Lezen

Kantoor

De vergaderzaal is zielloos. Witte muren, geen ramen. Een licht zoemende klimatisatie-systeem zorgt voor de gepaste Soundtrack. Zacht monotoon gezoem waarlangs elk beetje zuurstof langzaam wordt afgevoerd. Enkel verstikkende lucht achterlatend, kweekvijver van barstende hoofdpijn en koppig darmflora. De muren zijn wit geschilderd. Symbool van onschuld, kalmte. Geassocieerd met goddelijkheid en perfectie. Wat een grap. Het is een daad van ongebreideld sarcasme om vergaderzalen wit te schilderen. Wit zou zich zwaar beledigd moeten voelen. Alle symboliek die ze wordt toegeschreven elke keer weer opnieuw verpletterd door een doodse kudde vergaderende wezens. Een complete donkere kamer past beter als vergaderzaal. Zoveel mogelijk zintuigen uitgeschakeld. Voordeel is dan ook dat de zorgvuldig uitgekozen, op hun lelijkheid en hun compleet gebrek aan inhoud ,kunstwerken niet te zien zijn. Het duurde drie werkgroepen en één poll alvorens de verschrikkelijkste creaties werden uitgekozen. Het zijn ingekaderde kadavers van compleet mislukte schepsels, die meer functie hebben als laxeermiddel dan als wandversiering. Nu ik er over nadenk, een hoop uitgesmeerde uitwerpselen was een veel betere optie geweest. Het meubilair in de vergaderzaal is apathisch.  Symbool van deze plek. Het ziet er vanop afstand behoorlijk uit. En eigenlijk zou het daar moeten bij blijven. Dit bedrijf koopt enkel materiaal dat vanop een afstand enige waarde en nut schijnt te hebben. Zodra je dichter komt, en de ware aard van de dingen naar boven komt, slaat de gelatenheid je met een kletsnatte dweil in het gezicht. Eens je in de persoonlijke ruimte van het meubilair komt is echt alle hoop verloren. De tafels schijnen van karton, de stoelen papier-maché. Een blackboard waar een hele geschiedenis van vergaderen op af te lezen valt. Elke vergaderleider is opgewonden om zijn nonsens op het bord te schrijven, lucht uitgeschreven in vier kleuren. Hun neergepende gevoeg verwijderen kunnen ze niet, alsof ze een deel van zichzelf zouden uitwissen. Iets waar ik altijd weer vurig op hoop, dat ze zichzelf uitwissen. De flip-overs zijn aan de magere kant. Elke keer opnieuw. Twee blaadjes nog en dan niets meer. De oeroude verlichting, ondertussen in drie verschillende varianten van pipi-geel, omsingelen mij alsof ze in plaats van licht zure regen over me heen druppelen. Het is een hel, waar door sadistische dik betaalde boosdoeners, heel lang is over nagedacht. Hoe krijgen we de wil van de leidinggevende zo snel mogelijk wet voor zijn ondergeschikten? We richten een ruimte zo in dat de ondergeschikten bereid zijn om hun ziel te verkopen om zo snel mogelijk uit die ruimte kunnen. Alle vergaderzalen, waar ik al als samengedreven vee richting slachthuis een glimp van de hel opving, hebben geperforeerde plafondpanelen. Respectievelijk, volgens de grote van de vergaderzalen, zijn er in de gehele oppervlakte van het plafond 12574 perforaties, 8941 perforaties en 4210....

