Lezen

Steenweg

Het geluid van banden die tegen een gezapige snelheid over het beton rollen, de ramen halfopen en één hand losjes op het stuur. Autorijden. Op de maat van ‘Let’s get together’ schakelen, inhaleren en kijken laten versmelten tot een symbiose van niets doen en dodelijke chaos vermijden. Links en rechts glijden meubelzaken, Chinese restaurants en tankstations voorbij. Een bloemlezing van profijt, kitsch en banaliteit. Af en toe gelardeerd met een verlept baanbordeel of een wangedrocht met een zadeldak dat door zijn oude, uitgebloeide en van obligaties opgezwollen eigenaars ‘villa’ wordt genoemd. Wie beweert dat dit land lelijk is heeft gelijk. Maar daar gaat het niet om. Het land is het land. Wie beweert dat Vlamingen racistisch, lui of achterlijk zijn heeft een mening. Die ik afhankelijk van het tijdstip van de dag en het gezelschap waarin ik mij bevind al dan niet deel. Maar ik ben geen hipster met een politiek correcte mening die zich blogsgewijs verontwaardigd over het gebrek aan quinoa op het lokale buurtfeest. Fuck no!. Waar het mij tijdens deze rit om draait is het vinden van de grote gemene deler, de hoofdzenuw, die droeve blijheid te weten dat dit het is of je het nu wilt of niet: die unieke gistende mix van provincialisme, deftigheid en willen maar niet kunnen. Met als hoofdgerecht, veilig verscholen achter massief eikenhouten deuren (al dan niet voorzien van een bel die au clair de la lune piept): hedonisme, mensen zonder maskers en uitgebreide collecties namaakporselein. Nog enkele uren en het zal donker worden, nog enkele uren en deze steenweg zal de ren baan worden van opgefokte jongens in gloednieuwe tweedehandswagens. Types met gel in hun haar en stront in hun hersens. Raszuivere helden met statige namen als Davy en Kenji. Volkse jongens met elitaire GSM’s en een duistere honger naar de heupen en lippen van zeemzoete blondines met lege ogen en volle boezems. Ei! het lied der Vlaamse zonen, Met zijn wilde noordertonen, Met het oude Vlaams Hoezee. Vliegt de blauwvoet? Storm op zee!

Jan Van Olmen
6 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen Deel IV: Oekraïense skins op de Meir, de democratie wederom verkracht, breaking news: de hel bestaat!

Ik keek verbaasd toen ik op het schermpje zag dat een treinticket naar Antwerpen en terug slechts 11,50 EURO kostte. “Weekendtarief hé!”, zei de loketbediende lachend. Hij leek op de onvermijdelijke zatte nonkel die elke familie wel kent. “Zo kan je meer geld uitgeven als je daar bent, haha!” Anyway, hij had toch nog de fut om mijn gelaatsuitdrukking te lezen. “Shit kerel, je moest eens weten waar ik naartoe ging”, mummelde ik in mezelf. Ik kocht in de broodjeszaak vlakbij een broodje met kaas, een eitje, geraspte worteltjes en mayonaise plus een appel, een halve liter sinaasappelsap en een grote koffie met melk. Stevige ondernemingen vragen om een stevige maaltijd. Daarbij, het getuigt van een totale minachting voor Het Risico en de Vijand om uitgebreid en met een sereen gemoed te eten alvorens men ten strijde trekt. Daarna kroop ik de trein op richting Antwerpen. Terwijl door mijn koptelefoon de waanzinnig dramatische gitaarsolo van ‘Time has come today’ klonk. Kijk, vergeef me nu even deze bombastische opzet maar je moet 1 ding weten over mij, beste lezer: Als veteraan van de andersglobaliseringsbeweging in begin van de jaren 2000 was deze situatie intens. Was dit het begin van een reportage? Of was dit karma dat me een tweede kans toewierp om de fouten en de beginnerspech uit het verleden af te lossen? D14! Gent! 2001. Spijbelen om naar betogingen te gaan. Met een zwarte vlag in de hand naar school fietsen, voelen hoe de ochtendwind brutaal je gezicht streelt en je weet dat je geschiedenis schrijft! Om de zoveel jaren laat het Lot namelijk toe dat een generatie de kans krijgt om iets groots te doen, namelijk de wereld veranderen. Niet afbreken, niet opbouwen maar veranderen, iets wat een zeer symbiotisch proces is. Maar ergens op weg naar de Totale Verlossing en de Perfecte Rechtvaardigheid raakten velen onder ons de weg kwijt. Na het geloof in God begon ook het geloof in de revolutie te wankelen. Het wankelde als de regels uit het gedicht van Elschot. Waarom niet? De torens lagen al plat. Gezien op TV zoals in een videogame. Dus waarom niet? Alles wankelt … en de trein vertraagt. De conducteur knipt mijn ticket en ik hoor in mijn koptelefoon het diepe, manische gelach van de zangers. Gent, overstappen. Nog 30 minuten te gaan. Met berusting omkaderde beelden van vechtpartijen, waterkanonnen en het snijdende besef dat jij de strijd verliest en de maatschappij nog altijd klote is. Zoals je niet anders kan dan van vuur zeggen dat het warm is. Een ondraaglijk helder besef. Als ik nu in op deze trein zit en binnenin kijk naar de zonsondergang van mijn twintiger jaren en het begin van dat nieuwe millennium, alsook naar de Facebookstatus van al die oude bekenden, dan zie ik het breekpunt waar de golf van Sturm-und-Drang brak en terugsloeg. Iets na 3 uur kwam ik aan te Antwerpen. Van kleinsaf heb ik Antwerpen altijd al geassocieerd met de dierentuin en in mindere mate, Suske en Wiske. Dit bezoek zou anders zijn, zoveel stond vast. Ja, ik ging beestjes kijken. Maar deze keer zouden ze gewoonweg loslopen in het stadscentrum. En deze keer hoopte ik zonder schaamte dat ze wel met uitsterven bedreigd zouden zijn. Terwijl ik richting Groenplaats stapte, viel me een groepje van 3 skinheads op. Ze stapten in dezelfde richting als ik. Ik hield een zekere afstand maar voelde me betrapt toen één van hen me zag. Op de zijkant van zijn vestje stond een embleem met de Oekraïense vlag en of andere naam in Cyrillische letters. Behoorde hij tot dezelfde heerschaar die maanden voordien tijdens de betoging van 16 november 2014 mee auto’s in brand had gestoken? De kans was klein, maar niet onbestaande. Dit soort beroepsbetogers, of ze nu van linkse of rechtse signatuur zijn, deed me denken aan de landsknechten uit ver vervolgen tijden: rondzwervende huurlingen, bereid om de boel kort en klein te slaan zodoende er achteraf maar genoeg te verdienen en te zuipen valt. Hij draaide zich bekeek me een tweede keer toen ik op ongeveer 20 meter achter hen bleef stappen. Zou het aan mijn baard liggen? Het was tijd voor een uitwijkmanoeuvre. Ik zocht naar een winkel om ze kwijt te spelen. Hünkermoller of H&M? Wat zou Jef Geeraerts doen in een situatie als deze? Hünkermoller dus! Daar zouden ze het nooit wagen me te grazen te nemen! Na even een collectie robijnrode lingerie met bijhorende jarretels gekeurd te hebben, vervolgde ik mijn tocht naar de Groenplaats. De skins waren uit het zicht verdwenen. Ik passeerde een gigantisch spandoek van de NVA en hoorde ineens het luiden van klokken. Deze twee zaken gaven mijn aankomst op de Groenplaats een soort van filmische drive. Ik zag de pauselijke vlag, verschillende Belgische vlaggen (wat me ergens verbaasde), en een paar Vlaamse Leeuwen. Omgeven door een hoop politie. De stillen droegen allemaal een windjack in dezelfde kleur en stijl. Sinds wanneer wordt de gerechtelijke gesponsord door pakweg American Outfitters? Ik stond enkele meters achter de laatste rijen militanten. Om te acclimatiseren en niet teveel op te vallen. Casual, quasi onverschillig. Gewoon een toevallige voorbijganger die wil uitvinden waar heel de heisa om draait. “Die kerel is top voor een vrijgezellenavond!”, grapte één van de stillen naast mij tegen zijn collega. Ik moest er ongegeneerd mee lachen. Het was tot nu toe de eerste keer dat een agent in burger me aan het lachen bracht. Dat deed me trouwens ineens beseffen hoe waanzinnig, zelfs surrealistisch heel deze situatie was. Een honderdtal mensen omgeven door tientallen agenten te fiets en in burger stonden ademloos en met een kinderachtige zelfdiscipline te luisteren naar Dhr. Goethals. Ik had tot voordien nog nooit van zo dichtbij een extreemrechtse rally meegemaakt maar elk vooroordeel werd bevestigd. Filip de Winter die monkelend de spreker toehoort. Check. Een NSV-student, voorzien van die prachtig foute grijze pet (genre Duits leger 1914): Check! Stroblonde kleuters die met Vlaamse vlagjes in de hand tussen de volwassen door rondjes rennen: Check! De totale mobilisatie, vrouw en kind mee naar het front, voor Outer en Heerd! Check! Check! Check! Er waren in totaal zes toespraken waarvan verschillende in het Pools. De Polen waren een aparte delegatie, en dat lag niet enkel aan hun taaltje maar vooral aan het feit dat onder hen een handvol priesters in soutane aanwezig waren. Godverdomme, alsof ik was teruggereisd naar de jaren vijftig. Heel de ervaring begon een soort van iconisch statement te krijgen. Wie zou ik nog zien? Darth Vader? SS-troepen? Orks? Tegen het galmend luiden van de klokken klonk de stem van Goethals. “God zijn wetten zullen heersen! “ Gevolgd door plechtstatig applaus. Eerlijk gezegd begon ik bevende knieën te krijgen … Wat een ironie als je weet dat hetzelfde publiek moord en brand zou schreeuwen indien diezelfde uitspraak in het Arabisch zou worden gezegd, door een man met baard en tulband. Het is droevig dat ik me thans de vrije meningsuiting voorstel als een haveloze, verkrachte vrouw. Ineengedoken in een hoekje. Wanhopig proberend haar kwetsbare naaktheid te bedekken met een laatste flard oprechtheid. Tevergeefs … Waarom was er geen tegenbetoging georganiseerd? Die terechte vraag was echter een kort leven beschoren want de toespraken gingen verder. Hatelijke, achterlijke flarden propaganda. Geserveerd op een bedje van klokgelui en ingehouden woede. Alles wat ze vertelden had ik ooit al wel ergens gelezen of gehoord. Tegennatuurlijk, onkuisheid, de dictatuur van de zogenaamde democratie. Inhoudelijk gezien was heel dit schouwspel immoreel, laat daarover geen twijfel bestaan. Maar de manier waarop het doorging, gaf het iets onwezenlijks, ja zelfs bijna komisch. Het was tegennatuurlijk om onder het quasi verveelde oog van de lokale politie te roepen en tieren dat men leeft in een dictatuur, dat het recht op vrije meningsuiting met de voeten wordt getreden. Het was onkuis om toevallig passerende holebi’s met aandrang te vragen niet hand in hand te lopen of te kussen op dit bewuste plein in kwestie. De dictatuur van de democratie. Vreemd toch en ook mooi hoe ik ineens dacht aan een iconische poster uit de Spaanse Burgeroorlog getiteld ‘Los Nacionales” terwijl de priesters het Weesgegroet begonnen declameren. 2 grote spandoeken met daarop afgedreven foetussen die in beslag worden genomen toen de militanten ze ondanks een eerder verbod, toch wilden meedragen in hun mars. Geroep, geduw, getrek. 1 man wordt afgevoerd. Dan gaat de voorstelling verder. Een vrouw stopt me een krantje toe. “De hel bestaat!”, luidt de kop op de voorpagina. Tuurlijk, waarom niet? Geen betere regisseur dan het toeval. Dit was de prelude van het vijfde rijk. Dit zou iedereen elke week en overal doen als de nazi’s de oorlog hadden gewonnen. En in heel deze smartelijke vertoning van politiek opportunisme, haat en bekrompenheid werd ik nog het meest geraakt door de wezenlijke heiligschennis van heel de situatie: De mensen op het podium kregen meer aandacht dat het Mariabeeld dat achter de troep toehoorders en manifestanten verloren voor zich uit stond te staren. Symbolischer kon het niet. De massa die zich afkeert en met hun rug naar de Moedergodin een huichelaar toejuicht. Ik stapte naar het Mariabeeld en keerde de huichelaars de rug toe. Terwijl ik een kruisteken sloeg en luidop nadacht: “Vergeef ze moeder, ook weten ze wél wat ze doen.” Ik had genoeg gehoord om er het mijne van te schrijven. Het enige wat ik me op dat moment afvroeg, was hoe deze etterboel daadwerkelijk op papier te krijgen. In Brussel begon de grote Pride- afterparty , in Antwerpen hadden de kwezels hun H. Mis besloten met de Vlaamse Leeuw. Ik zat buiten aan het kampvuur van een lokale Scoutsfuif. De perfecte locatie om een dagje Safari in Fout Vlaanderen af te sluiten. I remember lighting fires; I remember sitting by 'em; I remember seeing faces, hearing voices, through the smoke; I remember they were fancy -- for I threw a stone to try 'em. "Something lost behind the Ranges" was the only word they spoke.[1]   [1] Kipling, The explorer

