Lezen

Stupid Cancer

Ze liep de gang met de witte muren door met haar hoofd naar de grijsblauwe tegels gericht. Haar felrode schoenen vielen op tegen de donkere kleur van de tegels maar ze besteedde er geen aandacht aan. Ze keek voorbij die rode schoenen op die grijsblauwe tegels. Wat ze voor zich zag was een vrolijke jongen met twinkelende bruine ogen. Ze wilde de kamerdeuren niet zien. Ze wilde de zieke kinderen die in de bedden achter de matte glazen lagen niet zien. Eigenlijk wou ze zich het liefst van al omdraaien en weglopen, richting de lift en uiteindelijk de buitenlucht. Maar dat kon ze niet. Haar voeten eindigden voor de deur met het nummer 332. Langzaam liet ze haar blik omhoog glijden tot ze de zwarte cijfers voor haar zag. Even haalde ze diep adem voor ze haar vingers rond de klink krulde en de deur openduwde. Het geluid van de verschillende machines drong haar oren binnen. Luide piepjes van een machine die probeerden de vrolijke jongen die net nog in haar gedachten was verschenen in leven te houden. Een infuus hing aan een kapstok, de vloeistof druppelde naar beneden met een constante snelheid, gleed zijn arm binnen en gaf zijn lichaam wat meer kracht om te vechten tegen de kankercellen die zich in zijn lichaam hadden verspreid. Maar ze zouden hem niet genezen. Het zou enkel zijn leven verlengen. “We geven hem maximum nog twee maanden,” zei de dokter voorzichtig, met zijn blik op het dossier voor zich gericht. Hij durfde de familie van de patiënt niet aan te kijken. Het brengen van slecht nieuws was een van de dingen die hij hartgrondig haatte aan zijn job. Langzaam keek hij omhoog, zijn grijze ogen vol medelijden. Hij zag hoe het meisje wezenloos voor zich uitstaarde terwijl ze probeerde te bevatten wat zijn woorden betekenden. Hij had het al zo vaak gezien. Hij wendde zijn ogen weer af en prutste ongemakkelijk met zijn pen. Niet goed wetend wat hij kon zeggen. “En een longtransplantatie?” vroeg ze fluisterend, haar stem balanceerde op het breekpunt. Ze richtte haar ogen op de donkere kijkers van de dokter, haar ogen vol glanzende hoop. “Er zijn uitzaaiingen, een transplantatie zou niets uithalen,” zei hij zacht toen het een paar tellen stil was geweest. Het meisje schoof haar stoel bruusk naar achter en stond op terwijl ze probeerde te vechten tegen haar tranen. De groene deuren flitsten langs haar voorbij terwijl ze door de gang liep, voorbij de liften, ze wilde geen halt houden, ze wilde enkel weg uit dit gebouw, weg van het slechte nieuws. Ze trok de deur naar de trappenhal open en liep zo snel ze kon de stenen treden af naar de inkomhal. Haar handen duwden de dubbele toegangsdeuren open en een frisse wind sloeg haar onmiddellijk in het gezicht. Ze sloot even haar ogen en liet de wind haar tranen drogen. Haar broer zou maximum nog twee maanden leven. Twee maanden. Acht weken. Eenenzestig dagen. Ze bleef rennen, haar voeten brachten haar haast automatisch naar het parkje waar ze zo vaak hadden gezeten. Ze liet zich neerzakken op het houten bankje waar ze zo vaak op waren neergeploft. Tranen welden op uit haar ooghoeken en vielen neer op haar groene broek. De watervlek werd opgezogen door de stof en spreidde zich uit tot een ronde natte plek, die meteen groter werd toen er weer een druppel op neerviel. De verschillende woorden die in het hout waren gekerfd verdwenen achter haar rug. Het waren zo van die typische tekstjes die verliefde pubers er altijd in krasten als ze tot over hun oren verliefd waren. J ♥ L en zo van die dingen. Een lichte glimlach gleed om haar lippen toen ze aan die tekstjes dacht. Hoeveel verhalen hadden zij en haar broer er niet rond verzonnen? Die gaan trouwen. Die gaat eerst een kindje krijgen op haar zestiende en dan gedumpt worden. Die gaan nog lang samen zijn. Die gaat bedrogen worden. Het was zo’n spelletje waarbij ze even hun eigen problemen konden vergeten en zich konden verliezen in een verhaal dat niet van hen was. Ze zuchtte eventjes lichtjes terwijl ze bedacht dat haar ouders voor de eerste keer in maanden niet tegen elkaar waren beginnen schreeuwen, daar in het kantoortje van de dokter toen hij hun het slechte nieuws meldde. Haar vader had voor het eerst in een zeer lange tijd zijn arm rond de schouder van haar moeder geslagen en haar tegen zich aangedrukt. Een baken van troost vormend voor de vrouw waar hij eens zoveel van hield. Langzaam liep Alexia op het bed af waar haar broer in neerlag. Zijn borstkas ging zachtjes op en neer, zijn ademhaling was zwak maar zijn ogen waren alert en volgden elke beweging die zijn zus maakte tot ze neerzakte op de houten stoel naast zijn bed. “Hej Milan,” zei ze zacht terwijl ze haar hand uitstrekte en zijn hand in de hare nam. “Hej Alex,” antwoorde hij zwakjes. Zijn stem klonk schor. “Moet je wat water hebben?” Hij knikte. Alexia nam het waterflesje dat op zijn nachtkastje stond in haar hand en schroefde de dop eraf. Toen boog ze zich over haar broer heen en bracht de opening naar zijn mond. Met trage slokken dronk hij van de vloeistof die zijn keel meteen verzachtte. Hij liet zijn hoofd weer in zijn kussen zakken en sloot zijn ogen eventjes. “Bedankt,” zei hij toen. Alexia schroefde de dop weer op het flesje en plaatste het weer op de gladde ondergrond van het nachtkastje. Haar broer stak zijn hand naar haar uit en ze nam hem tussen haar handen voor ze weer ging neerzitten op de harde stoel. Haar ogen vielen op de fauteuil aan het raam en even twijfelde ze of ze hem niet zou vervangen met de houten stoel waar ze nu op zat om het haarzelf wat comfortabeler te maken maar die twijfel verdween meteen weer toen haar blik op de ogen van haar broer viel. Ze kon hem nu niet loslaten. “Het leven is zo fucking klote,” gromde hij. “Ik weet het,” antwoordde ze zacht. “Ik was echt een dwaas om drie jaar geleden te denken dat ik dit wel zou overleven.” Alexia slikte even. Ze wilde er niet over nadenken. Ze wilde dat haar broer zijn mond hield. Maar ze kon het niet over haar hart krijgen om hem tegen te houden. Het was duidelijk dat hij behoefte had aan iemand die naar zijn frustraties luisterde. “Met al die nieuwe technieken. Je zou denken dat ze die stomme kanker op een of andere manier wel zouden kunnen genezen.” Hij lachte schamper. “Ik was zelfs zo naïef om te denken dat ze me wel een nieuwe long zouden geven moest die van mij me uiteindelijk helemaal in de steek laten.” “Ze konden het niet doen Milan, het zit overal.” “Nu wel.” Het bleef een tijdje stil terwijl ze elk in hun eigen gedachten verzonken waren. “Hoe gaat het met mam en pap?” Alexia zuchtte. “Goed denk ik, ze houden zich sterk, ze hebben geen ruzie meer gemaakt sinds de uitspraak van de dokter. Ik denk dat ze eindelijk beseffen dat ze nog steeds van elkaar houden en dat er meer is in de wereld dan ruzie en onnozele discussies.” “Niet moeilijk als hun zoon op sterven ligt.” Alexia kromp ineen. “Zeg dat niet,” fluisterde ze. Haar broer keek haar met betraande ogen aan. “Ik wil niet doodgaan,” snikte hij terwijl hij zich vastklampte aan de arm van zijn zus. Een mengeling van gevoelens steeg op bij het meisje. Ongemakkelijkheid, verdriet, angst, medelijden. “Ssssht,” zei ze zacht terwijl ze met haar duim over zijn hand streek. Ze wou zeggen ‘het komt allemaal wel goed’ maar dat kon ze niet. De woorden bleven steken in haar keel. Ze kon de leugen gewoonweg niet over haar lippen krijgen. “En dan te denken dat ik mijn laatste twee weken in een stom ziekenhuisbed moet doorbrengen.” “Ik smokkel je wel eens naar buiten, als is dat het laatste wat ik doe,” zei Alexia. Ze richtte haar ogen op die van haar broer en die wist dat ze elk woord meende. “Hoe ga je dat voor elkaar krijgen?” “Ik neem wel een rolstoel van op de gang, ’s avonds zijn er sowieso minder verpleegkundigen en dokters aanwezig. Ik smokkel je wel naar buiten als ze pauze nemen.” “En hoe wil je hier tot de avond blijven? Je weet toch dat het bezoekuur straks afgelopen is?” Er klonk al wat meer levensenergie door in zijn stem terwijl hij zich vastklampte aan het sprankje hoop dat hij nog eens de buitenlucht zou kunnen voelen op zijn klamme gezicht. Alexia’s hart begon sneller te kloppen terwijl het plan steeds meer vorm kreeg in haar hoofd. Toen ze de hoopvolle blik in de ogen van haar broer zag wist ze dat ze koste wat het kost moest zorgen dat het haar zou lukken. “Ik ga straks even naar buiten zodat de mevrouw aan de balie zeker ziet dat ik weg ben, er komt sowieso nog een verpleegster bij je langs om alles te controleren voor ze een pauze nemen, stuur me een sms als hun pauze start. Ik glip terug het gebouw binnen zodra de vrouw achter de balie achter een koffietje ofzo is. De rest lijkt me logisch. Ik neem een rolstoel vanop de gang, help je erin en duw je naar de lift. We kunnen via de nooddeur naar buiten gaan en die open houden zodat we niet via de hoofdingang moeten.” “Staat er geen alarm op die nooddeuren?” “Ik hoop van niet.” Haar broer keek haar even weifelend aan. “Kunnen we het niet beter vragen aan een verpleegster straks voor je voor niets al die moeite doet?” Alexia moest lachen. “Soms ben ik echt dom.” Milan moest ook lachen. “Als je dat maar weet,” antwoordde hij wat een stomp tegen zijn schouder opleverde. “Au,” pruilde hij. Alexia rolde met haar ogen. “Klein kind.” Enkele minuten later klonk er een klop op de deur. “Kom maar binnen!” riep Milan. De deur werd geopend en een verpleegster kwam binnen, gehuld in de typische witte broek en T-shirt. Ze hield een blauw klembord tegen haar borst gedrukt. “He Milan, ik kom je infuus eens nakijken.” “Waarom doe je dat eigenlijk nog als je toch weet dat het binnen twee weken gedaan is?” “Als ik dat infuus er nu zou uithalen zou het nu meteen al gedaan zijn met je.” Milan hield wijselijk zijn mond. “Mevrouw?” De verpleegster leek Alexia nu pas op te merken. “Ja meisje?” “Is er een mogelijkheid dat ik Milan even mee naar buiten kan nemen voor een wandeling, hij is zijn kamer een beetje beu gezien.” “Normaal gezien is het het beste dat hij gewoon plat op het bed blijft liggen,” begon ze. “Maar ik denk dat we wel eens een uitzondering kunnen maken,” vervolgde ze toen ze de hoopvolle blikken in de ogen van de pubers zag. Milans glimlach kon niet breder zijn. “Maar ik denk dat we best eventjes wachten tot de pauze anders gaat de hoofdverpleegkundige ons misschien meteen weer naar de kamer sturen. Ik zal hen wel zeggen dat ik nog eventjes naar het toilet was ofzo.” De verpleegster noteerde een paar dingen op het witte blad dat op haar blauwe klembord geklemd zat en keek toen via het matte glas de gang op. “De pauze is begonnen,” zei ze zacht terwijl ze een verpleger volgde die door de gang richting het vergaderzaaltje liep op het einde van de gang. Alexia wandelde de gang op en probeerde zo min mogelijk geluid te maken terwijl ze haar handen rond de handvaten van een rolstoel klemde en hem richting de kamer van Milan rolde. Ze plaatste de rolstoel naast zijn bed en de verpleegster hielp Milan in de rolstoel te gaan zitten. Alexia nam de handvaten vast en terwijl de verpleegster de kapstok waar het infuus aanhing vooruit rolde gingen ze op weg. Een luide ping kondigde aan dat de lift was gearriveerd en Alexia keek even angstig om in de richting waarin ze de verpleger enkele minuten geleden hadden zien verdwijnen maar blijkbaar had niemand het gehoord. Een zacht zoemend geluid vulde de lift terwijl hij langzaam neerdaalde richting de begane grond. De verpleegster knikte de receptioniste vrolijk toe voor ze de draaideuren inliep die naar buiten leidden. Milan haalde diep adem en sloot genietend zijn ogen toen hij het koele avondbriesje over zijn gezicht voelde glijden. De geur van regen drong zijn neusgaten binnen en zachte druppeltjes landden op zijn bleke gelaat. Maar dat kon hem niets schelen, hij genoot van de koele druppels die op zijn klamme huid vielen. Alexia duwde de rolstoel langzaam vooruit terwijl ze om het gebouw heen liepen richting een klein grasveld aan de zijkant van het ziekenhuis. De takken van een eikenboom wiegden zachtjes in de wind en zijn bladeren ritselden. Milan nam het geluid van de krakende takken en de ritselende blaadjes genietend in zich op. Hij had nooit gedacht dat hij die simpele geluiden ooit zo hard had kunnen missen. “Ik moet ervandoor,” verbrak de verpleegster de gelukzalige stilte die tussen hen inhing. “Anders gaan ze zich afvragen waar ik blijf, blijf nog twee minuutjes en keer dan terug naar boven, voor de pauze om is.” Alexia knikte en de verpleegster ging er haastig vandoor. “Weet je wat ik nog mis?” vroeg Milan zacht. Alexia richtte haar ogen op haar broer. “Het geluid van vogels.” En alsof dat een magisch spreukwoord was klonk er plots een luide oehoe van een uil op. Alexia moest lachen. Milan werd aangestoken door het vrolijk geluid van de lach van zijn zus en lachte vrolijk mee. Even leek het alsof hij geen dodelijke ziekte had. Alsof ze allebei op het houten bankje zaten in het park terwijl ze niet probeerden te denken aan hun ruziënde ouders.

