd. Konden we maar altijd zo rustig en stil van elkaars gezelschap genieten.   Ik betaal. Jij gaat vlug nog even naar de wc.  "Kom, laten we naar huis gaan", zeg ik als je terugkomt . Je kijkt een beetje verbaasd. "Maar we gingen toch op avontuur?" "Dat is ook zo", antwoord ik, "maar daarvoor hoeven we toch niet ver te reizen?"   Ik start de auto, maak mijn gordel vast en wil wegrijden. Je vraagt me om nog even te wachten.  Maarten loopt enigszins verloren langs de auto. Hij lijkt iets kwijt te zijn. Ik draai het raampje open en vraag of we hem ergens mee kunnen helpen. Verschrikt kijkt hij op, maar zodra hij ons herkent verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. "Ik ben op zoek", zegt hij, "maar ik weet niet naar wat". "Ik begrijp het", zeg ik en vraag of we hem naar huis kunnen brengen. Hij stapt in en we rijden terug in de richting waaruit we gekomen zijn.   We zijn al een tijdje onderweg wanneer Maarten ons ineens vraagt waarom we zo verdrietig zijn. Ik heb niet meteen een antwoord klaar, maar jij zegt spontaan: "we zijn ons zelf een beetje kwijt. We zijn bang voor de toekomst." "Ik snap wat je bedoelt", zegt Maarten. "Dat overkomt ons allemaal. Maar uiteindelijk komt alles weer goed."   "Zet me hier maar af", zegt hij wanneer we het bord passeren dat de volgende uitrit aankondigt. "Dit lijkt me een interessante plek."   We nemen afscheid en vervolgen onze weg naar huis. Ik parkeer de auto in de garage, terwijl jij alvast naar boven gaat. "Wil je ook thee?" vraag je als ik de woonkamer binnenloop. "Ja graag", zeg ik en houd je een tijdje stevig tegen me aangedrukt. De ketel fluit. Buiten begint het te schemeren. In mijn hoofd is het al behoorlijk opgeklaard.