Jan Van Olmen
9 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen deel II: Wegrestaurant

Intermezzo bij het najagen van de Amerikaanse droom in fermetteformaat. “Het leven staat nooit stil!” “Verwen de mama’s!” “Profiteer nu!” And last but not least: “… onder de schelpen schuilt een smakelijk en rijkelijk vlees! “ Ik leg het reclamefoldertje neer, neem een slok van mijn bier en vraag me af wie dit soort clichématige onzin het leven schenkt. Waarschijnlijk één of andere gefrustreerde twintiger, nog geen half jaar afgestudeerd en dus veel te bescheten om eervol af te zien en verder te duiken naar een job met inhoud. Blijven hangen dus, in middelmatigheid en de pil vergulden met kleffe zekerheden. Het stuk over de schelpen smaakt trouwens niet overtuigend. Want de auteur van deze flard persuasief proza heeft waarschijnlijk nog maar weinig schelpjes geopend. Bestaat zijn notie van smakelijk en rijkelijk vlees enkel uit barbecue à volonté en schaamteloze porno?! Vreemde hersenkronkels tijdens een saaie vooravond hier in het wegrestaurant. De steenweg vlakbij kabbelt loom verder, als een soort van betonnen rivier. Het anker uitgeworpen en aangelegd aan deze oever. Met een scala aan reclameborden in plaats van palmbomen. Gehaaste vrouwen in trainingsbroeken in plaats van bevallige deernen met strooien rokjes. En ondergetekende in plaats van een gestaalde conquistador. Sweet banality … will you ever cease to amaze me? Het begon allemaal een paar uur voordien, met de regionale VDAB-jobbeurs. Als werkzoekende was ik slechts per mail verzocht ernaar toe te gaan maar als experimenteel journalist had ik de professionele plicht dit non-event creatief te coveren. De wijze waarop liet ik wijd open voor interpretatie want zoals steeds had ik het vage plan mijn gevoel te volgen en niet in de val van de objectieve verslaggeving te trappen. De gedachten vastleggen, dat is de inhoud. Het onderwerp is alleen vorm. Objectiviteit is een mythe. Het kostte me drie kwartier langer dan verwacht om ter plaatse te geraken en de grijze, van onweersbuien zwangere lucht maakte de sfeer er niet gezelliger op. Bumper tegen bumper. Hier en daar opgestoken middenvingers en venijnig claxonneren. De stadsring leek op een laatste ontsnappingsroute, weg van een fataal en evenzeer magisch moment waarop heel het bestaan zou veranderen in een schilderij van Jeroen Bosch. Op momenten als deze associeer ik het begrip “auto” meer met een doodskist dan met vrijheid. Nadat ik eindelijk parking had gevonden, bleek het hele ding een Fata Morgana, het is te zeggen: het gebouw was er, het adres klopte maar alle deuren waren potdicht. Geen jobbeurs, maar wel iets dat leek op een verhaal.[1] Mijn zin voor analyse begon het terug over te nemen van de fantasie. Dat was duidelijk te merken aan het feit dat ik om uitleg vroeg aan een vriendelijke huisvrouw van pakweg 60 jaar in plaats van aan een ei met vleugeltjes. Maar Mariette of Lizette of whatever wist het ook niet. En de deuren bleven dicht. Ik was in een stad waar ik niets anders kon vinden dan dezelfde goede en slechte dingen die er in mijn thuisstad onder de stenen lagen, dus het nut en de zin om er langer te blijven verdwenen geruisloos. Fuck it, de baan op en onderweg eten zoeken. Rest and regroup. Bijtanken, de zinloosheid van heel deze onderneming vergeten. Rustig in een hoekje wegkruipen met de krant, een slaatje en een bord friet. Veel gezinnen hier. Volle tafels, rijkelijk gevulde borden, het gesnater van tienermeisjes en het monotoon hoesten van dames op leeftijd. Ik bekijk een tweetal jongens die opgewonden voorbijlopen, met een frisco in hun handen en denk terug aan mijn eigen kinderjaren. Toen een wegrestaurant gewoon een wegrestaurant was een geen onophoudelijke stortvloed van ideeën, opinies en mise-en-scène. Iets dichterbij snauwt een vader met propvolle mond zijn kleuterzoon toe: Zit en zwijg! Vroeger leerden we onze kinderen hoe ze met pijl en boog een mammoet dienden om te leggen, nu zijn de levensnoodzakelijke vaardigheden blijkbaar gedownsized tot zitten en zwijgen. Had Jean-Jacques Rousseau dan toch gelijk?[2] Het kind kan dan voor mijn part binnen 20 jaar ook debiele reclameslogans schrijven. Ik probeer de krantenkoppen te lezen maar een gedachte snauwt mijn concentratie toe: Wat is, naast de noodzaak aan redelijk geprijsd voedsel, een bindmiddel voor deze quasi Breugheliaanse massa? Het idee dat iedereen die werkt het kan maken, geloof ik dan. Dat iedereen, met of zonder frisco, de hoofdprijs kan winnen. Als je maar een lotje koopt. Dat dikwijls betaald wordt met ons dierbaarste kapitaal: onschuld. De Amerikaanse droom, indertijd meegereisd via kauwgum en nylonkousen is in zijn land van herkomst misschien op sterven na dood maar hier, in dit compromis van een land, bloeit hij open als nooit tevoren. Critici van de Amerikaanse droom, stellen dat er een keerzijde is aan dit ideaal. Deze keerzijde is dat iemand die niet succesvol is, of arm, geacht wordt dit aan zichzelf te wijten te hebben. Deze critici zijn ‘Slechte Vlamingen’. Want … stilstaan is achteruitgaan en herinner de reclameslogan: “Het leven staat nooit stil!” Behalve hier dan, in het wegrestaurant, waar de erzatsvrijheid genaamd ‘weekend’ haar vleugels uitspreidt. Althans voor de rasechten. Want een werkzoekende, die heeft geen weekend. De jacht naar werk gaat verder…. Alsook de journalist zijn jacht naar het kille, bonkende hart van de Amerikaanse droom in fermetteformaat: de Vlaamse droom. De maatschappelijke idealisering van het platteland na de Tweede Wereldoorlog, overgoten met nostalgie, rijstpap, vinkenzetting en eindeloze bouwgronden. Zodanig gul overgoten zelfs dat je soms nog moeilijk het leven proeft … Bij wijze van dessert koffie halen en een praatje slaan met de nieuwe kassière. ‘Vind je de chocomousse hier zelf lekker?’ ‘Goh, vandaag niet. Hij is nogal euh … plat.’ Haar prachtig gemanicuurde nagels glijden delicaat over het touch screen van de kassa. ‘Je studeert nog zeker?’ Ze glimlacht en knikt. ‘Journalistiek, ik werk hier in’t weekend. Hmm, jij weet trouwens wat lekker is!’ Ze lonkt even naar mijn alternatief voor de platte chocomousse: een massief stuk chocolade taart. ‘Tuurlijk weet ik dat.’ Ik knipoog. Zij bloost. ‘Kijk meisje, blijf even eerlijk over wat je schrijft als over die chocomousse, OK?’ ‘Zekers! Het beste nog! ‘ Ze gedraagt zichzelf quasi authentiek maar in haar ogen kan ik lezen dat ze niet begrijpt waarover dit gesprek gaat. Of juist wel maar dan op een bevooroordeelde manier… Onze golflengtes liggen mijlenver uit elkaar. Maar what the hell, Ik heb chocoladetaart en het vooruitzicht op een kalme, deugddoende avond onder vrienden. In het schemerduister opnieuw de baan op, in het gezelschap van een besef: Ook zonder VDAB, droom of werk … ik blijf sterk.   [1] Toen nauwelijks, maar nu hoe langer hoe meer ! [2] La nature a fait l'homme heureux et bon, mais la société le déprave et le rend misérable.

Jan Van Olmen
6 0

Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen- deel I Werkloos en schrijver

