Lezen

Slappe lach

Ik heb vaak de slappe lach. Ik voel het meestal komen. Het begint met een luchtbel ergens tussen je slokdarm en je ademhalingspijp. Die wordt steeds groter. Het lijkt wel of niet alleen je borstkas gaat uiteen spatten, maar ook alsof je armen en benen opzwellen en je daardoor als een ballon de lucht in zal gaan. Soms kan je de luchtbal weer inhappen, dan blijft je lijf een opgeladen lichaam en durf je nergens meer aankomen of naar kijken uit schrik dat de elektriciteit het geviseerde object gaat opbranden. Maar meestal ontploft de luchtbel vrijwel onmiddellijk, als een zeepbel waarbij kleine spatjes overal rondvliegen en dan liggen te blinken in de zon. Die spatjes lijken iets magisch te hebben. De tinteling is de hele ruimte te voelen. En elk klein spatje kan een nieuwe golf veroorzaken. Die komt dan pas vele tijd later, als een terugslag, een weerkaatsing. Soms minuten na de ontploffing. Als alles alweer in rust is of in rust lijkt. Zoals bij een tsunami die aan het rollen ging, eerst onzichtbaar om dan alles en iedereen te overvallen. Iedereen staart je aan niet wetend wat er gebeurd. Het voorval die alles veroorzaakte is al vergeten of werd door sommigen niet geregistreerd, er is geen link meer tussen de eerste slappe lach en de tweede. Maar voor jou wel. In jouw hoofd heeft alles zich vertraagd en in een loop opnieuw afgespeeld en er werden nog elementen aan toegevoegd. Er werd wat geknipt, geplakt. De timing, de muziek, alles werd nog beter gemonteerd dan hoe het zich echt had voorgedaan. Waardoor de tweede slappe lach veel heviger is dan de eerste en je uiteindelijk met zuurstofgebrek als in een roes zweeft te midden van jouw starende medemensen. Gisteren las ik een boek waarin de slappe lach door één van de hoofpersonages op eenzelfde manier werd beschreven als hoe ik het ervaar. Fantastisch vond ik dat. De schrijver kende het dus ook. De scène was ook gewoon hilarisch. Op de hoed van een vervelende leerkracht stond in krijt “schiet me neer” geschreven. Het hoofdpersonage, een leerling in die klas, kon maar niet meer opletten. Telkens opnieuw zag hij die woorden. Zijn hoofd duizelde en hij voelde de luchtbel. En dan plots zette een medeleerling zijn vinger in schietstand, richtte naar de meester en zei “pief, poef, paf”. Daar was ze dan: de ontploffing. Ik zag het, ik voelde het. Ik lag zelf dubbel. Zonder verdere context is de slappe lach wellicht onverstaanbaar. Maar ik had de context, tussen alle lijnen door, in de hoofden van de personages, genoeg materiaal om van een flauw mopje een hilarische toestand te maken. Vandaag veroorzaakte mijn flauw mopje de slappe lach bij mijn partner. We stonden aan de voetbal. De eerste wedstrijd van onze zoon. We hebben allebei niks met voetbal, dus hebben we dit 6 jaar uitgesteld. Maar als een kind 6 jaar lang volhoudt dat dit het liefste is wat hij wil doen dan plooi je. Je gaat twee keer per week trainen en offert zaterdagen en zondagen op om naar de wedstrijd te gaan kijken. Al meteen zie je er de fun van in. Anderhalf uur lang naar mensen kijken is eigenlijk het fijnste tijdverdrijf die je maar kan bedenken. Het is niet voor niets dat je antropoloog wou worden. Eén van de jongens komt constant klagen bij zijn vader. Vader wordt steeds bozer dat de trainer gelijk heeft, dat hij niet snel genoeg is, dat ze niet samen spelen, dat hij teveel klaagt. Ik vraag me af of de jongen voetbal eigenlijk wel fijn vindt. Zijn gezicht vertoont geen enkel plezier en zijn lijf verplaatsen lijkt een zware last vol overtuiging van de teleurstelling die erop gaat volgen. Naast mij staan twee vrouwen met chique namen te gooien alsof hun zoon de uitverkorene is. Elk uitgesproken woord heeft de intentie de ander te overbluffen. Eéntje doet een poging om mij bij het gesprek te betrekken. Ik antwoord beleefd en probeer dan zoveel mogelijk de andere kant op te kijken en mijn oren te verzegelen zodat mijn humeur niet bezoedeld geraakt. Je focust je terug op je zoon. Dat vrolijk ventje voor wie voetbal puur genieten is. Hij maakt om de haverklap een grappige beweging alsof hij even gehurkt op het grasterrein gaat zitten relaxen. De trainer ziet het ook en schreeuwt dat hij moet rechtop blijven. Hij gehoorzaamt, niet goed wetend wat eigenlijk het probleem is. Je ziet zijn mager lijfje op de juiste momenten van de ene kant van het veld naar de andere vliegen. Om even later weer te relaxen. Zijn reflexen zijn gigantisch snel. Dat weet je al van toen hij peuter was en vliegen en wespen kon neermeppen nog voor jij ze had gezien. Hij frutselt aan zijn tshirt zoals hij ook aan je lange haren frutselde. Af en toe werpt hij jou een glimlach. Je geniet omdat hij geniet. Hij weet dat hij kan scoren. Ook al lijkt hij soms de grasmat te aaien of de vogels uit de lucht te kijken. Zijn focus en niet-focus wisselen razendsnel. De trainer weet dat nog niet, jij wel. De ploeg van je zoon is een allegaartje beginners, de tegenploeg is een ander allegaartje voor 80% met allochtone achtergrond. Ze zijn allemaal een kop groter en in de breedte kan je zoon er twee keer in. Je partner vraagt hoe dat kan, U12 is toch allemaal van het geboortejaar 2013? Je reageert droogjes dat ze in de tegenploeg misschien niet helemaal zeker waren van het geboortejaar. Waarop je partner dubbel ligt. Durf jij dat nog luidop zeggen, vraagt hij als hij is bijgekomen. Waarop jij begint over je eerste werkplek, waar 80% van je collega's Afrikaanse, Turkse of Italiaanse roots hadden. Adil zijn mopjes waren de beste. Hoe zwaar die job ook was, de slappe lach heeft ons de miserie laten vergeten. Je zoon heeft dat ook begrepen. Zoals Adil zijn bruine huid relativeerde, relativeert je zoon zijn scheel oog. Hij ziet 360 graden lacht hij. Hij leest tussen de lijnen door in de hoofden van de personages en over alle terreinen heen. Hij heeft de hele context. En dat zorgt voor dubbel plezier, ook in het spel.  Het mag, de slappe lach, we schieten niemand neer. Schieten doen we alleen in de goal.   