Quies
0 0

Schrappen uit het fotoboek

Het fotoboek was ontzettend dik, van de eerste tot de laatste bladzijde gemakkelijk een halve meter breed. Het lag op een eenvoudig, maar smaakvol ingericht houten tafeltje. Je kon zien dat het boek al meermaals was opengemaakt, vooral de hoeken zagen er bijzonder afgeleefd uit. Gelukkig was dit fotoboek door een echte vakman gemaakt, één die zijn stiel door en door kende. Dat zou wel eens de enige reden kunnen zijn waarom het boek nog niet uiteen was gevallen. De rustmomenten van het fotoboek waren schaars. Soms lag hij nog geen vijf minuten op het tafeltje, of hij werd weer gegrepen door de hand. Net als nu dus. Hij boek werd zorgvuldig bladzijde per bladzijde opengemaakt. Vol pasfoto's stonden ze, netjes voorzien van bijhorende namen. Hele pagina's vol foto's en namen, een indrukwekkende collectie voorwaar.   Plots stopte het omslaan, de hand bleef hangen boven één van de foto's. De man die het fotoboek las, nam een dun mesje en sneed de pasfoto proper uit het boek. Hij las de naam die op de foto stond: Herman van Wade. De respectabele Herman was rustig ingeslapen in het ziekenhuisbed, oud genoeg om eindelijk afscheid te nemen. Werd je achtennegentig, dan moest je wel gezegend zijn. De hand ging verder, sloeg wat pagina's om tot bij de foto van een jong meisje. Kaat Deweerdt, veertien jaar. Het arme kind was met haar fiets in het kanaal gesukkeld, op een plek waar ze blijkbaar vergeten waren hekken te plaatsen. Zachtjes zuchtend sneed de man de foto uit het boek, niemand hoorde zo jong te sterven, het hoorde gewoonweg niet.   Zo ging het nog een tijdje door, tot de man het hele fotoboek had doorgekeken. Hier en daar wat foto's uitgesneden, de naam gelezen, geschrapt uit het boek. Droevige gedachten speelden in zijn hoofd, gelukkig snel gerustgesteld door één enkele gedachte: ze hadden een beter leven nu. De hand sloot het boek, legde het terug op het tafeltje en zag dat het goed was. Dan was het dan weer voor vandaag, dacht God en verzette zijn gedachten. Vreemd toch, het schrappen uit het fotoboek was altijd een gebeuren dat zo droevig en tegelijk toch vol vreugd was.

BartDR
0 0

De legende van de cowboyhoed

Legendes zijn als spinnenwebben. Regelmatig worden nieuwe stukjes aangebreid en als een onderdeel verdwijnt, wordt het geheel al gauw aangevuld met vers materiaal. Soms kan een legende ongeziene vormen aannemen en hoe vaak je ook probeert een legende uit de wereld te helpen, ze keert telkens weer. Legenden sterven niet, ze leven eeuwig voort op de tongen van mensen. Zo ook de legende van de cowboyhoed.   In die tijd telde het dorp maar weinig bewoners. Iedereen kende iedereen en geruchten waren feiten. Een van hen was Tom de jager. Elke zaterdagochtend ging Tom op jacht en ving konijnen en zwijnen en was ontegensprekelijk de beste jager van het dorp. Op een dag kwam een nieuwsgierig jongetje uit de buurt, Woutje, hem een vraag stellen. 'Tom, hoe komt het dat je zo'n goede jager bent?' De man, zoals altijd gekleed in zijn bruine jachttenue, dacht even diep na. Toen wees hij naar zijn hoed. Het ding, al even bruin als de rest van zijn kleding, zag er versleten uit, de rafelige randen getuigden van een lange levensduur. 'Dit', zei hij, 'behoorde ooit toe aan een groot man, een cowboy. En dit, dit is een cowboyhoed. De cowboy was de beste schutter van zijn land. Hij kon een bewegende vlieg raken van twintig meter afstand. Hij kon dat, dankzij deze hoed. Steeds wanneer hij zijn cowboyhoed op had, miste hij nooit of te nimmer.' Woutje kon zijn oren niet geloven. Een cowboyhoed met magische krachten! Ongelofelijk! Die nacht kon hij moeilijk de slaap vatten. In zijn hoofd droeg hij Tom's hoed en versloeg al zijn vijanden met één welgemikt schot. Plots kreeg de jongen een idee. 's Nachts sliep Tom vast en zeker, misschien had hij de hoed dan niet op. Sluipend over straat glipte Woutje het huis van de jager binnen. Zoals hij had gehoopt sliep Tom zonder het hoofddeksel, dat nu onbeschermd op een klerenkoffer lag. Woutje nam de hoed vast en zette hem op zijn hoofd. Triomfantelijk sloop hij terug naar buiten en liep het bos in.   Op zijn hoofd een cowboyhoed en in zijn hand een slinger, steentjes in zijn zakken. Woutje zou vandaag een beer vangen! Wild in het rond stappend, maakte hij echter veel lawaai. Dat trok de aandacht van een zwijn, dat zich in gevaar achtte. Luid brullend richtte hij zich op Woutje. Die nam een steen en slingerde hem doelbewust naar het oog van het beest, raakte hem recht in het doel. Halfverblind en vol razernij stormde het zwijn naar de jongen, die aan de grond genageld leek. Het beest was niet dood, hoe kon dat? Dan verscheen Tom plots met pijl en boog. Bliksemsnel nam de jager een pijl, spande zijn boog en schoot op het zwijn. Maar hij miste. Het beest wierp zich bloeddorstig op de arme jongen, die op slag dood was. Tom tastte naar de cowboyhoed en voelde een hevige tinteling doorheen zijn hele lichaam. Toen hij hem opzette, werden Toms ogen groot. Hoewel het donker was, zag hij in zijn linkerooghoek duidelijk een vlieg, zo helder alsof het dag was. Hij nam één van Woutjes stenen en wierp die recht op de vlieg. Maar… die legende had hij verzonnen. Dit kon niet… waar zijn. Of toch?

BartDR
25 0

Proloog

Zaterdag 07 juli   ‘Je kunt gaan,’ zegt Gary terwijl hij Jonas’ spullen overhandigt. ‘Je hebt behoorlijk wat indruk gemaakt met je goede gedrag’. Jonas knikt en geeft zijn begeleider een hand. ‘Hopelijk tot nooit meer,’ grijnst hij. ‘Ik hoop het ook,’ antwoordt Gary met een scheve lach. ‘Het ga je goed’. Jonas glimlacht als hij zijn spullen bijeenpakt en zijn kamer uitloopt. Als een vorst loopt hij de gang door. De donkere en grauwe gang staat scherp in contrast met zijn humeur. Wanneer hij buiten zijn vrijheid tegemoet loopt, wordt hij door de zon verblind. Hij houdt zijn hand als een scherm boven zijn ogen. Zijn ouders wachten hem aan de auto al op.   Door de autoruit staart hij naar buiten. Allerlei zonnekloppers vullen de straat. Ze gaan als een waas aan hem voorbij. Welke dag is het vandaag? 6 juli? Nee, 7 juli. Het is al zomervakantie. Wat is de tijd toch gevlogen, denkt Jonas. Gisteren was het één jaar geleden dat… Hij zucht. Nog elke dag denkt hij aan haar. Ze rijden een AD Delhaize voorbij, waardoor er een glimlach om zijn lippen krult. Enkele mooie herinneringen komen bovendrijven… Pap parkeert de auto en neemt Jonas’ bagage uit de koffer. ‘Ga jij maar alvast naar binnen, je wordt verwacht,’ zegt pap terwijl hij geheimzinnig glimlacht. Jonas’ hart springt op. Zou ze…? Hij spurt het flatgebouw in en rent de trappen op door twee, drie treden tegelijk te nemen. De voordeur staat open. Hij stormt de woonkamer in en… ‘Verrassing!’ roepen Simon en zijn klein zusje Lydia in koor. Hoewel Jonas een beetje ontgoocheld is, is hij toch heel blij om hen weer te zien. ‘Jullie hier?’ vraagt hij verbaasd. Simon omhelst hem en klopt vriendschappelijk op de rug. ‘Hoe gaat het met je, maat?’ Jonas’ mond verstrakt even. ‘Au, niet te hard. Mijn ribben doen nog pijn.’ Pijnlijk maakt Jonas zich los en tast hij over zijn ribbenkast. Verontschuldigend glimlacht hij naar zijn beste vriend. Simons gezicht staat echter bezorgd. ‘Hoe gaat het met je?’ herhaalt Simon voorzichtig zijn vraag, al kan hij niet verbergen dat zijn ogen naar Jonas’ blauwe wang afdwalen. ‘Goed, natuurlijk! Ik ben vrij!’ probeert Jonas zich te herpakken. Pas nu beseft hij dat hij weer kan gaan en staan waar hij wil. ‘Geweldig, niet? Het eerste wat ik deed, was mijn zusje van school ophalen. Ik heb haar naar het strand meegenomen. De hele dag heb ik in de zon liggen bakken terwijl Lydia zandtaartjes maakte.’ ‘Ik dacht dat je niet van zonnen hield?’ merkt Jonas met fronsende wenkbrauwen op. ‘Nee, maar na acht maanden daar te zitten was ik echt een spook. Jij kunt trouwens ook wel een gezonder kleurtje gebruiken.’ ‘Ik weet het, ik weet het.’ ‘Jonas…’ mompelt Lydia terwijl ze aan Jonas’ mouw trekt. Jonas kijkt naar beneden en pakt haar op. Lydia slaat meteen haar mollige armpjes rond Jonas’ nek en geeft hem een kus op zijn wang. ‘En hoe gaat het met Lydie?’ vraagt Jonas. ‘Ik heet Lydia!’ ‘Ik noem je liever Lydie. Mag ik dat? Omdat ik het ben?’ Het kleine meisje denkt even na met haar rechterwijsvingertje in haar mond. ‘Oké dan,’ geeft ze toe. ‘Hoe is nu met je?’ ‘Goed.’ Jonas drukt een kusje op haar voorhoofd en zet haar weer neer. ‘Ik heb je echt gemist, hoor,’ richt Jonas zich weer tot Simon. ‘Die twee laatste maanden waren echt de hel.’ Simon lacht niet. ‘Was het dan zo erg?’ Zwijgend stroopt Jonas zijn mouwen op, waardoor zijn bont en blauwe geslagen armen ontbloot worden. ‘En de rest van mijn lichaam ziet er ook zo uit,’ mompelt Jonas. Simons gezicht staat vol afgrijzen. Met afschuw bekijkt Simon de blauwe plekken beter. ‘De lafaards. Als je alleen bent, durven ze wel.’ ‘Ja, met jou in de buurt durfden ze niet veel doen… Maar ja, Svens vrienden staan nu niet echt bekend voor hun dapperheid… En ik kreeg ook geen nieuwe kamergenoot.’ ‘Nee…’ Zuchtend doet Jonas zijn mouwen weer naar beneden. ‘Ik denk dat ik dat nog het ergste vond. Ik miste onze gesprekken.’ Simon glimlacht gevleid. ‘Ach, je hebt het overleefd.’ Het valt even stil. Aarzelend kijkt Simon Jonas aan. ‘Kun je al wat beter slapen?’ Jonas grimast. ‘Wat denk je zelf?’ Voordat er meer gezegd kan worden, komen ook mam en pap binnen. ‘Ha, zijn onze beste vrienden weer herenigd?’ vraagt mam. Jonas grijnst krampachtig. Pap dropt Jonas’ spullen op de tafel. ‘Omdat je eindelijk vrij bent, gaan we vanavond uit eten.’ ‘Oh, cool. Waar?’ ‘De Moustache, dat restaurant in de buurt van de dijk.’ ‘Ah, daar.’ Jonas kijkt even radeloos rond. Ondanks zijn zopas herwonnen vrijheid, voelt hij zich een beetje verloren. Hij bijt op zijn lip, een tic die hij al jaren heeft en die meestal opduikt als hij zich niet op zijn gemak voelt. ‘Wil je even alleen zijn met Simon?’ vraagt mam bezorgd. Jonas krabt in zijn haar terwijl hij knikt. ‘We kunnen anders naar het strand gaan. Even uitwaaien?’ Hij kijkt Simon aan. Die haalt zijn schouders op. ‘Mij best.’ ‘Oh! Mag ik mee?’ vraagt Lydia enthousiast. ‘Natuurlijk.’ Jonas neemt haar hand vast. ‘Om hoe laat zijn jullie terug? We hebben om half zeven gereserveerd,’ zegt mam nog snel. ‘Dan zijn we wel terug,’ belooft Jonas.   De buitenlucht doet goed. Jonas voelt zich weer heropleven. Hij heeft de kust net zo erg als haar gemist. ‘Dat ik dit ooit allemaal wilde opgeven…’ mompelt hij, verbaasd over zijn eigen domheid. In zijn stem is spijt duidelijk hoorbaar. Jamies gezicht komt op zijn netvlies tevoorschijn. Wat mist hij haar. Ze wandelen de dijk af en slenteren zwijgend over het strand, waar het heel druk is. Het mooie weer heeft honderden zonnekloppers naar het strand gelokt. Simon en Jonas geven Lydia elk een hand om haar niet kwijt te raken. Bij een hutje waar blauwe, groene, rode en gele vissen en in krullerige letters “De Groot” staan geschilderd, houdt Jonas halt. ‘Hier heb ik haar voor het eerst ontmoet,’ vertelt hij. Simon knikt. ‘Misschien zie ik haar nooit meer terug…’ zucht Jonas. ‘Wie ziet Jonas niet meer terug?’ vraagt Lydia nieuwsgierig. ‘Jonas’ vriendin,’ antwoordt Simon. Lydia kijkt verbaasd naar haar grote broer. ‘Ik ben toch Jonas’ vriendin? Wij zouden toch trouwen?’ Simon schiet in de lach. ‘Nee, gekkerd. Jij bent veel te jong voor Jonas.’ Hij drukt Lydia tegen zich aan. ‘Ik wil met Jonas trouwen,’ zeurt ze. ‘Maar jij hebt toch een kameraadje? Bart, niet?’ ‘Maar Bart…’ Lydia wil nog iets zeggen, maar ze weet niet hoe ze haar zin moet afmaken, dus ploft ze maar in het zand neer. Jonas glimlacht. Hij gaat naast haar zitten en slaat zijn arm rond Lydia’s schouders. Met haar hoofdje leunt ze tegen zijn schouder. Simon gaat ook zitten. ‘Het is hier gezellig,’ mompelt hij terwijl hij om zich heen kijkt. Jonas knikt. ‘Ik zat hier soms met Jamie. Het was zo’n geweldige tijd…’ ‘Een te korte tijd, zeker.’ ‘Dat ook.’ Het blijft even stil. Lydia prutst aan Jonas’ mouw. Tot zijn verbazing voelt hij een traan over zijn wang rollen. ‘Ik heb niet eens afscheid kunnen nemen.’