hoos
0 0

Der Königstiger

“Als je in de modelbouw een uitdaging zoekt moet je bij de boten zijn. Vaartuigen met alles erop en eraan: Masten, zeilen, vaandels, touwwerk, kanonnen. Dan heb je waar voor je geld. Houten schepen met tuigage, dat is voor mij het einde. Meer dan plastieken. Hoewel er daar ook mooie te vinden zijn. Als je maanden aan zo’n fregat geplakt, gesneden, geschaafd, gezaagd, geknoopt, genaaid en geverfd hebt, als je dat hoopje hout, koord, stof en koperwerk tussen je vingers ziet groeien tot een gedetailleerde replica van een historische viermaster, dan heb je pas iets waardevols geconstrueerd. Bij ons thuis kregen die kunstwerken een ereplaats op de schouw van de salon of op de buffetkast van de eetplaats. Ik kon er uren naar kijken naar die boten. Ze konden zo wegvaren, de oceaan over naar Amerika of Indië of naar streken waar nog geen mens geweest was. De scherpe boeg klievend door de baren en een wit schuimend spoor trekkend in een azuurblauwe zee. Net echt, maar dan in het klein. Een tank vind ik maar niks, een tank is een tank nietwaar. Als je er één gezien hebt heb je ze allemaal gezien. En het is niet mooi, zie je al een gepantserd voertuig naast een porseleinen vaas op het dressoir in de eetkamer staan? De Mayflower integendeel, of de Prince, of de San Mateo, of de Friesland, daar wordt naar gekeken. Dat zijn stukken die direct de aandacht trekken van je bezoekers. Maar pantsers? Dan nog liever een vliegtuig denk ik dan. De Concorde, of de nieuwe Airbus van Tamiya, prachtig model, mooi gedetailleerd maar niet goedkoop. Het is dan ook Tamiya, dan spreek je over kwaliteit en dat heeft zijn prijs. Een collectie tanks in een vitrinekast, dat zou nog kunnen. Als je het als een historisch overzicht beschouwt tenminste. Maar dan nog. Geef mij toch maar houten klippers waarbij ik kan wegdromen over deinende zeeën, piraten en bruingebrande matrozen.” Ik heb het begrepen. In deze zaak voor modelbouwbenodigdheden zal ik op niet op veel begrip kunnen rekenen voor mijn fascinatie voor brommende vuurspuwende ijzeren gedrochten. Terwijl de winkelierster vanachter haar geïmproviseerde rommelige toonbank voortratelt over de charme van de houten modelbouw wurm ik me tussen de overvolle tot aan het plafond met nieuwe en oude bouwdozen volgestouwde rekken verder het winkeltje in. Ze zijn er allemaal, en dikwijls in verschillende uitvoeringen, de Sherman’s, Panthers, Tigers, Churchill’s, T-34’s, Leopard’s, Merkava’s en consorten. In de schijnbare wanorde gaat een logica schuil. Wereldoorlog I, Wereldoorlog II, de tanks van na 1945 en pantsers die een rol gespeeld hebben in Golfoorlog één en twee en tijdens de Irakoorlog. De pantsers bekleden drie muren van de winkelruimte. Dwars in het lokaal staan schappen met vliegtuigen. Aan de straatkant, net achter het uitstalraam, prijken de schepen en de auto’s. Achter de toonbank, naast de deur naar een keukentje, liggen benodigdheden voor de modelbouwer in vuilwitte ijzeren rekjes. Verfpotjes, spuitbussen, lijmtubes, messen, zagen, tangen, boren, penselen, afplakband en koperbeslag om de maquettes tot in het detail af te werken. Wat niet in de overvolle bakjes in metaaldraad kan en waarvoor ook geen plaats meer vrij is om ze ergens aan op te hangen staat op de grond in kartonnen dozen of in plastieken bakken. In een hoek vind ik in een bruine doos met vochtvlekken wat ik zoek: Obersturmbannführer Joachim Peiper van de Schwere SS-PanzerAbteilung 501. Althans zijn door Dragon vervaardigde vaalgrijze plastieken lichaamsdelen op schaal 1/16, inclusief zijn favoriete Roth-Handle sigaret nonchalant geklemd tussen midden- en wijsvinger van de gehandschoende linkerhand. Als ik hem met zorg en oog voor het detail beschilder is hij bruikbaar om naast een Panzerkampfwagen VI Königstiger post te vatten. Het verhaal dat ik na de dood van mijn vader tussen zijn paperassen vond, schiet me te binnen als ik de op het deksel van de doos geschilderde Joachim bestudeer. In een avontuurlijke bui was papa voor het uitbreken van de oorlog naar Duitsland getrokken om er aan de universiteit geschiedenis te studeren. Bij het begin van de vijandelijkheden was hij niet naar België teruggekeerd. Toen de Duitsers inzagen dat ze op een nederlaag afstevenden werd hij van de universiteitsbanken geplukt. Hij kreeg het bevel zich in te lijven bij Hitlers troepen om de oprukkende Russen een halt toe te roepen maar vluchtte naar België. De verloren zoon werd niet met open armen ontvangen en belandde in een cel. Een militaire rechtbank hechtte weinig geloof aan zijn bewering dat de Duitsers hem al die jaren gevangen gehouden hadden. Een hele tijd na zijn vrijlating probeerde hij de oorlogsperiode van zich af te schrijven. Verhalen over mensen die hij in het Reich had leren kennen, Otto Hilpert onder andere. Samen met zowat achthonderd lotgenoten was soldaat Hilpert zijn bloeddorstige hoofdman jankend achternagerend door de ondergesneeuwde Ardense bossen. Terug naar de Heimat, op de loop voor de oprukkende yankees. Alles achterlatend wat te zwaar was om te dragen. De door brandstoftekort en een gebrekkige terreinkennis geïmmobiliseerde pantserwagens incluis. Hij is niet moeten verschijnen voor het tribunaal bij het Dachauproces in 1946. Een over het hoofd geziene kleine garnaal. Niemand zal ooit weten of ook hij als een waanzinnige door een modderig patattenveld in Baugnez baggerde om gevangen genomen Amerikanen een kogel door het hoofd te jagen. Had hij in Noord-Italië meegeholpen aan het oppakken van joden en de wrede, uit wraaklust ingegeven, executie van weerloze boeren? Naar zijn aandeel in het bloedspoor dat SS Obersturmbannführer Joachim Peiper doorheen Europa trok kan ik enkel gissen. Otto Hilpert was lader in Panzer 339. Hij nam op bevel van de tankcommandant de obussen en granaten uit de rekken in de buik van het monster en duwde ze in het 88 mm Lang 71 kanon. Toen ze weer eens opgehouden werden omdat de wegen naar het strijdtoneel dichtgeslibd waren met vijandige en bevriende colonnes had hij, om de tijd te doden, al zijn creativiteit aangesproken en met een stuk krijt een boodschap gekrabbeld op het gebogen, koperen oppervlak van een obus. Een anatomisch totaal fout getekend doodshoofd en de woorden “with love”. Otto had zo zijn gevoel voor humor. Hij werd door de commandant