Piet V.
21 1

Entre chiens et loups

Ik lig in de hangmat en doe een poging om het lawaai van de auto’s die op de kasseibaan omhoog klimmen te negeren. Drie seconden stilte, meer krijg ik niet. Ik hou het niet. Ik word knettergek van dat constant lawaai. En nu? Heb ik nu alles opgegeven voor rust in mijn hart en krijg ik constant lawaai in mijn hoofd in de plaats? Exact zes maanden geleden veranderde een uitnodiging voor een wandeling in het parkbos mijn leven. Ik had hem twee jaar eerder ontmoet, als het lief van mijn zus. We stuurden om de paar maanden eens een berichtje en hij kwam een aantal keren langs op mijn werk in functie van zijn werk. Ik werd warm en blij van de bezoekjes. Maar meer was het niet maakte ik mezelf wijs, ook niet toen hij mijn zus verliet. En toch liet ik twee maanden na die wandeling in het park de partner waar ik 23 jaar mee samen leefde en de straat waarin ik 45 jaar had gewoond achter omdat die ontmoeting veel meer was, misschien wel alles. De eerste dag dat hij mij meenam naar zijn woning was mijn reactie “waaaaw, wat een uitzicht”. Ik voelde mij een beetje Heidi in de bergen, zeker als het donker werd en de lichtjes van de stad beneden aan de berg verschenen. Vandaag kijk ik vanuit mijn hangmat naar dat uitzicht en probeer ik het binnen te laten, maar alleen het lawaai komt binnen. "Focus! Filter het lawaai toch gewoon weg", zeg ik mezelf. Ik concentreer mij op de twee bomen met een bankje tussen. Rechts ervan de eerste witte bloesems en iets meer op de achtergrond een geveerde boom. Ik bedenk dat ik graag alle bomen bij naam zou willen kennen. De kruin waait wat open en de wind brengt ook het grasveld van de boer in beweging. Mijn ogen genieten, maar mijn hersenen willen niet mee. Het geluid van de auto’s is er nog steeds. Ik bedenk een plan om dat geluid te stoppen. De stad een brief sturen om de snelheid te minderen, nog hogere bomen plaatsen, leuke plakkaatjes op de weg zetten zodat de bestuurders automatisch vaart minderen of elke dag mijn toekomstige schapen loslaten. Mijn blik verplaatst zich naar de vijver. Misschien moet ik onder water gaan en daar blijven. Dan stopt het geluid eindelijk. De vijver is donker, vol gevallen takken en gifgroene wieren. De kikkers die dagen geleden op elkaar zaten zijn niet meer te horen of te zien. De zwarte ondergrond heeft hun wellicht opgeslokt. Alleen hun nageslacht drijft nog aan de oppervlakte. Dat nageslacht wordt elke avond uiteen gedreven wanneer een eendenkoppel landt om er de nacht door te brengen en er binnenkort ook nageslacht achter te laten. Naar die gele donsjes kijk ik uit, naar kleine groenzwarte kikkertjes ook, maar niet naar de vele lijkjes die dan in het gras en op de oprit achterblijven en ook niet naar het verdriet wanneer een geel donsje het toch niet blijkt te halen. Ver achter de vijver staan gigantische bomen die het geluid niet tegenhouden. Hun kale kruin met dikke donkere kronkelende takken zien er bij avondlicht een schilderij van de Latemse school uit, maar bij daglicht doet het me eerder denken aan de horrorversie van sneeuwwitje. Sneeuwwit was het hier enkele maanden geleden. Ik hou van elk seizoen, maar als er sneeuw ligt en de zon de hele dag aan een helblauwe hemel staat kan mijn geluk niet op. Ik denk terug aan die dag hoe we uren door de sneeuw de voor mij nieuwe omgeving verkenden. Volkomen gelukkig, niet wetend wat er ging komen en nog niet goed beseffend hoe hard het gemis plots zou binnen komen. Zoals vanavond. En daarom lig ik in de hangmat. Net zoals jaren geleden toen er maandenlang mist mijn hoofd werd ingeblazen en ik werkonbekwaam werd verklaard. Echt bekwaam ben ik niet meer geworden. Op mijn nieuwe werk viel dat niet op. Maar ik wist het, er was iets kapot. Kapot was ook mijn relatie, al van in het begin. Met wat positivisme, relativeringsvermogen en vele kleine gelukjes zijn we toch 23 jaar ver geraakt.  Ik draai me op mijn buik zodat mijn rug omgekeerd kan rekken. Ik probeer mijn lief achter het raam te zien, wil hem eigenlijk graag bij me, maar hij moet werken en ik niet, ik ben werkloos, voor de tweede keer. Qua timing hebben ze dat goed gedaan bij ’t stad. Ik had nog maar net aangegeven dat mijn werk mijn houvast was in de periode van de scheiding of ze kondigden al mijn C4 aan. Bad getimed zijn ook mijn dipjes, mijn gemis, mijn verdriet, mijn thuisloos verdwaald gevoel. Dat zei mijn lief. Bad omdat ze opduiken zodra ik in bed zit. In bed wil hij slapen. Als ik gevoelens kon timen had ik de afgelopen twee jaren vast geen tranen gelost op de bus, was ik niet verliefd geworden toen hij twee jaar geleden gehurkt naast mijn bureau op mijn scherm meekeek, had ik nog voor de eerste woede mijn vorige relatie stop gezet. Maar gevoelens zijn niet te timen. De stand van de maan wel. En vanavond staat ze daar als helder fijn lijntje. De lucht krijgt weer alle kleuren alvorens over te gaan naar donker. Dit is mijn favoriet moment van de dag, entre chiens et loups. Ik kan beginnen met uitkijken naar de nacht. Dan wordt het eindelijk stil buiten. En met een beetje geluk ook in mijn hoofd.

Fien SB
32 3

Vijfentwintig

Aan nummer 25 houd ik halt en ik puf nog even na.  op mijn wandelstok tuur ik naar het huis en de tuin.  De zon schijnt op de tuinstoelen waar ooit de waterpomp had gestaan.  De exotische plantensoorten staan op de plek van de radijzen, rode kool en bonen van weleer.  De immer piekfijn geknipte haag heeft plaats geruimd voor een hek. 25 jaar heb ik hier gewoond. Lief en leed gedeeld. De liefde bedreven met Amalia, twee kinderen zien geboren worden en groot gebracht, met mijn pijnlijke rug uren naar het plafond gestaard in het bed op de harde matras. Geboekt, gekucht, mijn longen verkloot, bijna achtergelaten voor dood. Mijn god, wat is me dit…. Ik puf, ik zucht….ik krom mijn rug. Een man van rond de 40 komt de zijdeur uit, een open hemd met weelderig krullend borsthaar, op zijn schouders een lachend kind met donkere krullen.   Ik slik, net ik, iets na mijn aankomst, toen. De man kijkt me nieuwsgierig aan en zegt ‘kom vadertje, zet je even neer. Gaat het wel?’ Ik slof het grindpad op.  ‘Stefano’, zegt de man en strekt zijn hand uit. Ik grijp zijn hand en zeg ‘Elias’. De kleine jongen imiteert me en zegt met diepe stem ‘Elias, Elias, Elias’. En hij steekt laconiek zijn hand uit en zegt ‘Alexis’. Ik neem de hand aan en lach. ‘Wa make, Elias. Wa make?’, zegt de jongen guitig.  Met pretlichtjes in de ogen zeg ik ‘Calimero Alexis’. ‘Papa, Elias spreekt Grieks, zoals opa!’ ‘Ja, Alexis’, zegt Stefano tegen zijn zoon en naar mij ‘Calimero Elias. Vertel me eens wat je hier brengt. Nee wacht, zwijg uw lip, mijn vriend, ik haal even iets om te drinken, want ik denk dat je hier nog niet onmiddellijk weg bent.’ Stefano verdwijnt in het huis en Alexis huppelt in het gras en loopt een vogel achter na. Die trippelt eerst en besluit dan toch weg te vliegen. Ik kijk geamuseerd toe. Puf nog na van de Vennestraat, waar ik niet meer geld kon gaan verkwanselen aan wat bier en vertier. Met al dat lawaai en die snelle rijtuigen. Heel wat anders dan toen. Toegegeven, geen gebrek aan lawaai toen, in die mijnschachten, houwelen, geratel van kettingen en karren, maar toch, anders. Ik word uit mijn mijmeringen en overpeinzingen gehaald door twee stevige smakken op de tafel. De eerste smak is van een karaf water en een tweede van, hoe kan het ook anders, een stevige fles ouzo.  ‘Ja, vadertje, ik geloof dat je wel een opkikkertje kan gebruiken, voor dat je hier van wal steekt met je verhaal. Hoewel ik je niet ken, heb ik het gevoel dat geest hier niet geheel vreemd is'. ‘Daar zeg je wat, Stefano, in dit huis hier….’ Mijn stem stokt, ik moet ze smeren, zo blijkt. Met een stevige slok verdrink ik mijn krop en met een stevige smak zet ik het lege glas op tafel. ‘Wel’, schraap ik mijn keel ‘en ….’   Schrijfdag Genk, wandeling mijnverleden met Leen Raats, 29/03/2025