Een ontmaskering van de charmante leugen.[1] Dinsdagnamiddag, exact 15.56 nu. Weldra zal de grote exodus beginnen. Duizenden pendelaars die bevangen door koortsige haast ’s morgens en atavistische berusting later op de dag heen en weer suizen tussen thuis, werk en vice versa. Tussen bureaus (of iets meer trendy gezegd: werkeilanden) en schoolpoorten, keukens, brievenbussen en tv’s. Met af en toe het occasionele kleine drama en genietbaar toeval als toetje. Zoals een dodelijk ongeval op de ring of een afscheidsdrink van een collega die uitloopt in een hedonistisch drankfestijn in één van de vele stationsbuurten die dit land rijk is. Ikzelf zit momenteel thuis. Werkzoekend of werkloos. U kan zelf kiezen welk etiket u me opplakt. De afgelopen maanden ben ik namelijk reeds zodanig veel geïnterviewd, getest en (af)gekeurd dat een (voor)oordeel meer of minder er gerust bij kan. Want geef toe, er wordt heden ten dage een zekere flexibiliteit verwacht… Ambitie, creativiteit, gedrevenheid, flair, uitstraling, …. Patserige woorden geflankeerd door grote foto’s van lachende mensen. Teneinde hetze te vermijden staan er ook foto’s van Afrikaanse en Aziatische medemensen in het rijtje. Want interim-bureaus discrimineren niet …. Die gedachte alleen al is krankzinnig meneer! Yeah right …. You’re going to make it after all!                                                                                                  Met dit soort kitscherig vermomde propaganda wordt de sollicitant geconfronteerd als hij voor de zoveelste maal rijksregisternummer en geboortedatum meedeelt. Als hij tot in den treure toe en met de glimlach op het gelaat opdreunt interesse te tonen in een job die eruit bestaat dozen te vullen en dicht te plakken. Liegen is een vitaal onderdeel van elk sollicitatiegesprek. Ik weet het, dit is een uitspraak die choqueert[2]. Afhankelijk van de persoon die aan de andere kant van de tafel zit, gaat het hem om kleine of grote leugens. Maar laat ons eerlijk zijn: niemand, maar dan ook niemand zal volledig de waarheid spreken als er geld mee gemoeid is. Kwestie van mensenkennis en berekend risico. Maar … opgelet! Men moet altijd de zin voor verhouding blijven bewaren, ook als men liegt. Eigenlijk, vooral als men liegt … Deze tekst is al zeven alinea’s lang, so let’s quit the crap: zoeken naar werk in Vlaanderen anno 2015 is een vies, frustrerend en absurd gegeven. Vele mensen, waarvan velen met een hoger IQ en een economischer kijk op de zaken dan ik hebben hierover reeds geschreven en gesproken. Maar dan nog, alle analyses en gevoelsuitstortingen ten spijt ontbreekt er iets. Waar is de passie, het vlijmscherp proza, de (zelf)spot? Werkloos én schrijver …. Dus hey, hier gaan we dan. Zoekend naar werk kan er misschien ook nog iets achterblijven op papier dat de moeite waard is om gelezen te worden. In een land waar de staatssecretaris voor Asiel en Migratie oproept om de boten te doen zinken voordat ze de Europese kust bereiken, is enige vindingrijkheid aangewezen! Deze morgen waren we opnieuw de baan op. Naar Leuven deze keer. Na een hectische avond tijdens dewelke ik met koude vastberadenheid alles voorbereidde wat er voor te bereiden viel: motivaties, informatie over het bedrijf in kwestie en waarom de job als onthaalmedewerker mijn roeping in dit leven en alle volgende mag, kan en moet zijn! Zal het zo zijn? Adrenaline en hoop. Een concreet plan smeden, de meest formele outfit uit je kleerkast halen, vloeken omdat je lievelingshemd ineens twee maten te klein is.[3] Tenslotte de kledij klaar hangen zoals een ridder zijn harnas aan de vooravond van een alles beslissende veldslag. Dan slapen (of iets dat erop lijkt.) Wakker worden om vijf uur dertig dankzij andermans’ ochtendseks en in de badkamer de strijd aangaan met een gigantische, voorhistorisch uitziende spin die manisch rondjes crost in de wastafel. In Brussel-Zuid tot de vaststelling komen dat de geplande trein richting Leuven is afgeschaft. Zin krijgen om luidop te vloeken en dan reeds na drie seconden beseffen dat zoiets lachwekkend en nutteloos is. Tot het inzicht komen dat je dik twintig minuten later zal zijn. Een inzicht dat even ongewenst is als het onwettige kind van een getrouwde vrouw. Willen bellen naar het bedrijf in kwestie maar dan opnieuw tegenslag. De GSM heeft de geest gegeven … O God waarom? Ik had die spinnenkop nochtans gevangen in een glas en netjes aan de voordeur buitengelaten! Oké dan, je beweert communicatief te zijn meneer. Bewijs het en schep hierover op als je wederom je arbeidskrachten de hemel inprijst. Neem de zaken in handen. Doe iets. Creëer! De eerste man die ik aanspreek is een stationsbeambte die me futloos informeert over een wederom ge-wel-dig feit in ons op winst en nut gebaseerd terrarium van een maatschappij. Want er bestaan geen openbare telefoons meer. Komaan, wat voor een naïef muurbloempje ben ik wel te denken dat er communicatiemogelijkheden voorhanden zijn in een internationaal station? Wat ga je hierna uitkramen, dat je enkels seks wilt hebben met iemand die je heel graag ziet?! Get real you pussy! Het grote uurrooster in de inkomhal zit op mij te loeren zoals een gier naar een stervende. Ik kan het bijna horen: een leep, brommend gelach. Een GSM, een GSM, mijn koninkrijk voor een GSM! De tweede man die ik aanspreek, kijkt me aan alsof ik een met pestbuilen overwoekerde bedelaar ben. Vreemd, hij draagt nochtans een kostuumvest en een hemd. En hij is ook blank. En een man! Van je soortgenoten moet je het hebben! Zou het dan toch kunnen? Bestaat de arrogante, blanke man echt? Hemeltjelief! Ik weet verdomme goed genoeg dat blank, man en goed gekleed in negentig procent van de gevallen positief nieuws betekent voor de eigenaar van de persoonskenmerken in kwestie. Ah, de vele momenten op luchthavens dat ze me gewoon lieten doorlopen, zelfs al was ik één keer zo zat als een Zwitser en een andere keer compleet opgefokt door een mix van cocabladeren en een obscure ‘energiethee’ die ik enkele uren voordien in het centrum van Lima had gekocht. Of die keer in Tel-Aviv toen ik ’s avonds overal kon rondlopen zonder verkracht te worden en …           Omdat ik het juiste kleurtje heb. Anders, dan hadden ze tijdens bovenstaande voorvallen mijn zwarte kont bont en blauw gemept en me met professionele brutaliteit in de boeien geslagen. Enfin, het punt is dat mensen die aan de top van de voedselpiramide staan een beetje meer grootmoedigheid mogen tonen! Zelfs al draag ik ‘maar’ een hemdje en vestje uit de H&M! Of misschien geven mijn baardje, quasi kale kop en minzame glimlach de indruk dat ik lid ben van één of andere sekte. “Namaste. Hebt u het geluk al gevonden meneer?” Neen, Let’s face it. Voor dat rolletje zijn mijn schoenen te chique. In totaal nog een tiental mensen vragen om te mogen bellen en steeds opnieuw genegeerd en afgewezen worden. Meer woorden maak ik daaraan niet meer vuil. Op de trein dan maar … met een jongen. Een mooi exemplaar, strak in het pak én Engelstalig. De GSM in kwestie is even modern en hoogontwikkeld als zijn eigenaar. Maar ik heb eindelijk het bedrijf aan de lijn en verwittig hen van mijn vertraging. De jongen in kwestie wordt uitvoerig bedankt en ik kom te weten dat hij Spaans en stagiair is bij één of andere Europese instelling. Zonder te willen vervallen in het grote, linkse “arm Vlaanderen”- cliché maak ik toch even de bedenking dat dit land qua sociale samenhang op zijn laatste benen hinkt. Zelfs niet alle helfies ter wereld kunnen dit bedekken: het eigen volk is afstandelijk. Omdat het bang is? Omdat het moe is? Omdat het dom is? Het gegeven dat ik geen antwoord kan bieden op voorgaande vragen , deprimeert me even zeer als de lijzige regendruppels. Als doorzichtige miniatuurkometen glijden ze langs het raam van de wagon. Even vergankelijkheid als de belofte aan zekerheid binnen een systeem waar de weinigen veel hebben en de velen weinig.[4] Welke mens zou in deze situatie, op zo een moment regendruppels vergelijken met doorzichtige miniatuurkometen?[5] Wat zit ik hier eigenlijk te doen? Onbewust alles in me opnemen om het later tot literatuur te transformeren? Of wacht ik gewoon tot de trein in Leuven stopt? You tell me. Wie zijn al die mensen, die als reptielen in de ochtendzon, roerloos voor zich uit zitten te staren? De meerderheid gebogen over hun I-Pad of Smartphone. Stuk voor stuk gefascineerd door alweer een charmante leugen: wie braaf is krijgt lekkers, wie stout is de roe. Ik zou graag één van hen zijn. In een zwakker moment dan. Want de kern van al het drama in ons leven is dat we om overgave smeken als het slecht gaat maar diezelfde overgave weigeren als het goed gaat. Aan de andere kant: elke queeste naar een inkomen, elke sprong naar een kans, doet mijn hart overstromen van levenslust. Van een primitieve maar zalige drang tot zijn en doen![6] Enkel wie Het Gevaar kent, kan leven zoals het hoort: met overgave! Met een beetje geluk kan je Het Gevaar in de ogen kijken en het navertellen. Met nog één schepje geluk meer kan je de kleur van zijn ogen onthouden. Ofwel zijn mijn schepjes geluk op, ofwel moet ik ze nog krijgen want ondanks mijn Calvarietocht naar Leuven kreeg ik later op de dag te horen dat het bedrijf had gekozen voor een interne kandidaat die ze de dag voordien hadden gesproken. Uiteraard, de dag voordien. Toen ik op een terras in het centrum van Turnhout zat, aan het bekomen van de bad trip die elk bezoek aan mijn zwaar dementerende grootmoeder eigenlijk is. Hoogtepunt van dat bezoek was een bijna vechtpartij tussen ons moemoe en een andere bewoonster met als inzet een doos pralines gevolgd door een hysterische woedeaanval van een oudere man in een rolstoel die zich als een soort van kreupele Don Quichote begon te moeien met de wanhopige interventie van een eenzame verpleegster Lang leve de besparingen in de zorgsector! Ja, de waanzin is overal, jong of oud werkloos of gepensioneerd: het leven is een strijd! Toen dus, toen belden ze mij met het quasi bevel naar Leuven te komen. Want ze waren dringend op zoek naar een invulling voor de vacature van onthaalmedewerker. Wel, er is één ding waar ik niet meer dringend naar op zoek ben en dat is een antwoord op de vraag of het absurdisme in dit land een kunststroming is of een levensstijl … Nu is het naar de avond toe en ik speel met het idee een geheel van essays en columns over werk zoeken en (over)leven in het Vlaanderen van de Nieuwe Vlaamse Ambetanterikken ‘Vreemde verhalen uit een vreselijk Vlaanderen” te noemen. Vreemde verhalen want … waarschijnlijk ben ik een zeldzame kruising tussen een mens en een engel: teveel mens om zonder menselijkheid te kunnen en teveel engel om die menselijkheid consequent te verdragen. Ja, dat is wel een prachtige verklaring voor al de tegenstellingen en kronkels in mijn ziel. Zodanig prachtig zelfs dat het eigenlijk geen verklaring meer is, maar wie geeft daar nu een kloot om? Ik alvast niet enneuh … … iedereen geboren in de jaren ‘80: maak je geen zorgen over de toekomst want in wezen hebben we er geen: het schip zinkt en het laatste lied wordt gespeeld, de laatste glazen worden geschonken. En tussendoor krijst de echo van oorlog en crisis als een vondeling op de stoep van “onze” maatschappij. Spijtig dat we geen grote verhalen meer hebben om het krijsen te stillen. Kom vrienden: reikt elkaar de hand, de lippen en het lijf. Laat ons dansen. Ja, laat ons dansen en schransen en gek doen voordat ze kloppen aan onze deur. Vreselijk Vlaanderen want … ik word kotsmisselijk van een andere incarnatie van ‘de charmante leugen’: namelijk dat de eindverantwoordelijkheid voor het vinden van een job stelselmatig bij de werkzoekende zelf ligt, terwijl er een structureel tekort is aan arbeidsplaatsen. Uit een Belgisch rapport uit 2012 blijkt dat er de laatste jaren vier keer meer werklozen zijn dan beschikbare arbeidsplaatsen. Als je mensen verplicht tot het vinden van werk en hen daarop beoordeelt, dan lijkt het mij logisch dat er voldoende arbeidsplaatsen voorhanden zijn. Anders houd je een groep mensen verantwoordelijk voor iets waar een groot deel niet in kan slagen. Dat is niets meer en niets minder dan een hoop dampende bullshit. Goed voor de moestuin maar verder compleet nutteloos. Dit discours past in de tijdsgeest waarin hardnekkige maatschappelijke problemen worden verengd tot persoonlijke problemen van onwillige luilakken of misfits[7] die hoognodig door scholing[8] moeten worden bijgeschaafd. Mensen zonder ambitie die de hardwerkende Vlaming ook nog handen vol geld kosten. Mensen zoals ik en duizenden anderen die test na test en gesprek na gesprek doen voor de meest idiote en onzekere jobs. Mensen zoals ik en duizenden anderen die in hun studententijd op theoretisch vlak doorhadden hoe de vork aan de steel zat en het nu op praktisch en persoonlijk gebied ondervinden. Namelijk dat de slogan: “Ik hou ze arm, hou jij ze dom!” nog altijd klinkt als een klok. Alleen is ‘meneer pastoor’ vervangen door ‘de media’ en draagt ‘meneer de eigenaar’ een blits polshorloge en een hipsterbril in plaats van een monocle en een hoge hoed. Mensen zoals ik en (hopelijk!) duizenden anderen die niet langer de wortel voor hun neus achterna lopen en tussen de lijntjes van het sociaal contract beginnen lezen. Waar zal dit eindigen? In mijn even dystopische als filmische fantasie eindigt het in een door smog verstikte, overbevolkte miljoenenstad waar in de arena sollicitanten het opnemen tegen levende, genetisch gemanipuleerde reuzengroenten. De winnaar krijgt een tijdelijke job bij de lokale fastfoodgigant. Gevechten op leven en dood! Bloed! Tomatensap! Spektakel! De tweede plotlijn maakt dan dat ik een geheime relatie begin met de dochter van de stadhouder en alzo eindig als leider van de Grote Werklozenrebellie. Op een tamme komkommer rijden we tenslotte de zonsondergang tegemoet terwijl de eindgeneriek in beeld verschijnt … Maar terug even serieus nu! Het zogenaamde ‘activeringsbeleid’ en de ‘interim industrie’ zijn namelijk niets meer dan excuses om te camoufleren dat de staat (of wat er nog van overblijft), compleet machteloos is om arbeidsplaatsen te creëren in een neoliberale samenleving. De geest van Thatcher en Reagan is alive and kicking. Make no mistake about it! Ik vraag me nog altijd af waarom politici blijven beweren dat ze werk gaan creëren, de werkloosheid gaan wegdrijven maar zich vervolgens niet uitspreken tegen het neoliberalisme … Maar goed beste lezers, als ik meer nieuws heb en u een antwoord kan geven bel ik u zeker terug! J   [1] ‘Wie wil werken, vindt werk! Echt wel, we bellen u zeker terug! [2] Omdat het waar is schatjes!                                                                                                                                                      [3] … of ik twee kilo verdikt ben MAAR WE MOETEN POSITIEF BLIJVEN VERDOMME! [4] Buiten zorgen, huishuur die betaald wordt met spaargeld en af en toe een neiging tot vage, socialistische clichés. [5] Iemand die talent heeft? Vraag het anders aan het grote boze uurroosterJ. (Als je durft!) [6] En avontuur! In Technicolor ®! [7] Ik ben dan bijvoorbeeld een misfit, get the picture? [8] Zoals een cursus ‘Hoe maak ik een CV?” voor mensen met een hoger diploma die heelder dagen niets anders doen dan CV ‘s opmaken.