Fien SB
56 3

Eerste communie

We komen terug van een communiefeest in België. Volgens de kranten zou de wereld vergaan op de dag dat ons neefje zijn eerste communie deed. Maar het dak van de kerk is niet op ons hoofd gevallen en Jezus hing nog altijd halfnaakt aan zijn kruis in de grote kerk toen de dienst al lang afgelopen was. De communicanten waren wel een beetje zenuwachtig toen ze met hun paarse of groene ballon in hun hand naar het altaar liepen. Aan elke ballon hing een steentje gewikkeld in een wit papier zodat de ballon niet kon wegvliegen (ter geruststelling van de ouders). Maar het waren gezonde zenuwen. Het was geen angst veroorzaakt door de hysterische, opgeblazen woorden van een priester uit Amerika. Niet één ballon knapte van opwinding. Ze bleven allemaal heel. Het was mooi om te zien. Na de plechtigheid in de kerk is er nog een groot feest en de volgende dag zitten we alweer in de trein naar huis. In Antwerpen stappen we over op de intercity Brussel-Amsterdam. Op de roltrap naar het ondergrondse perron knapt een ballon van een kind. Er klinkt een enorme klap die pijn doet aan de oren onder de grond. Mijn dochter gilt. Ze dacht dat er een bom was ontploft. Het kind kijkt lachend naar het touwtje in haar hand. Met moeite weten we een zitplekje te bemachtigen in de overvolle trein. De wereld bestaat nog. Opgelucht plof ik neer op de bank. De wereld is vol gelukkige kinderen en ballonnen. ‘Achmed. Grote broer. Kom bij ons zitten. Hier. Een plekje voor jou!’ hoor ik ineens een meisje zeggen dat schuin tegenover ons zit. Met een met henna versierde hand klopt ze op de zitting van de bank en maakt ze plaats voor Achmed die met zijn moeder komt aanzetten. Hij propt zich tussen haar en de armleuning. 'Heb je henna op?' vraagt Achmed als hij zit. Het meisje knikt trots. 'Mooi hè?' Aan de kant van het raam, naast haar, zit haar zus die dezelfde kleren draagt. De moeder van Achmed gaat aan de andere kant van het gangpad zitten. Bij de moeder van de meisjes. Ze heeft rode wangen van het rennen en is buiten adem. Dat weerhoudt haar er niet van om te praten. Geanimeerd praten de moeders in het Arabisch. Af en toe onderbreken ze hun gesprek om de kinderen tot stilte te manen in het Nederlands. Alsof ze een duidelijk signaal aan de hele trein willen geven: ‘Wij houden onze kinderen in de gaten. Laat ze niet de schande over ons afroepen! Wij willen dat ze zich met respect voor hun medereizigers gedragen.’ De kinderen vervelen zich geen seconde. Ze bedenken het ene spelletje na het andere. Op een gegeven moment spelen ze dat ze in de auto zitten. Het stuur van Achmed is het stangetje van het uitklaptafeltje waarmee je je krant kunt vastklemmen. Of dient dat ding om je drinken mee vast te klemmen? Dat ding, die klem is nu hun stuur. En de bank hun auto. En de chauffeur grote broer Achmed, die de klem wild op en neer beweegt. ‘Houd jullie vast! Ik ga keihard. Vroem. Vroem.’ Hij duwt de middelste leuning als een versnellingsstang naar beneden. De meisjes kirren van plezier. Ze schudden met hun hoofd alsof ze in een auto met open dak zitten en de wind hun haren in de war brengt. Ze moedigen Achmed aan om sneller te rijden dan te trein. Grote broer Achmed haalt de trein in. De meisje klappen in hun handen. Dan zingen ze met z'n drieën een lied voor het meisje dat voor hen zit en af en toe haar blonde hoofd door het gat tussen de rugleuningen steekt, alsof ze naar binnen wil kijken in hun huis. Ze zingen een vrolijk lied voor haar. Het meisje kirt van plezier. ‘Hoe heet je?’ vragen ze haar. Maar het meisje kan niet praten. Ze heeft een speen in haar mond. Bestonden er maar spenen waarmee je kon praten, zie ik ze denken. Maar dan steekt de moeder haar hoofd boven de leuning uit en zegt: ‘Dominique heet ze.’ Bij Rotterdam stappen ze uit. Grote broer Achmed met zijn grote familie. De zussen doen hun prinsessen rugzak gevuld met een flesje water, een truitje, een blocnote en een pen, op hun rug. Op de rugzak van Achmed spint Spiderman zijn web. De pet met Ben zet hij omgekeerd op zijn hoofd. Heerlijk, denk ik, kinderen die nog zo kunnen spelen. Met hun fantasie die als een flesje water nooit leeg raakt. Een verschil van dag en nacht met kinderen die in de trein Ds-en en die je niet ziet en niet hoort. Kinderen die in de trein Ds-en of Nintendo-en kijken niet uit het raam. Ze kijken niet voor zich. Ze kijken niet achter zich. Ze kijken niet naast zich. Het maakt ze niet uit in welke richting de trein rijdt, lijkt het wel. Richting Nederland of richting België, het zal ze een worst wezen. Ze merken pas op dat ze moeten uitstappen als de trein stopt. Of zelfs dat merken ze niet op. Ze praten niet met meisjes met spenen in hun mond. Ze friemelen niet aan de leuningen, stangetjes of tafeltjes. Ze kijken niet verschrikt op als hun moeder ze boos aanspreekt. Ze zijn zo verdiept in hun spel dat de omgeving rondom hen niet bestaat. Alsof zij en hun Nintendo de enige overlevenden zijn nadat de wereld is vergaan. Ik krijg kippenvel van deze kinderen. Maar van kinderen zoals Achmed en zijn zussen word ik blij. Als ze in Rotterdam uitstappen knipoogt een van de meisjes stout naar mij. Alsof ze mij wil zeggen: ‘Onze auto is toch sneller dan jouw trein! Lekker puh!’ Ik knipoog terug.      