Arabella Renée Rosée (A.R.Rosée)
19 1

Haarfijn Verweven

‘Goede reis, zusjes Ashford.’ De priester buigt zijn hoofd in respect naar de kisten voor hem. Hoewel er prachtige bloemstukken op het hout lagen is er nu enkel een hoopje verloederde takken en uitgezopen blaadjes te zien. De regen heeft al het moois uit de ceremonie gehaald, het kerkhof in een modderpoel veranderd, en de tranen van de moeder verdoezeld alsof het de spot met haar drijft. Druppels glijden over mijn gezicht terwijl ik me langzaam van het tafereel losmaak. Er komen nog gebeden, de kisten zullen ter aarde worden neergehaald en de familie zal aan de reis van acceptatie beginnen. Een reis waar geen enkele ouder zich ooit klaar voor voelt, een reis die nooit is afgelopen. Eentje waar ik niet bij moet zijn. Met gebogen hoofd en een delicaat pakketje onder mijn mantel verstopt kruis ik Prixon door. Tussen mistige steegjes, scheve huizen en donkere pubs zoek ik mijn bestemming op. De zon is inmiddels ondergegaan, maar dat deert me niet. Als je met de doden werkt, werk je best in het donker. Eens ik in mijn werkruimte ben, schud ik mijn mantel van me af. De kaarsen flikkeren wanneer ik ze aansteek, alsof het vuur protesteert tegen de slaap die ik ze heb afgenomen. Buiten raast de wind aan me voorbij, maar binnen warmt het op. Het haardvuur, wat bij mijn aankomst niets meer dan smeulende kooltjes was, knapperd weer. Glimlachend staar ik naar de houten blok die ik erop gegooid heb. Het vuur verteert het, maar geeft er me iets mooi voor terug; een warme gloed die van de gepolijste vloerplanken vertrekt en zich helemaal tot op de donkerpaarse muren uitstrekt. Tot op de werkbank, waar het pakketje ligt te wachten. Mijn handen jeuken om het open te scheuren en ermee aan de slag te gaan. Onder het waakzaam oog van fluisterende schaduwen baan ik me een weg door mijn werkruimte. Mijn rokken glijden over het parket, mijn korset duwt tegen mijn ribben. Delicaat pruts ik het papier open, tot de inhoud zich voor me uitstrekt. Twee bundeltjes zachte haarlokken glimmen in de gloed van het haardvuur. Donkerbruin, maar verschillende tinten. Anne Ashford had kastanjebruin haar, terwijl Ellen iets meer mahoniehouten tinten droeg. Een verschil dat, eens ze samengeweven zijn, enkel op te merken is onder een bepaalde lichtinval. Een koude wind waait door de kamer, brengt een rilling met zich mee. Ik sluit mijn ogen en glimlach. Ze zijn er. Veel tijd om erover na te denken heb ik niet. Ik begin meteen met het klaarmaken van de haarlokken, die ik op vraag van mevrouw Ashford tot een prachtige broche zal weven. Zodra ik alle benodigdheden heb verzameld, waaronder een messing omhulsel dat de basis van de broche zal vormen, kam ik de haren tot ze stijl zijn. Mevrouw Ashford vroeg om een simpel design, dus heb ik gekozen voor een dubbele draai kettingvlecht. Een mooi symbool voor de zusjes. Met precisie scheid ik de haren tot ik achttien verschillende bundeltjes heb die elk tachtig haren tellen. Negen bundeltjes komen van Anna, en negen van Ellen. Mijn handen vormen hun eigen soort momentum. Met schaduwen die over mijn schouders meekijken positioneer ik de haren op de vlechttafel en volg ik het patroon dat ik inmiddels vanbuiten ken. Anna en Ellens haren worden verweven tot een prachtig kunstwerk, zoals het leven en de dood met elkaar verweven zijn. Zeker hier, in Prixon. Wanneer de eerste zonnestralen mijn werkbank bereiken en het vuur wederom tot smeulende kooltjes is afgekoeld, is de broche klaar. Ik staar naar mijn werk, mijn borst opgezwollen van trots en voldoening, en mijn ogen zwaar van vermoeidheid. Een koude hand maakt contact met mijn schouder. Mijn glimlach verdiept, want ik weet goed genoeg wie het is dat me komt storen. Zodra ik me omdraai staar ik in het gezicht van een tienermeisje, gekleed in haar mooiste jurk. Haar mond staat open in een schreeuw en haar handen rijken naar me, maar ik hoor of voel niets. Naast haar staat hetzelfde exemplaar, maar dan iets jonger. En hun haren? Die zijn in elkaar gevlochten, alsof ze geboren zijn als een Siamese tweeling. Onafscheidelijk in het leven, onafscheidelijk in de dood. De zusjes staan voor een heel arsenaal aan geesten. Iedereen wiens haarlokken mijn vlechttafel aangeraakt hebben. Mijn kunstwerken. Allen staren ze me aan. Woedend, verdrietig, ontzet. Ik glimlach naar de twee meisjes, de nieuwe aanwinst in mijn collectie. ‘Welkom, zusjes Ashford.’