Jan Van Olmen
6 0
Tip

#1

Soms lijkt het stil op het slagveld. Na uren van gekletter en gejammer smelt het lawaai van het gevecht tot één witte ruis alsof de waas van vermoeidheid die om hem heen hangt de geluiden tegenhoudt. Dan hoort Nikephoros enkel het gebonk van zijn eigen bloed in zijn oren, hoe hij hijgend adem naar binnen zuigt, en af en toe, op dagen zoals deze, hoort hij het schreeuwen van zijn naam als een echo in zijn gedachten.  De mannen om hem heen kan hij amper zien. Het zware metaal van zijn helm sluit hen van hem af, maar hij weet dat ze er zijn. Hun aanwezigheid hoort ook bij de ruis, de mengelmoes van bloed en geschreeuw en het versplinteren van schilden. Nikephoros voelt dat zij er zijn en zij voelen dat hij er is. Zijn speech is hij al vergeten, de woorden achtergelaten in het kamp, vertrappeld door de vele voeten die schuifelend hun tent verlieten. Alleen de reactie blijft hangen. Ze kleeft aan zijn lijf. Het gejuich is onder zijn helm gekropen en het enthousiaste gestamp zit verstopt onder zijn borstplaat. Nikephoros. Zegebrenger. Hoewel zijn harnas zwaar weegt op zijn schouders, beweegt hij met een zekere gratie die anderen missen. Naast hem valt iemand neer. Een bijl komt zijn kant uit. Hij duikt neer, zwaard stevig in zijn hand. Het voelt niet meer als doden. Het voelt louter als een zegeviering. De volgende komt zijn kant opgerend, gewapend met een drietand. Nikephoros doorboort zijn borstplaat nog voor de jongen zijn wapen kan heffen. En dan, temidden van de strijd, hoort hij het. Natuurlijk hoort hij het. Het hele punt van de witte ruis is de filter. De blonde lokken zag hij altijd, een baken in de wirwar van geweld. Ze waren oh zo zeldzaam, louter voor hem bestemd. Nu zag hij ze niet. Hij draaide zijn hoofd om, wanhopig zoekend naar zijn geliefde. De kreet klonk zo vreemd tussen al die wreedheid. Zijn zwaard glipte van tussen zijn handen wanneer Nikephoros naar hem toe rende. Hij spotte Agapétos een paar meter verder, verder dan hij had móéten zijn. Zijn blonde haren waren slechts luttele seconden van de bebloede grond verwijderd. “Agepétos. Agepétos.” Of hij de woorden gezegd heeft, weet Nikephoros niet. Misschien fluisterde hij ze, misschien waren ze slechts een echo in zijn gedachten. Het moest zo snel gebeurd zijn, tussen de ene dood en de andere door. Tussen een bijl en een drietand. Een pijl, sneller dan Apollo. Zelf Nikephoros had er niet aan kunnen ontsnappen. Hij zakte neer op zijn knieën, ogen wijd open en mond hetzelfde. Zijn vingers wurmden zich langs de contouren van de borstplaat, voorbij de hardheid en de strijd, tot ze eindelijk zijn huid voelden. Nikephoros gaf niets om de oorlog. Hij gaf alleen om hoe zacht zijn geliefde is, zijn kloppend hart en de glans in zijn helblauwe ogen. Agepétos’ huid leek wel marmer naast de zijne. Zijn lippen, die uren geleden nog de lijnen van zijn lichaam zochten, openden zich moeizaam, op zoek naar een laatste ademhaling. “Agepétos.” Agepétos wilde hem niet aankijken. Hij trok aan Nikephoros’ arm met ogen die getekend waren door paniek, en Nikephoros, de zegebrenger, smolt als was zijn handen. “Blijf,” prevelde hij. Zijn stem klonk zacht en zilver en gouden boven de witte ruis van de wreedheid. Hij fluisterde het zachtjes tegen Nikephoros’ nek, brandde de letters in zijn gebruinde huid. “Alstublieft.” En dus stopte Nikephoros het gevecht, liet zowel zijn zwaard als de belofte van een zegeviering in de steek. Hij lag naast Agepétos, terwijl die uiteenviel op de ergste wijze mogelijk. Zijn handen knoopten zich in zijn haar, vingers gevangen tussen metaal en huid en zijn lippen verbonden met die van zijn geliefde. Agepétos’ hoofd legde hij in zijn nek, zijn steeds kouder wordende neus tegen zijn sleutelbeen aangedrukt. Zo sliepen ze meestal, wanneer ze alleen waren in hun tent. “Agepétos. Agepétos.” Geliefde. Geliefde. “Agepétos.” Tot de witte ruis ook zijn ogen sloot.

Astrid
0 2

Dat stomme verlangen!

In de zomervakantie kon ik niet meer om het gezeur heen. Ze hadden gelijk ook. Er moest een einde aan komen. Dus beloofde ik mijn oudste na de vakantie te stoppen. Tegen het einde van de vakantie hoorde ik mijn oudste vragen: “Papa, wanneer stopt mama dan precies? Als we terug komen uit Frankrijk, of als mama weer moet werken, of als ik weer naar school moet”. Deze vraag bleef onbeantwoord.   Mijn stille voornemen om te stoppen als we terug kwamen uit Frankrijk verliep, net als het moment dat ik weer moest werken. Dus op 1 september moest ik er aan geloven. Geen moment van de dag dat ik er niet aan dacht. Dat viel even vies tegen! Maar ik had het beloofd, dus ik moest wel doorzetten. Op de eerste werkdag na het stoppen in de pauze vraagt een collega: “ga je mee naar buiten?”. Dat was mijn zwakste moment. “Nou ‘éigenlijk’ ben ik gestopt…” Toen had ik bijna mijn belofte verbroken. Dag in dag uit dat stomme verlangen. Verlangen naar een gewoonte, waar je van gaat stinken. Een verlangen dat zorgt voor ademnood en tegenwoordig veel commentaar uit je omgeving. Verlangen naar iets waar je ziek van kan worden, dood aan kan gaan. Wat zit een mens toch raar in elkaar.   Langzaam aan wordt het steeds gemakkelijker de verleiding te weerstaan. Begin ik de voordelen te zien en miniscuul te merken. Het scheelt in ieder geval in mijn portemonnee!   Maar zo trots als ik toch wel op mezelf ben: mijn oudste heeft er tot op heden nog niets van gemerkt dat ik gestopt ben!

Liselotte Schippers
2 0

Brief aan God

  God,   Lange tijd heb ik je niet gesproken, dus werd het tijd om een brief te schrijven. Vergeef me mijn tutoyeren, maar dat gaat voor mij als vanzelf als ik het over zulke persoonlijke dingen heb. Er is zoveel wat ik niet begrijp. Lange tijd heb ik geprobeerd het naast me neer te leggen en gedaan alsof het me niets kon schelen, maar regelmatig spelen steeds dezelfde vragen weer op. Misschien kun je me er bij helpen om antwoorden te vinden op deze vragen. De hele wereld worstelt zo met van alles en nog wat, dat wat verheldering wel fijn zou zijn. Uiteraard vraag ik dit uit naam van mijn persoon. Voor de rest van de wereld kan ik niet spreken. Bijvoorbeeld de verschillende goden en godsdiensten zijn me wel erg verwarrend. Het is daarmee een beetje onduidelijk geworden hoe we de boel hier op aarde nu moeten regelen. De gevolgen hiervan zijn groot. Het maakt me niet uit hoe ik je moeten noemen, Kees of Karel vind ik ook goed, maar wat is nu precies de bedoeling. Hoe moet ik leven als ik het goed wil doen en wat vertel ik anderen? Een andere moeilijkheid hier beneden (als je tenminste boven bent) is het verdriet, de ellende en pijn. Oorlogen, ruzies en natuurrampen. Het is zoveel. Zo overweldigend veel dat het niet te bevatten is. Maar ik vermoed dat dat verder welbekend is en ik hier niet over hoef uit te wijden. Maar het waarom is me zo onduidelijk. Je zou toch denken dat dat anders moet kunnen. Het is niet zo dat ik je daarvan de schuld geef, maar ik voel me zo niet geholpen. Mensen doen het elkaar aan, maar ik mis de leider. Alleen geloven dat er een leider is, lijkt niet genoeg, want ondertussen wordt het zo’n zooitje. Heeft het dan nog wel zin om contact te houden? En als ik nu dood ga wat dan, houdt het dan op? Of wordt het dan pas echt interessant. Nu lijkt me het doodgaan toch niet het meest plezierige wat mij en hen die mij liefhebben kan overkomen. Waarom mag ik dat dan nu nog niet weten? Het zou het zoveel makkelijker maken. Zou je me alsjeblieft terug willen schrijven om me even met dit alles op weg te helpen?

Liselotte Schippers
45 0

Brief aan Koning Willem Alexander

Geachte Majesteit Koning Willem-Alexander, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,   Als burger zou ik graag willen begrijpen hoe het is om een functie zoals de uwe te bekleden. Hoe het is om z’n enorm lange aanhef te hebben. Natuurlijk is er zoveel geschreven, met foto’s vastgelegd en op televisie te zien. Alleen kruipt het niet persoonlijk in de huid van een koning. U bent geboren als prins, zonder dat u hier voor gekozen hebt. Het eten met een gouden paplepel lijkt me niet eenvoudig. Het is geen sprookje, tenminste niet in mijn ogen. Uw leven ligt op straat. U wordt bekritiseerd en er wordt voor u gedacht door de gehele bevolking en ook ver over deze grenzen. Daarmee bent u bijna gelijk gesteld met elke beroemdheid. Maar er zullen er maar weinig zijn die u ook écht kennen. Waar wordt u werkelijk warm van, waarin zit uw verdriet. Had u koning willen zijn als u de keus had gehad? Had u dezelfde keus gemaakt als u een andere referentiekader had gehad? Is het uberhaupt mogelijk om vanuit dit kader werkelijk te kunnen begrijpen hoe het zou zijn om geen koning te zijn. Gewoon Marco of Jeroen Smit te heten of zo en zaterdag naar de voetbal gaan en daarna dronken worden aan de bar. Of zaterdag met de kinderen naar de kinderboerderij, zonder achtervolgd te worden. Uw positie is te gebruiken om grootse dingen te bereiken. Goed te doen en daadwerkeijk dingen te veranderen die er toe doen. Maar is het ooit genoeg? Of als het niet lukt? Misschien is het wel een loodzware last die op u rust die u liever aan een ander zou overdragen. Bij mij thuis valt het helemaal niet op in de wereld als ik eens een keer nee zeg aan de deur tegen een collectant. Uiteraard zijn dit vragen die niet te beantwoorden zijn. En het beantwoorden van deze vragen zou in strijd zijn met mijn wens voor u voor het hebben van uw eigen leven, met eigen keuzes. Maar graag zou ik met u aan de keukentafel met een kopje thee een boom opzetten over mijn leven en over uw leven. Gewoon om de persoon die ‘onze’ koning is, écht te leren kennen. Bij deze bent u uitgenodigd.