Margaretha Juta
0 0

DVW-A500

Toen we bij de televisie nog met tapes werkten, werd elke zomer een student ingehuurd om banden te wissen zodat we deze opnieuw konden gebruiken. Ik was in die tijd niet veel ouder dan de vakantiehulpjes en sloot dan ook snel vriendschap met deze eenzame stakkers die een hele zomer lang in een donkere cel zaten, de ene na de andere tape in de machine schuivend. ‘Zorg ervoor dat de band altijd contact maakt met de magnetische kop,’ was het voornaamste advies dat ik aan deze jonge collega’s gaf. Verder viel er niet veel uit te leggen. De tapes moesten volledig langs de magneet glijden, dus het wissen duurde even lang als de band. Zelf werkte ik toen als monteur van trailers even verderop in het omroepgebouw. Ik maakte filmpjes van 30 seconden waarin ik alle hoogtepunten van de komende tv-programma’s stak. Soms was het zoeken om die halve minuut te vullen. Maar ik amuseerde me wel, er waren leuke collega’s en ‘s middags namen we lange pauzes. Alleen de jongen uit de donkere cel kwam nooit mee, hoezeer ik ook aandrong (niet overdreven hard, moet ik toegeven). Hij had van de baas een hoeveelheid te wissen tapes per dag gekregen en om dit te halen moest hij permanent in contact met de allesverterende magneet blijven. Hij zag die zomer amper zonlicht en werd wegens zijn ongebruinde huid op den duur “de witte wisser” genoemd. Zijn echte naam vergaten we al voordat zijn contract afliep. Op een van zijn eerste dagen klopte de wisser aan bij mijn montagecel.  ‘Ik weet niet of ik bij u moet zijn,’ zei hij terwijl hij in de deuropening aarzelde, ‘maar ik zoek een scherm.’ ‘Waar heb je dat voor nodig?’ Ik had niet veel zin om op te staan – het was een kwartier voor de middagpauze. ‘Ik zou graag zien wat er op de tapes staat,’ zei hij stil. Hij keek naar zijn schoenen. ‘Ik weet niet of dat mogelijk is, maar ik zal de Zebra vragen of hij eens komt kijken.’ ‘Dankuwel…’ De woorden bleven langer in mijn cel hangen dan degene die ze had uitgesproken. Tijdens de middagpauze vroeg ik het aan de Zebra, een oudere collega die altijd afgewassen streepjes-T-shirts droeg. Het was een technicus van de oude stempel die nog elk apparaat kon openen en herstellen met de schroevendraaiers die aan zijn riem hingen. Hij leefde voor dit soort klusjes. Later die dag stak de Zebra zijn hoofd bij mij binnen met een brede glimlach tussen zijn grijze baard. ‘Ik heb de wisser in gang gezet! Hij kan nu elk beeld zien een halve seconde voor het voorgoed gewist wordt. Ik heb de leeskop in de tape-machine een beetje naar voren getrokken en daarop de output naar de monitor geschakeld. Je moet mij die DVW-A500 niet leren kennen…’ Hij ging nog even door over types kabels en de geschiedenis van de videotape maar ik was toen al niet meer aan het luisteren. Kort daarna begon mijn vakantie en toen ik terugkwam was de bleke jongen samen met de tapes gewist. Het maakte allemaal niet veel uit. Een tijd later leerde ik Sonja kennen en zocht ik een baan dichter bij haar. Mijn tv-jaren waren voorbij.   Vandaag bezocht ik met mijn zoontje de dierentuin. Het is het enige weekend van de maand dat hij bij mij is (Sonja’s moeder is advocaat). We bekeken de rode panda’s, de sneeuwtijger en andere spectaculaire dieren en haastten ons toen naar de uitgang. De kleine moest op tijd thuis zijn of Sonja zou woedend zijn. ‘Kijk, papa!’ riep het kind terwijl ik naar mijn horloge keek. ‘Paarden met strepen!’ Ik keek al lopend opzij en zag inderdaad de zebra’s maar mijn blik bleef hangen aan de verzorger die hun uitwerpselen bijeenveegde. Ik kende dat gezicht: het was de witte wisser. Ik stopte zo bruusk dat mijn zoontje tegen me aanbotste. De jongen, die nu geen jongen meer was en door het buitenwerk ook niet meer wit, had me ook herkend en liet de zebrastront even voor wat hij was.  ‘Wacht, ik kom,’ riep de nu gebruinde wisser en verliet het dierenverblijf via de beveiligde sluis. Ik kon niet veel anders doen dan wachten.  ‘Ken jij de meneer van de zoo, papa?’ vroeg mijn zoontje. Ik zag dat hij onder de indruk was. Dat, en het feit dat we nu sowieso te laat bij Sonja zouden zijn, maakte mijn dag goed. De witte wisser kwam tevoorschijn tussen het voortschuifelende publiek, veegde zijn rechterhand af aan zijn overall en stak die naar me uit. Ik schudde de nauwelijks propere hand. ‘Jij… hier… in de zoo,’ zei ik. Ik deed geen moeite om me zijn naam te herinneren. ‘Ja, gek hè? En jij, nog altijd bij de tv?’ ‘Nee, dat is lang voorbij.’ Onwillekeurig aaide ik het haar van mijn zoontje. De witte wisser keek even rond, als om te zien of niemand meeluisterde. ‘Heb je even tijd?’ vroeg hij. Ik dacht aan Sonja en zei ‘ja’. ‘Zijn er ooit problemen geweest met die tapes, je weet nog wel, die ik toen moest wissen?’ ‘Problemen? Hoe dan? Ben je toen ontslagen of zo?’ Ik rekende uit wanneer het ook weer was dat hij in contact stond met de magneetkop. Het was twee jaar voor ik stopte, dat was dus de zomer van ‘13. Een tijd van onschuld en geluk. ‘Ik heb toen een, hoe zal ik het zeggen, een rare ervaring gehad met die tapes.’ Ik besefte nu dat ik in ‘13 nooit veel met hem had gepraat. Wat wist ik eigenlijk van die kerel? Was het zo’n complotdenker? Straks kreeg ik nog een preek over de corona-vaccins. Ik keek opvallend naar mijn horloge. ‘Weet je, ik moet toch voort. Deze jongen moet op tijd naar bed.’ Ik wees naar mijn zoontje. De wisser scheen het niet te horen en ging door met zijn verhaal. ‘Ik had toen die monitor waarop ik de beelden kon zien voor ze vernietigd werden. Dat had die oude grijze met zijn streepjes-T-shirts geregeld. Ik wilde dat echt graag. Het was zo triest voor die tapes dat niemand ze een laatste blik gaf.’ ‘’t Waren toch maar tapes?’ ‘Ik bedoel de mensen die erop stonden. Het waren oude opnames van die bekende quiz uit de jaren negentig…’ Hij verwachtte dat ik de naam van het programma noemde, maar zoals veel mensen die bij de tv werkten, keek ik zelden naar dat onding. Ik liet de stilte vallen tot hij ze weer opraapte. ‘In het publiek in de studio zaten allemaal oude mensen, ze waren misschien al dood toen ik hen wiste,’ zei hij. ‘Tja,’ zei ik, ‘zo gaat dat.’ ‘Papa, ik moet naar de wc,’ zei mijn zoontje. ‘Ik vrees dat wij verder moeten, man.’ ‘Nee, kom maar mee. De personeelstoiletten zijn veel properder en weet je’ – hij richtte zich nu tot mijn zoontje – ‘dan kan je ook de baby-zebra’s zien.’ Hij gaf een knipoog. ‘Mag het, papa?’ ‘Oké dan.’ De witte wisser nam ons mee achter de schermen van de zoo, waar een penetrante dierengeur hing. Hij toonde de weg naar het toilet en mijn zoontje holde erheen. ‘Misschien beter dat hij dit niet hoort,’ zei hij nu met een ernstig gezicht. ‘Het waren niet alleen bejaarden die ik wiste. Koffie?’ Voor ik kon antwoorden, zette hij twee kartonnen bekertjes in een roestig koffieapparaat. ‘Hij is hier beter dan op de tv,’ zei hij. ‘Dat is niet moeilijk, dat spul was niet te zuipen,’ zei ik. We lachten, maar kort. ‘Op een dag zat tussen het publiek de buurman van mijn oma, een sympathieke oude vent die ik goed kende omdat ik zijn gras maaide.’ Dit verhaal ging nergens naartoe. Zodra het toiletbezoek voorbij was, zou ik vertrekken. Tot dan knikte ik en zei af en toe ‘hm-hm’. ‘Het voelde fout om Omer te wissen, maar ja, zoals jij zegt: het waren maar tapes. Maar toen ik ‘s avonds thuis kwam, hing mijn moeder met oma aan de telefoon. Omer had die middag een hartaanval gekregen. Onmiddellijk dood.’ Hij zweeg terwijl hij me aankeek. De wc werd doorgespoeld. ‘Vanaf toen kwam ik elke dag vroeger naar het werk, soms als het nog donker was.’ Dat verklaarde veel. ‘Zo had ik tijd om de tapes te bekijken – fast forward, natuurlijk – voor ik ze wiste.’ ‘De presentator en de BV’s stonden er toch ook op, en die leven helaas nog altijd,’ zei ik. Afronden met een grapje. Waar bleef mijn zoontje? ‘Ja, natuurlijk, ik ben niet gek, hè,’ zei hij, ‘maar misschien versnelde het iets wat er al aan zat te komen?’ ‘Zoals bij die buurman?’ ‘Of zoals bij de Zebra,’ antwoordde hij razendsnel. De Zebra? Wat had die ermee te maken? En waar zat die kleine? Ik riep zijn naam, maar het enige antwoord waren dierengeluiden: gehinnik, gegrom. ‘Hij is naar de baby’s,’ antwoordde de witte wisser op mijn niet gestelde vraag en ging meteen verder: ‘De Zebra, ja. Een van de tapes was jullie personeelsfeest, de barbecue aan het begin van de zomer. De studenten waren niet uitgenodigd. Ik snap wel waarom die zo snel gewist moest worden. De Zebra die op tafel danste, jij met Ella van de boekhouding… Is zij de moeder?’ Hij draaide zijn hoofd in de richting van de dierengeluiden. ‘Oké, vriend, het was leuk om wat herinneringen op te halen, maar nu is het genoeg. Waar is mijn kind? Ik wil weg.’ ‘Geduld… nog koffie?’ ‘Nee.’ Ik gooide mijn verfrommelde bekertje naast de vuilnisbak om mijn punt te maken. ‘Toen ik de tape van jullie gore feestje wiste, weet je wat er toen gebeurde? Een van de grote lampen in de studio kwam los, en je raadt nooit wie er net onder liep?’ Hij moet de angst in mijn ogen gezien hebben, want hij grijnsde kort voor hij verder sprak. ‘De Zebra, natuurlijk, op slag dood. Maar toen was jij op vakantie met weer een andere griet.’ ‘Ik dacht dat die met pensioen was? Wat ben jij hier eigenlijk aan het vertellen? Ik ga mijn zoontje halen.’ Ik liep de gang in waarin het kind was verdwenen. ‘Voorzichtig,’ hoorde ik achter me, ‘je kunt niet zomaar elke deur opentrekken. Hier zitten niet alleen zebra’s.’ Ik draaide me met een ruk om. ‘Stop met die flauwekul, gast! Geef mijn kind en laat me gaan!’ ‘Toen vijf jaar geleden de inboedel van de omroep werd geveild, ben ik teruggegaan. Ik herkende de tape-machine meteen. De sticker met het zenderlogo die half afgescheurd was, de slordig gesoldeerde kabel, ja dat was mijn bakje. Ik heb het gekocht voor 99 euro.’ Hij opende de metalen kast naast het koffieapparaat. Daar stond de DVW-A500. De lichtjes op het toestel brandden, een zacht gezoem sidderde door de kast. ‘Ik heb de beveiligingscamera’s erop aangesloten,’ zei hij en wees naar een plastic koepel die boven de deur hing waardoor ik was binnengekomen. ‘Jij en je kind staan erop.’ ‘Godverdomme, vent, waar ben jij mee bezig?’ Ik greep hem bij de kraag van zijn stinkende overall. ‘De machine loopt,’ zei hij, ‘alles wordt gewist.’ Ik duwde hem opzij, trok een van de deuren open en riep de naam van mijn zoontje. Het was een bezemhok. ‘Ella was mijn zus, weet je.’ De tweede deur was de verlaten wc. ‘Ze was zwanger. Van jou, op de barbecue.’ Uit de derde deur kwam een vreselijke geur van dieren en stront. Het was er donker, ik zocht naar de schakelaar. ‘Ze ontdekte het tijdens je vakantie en is toen op de zendmast van de omroep geklommen.’ Het licht ging aan: een miezerig peertje verlichtte de kamer, of was het een kooi? Ik liep in een plas, geel, stinkend. ‘Mijn eigen schuld, zeker?’ klonk de witte wisser uit de verte. ‘Ik had haar ook gewist op de tape van het feestje.’ Dieper in de kooi, waar het licht niet kon komen, klonk een diepe grom samen met een klaaglijk janken. ‘En nu jullie twee… ik ben benieuwd.’ Ik ging de duisternis in.  