Eline__V
0 0

Maanzin

Hoewel hij in huis zat, was het koud buiten. Misschien zat hij echter niet meer in huis. Als de muren opgeblazen zijn en je op de brokstukken zit van wat je ooit je huis noemde, kun je dan nog zeggen dat je thuis bent, laat staan dat je in huis zit? Hij had een donker vermoeden dat dat niet het geval was. Al zijn vermoedens waren donker. Hij lag hier. Niet dood, niet eens halfdood, maar tegelijkertijd beroofd van alles wat hij had. Ook voordien was hij alles al kwijt geweest en nog waren ze erin geslaagd nog meer van hem weg te nemen. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn ledematen te bewegen. Eerst zijn benen, dan zijn voeten. De linker- en rechterkant afzonderlijk, opdat hij meteen zou weten waar de problemen zich bevonden. Links leken er geen grote problemen te zijn, maar zijn rechterknie weigerde dienst te doen. Durfde hij kijken? Was er iets engs te zien dan? Hij keek. Er was niets engs te zien. Geen bloed, geen open wonde, alleen een gescheurd en bevlekt gewaad. Hij nam zijn materiaal. Het was immers maar een knie. Xenion stond op. Het weinige dat nog rechtstond van het huis, ontnam hem het zicht op de withete maan. De rillingen liepen over zijn armen als kleine wormpjes die met zachte prikjes werden ingebracht in zijn huid. Ze spuwden vuur en drukten hun ijzige staartjes dieper in zijn huid. In de brokstukken ging hij op zoek naar wat hij zocht, maar hij kon het niet vinden. Alles was een puinhoop. Hij lachte groen en was meteen ook verbijsterd dat hij nog kon lachen. Nu zouden de mensen terecht kunnen zeggen dat zijn huis een puinhoop was, dat hij het verknald had, letterlijk en figuurlijk. Maar hij had het niet verknald. Hij had het helemaal niet verknald! Op een haar na was zijn plan geslaagd en dat lange fijne haar leek zijn hart te doorboren. Hij wist dat de gloed van de maan dat besef alleen maar pijnlijker maakte. De maangloed vergroot immers alle emoties uit en het was nog niet eens volle maan.Hij wist dat de blik in zijn ogen nu meer dan ooit terecht als verwilderd zou worden beschreven, maar hij kon er niets aan doen. Met gebalde vuisten bleef hij te midden van zijn brokstukken staan. Hij leek iets te zoeken, maar hij wist zelf ook dat hij het niet zou vinden. Het was een schande. Hij had blij moeten zijn dat hij het niet had kunnen vinden in de puinhoop. Anders was ze dood geweest. Hij duwde zijn lange nagels dieper in zijn handpalmen en wendde zijn gezicht naar de halve maan. Zou zijn Loena nu ook naar de maan kijken? Zou ze ook voelen wat hij nu voelde. Hij wist het niet. Hij wist niet waar ze was en hij durfde al helemaal niet te denken hoe ze het maakte. Schrikbeelden overtreffen de werkelijkheid immers altijd. Hij wist dat hij er niet aan mocht toegeven. De wormen die hij nu voelde zouden dan immers in slangen veranderen en dan was alles verloren. Als hij zich niet meer kon beheersen, zouden ze hem definitief laten opnemen en deze keer zou hij geen keuze hebben.Xenion sloot zijn ogen. Het licht van de maan kon niet onder zijn oogleden doordringen. Zijn gedachten hadden dus nog kans op plaatselijke opklaringen. Hij deed zijn ogen niet meer open en dacht na. Hij moest het doen. Met een wilde vaart begon hij in cirkels rond te draaien, maar zijn ogen hield hij gesloten. Ze zou hem wel weten te vinden. Of hij haar. Hier blijven was geen optie. De brokstukken waren van hem en hij zou zijn toren ook weer doen verrijzen. Maar niet nu. Zijn gesloten ogen vertelden hem dat hij nu moest conserveren en vertrekken. Hij twijfelde een seconde. Hij wist welke invloed de maan op hem zou hebben. De dolgeslagen waanzin was nabij. Hij deed het toch en zag het licht. Nu pas wist hij wat zijn missie was. Hij moest de halve maan weer volledig maken. Hij wist niet waar ze was, maar hij zou Loena vinden. Met vastberaden blik verliet hij zijn vertrouwde verbrokkelde omgeving.

Expialidocious
0 0

Sterrefietje

'Wat vind jij het mooiste aan de sterren, Florian?' 'Wat ik het mooiste vind?' 'Ja.' 'Ik weet niet, Edith... De sterren zelf, eigenlijk, denk ik.' 'Ik vind de sterren zelf helemaal niet zo speciaal...' 'Oh.' 'Het is de afstand en de onbereikbaarheid die alles speciaal maakt.' 'Ja, dat bedoelde ik.' 'Mmm...' 'En ik vind het ook mooi dat ze zoveel licht geven.' 'Sterren geven helemaal niet zoveel licht.' 'Ik vind hun zacht oplichtende verschijning leuk. Zo beter?' 'Ja.' 'Mooi.' 'Ga je de hele reis zo kribbig zijn, Edith? Ik heb er even geen behoefte aan. Je zou blij moeten zijn dat we er eens helemaal tussenuit zijn. Het zal je goed doen.' 'Hmm.' 'Ben je niet blij dat we hier samen kunnen zijn?' 'Jawel.' 'Zo komt het anders niet over.' 'Dan is dat maar zo.' 'Nee, dat mag helemaal niet.' 'Florian, doorheen het jaar ben jij anders wel de kribbigste van ons beiden. Nu is het even mijn beurt. Ok? Laat me gewoon even wennen aan de vakantie. Ik heb het hele jaar hard gewerkt en jij wou zou nodig meteen op vakantie vertrekken.' 'Ja, dat is toch super. Dan ben je er meteen uit.' 'Dat is helemaal niet 'super'. Ik zit nog helemaal in het werkritme en ik voel me onrustig omdat ik niets om handen heb. Ik heb zelfs hoofdpijn omdat ik niets heb om me op te focussen.' 'Hoofdpijn? Krijg jij hoofdpijn van vakantie? Dat is wel sterk.' 'Ja, hoofdpijn, ja. En een beetje begrip van jouw kant zou dan ook mooi meegenomen zijn.' 'Een beetje begrip? Edith, ik ben ongeveer de meest begripvolle man op deze aardbol. Ik regel een romantische sterrenhemelnacht aan het begin van onze vakantie, jij zit de hele tijd te mekkeren en ik ga er amper op in. En dan vind jij dat ik weinig begrip toon?' 'Je weet dat ik liever niet holderdebolder was vertrokken. Het is echt nog een zeer stresserende dag voor me geweest vandaag. Ik moest alles afhandelen waarvoor ik volgens mijn planning nog tot morgennamiddag de tijd had. Aangenaam is anders.' 'Ja, maar het is toch gelukt?' 'Dat wel, maar da's ook ongeveer alles wat je kunt zeggen. Ik ben er zeker van dat ik beter...' 'Edith alsjeblieft, laat het werk nu toch rusten. Je hebt vakantie. Ken je dat eigenlijk wel: vakantie?' 'Doe niet zo idioot.' 'Ik doe helemaal niet idioot. Jij kent dat concept nu eenmaal niet. Ik zal het je moeten leren. Kijk toch eens naar boven, lieve schat. Dat is toch gewoon mooi. Geniet daar dan toch eens van.' 'Maar ik geniet ervan.' 'Hoe komt het dan dat er daar zo weinig van te merken is?' 'Ik weet het niet.' 'Laat je werk nu gewoon een tijdje helemaal los. Je hebt dit verdiend... En als je naar boven kijkt, dan moet je toch de relativiteit van je werk ook gaan inzien. Want het is allemaal zeer relatief wat we doen.' 'Dat weet ik.' 'Dan is het goed.' 'Ik vind de sterren ook wel mooi. Fascinerend ook.' 'Dat zijn ze zeker. Niet in het minst omdat ze zo onbereikbaar zijn. Even onbereikbaar als jij soms voor me bent, Edith.' 'Wat zeg je nu weer?' 'Soms kan ik je gewoon niet volgen.' 'Dat is dan jammer.' 'Dat is het zeker… En nu doe je weer zo kribbig. Waarom toch? Ik doe mijn best.' 'Dat heb je dan wel zelf gezocht. Ik ga naar binnen. Ik ben moe en ik wil slapen.' 'Komaan, dat meen je niet. Het is veel te warm om nu al te gaan slapen. Hier heb je nog een fris windje.' 'Ik ben moe.' 'Je kunt hier toch ook even dutten. We kunnen zelfs slapen onder de sterrenhemel. Zou dat niet leuk zijn?' 'Nee, dat zou niet leuk zijn.' 'Komaan Edith, een beetje avontuur zoals in de goede oude tijden.' 'Oh ja, want jij bent een ontzettend avontuurlijke ziel. Ik ga slapen, Florian. Ik ben echt moe.' 'Edith. Wacht nog even. Laten we toch genieten van ons eerste avondje vakantie. We kunnen morgen toch uitslapen. Laten we eerst de sterren nog proberen te tellen, wat denk je?' 'We zullen ze morgen tellen, meneer de romanticus. Ze lopen niet weg. Slaapwel.'