Gwenn Meert
56 0

De bovenburen

De bovenburen   Ik ergerde mij dood aan de bovenburen. De maat was vol. Vroeger ben ik regelmatig aan de deur geweest om te klagen en heb briefjes in de brievenbus gestopt. Ook heb ik met de bezemsteel tegen het plafond gebonkt, maar niets hielp. Ik heb vele malen de politie gebeld. Zij hebben die aso’s een paar keer gewaarschuwd maar ook dat hielp niet. En daar sta je dan als alleenstaande vrouw in  een woestijn van hulpeloosheid, overgeleverd aan de grillen van door inteelt gevormd asociaaltuig.    Mijn leven is een grote rotzooi geworden. Door hun toedoen heb ik allerlei kwalen gekregen. Zoals depressies en een haperende schildklier. Ik ben al een hele tijd in de overgang, maar sinds de ellende met die debielen zijn mijn opvliegers heviger en komen ze veel vaker voor. Zelfs mijn dildo’s heb ik in geen tijden meer aangeraakt. Ik wil hier weg, mijn huis staat al een tijd te koop. Er zijn een aantal kijkers geweest. Ik hoopte dat het tuig van boven er niet zou zijn. Pech. Na vijf minuten waren de belangstellenden weer weg.  Van narigheid heb ik toen een hele flessherry leeggedronken. Sherry was het enige dat mijn leven nog dragelijk maakte. Ik was van verschillende kanten gewaarschuwd om het niet te bont te maken, maar ik kon het niet laten. Alcohol was voor mij een deken waaronder ik mij veilig voelde.   Vorig jaar heb ik een bureau ingeschakeld dat bemiddelt in dit soort gevallen. Ik moest veel papieren invullen, maar heb nooit meer iets van hen vernomen. Waarschijnlijk zagen zij het niet meer zitten na hun eerste bezoek aan die van boven. Ik zie het al voor me. Zo’n juffrouwtje die aanbelt en vraagt of zij binnen mag komen. Ze zou plaats mogen nemen op de bank waarna een van die debielen in zijn onderbroek de kamer binnen komt en zijn leuter eruit haalt.     Ik heb het er met mijn vertrouwensarts over gehad. Hij strooide met adviezen als sinterklaas. Maar ik kon er niets mee. Ik zakte steeds dieper in de put.   Nadat ik weer eens een hele flessherry had leeggedronken,  besprongen mij allerlei gedachten over wat ik kon doen om dat gespuis uit te roeien. Net als in films de hele huiskamer met die klootzakken er in afknallen. Dan maar de rest van mijn leven in de bak doorbrengen. Ik dacht zelfs om het hele huis in de fik te steken. Maar dan zouden ook onschuldigen verkolen zoals het oude vrouwtje op nummer twaalf.    Vorige week kwam ik er een paar van boven tegen. Ze keken mij agressief aan en die magere kale met tatoeages in zijn nek zei: ‘Dag kut wijf, godverdomme.’  Ik was helemaal overstuur. Toen de sherry op was moest ik eruit om aan te vullen, maar ik kon niet meer. Ik was finaal op en wilde er voor eens en voor altijd vanaf zijn. Na urenlang in tweestrijd, heb ik een beslissing genomen en ben van mijn balkonnetje gesprongen. Nu lig ik hier in het ziekenhuis met een gebroken been, een rib door mijn long en een zware hersenschudding. Heel vervelend maar wel lekker rustig. 

Krasslanskyp0⁰
2 1

Reset

ik wandel over roodbruine, harde grond stap na stap alles is vlak, kaal, droog en egaal  als een mier in een grote keramieken kom maak ik geen vooruitgang   ik laat mijn voeten hangen geen spoor  hoelang ga ik al en waarheen een bries  een wolk komt aandrijven  een grote, groene vorm erop contrasteert de blauwe hemel  de mega pad ziet me niet met rode ogen tuurt hij stuurs voor zich zijn mond keert zich eindeloos binnenste buiten  hij zweeft boven me door  naar een klein plukje jungle  ik baan me een weg tussen bomen en lianen tot bij een open plek schuilend achter een stam zie ik zonlicht vallen op de mega pad zijn slijmhuid blinkt zijn geplooide poten spieren hij is niet alleen een giga slang getooid met verenkroon  werpt een lange schaduw gespleten tong klapt de grond davert  een reuzenkrab stormt prompt aan  bomen vallen  bulldozer buiten proportie  klauwen en poten met mos gedrapeerd op zijn rug reist een hele stad mee  voegt zich gauw bij de andere twee windstoten razen  een flamingo landt slag per slag zeven poten zo dik als bomen vier vleugels plooien toe zijn vijf koppen kijken statig rond  de mastodonten een perfecte vierkant  achter me niets dan dichte planten natte grond  ik verlaat ze ga tussen poten door de zon staat hoog  ik in het midden geen boom wiegt geen blad ritselt alle reuzen staren  ik val in warm water  drijf weg van de krabbenstad  kijkt me kort na gaat dan weer door met haar dag iets duwt me omhoog snijdt in mijn voetzolen een schildpad komt boven  ik breng je de jungle uit op een voorwaarde  pruts je de mosselen van mijn rug? eerst onder me dan uitdijend voortmeanderen mosselplons na mosselplons de jungle rondom ons donker  plons ik pier naar apen aan tafel  ongeduldig kijkend naar hun vriend  die naar de oven wandelt  in keukenschort   plons een tijger in pak kijkt angstig op van zijn papier schakelt snel de bureaulamp uit plons gekrijs, geloei en gebrul over elkaar heen  wild gegok  op een partijtje slurfworstelen plons  een gekko in een aula van gevlochten banken  heel het publiek steekt zijn hand op vragen worden witte duiven vliegen samen weg aan de rand van de jungle laat de schildpad me aan wal inspecteert zijn schild  duikt opnieuw onder stroomopwaarts natte streel over mijn wang de katvis zweeft en wenkt me hij heeft alle bewegende kleuren vinnen blauw dan geel dan groen zijn staart glinstert belegd met sterren zwalpend tot aan een kloof  steekt hij over zonder omkijken  ik leun over de rand lagerop een kolonne mensen op ezels  zonder einde een platform stijgt op dame in glinsterend, roze galakleed lang, blond haar en maar een oog pal in het midden van haar voorhoofd  zij stapt af  ik deins achteruit het grote, mooie oog kijkt  ze haalt een micro tevoorschijn lijkt even te gaan zingen slikt hem dan door het bandje glijdt van de linker schouder haar oog gelijmd aan de mijnen  reikt dan naar haar rechter  ik kijk weg in haar plaats een boom die hier niet hoort in deze dorte twee zijtakken groot en groen de zon zakt  alle kleur verdonkert ik laat me neer tegen de stam  sluit mijn ogen  bladerdekens bedekken me 