R.F.G. Vandenhoeck
21 1

Het gevierde viertal

Zij kwamen uit de vier windstreken voor het festijn aan het begin van de herfst. Over stad en land weerklonken klaroenen en bazuinen en veelkleurige vaandels kronkelden boven de wallen als duivels in wijwater. Ridder Ferguut gaf zijn zwarte hengst de sporen om als eerste bij de valbrug af te stijgen. Met zijn uit duizenden herkenbare bariton liet hij zich bij de vorst aankondigen. Kort na hem verscheen vrouwe Agete, gehuld in een karmijnrode kaproen. Zonder haar stem te verheffen betrad zij de stad, de wachters aarzelden niet om deze vermaarde speelvrouw met haar onafscheidelijke schalmei door te laten.  Als derde meldde zich de nar Esmoreit met zijn stoet van dobbelaars, messenwerpers en vaganten. Esmoreit, gevreesd voor zijn spot die scherper was dan het kromzwaard van de Turk, zat achterstevoren op een ezel en riep met schelle stem: Waar is toch die stad? Ik hoor trompetten maar dit spookachtige oord blijft onzichtbaar! Bij zoveel gein kletste zijn gevolg zich op de billen, hinnikend als drachtige merries. Later, toen de schemer zich als fluweel over de puntige daken van de stad voegde en de poortwachters hun laatste ronde deden, verrees in het westen, als silhouet voor de ondergaande zon, de vierde genodigde: de waarzegster Clementia. Gezeten op de bok van haar huifwagen, voortgetrokken door twee gemarmerde schimmels, richtte zij haar vorsende blik op de stad die reeds in de klauwen van de nacht lag. Zij wist wat haar te wachten stond, en dat er geen ontkomen aan was. De stad vrat, de stad zoop, de stad zwelgde – de ganse nacht tot aan het ochtendgloren. Zwijnen gevuld met zwanen, zwanen gevuld met forellen, forellen gevuld met kwartels, het kon niet op, neemt bij, er is genoeg voor eenieder, verordende de heer. Ferguuts stem werd zwakker door het gagelbier; Agete kon haar schalmei niet langer bespelen door het spijsvet in haar keel; Esmoreits gelach was overgegaan in geboer dat de bellen op zijn kap deed rinkelen; slechts Clementia nam niet deel aan de schranspartij, zij dronk een kruidenbrouwsel van foelie en kardemom en wachtte op het onvermijdelijke. De dageraad diende zich aan door kieren in luiken en deuren, en de vorst overzag het gelag. Nu kon het echte feest beginnen! Met één gebaar – zijn linkerhand flikkerde kort in de gloed van de fakkels – zette hij zijn getrouwen in beweging. Drie vadsige onwetenden en één heldere alwetende werden de banketzaal uitgesleept. Op het voorplein gleed de eerste zonnestraal over het versgeslepen blad van de bijl. De beul stond paraat op het schavot, uit de gaten in zijn kap glommen gele ogen en gele tanden. Zoals vorig jaar? vroeg de wreedaard. Nee, zei de heer, vierendelen!