Expialidocious
0 0

Licht

1 de boom De zon schijnt door het raam op mijn bed. Ik kijk van in de deur naar dat licht. Ik ben al een paar uur op, maar ik krijg het niet uit mijn hoofd. Het doet raar met de boom weg. Het licht zit niet meer vast in zijn kruin. Het is vrij nu. Ik zie plots veel meer: een lens op de grond, een pluk stof in de hoek, veel haar, een bord met droog brood, een tas thee die leeg is. Het lijkt wel of ik hier al lang niet meer woon, of een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood. Ik zet de tas in het bord en het bord op een stoel. Dan veeg ik al het vuil in een hoek. Ik maak een doek nat en wrijf elk ding glad tot het blinkt. Ik zet elk scheef boek weer recht. Dan kijk ik rond. Het lijkt nog steeds of ik hier al lang niet meer woon, en een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood, maar dan net voor men het huis weer te koop stelt. 2 de fiets Ik spoel mij schoon, droog me af, en kleed me aan. Dan eet ik brood met jam. Ik bel ook Troel op. Troel woont om de hoek. We gaan vaak met de fiets naar de brug. Hij mag me wel, Troel. Hij praat niet veel, maar ik weet dat ik zijn vriend ben. “Gaan we weer naar de brug?” vraag ik. Ik hoor veel wind in de lijn. Hij is vast al op weg. “Is goed. Ik ben er zo.” “Goed,” zeg ik, “ik zie je daar wel.” “Tot straks dan.” “Tot straks.” Ik ga naar het hok en neem mijn fiets die aan het raam staat. Het is geen weer meer voor een jas, maar ook nog geen weer voor een hemd of voor een trui. Ik heb niet graag te warm als ik fiets; ik rij me toch steeds in het zweet. En het zou hard gaan nu er geen boom meer recht stond in de stad. De wind heeft vrij spel nu. Net als het licht. Mijn wiel van voor draait rond en rond, spaak na spaak, in een rol van goud. 3 de brug Troel gooit een steen in de beek en ik leg mijn fiets naast die van hem op het gras. De brug in de lucht was hoog als een huis. Er kon vast wel een boot door. “Hoi Troel,” zeg ik. Hij werpt nog een steen. “Dag Paul,” zegt hij, maar hij kijkt niet om, “hoe gaat het?” “Goed hoor. Jij?” Troel werpt nog een steen, die drie vier keer op en neer springt en dan zinkt met een plop. “Ik moest al op school zijn,” zegt hij. “Hoe komt het dat je niet op school bent?” vraag ik. Hij zet zich naast me op het gras. “Het is vast de tuin. Ik slaap slecht nu die leeg is. Er is zo veel licht op mijn bed.” Dus ook bij Troel. Wat was er toch aan de hand in de stad? Plots staat Troel op en kijkt naar iets ver weg. Hij wijst. “Kijk, Paul!” Ik kijk en dan zie ik dat het een boot is, een boot met een vracht van hout. De boot komt op ons af. 4 de boot Troel is heel snel op de brug. Als ik naast hem sta, is de boot al niet zo ver weg meer. Met mijn hand als een klep scherm ik de zon af. Aan het roer meen ik een man met een baard van grijs glas te zien. Hij heeft een heel klein hoofd en een bril. “Waar gaat al dat hout heen?” vraag ik. Troel kijkt streng. “Ik weet het niet. Maar er klopt iets niet.” De boot is nu al aan de brug. Aan het eind van het dek hangt een groot blauw zeil dat spant als een pauk. “Zie je dat zeil ook?” vraag ik. Troel knikt. “Wat denk je?” Mijn hart klopt traag met de slag van een golf mee. De boeg boort door. “Ik weet het niet,” zeg ik, maar Troel weet dat we het gaan doen. Hij klimt de rand van de brug op en hapt naar lucht als voor een duik. “Wacht, Troel!” roep ik, maar mijn stem smoort weg in de ruis van het schuim. Hij is al weg. Tot slot spring ik ook. Ik spoel neer in lucht. 5 de man Ik val hard neer met een bons. Het zeil is niet zo zacht als ik eerst dacht. Als ik me recht zie ik hoe Troel op zijn knie wrijft. Hij bijt ook op zijn lip. “Doet het pijn?” vraag ik. “Valt wel mee,” kreunt hij, “maar we zijn toch op de boot nu. Kom.” Rond ons ruist de wind en golft het schuim. Hoog in de lucht drijft een meeuw met ons mee. Troel is snel. Hij kruipt op het hout dat strak spant door een lint van staal. Ik sluip zo stil als maar kan in zijn spoor mee. Al gauw zien we de hut van glas waar de man met de baard met de rug naar ons toe staat. Hij kan ons niet zien. Dan schuif ik plots uit op het hout, nat van het schuim dat uit de beek spat. Ik schiet uit naar de rand van de boot en roep iets. Troel grijpt mijn hand. Dan draait de man zich om. Zijn mond is een barst in glas. Zijn bril is zwart als mijn angst. 6 de val Langs de hut heen snijdt de zon Troel en mij dwars in twee. Wij staan schaak in goud en zwart. De man komt uit zijn hut met een tred die de boot heen en weer schudt. “Ik denk niet dat dit schip drie man droeg toen het van de kaai weg voer,” zegt hij kil. Troel slikt. “Al dat hout hier,” zegt hij, “waar ga je met al dat hout heen?” “Dat hout is mijn zaak. Of toch op zijn minst de zaak van mijn baas.” “Met welk doel?” vraag ik. De man lacht. “Dom kind. Wat gaat jou dat aan? Ga van mijn schip af. Ik heb haast. Ik ben al laat.” Troel trekt zijn borst op. “Doe maar,” pocht hij, “kom maar op. Jaag ons maar van je dek.” Nu wordt de man boos. Hij komt op ons af en trekt aan mijn trui. “Kom, jong, van mijn boot, en snel. Raus!” Troel schopt met de top van zijn voet op zijn been en de man stuikt neer in een schreew. Dan duwt Troel hem naar de rand van de boot. Hij valt in het schuim en plonst en klauwt en trilt als een lamp in een bad. En de boot, die vaart door, met wij twee op het dek, en de man in het zog van zijn kiel. 7 het roer Troel juicht en joelt. Hij loopt naar de hut en gaat aan het roer staan. Ik hoor de beek heel luid nu, iets dat klotst in het dek als een wijn in een ton. Mijn hart bonkt. “Was dat wel goed wat je deed met die man?” vraag ik. Troel houdt het roer vast met één hand. Ik sta nu naast hem in de hut. “Die man deugt niet,” zegt hij, “hij was door en door slecht. Dat zag je zo.” Dat weet ik ook wel. Maar toch. Ik kijk door de ruit voor ons, en stel daar mijn geest op af. Licht speelt links en rechts met het riet langs de beek. Traag kom ik tot rust. Ik zie een eend die haar staart nat maakt. Haar bek blinkt. Rond haar oog plakt een bruin blad, daar waar ze krabt met haar poot. Ik tel ook een mus of twee drie, hoog in een dans. Dat dit maar lang zo blijft, denk ik. Ik voel me goed, met mijn buik van pluis en Troel aan het roer. Ik vraag me niet eens af waar we heen gaan.

Pimpelpaarse Peperpot
0 0

Kerstverhaal

Tien voor elf is het. Nog iets meer dan een uur en dan gaan de vijf klokkentorens in de buurt om ter luidst de middernachtsmis aankondigen. Om de stilte die nu in huis hangt te doorbreken, slurp ik van mijn kop thee. Sinaasappel met honing en een speculaasje erbij. Zoete dingen, dat apprecieer ik in de winter het meest. Smaakt goed na de wortelpuree van daarnet. Dat was een restje van gisteren. Ik heb er ook een tosti kaas bij gemaakt. Zo zou hij dat noemen, denk ik, Henk, een ‘tosti kaas’, terwijl ik het zelf een ‘vegetarische croque monsieur’ noem. De laatste keer dat hij hier was, hebben we samen wortelpuree gegeten. Ik vraag me af of ik het daarom vandaag ook gemaakt heb. Een onbewuste associatie. Mijn maag rispt op. Die sinaasappelthee komt niet uit een zakje. Heb ik ook van hem geleerd. Hebben we in het begin veel ruzie om gemaakt. Hij weigerde geprepareerde theebuiltjes te kopen. Het moesten altijd losse kruiden zijn. Goedkoper en verser, volgens hem. Na vijf jaar neem je dat dan over, zo’n gewoontes. Ik vraag me af wat hij vanavond doet. Of hij toch weer naar zijn vader en moeder is gegaan. Of hij daar in dat rode gecraqueleerde salon ovenhapjes zit te eten die zijn moeder de dag zelf nog in de supermarkt is gaan halen. Als er al ovenhapjes zijn. Zou ze dit keer zelf gekookt hebben? Of zouden ze weer naar het frietkot gaan, zoals drie jaar geleden, de enige keer dat hij mij zover heeft gekregen ook de reis naar Rotterdam te maken. Mee het huis binnen, een doodnormaal rijtjeshuis. Ik had een grot verwacht na alle beschrijvingen die hij me had gegeven. Ze had gestofzuigd, zijn moeder, en het enige vuil dat ik vond was een pizzakorst achter de zetel. En wat ondefinieerbare bruine korrels in een scheur in het rode leer. Ik heb toen later op de avond gedaan alsof ik een brok vispastei van het bladerdeeg had laten vallen, de kruimeldief gezocht en de zetel schoon gemaakt. Toen waren ze er alleszins wel, ovenhapjes. De rook hing tot in de woonkamer. Vorig jaar hebben we kerst met z’n tweeën hier thuis gevierd. Ik had zijn ouders uitgenodigd, maar hij zei me dat ze het geld niet hadden om naar Brussel te komen. Ik weet niet of dat waar was. Hij had gekookt. Steak met pepersaus, zijn specialiteit. Hij is nog chef-kok geweest. Ik kan nog steeds niet zo’n lekker vlees bakken als hij. Ik had voor kaarsjes gezorgd, en cadeautjes. Die had ik onder de kamerplant gelegd, voor een kerstboom had ik het geld niet. Hij had nog voorgesteld er eentje voor me te halen van op het Sint-Kathelijneplein. Hij weet hoe nostalgisch ik word van die dennenlucht. Mijn ouders vroeger kochten altijd de grootste boom. Zo hoog waren die dat ik er nooit een piek op kon zetten. Met mijn moeder hing ik de boom vol ballen en slingers. We bakten ook figuurtjes van zoutdeeg en die hingen we er ook in. Ik heb het recept nooit op internet opgezocht. Ik zou niet kunnen verdragen dat internet iets weet dat enkel mijn moeder wist.   Twintig na elf. Ik slurp nog eens van mijn thee. Ik heb geen muziek op gezet. In kersttrielala heb ik geen zin, koormuziek zou me te veel aan mijn vader doen denken, de poppige rockige radiostroom hoor ik al genoeg op andere avonden. De kerktorens zijn nog stil. Onze Spaanse bovenburen houden een luidruchtig feest. Heel de familie is overgekomen uit Barcelona. De hele dag al is het een binnen- en buitengeloop van kinderen, amper zichtbaar onder hun wollen mutsen, pubers die liever hun vingertoppen eraf laten vriezen dan volledige handschoenen te dragen, hun ouders die met de meest bizarre vormen van cadeaus komen aanzeulen. Ik had voor mijzelf ook een cadeautje gekocht deze avond. Ik heb het door de kassabediende laten inpakken. Ik doe het straks om twaalf uur open. Het zit nog in mijn tas. Die kamerplant van vorig jaar heeft hij meegenomen. Ik heb nog niet de tijd gehad een nieuwe te kopen. Zo’n zes weken nu leef ik in een half huis. Het verbaast me dat ik zo goed op de hoogte ben van het tijdsverloop. Ik zou niet kunnen zeggen hoeveel weken het geleden is dat ik Anja nog heb gezien, of Liesbeth. Of hoeveel weken het geleden is dat ik nog eens naar het park ben gegaan, of naar een dansvoorstelling. Ik weet ook niet hoeveel keer het kopieerapparaat op school stuk is geweest het afgelopen jaar. Maar ik weet wel hoeveel keer ik gevreeën heb het afgelopen jaar. Mo had me aangesproken terwijl ik op een bankje naar voetballende kinderen zat te kijken. Hij was eerst druk in de weer met zijn i-pod en dan begon hij, heel vriendelijk. Of ik hier vaak zat? Of ik in Brussel woonde? De blik in zijn ogen was rustig, alsof hij met het hele leven in het reine was. Brede schouders had hij, wat mij het gevoel gaf dat hij vanuit zijn hart sprak. Ik was het die zijn nummer vroeg op het einde van het gesprek. En of hij overmorgen zin had wat te gaan drinken? Het was krokusvakantie. Henk zat voor een congres in weet ik veel waar. Henk wilde niet dat ik stopte met de pil. Mo wou zeven kinderen, vertrouwde hij me toe in Bar Beton. En dat hoefde geen jaren meer te duren. Hij had een Arabisch salon in zijn kleine woonkamer. Of toch één bank bekleed met blauw fluweel en gouddraad. Ik vraag me nog steeds af hoe hij dat logge, rechthoekige meubel boven op de derde verdieping heeft gekregen. Het was even ruim en comfortabel als een tweepersoonsbed.     Twintig voor twaalf. Mijn thee is op. Ik twijfel of ik nog nieuwe moet zetten, of maar gelijk in de rode wijn vlieg. Of jenever? Er hadden wel enkele vrienden gevraagd of ik kerst niet bij hen kwam vieren. Ik geloof dat ook enkele collega’s samen gingen hokken vanavond. Ik besluit voor de jenever te gaan. De fles is al half. Ik kan me niet herinneren wanneer ik de vorige helft heb opgedronken. ‘Into the wild’ van Eddie Vedder. Die film hebben Henk en ik samen gezien. Allebei de ogen uit onze kassen gehuild en nog nooit zo’n goede seks gehad. Ik had Mo die film ook aangeraden. We hebben samen gezien. Hij vond er niks aan. Toen heb ik mijn keuze gemaakt. Of was dat daarvoor al, toen hij over ‘negers’ begon, toen hij zei dat zwarte mensen stonken en geen cultuur hadden. Het was alleszins nog voor Henk terug was van weet ik veel waar, dat ik Mo heb verteld dat ik niet de moeder van zijn zeven kinderen zou worden. Ik ben Henk gaan ophalen op de luchthaven. Ik maar wuiven tussen al die wachtende mensen. Hij was verbaasd. Het eerste wat ik opmerkte was zijn geur. Ik had Henk nog nooit eerder geroken. Het was een mengeling van zweet, rook en scheerschuim. Het wond me niet op, wat heel anders was dan voor hij vertrok en zijn lijf maar in geurafstand van mij moest zijn om me geil te maken. Hij kuste mij. Ik proefde chocolade. ‘Wat brengt jou hier?’ Was dat achterdocht in zijn stem? ‘Ik dacht, laat ik hem verrassen. Vind je het leuk? Hoe was het?’ Ik weet niet eens of ik toen wél wist waar hij geweest was. Bahrein, Bangladesh, Signapore, New York, Kaapstad, ik hield het niet meer bij. Als hij me eens meegenomen had… Maar daar had de firma geen geld voor, volgens hem. Ik kan nog steeds niet geloven dat hij in geen hotelbar of hotelkamer, op geen enkel reisje, nergens, een meisje… Dat is wel wat hij beweerde, toen ik het opbiechtte van Mo, dat hij nooit.   De klokken luiden. Is het toch middernacht geworden. Kan ik mijn pakje openen. Ik open mijn rugzak, neem het vierkantige cadeautje met gouden papier en een witte strik eruit. Ik laat mijn rugzak vallen en de rest van de inhoud rolt over het parket. Een predictor. Was ik al vergeten dat ik dat gekocht had. Zes weken geleden is Henk al zijn spullen komen ophalen met een kleine huurvrachtwagen. Ik was er jaloers op hoe hij zonder enig probleem door onze kleine straat manoeuvreerde. De vorige keer dat ik dat probeerde met iets dat groter was dan onze twingo, heb ik de spiegels eraf gereden. Hoe Henk al zijn meubels in zijn eentje in die vrachtwagen kon laden. Dat heeft me altijd gefascineerd aan hem: dat zo’n intelligente man zo’n sterk en soepel lijf kan hebben. Ik ben al zes weken niet meer ongesteld geweest. Ik urineer eerst, en doe dan het pakje open. Een nieuwe cd van Eddie Vedder. Ik zet hem meteen op. Ik kijk naar de predictor. Een roze lijn. Om zeker te zijn kijk ik nog eens in de gebruiksaanwijzing. Het betekent wel degelijk dat ik zwanger ben. Ik heb spijt dat ik geen twee predictors heb gekocht. Dit kan onmogelijk waar zijn. Van Henk mocht ik, zelfs na Mo, niet stoppen met de pil. Ik heb dat pas gedaan toen alles al zo goed als voorbij was. Toen we in Parijs elke dag ieder een ander museum bezochten, elke avond allebei alleen naar een ander concert gingen, toen we aan de balie van het hotel zelfs vroegen of er geen kamers voor twee waren zonder een dubbel bed dat uit één stuk bestond, heb ik besloten ermee op te houden, met die hormonen. Dat was in juli. Die vakantie was al lang van te voren geboekt en we vonden het allebei jammer van het geld om het te laten schieten. Ik wilde nog voorstellen om het tripje cadeau te doen aan zijn ouders, dan kwamen die ook hun huis nog eens uit, maar dat leek me gezien de omstandigheden ongepast. De enkele keren dat we die maanden daarna nog vreeën met elkaar, waren zo vluchtig dat hij niet eens merkte dat mijn borsten kleiner geworden waren.   De kerkklokken gaan niet meer luiden vannacht. Eddie Vedder zingt. De roze streep licht te schreeuwen op de salontafel. Ik neem nog een glas jenever. Ik denk aan al die mensen die nu in de middernachtsmis zitten. Zouden dat er veel zijn, hier in het centrum van Brussel? Zouden er nog jonge mensen bij zijn? En kinderen? Vroeger met mijn ouders was dat één van de hoogtepunten van het jaar voor mij. Midden in de nacht, door de kou, als het gesneeuwd had mocht ik op de slee, naar de kerk. En daar dan alle kinderen van mijn klas zien. Met rode wangen en druppende neuzen. De oudere kinderen die het kersttoneel speelden. Zelf heb ik een keertje engel mogen zijn. Mijn moeder had vleugels gemaakt van karton en die vol watten gekleefd. Ik mocht een witte nachtjapon van haar dragen. Die was veel te groot natuurlijk, maar mijn vader grinnikte dat dat wel bij een engel paste. Ik vraag me af of hier in Brussel ook kinderen zich verkleed hebben in Maria en Jozef en de herders en de schapen. En of er een moeder zou zijn die haar baby’tje, op het hoogtepunt van het verhaal, in de kribbe wil leggen. Ik had gehoopt dat Henk zou bellen vanavond. Het ziet ernaar uit dat ik diegene zal zijn die initiatief zal moeten nemen. ‘I love you more than you know’ zingt Eddie. Henk huurt een appartementje in Schaarbeek. Ik ben ermee heen gereden, toen met die vrachtwagen. Hij woont er op de vierde, en hij mag dan wel sterk zijn, dat leek me toch te veel werk voor een man alleen. In de vrachtwagen zette hij Studio Brussel op. Samen luisterden we altijd naar Radio Nostalgie. We zijn nog meer dan twee uur bezig geweest met al die meubels. Ik moest me inhouden om ze niet meteen op hun plaats te zetten en zijn appartement gezellig in te richten. Toen we de laatste ladenkast samen de trappen op hadden gesleurd, dat was nog niet zo eenvoudig, want we moesten ze bij elke draai in de trap over de trapleuningen heen heffen, konden we ons niet meer beheersen. Misschien was het ook het zweet, de feromonen in die traphal. Dat van die geur had zich toen al enkele maanden weer hersteld. Toen we terugkwamen van de luchthaven hebben we die nacht nog een lichamelijke verzoening gehad. Mijn lichaam is Mo sinds die nacht weer vergeten. Wat de afstand en de urenlange gesprekken en ruzies alleen maar moeilijker maakten.   Ik heb nog zes ingevroren appelstrüdels in de diepvriezer liggen. Die krijg ik mijn eentje nooit opgegeten. Zou hij nu ook alleen op zijn appartement zitten? Kijkend naar die ladenkast? Zou hij het gezellig ingericht hebben? Zou hij nieuwe vloerkleden gekocht hebben? En die kamerplant, zou hij er wel goed voor zorgen? Zou hij de onderburen vragen om hem water te geven als hij op congres was? Het is een kwartier fietsen van waar ik woon naar hem. Het sneeuwt niet. De kerstmarkt in Brussel heeft een nepsneeuw kanon moeten boven halen. Het vriest zelfs niet, geloof ik. De Spaanse buren zijn aan de kerstliederen begonnen. Een verschrikkelijke Spaanse kakafonie dringt mijn plafond door. Ik moet mijn best doen om er de melodie van ‘Stille nacht, heilige nacht’ in te herkennen. Als dat zo door gaat, slaap ik de komende drie uren nog niet. Ik houd de predictor nog eens onder de leeslamp. Het roze fluoriceert in mijn ogen. Ik haal de appelstrüdels uit de diepvriezer en stop ze in mijn rugzak. Ik zoek mijn draagbare fietslampjes en installeer ze op mijn stuur en bagagedrager. Jas, sjaal, misschien moet ik toch een andere jurk aan? Die rode met die diepe uitgesneden rug die hij zo sexy vindt? Met mijn zwarte naaldhakjes waar hij zo opgewonden van wordt? En welke panties? Nog twintig minuten duurt het voor ik tevreden ben. De Spanjaarden zingen hun versie van ‘Er is een kindeke geboren op aard’ terwijl ik extra make-up opdoe. En parfum. Zodat ik na de fietstocht niet te hard naar zweet ruik. Mijn gsm gaat.   ‘Henk?’ ‘Vrolijk kerstmis.’ ‘Jij ook. Hoe gaat het met je? Ben je thuis?’ ‘Ja.’ ‘Is het goed als ik even langs fiets?’        