betrapt bij zijn artistieke bezigheid en kreeg, in de plaats van enige aanmoediging of blijk van waardering, ongenadig op zijn kop. Op de koop toe moest hij een preek over de gevaren van het prutsen met springstof aanhoren en werd hem gesuggereerd overplaatsing te vragen naar de "Hanswursten” van de Luftwaffe die, volgens zijn chef, toch tijd zat hadden voor zo’n kinderachtige “Spielereien". Als SS-Panzerschütze was Otto de minste van de vijfkoppige Tiger-bemanning. De anderen waren minstens Rotterführer. Hij stuurde niet, koos geen doelwitten uit, verzorgde geen radioverbindingen en vuurde het kanon geen enkele keer af. Hij was een simpel magazijniertje wroetend in de, door een zwak peertje beschenen, enge donkere binnenruimte van een vervaarlijk grommend tuig dat dreigend door het landschap kroop en iedereen die het tegenkwam de stuipen op het lijf joeg. Hilpert werd niet geboren als een verwaarloosbaar stuk kanonnenvoer. Dat is hij pas geworden toen een waanzinnig staatshoofd hem nodig had bij een macaber spel. Voor de aanvang van de oorlog was Otto de belangrijkste mens op aarde. Toch voor zijn geliefde. Want Otto was verliefd en het onderwerp van zijn hartstocht was al even stapel op hem. In het idyllische boerendorp waar hij het levenslicht zag, ergens tussen Trier en Mainz, zouden ze niets van hun passie begrepen hebben. De bruinhemden al zeker niet. Zijn lief was dan ook geen blonde, blozende troela. Ze droegen beiden de Führer een warm hart toe, maar dat was niet voldoende om hun liefde aanvaardbaar te maken voor de goegemeente. Elkaar zien en liefhebben gebeurde daarom in het geheim, in de betrekkelijke anonimiteit van de stad, na valavond, in verlaten stegen, op een bank in een park of in een verscholen kroeg. Plaatsen waar ze veilig waren voor de Gestapo en de Kripo. Dat moest ook wel want op een zachte lentenacht hadden die een verliefd stel op heterdaad betrapt tussen de bloeiende rododendronstruiken van het stadspark. ’s Morgens bengelden die twee aan een overhangende dikke tak van een lindeboom, de broek hangend op de enkels en een afgebroken bezemsteel in hun witte kont. Otto had romantischere perspectieven voor ogen als hij over hun relatie dagdroomde. Dan ging het over trouwen en kinderen, over een huisje in het Schwarzwald, over een goede baan bij Volkswagen of Mercedes waar hij auto’s zou bouwen voor de burgers van de nieuwe wereldorde. Na gedane arbeid zou hij huiswaarts keren om van zijn vrijheid te genieten in de armen van zijn hartendiefje. Dat alles zat er niet onmiddellijk aan te komen, zeker niet toen de brief in de bus viel die hem aanmaande zijn militair verlof te onderbreken en zich te melden bij het 2de SS-pantserkorps. De daarop volgende odyssee zou hem eerst naar Rusland en later naar Italië, België, Hongarije en Oostenrijk leiden. Was er bij de herovering van Kharkov nog sprake van enige glorie dan was die bij de slag om de Ardennen in de omgeving van het winterse La Gleize omgeslagen in doffe ellende en pijnlijke vernedering. Weg hoop op een zonnige toekomst. De bevoorrading vanuit Duitsland liep zo mank dat Otto geen brieven meer ontving van het thuisfront waar zijn beminde het Reich diende door dwangarbeiders ontstekingsmechanismen voor granaten te laten fabriceren. Hij zou hem niet meer terugzien zijn teerbeminde Helmut. Enkele maanden na zijn vlucht uit België werd Otto ingezet in Hongarije om een Sovjetbruggenhoofd te vernietigen. Na de chaotische terugtrekking naar Oostenrijk vernam hij dat het lichaam van zijn Schatz vanonder het puin van het platgebombardeerde Pforzheim gehaald was. Hij durfde er in iemands gezelschap geen traan om te laten, bang als hij was dat het openbaren van zijn geaardheid hem met een opgespelde roze driehoek in een concentratiekamp van het agoniserende Derde Rijk zou doen belanden. Helmut was dood en Otto gaf zich met andere overblijvers van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler over aan de Amerikanen. Liever gevangen genomen worden door die decadente bende dan in handen te vallen van de Russische barbaren, al was dat een beslissing van zijn wapenmakkers die hij, zoals het hem eigen was, volgzaam achternaliep. Zijn geheim was door Britse Avro Lancaster bommenwerpers voor eeuwig veilig gesteld, een zekerheid die hem nooit zielenrust zou brengen. Angst weerhield Otto ervan ook maar iets aan zijn huichelachtigheid te veranderen en Gretchen, met wie hij vier jaar later trouwde, zal nooit geweten hebben aan wie hij dacht toen hij de tweeling Claus en Dietmar bij haar verwekte. Ik rommel nog wat in de verfrekken, speurend naar feldgrau voor Joachims uniform.“Droegen die van de SS-panzers geen zwart?” vraag ik me luidop af.“Aan het begin van de oorlog wel, later grijs.” klinkt het vanachter de toonbank.“Echt?” De evolutie van de SS-mode kan mij niet echt schelen maar ik koop voor alle zekerheid een potje zwart en een potje middle grey nr. 43 van Revell. De kleur van het uniform, dat op de Dragondoos afgebeeld wordt, is ondefinieerbaar, iets tussen zwart, grijs en donkergroen. Om die vieze tint na te bootsen zullen er kleuren gemengd moeten worden, vermoed ik. Peiper wordt met zijn verfpotjes respectloos in een gerecupereerde groentezak gedropt.“Een gevernist houten voetstuk om hem op te plaatsen kunt ge afzonderlijk kopen. Ik heb ze juist binnen, zo goed als gratis, twee euro per stuk“.Een piëddestalleke voor die schurk? Dat zou erover zijn. Ik ga met plaaster, zand en verf een bloederige, modderige ondergrond fabriceren. Daar kan hij met zijn botten in gaan staan, meer iets voor hem me dunkt.“Die zeilschepen waar ik het over had. Als ge wilt zal ik een doos voor u openmaken dan kunt ge zien hoe gedetailleerd dat allemaal is.”“Neen, dank u, een andere keer misschien.” Ik mompel het terwijl ik de over de dorpel krassende winkeldeur achter mij dichttrek. De gezellige sfeer van de de modelbouwzaak uit een verloren epoque maakt plaats voor de kilte van de straat. Het lawaai en de drukte van voorbij razende auto's en gehaaste voorbijgangers slaan mij om de oren. In mijn handtas weerklinkt een ergerlijk elektronisch deuntje. De gsm sleurt me onverbiddelijk naar het heden. Otto vliegt terug naar een achterkamer van mijn brein waar hij, samen met andere spoken, onrustig kan ronddwalen, tevergeefs zoekend naar rust en sereniteit.