R.F.G. Vandenhoeck
29 1

Tuin

Ik wandel Oma’s koertje af de straat op en duw het poortje zonder omkijken achter me dicht. Het sluit nu al even niet goed meer. Ik zet mijn helm op, klik het slotje vast en trek de spanriempjes extra stevig om mijn kaken heen. Dan begin ik te rijden. De eerste trappen verlopen wat wankel. Het laatste glaasje jenever was er zoals gewoonlijk te veel aan en de tranen van vijf minuten geleden maken mijn zicht een beetje troebel.  Ik trek hard op richting het kruispunt. Aan mijn rechterzijde passeer ik mijn oude, lagere school, de Esdoorn. Achter de ijzeren poort zie ik de boom waar de school naar genoemd is nog steeds prijken in het midden van de speelplaats. Zou het werkelijk diezelfde boom zijn die er drie decennia heeft gestaan, of zou hij heimelijk ‘s nachts al eens vervangen zijn? De eerste jaren kwam Oma ons, mijn zusje en ik, ‘s middags aan de poort afhalen. We wandelden vijftig meter van school tot aan het poortje en via de binnenkoer naar de achterdeur. Daar liep je zo de keuken in. Het eten was tegen dan vaak al netjes klaar, enkel het vlees moest nog gebakken worden terwijl mijn zus en ik onze kom soep alvast naar binnen speelden. Ondertussen keken we Blokken, met de immer kleine en goed gezinde Ben Crabbé. Naar het eind van de kwis hadden we een stijve nek door het achterom kijken van de eettafel. Als we snel genoeg gegeten hadden konden we de finale in de zetel volgen. Terwijl we het zesletterwoord probeerden te raden ging Oma ons dessertje halen, een potje yoghurt met een ferme kwak suiker erop. Nadien keken we naar het journaal.  Nadien keerden we terug naar school tot het eind van de schooldag, waarna we weer naar Oma gingen, waar we aan ons huiswerk werkten tot we opgehaald werden door een van onze ouders.  Naarmate we ouder werden bleven we tijdens de middag liever op school om met onze kameraadjes te spelen, en hetzelfde gold voor de periode tussen het eindsignaal en de nabewaking. Zo verminderde de tijd die we bij haar doorbrachten gestaag. De middelbare school lag een dorp verderop, wat zowat het einde betekende van mijn dagelijkse passages bij Oma.  Ik kom aan het kruispunt en sla rechtsaf, richting de spoorweg. Aan de bareels sla ik opnieuw rechtsaf, en rijd parallel met de sporen langs de grote vijver met zijn zeilclub.  Tot een paar jaar geleden had Oma een gigantische tuin, die ze tot voor kort zelf nog onderhield. Als je de keuken links liet liggen en het koertje verder afliep, kwam je het eerste gazonnetje opgelopen, dat een tiental meter lang was. Dit is wat ik de Voortuin noemde. Het werd omgeven door taxushagen die ongelooflijk konden prikken als je daar je bal in kwijt speelde en die moest gaan zoeken, als de struiken hem überhaupt al niet fataal waren geworden. Aan het eind van de Voortuin had je de keuze wat het vervolg van je weg betrof. Ofwel koos je links, een eng gangpad tussen struiken en de haag, minder aan te raden vanwege de spinnenwebben. Bovendien was je bestemming mits een kleine omweg uiteindelijk toch dezelfde als die van het andere pad, rechtdoor. Daar lag het begin van het tweede grote deel, de Middentuin. Hier had je de moestuin, verbouwde ze rabarber (waar ze deksels goede confituur van draaide), prei, aardappelen, wortelen. Verderop links lag het  tuinhuis met gereedschap en grasmachine,  niet ver daarvandaan de BBQ met tafel en banken. Als je doorliep richting de serre (met tomaten en waar het altijd vijf graden warmer was dan buiten) passeerde je het kippenhok, waar werd gekakeld om het graan dat ik vaak bracht. Als je de Middentuin helemaal was doorgelopen, het tuinhok en kippenhok links latend en de serre rechts, stevende je af op een dikke, dwarsliggende haag. In het midden zat een gat dat je zo naar Narnia had kunnen brengen.  Maar wat je daar vond was de Achtertuin. Het meest onherbergzame deel van Oma’s tuin, met gras dat steevast hoger stond en struiken en bomen die wilder waren dan in de eerdere delen. Hier heersten de ganzen. Vanuit hun ren bliezen ze je dreigend aan. Alles tezamen betrad ik de Achtertuin enkel in mijn meest avontuurlijke buien, wanneer Oma misschien wat te veel suiker op mijn yoghurt had gegoten.  Een keer per jaar kwam de familie samen voor de grote lentesnoei. Ik herinner me grote harige, blote mannentorso’s die bandana’s hadden gemaakt van hun T-shirt, die gezamenlijk takken knipten en hagen schoren, terwijl anderen met kruiwagens op en af liepen richting een remork die later naar het containerpark moest. Ondertussen waren Mama, de tantes en Oma in de weer met voorbereidingen voor de traditionele aansluitende barbecue die tot laat zou duren. In de middentuin onder de hoge eiken klonk er na uren schransen en enkele flessen wijn de zangstonde met liedjes van vroeger uit de jeugdbeweging. De oudste nonkel sprak dubbele negatie. “Dat is immers ni waar ni.” Zou hij daarover gezegd hebben. Alle buren mochten horen waarom niemand van de familie nog welkom was in het kerkkoor.  Een paar jaar geleden kreeg Oma te horen dat het gebied tussen haar woonst en de grote sportvijver verkaveld zou worden. De stad Mechelen had nood aan uitbreiding van haar woongebied. Oma verkocht de Binnen- en Achtertuin, die ondertussen knap lastig waren geworden om alleen te onderhouden, mede omdat de snoeibeurten minder regelmatig werden.  De eikenbomen die Opa ooit bij de aanleg van de tuin had geplant waren ondertussen uitgegroeid tot joekels die hoog uittoornden boven de Binnentuin en ook vanop de speeltuin van het schooltje zichtbaar waren. Oma had bij de onderhandelingen met Stad Mechelen afgedwongen dat de drie grootste niet zouden worden gerooid. Fuck Yeah, Grandma.  Ik steven recht op de dijk af die langs de Zenne, loodrecht onder de spoorweg doorloopt. Er is een heel steile grindweg die je met een aanloop kan nemen zodat hij je ineens helemaal naar boven brengt. Op de dijk fietsend kijk ik naar rechts, over de vijver heen. Daar waar vroeger Oma’s tuin uitgaf op een natuurgebied dat reikte tot aan het water, heeft dat allemaal plaats geruimd voor een woonwijk, met appartementen en huizen die allemaal op elkaar lijken, alsof ze van dezelfde gigantische lopende band gerold zijn.  “Nu is mijn huid weer te droog” zei ze daarnet aan tafel.  “Crème smeren he Oma”. “Dat zei de dokter ook, en dat ik meer water moet drinken.” Ze ging aan tafel zitten en we dronken beide van ons glaasje jenever.  “Ik ben er klaar mee, het is mooi geweest” zei ze met een grote glimlach. Ik keek haar aan.  “Dat is raar om zoiets te zeggen, hoor.” zei ze met pret in haar ogen.  “Het is ook raar om te horen,” probeerde ik even laconiek te antwoorden.  Stilaan verdwijnt ook de nieuwbouwwijk uit zicht en versnel ik de tred. De Zenne volg ik tot in Vilvoorde, waar ik negentig graden draai en de weg richting Brussel langs het kanaal voortzet. Even vliegt een vogeltje naast me, houdt exact dezelfde snelheid aan, wat me een beetje van slag brengt. Ik twijfel erover om mijn GSM te nemen om het te filmen, maar het vliegt alweer weg.   