Leen De Graeve
0 0

Demonenmeester (1e hoofdstuk)

Alle voorbereidingen waren getroffen. Cassandra had de beschermingscirkel met krijt op de woonkamervloer getekend en twaalf zwarte kaarsen verspreid rond deze cirkel op ongeveer gelijke afstanden van elkaar gezet. Zelf zat ze op haar knieën op een kleine meter van de cirkel met een dertiende zwarte kaars vlak naast haar. Een gezegend offermes lag rechts van haar op de grond binnen haar bereik. Ze hield de tekst met de bezwering in haar handen. Eerder voor de zekerheid dan dat ze hem niet kende. Soms probeerden demonen hun oproepers zo van hun stuk te brengen dat ze de bezwering vergaten waardoor de demon los kon breken uit de beschermingscirkel en zijn oproeper doden. Daarna zou hij vrij spel hebben op aarde. Lage Demonen waren hier niet sterk genoeg voor, maar Cassandra nam liever het zekere voor het onzekere. Ze sloot haar ogen en concentreerde zich. Langzaam en duidelijk articulerend, uitte ze de bezwering: “Heer der Duisternis, kom tot mij. Aanhoor mijn bevel, proef mijn bloed.” Na deze woorden sneed ze met het offermes in de palm van haar hand. Meteen welde er bloed op. “Dit is mijn offer aan u. Kom en neem het in ontvangst.” Ze kneep haar hand samen. De snee pikte verschrikkelijk, maar ze negeerde de pijn. Haar concentratie moest volledig op de bezwering gericht zijn.  Drie druppeltjes bloed vielen bovenop de kaars naast haar. Die drie druppels stonden symbool voor de verbintenis tussen een oproeper en de demon: aanwezigheid, gehoorzaamheid en waarheid. De kaars siste en de vlammen kregen een rode gloed. De nu eveneens rode rook van de andere kaarsen zweefde naar het midden van de cirkel waar hij dichter op elkaar pakte tot een grillige, ronde vorm. Langzaamaan kreeg de dichte rook vastere vorm. Twee ronde bogen bovenaan de rookwolk werden horens. Aan de onderkant verschenen twee bokkenpoten.  Zienderogen veranderde de rook in vlees en huid en haar. Toen de rook helemaal opgegaan was, zat er een klein donkerrood wezentje in het midden van de cirkel. Het had een brede mond waarvan de onderkaak verder naar voren stak dan de bovenkaak. Dit kwam waarschijnlijk door de 2 slagtanden die uit de onderkaak groeiden en bovenop de bovenlip rustten. Het wezentje was naakt en geslachtsloos. Twee kleine horentjes sierden zijn kale kruin. Een miniatuur-faun. Snel maakte Cassandra de bezwering af. “Door mijn bloed ben je gebonden. Enkel met mijn bloed kan je weer gaan.” Ze verhitte het mes in de kaars naast haar en plaatste het hete lemmet op de open wonde. Die sloot zich sissend. Cassandra beet op haar tanden. Het dichtmaken van de wonde was zo mogelijk nog pijnlijker dan het bloedoffer zelf. Dit deel van de bezwering was nodig zodat de cirkel volledig afgesloten werd. Van zodra de demon weer uit de cirkel verdween, zou ook het litteken verdwijnen. Vroeger werd het sluiten van de wonde al eens overgeslagen uit angst beschuldigd te worden van hekserij, maar hierdoor konden demonen gemakkelijk ontsnappen uit de cirkel. De kleinste oneffenheid was voldoende. Vele demonenoproepers waren nodeloos gestorven door deze onoplettendheid, wist Cassandra. Dat had ze gelezen in “De Geschiedenis der Bezweerders”. Dat boek had ze jaren geleden gekocht op een rommelmarkt. De verkoper wist niet wat voor schat hij haar in handen gaf voor amper 2 euro. Ze had al vaak haar leven te danken gehad aan dat boek. De kleine demon tilde zijn hoofd opzij en keek haar aandachtig aan. “Wat wil je, mensss?” De diepe stem weergalmde door haar kleine woonkamer. Hij lispelde een beetje, vermoedelijk door die zware slagtanden. De zware kelderstem paste totaal niet bij het kleine wezentje. Dit was zeker niet zijn ware vorm. Demonen toonden die maar zelden aan mensen, had Cassandra in “De Geschiedenis der Bezweerders” gelezen. “Vertel me je naam,” beval ze. Gebonden door de spreuk, kon het wezen niet anders dan antwoorden: “Nybbasss.” Cassandra greep snel een van de boeken naast haar op de grond - de enige, maar ook wel meest volledige, demonenencyclopedie die ze bezat - en zocht naar de naam “Nybbas”. Nybbas bleek een inferieure demon. Hij stond bekend als een charlatan eerste klas. Niet zelden kreeg hij het voor mekaar de Hoge Demonen met zijn leugens tegen elkaar op te zetten. En op een of andere manier kwam hij altijd als overwinnaar uit die strijd. Perfect. “Ik heb informatie nodig.” De demon grijnsde. “Voor de juisste prijss, heb ik alle informatie die je je maar kan inbeelden.” Hij maakte een kleine buiging. “Tot uw diensst.” “Ik wil een Hoge Demon kunnen oproepen.” Nybbas’ ogen werden groot van verbazing. “Dat kan je niet. Nu toch nog niet, ssterveling.” “Waarom niet?” “Denk je echt dat je een Hoge Demon kan tegenhouden met een krijtcirkeltje?” hij spuwde erop en de fluim ging sissend in rook op. De demon fronste zijn wenkbrauwen. Cassandra keek naar beneden. Ze vermoedde al langer dat haar cirkel ontoereikend was. Nybbas had dat nu bevestigd. Ze zuchtte en dacht na. Ondertussen trippelde de demon op zijn korte beentjes heen en weer langs de rand van de cirkel. Hier en daar stak hij zijn vinger uit om de kracht te testen, maar hij werd telkens door een onzichtbare muur tegengehouden. Uiteindelijk kruiste hij zijn armen achter zijn rug en keek haar afwachtend aan. “Denk je trouwensss dat zsszze dat druppeltje bloed gaan aanvaarden alsss bindmiddel?” onderbrak hij haar gedachten. “Begrijp me niet verkeerd. Je bloed isss heel lekker, maar dat gaat een Hogere Demon nooit genoeg vinden!” Ze knikte. Dat had ze inderdaad al gelezen. De prijs om een Hogere Demon op te roepen was hoog, voor de meesten zelfs onbetaalbaar. Maar meer stond er niet in haar boeken. Zelfs geen hint naar wat die onbetaalbare prijs dan zou zijn. Voor Cassandra was echter geen prijs te hoog! Ze moest en zou een Hogere Demon oproepen. “Dat weet ik. Daarom dat ik de kennis wil zodat ik op de juiste manier een Hogere Demon kan oproepen.” Nybbas schudde zijn hoofd: “Die informatie heb ik niet.” “Wat?” Nybbas haalde zijn schouders op en ging in kleermakerszit voor haar zitten. De kleine faun-demon bleek verrassend lenig dat hij zijn bokkenpoten over elkaar kon kruisen. “Ik weet dat deze ccsssirkel niet voldoet, maar ik weet niet wat wel volsstaat.” Cassandra kneep haar ogen tot spleetjes. Ze geloofde hem niet. Nochtans was Nybbas gebonden tot waarheid. Dat betekende echter niet altijd dat demonen altijd de waarheid spraken. Ze waren meesters in politieke spelletjes en konden heel vaardig de waarheid omzeilen en toch net niet liegen. Dus moest ze haar vraag anders stellen. “Kan het met een cirkel?” Nybbas knikte. “Ja,” luidde zijn korte antwoord. Hij leunde nu achteloos op zijn ellebogen, maar zijn priemende geitenogen uitten duidelijk zijn ongenoegen dat ze hem doorzien had. “Met krijt?” Opnieuw knikte de kleine demon. “Ja.” “Moeten er speciale tekens toegevoegd worden?” Met onverwachte snelheid stond de demon recht voor haar. Enkel de dunne cirkel en enkele centimeters lucht scheidden hem van haar. Onwillekeurig deinsde ze achteruit. Nybbas grijnsde, maar zijn plezier was van korte duur. Met een diepe zucht antwoordde hij opnieuw. “Ja.” “Welke tekens?” Cassandra’s stem trilde. Zo dicht was ze er nog nooit bij geweest. “Die ken ik niet.” Nybbas’ grijns liep van oor tot oor. “Wie weet het wel?” “Dat weet ik niet. Het isss nogal gevoelige kennisss.” Inwendig vloekte Cassandra. Zo dichtbij! En toch net weer niet. “En de bezwering? Hoe luidt die?” Nybbas schopte tegen de cirkel. Kleine bliksemschichten schoten uit de cirkel en verschroeiden zijn hoef. Toch gaf de demon geen kik. Cassandra’s hart, daarentegen, bonsde bijna uit haar keel. “Ook dat ga je aan iemand anderssss moeten vragen. Laat me er nu uit. Ik heb genoeg van je vragenssspelletje.” Cassandra dacht na. Had ze echt alle mogelijke vragen gesteld? Ze keek op de klok. Het was bijna middernacht. “Laat me gaan!” schreeuwde Nybbas en hij schopte opnieuw tegen de cirkel op net dezelfde plaats als net. Met afgrijzen zag ze hoe zijn hoef deze keer gewoon door de cirkel ging en hem niet meer verschroeide. De wenkbrauwen van de demon gingen omhoog. Daarna trok hij zijn poot terug en zwierde die naar achter duidelijk met de intentie nog een derde keer te schoppen, met alle kracht die hij als klein wezentje bezat. Cassandra was hem echter voor. Snel sprak ze de ontbindende bezwering uit, een combinatie van enkele oude Hebreeuwse woorden waar ze in het begin dagen op gestudeerd had om de uitspraak juist te hebben. “Ga heen, demon. Keer terug naar je eigen dimensie. Ga heen en sluit de poorten van de hel. Het bloed is ontbonden”. Daarna likte ze aan de brandwonde. Het speeksel ontdeed het bloed van zijn bindende krachten. Terwijl Nybbas terug in rook veranderde, zag ze nog hoe de demon laatdunkend voor haar boog. Zijn stem weergalmde vlak voor hij helemaal verdween: “ik zal de groeten doen aan je mammie en pappie!” Daarna keerden de kaarsen weer terug naar hun normale, geeloranje kleur. De bezwering was voorbij. Leeg en met tranen in de ogen staarde Cassandra naar de plaats waar net de demon nog had gestaan. Zijn stem echode door haar hoofd. De groeten aan je mammie en pappie. Met een plotse woede smeet ze het boek door de kamer. Ze was nog geen stap dichterbij.