Liselotte Schippers
0 0

Brief aan Anne Frank

Beste Anne,   Wat moet ik vaak aan je denken. Als kind al hield het me bezig. Waarom jij? Totale willekeur is het enige antwoord wat ik hierop kan vinden. Denkend aan alles wat je hebt meegemaakt en wat een horror dat voor je geweest moet zijn. Je was niet eens een bijzonder meisje. Niet beroemd, berucht of opvallend. Niet speciaal mooi. Maar een meisje net als ik vroeger was. Jij hield ook van schrijven, net als ik. Met een eenvoudige oprechtheid zoals past bij een tiener. Je woonde in Amsterdam. Ging naar school en had vriendinnen. Je had dromen en passies. Volgens mij zal niemand ooit goed kunnen begrijpen waar mensen zoveel haat vandaan kunnen halen om zo’n onschuldige meid zoals jij en met jou vele onschuldige anderen, zoiets aan te kunnen doen. Jij verdiende een normaal leven met je eigen schone pijnen ervan: het hebben van een gebroken hart, verdriet en ander verlies wat er bij hoort. Jij verdiende opgroeien en volwassen worden. Genieten en feesten, de liefde ervaren en misschien een gezin stichten. Waardevol leven. Niemand zal ooit kunnen begrijpen, kunnen voelen hoe het voor je was toen jouw leven verscheurd werd. Mijn God wat moet er door je heen gegaan zijn op al die verschrikkelijke momenten. De vreselijke angst, de eenzaamheid, de ellende, de vernedering. Alleen er aan denken doet me al ellendig voelen. Je waande je lange tijd veilig in het Achterhuis, maar na de hel van het kamp, moest het bruut eindigen in een vernietigingskamp. Een soort plaatsvervangende schaamte, namens de latere generaties, bekruipt me over het feit dat de geschiedenis zich soms toch lijkt te herhalen. Net op een andere manier, op kleine of grote schaal, in een andere landen, maar toch hetzelfde. Kan er zo weinig aan doen. Mijn woorden hebben niet genoeg kracht. Het lijkt er zo vaak op dat de mens niet leerbaar is. Maar toch blijf ik hopen. Lieve Anne, ik wil je zo graag laten weten wat jij met je schrijven toch nog hebt kunnen betekenen voor de wereld. Hoe ironisch dat je dat niet hebt mee mogen maken. Maar jouw stem is wereldwijd te horen en ik hoop dat het voor altijd na blijft galmen.

Liselotte Schippers
456 0

Liever simpel

Discriminatie heb ik nooit iets van begrepen. Dat zeg ik met gezonde zelfbeoordeling en daarmee wetende dat ik niet tot de domste der aarde behoor. Mocht ik de nuttige ingewikkeldheid van het discrimineren niet snappen, dan blijf ik liever simpel.   De meest schokkende ontdekking die ik op jongere leeftijd deed, is geweest toen ik er achter kwam dat niet alleen domme mensen discrimineren. Hoogopgeleide mensen, professoren met een aantoonbaar hoog IQ. Mensen met een ‘belangrijke’ functie in de maatschappij, die er willens en wetens voor kiezen om te discrimineren. Zichzelf beter te vinden dan anderen. Anderen afwijzen of zelfs veroordelen omdat ze anders zijn.   Ik vraag me af hoe vaak deze mensen er bij stil staan dat er oorlogen zijn begonnen door de loop van de geschiedenis heen tot vandaag aan toe, op grond van deze afwijzing en veroordeling. Je zou toch zeggen dat wij mensen leren van onze geschiedenis en niet dommer zijn dan de spreekwoordelijke ezel. In plaats daarvan blijven wij ons maar steeds weer stoten aan dezelfde steen. Wat een leed, voor niets. Niet alleen in oorlogen, maar ook dichter bij huis. Op school of op het werk. In kerken en gemeenten. Op grote en kleinere schaal.   Of het nu gaat over ras, huidskleur, geslacht, geloof of seksuele voorkeur. Of welke vorm van discriminatie die je maar kunt bedenken. Het zijn er veel te veel om op te noemen. Als simpel mens denk ik misschien te eenvoudig als ik vind dat iedereen gelijk is. Dat we allemaal een velletje over de neus hebben en onze poep even vies is.   Soms zou ik willen dat iedereen zo simpel dacht. Al maak ik zelf hier in onwetendheid vast ook mijn fouten in.   Op de lagere school zat bij ons een meisje in de klas met prachtig rood krullend haar. Misschien was ze iets ouder en daarom ook wat verder in de hormonale ontwikkeling. Een meid om jaloers op te zijn, zeg maar. Ze werd gepest. Omdat ze anders was? Toch ging ik op aandringen van mijn moeder met haar spelen. Dit gaf me een blik in haar leven. Een niet zo prettig leven op dat moment. Wat bofte ik met mijn warme nestje.   Ik denk dat ik van huis heb meegekregen niet te discrimineren op basis van het anders zijn. Bedankt daarvoor paps en mams!   Bedankt dat ik mag denken dat iedereen vieze poep heeft!

Liselotte Schippers
2 0

De wet van Murphy hadden ze nooit aan moeten nemen!

Lamgeslagen kijk ik naar mijn mobiele telefoon die vrolijk rondjes draait voor het raampje van de wasmachine. Dat is mooi balen! Kan er ook nog wel bij.   Vannacht was het lot van deze dag al bezegeld toen mijn jongste het hele bed had onder gespuugd. Mijn lieftallige wederhelft heeft niets meegekregen van mijn nachtelijke bezigheden. Onder luid gesnurk deed ik haar in bad en verschoonde ondertussen als een duizendpoot het bed. De thermometer geeft 39,2 aan. Het arme kind was hondsberoerd. Nadat er niets meer in zat om eruit te gooien vertikte ze het om te gaan slapen en was de enige optie bij haar in het piepkleine bedje te gaan liggen. Resultaat was dat ik geen oog had dichtgedaan. Tegen de ochtend viel ik met haar warm zwetend lichaampje tegen me aan in slaap tot we kort daarna wakker werden van de wekker. Lekker dan! Nu moest ik samen met de zieke op mijn fiets stappen om de oudste naar school te brengen. Om mezelf en in ieder geval de moeders bij school voor de gek te houden, smeerde ik een laag make-up op en fatsoeneerde mijn haar, voor zover dat mogelijk was vandaag. Zo leek het tenminste nog een beetje wat.   Aan tafel maakte zoonlief er een enorme smeerboel van. De pindakaas zat in zijn haren en natuurlijk ging er een beker melk om. Omdat ik bijna omviel van vermoeidheid was mijn geduld ver te zoeken en kreeg hij de wind van voren. Natuurlijk voelde ik me gelijk schuldig toen de melkstorm weer voorbij was, maar te laat. De stemming was gezet. Op mijn mamamobiel reed ik de straat uit met een zeer ontstemmend jongetje naast me op de fiets.   Weer thuis stopte ik de zieke in bed. Die kon nog wel wat uurtjes slaap gebruiken en ik zelf ook. Net toen ik zachtjes de deur van haar kamer dicht deed ging de deurbel. Direct wist ik wie dat zou zijn en langzaam voelde ik een zure, doordringende hoofdpijn opkomen. De reparateur van de afzuigkap zou vanmorgen langskomen. De afzuigkap is stuk en het is ‘best handig’ als hij werkt. Door de ‘fantastische’ nacht en ochtend, was ik het helemaal vergeten.   Van bovenaf keek ik wie er voor de deur stond, waardoor mijn vermoeden werd bevestigd. Daar ging mijn slaap. Nu moest ik mijn best gaan doen om hem zo snel mogelijk weer de deur uit te werken. Zodra hij een voet over de drempel zette wist ik al dat ik daar naar kon fluiten. Totaal gecharmeerd van mijn inderdaad mooie keuken stond zijn klep niet stil. Ondertussen werd ik me bewust van een weeïge gevoel in mijn buik. Kennelijk heerste er iets besmettelijks in huis en werd ik niet gespaard. Dat hielp niet om snel en efficiënt meneer erop te wijzen dat hij toch eigenlijk niet echt gelegen kwam. Op ieder andere dag had ik graag een werkende afzuigkap, maar op dat moment kon het me niets schelen.   Toen hij eindelijk uit was gekletst besloot hij om de eilandafzuigkap eraf te halen. Met alle schroeven los bedacht de uiterst intelligente man dat hij dat ding toch niet alleen in de lucht kon houden en repareren tegelijk. Met mijn verstand kennelijk op nul liet ik mij gebruiken als assistent eilandafzuigkap reparateur. Terwijl alles in me riep ‘nee! ik wil dit niet!’ stond ik toch op het eiland boven mijn krachten de afzuigkap in de lucht te houden.   Maar het is de beste man gelukt om dat ding te repareren. Toen het klusje geklaard was, was hij snel vertrokken. Mogelijk ook enigszins uit schaamte dat hij mij moest inzetten voor zijn klus.   Uitgeteld wilde ik net op de bank ploffen als ik van boven een ziek zielig stemmetje hoor roepen. Ik hoopte dat ze niet nog een keer in bed had gespuugd en dit keer had ik geluk. Samen gingen we op de bank liggen. Weer het warme koortsige lijfje tegen me aan. Ik voelde me zelf ook nog steeds flink belabberd. Af en toe vielen zelfs mijn ogen even dicht. Totdat bleek dat de kleine nog een grote golf maaginhoud over had om me helemaal mee te bedekken.   Op de badkamer kleedde ik me uit en gooide het hele zooitje in de wasmachine…

Liselotte Schippers
7 0

Winteruur

Als ‘s morgens de wekker gaat, ben ik best een blije vogel. Een ochtendmens zeg maar.Tenminste… In de zomer. Dan spring ik ‘s morgens mijn bed uit om fluitend aan de dag te beginnen.   In de winter is het een heel ander verhaal…Als de wekker gaat, duurt het enige tijd voordat ik in de gaten heb dat dat geluid toch echt niet in mijn droom thuis hoort. Langzaam proberen mijn hersenen, die onder invloed van de nacht-illusie nog ernstig druk zijn met het aanmaken van Melatonine, wakker te worden. Nog langzamer begint het tot me door te dringen dat het piepende ding op een actie van mij wacht.Bestaan er nog irritantere geluiden dan die van de wekker?Waarom nu? Waarom?   Waarom hebben wij mensen geen winterslaap? Het hele idee van een winterslaap is tenslotte het overleven van de winter, zonder energie te hoeven besteden aan nutteloze zaken zoals het opstaan in de kou en in het donker. Deze energie kunnen we in de zomer vast ergens anders voor gebruiken. Waarom kunnen we niet gewoon de dag pas beginnen als het licht is? Gezien het feit dat ons biologisch systeem zo is ingesteld.Waar zijn de fluitende vogeltjes en het warme zonnetje als we ze nodig hebben? Het is veel te koud om te douchen en aan te kleden.   Rillend en bedekt met kippenvel met het liefst mijn ogen nog dicht, ga ik die eerste uitdaging van de dag aan.   Of dan alleen een winteruur in plaats van een winterslaap.Wat zou het toch mooi zijn als we dat eerste winteruur van de dag konden overslaan.