Still Jackson
0 0

De koffer

Omdat ik binnenkort op reis ga, bekijk ik de koffers in een chique winkel op de eerste verdieping van het station in Sendai. Ik schrik van de exorbitante prijzen. Sommige koffers kosten evenveel als een vliegticket naar plekken in Japan waar ik ooit nog eens naartoe zou willen gaan. Ik laat mijn blik vallen op tassen die me een goed alternatief lijken. Een tas van vijftig liter lijkt me wel geschikt. ‘Kan ik u helpen?’ De verkoper, die vlak bij mij bezig is een grote ballon op te pompen—die blijkbaar als vulling moet dienen voor een enorme sporttas—kijkt me vriendelijk aan. Hij stopt bruusk met pompen. Hoe groot moet die ballon wel niet worden om de enorme buik van de tas te vullen, denk ik. ‘Hoe duur is deze tas?’ vraag ik in mijn beste Japans, terwijl ik de tas van het rek haal. De verkoper loopt naar me toe. De tas met de uitpuilende ballon blijft plompverloren uit zichzelf staan. Zo vol met lucht zit hij al. De verkoper pakt de tas van me over en bestudeert het prijslabel. Hij noemt de prijs. In perfect Engels. Ik schrik. ‘Hebt u veel cadeaus gekocht en heeft u niet genoeg plek?’ ‘Nee, dat is het niet. Ik ga op reis,’ antwoord ik kortaf in het Engels. Ik zie een kostbare gelegenheid om mijn Japans gratis te oefenen in het water vallen. Wat me behoorlijk irriteert. De verkoper schijnt niets in de gaten te hebben. ‘Gaat u terug naar huis?’ Zijn Engels klinkt perfecter dan het mijne. Ik voel mijn geïrriteerdheid opzwellen. Omdat ik geen antwoord geef, vraagt hij door. ‘Bent u op bezoek geweest in Japan?’ De ballon in mijn hoofd groeit. De verkoper heeft nog altijd niets in de gaten. Hij straalt een zelfverzekerdheid uit die men in Japan verafschuwt in de dienstverlenende sector. ‘Nee. Ik woon in Sendai!’ antwoord ik kortaf. ‘Oh, dus u spreekt wel Japans?’ ‘Ja!’ Mijn stem trilt. Nu van onzekerheid. De verkoper denkt er toch niet over om mijn Japans te testen? Dan sta ik straks echt voor lul. De ballon in mijn hoofd zwelt nog meer. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om nu in het Japans te praten. Snel vuur ik de ene na de andere technische vraag op de verkoper af. In mijn beste Engels. ‘Is de tas sterk genoeg om als gewone bagage in te checken?’ ‘Ik denk het wel. Maar het blijft een tas. Tassen zijn minder geschikt om als bagage in te checken.’ ‘Hoe kan ik de tas dragen?’ ‘Schuin en op de rug.’ ‘Hoe lang gaat de tas mee?’ ‘Ik hoorde van een klant dat ze de tas al tien jaar gebruikt. En hij is nog altijd in goede staat.’ Ik geef het op. Onoverwinnelijk is deze verkoper. Met een blik van medelijden kijk ik naar de tas met de ballon, die nog altijd plompverloren bij het rek staat. Als een zwangere vrouw die midden in een bevalling tot haar lot is achtergelaten door de dokter. ‘Oké. Ik denk dat ik genoeg weet. Ik denk er nog over na!’ De verkoper hangt mijn tas terug in het rek. ‘Geen probleem! Als u nog meer vragen heeft, kom gerust langs. Dan help ik u graag.’ Ik ontplof bijna, maar laat niets merken. De verkoper loopt terug naar de zwangere tas en gaat verder met pompen, alsof er niks is gebeurd. Als ik de winkel verlaat, zwaait hij beleefd naar me. Ik zwaai beleefd terug terwijl ik woedend denk: Ja, daar ben je goed in, ballonnen oppompen!