Still Jackson
25 2

Aan de Paus

De paus bezoekt ons land. Bij die gedachte is er slechts één term  die me blijvend op de lippen brandt: Schuldig verzuim. Schuldig verzuim. Het is úw schuld, dat u de schuld van de daders bij de slachtoffers heeft gelaten. U heeft nagelaten, in eigen rangen schoon schip te maken. U verzuimt uw verantwoordelijkheid om niet een beetje, maar net met passie en met liefde voor het leven het voor àlle Leven op te nemen Het ligt in uw macht om bergen van normen en waarden te beïnvloeden. Maar u kijkt wereldvreemd toe,  als een incapabele herder; zie hoe uw zogenaamde schaapjes bloeden.  Verstikt door morele regels waar Jezus Hemzelf  gegarandeerd tegen zou rebelleren. Hij zou uw Vaticaan grondig  binnenste buiten keren. Maar goed ik ben geen Jezus fanaat het is deze tijd waar het mij om gaat.  De vrouwen die niet vrij mogen beschikken over hun lichamen  en door schuld en religie gedwongen worden om ongewenst te dragen en te baren. De mensen die niet vrij mogen vrijen, hun liefde niet open mogen beleven en als ze niet voldoen aan uw vereiste vorm  al evenmin een functie in uw Kerk mogen bekleden. Uw Kerk is er één van uitsluiting en onderdrukking, inconsequent en totaal in strijd met de oorspronkelijke bedoeling. Want ja het woord van uw God is mij bekend, het is me in mijn jonge hersentjes wekelijks ingeprent. En ik kan enkel zeggen: de essentie is een bron van waarheid en wijsheid,  dat valt niet te weerleggen, alleen zijn we zoals gewoonlijk  de weg volledig kwijt. Misleid door de machtsgreep van seksueel gefrustreerde oude mannen met een obsessie  om andermans leven in te plannen. Het slechtste idee ooit was om het lichaam te verzaken. Onderdrukken van seksualiteit is goed om mentale kortsluiting te veroorzaken, met alle gevolgen van dien, de pedofiele schade is niet te overzien.  Dus dump dat celibaat en eveneens de adoratie van de Maagd.  Val op uw knieën voor Shakti, voor Kali, voor de godin in elke Vrouw en beken de schuld van de Kerk, aan de onderdrukking, de muilkorving van onze eigen natuur. Het is hoog tijd voor berouw. Ja, maak de brandstapel klaar, de Erfzonde moet eraan, verbrand, verkoold, met huid en haar. Wij zijn gelijk geboren, er is niets mooier dan elkaar te bekoren, ons schaamteloos te verliezen in lichamelijke liefde. Die boom van goed en kwaad is een verzinsel, waarmee uw instituut aan de macht is gekomen, echter we waren al in het paradijs en jullie hebben het ons ontnomen. Maar het verhaal is gedaan, Naakt is het nieuwe gekleed; Kijk ik ben al met meerdere heidense mannen in de bosjes beland en zoals u ziet ben ik nog steeds niet door het hellevuur verbrand. Het wordt tijd dat u beseft: God is Natuur, Creatie, Evolutie, uw stenen tafels zijn al lang vergaan door erosie. Uw instituut heeft de grootste zonde tegen het Leven begaan: de Creatie vergiftigd met schuld en geschaam, ons beperkt in ons recht om vrij te bestaan, en dat allemaal in de Naam van. In de naam van de Moeder, de Dochter en de Planeet, in de naam van elke man, vrouw, kind, mens, die door uw instituut schade leed: U dient te gaan, u bent niet waardig te spreken in onze naam.  

Beatrijs Deneckere
22 0
Tip

Schaakmat

Ik ben wit, dus ik begin. Pion e4 en paard c3. De rest zien we later. Na een paar zetten, agressie aan de overkant. Dit kan ik tegen hem gebruiken. Speelt hij nu toren a2? Loper naar c4 krijgen. Dit verloopt veel te makkelijk. Ik ga winnen. Nog even m'n paard naar het centrum brengen en... Wacht? Mijn tegenstander heeft ook een réchterflank. Daarnet was dit deel van het veld nog onbelicht. Deal with it! Even op wandel met de koning dan maar. Niet met de loper aanvallen tegenstander, of ik hang, niet met... Hij ziet het niet. Weer mijn beurt om aan te vallen. Ik moet winnen, zo hoort het.  “Zet je hem nog schaakmat?” De blik van de toeschouwer maakt me ongemakkelijk. “Dit duurt inderdaad te lang”, laat ik me opdringen. Het bord verdwijnt. Ik zie stukken maar geen enkele zet meer. Daarnet zat ik nog op een middeleeuws slagveld, nu weer in de leefruimte. Waarom ben ik zenuwachtig? Angst om te winnen, of simpelweg om iets af te maken? Ik stamel en stotter nog wat met koningin en toren. De toeschouwer wordt echt ongeduldig nu: “Zet hem gewoon schaakmat!” Ik leg hem uit dat ik ‘het’ niet meer voel. “Dit is waarom ik ook niet graag plaatjes op feestjes draai”, zeg ik. “Ik vind mezelf wel een goede dj, maar word nerveus van publiek. Daarom zit ik hier.”  “Je hoeft niet elke zet voor je te zien”, bemoedigt de toeschouwer. Ik antwoord dat ik bang word als ik de volgende zet niet zie. “Bang om dood te gaan”, voeg ik er onnodig aan toe. Wat ik bedoel is dat ik momenteel niet verder kan omdat mijn hoofd wil weten hoe ik... doodga?  “Als je wil kan ik ervoor zorgen dat je weet hoe je doodgaat, ik kan het je zelfs laten zien”, knipoogt de toeschouwer. Ik besef plots weer waar ik me bevind. Hij zal toch niet... Ik weet dat hij een veel te donkere grap maakt, maar voel toch de drang om hem te overtuigen. Dat ik niet de dood op zich bedoel, maar de weg ernaartoe, leven dus. En dat hij me niet zal helpen door de weg korter te maken. Ja, je bent ergens onderweg gestopt met plannen maken en ja, door de dingen uit te stellen voelt het nu alsof je alleen maar kan aanmodderen, maar jij bent niet je vader. Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Het bloed dat door je moeder stroomt is niet dat van haar broer noch dat van haar zus. Ze deelden gewoon dezelfde ouders. En het bloed dat door jou stroomt is jouw bloed. Ook al heb je het van iemand anders gekregen.