Nancy Del Fuego-Costales
0 0

De knoop (aflevering 1)

Marleen kijkt naar de grond, de schouders opgetrokken en de paraplu dicht tegen haar aan. Er staan veel plassen in het slecht onderhouden voetpad. Zo hard regende het nog niet toen ze vertrok. Het feestje gisteren speelt in haar hoofd en haar darmen, en Jonas, haar tweede kind, was al vroeg op geweest. Hij had, zoals hij wel meer deed wanneer hij een moeilijke dag aankondigde, geroffeld op hun lakens. Niet hard, maar het zachte tikken op haar buik had de slapende massa alcohol en slecht eten weer aan het werk gezet - terwijl ze zo had gehoopt dat die ongemerkt uit haar zou glijden, straks. Haar eerste geluid van de dag was dan ook een boer, die haar mond met zuur vulde. Normaal was ze één en al geest, maar daar leek deze ochtend weinig van over gebleven. Ze wou haar ogen weer sluiten, maar merkte dat ze die nog niet open had, en het kloppen in haar keel verried een te snel hartritme. Vaag herinnerde ze zich iets over haar man, Rik. En over Stefan. Een bus spat haar nat, en ze zucht. Thuis blijven was geen oplossing geweest, niet met een Jonas in overdrive, en ze is van dienst in de boekhandel. Verantwoordelijkheden zijn niet licht. Ze opent de drie sloten van de voordeur. In het halfduister van de winkel zijn de boeken nog niets dan vorm, stapels. De geur van papier is sterker zo, wanneer de adem van de schrijvers ontbreekt en de boeken anoniem zijn. Ze blijft even in het midden van de winkel staan, en aait een exemplaar van een stapel die ze gisteren heeft neergelegd. '25', van Jamal Ouariachi. Seks verkoopt. Maar de lichten moeten aan, de koffie gezet, de kassa opgestart. Bij de laatste verbouwing heeft ze haar zin gekregen. Vooraan is alles wit, met boeken op tafels, de omslag open en bloot. Het nodigt de mensen uit om toe te tasten, gretig en gulzig. Bijna niemand laat zich nog verleiden door een mysterieuze rug in een rek. De boeken daar lijken in eeuwige winterslaap, en ze prijst zich gelukkig telkens wanneer er toch iemand met zijn vingers langs glijdt, en een exemplaar wakker kust. Achteraan, op de donkere verdieping met de koopjes, alles door elkaar, komt bijna niemand. Zij loopt er elke avond na het afsluiten even langs, kijken of ze nog leven. Haar telefoon geeft een klikje wanneer de eerste klant de deur opent. Nou ja, klant. Het is Harry, die komt elke zaterdag de kranten lezen in de winkel. Niet om te weten te komen wat er in de wereld gebeurt, maar om er commentaar op te geven. Het berichtje is van Rik. Of zij weet of er een paar reserveveters voor Jonas' voetbalschoenen in huis zijn. Het voetballen van Jonas is iets van Rik. Hij leurt met het talent van de jongen langs alle grotere voetbalclubs van de streek. Gaat supporteren wanneer hij speelt, geeft goede raad aan coaches en ieder die het wil horen, en kijkt met het joch naar elke voetbalwedstrijd op tv. De analyses duren bijna even lang als de wedstrijd zelf. Gelukkig staat het voetbal tv-toestel op zolder. Nee, antwoordt ze naar waarheid. Dat weet ik niet, Rik. Maar de club heeft er ongetwijfeld wel in voorraad. Dat ze oplossingen moet aandragen voor elk groot en klein probleem van Rik is ze gewend. De eerste keer dat ze hem uitkleedde had ze de knoop van zijn broek los getrokken. Haast, nervositeit, lust, dat weet ze niet meer. Tussen het kussen door had hij haar gesmeekt die knoop er weer aan te zetten, straks. Ze had gelachen, en haar handen in de open broek gestoken, maar hij meende het. Dat merkte ze aan zijn tong. Natuurlijk, fluisterde ze, natuurlijk laat ik je niet gaan voor je weer heel bent. Ze was niet goed in het vastnaaien van knopen, en toen hij een paar weken later weer los kwam, had ze hem aan een veter gehangen. Het is mijn knoop nu, zei ze tegen Rik, die keek hoe de knoop tussen haar borsten bengelde. De knoop maakt deel uit van hun leven. Ze draagt hem bijna altijd. Tijdens haar zwangerschappen was hij stil en nietig, en één keer, tijdens de bevalling van Jonas, knapte de veter bij diens eerste schreeuw. De knoop gleed in het bakje met de nageboorte, waar de vroedvrouw hem met tegenzin weer tussenuit haalde. 'Er zijn ook dit jaar weer geen stoute kinderen in Vlaanderen!' Harry kijkt op van zijn krant. 'De zwarte pieten zullen met lege zakken terug naar Spanje moeten. Een hele last minder voor Slechtweervandaag, dat wel, maar in het echte leven zijn die Moorse kaliefen niet zo simpel te verschalken. De kinderen laten ze nog zo, maar onze jongeren bederven ze met hun perfide godsdienst. Die kopen dan zelf wel hun ticket naar de strijd, om van daaruit te roepen hoe slecht wij wel zijn!' De dreiging van islamextremisme is Harry's stokpaardje de laatste maanden, al vormen ebola en de regering Michel wel sterke concurrentie. Het einde der tijden is in elk geval nakend. Marleen herinnert zich nog hoe hij de kelder van de boekhandel wou gebruiken als schuiloord, op 31 december 1999. 'Dat hele verhaal om van die zwarte pieten witte pieten te maken is een valstrik. Snap je dat niet, Marleen? Het is hen te doen om ons een schuldgevoel aan te praten wanneer we opkomen voor onze tradities! Ze nemen het hier gewoon over!' En dat onder het mom van politieke correctheid, jaja, dat kan Marleen zo ook aanvullen. 'Nog een koffie, Harry?' Hoe bang ook voor het voortbestaan van de maatschappij, Harry begrijpt de suggestie en staat zuchtend recht. 'Hoe gaat het met jullie supertalent, Marleen?' Ook die vraag behoort tot het vaste patroon. 'Slecht'. Dit antwoord is nieuw. Ze ordert de kranten en wandelt weg met Harry's koffiekopje. 'Hij blijft veters breken, en uitschuiven. Net zijn vader.'

Dirk Van Boxem
0 0

Verandering 1: Kabels

Wat dacht James Ensor toen hij zijn oude dame met maskers schilderde? Ik vraag me af wat er eerst was: de vrouw of de maskers. De oude dame, die bij nader inzien helemaal niet zo oud is maar eerder een veertiger – die diepe lijnen in het voorhoofd en rond de lippen lijken wat kunstmatig, alsof er later aan toegevoegd – staat pal in het centrum van het doek. Zij was er dus waarschijnlijk eerst. Maar waarom de maskers? Wat gaat er door het hoofd van een schilder de minuten voor hij het penseel in verf doopt en dingen begint te schilderen die ogenschijnlijk niets met het centrale gegeven, in dit geval een ‘oude’ vrouw, te maken hebben? Kwamen de maskers uit een droom of een verre herinnering? Misschien sloop er iets uit het penseel wat hij net daarvoor nog had gezien. Hoe komt iets uit een penseel op een doek? Hoe komt ooit iets ergens uit? Mijn laptop is opengeklapt, zover ben ik. Maar er gebeurt nu al een hele tijd niets op het scherm, tenzij ik het knipperen van de tekstcursor als een gebeurtenis beschouw. Het zou mij beter uitkomen als ik iets anders kon doen. Schilderen, om maar iets te zeggen. Voor een canvas staan, dat zou ik nu het allerliefst willen. Want een doek heeft randen, het is beperkt in de ruimte. Schrijven deint altijd uit. De mogelijkheden zijn schier eindeloos en dat brengt mij in ademnood en houdt de cursor gevangen, knipperend als een vuurtoren. Schilderen is anders. Overzichtelijker. Ik zou een portret kunnen schilderen van een oude - of jonge, of iets daartussen - vrouw. Zonder dat ik daar opeens, als mijn gedachten verschoven, een berg van kon maken of de gieren die daar boven wieken of het speeksel dat van hun snavels drupt als ze zich op hun aas storten of de angst die daarvoor bezit had genomen van het dier dat uiteindelijk een kadaver werd of de vraag of angst ook emoties impliceert. De act van het schilderen bergt de beperking in zich. En beperking is op dit moment een noodzakelijke voorwaarde om wat dan ook te doen. Mijn gedachten vonken blauw, groen en rood tegen de wanden van mijn hoofd. En tegelijkertijd ligt het, ondanks al dat geweld, zo voor de hand alles onder de schedelpan te houden. Het hoofd is ook zo gebogen, bijna vastgeklonken op de schouders, de pezen aangespannen als stalen kabels van een brug over een Duitse rivier. Schrijven is bedrieglijk. Vaak beeld ik me in dat mijn gedachten zich moeiteloos over hersenbanen voortbewegen, naar een blinkende buitenwereld. Maar meestal rollen ze over de band, tussen twee opslagplaatsen in. Er gaat niets buiten, er is niets veranderd. Het procedé is zelfs verraderlijk rustgevend. Nee, dan schilderen. De schouders hangen sereen laag, de ruggengraat staat trots als een vlaggenstok, het hoofd is vrij, de armen zwaaien met wijde bewegingen over het canvas. De vingers toetsen dansend, strelend de verf op het doek. Misschien is het een goed idee een groot blad papier te gebruiken, rechtstaand voor een lezenaar. Ik zou daarvoor een vette zwarte stift kunnen kiezen, en een zwierig handschrift. Ik zou de lussen naar boven en naar beneden met grote uithalen in het papier kerven zodat de inkt door de poriën op het houten blad loopt. Ik zou de inkt in de nerven van het hout zijn weg zien zoeken. Dat zou een verandering zijn. Alleszins heb ik daarvoor een muts nodig, van dikke groene wol, met luchtige steken.