Liselotte Schippers
0 0

Paradijs

De kinderen spetteren al uren in het blauwe zwembad, zodat ik ondertussen alle tijd heb om zinnige letters op papier te zetten.  Alle rust en alle tijd van de wereld om de galerij uit mijn gedachten toe te vertrouwen aan het schrijfblok op mijn schoot. Een kruidige geur van eten met een zweem van zonnebrandolie en bier danst aangenaam door de lucht. Mijn hoofd rust op het warme lijf van mijn lief. Het gevoel van het kloppen van zijn hart en zijn zachte strelen voelen als de eerste dag. God in Frankrijk. Dit is mijn paradijs. Zon, zee en strand… liefde, rust en tijd. Veel tijd, want alles wordt ons hier op een dienblaadje aangereikt. Precies zoals ik me een luxe vakantie altijd al had voorgesteld. Steeds laat ik de warme zandkorrels tussen mijn tenen door glijden, mijn zegeningen tellend. Sinds de uitgave van de laatste serie kinderboeken, loopt het als een trein. Als dit zo door gaat, kunnen we ons ieder jaar weer een paar weken paradijs veroorloven. Er zijn al een aantal verzoeken voor manuscripten binnen gekomen en net voor we vertrokken naar dit prachtige oord, kreeg ik te horen dat mijn laatste manuscript verfilmd wordt. Wat een eer! Met mijn ogen dicht, ondertussen gloeiend van de warme zon, fantaseer ik welke bekende acteurs de rollen zouden kunnen vertolken. Carice is geknipt voor de rol van Julia. Welke flitsende acteur zullen we daar nu eens tegenover zetten. Lang krijg ik niet om daar over na te denken, want ik moet mijn schrijfblok in veiligheid brengen. Het gespetter in het zwembad heeft zich tegen mij gekeerd.   Met bakken komen dikke grote regendruppels uit onze Hollandse lucht vallen. Vliegensvlug jaag ik door mijn tuin om alles wat niet nat mag worden, droog te zetten. Mijn door de zon gebrande gloeiende gezicht worden geblust, net als mijn paradijs. Een meisje mag toch dromen…  zucht ik, met een verlangend gevoel naar die schemerige slaap. Toch lachend om mezelf ga ik weer over tot de orde van de dag,  de realiteit. Ach, zand tussen je tenen is ook niet alles…

Liselotte Schippers
0 0

Maar werk ik dan nooit?

Nu heb ik beslist geen hekel aan mijn werk als sociaal psychiatrisch verpleegkundige, maar ik kan toch ook niet zeggen dat ik er elke dag even florissant bij zit. Raar maar waar: ik ben ook maar een mens. Men denkt vaak dat ik het zelf allemaal zo doe zoals ik het probeer over te brengen. Dan heb ik het over het algemeen wel over patiënten en niet over de mensen die mij kennen, want die weten wel beter. Natuurlijk probeer ik te praktiseren waar ik over preek, maar heb uiteraard mijn eigen worstelingen.   Om nog eens iets anders uit de wereld te helpen voor de leek: het feit dat ik ‘in de psychiatrie’ werk, betekent zeker niet dat ik dwars door iemand heen kan kijken. Of iemands ‘geest’ kan doorzien en begrijpen. Je wilt niet weten hoe vaak ik deze aanname bespeur. Soms lijkt het mensen zelfs een beetje af te schrikken. Maar hallo! Ik ben gewoon Liselotte hoor!   Wel voel ik me ontzettend bevoorrecht dat ik in gesprek met patiënten hen een stapje verder kan helpen. Al is het maar om even een glimlach op een gezicht te toveren in een leven vol ellende. Keer op keer ben ik weer verbaasd en trots op het vertrouwen dat me wordt gegeven om een kijkje in andermans keuken te mogen nemen. Ondertussen denk ik na ervaring niet meer als de eerste dag: ‘ik doe ook maar wat’ en natuurlijk heb ik er voor geleerd en werk in een team waarmee ik samen bepaal hoe ik of wij het beste iemand kunnen helpen, maar ik ben sterk van mening dat het écht contact maken het grootste deel van ‘het werk’ is. En dat is iets wat ik zelf doe. Bij elke nieuwe patiënt en ook in de afspraken met patiënten die ik al langer zie, is het steeds een fijne uitdaging om echt contact te maken.   Laatst begreep iemand (weer) niet hoe ik het toch kon: altijd maar dag in dag uit de ellende van iedereen aan te horen.‘En dat terwijl jij zelf zo gevoelig bent. Ik zou het niet kunnen’.Het ligt vast aan mij, of je moet het zelf ervaren om het ook zo te zien, maar slechter kan ik het voor de meeste mensen niet maken. Wel beter. Het geeft mij na ruim dertien jaar nog steeds een goed gevoel als ik iemand beter de kamer uit zie gaan dan hij of zij binnen kwam. Het geeft me een goed gevoel dat ik mensen kan helpen. Als ik dat niet kan, dan zal ik ze ook niet lang zien. En eerlijk is eerlijk: het is ook best fijn om er regelmatig aan herinnerd te worden dat ik het lang zo slecht nog niet heb met mijn eigen gedoetjes. Dus als ik een dag weer eens niet zo florissant begin, kan het wel eens zo zijn dat ik er het einde van de dag een stuk beter bij zit.   Ik doe echt wat ik leuk vind. Maar werk ik dan nooit? Toch wel. Keihard. En als het om patiënten gaat, meestal met plezier!

Liselotte Schippers
2 0

Mike, een verhaal in twee bedrijven

Toen het nog niet zo heel erg was maar wel een beetje: De broer van Mike had een nieuwe vriendin. Vandaag had hij haar voor het eerst meegenomen naar huis en mocht ze mee-eten. De moeder van Mike leek veel vrolijker en opgewekter dan anders en ze had een schort met bloemetjes aan. Ze had nooit een schort aan. En zeker niet met bloemetjes. Mike dacht dat ze dat schort vast speciaal voor deze avond had gekocht, net als de bloemen in de vensterbank. “We eten rollade vanavond!” riep de moeder van Mike met iets meisjesachtigs in haar stem. We eten nooit rollade, dacht Mike. De broer van Mike gaf zijn vriendin een rondleiding door het huis alsof het zijn huis was en alsof hij wist hoe het in het huis werkte. De vriendin wilde alles weten. Ze vroeg of Mike echt speelde op de instrumenten in zijn slaapkamer. Mike vond het nogal logisch als je instrumenten in je slaapkamer hebt staan, dat je die dan ook gebruikt om op te spelen. De vriendin kreeg het grootste stuk van het vlees en ze smakte en hield haar vork raar vast met een soort buiging in haar pols. Mike vond dat helemaal niet nodig.  Soms werd er iets gezegd aan tafel en de vriendin lachte dan haar grote witte tanden bloot en begon te schaterlachen. Als de moeder van Mike iets vroeg antwoordde ze met volle mond terwijl ze onder de tafel haar hand op het been van de broer van Mike legde. De broer van Mike moest ook lachen om de dingen die aan tafel werden gezegd terwijl die dingen niet eens grappig waren.  De broer van Mike moest bijna nooit om dingen lachen. En zeker niet om dingen die aan tafel werden gezegd. Mike wilde ook wel een keer een meisje mee naar huis nemen zodat ze mee kon eten. Hij zou dan een meisje kiezen dat niet smakte en geen hand op zijn been legde en niet zou schaterlachen. Ze had een andere lach gehad, een zachte grinnik. Veel charmanter en eleganter dan de vriendinnen van zijn broer. Maar zulke meisjes zijn nergens te vinden. Als meisjes je vriendin worden leggen ze hun hand op je been en maken krullen in je haar. Ze kijken in je ogen en kijken niet weg tot dat jij weg kijkt of je knippert. Ze leggen hun handen in jouw handen en pikken je broer af en zijn een nep-broer met nagels en parfum. Ze vragen naar welke platen je luistert en ze vragen wat je lievelingskleur is. Ze vragen waar je aan denkt en waar je over droomt. Ze vragen je zo veel dat er niets meer overblijft. Net als met rollade. Ze aten nooit rollade. En zeker niet als Mike er om vroeg.   Toen er niets meer aan te veranderen viel: Wat hij het liefste zou willen zeggen, was iets over dat ze samen elkaars navels vergeleken, 's zomers in het gras. Dat hij hem gepest had met zijn navel omdat er zo'n bobbeltje op zat. Dat ze samen in de roeiboot naar de overkant van de sloot hadden geroeid en het dan leek alsof ze in een ander land waren terwijl hun moeder aan de overkant zwaaide en riep dat ze broodjes en soep konden halen maar ze deden alsof ze het niet hoorden. Dat hij een keer een tand door zijn lip had omdat hij achter hem had aangerend in het zwembad en toen op de grond viel. Dat hij heel hard moest huilen en werd uitgelachen maar ook werd getroost. Dat ze samen op de fiets naar het dorp gingen en ze daar met hun handen op de blote benen van meisjes hun eerste sigaret hadden gerookt. Dat ze waren verdwaald en niet bang waren geweest. Dat ze stenen gooiden op kippen en huizen maakten voor kikkers. Dat ze harten hadden gebroken en weer heel hadden gemaakt. Dat ze hadden gerend door steegjes, gepraat in de nacht en gehuild in de regen, want in de regen kun je dat niet goed zien. Dat zijn broer moest overgeven en dat eigenlijk niet grappig was en hij daarom maar zijn lach inhield. Hij had zijn broer bijna nooit uitgelachen, en zeker niet als het echt erg was. Toen hij op het podium stond en ze hem aankeken, moest hij iets zeggen over dat hij ze het beste gunde. Het gelukkige paar. Zijn broer en zijn vriendin. Man en vrouw. Iets over liefde en eeuwigheid. Bestemd zijn voor elkaar.               Maar wat hij het liefste zou willen zeggen,  was dat hij hem zou gaan missen. Maar dat had hij maar niet gezegd.  