Margaretha Juta
0 0

Thuislevering

De fietser op het scherm leek hun huis maar niet te kunnen vinden. Hij reed er telkens voorbij in plaats van bij het icoontje te stoppen. Jayden had voorgesteld om de bezorger te bellen, maar dat vond zijn vader niet nodig. Zijn vader had niet geluisterd. Niet echt. Hij zat weer voor zich uit te staren. Jayden liep naar de keuken en nam de laatste rijstwafel uit de kast. Als hij nog meer honger kreeg, zouden zijn ingewanden zichzelf verteren.      Vroeger zou zijn vader boos geworden zijn als hij kruimels maakte. Maar sinds de scheiding werd hij niet meer boos. Dat vond Jayden fijn. Onlangs had hij in de tuin zijn oude pop verbrand. Het was geweldig om het smeulende gezicht te zien invallen, en om te weten dat zijn geheim – dat hij als kleuter met poppen speelde – nu veilig was. Achteraf gezien had hij het beter in het gras gedaan. Maar wat maakte het uit? Zijn vader was over de zwartgeblakerde terrastegel heen gestapt, alsof het hun poes Daisy was.      Een bericht verscheen op het scherm. De bezorger wou dat zijn vader naar buiten kwam.      Jayden legde de aangebeten rijstwafel op de armleuning en zei: ‘Ik ga wel!’      Buiten zag Jayden hun auto staan. Zijn vader had het aluminium zonnescherm achter de ruitenwissers gestoken. Niet tegen de zon – die had niet meer geschenen sinds augustus – maar tegen de schaamte. Waarschijnlijk wou hij niet voortdurend herinnerd worden aan het feit dat de hele straat wist wat er gebeurd was. Jayden ging in het midden van de straat staan en keek of hij het voorlicht van de brommer of de elektrische fiets zag. Het was donker, en de straatverlichting brandde al.      Zijn vader wou niet zeggen wie het had gedaan, maar Jayden was niet dom. Het was zijn moeder geweest, natuurlijk. Ze was kwaad op zijn vader omdat hij met die Brenda had aangepapt. En ze had sporen achtergelaten. Twee auto’s verder, in de goot, had Jayden een ingedeukte vijfliteremmer met spanringdeksel gevonden. Vloeibaar bitumen. Jaydens moeder was dakdekker, en Jayden had zulke emmers dikwijls in de voorkamer zien staan. Voordat zijn vader wakker werd, had Jayden de emmer in de Leie gegooid en met een zware tak ondergeduwd. De voorruit had hij met keukenpapier proberen schoon te wrijven, maar dat was niet gelukt, omdat het papier eraan was blijven plakken.      Toen Jayden een fel licht zag, ging hij aan de kant. De bezorger was niet met de brommer of de fiets gekomen, maar met een elektrische step.      ‘Je hebt je huisnummer niet opgegeven,’ zei hij.      ‘Is dat een Kaabo Wolf King?’      De bezorger zette de step op zijn standaard en opende zijn rugzak.       ‘Hoeveel heb je ervoor betaald?’ wou Jayden weten.      ‘Veel te veel.’      Jayden schudde met zijn hoofd. ‘Twee motoren, vijf uur laadtijd, hydraulische remmen, schokophanging.’      ‘Verfaillie?’      Jayden knikte en nam de tas van de bezorger aan. ‘Trekt dat ding echt zo snel op als een Lambo?’      ‘Ik weet niet,’ zei de bezorger. ‘Nog nooit met een Lambo gereden. Je ouwe thuis?’      ‘Hij hoeft niets,’ zei Jayden.      ‘Ik heb iets voor hem.’      ‘Ik zeg dat hij niets hoeft.’      De bezorger haalde een klein doorzichtig zakje uit zijn binnenzak en schudde ermee. ‘Gratis staaltjes!’      Toen de bezorger langs hem heen liep, in de richting van de openstaande voordeur, aarzelde Jayden geen seconde en trapte de step omver. Onmiddellijk maakte de bezorger rechtsomkeert en zette hem weer overeind.      ‘Mijn bar ends!’ zei hij, terwijl hij het stuur van dichtbij bekeek.      Jayden ging naar binnen. ‘Voor dat geld koop je twee scooters, debiel,’ zei hij, voordat hij de deur dichtgooide.      In de hal controleerde hij of alles erin zat: Haribo Dragibus, Lutti Candylace, Maltesers, Kellogg’s Coco Pops Loops, Dextro Energy, Napoleon Fruitmix, Mentos Gum Aqua Kiss, Fanta Orange Lemonade, Gourmet Gold Kattenvoeding, Aïki Noodles Chicken Flavour en Ben & Jerry’s Cookie Dough S’Wich Up.      ‘Waar zijn mijn M&M’s?’      Jayden rende naar buiten, maar de bezorger was al weg.      Zijn vader was ook weg, toen hij de woonkamer weer binnenkwam. Gaan slapen, waarschijnlijk. Jayden sloot de gsm aan op de lader en duwde de smeulende sigaret uit, die zijn vader in de asbak had achtergelaten.      Toen haalde hij de kaft van een van zijn schoolboeken en spreidde die uit op de tafel. In het midden legde hij de boodschappen, behalve de ontbijtgranen, de noedels, de frisdrank en het kattenvoer. Die waren voor hen. Hij wikkelde de kaft eromheen en plakte de uiteinden aan elkaar vast met plakband. Hij dacht niet dat zijn vader cadeaulint had, dus trok hij een veter uit een oude schoen en gebruikte die om een strik te maken.      Toen was het af.      Om niet aan kerst te hoeven denken, dacht Jayden aan Anita, de directrice van zijn school. Als je iets deed wat niet mocht, bijvoorbeeld de deur van de pannakooi vergrendelen met een paraplu, zodat de kleuters er niet meer uit konden, nam Anita je oorschelp vast en draaide eraan als aan een kauwgomballenautomaat. Uit de automaat kwam dan geen kauwgombal, maar een doodskreet. Jayden had ondervonden dat hij elke vervelende gedachte kon verdrijven door aan haar te denken. Elke vervelende gedachte, behalve die aan Anita zelf, natuurlijk. Wat hij toch als een groot gebrek beschouwde, aangezien ze dikwijls door zijn hoofd spookte.      Hij propte een paar handjes ontbijtgranen in zijn mond, keek in de spiegel of zijn haar goed zat en liep de deur uit.       De gelukkige was een meisje genaamd Tina. Tina woonde twee straten verderop in een rood huis met blauwe kozijnen. Voor de zomer had ze in een sociaal huurappartement in dezelfde wijk gewoond, nabij het park met de twee kasseistroken die aan de oude beluiken herinnerden. Jayden en zij hadden een gemeenschappelijke kennis: Dolfin, een dikke jongen met één arm, die een portefeuille uit je achterzak kon halen – en er weer in stoppen – zonder dat je het voelde. Totdat Dolfin, vanwege een ruzie tussen zijn moeder en de zorgleerkracht, naar een andere school moest, had hij bij Jayden in de klas gezeten. Tina was de kleindochter van de broer van Dolfin zijn opa.      De drie waren bevriend geraakt toen zoenende tieners hen uit het speelhuisje bij de glijbaan hadden verjaagd. Het was juli. Jayden en Dolfin waren dennenappels aan het rapen tussen de bomen ernaast, toen Tina kwam vragen wat er aan de hand was. Jason vond haar aanvankelijk maar niks. Ze had een hese stem en droeg paarse teenschoenen, die er niet alleen belachelijk uitzagen, maar ook geen bescherming boden tegen de glasscherven in het zand. Maar wat kon ze mikken! Na twee pogingen raakte ze de jongen in het speelhuisje pal op de lip. Verder zoenen kon hij wel vergeten. Hij sprong overeind en stootte zijn hoofd tegen het dak en gleed brullend de glijbaan af. Minutenlang hadden ze zich in de betonbuis moeten verstoppen, terwijl ze hun lach inhielden.      