Jools
0 0

Oord van verderf

Luttele minuten voor Steve aan de grens van de wetteloosheid komt, trekt hij zijn handschoenen wat strakker aan. Hij bijt op zijn onderlip en haalt diep adem. Zijn vader had hem gewaarschuwd voor dit oord van verderf, verrotting en vrijbuiterij. Maar hij moet er door. Nu zijn vrouw hoogzwanger is, moet hij van z’n spul af. Steve nadert de stofwolk die er eeuwig lijkt te hangen, als een dikke mist die ook zijn gedachten vertroebelt. Hij maant zich aan om gefocust te blijven en haalt een verkreukt papiertje uit de binnenzak van zijn leren jacket. Er staat in zijn eigen hanenpoten een citaat op geschreven dat hij als mantra bovenhaalt telkens hij het moeilijk heeft. Gesterkt door de boodschap, verleden heb je, toekomst moet je maken, legt hij de laatste meters af. Er is geen weg meer terug. Steve komt aan de grens. Hij schraapt zijn pijnlijk droge keel wanneer een gespierde latino traag maar vastberaden op hem afstapt. Er schuilt achterdocht tussen de plooien van zijn frons, en een cigarillo bengelt tussen zijn dunne lippen. De tattoos die zijn gespierde armen versieren, vertakken als een klimop tot aan zijn nek. De man vraagt kortaf:‘Wat heb je bij?’ Niet in staat om een woord uit te brengen, wijst Steve aarzelend naar z’n spul. De man blijft Steve strak aankijken, knikt bevestigend en zegt dan:‘Op ‘t einde van de straat aan je linkerkant.’ Die horde hebben we alvast genomen, denkt Steve opgelucht. Pas nu hoort hij de muziek die luid over deze puinhoop loeit. “There will be no next time” roept de zanger, wat hem op deze plek de stuipen op het lijf jaagt. Hij veegt met de rug van zijn gehandschoende hand de doemscenario’s van zijn bezwete voorhoofd en gaat strijdvaardig verder. “Keep cool, keep cool, keep cool”, mompelt Steve, terwijl hij zijn wagen aan de kant van de weg parkeert. Op het moment dat hij zijn spul uit de wagen neemt, roept een man met rode bandana om het hoofd hem toe vanop de afgesproken plek.‘Hey, wacht eens even! Zit je wagen vol?’‘Ja, waarom?’, vraagt Steve op zijn qui-vive.‘Ik ga je een dienst bewijzen’, zegt de man.‘Een dienst bewijzen?’, antwoordt Steve van zijn à propos gebracht. ‘Ja, en dat zal nodig zijn, geloof me. Ik zou niet zomaar over ‘t straat lopen met dat spul. Het is hier een nerveuse bedoeling en dan gebeuren er weleens ongelukken. Je wil niet weten wat ik hier allemaal al heb meegemaakt. Luister, parkeer je wagen maar aan de achterkant van de container. En als iemand je komt lastigvallen, dan zeg je maar dat de Fille zijn zegen heeft gegeven. Oké?’ ‘Oké. Merci, Fille’, antwoordt Steve, overdonderd door een vriendelijkheid die hij deze plek nooit had toegeëigend. Hij besluit zijn vooroordelen over het containerpark samen met het steenpuin weg te kieperen. Tijd om de kinderkamer af te werken. Tijd om toekomst te maken.