Julia Dobber
2 0

Over soep en God

Met dank aan de pastorale werkgroep van de school, stappen we – meestal de dag voor de paasvakantie -met een grote groep jongeren zo’n twaalf kilometer door bos en heide. Het doel van waarschijnlijk de helft van deze groep is de Alma, waar een matig kopje koude soep op elk van ons staat te wachten (al kregen we ook broodjes, waardoor ik na enkele happen dacht dat mijn blokjes spontaan van mijn tanden vielen). Zoek me alsjeblieft iemand die nog tijdens het stappen door tijd heeft om zich te bezinnen en zich eens wat diepzinnige levensvragen te stellen… Het christelijke karakter van zulke activiteiten is vaak ver zoek. Het gesprekniveau tijdens zo’n wandeling bevindt zich ook steeds verdacht laag. Het was vorig jaar, na dat voormiddagje stappen, dat de godsdienstleerkracht opeens angstaanjagend zeker op me af kwam. Ik had mijn verdiend kopje soep nog niet gekregen en voelde me dus al snel wat ongemakkelijk. Hij nam me even apart en vertelde me dat hij op zoek was naar leerlingen die graag eens op de radio zouden komen, waarna hij me trakteerde op talloze complimenten. Het moet dat kleine, resterende stukje christen in mij geweest zijn dat toen voor het ja-antwoord zorgde. Er werd nog snel wat praktische informatie doorgegeven, waarna ik me met een glimlach op mijn gezicht naar de broodjes wendde. Het was de tweede week van de paasvakantie toen ik het mailtje van meneer Godsdienst in mijn inbox zag. Er werd van mij verwacht dat ik op de radio even wat uitleg kwam geven over ‘geloof op school’. Daarbij kwam ook nog eens dat het radiostation net hèt ultra-katholieke radiostation ‘Radio Maria’ bleek te zijn. Vanaf dan ben ik teksten beginnen schrijven, waardoor ik na enkele dagen dacht een nieuwe bijbel te hebben uitgevonden. Zinnen werden op elk moment van de dag – als er mij maar een idee te binnen sprong – opgeschreven op post-its of in notitieboekjes. Ik was, geloof me zeer, perfect voorbereid op wat mijn eerste radiodebat zou worden. Vader en ik namen onze fiets uit het fietsenkot en vertrokken richting het radiostation. Uiteraard ging mijn vader mee. De man is zelf al talloze keren op de radio geweest en was zeer geïnteresseerd in mijn visie op geloof.Het zal waarschijnlijk de stress zijn geweest en niet de fysieke inspanning, die maakten dat ik buiten adem aankwam op de plaats van bestemming. Het leek alsof even alles een complot was. Het dorpje had een veel te katholiek uitzicht, en de weinige voorbijgangers telden al zeker meer dan zestig levensjaren. Daarbij deed mijn reisgenoot/vader er nog een prachtig schepje bovenop door nog eens voor de zekerheid te vragen of ik wel gelovig ben. Ik ben zeer getalenteerd in het weglopen uit lastige situaties, maar ik had het gevoel hier niet meer weg te kunnen. De ademhaling versnelde nog wat en de zweetproductie kreeg een extra boost. Met alle respect voor mijn vader, maar de vraag ‘je bent toch niet nerveus hé’ had echt niet gehoeven... Na wat stappen met de fiets in de hand door het pittoreske dorpje, kwamen we aan bij het radiostation. Het bleek dat men er niets beter had op gevonden dan de radiostudio in een kerk onder te brengen. Het moment van totale wanhoop kwam er uiteindelijk toen een brave zuster de deur voor mij opende en vriendelijk goedendag zei. Ze keek me zo vriendelijk aan waardoor ik dacht dat ze me meteen een kruisje rond de nek ging laten dragen. Zelfs al was het moment van totale wanhoop al bereikt, het lot kent geen grenzen: meneer Godsdienst was er nog niet. Ik keek met bange blik naar mijn vader die op zijn horloge keek en met een knik duidelijk maakte dat we wel degelijk op tijd waren. Er zat niets anders op dan met de zuster aan een tafeltje te gaan zitten. Gelukkig lieten de radiopresentatoren nietlang op zich wachten. Ik luister heel graag naar mensen die het allemaal goed en mooi kunnen uitleggen en ik heb zeer veel respect voor het vak van radiopresentator, maar deze twee types waren in mijn ogen amper achttien jaar en werden meteen slecht bevonden. Ik ben geen mensenhater, dus om iets positiefs over de twee amateurradiomakers te zeggen: ze waren (gespeeld?) vriendelijk! Ze gaven me een plaatsje aan hun tafeltje en boden me wat te drinken aan. Ik dronk iets te snel, wat een hoestbui tot gevolg had. Maar ach, op dat moment kon het moeilijk nog fouter gaan. Na wat drinken en een o-zo pijnlijke stilte, vragen ze (het waren trouwens een jongen en een meisje) me mijn naam, mijn school en of ik al eens op de radio was geweest. Ik beantwoordde netjes en correct alle vragen maar vroeg me toch af of het niet aan hen was om dat al allemaal te weten… Van voorbereiding leek er dus totaal geen sprake, wat mijn mening over hen niet verbeterde en mij alleen maar nog meer stress gaf. Na een kwartiertje zorgden de andere radiogasten voor de verlossing. Een tweede leerlinge van onze school kwam eerst toe. Ik kreeg het idee even bij haar uit te huilen, wanneer ook meneer Godsdienst toekwam. Ook de technische staf, die bij dit radiostation uit één persoon bleek te bestaan kwam wat later toe. Het leek ook de gewoonte dat verschillende medewerkers hun veel te kleine kinderen ook meenemen, waardoor ik even niet meer goed wist of ik nu gevraagd was om te komen babysitten of iets zinnigs te komen zeggen… Alleszins, ik was al iets meer op mijn gemak in het bijzijn van de anderen, maar was ondertussen wel al volledig vast aan mijn stoel geplakt van het zweet. Ik ben er nog steeds heilig van overtuigd dat het de zuster van bij de ontvangst was die uit afkeer de verwarming op het hoogste niveau had opengedraaid. Zoals dat bij elk deftig radiostation gaat, volgde er voor het live-debat een korte briefing. Stomverbaasd dat men toch ietwat professioneel was, kreeg ik een blad met tekst in mijn handen gestopt. Ik las een tiental vragen en voelde in mijn zak waar mijn perfecte voorbereiding in zat. Ik keek boos en radeloos om me heen. Dit was niet afgesproken! Mijn vader was al druk aan het praten met meneer Godsdienst en zag me bijgevolg al lang niet meer zitten. Tien minuten. Slechts tien minuten kreeg ik van de amateurpresentatoren om een zinnig antwoord te formuleren (en zelfs niet eens te noteren) op een dertigtal diepzinnige levensvragen. Het toeval wou dat ze de vragen dan ook nog eens half in een taaltje hadden geschreven dat ik niet beheers, waardoor ik bijna een woordenboek moest vragen. En dan brak het moment bijna aan, de muziek speelde en de technische éénpersoonsstaf met wenend kind op haar arm gaf ons het signaal dat er nog vijf minuten restten. We begaven ons naar het geluidsdichte studiootje waar het zo mogelijk nog warmer was en zetten ons elk aan een microfoon. Het lot bleef me maar plagen, want er bleek geen hoofdtelefoon meer over te zijn voor mij. Dan maar zonder ten onder gaan… Omdat er op het blad zowel vragen voor een ‘ongelovige’ leerling als een ‘ongelovige’ leerling stonden, vroeg ik – me van niets bewust – wie die gelovige persoon dan wel mocht zijn. De collega-leerlinge van de school keek me aan en antwoordde stil ‘ik’. Alle ogen aan tafel waren op mij gericht en ik voelde me langzaam door de grond zakken van schaamte. De laatste seconden van het veel te katholieke orgelnummer kwamen zacht uit de boxen en we maakten ons klaar om te beginnen. De eerste minuten van het debat waren al niet te moeilijk voor mij. Ik moest enkel wanneer mijn naam werd genoemd, even kort goedendag zeggen. (waarschijnlijk zodat de luisteraars – overwegend propvolle rusthuizen – wisten dat ik er wel degelijk zat.) Na wat vragen aan mijn collega-leerlinge leek ik er niet meer onderuit te komen en begon depresentator mijn deel van de vragen (letterlijk) voor te lezen. Net voor ik antwoordde voelde ik een venijnige hoest opkomen en vervloekte ik mezelf voor het niet mee naar binnen nemen van dat glaasje water. In een waas antwoordde ik de meest belachelijke antwoorden met een stem die volgens mij een paar octaven te hoog gestemd stond. Dit kon ik uiteraard niet nagaan, ik had geen hoofdtelefoon… Het noodlot sloeg opnieuw toe wanneer ik even in debat moest gaan met meneerGodsdienst. De presentator stelde hem eerst een vraag. De logica wou dus dat ik mij niet moest bezig houden met het verzinnen van een antwoord, de vraag was tenslotte niet aan mij gesteld. Wanneer ik wat dromerig zat te kijken naar het Mariakaarsje met gebedskralen in het midden van de tafel, schoof meneer Godsdienst de vraag plots door naar mij. Moest het een gezelschapsspel geweest zijn, dan had ik sowieso een extra kaart moeten bijnemen. Het enige antwoord dat ik kon verzinnen was vragend naar meneer Godsdienst kijken en een ‘euhm’ aanhouden. Het debat kwam gelukkig snel aan een eind (waarschijnlijk door de vele klachttelefoontjes over de studiogasten van die dag…) en we verlieten gestaag het studiootje. Ik had zoveel zin om gewoon op de fiets te springen, door de velden te rijden en mijn ogen even toe te doen. Maar de vrolijke zuster van bij het onthaal kwam nog met een grote slagroomtaart binnen, die helemaal op moest worden gegeten (‘we gaan dat nu toch niet laten liggen hé’). Na enkele happen voelde ik – zoals ik al verwacht had – een migraineaanval opkomen. Ik pakte mijn jas, gaf meerdere tekens aan mijn vader, gaf iedereen nog vriendelijk een hand en haastte me naar buiten. In complete stilte ben ik met de wind door de haren naar huis gereden. Het enige wat ik tijdens het fietsen kon doen, was lachen. Thuis kreeg ik een kop degelijke soep en een teleurgestelde moeder. Ze had de juiste frequentie niet gevonden en het hele debat gemist. ‘Heb ik iets gemist?’ (*) De werkelijke namen worden niet vermeld, omdat deze er gewoonweg niet toe doen. Simen, 2015