Endeve
0 0

Treurwilg

Nacht valt over de kermis. Neonlichten dompelen het terrein onder in een broeierige sfeer. Dit is geen plaats meer voor ouders en hun kinderen. De nachtbrakers hebben nu de macht; het kwetterende gelach heeft plaatsgemaakt voor dronkenmansliederen. De carrousel draait nog dapper door, maar ook zij speelt een ander deuntje. Dat kan de bezoekers slechts weinig schelen. Ze slenteren verder en negeren de waarzegger die alleen maar onheil predikt. Iedereen is op weg naar het spookhuis. Hier kan men zijn moed tonen, voor de kick of voor een huiverende omhelzing van dames in nood. De durfallen betalen het ticket, rechten hun schouders en leggen dapper het afgelijnde traject af. Niemand waagt het om voet te zetten voorbij de barrières, daar ligt de verboden zone. Sommigen klimmen op de hekken, nieuwsgierig naar wat daar achter te zien is. Niets dan duisternis, het doet hen huiveren. Ze lachen nerveus en vinden altijd wel een uitvlucht om niet van het traject af te wijken. Voorbij die hekken, verbolgen door de duisternis, schuilt Livia, onttrokken aan nieuwsgierige blikken. Al deze stoere jongens passeren haar zonder het te beseffen, ze moet er haast van lachen. Niemand van hen is geneigd om een stap in haar wereld te zetten. Wat een stelletje helden… De uren waaien voorbij en alcohol schenkt nieuwe moed. Mensen maken zich sterk en dagen elkaar uit om over de hekken te kruipen, om de verboden zone te betreden. Één van hen, een jongen gesterkt door de drank, bijt de spits af. Aarzelend waadt hij door de duisternis, steeds dichterbij, totdat Livia hem haast kan aanraken. “Wat kom jij hier doen?!” ze vervormt haar stem, diep en zwaar. De jongen schrikt op en ziet er uit alsof hij het in zijn broek heeft gedaan. Wanneer hij Livia opmerkt, recht hij zijn houding. “Je hebt me laten schrikken, teef!” Ze haalt haar schouders op. “Dat is dan ook de bedoeling in een spookhuis. En nu opkrassen voordat ik jouw mammie roep.” De jongen komt wat dichterbij. “Wacht eens even, ben jij…” “Wegwezen!” De jongen houdt zich sterk maar Livia duwt hem zonder moeite terug tot voorbij de afsluiting. De jongen krabbelt recht en kiest het hazenpad. En Livia? Zij verdwijnt ze terug in de duisternis. “Wat een mislukkeling.” Die stem kwam van achter haar. Livia draait zich om en kijkt recht in twee brutale ogen, nog een jongen… Ze doet enkele passen naar voren om hem beter te zien. “En jij bent dat niet?” De jongen maakt een buiging. “Ik ben slechts een wezen van de nacht, en jij mijn… treurwilg.” HAH! Nog eentje. Livia kan haar lach niet onderdrukken. “Luister, ventje, je zult beter moeten doen dan die goedkope praat.” “Wat dacht je hiervan?” Hij neemt Livia beet en trekt haar naar zich toe. Hun lippen raken terwijl hun tongen dansen als adders. Zijn handen graaien gretig naar meer. Livia wendt het hoofd en duwt de jongen van zich af. “Is de nachtraaf soms bang van het licht? Kom mee, ik weet wel een betere plaats.” Ze grijpt hem bij de pols en sleurt hem mee, voorbij de kartonnen grafzerken, plastic monsters, schedels en knekels. In de verte knippert er een zwak groen licht. Wanneer ze dichterbij komen, wordt het woord dienstingang zichtbaar. “Daar?” vraagt de jongen. “Mijn spel, mijn regels. Kom op man, open die deur.” “… Hij is gesloten.” “Oh krijg toch de,” de rest van haar vloek gaat verloren in het kraken van de deur. Ze voelt amper de splinters die zich aan haar voet hechten. “Kom mee!” TL-buizen verlichten één enkele grafzerk. “Hier?” vraagt hij. “Ja hier! Ben je soms ba...” Maar de jongen duwt haar ruw tegen de muur en grijpt haar langs achteren. “Wat, ben jij soms een mietje?” grinnikt ze, “wees een man en kijk me in de ogen.” De jongen slingert haar op de grafzerk en drukt zijn gewicht op haar. Jaah… dat is het… Kleren scheuren en Livia graaft haar nagels in zijn rug, dieper en dieper. De jongen schreeuwt het uit maar zij laat niet los. De voorstelling is nog maar pas begonnen. Livia voelt haar huid tintelen; net onder het oppervlak kronkelt er wat. Zij worden rusteloos, zij willen naar buiten. Livia geniet van het moment en neemt ieder detail van de jongen in zich op. Zijn gelaatsuitdrukking verraad één enkele emotie: doodsangst. Dat gevoel brengt haar terug naar de eerste keer dat zij met ‘hen’ in contact kwam. Ook al herrinert ze de details niet meer, de angts en de walging zijn haar altijd bij gebleven. Nu... is zij één van hen. Het geschreeuw reikt tot buiten het spookhuis. Passanten gniffelen en schudden het hoofd: “Weer eentje die niet kan wachten tot hij buiten is.” Livia lacht hartig mee; zij weet dat dit exemplaar het huis nooit zal verlaten.

Maarten
0 0

Het spel

De klok tikt. Ze tikt. Ze tikt maar door. Morgen. Morgen zullen we wel zien.   Voor mij ligt het restant van wat niet zo lang geleden een berg cocaïne was. En ik. Ik ben ‘s werelds grootste bergbeklimmer. Meesteralpinist.   Kon ik maar slapen. Maar in mij brandt nu het vuur van duizend zonnen. Eeuwig. Gewelddadig.   Er is een vrouw. Mijn vrouw. Van mij. Gewonnen in een pokerspel. Nee, mijn talent voor manipulatie nemen ze me nooit meer af. Niet dat. De menselijke geest is mijn speeltuin. Ha! Round and round we go!   Naast de bestofte spiegel ligt een revolver. Een kanon. Magnum .44. Ik hou van mooie dingen. Bombastische dingen. Ik draag mijn beste zwarte pak. Italiaans maatwerk. Achter de revolver staat mijn heupfles. Zilver, met mijn initialen zwierig gegraveerd in het ranke lichaam. De Bourbon die er in zat, die zien we nooit meer terug.   Wall Street. Fuck! Ik doe nog een lijn en neem de revolver in mijn hand. Het is een aangenaam gevoel. De manier waarop het beest perfect gebalanceerd in mijn klauw past. Door het gewicht voel ik me oppermachtig. Het ivoren handvat glijdt als fluweel door de palm van mijn hand. Ik laat de cilinder draaien en mik. Ik mik op de muur tegenover me. Wat een kale muur. Ooit was hij wit. Nu kijkt hij me spottend aan met z’n bruine vochtplekken.   De vrouw. Achter de muur moet ze ergens zijn. Of misschien is ze boven. Ach wat! Het maakt ook allemaal niet uit!   Ik balanceer op de achterste poten van de gammele stoel, maar houd mijn blik strak gericht op die verdomde muur. Dirty Harry. Klaar om de trekker over te halen. Ik veins een schot en de ingebeelde terugslag brengt mijn hand naar omhoog. Even lijkt het alsof ik mijn evenwicht zal verliezen, maar nee. De stoel staat weer met al z’n voeten op de grond. Cool.   Rechts van me staat het zware eikenhouten bureau. Ik heb het tegen de deur geschoven. Niemand komt erin. Niet vannacht. Buiten woedt een storm. De helft van New York is naar me op zoek.Boven hoor ik gestommel en het gerinkel van glazen. Ik schreeuw tegen de vrouw dat ze stil moet zijn. Verdomde hoer.   Je moet het heft stevig in handen houden. Ook als de wereld om je heen in elkaar stort. Er is slechts één weg, één richting en dat is vooruit.   Op het schap achter me staat een ouderwetse radio. Naast gekraak hoor ik occasioneel ook muziek. Tom Waits herkauwt een zeemzoete ballad met de finesse van een versleten betonmolen. Ik sta recht en trek mijn vest uit. Voorzichtig hang ik het over de stoel. Ik stroop mijn mouwen op. Eerst links. Dan rechts. Uit de borstzak van het vest vis ik mijn ebbenhouten kam. Ik tem mijn gitzwarte haren met drie precieze halen.   Ik wandel rond de tafel. Eenmaal. Tweemaal. mijn lederen schoenen kraken. De houten vloer kraakt. Alles kraakt.   Die verdomde vrouw. Ik had ze nooit mogen accepteren. Ze ziet er goed. Dát wel. Maar wat moet ik nu in godsnaam met een vrouw?   God. Vanaf het kruisbeeld boven de radio staart die deemoedige lul me afkeurend aan. Ik laat hem kordaat mijn middenvinger zien en vraag ‘m wat-ie er van vindt. Geen respons.   Ik trek de bovenste lade van het bureau open en vind wat ik zoek. Wat ik nodig heb. Een pakje Lucky Strike, gouden aansteker erbovenop. De klik van de aansteker. De vlam waar voorheen niets was. Het knisperend geluid wanneer vuur en sigaret elkaar ontmoeten. Een perfect moment. Gretig vul ik eerst mijn longen en daarna de kamer met baldadige blauwe rook.   Meer gestommel. Ze probeert vast het huis uit te komen. Dom kind. Ik probeer al jaren te ontsnappen. Deze plek, kent geen uitweg.   Ik steun met beide ellebogen op het tafelblad. Handen in het haar. Het is warm. Het is heet. Zweet verzamelt zich in opstandige parels op mijn voorhoofd. Één van de onverlaten rolt langs mijn neus naar beneden. Hij valt recht op de sigaret die uit mijn linker mondhoek bengelt. Vlak boven mijn hoofd hangt een oude gloeilamp die een warm geel licht verspreidt. Ze zoemt. Zoemen. Zoemen zonder eind.