Mr Jones
192 6

De zwartrijder

Er bewoog iets in de zijspiegel van de taxi waarin Tanaka san met zijn klant naar het vliegveld van Sendai reed. Een monster! Het spiegelbeeld van het monster at de spiegel op. Het wierp zich als een schaduw op de auto van Tanaka san. Tanaka san zag een poot. Zo dik als die van een dino. Hij remde bruusk. Toen keek hij op. Het was geen Dino. Het was een boom. Een enorme cederboom. Zijn takken reikten tot de hemel. Hij stond daar zielsalleen aan de kant van de weg. Hij zwaaide als een wanhopige lifter die niemand wil meenemen. ‘Natuurlijk wil hij weg,’ dacht Tanaka san. ‘Iedereen wil hier weg. Alles aan deze vreselijke plek herinnert aan de tsunami,’ dacht hij. Die had een paar maanden geleden de bomen als bloembollen uit de grond gerukt. De akkers waren ondergelopen  en alle gewassen waren vernietigd. Heel veel inwoners waren verdronken. De zee had de huizen als lampionnetjes mee genomen. De bomen, die als wachters langs de kust hadden gestaan om de wond van de zee tegen te houden waren knock-out geslagen. Ze waren machteloos geweest tegen de hoge golven van de tsunami. Als door een wonder had deze boom de tsunami als enige overleefd.  ‘Arme boom,’ zei Tanaka san. De klant die achter hem zat, bromde. Het was een ongure type die in dit verlaten gebied zomaar op straat liep. Toen Tanaka san langsreed, had de man zijn hand opgestoken. Tanaka san had even getwijfeld. Het zal toch geen tsunami geest zijn, was heel even door zijn hoofd geschoten. Hij had enge verhalen gehoord over geesten die terug naar huis wilden en als ze de kans kregen een taxi namen omdat er geen openbaar vervoer meer reed in dit gebied.  Als ze moesten betalen, verdwenen ze ineens. Toch was hij gestopt. De man was ingestapt. ‘Naar het vliegveld, alsjeblieft.’ De hele rit had de klant geen woord gezegd, maar nu herhaalde de klant Tanaka sans woorden: Ja. Arme boom. Maar het klonk eerder alsof hij hem dood wenste. ‘Excuseert u mij,' onderbrak Tanaka san hem, 'maar ik moet even iets doen. Sorry. Sorry. Sorry!’ Tanaka san boog als een knipmes. Zelfs toen hij al buiten de taxi was, bleef hij beleefd buigen naar de klant en sorry zeggen. Toen draaide hij zich om naar de boom die er slecht uitzag. Hij boog diep voor hem. Dan gaf hij de de boom een klopje met zijn witte handschoen.  Vervolgens deed hij wat hij als klein kind deed als hij een oude, zieke boom zag. Hij spreidde zijn armen om de boom. Aan de plek  van de verkleuring was te zien tot waar het water was gekomen. Het zeewater was even diep in de bodem gesijpeld en had de natuurlijke balans van de boom verwoest. Vroeger had de boom een goed leven gehad. Maar nu stond hij met zijn wortels in het zeewater. Met zijn oor tegen de bast gedrukt, hoorde Tanaka san de boom zachtjes praten. ‘Ik wil dood,’ zei hij. ‘Misschien kunnen ze je genezen?’ fluisterde Tanaka san terug.‘Ik ben niet meer te genezen. Ik sta te diep met mijn voeten in het zeewater.’ ‘Ben je zeker? Er zijn tegenwoordig hele knappe boomchirurgen.’  De boom schudde met zijn takken.‘Ik ga dood. Het beste is als ze me omhakken. Dan hoef ik niet meer weg te kwijnen.’‘Maar je bent een held. Je hebt als enige de tsunami overleeft. Je bent het bewijs dat er altijd hoop is.’ Ook al was boom nog in leven, het zag er niet goed uit voor hem.  Dat begreep Tanaka san ook wel. Hij zag er terminaal uit.  Het zeezout had zijn wortels aangetast. Het hout van de boom had een ongezonde kleur en was op veel plekken aan het schilferen. Veel takken zagen zwart. Het leek wel alsof de boom brandwonden had. Aan zijn enorme stompen zouden nooit meer takken groeien. Zijn misvormingen waren een gruwel om te zien. Er vloog een vliegtuig over. Die maakte een oorverdovend geluid. Tanaka san schrok op door een hard kloppen op de achterruit. Het was de klant. Hij wees naar de hemel waar een vliegstreep te zien was. ‘Die moet zijn vliegtuig halen, dacht Tanaka san. Tanaka san nam snel afscheid van de boom. ‘Ik kom je later nog een keer bezoeken! Hou vol!’ ‘Laat me niet alleen achter,’ kreunde de boom. Maar Tanaka san stapte al in de taxi en reed verder.  Hij had een slecht voorgevoel. De ontmoeting met de boom had hem uit zijn doen gebracht. Maar hij liet dat niet merken. Met een strak gezicht reed hij door het doodse landschap, waar nog alleen maar de wegen waren hersteld.  Na een tijdje kwam het vliegveld in het zicht. Het begon zachtjes te regenen. Tanaka san deed zijn ruitenwissers aan. Hij gaf zich over aan het mechanisch geluid. Het ging steeds harder regenen. Tot de druppels als tennisballen op de ruit klaterden. Tanaka san had zin om te huilen. Die boom gaat dood. En ik heb hem alleen achtergelaten. Waarom luisterde ik niet naar hem. Al die flauwekul die ik uitkraamde over boomchirurgen, enzo. Hij schaamde zich vreselijk. Nu voelt de boom zich nog eenzamer, dacht hij. Dat stemde hem verdrietig. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegeltje. Hij was verbluft door wat hij zag. De klant hield een mes in zijn hand en richtte het op Tanaka san. Iets scherps boorde zich in zijn nek. Toen werd alles zwart voor zijn ogen. ‘Ik ga ook dood,’ was zijn laatste gedachte. ‘Net als die boom… Er is niemand die mij kan helpen.'  

Margaretha Juta
22 1