Simen
0 0

Anna's rozen

"Weet je zeker dat het hier is?" "Nog een beetje verder, we zijn er bijna." Mijn dochter zucht theatraal. Even verwachtte ik dat ze zou protesteren, maar tot mijn opluchting gaat ze zwijgend verder. Met haar ene arm houdt ze mijn krukken vast, met haar andere ondersteunt ze mij. Ik bengel als een slappe lappenpop naast haar. Hoewel zij mijn uitgemergelde lichaam goed ondersteunt, doet elke beweging pijn. Onwillekeurig vraag ik me af wat het gemakkelijkste zou breken: een arm, een rib of een heup? Of misschien scheuren spieren gemakkelijker dan botten breken? De vraag verdwijnt al snel naar mijn achterhoofd, wanneer ik de oude eik herken. "Hier linksaf," geef ik aan. "Hoe kan dat nu? Mam, daar is helemaal geen pad! Nee, we gaan onmiddellijk terug. Dit is gekkenwerk! Ik kan niet geloven dat je me hiertoe hebt aangezet! Waar zijn we in godsnaam beland!" Ze snuift luid door haar neusgaten. Ik ken mijn dochter goed genoeg om haar monoloog niet te onderbreken en haar te laten uitrazen. "Kom, kom, lieverd. We zijn er bijna. Hier linksaf." Ik spreek rustig en zelfzeker. Mijn dochter kijkt me onthutst aan, maar komt wel weer in beweging. Met mijn krukken duwt ze takken van een heldergroene struik aan de kant. Samen staren we de dichte begroeiing in. Na nog een laatste klaaglijke zucht, stapt ze zijwaarts het struikgewas in, mij naast haar meeslepend. We bewegen ons traag door de groene wildernis. Ik ben zo in gedachten verzonken, dat ik enkele keren bijna struikel over wortels van de bomen die her en der staan. Gelukkig houdt mijn dochter me stevig vast. Met een abrupte beweging die mijn lichaam doet schokken, komen we tot stilstand wanneer we eindelijk de houten constructie van de hut zien. Mijn ogen vullen zich met tranen bij de aanblik van het gammele hutje. Ik word overspoeld met herinneringen. Mijn hart gaat sneller slaan. Het lijkt alsof elke hartslag zijn naam schreeuwt. Leon, Leon, Leon. Ik heb er nooit over getwijfeld dat de hut er nog zou zijn, maar al snel besef ik dat de belangrijkste plaats uit mijn leven, de tand des tijds maar net overleefd heeft. Nu ik ons stulpje van dichtbij bekijk, verwondert het me een beetje dat het nog steeds overeind staat. Het oogt alsof het zou kunnen bezwijken onder de kleinste windvlaag. Maar hetzelfde zou van mij gezegd kunnen worden, en ik ben er ook nog. "Laat me nu maar even los," gebied ik mijn dochter. Ze laat mijn broze lichaam voorzichtig los en ondersteunt me tot ze zeker weet dat ik stevig op mijn benen sta, waarna ze me de krukken overhandigt. Onhandig maar vastberaden beweeg ik me naar de deur. Met een kruk duw ik ertegen, waarna deze al piepend opengaat. Samen met mijn hartslag versnelt mijn ademhaling. Even vraag ik me af of mijn lichaam het dan eindelijk zou begeven, hier aan de deurpost van onze hut. Zo dichtbij, maar net niet. Het zou me niet verwonderen, besef ik. Hier terugkeren na al die jaren, had altijd iets onrealistisch geweest. Een onmogelijke droom, waaruit ik elk  moment zou kunnen ontwaken. Ik  wacht geduldig tot mijn ademhaling tot rust gekomen is en stap dan binnen. Als aan de grond genageld sta ik in het hutje. Ik sluit mijn ogen en snuif. Alles hier ademt zijn geur uit. Mijn adem stokt en mijn ogen openen zich wanneer mijn dochter achter mij mijn heiligdom betreedt. Ze stapt achteloos ons stulpje binnen:  haar voetstappen maken te veel lawaai, ze schraapt nerveus haar keel en neemt alles nieuwsgierig in haar op, alsof dit niet het grootste geheim is dat ik heb.  Een geheim dat ik al die jaren gekoesterd heb, maar haar ook toebehoort, besef ik. "Lieverd, geef me mijn tasje eens aan?" Zonder tegenpruttelen laat ze mijn tasje van haar rug glijden en overhandigt het me. Wanneer ik stabiel genoeg sta, geef ik haar de krukken in ruil. Ik open het tasje en haal de kaars en de aansteker tevoorschijn. Ik voel de nieuwsgierige blik van mijn dochter op mijn huid branden.  Hoewel het niet donker is in de hut, ontsteek ik de kaars en plaats hem in de kandelaar op het tafeltje dat voor me staat. "Dit was ons plekje. Ons geheim." Ik fluister de woorden voor mij uit, meer voor mezelf dan voor mijn dochter, hoewel ik me er bewust van ben dat zij elk woord nauwlettend opneemt. "Dit is het dorp waarin ik mijn jeugd heb doorgebracht. Hier heb ik de liefde van mijn leven ontmoet.", vertrouw ik haar toe. "Ja, in het witte kerkje waar we daarnet langsreden, trouwde je met vader. Dat weet ik toch? Je vertelde me dat verhaal al honderd keer en..." Haar ogen ontmoeten de mijne. Iets in mijn blik brengt haar tot zwijgen en doet haar naar adem snakken. "O." Mijn dochters lippen hebben dezelfde vorm als het geluid dat ze produceren. Ze heeft het eindelijk begrepen, besef ik. "Nee, lieverd. Dit verhaal heb ik je nog niet verteld." Ik heb het nooit iemand verteld, voeg ik er in gedachten aan toe. Ik werp haar een knipoog toe en voel hoe mijn wangen kleuren. Ik neem plaats op één van de oude stoeltjes aan het tafeltje. Het harde met de hand vervaardigde meubelstuk voelt vertrouwd aan. Mijn dochter neemt plaats op de andere stoel. "Zijn naam was Leon. Leon Biest. Ik was zestien toen ik hem ontmoette, hij was een jaar of twee ouder dan ik. We waren dolverliefd. Mijn liefde voor hem was zoals ademhalen: heel natuurlijk, en bovendien levensnoodzakelijk. We waren zo gelukkig, zo jong, zo wild. Maar natuurlijk keurden mijn ouders het niet goed. Vader was razend. Moeder wilde het er niet eens over hebben. Een Biest, daar wilde ze écht niets mee te maken hebben. Ah, ik begrijp het wel, hij was ook zo'n boef." Ik grinnik. Mijn dochter kijkt me verbijsterd aan, alsof ze niet kan geloven dat haar timide moeder een grinnik kan produceren. "Een boef?""Geen echte crimineel natuurlijk, hoogstens wat kattenkwaad. Hij had toen zo'n jobje als boodschappenjongen, waarbij hij met de fiets urenlang van her naar der moest om bestellingen op te nemen of materialen te leveren. Toen hij op zijn eerste werkdag platte band had en een fiets had gestolen om zijn route verder te zeggen, had hij natuurlijk meteen naam gemaakt. De hele dag door het dorp fietsen op een gestolen fiets, dat ging niet onopgemerkt voorbij! Dat het de fiets was van de priester, was natuurlijk brute pech. En al die keren dat we aangesproken werden door mensen die we niet eens kenden! We konden nergens ongestoord samen heen! Hij had de onhebbelijke gewoonte om tuinen te betreden en kledij van wasdraden te stelen. Die droeg hij dan ongegeneerd in het openbaar! Ik kan je wel vertellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Ik zat er steeds weer mee verveeld dat we werden aangesproken omdat hij de een of de andere mans broek of jasje droeg, maar hij niet. Voor hem was alles een soort grap. Hij was volkomen zorgeloos." De herinneringen aan zijn kwajongensstreken en zijn roekeloosheid, brengen vreugde in mijn hart. Het is lang geleden dat ik me zo licht en vrolijk gevoel had. Het voelt weer net als toen, zelfs na al die jaren. "En daarom bouwden jullie dit hutje? Omdat jullie niet meer in het openbaar konden samenkomen?" "Nee, 'tuurlijk niet. Dat was pas toen ik je vader huwde." "Wist vader...?" "Nee, hij heeft het nooit geweten. Bernard was zo'n lieve, oprechte man. Het was niet eens bij hem opgekomen dat ik niet zo was. Ik voelde zoveel genegenheid voor hem, dat het voor hem ook niet moeilijk was om te geloven dat ik hem liefhad. En natuurlijk was dat ook zo: ik hield van Bernard. Zelfs nu hij al bijna elf jaar dood is, hou ik nog steeds van hem. Maar niet zoals ik van Leon hield. Niet zoals ik nog steeds van Leon houd." Ik kijk naar mijn enige dochter, mijn oudste kind. Ik heb haar gedragen, gebaard en haar leven lang gekoesterd. Ik heb altijd meer van haar gehouden dan van de jongens, al mag een moeder zulke dingen eigenlijk niet denken. Haar hele leven heb ik haar dichtbij me gehouden. Als kind was dat gemakkelijk, maar ook toen zij Tobias huwde en zelf kinderen kreeg, bleef ik erg bij haar leven betrokken. Ik denk soms dat ik haar beter ken dan zij zichzelf kent. Hoewel we als dag en nacht van elkaar verschillen, voel ik een sterke verbondenheid. Haar driftbuien, het onblusbare vuur dat in haar huist, haar hart dat op het puntje van haar tong ligt, haar impulsiviteit. Eigenschappen die ik zelf niet heb, maar door en door bij haar ken en koester. Maar op geen enkel moment had ik dit meegemaakt: ze staarde me aan, sprakeloos. Totaal verbijsterd. Mijn mondige meisje. "Toen mijn ouders me dwongen om me te verloven met Bernard, beloofde Leon me dat hij een hut in het bos zou bouwen om samen heen te vluchten. Een toevluchtsoord waar we nooit ontdekt konden worden. Natuurlijk wist ik ook wel dat we niet de rest van ons leven onontdekt in een hutje konden wonen, maar ik was jong en ongelooflijk verliefd op hem. Ik zou hem overal heen gevolgd hebben. Ik zou de verloving afgeblazen hebben of niet opgedaagd zijn op mijn eigen huwelijk. Alles zou ik gedaan hebben, om samen met hem te zijn." "Maar waarom ben je dan met vader getrouwd? Wat gebeurde er?" Ze zit op het randje van haar stoel. Haar ogen, wijd opengesperd uit nieuwsgierigheid, kijken me doordringend aan. "Mijn moeder werd ziek. Dat veranderde alles. Hoewel ze niet had ingestemd met mijn relatie met Leon, was zij me zeer dierbaar. Ik hield zo van haar. Toen ze me op haar sterfbed vroeg om Bernard te huwen, kon ik niet weigeren. Dus huwde ik Bernard. En dat was dat. Dat dacht ik toen toch." Ik adem enkele keren diep in en uit, maar wanneer ik zie dat mijn dochter me brandend van ongeduld aanstaart, ga ik snel verder. "Leon bouwde de hut die hij me beloofd had. En weet je, mij lieve dochter, ik ben altijd heel gelovig geweest, net als mijn ouders. Ook als kind hield ik me trouw aan de Christelijke waarden. Ik leefde volgens mijn geloof. Tot ik iets ontdekte dat krachtiger was. Mijn liefde voor Leon was zo onloochenbaar, dat ze mijn Christelijke waarden oversteeg. Het hutje was exact één dag voor mijn huwelijk klaar. En het was hier dat ik mijn echte huwelijksnacht doorbracht, waarna ik in de vroege ochtend het ouderlijke huis binnensloop om als een brave verloofde op mijn toekomstige echtgenoot te wachten. Bernard pikte me op, we trouwden in het witte kerkje dat ik je daarnet aangewezen had en daar zou het bij blijven. Dat had ik mezelf voorgehouden, in overeenstemming met de belofte die ik mijn moeder had gemaakt. Maar natuurlijk bleef het daar niet bij. Ik merkte al snel dat ik zonder mijn grote liefde maar een half leven leidde. En er kwamen meer momenten in de hut. Ik keerde terug, hij keerde terug. We zagen elkaar hier, kusten elkaar, hadden elkaar lief. Of we misten elkaar. Wanneer één van ons hier was zonder de ander, ontstaken we een kaars. Als je dan bij binnenkomst in de hut de brandende kaars aantrof, wist je dat de ander hier niet lang geleden geweest was. Dat hij voor jou gekomen was en je gemist had. Dat hij aan jou gedacht had. En dan werd je helemaal warm vanbinnen. Leon liet naast de kaarsen ook steeds rozen voor me achter. Hoewel ik toen niet om bloemen gaf, net omdat ze zo snel verwelkten, deed het me veel plezier dat hij die dingen speciaal voor me uit anderen hun tuin plukte. Dat hij die risico's voor mij nam, voelde heel bijzonder." Ik kijk mijn dochter trots, maar ook wat beschaamd om mijn ontrouw aan. Ik weet dat ze ondanks haar impulsieve karakter, haar man nooit zou bedriegen. Dat ik, de rustige, timide vrouw, dat toentertijd herhaaldelijk heb gedaan en dat openlijk toegeef, lijkt haar niet van haar stuk te brengen. Haar levendige ogen kijken me nieuwsgierig aan. Ik zie hoe ze zich probeert voor te stellen hoe het toen was. De passie, de liefde die sterker was dan alle waarden waar ik waarlijk in geloofde, het avontuur. Ze is altijd heel pienter geweest, ook als kind al. Ik vraag me af wat er achter haar schijnbaar rustige gezicht schuilgaat. Hoeveel heeft zij begrepen uit mijn verhaal? Mijn oogappel, die ik altijd gekoesterd en aanbeden heb. Mijn Rose, die altijd wat vuriger geweest is dan haar broertjes. Wanneer haar ogen, die dezelfde tint groen zijn als die van Leon, me aanstaren, vraag ik me af of ik wil dat ze het weet. "En toen?" "Na mijn huwelijk werd ik heel snel zwanger. Zodra mijn zwangerschap zichtbaar was, kwamen er steeds minder kaarsen en rozen. Hij hield nog steeds van mij, dat zag ik in zijn ogen, maar mij zwanger zien, te wéten dat ik Bernards kind droeg, was voor hem te pijnlijk. Hij kon het niet aanzien. Mijn zwangerschap maakte het zichtbaar dat ik niet de zijne was." "Je herinnert het je niet, maar je bent hier eerder geweest." De bekentenis die ik haar maak, verrast me. "Toen ik net van jou bevallen was, nam ik je mee hierheen. Ik weet niet wat ik van plan was. Wat ik zou zeggen. Welke beslissingen ik zou nemen. Het was een impuls." "En wat gebeurde er?" Rose kijkt me bedachtzaam aan. "Niets. Er gebeurde niet. Hij was er niet. Na jouw geboorte, kwamen er geen kaarsen meer. Geen rozen. Geen Leon. Ik keerde terug, zo vaak ik kon verbergen, jarenlang. Tot Jamie geboren werd. Na de geboorte van je broer, heb ik me gesteld in mijn huwelijk. Ik heb er toen op aangedrongen om te verhuizen naar de andere kant van het land. Het deed je vader verdriet om onze geboortestreek te verlaten, maar hij weigerde niet. En zo verhuisden wij zonder duidelijke reden, met onze twee jonge kinderen. Henry werd pas anderhalf jaar later geboren." Roses vragende blik kruist de mijne. Ik lees zoveel twijfels in haar ogen. Zoveel onbeantwoorde vragen, zekerheden die plots wegvallen. Het doet me pijn om haar zo te doen wankelen, maar anderzijds  is het een opluchting dat ze eindelijk de waarheid kent. Het is een verademing dat ze mijn diepste geheim kent. Eindelijk kent ze mij, zoals ik echt ben. Het zal tijd vergen, dat weet ik, maar ik ben er gerust in dat deze nieuwe informatie haar zal helpen ook zichzelf beter te leren kennen en te aanvaarden. "Mam, ik denk dat het tijd is om te gaan, het wordt al bijna donker en we hebben nog een lange autorit voor de boeg." Ik knik. Ik buig voorover en doe iets wat ik nooit eerder gedaan heb: ik blaas de kaars uit. Ik weet dat Leon niet terug zal keren en ook ik zal dat niet doen. Ik neem mijn dochters hand vast en neem de laatste roos die hij me schonk voorgoed mee uit ons toevluchtsoord.

Fuaran
0 0