Antony Samson
4 1

Verontrustende veronderstellingen

Er volgde een nieuwsflash.  Beiden lieten hun veronderstellingen varen. Hun ondertussen oppervlakkige stilte, maakte plaats voor bombastische paniek.  Amsterdam, verschillende aanslagen op het ondergrondse metronetwerk. Totale chaos.  "Neeneenee,..., Ties en Rinus zijn daar!" //// Moris Ik trok snel mijn pak aan, als ik nu vertrok, konden we nog samen koken. Vroeger was dit voor haar het summum van een gezellig gezin; haar 3 zonen in de keuken, zij die de tafel aankleedde -in de breedste zin van het woord- en papa die zijn befaamde sausjes bereidde. vroeger was precies 7 jaar geleden.  Onderweg merkte ik dat ik toch werk moest maken van die opleiding, de Triumph geraakte steeds moeilijker op gang. Als ik niet elke keer weer bij Roger wil aankloppen, zal ik de zaterdagen vanaf september moeten vrijhouden. De lucht zag roze. "Sinterklaas is koekskes aan het bakken", zou ze straks zeker vermelden. "Van generatie op generatie, dat zijn van die gezellige dingen die ge door moet geven." De rolluiken waren al naar beneden, het zal knus zijn binnen. "Ge zijt vroeg. Ik had toch gezegd dat ik mijne plan wel zou trekken? Ge moet uw eigen leven toch niet opzij zetten voor uw mama?" Dit was haar manier om te zeggen dat ze blij was om me te zien, maar ambetant om wat nooit weer kwam. "We gaan er een gezellige avond van maken" Ok, ik had meer zin om nog eens naar Gent te trekken, om er nog eens het nachtleven in te duiken, maar als oudste komt dat plichtbewuste toch regelmatig terug opduiken. "Komt ge koken?" Ze keek in mijn motortassen, ze keek er naar uit. Ik zou haar deze middag nog eens terugzenden in de tijd. De afwezigheid van papa, Ties en Rinus zou ik compenseren door een danske op tafel met haar. "Papa genoot daar altijd zo van" Ze wilde hem levend houden, liet hem nog altijd overal aan deelnemen, toch moest ze er mee stoppen. Maar vanavond mocht het, vanavond was het ok. "Zorgt gij voor de tafel? 'T worden mosselen." Haar lievelingskost, ze moest af en toe kunnen genieten, het leek alsof ze zonder leefde sinds toen. // "Het heeft gesmaakt, zet ge u nog efkes mee in de zetel?" Tv was voor haar de rode draad, een houvast waaraan met wasknijpers levensgebeurtenissen vastgepind werden. Een waslijn die ervoor zorgde dat alles uiteindelijk terug fris en luchtig aanvoelde. Dat alles terug dragelijk werd.  Alleen vandaag zorgde die tv voor zwaarte. //// Jeanne Ik zet nog wat theelichtjes klaar. Hij genoot daar altijd zo van. Voor Moris vertegenwoordigen theelichtjes geborgenheid, ze geven hem houvast. Hij zou achter een uurtje wel hier zijn als zijn motor het onderweg niet weer begaf. Het herkenbare geklop op de rolluiken. Moris is daar. "Ge zijt vroeg. Ik had toch gezegd dat ik mijne plan wel zou trekken? Ge moet uw eigen leven toch niet opzij zetten voor uw mama?" Hij zou beter op zoek gaan naar een vriendin. Ik wil mijn kleinkinderen nog zien opgroeien. Het tij mag nu toch stilletjes aan beginnen keren. "We gaan er een gezellige avond van maken" Ik zal seffens Irma toch maar sms'en. Jammer van dat avondje uit. Maar zijn motortassen zitten vol, hij komt koken, herinneringen ophalen. Nostalgie als rode draad. Als mama moet je dan mee in die nostalgie, zonen moeten gesoigneerd worden. "Papa genoot daar altijd zo van" "Zorgt gij voor de tafel? 'T worden mosselen." Ok, Jeanne, hij komt voor "het totaalpakket mama", 't is uwe zoon, hij heeft u vanavond nodig...  // "Het heeft gesmaakt, zet ge u nog efkes mee in de zetel?" Ik kan hem toch nu nog niet naar huis sturen... //// Er volgde een nieuwsflash. 