Haar vaders motor stond voor de deur, met de hoes eroverheen, en het licht in de fitnesskamer brandde. Jayden aarzelde. Die vent kneep je stuk als een chocolade-ei.       Toch duwde hij op de bel.       Een vrouw met strenge, wij uitstaande ogen verscheen in de deur. In plaats van te praten, kruiste ze haar armen. Plotseling wou Jayden dat haar vader had opengedaan.      ‘Ik wou haar M&M’s geven,’ zei hij, ‘maar de bezorger vergat ze.’      ‘Hij heeft haar brief op het internet gezet,’ zei de vrouw streng. ‘Weet je hoe vernederend dat is voor een meisje van haar leeftijd? Het vraagt moed om je gevoelens te uiten. Het zal jaren duren, voordat ze haar hart nog een keer voor iemand zal durven open te stellen.’      Jayden zag dat de vrouw werkelijk gaf om wat haar stiefdochter overkomen was. ‘Als je wilt, mevrouw,’ zei hij, ‘zal ik hem een lesje leren.’      De vrouw lachte haar vullingen bloot. ‘Nee, nee, nee,’ zei ze, ‘jij hebt al meer dan genoeg gedaan.’      Jayden wou zeggen dat hij niet degene was die Tina’s brief op het internet had gezet en dat ze hem dat dus niet kwalijk mocht nemen, maar hij was bang voor haar reactie en slikte hij zijn woorden in.      ‘Hoe gaat met haar?’ vroeg hij.      ‘Eerst haal jij die vreselijke grap met haar uit,’ zei de vrouw, ‘en dan gebeurt dit. Hoe denk je dat ze zich voelt?’      ‘Slecht.’      ‘Het was een retorische vraag!’ Ze monsterde zijn gezicht en zuchtte. ‘Dat is een vraag waarop je geen antwoord wil, omdat iedereen het antwoord toch al weet.’      ‘O,’ zei Jayden. ‘Sorry.’      De vrouw legde haar hand op haar voorhoofd. ‘Waar zat je met je gedachten, Jay? Ze had daar kunnen sterven!’      Tina had niet om hulp geroepen. Daarvoor was ze te bang geweest. Jayden had zijn oor tegen de stalen deur moeten houden om haar te kunnen horen, tegen de gele driehoek met de bliksemschicht erin. Ze fluisterde bijna, zo bang was ze. Niet omdat het er donker was – al moest ze geen hand voor haar ogen hebben gezien – maar vanwege de knetterende transfo’s om haar heen. Overal afblijven, riep hij haar toe. Overal afblijven, en dan komt alles goed. En toen was hij weggegaan, lachend.      Ze had haar gsm bij zich. Een half uur eerder had hij haar grappige snaps zien maken van duiven met ontbrekende tenen. Anders zou hij het toch nooit hebben gedaan?       ‘Is dit weer zo’n retrovraag?’      ‘Nee!’ zei de vrouw. ‘Waar zat je met je gedachten?’      Jayden keek naar het pakje in zijn handen. ‘Ik weet het niet.’      ‘Wist je hoe gevaarlijk het was?’      ‘Ja.’      ‘Waarom deed je het dan?’      Waarom had hij het gedaan? Het was gewoon gebeurd. Heen en weer lopend over een bankje, enkele meters van het transformatorhuisje, had Tina haar meesterplan aan hem uitgelegd. Blijkbaar had een meisje uit haar klas met het donkere haar op haar armen gelachen, en Tina zou het haar betaald zetten. Ze citeerde uit de brief die ze naar het liefje van het meisje had geschreven, en lachte vals. Een kwestie van tijd voordat hij toehapte, en dan hoefde ze alleen nog maar toe te kijken hoe het stelletje uiteenspatte. De manier waarop ze praatte – ze leek wel een schurk uit een Bond-film. Dit was Tina niet. Dit was iemand anders, iemand slecht. Misschien wou hij zijn vriendin terug? Misschien hij haar transformeren?      ‘Het was een slechte grap, mevrouw,’ zei Jayden. ‘Ik dacht niet goed na.’      ‘Dat kun je wel zeggen.’       Er viel een stilte.      Toen wees de vrouw naar het pakje. ‘Zie ik het goed? Staan daar passertjes op?’      Jayden keek omlaag. ‘Het is kaftpapier.’      ‘Hoe gaat het eigenlijk op school?’      ‘Saai,’ zei Jayden. ‘Naar het schijnt.’      ‘Naar het schijnt?’      Jayden haalde zijn schouders op.      Op de eerste verdieping ging een deur open. Jayden en de vrouw keken omhoog. Een ogenblik later dreunden zware voetstappen de trap af, en kuiten zo dik als hammen verschenen uit de schaduw van het trapgat. Een vlezige hand gleed langs de leuning. Tina’s vader, wiens tanktop losjes om zijn middel hing, leek onderweg naar een van de vertrekken op de benedenverdieping, maar bleef staan toen hij Jayden zag.      ‘Weet je wat,’ zei Jayden. ‘Ik geef het haar wel een andere keer.’      ‘Er komt geen andere keer,’ zei Tina’s vader.      De vrouw nam de hand van haar echtgenoot vast. ‘Jayden komt zijn excuses aanbieden.’      ‘Excuses niet aanvaard.’      ‘Poepie,’ begon de vrouw. ‘Die jongen …’      ‘Niks, Poepie,’ zei de man en maakte zijn hand los. ‘Tina is mijn dochter, en ik zeg dat er geen andere keer komt.’      ‘Glenn is mijn zoon,’ zei de vrouw. ‘Dat heeft je anders nog nooit tegengehouden om op hem te vitten.’      ‘Gaan we zo beginnen?’      ‘Jij bent begonnen.’      ‘Och, doe niet zo kinderachtig.’      ‘Kinderachtig?’ zei de vrouw. ‘Is het kinderachtig als een vrouw voor haar zoon opkomt?’      ‘Ik dacht dat dit over Tina ging?’   Toen Jayden thuiskwam, leek alles weer bij het oude. De kale kapstok in de hal, de deken half op de bank, de peuken in de glazen asbak, zijn dode opa’s knullige stadsgezicht op de schoorsteenmantel, de afstandsbediening van de televisie nog altijd zoek, de tapijten met hun donkere vlekken en rafelende randen – alles stond, lag of hing er nog precies bij zoals hij het een halfuur geleden had achtergelaten. Jayden beeldde zich hoe hij de kapstok uit de muur trok, de deken aan flarden knipte, de asbak op de salontafel uitstortte, een gat sloeg in zijn opa’s stadsgezicht, de televisie omvergooide en de tapijten vanonder de meubels rukte – om de boel eens op te schudden. Maar dat deed hij allemaal niet. Nee, hij ging op de vloer liggen en keek naar het plafond, terwijl hij snoep at uit het pakje dat hij onherstelbaar had opengescheurd.      Een uur of wat later ging de bel over. Ontwaakt uit een diepe slaap, veerde Jayden overeind en prevelde: ‘Brenda?’      Hij verbaasde hem dat hij haar naam uitsprak. Zou hij haar vergeven als ze nu voor de deur stond? Zou hij het kunnen? Zo niet, zou hij Tina dan nog kunnen vergeven?       Toen herinnerde hij zich het probleem met hun draadloze deurbel. Een inwoner van hun straat, vermoedde zijn vader, had een autosleutel die hetzelfde korte radiosignaal verzond, wat dat ook moge wezen. Telkens als hij zijn auto van of op slot deed, ging hun bel over. Dat kon makkelijk opgelost worden, beweerde zijn vader. Je veranderde de frequentie van de bel. Toch deed hij het nooit.       Jayden ging weer liggen, in het donker nu, en at de laatste snoepen uit het pakje, die, zo realiseerde hij zich, als je er zoveel kon eten als je wou, uiteindelijk teleurstelden.