Dimitri
0 0

In een schemering

In de schemering zochten we nog een laatste keer. Onze zaklampen leken de strijd op te geven. Ze flikkerden op hun laatste krachten, terwijl onze ogen leken te vechten met de opkomende duisternis. Een plots geritsel brak onze stilte. Achter ons hopte een vrolijk konijntje op en neer. Jammergenoeg had het konijn zijn minder aangename vriend mee genomen.   Een everzwijn kronkelde uit de bossen.  Het duurde even voor ik doorhad wat er aan het gebeuren was. Phoebe en Margot stonden op twee meter afstand van mij, de paniek was in hun ogen te lezen. Jan gaapte het schouwspel aan van achter een boom en Gweny was zo snel als een poes de dichtstbijzijnde boom ingeklommen. “Rennen!” mijn stem droeg ver door de bossen, een vage echo zorgde ervoor dat ik het niet eens meer moest herhalen. Door mijn schreeuw had het beest zijn aandacht op mij gevestigd. Dat gaf Phoebe en Margot de tijd om te vluchten. Ik voelde de ogen van het logge monster op mij gericht. Zijn donkere kijkers reflecteerden het licht van de heldere maan. Phoebe en Margot hadden zich weten te bewegen en renden de dichtere bossen in. Het beest draaide zijn kop naar de bewegende gestaltes. Zo snel als mijn lichaam het nog toeliet nam ik een stok van de grond en gooide dat naar het mormel toe. De twee jonge meisjes zag ik ondertussen in mijn ooghoeken de boom in klimmen. Nog een beetje meer tijd. Ik gooide nog een steen naar het everzwijn om er zeker van te zijn dat ik zijn doelwit was en ging er zo snel mogelijk vandoor.   De duizende boeken over helden spookten door mijn hoofd. Ergens had ik gehoopt dat mijn eigen heldendaad niet gepaard zou gaan met een everzwijn. Ik had me vastgehouden aan een valse hoop dat ik het monster voor zou kunnen blijven. Al snel bleek mijn marathontraining niet voldoende te zijn, als de afstand tussen ons kleiner en kleiner werd. Paniek en adrenaline zetten mijn lichaam op automatische piloot terwijl mijn gedachten afdwaalden naar de anderen die nu veilig in de bomen zaten. Iedereen zegt altijd dat je op het einde van je leven alles terugziet, wel ik zag het niet en ik was er zeker van dat ik op het einde van mijn leven zat.   Het everzijn haalde me in en greep me met zijn hoorn in mijn kuit. Ik rolde over zijn nek, voelde hoe diezelfde hoorn mijn been openreet. Over zijn rug rolde ik er vanachteren terug af. Het monster remde af en keerde, klaar voor een nieuwe aanval. Uit de boom boven mij vlogen enkele zelfgemaakte pijlen naar het everzwijn, maar ze kaatsten allemaal af op zijn dikke pantser. Hoe hadden we het in ons hoofd gehaald om zelf pijlen te maken, denkende dat ze weldegelijk zouden werken. Veel tijd had ik niet om daarover na te denken als Florian voor me op de grond sprong om beter te kunnen mikken. Nog meer mensen op heldentocht. De donkere ogen van het beest fonkelden alsof hij blij was met de nieuwe uitdaging.   Zijn gehavende broek hing aan flarden om zijn middel. Waar hadden ze gezeten. Het duurde even voor het tot me doordrong, maar ze waren terug. Florian was hier. Ik scande de bossen naast en achter mij, maar Michaël was nergens te zien. Florian vuurde nog enkele pijlen in de richting van het everzwijn die opnieuw in volle vaart op ons afkwam. Zijn handen trilden rond zijn boog. Ik zag zijn gezicht vertrekken in een poging zich te focussen en de angst uit zijn lichaam te verbannen. Een laatste schot verliet zijn gespannen boog. Daarna ging alles snel, veel te snel.   Florian werd tegen een boom gesmasht, de twee hoorns van het grote beest zaten door zijn buik. In de schermering reflecteerde het donkerrode bloed in het maanlicht. Mijn maag keerde.   Het laatste pijl was recht door het oog van het everzwijn gegaan. Het monster leek buiten strijd, alleen juist iets te laat. Ik had even tijd nodig om alles te vatten. Florian hing nog steeds tegen de boom aan. Zijn ogen opengesperd, en op zijn lippen stond een schreeuw te lezen. Ik voelde zijn schreeuw, maar hoorde hem niet, ik hoorde niets meer. Mijn lichaam leek functie per functie uit te schakelen. Van achter mij kwamen de anderen ons te hulp nu het gevaar geweken was.   Ik probeerde op te staan, naar Florian toe te gaan, maar ik kreeg mijn benen niet onder me. Mijn handen waren nat. De natte ijzegeur kwelde mijn neus terwijl inktzwarte druppels van mijn hand gleden. De adrenaline sloop langzaam mijn lichaam uit en maakte plaats voor een stekende pijn in mijn kuit. Ik zakte verder tegen de grond. Zwarte vlekken maakten het mij moeilijker om te zien. Vlak voor alles zwart werd zag ik een schim. Michaël...