M A R T H E
0 0
Tip

Het huis van vertrouwen

Bavo installeert zich met dampende koffie aan zijn bureau. Door het raam ziet hij Charlotte nog net achter de witte haag verdwijnen. Het wordt al licht. ‘Zo’, denkt Bavo, ‘de eerste echte thuiswerkdag is een feit.’ Het heeft lang genoeg geduurd voordat de vakbonden en het bedrijf op één lijn stonden over thuiswerk. Tijdens een proefproject in de zomer heeft Bavo van collega's geruchten gehoord over inbreuken op de privacy. De indianenverhalen gingen over valse koeriers en spyware via de camera op de laptop. Natuurlijk konden de heethoofden niets bewijzen, zelf heeft hij ook niks gemerkt. Maar gelukkig is er nu eindelijk weer voldoende vertrouwen om echt van start te gaan. Bavo nipt van zijn koffie en tuurt naar de uitgestrekte winterse tuin. Dan klapt hij z'n laptop open. Acht uur, hij is klaar voor de wondere wereld van het boekhouden. Charlotte heeft nog geprobeerd om hem op te zadelen met een lijst taakjes 'want je zit toch thuis’. Maar Bavo heeft haar kordaat duidelijk gemaakt dat thuiswerken nog altijd werken is, niet prutsen. Hij logt aan, opent het boekhoudprogramma en begraaft zich al snel in een stroom facturen. Wanneer hij een uurtje op dreef is, valt de stilte hem plots op. Hij rekt zich krakend uit en kijkt naar buiten. Intussen schijnt er een melkzonnetje over de sneeuw. Kristallen glinsteren op de dunne twijgjes van de struiken en de ranke takken van een meterslange rij druivelaars buigen onder een laagje poedersneeuw. Netjes opgeknoopt en ingeknot staan ze te wachten op de volgende zomer. Bavo trekt een wenkbrauw op. Net achter de rij wijnstokken groeit iets ongewoons, ongeveer daar waar het vijvertje lag dat zijn zoon deze zomer heeft dichtgegooid. De plant heeft dezelfde hoogte als de wijnstokken maar is veel dikker. Platter ook. Vreemd. Plichtsbewust kijkt Bavo opnieuw naar zijn scherm om een factuurnummer in te geven, maar onwillekeurig drijft zijn blik weer naar buiten. Wat is dat vreemde dikke ding tussen de wijnstokken? Wanneer hij de schuifdeur opent komt de krakend koude lucht hem meteen tegemoet. Zijn adem vormt wolkjes terwijl hij moeizaam enkele meters door de diepe sneeuw waadt. Van hieruit lijkt het ding op een groot uitgevallen grijze meetlat, dik en plat, van onbestemd materiaal. Bavo aarzelt. Hij heeft nog een goede vijf meter te gaan, maar beslist rillend om te keren want de sneeuw smelt tegen zijn enkels en straaltjes ijswater lopen in zijn pantoffels tot op zijn warme blote huid. In de keuken trekt Bavo de natte pantoffels uit. Hij haalt boven dikke sokken en trekt ze hoog op zodat ze goed blijven zitten in zijn sneeuwlaarzen. Nadat hij een dikke fleece trui over zijn hoofd heeft getrokken, beent hij gehaast tot helemaal achteraan in de tuin. Bavo inspecteert het vreemde voorwerp. Het is een lange metalen staaf, helemaal afgeplat. Hij geeft er een ruk aan, de lat voelt als een bevroren lemmet. Hoewel het ding muurvast in de bodem zit, lijkt het wel beweeglijk, bijna flexibel. Bavo omklemt het metaal, zet zich schrap en probeert het los te wrikken, maar een pijnscheut schiet door zijn verkleumde vingers. Gefrustreerd loopt hij terug om wanten, een schop en een houweel te halen. De vrieslucht doet zijn neus lopen terwijl hij driftig de sneeuw rond de basis van de lat weghaalt. Minutenlang probeert hij met het materiaal een inkeping te maken om de lat uit te graven, maar de bovenste laag is steenhard bevroren. ‘Dedju’, vloekt Bavo. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. ‘Ik heb zwaarder materiaal nodig’. Weer binnen is de keukenvloer herschapen tot een poel van vuile gesmolten sneeuw. Terwijl Bavo z'n laarzen uitschopt, kijkt hij door het keukenraam. De lat staat parmantig in de tuin, als een uitroepteken. Bavo snuit zijn neus, neemt zijn gsm en belt Luc, zijn broer en aannemer op rust. Niet veel later parkeert de witte bestelwagen van Luc voor het huis. Samen lopen ze zwijgend de tuin in. Luc bekijkt de lat aandachtig en geeft er een snok aan. ‘Die zit muurvast. Je hebt zwaarder materiaal nodig,’ stelt hij vast. Bavo knikt. ‘Ik heb in de camionette wel wat gerief, maar je hebt een bobcat nodig’, gaat hij verder. Luc kijkt bedachtzaam naar de grond, ‘Volgens mij zit het vast aan iets groters.’ ‘Ja, dat dacht ik ook al’, mompelt Bavo. ‘Wat doen we?’ ‘Luister,’ beslist Luc, ‘stap in, we halen er direct één van bij Daniëls. Ik heb daar nog ’t een en ‘t ander tegoed.’ De bobcat wordt een uur later via de straat achteraan de tuin geleverd. De mannen van Daniëls rijden het toestel tot vlakbij de lat, en vertrekken. Luc klopt goedkeurend op de bobcat, ‘Bavo, jongen, ik moet ervandoor. Tegels gaan plaatsen in de badkamer van ons An. Succes ermee.’ ‘Ja, merci nog’, stamelt Bavo, terwijl Luc naar het tuinhek loopt. Bavo bestudeert een poosje hulpeloos de dure machine. Net voor Luc in zijn bestelwagen stapt, draait hij zich om. Door de ijle vrieslucht roept hij: ‘Als het niet lukt met die bobcat, ken ik wel een paar Polen. Ik sms je hun nummer.’ Nadat Luc vertrokken is, klimt Bavo op de bobcat. Het is stil in de tuin. De sneeuw is platgetrapt en de bobcat staat te glimmen in de zon, net als de lat. Bavo haalt diep adem, start de machine en begint voorzichtig te graven. Al snel blijkt de grond lang niet zo hard bevroren als hij had gedacht, enkel de eerste paar centimeters zijn lastig. Het gaat vlotter dan met de schop maar toch werkt hij langzaam en voorzichtig. Wanneer hij een put van een goede kubieke meter heeft blootgelegd, en niets bijzonders tegenkomt behalve nog meer lat, stoot hij plots op een hard voorwerp met een bolle vorm. Net op dat moment stopt een groene bestelwagen aan de haag. Bavo zet de motor van de bobcat uit en knijpt zijn ogen dicht tegen zon. Hij ontwaart aan het hek een grote, brede man in overall. ‘Bonjour monsieur, je suis Marek. Je suis appelé par votre frère. Ça avance?’ ‘Oui, oui, ça va’, antwoordt hij. ‘Je viens de toucher quelque chose.’ ‘Vous permettez? ‘ gebaart Marek naar de bobcat. Hij neemt plaats en schraapt met gevoel voor precisie nog een laag weg. ‘Aidez-moi avec votre pioche, il y des parties plus délicates, l'objet a des courbes.’ Zo werken de mannen twee uur om het ding minutieus bloot te leggen, enkel onderbroken door een kleine pauze met twee pilsjes en boterhammen met kaas. Tot Bavo’s verbijstering blijkt de lat een wiek te zijn. De wiek zit vast aan een intacte helikopter, die, neus vooruit, in de grond geboord zit. Geen modelbouw, maar een kleine versie van een echte helikopter. Eerder het formaat voor een eend of eventueel voor een kleine zwaan, als gevogelte helikopters zou besturen. Bavo trekt zijn modderige handschoenen uit en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Wat doet die helikopter hier? Hij springt in de put, hurkt neer en poetst met zijn mouw de modder van de glazen zijkant die al bloot ligt om naar binnen te kijken. Waanzin. Er is geen zitje, dus het moet een onbemand toestel zijn, en de meest moderne technologie is aan boord. Uitgesloten dat dit toestel al lang onder de grond zit. Zou zijn zoon hem hier begraven hebben? Maar waarom? Of is het ding misschien maanden geleden gecrashed tot diep in de vijver en hebben ze al die tijd niks gemerkt? ‘Meneer?’ klinkt het plots scherp. Bavo kijkt omhoog. De zon schijnt nog steeds genadeloos in zijn ogen. Hij heft zijn hand boven zijn ogen om iets te zien en ontwaart het silhouet van een agent. Er staat een politiewagen geparkeerd achter de camionette van Marek en die laatste is plots nergens meer te bespeuren. ‘Wat is hier de bedoeling van?’, snauwt de agent. ‘Heeft u een vergunning om die helikopter te begraven?’ ‘We begraven hem niet,...’ pruttelt Bavo, die onhandig uit de kuil probeert te kruipen, uitglijdt en dan maar blijft staan. ‘Uw buren hebben ons opgebeld, u mag die grond niet zomaar verzetten,’ stelt de agent ongeduldig, ‘daar zijn vergunningen voor nodig. Ik zal een PV moeten opmaken. Ik stuur iemand om stalen te nemen want als er benzine in de ondergrond is gelekt, hangt u.’ Bavo opent zijn mond, maar de man is hem voor: ‘En kom straks op het bureau de eigendomsbewijzen van die helikopter maar eens voorleggen.’ Met een korte ruk draait de agent zich om en verdwijnt naar zijn wagen. Het draait Bavo voor zijn ogen, hij leunt een paar minuten tegen de rand van de kuil, starend naar de grond tot hij Marek hoort en opkijkt. ‘Est-ce-que vous voulez qu’on continue monsieur?’ vraagt die twijfelend, ‘Il y a quand-même encore quelques heures de travail. Surtout vu le temps qu’il fait.’ Veiligheidshalve voegt hij er nog snel aan toe: ‘Et c’est 16 euros l’heure, monsieur, au noir’. Bavo schudt het hoofd en mompelt: ‘Non non, merci, ça suffit, vous pouvez partir’. Als een lastige tiener geeft hij een trap tegen de helikopter. Binnenin klikt en zoemt er plots iets. Nieuwsgierig komt Bavo wat dichterbij. Hij ziet zichzelf in het bolle reflecterende glas staren naar een rood lichtje dat aanspringt, gevolgd door een flits. Gealarmeerd klautert Bavo uit de kuil en rent naar het huis. In de keuken schopt hij zijn laarzen uit op de natte vloer en zoekt houvast bij de tafel. Daar vindt hij zijn gsm met drie gemiste oproepen en een sms van Charlotte om te vragen of hij 'toch niet even tijd heeft om de was in te steken'. Hij stopt de gsm in zijn broek en loopt naar het bureau waar hij zijn ingeslapen computer onzacht tot de orde tokkelt. Het scherm licht op, hij logt in. Meteen verschijnt bovenaan zijn mailbox een pas binnengekomen bericht. Het bericht heeft als onderwerp 'betrapt' en als afzender 'drone 2'. Trillend opent Bavo de bijlage. Hij ziet zichzelf met onderzoekende blik en op de achtergrond de felle zon en de omtrekken van een bobcat.  