Kenny De Thaey
8 1

Portiek

Portiek  Op weg naar huis begon het te regenen. Om niet nat te worden, ging ik een portiek in. Ik zette mijn tas met boodschappen neer en keek de grauwe grijze straat in. Langs het trottoir stond een begrafenisauto geparkeerd met daar achter drie volauto’s. Er moest dus een lijk in de buurt zijn.      Na een kwartier schuilen, goot het nog steeds. Ik begon trek te krijgen en dacht aan de grote pot zure haring in de boodschappentas. Ik zou er best een lusten. Na wat twijfelen pakte ik de pot en keek door het glas naar de zilverkleurige visjes. Het water liep me in de mond. Er was niemand in de buurt, dus dacht ik waarom ook niet. Ik pakte de pot stevig beet en draaide de deksel, die goed vast zat met een ruk open. Door de schok glipte de pot uit mijn handen en spatte op de grond uiteen. Als een eiland lagen de haringen op een hoop in een plas azijn scherven en uien. Spijtig keek ik naar de ravage en vervloekte mezelf om mijn stommiteit.      Maar zo te zien had de bovenste haring niets geleden. Die zou ik nog best kunnen opeten. Ik ging op mijn hurken zitten om het visje nauwkeuriger te bekijken. Er was niets mis mee. Ik pakte hem op en wilde een hap nemen, toen een deur in het portiek open ging. Er werd een brancard op wielen met daarop een doodskist naar buiten geduwd, waarna een aantal mannen in het zwart de overledene beschut door grote paraplu’s naar de lijkauto brachten.     Intussen kwamen naasten van de overledene uit het huis het portiek in. Ik stond ertussen of ik er bij hoorde en zag droevige blikken van verstandhouding. Niemand zei iets. De stilte werd alleen verbroken door gesnotter en het geknars van glas onder voetzolen.       Een vrouw naast mij vroeg fluisterend: ‘Wat doet u hier meneer. Wie bent u?’      Ik voelde mij ongemakkelijk. Het liefst was ik weggegaan,  maar nu het regenen was veranderd in een wolkbreuk bleef ik staan en zei: ‘Mevrouw ik ben hier om te schuilen voor de regen.’      De vrouw veegde haar rood betraande ogen af en zei iets te hard naar mijn zin: ‘Meneer we zijn hier om tante te begeleiden naar haar laatste rustplaats. Ik vind uw aanwezigheid zeer ongepast.’      Ik keek naar de afkeurende blikken op de gezichten om mij heen en dacht, ook in het uur van de dood kunnen mensen klootzakken blijven.        Gelukkig kwamen de uitvaartmedewerkers terug om de rouwenden naar de volgauto’s te begeleiden.      Ik was weer alleen. Op de grond lag een vieze smurrie van platgetrapte haringen en er hing een ranzige geur van zure vis, regenjassen en parfums. Ik voelde me misselijk worden. Ik moest hier weg en stapte het portiek uit de regen in. Snel ben ik naar huis gelopen waar ik drijfnat aankwam.

Krasslanskyp0⁰
0 0