Idazlea
3 0

Alles komt goed

Het slot opende niet meer zoals vroeger. Maar dat deden ook zijn ogen niet, 's morgens bij het ontwaken. Het waren de leeftijd en vast ook wel de zenuwen. Geen doel of afspraak was in gedachten zo bepalend geweest voor zijn verdere leven als dit. Met Jef heeft hij het er vaak over gehad, die vond het maar niets. Geen goed idee, dacht hij. Een doel mag nooit te veraf liggen, dan vergeet je in het nu te leven. "Kijk naar mij" zei hij, zittend in zijn namaak-Chesterfield die de volledige breedte van het raam overspande van zijn riante herenwoning aan de Amerikalei. "Het is dan wel mijn derde vrouw, maar ik geniet van elk moment. Verdriet en verlies, mijn beste gabber, zijn zure vruchten die je moet slikken en zo vlug mogelijk doorspoelen met een flinke borrel. Je mag zoiets vooral niet telkens herkauwen." Terwijl hij ineengedoken zat weg te glijden in zijn eigen onkunde stond Jef zelfgenoegzaam voor het raam in tegenlicht het leven te vieren. Ook zijn moeder vond het waanzin en egoïstisch. Dit kan je niet maken tegenover de mensen waarmee je verder moet, schreef ze hem ooit. Met haar moest hij al lang niet meer verder. Op haar begrafenis had hij het er nog over met zijn tante, van wie hij vermoedde dat het geluid van haar loszittend vals gebit, dat allang te ruim zat rond het verschrompelde tandvlees slurpender klonk dan dat van haar in koffie gedrenkte boterkoek. Zegevierend medelijden en spot was alles wat een zielige figuur als hij van zijn familie te verwachten had. Er lag een hoop papier voor de deur toen hij die eindelijk openen kon. Post die hij nooit had ingekeken. Net zoals hij dit huis niet meer had ingekeken de voorbije twintig jaar. Zijn notaris vond hem ronduit gek, spilziek en decadent. Voor één onnozele afspraak een huis twintig jaar leeg laten staan, verkommeren en verkrotten. Geen frank zou het nog waard zijn. De deur liep vast op een krant van daags na zijn vertrek. "Sid verdacht van moord op Nancy" titelde die. In het Chelsea Hotel, hij was er nog geweest, op zijn zoektocht naar een nieuw bestaan, of wat er de schijn moest van hebben. Verankerd in zo een loodzware belofte kon er van een nieuw bestaan natuurlijk nooit sprake zijn. Of het nu Amerika, China, de Noordpool of Antarctica was, na exact twintig jaar moest hij terug zijn. Hij maakte zichzelf wel telkens wijs die afspraak voor zich uit te kunnen schuiven en ondertussen gewoon van het leven te kunnen genieten. Maar schuldgevoel was het belangrijkste bestanddeel van dat leven geworden en met het vorderen van de tijd leken die twintig jaar meer een boetedoening voorafgaand aan de verlossing.     Moeder,   Voor het eerst sinds vele jaren zit ik deze morgen, een gewone morgen van een gewone weekdag, niet op de trein richting arbeid. Neen, ik kijk vanuit mijn hotelkamer op de Dam. In de verte zie ik Atlas staan, met die bol op zijn rug. Hij kijkt me aan met een troostende blik, die zeggen wil dat ook hij een heel gewicht te dragen heeft. Het lijkt mij eerder onwaarschijnlijk dat hij het ooit in zijn hoofd zou halen om ook maar voor één keer naar beneden te komen, de bol voor wat hij waard is op het plein achter te laten en bijvoorbeeld bij Marks & Spencer om de hoek een broodje gezond zou halen. Ook al zou het misschien geen van de winkelbedienden opvallen dat net hij komt binnen lopen om even te pauzeren. Ook al kijkt niemand zich een pijn in de nek om te controleren of hij er nog wel staat, met die bol op zijn rug, of hij zijn taak naar behoren blijft vervullen. Net zoals hij moet ik nu ook maar eens mijn eigen leed torsen en er niemand anders mee belasten. Dit meld ik je zonder enige trots. Morgen neem ik vermoedelijk het vliegtuig richting New-York. Westwaarts zoals dat een eeuw geleden al het geval was. Economische redenen liggen nu wel niet ten grondslag. Hooguit een baisse in mijn persoonlijke emotionele economie dan. Een ware depressie is het. Onvoorziene wendingen van de voorbije weken hebben mij tot deze vlucht gedwongen. Wat is er dan zoal fout gelopen? zul je je nu wel afvragen. Ook al ben ik je uitleg verschuldigd, ook al weet ik dat je elk detail, elk punt en elke komma zult willen weten, analyseren en nadien willen gebruiken om de noodzakelijkheid van mijn huidig gedrag te weerleggen, om me te overtuigen van de relatieve onbelangrijkheid van bepaalde gebeurtenissen. Toch kan niet alles worden uitgesproken, ook al niet omdat ik een beslissing heb genomen waarin ik niet wil worden tegengewerkt, ook door jou niet. Probeer gewoon te aanvaarden dat dit, hoe slecht ook, het beste is. Ik wil een tijdlang niemand tot last zijn. Wat vrij onmogelijk is, want natuurlijk zal ik sommigen tot last zijn door ze met vele vragen achter te laten, schuldgevoelens misschien ook. Maar als ik blijf zullen jij en Jef enzo me willen helpen mijn problemen op te lossen, en dan zal ik jullie nog veel meer tot last zijn. Ik beloof je op de hoogte te houden van mijn vlucht naar en door het wilde Westen en voor mezelf te zullen zorgen. Doe die ouwe knar van mijn vader de groeten en zeg hem dat alles betrekkelijk goed gaat. Langer dan twintig jaar blijf ik zeker niet weg.   Je Rudolf.   Nu twintig jaar later, stond hij er terug. Zijn moeder had hij nooit meer gezien. Behalve dan op haar begrafenis, maar dat zal haar wel zijn ontgaan. De aanblik van het huis was zeker niet bemoedigend. Hopelijk heeft het leven minder vat gehad op zijn vrouw. Als ze nu maar komt. Moedeloos door de gedachte aan wat hij boven zou aantreffen liep hij voorzichtig de trap op, die zich kreunend afvroeg wie er na al die jaren nog eens op bezoek kwam. Op de overloop leek het binnenvallend zonlicht door de dikte van het stof het aantal verstreken jaren te willen aangeven. Als jaarringen van een boom maar dan in millimeters hoogte uitgedrukt. De slaapkamer lag er nog net zo bij als toen ze waren vertrokken. Iets meer aangetast door de tijd, maar verder onaangeroerd. In de hoek lag nog een schoen als uitgeschopt in een bui van razernij. De beddenlakens waar ze het laatst in hadden geslapen lagen opgebold aan het voeteinde. Hij zou haar veel te vertellen hebben. Als hij maar de moed kon samenrapen. Twintig jaar niets, en dan plots een stortvloed aan woorden die de leegte die tussen hen zou gapen moest verbergen. Misschien zouden ze geen woord kunnen uitbrengen. Misschien zou hij haar niet meer kennen, herkennen wel, maar ze kon nu net zo goed een vreemde zijn, niets meer gemeen met wie zij toen was. Waarschijnlijk had het geen zin, alles reconstrueren vanaf zijn vlucht naar New-York. Een groot succes is die vlucht nooit geworden. Het eerste jaar in New-York was zijn meest luxueuze verblijfplaats kamer 245 van de YMCA, 5 West 63th Street. Een kamer van anderhalve meter breed met een bed, een TV en een bijbel. De badkamer was gemeenschappelijk en bevond zich twintig meter verder op de gang. Het meest was er te beleven beneden bij de cola-automaat en op het dak bij de schommel. Hij was zeker niet de enige die in de YMCA zijn vaste stek gevonden had. De kamer naast hem werd bewoond door Arnold, die er zijn volledige huisraad had binnengebracht, tot een fiets toe. Als Arnold de stad introk droeg die altijd een lederen draagtas met zich, met daarop de tekst: "I was a soldier in Vietnam, and I am Goddamn proud of it". Zijn verblijf in New-York zou hem minder goed doen dan gehoopt. Dat het nog erger kon ondervond hij later, in een hotel in de buurt van Times Square. Een majestueus gebouw, met een hal en trapzaal ter grootte van een voetbalveld, dat ooit de spiegeling moet zijn geweest van de uitstraling die een wereldstad als New-York heeft. Een eindeloze variëteit aan mensen, zeker niet de meest gefortuneerde, krioelden als mieren door elkaar. De lift had het reeds lang geleden laten afweten. De gespierde trap had zich al die jaren kranig weten houden en lachte alle bezoekers met een niet aflatende trots en sterkte toe. Zonder verpinken bleef die de te vele mensen dragen, nog steeds overtuigd van de grandeur van het gebouw waar hij deel vanuit maakte. Daartussen wrong hij zich een weg naar boven. Een grote kamer hadden ze hem gegeven. Voor minstens zes personen, met niemand te delen. De lakens dateerden vermoedelijk van de tijd dat de lift nog niet gedeprimeerd door de hoogbouw van het World Trade Center een vlucht naar de wolken ambieerde. En de Hudson rivier, die leek zich via zijn bad met dat World Trade Center te willen meten. Het stinkende sopje dat daarin stond zou hem de volgende dagen verbieden zich degelijk te wassen. Aan de kost komen in 'The Big Apple' bleek ook al veraf te staan van de op een zilveren blad aangedragen 'American Dream'. Weken waren gevuld met Up- en Downtown wandelen op zoek naar werk. Als latino rij je met een taxi en als Chinees run je een Delishop, maar een godvergeten Belg blijft een godvergeten Belg. Naar Jef schreef hij daarover regelmatig gezuiverde berichten, over de bedrijvigheid van de stad die in niets te vergelijken viel met Antwerpen. Over de uitdagingen die hem te beurt vielen, de moeilijkheden en de mogelijkheden. Ontdaan van elke negatieve noot gaven zijn brieven de indruk dat het elk moment zou gaan gebeuren, dat zijn leven nu wel eindelijk een nieuwe wending zou krijgen en hij het verleden achter zich zou laten. Hij voelde zich niet alleen van haar, maar van het leven zelf verwijderd. Overgeleverd aan de goede wil van anderen was hij daar in New York. Nog meer dan een bedelaar, want die wist zich een weg te banen door de chaos. Die had zijn situatie in eigen handen en van zijn armoede een bedrijvigheid gemaakt. Iets waar iedere dag moest worden aan gewerkt. Hard gewerkt. Op diverse manieren, van het ledigen van vuilnisbakken tot het verzamelen van lege blikjes. Het was Big Business. Sommigen konden er zelfs hun creativiteit in kwijt. Zoals de 'Canman'. Op Colombus Avenue zat hij iedere dag, niet toevallig. Trouw wachtte de Canman de zakenlui op die de metro verlieten op de terugweg uit het Financial District. Met een glimlach die even wijd gaapte als de sneden die hij in de blikjes maakte, om ze te bewerken. De gekste dingen wist hij ervan te maken, zelfs een madonna met kind, die dan het geloof in Coca-Cola predikte. Vaak had de canman hem recht in de ogen gekeken met een dwingende blik. "Doe iets met je leven", moet hij hebben gedacht. "If you can make it here, you can make it anywhere".   Vanuit de slaapkamer keek hij nu door het raam, de achterbouwen die deze buurt zo lelijk maken overschouwend. Als een vlechtwerk lagen de daken van al die koterijen met elkaar verstrengeld. Het was niet anders dan toen. Met enige kwade wil kon je zo achteraan bij de buren binnenkijken. Al zou hij nu niet meer weten bij wie dat was. Velen waren wellicht verhuisd, naar een nieuw adres of naar hierboven. Uren kon hij vroeger zo naar buiten kijken, gadeslaan wat er zo allemaal gaande was in de buurt. Na enige tijd voelde hij dan haar ogen in zijn rug branden, ze vond het onbetamelijk, zijn gegluur. Veel was er vandaag niet te bekijken. Hij zette zich zachtjes neer op het bed, nam haar schoen en bleef er een tijd verstrooid naar kijken, als naar een medium dat beloofde een vorig leven opnieuw voor de geest te halen. Met die halfhoge hakken kon ze gracieus de kamer doorschrijden, alsof ze een patent had op elegantie. Bewust was het allemaal, en dat moest ook zo. Iedereen en alles bijtijds duidelijk maken dat zij de definitie was van schoonheid. En dat anderen maar beter begerig konden toekijken. Haar lichaam door haar midden van s naar z slaand. Er moest afstand worden gehouden. Alles behoorde haar toe, nooit andersom, nooit eerder dan de dag dat ze te horen kreeg in verwachting te zijn. De gewilde dictator die haar leven zou gaan beheersen was eindelijk op komst. Het gevoel niet telkens te worden gediend maar nu ook te moeten dienen was haar dierbaar. Het gevoel voor iemand noodzakelijk te zijn zou haar gewillig maken. En hij die haar dat op komst zijnde kreng had geschonken, had het haar ook weer afgenomen. Het was een nul-operatie geworden, zoals zijn hele leven trouwens. Vergelijkbaar met het monopoliespel dat hij vroeger op winteravonden met zijn broer lag te spelen voor de haard. Nu eens was hij bezitter van de Nieuwstraat in Brussel en dan weer zat hij in de gevangenis, maar op geregelde tijdstippen moest er terug naar start worden gegaan. De badkamer die net als de slaapkamer aan de achterzijde lag, was een ruïne. Vuile korsten afgebladderde verf lagen op de grond waar zij ooit met haar ranke benen tegen het wasbekken gedrukt had gestaan. Haar tanden poetsend met een haast van iemand die ook die dag weer de wereld zou veroveren, terwijl de zon goedkeurend neerviel op haar vaalwitte rug. Kijkend in de spiegel, om toe te zien of het verval nog niet was ingetreden. Of om zich verstomd af te vragen wat zij daar deed. Of het leven dan echt niet van plan was haar de voorkeursbehandeling te geven waar zij recht op had? Daar waar ze had staan pronken met haar buik. Draaiend op haar tenen, haar handen als steun. Frontaal en in profiel, kijkend hoeveel millimeter er die nacht was bijgekomen. Ze duwde hem dan vol trots en ongeduld vanuit haar heupen wat vooruit. Met zijn hand gleed hij langs het bekken dat nu ruw en gekerfd aanvoelde, op de spiegel lag een laag stof, die hem deed afzien van de gedachte te wachten tot zij plots uit het niets terug achter hem zou staan. Hij ging zelf even op zijn tenen staan, zijn buik zou nooit diezelfde gespannen verwachting uitstralen. Zijn buik zou nooit nog van iets verlost worden, hij was de drager van een leven en zou dat zijn tot het einde. Geen bol gespannen blinkend ding dat halsreikend uitkijkt naar een volgende fase, maar een opeenstapeling van lagen die de achterliggende periodes hadden geregistreerd.   Niets, niets had het hem gegeven en voor niets had hij geleefd. Al had hij dat veel eerder kunnen vermoeden, toch had hij zichzelf van het tegendeel proberen te overtuigen. Er moest wel een doel geweest zijn, maar telkens het dichterbij kwam ging het van hem lopen. Het was toen zo en het leek ook nu zo te zijn. Een traan gleed via de plooien in zijn wangen naar zijn bovenlip en gaf een zure smaak. Het huis kraakte evenveel als hij, en ze hadden beiden jarenlang leeggestaan. Wachtend op een nieuwe bewoner. Met het verbod om die binnen te laten, als die zich al zou aandienen.   Beste Rudolf,   Hier in Antwerpen schijnt de zon en dat doet ze voor iedereen. Het is me dan ook een raadsel wat jij daar miezerig loopt te wezen. Waarom jij je per se weer schuldig wilt voelen voor al het onheil dat zich in een mensenleven voordoet. Alsof je er plezier aan beleeft een leven van mislukkingen te leiden. Je vrouw was zwanger, en plots was ze dat niet meer. Big deal. Wat er precies is gebeurd weet ik niet en het gaat me ook niet aan, het interesseert me zelfs niet. Het mag nog vreselijk zijn wat er zich heeft voorgedaan, maar wat in godsnaam denk je te bereiken met aan de andere kant van de oceaan de zielepoot uit te hangen. Alsof je daarmee de situatie kunt redden, omdraaien of veranderen. Je ex heeft een nieuwe vriend, nieuw werk, een nieuw huis en dus een nieuw leven. Vermoedelijk denkt ze nog vaak aan jou en waarschijnlijk zal ze nooit vergeten wat er is gebeurd, maar dat ze nog enige wrok zou voelen tegenover jou, geloof ik niet. En wat ik zeker niet geloof is dat ze zich als een gehypnotiseerde idioot zou fixeren op die gemaakte afspraak om elkaar over twintig jaar terug te zien. Stom sentiment is dat, mijn beste vriend. Romantiek, maar geheel niet van deze wereld. Het enige wat je daarmee bereikt is aandacht, maar die gaat snel verslappen, het gaat zelfs vervelen. Het zou je veel meer sieren de gedane zaken achter je te laten en ondanks het leed dat het jouwe is geweest toch de moed te hebben om opnieuw iets van je leven te maken. Je hebt reeds een doodgeboren kind en een moeder bij de pieren, als je wilt thuiskomen op een kerkhof blijf dan nog een tijdje ginder, maar indien je de mensen die je nauw aan het hart liggen nog wil terugzien kan je dat maar beter niet doen. Behalve je zelfmedelijden neemt niemand je iets kwalijk. Vleiend zal dit briefje wel niet zijn, maar het is een welgemeende hart onder de riem en ik hoop je dan ook snel te mogen terugzien, en met een iets optimistischere blik dan waar je nu met je woorden en daden blijk van geeft.   Je beste vriend Jef.   Het was het laatste wat hij ooit van Jef had gehoord, nu ongeveer vijf jaar geleden. Zelf had hij ook nooit teruggeschreven, want er viel niet op af te dingen. Hij had volledig gelijk, zelf als hij schreef dat hij zich per se schuldig wilde voelen en daarom een leven van mislukkingen wilde leiden. Sterker dan zijn verlangen naar een onbekommerd leven was het.   Ontladen van verdere verwachtingen liep hij zo geruisloos mogelijk de trap terug af. Misschien was het nog goed zo, het huis voor een allerlaatste keer achterlaten en een punt zetten achter wat was geweest. Misschien moest hij maar voortmaken voor zijn vrouw toch nog zou komen binnenvallen. Hij schopte nog wat post van voor de deur en opende een enveloppe die nog in de bus zat. “Met droefenis melden wij u…” Ze was hem weer eens voor geweest.    

Jan
0 0

Fruit

Dit is de wereld. Zij is saai. Tommy staart voor zich uit. Hij zit op het kleine balkon van zijn kleine appartement op de derde verdieping van een klein gebouw in een kleine stad. Zijn voeten voeten kruislings over elkaar, rustend op de balustrade, zijn stoel gevaarlijk balancerend op de achterste poten. Naast hem staat een bakje kersen op een stoeltje met drie poten. Één van de  poten is korter dan de andere, waardoor ook het bakje onder een suboptimale hoek de zwaartekracht bevecht. Één voor één steekt Tommy de kersen in zijn mond. Hij werkt ze traag naar binnen. Een berekend en gekoesterd procédé. Het gevoel van de gladde, stevige buitenkant wanneer hij één van de vruchtjes tussen zijn lippen door naar binnen zuigt. Een voorbode van de explosie van smaak die komen zal. Hij huivert van pure anticipatie, tot hij eindelijk, tentatief het oppervlak doorboort. Wanneer de eerste druppels van het hemelse sap zijn tong en gehemelte strelen kan hij zijn gulzigheid niet langer bedwingen. Gretig ontdoet hij het kleine harde pitje van het omvattende vruchtvlees. Hierbij gebruikt hij voornamelijk zijn geoefende tong, doch hij schrikt er niet voor terug om van tijd tot tijd, hetzij heel voorzichtig, ook zijn bijters in de strijd te gooien. Wanneer hij nog slechts de naakte steen in zijn mond houdt, kan het echte werk beginnen. Met een zekere, beheerste precisie mikt hij de pitten de afgrond in. Meesterlijke spuwtechniek. Terwijl hij dit doet, verroert hij verder niet. Hij luistert aandachtig en vooral geduldig tot hij één van de vele voorbijgangers hoort schrikken of vloeken. Meestal hoort hij niets. Dit is de wereld. Zij is saai.

Dimitri
0 0