Tine Tytgat
27 2

Egeltje wil een voetbalploeg

Egeltje is op vakantie bij oma. Hij wil voetballen. ‘Leuk,’ zegt oma, ‘Kom maar op.’ Ze krijten een goal op het muurtje. Oma trapt de bal en Egeltje trapt terug. Maar Egeltje wil niet meer trappen tegen een muur. Hij wil een wedstrijd spelen met een echte voetbalploeg. Elf spelers in hetzelfde truitje. ‘Kom,’ zegt oma, ‘we halen de rode was van de draad. Je mag alle truitjes gebruiken voor jouw ploeg. We gaan samen op zoek naar spelers.’   Oma en Egeltje lopen met de grote zak vol voetbaltruitjes naar buurman Hond. ‘Hond, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Hond. ‘Maar oma, hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Hond kan toch niet in mijn voetbalploeg. Spelers moeten bij elkaar horen en hij lijkt niet op mij. Hij is wit en ik ben bruin.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie zijn allebei sterke jongens, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar,’ zegt Egeltje, ‘Hond, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Hond en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Met z’n drieën lopen ze naar het mandje van mevrouw Poes. ‘Poes, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Poes ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Poes past niet in onze ploeg. Wij zijn jongens, en zij is een meisje.’ ‘Dat is waar,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle drie snelle pootjes om te dribbelen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Poes, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Poes en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de hoge boom. ‘Specht, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Specht. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Onze hele ploeg heeft snelle pootjes om te dribbelen, maar Specht trippelt traag en wil liever vliegen.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar jullie hebben alle vier knappe hoofdjes om de bal te koppen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘ Specht, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Specht en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.     Samen lopen ze naar het kippenhok. ‘Haan, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Haan. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Iedereen van onze ploeg heeft een knap hoofdje om de bal te koppen, maar Haan heeft een hanekam. Hij kan niet koppen.’ ‘Misschien,’ zei oma, ‘maar jullie hebben alle vijf luide stemmen om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Haan, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Haan en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar het holletje in de hooiberg. ‘Muis, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zegt Muis. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘Wij hebben allemaal een luide stem om te kraaien als we een goal hebben gemaakt, maar Muis heeft een stil piepstemmetje.’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘Maar jullie kunnen alle zes verschillende dingen. Zo kunnen jullie de tegenstander verrassen, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt Egeltje, ‘ Muis, wil je nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ zegt Muis en Egeltje geeft hem een voetbaltruitje.   Samen lopen ze naar de konijnenpijp. ‘Dag konijntjes, komen jullie in onze voetbalploeg?’ vraagt oma. ‘Graag,’ zeggen de konijntjes. ‘Hoe kan dat?’ vraagt Egeltje, ‘In onze ploeg kan iedereen iets anders om de tegenstander te verrassen, maar de drie konijntjes kunnen hetzelfde!’ ‘Misschien,’ zegt oma, ‘maar als wij alle tien een rood truitje aanhebben, zijn we samen een sterk team, en dat is toch ook belangrijk?’ ‘Dat is waar’ zegt de Egeltje, ‘Konijntjes, willen jullie nog in onze voetbalploeg?’ ‘Ja, hoor,’ juichen ze en Egeltje geeft hen drie voetbaltruitjes.     Met z’n allen lopen ze naar de olifant. ‘Dag Olifant, kom jij in onze voetbalploeg?’ vraagt oma.         ‘Graag,’ zegt Olifant. ‘Hoe kan dat?’ zegt Egeltje, ‘Wij hebben alle tien een rood truitje aan omdat we in de beste ploeg zitten, maar Olifant past niet in zo’n klein rood truitje.’ Olifant denkt even na. ‘Dat is waar,’ zegt Olifant, ‘Maar ik heb een grote blauwe voetbaltrui. Ik kan de keeper zijn, dan vul ik het hele doel en dat is toch ook belangrijk? ‘Wat een geweldig idee,’ zegt Egeltje.   De wedstrijd begint. ‘Hup de roden, allemaal samen!’ juicht opa, ‘We worden wereldkampioen! Muis trapt af, de konijntjes dribbelen en Egeltje geeft een pas naar Hond. Oma legt aan, Specht kopt, en Poes schiet op doel. ‘Goal!’, kraait Haan. En Olifant? Die doet een dutje in het doel.

Tine Tytgat
0 0