Lezen

Christmas party

de eerste prijs voor de beste kleding; opa   met zijn kerstmis das   In Japan hebben kerstfeesten op de werkvloer vaak een andere sfeer dan de gebruikelijke westerse kerstvieringen. Ze zijn doorgaans informeel en richten zich op het versterken van relaties tussen werknemers en werkgevers. Dit zijn de typische elementen van een Christmas party bij een Japans bedrijf: 1. Locatie en setting:  • Kerstfeesten worden meestal gehouden in een restaurant, izakaya (Japanse bar), of een gehuurde feestzaal.  • De sfeer is informeel, met veel eten, drinken en lichte entertainment. 2. Eten en drinken:  • Buffetten en drankjes: Het menu kan variëren van traditionele Japanse gerechten tot westerse kerstspecialiteiten zoals kalkoen of kerstcake.  • All-you-can-drink (nomihoudai) is een gebruikelijke optie, waarbij werknemers onbeperkt kunnen genieten van bier, sake, en andere drankjes. 3. Cadeaus en spelletjes:  • Cadeaus worden vaak uitgewisseld via spelletjes zoals White Elephant of loterijen. Deze cadeaus zijn meestal luchtig en humoristisch, in lijn met de informele sfeer. Mijn taalschool deelde ook een prijs uit voor de bestgeklede man en vrouw. Waarover deze haiku. 4. Entertainment:  • Karaoke is een populaire activiteit bij kerstfeesten, waar collega’s samen zingen en plezier maken.  • Speeches van de leidinggevenden zijn vaak onderdeel van het feest, meestal met een dankwoord voor de werknemers.  • Soms worden er quizzen of kleine optredens georganiseerd door werknemers. 5. Relatie met Nieuwjaar:  • Kerstfeesten overlappen soms met het Japanse bounenkai (忘年会), een “jaarafsluitingsfeest.” Dit feest draait om het achterlaten van zorgen uit het oude jaar en het vieren van de inzet van werknemers. 6. Sfeer en sociale regels:  • Hoewel informeel, blijven Japanse beleefdheidsregels van kracht. Het wordt bijvoorbeeld gewaardeerd als werknemers attent zijn bij het inschenken van drankjes voor collega’s en leidinggevenden.  • Kerstfeesten zijn een kans voor werknemers om zich meer ontspannen te voelen rond leidinggevenden, wat kan bijdragen aan een hechtere werkcultuur. Japanse kerstfeesten op het werk combineren dus elementen van westerse kersttradities met unieke Japanse bedrijfscultuur. Ze zijn bedoeld om teamspirit te versterken en het jaar op een vrolijke noot af te sluiten.        

Margaretha Juta
2 0

Een winterwandeling vol uitdagingen

Het was januari 2021, diep in de winter. Vera en ik, fervente wandelaars, hadden een route van 15 kilometer gepland door de trage wegen van Grobbendonk. Als ex-scouts waren we gewend om avontuur op te zoeken, het onbekende aan te gaan en de natuur te trotseren. Wij waren doorbijters, niet snel bevreesd voor een uitdaging. Vera had altijd al een hoge pijngrens gehad, en ik was een echte doorduwer. Het had ons niet verbaasd als iemand ons had gezegd dat we het pad ondanks de kou en de zware omstandigheden zouden blijven volgen. De lucht was fris en ijzig, en een dunne laag rijp bedekte het gras langs de paden. Ondanks de kou genoten we van het gevoel van vrijheid dat een lange wandeling ons altijd gaf. We hadden een goede start. Het pad kronkelde door bossen en langs uitgestrekte velden, die onder een winters zonlicht lagen te glinsteren. Na enkele kilometers bereikten we een punt waar een waarschuwingsbord ons tegemoet blonk: “Deze weg is verder ondergelopen.” Het bord maakte ons nieuwsgierig. Vanaf waar we stonden, leek de weg nog begaanbaar, en het landschap zag er prachtig uit met de glinsterende waterpartijen en de stille, ondergelopen velden. We besloten het pad te volgen, ondanks de waarschuwing. De eerste honderden meters gingen probleemloos. Het pad was vochtig, maar goed begaanbaar. Na een tijdje vonden we een bank en besloten we te pauzeren. Om ons heen strekte zich een surrealistisch landschap uit van ondergelopen velden en glinsterende vijvers. Het water weerspiegelde de bomen, alsof de wereld dubbel aanwezig was. Hier leek de winter een kunstwerk te hebben geschilderd. Het onverwachte obstakel Na onze pauze vervolgden we onze weg, maar al snel werden we geconfronteerd met het deel van het pad dat werkelijk onder water stond. Het was een lange strook van ongeveer 150 meter, volledig overspoeld. Tot onze opluchting zagen we dat Natuurpunt houten blokken over het water had geplaatst als een soort loopbrug. Het zag er smal en wiebelig uit, maar het leek onze enige optie. Als ex-scouts wisten we wel raad met moeilijke omstandigheden, maar dit was toch een uitdaging die we niet hadden voorzien. “Ik ga eerst,” zei ik tegen Vera. Met de nodige voorzichtigheid begon ik mijn weg over de blokken. Mijn schoenen gleden een paar keer op het natte hout, maar ik bereikte de overkant zonder al te veel moeite. Ik draaide me om en riep bemoedigend: “Kom maar, het gaat wel!” Vera knikte en zette haar eerste stappen. Ze balanceerde voorzichtig, maar ik merkte dat ze het moeilijker had. Door haar armprothese kon ze haar evenwicht minder goed bewaren. Halverwege verloor ze haar balans. Ik zag het gebeuren in slow motion. Haar voeten gleden weg, haar lichaam kantelde en met een plons viel ze in het ijskoude water op haar “slechte” arm. Ik rende terug naar haar toe. Ze probeerde op te staan, maar haar gezicht vertrok van de pijn. “Mijn arm,” zei ze met een gebroken stem. Ik hielp haar uit het water. Haar kleren waren doorweekt, en in de ijzige kou begon ze onmiddellijk te rillen. “We moeten hier weg,” zei ik. De situatie was ernstig, dat wist ik. Maar onze auto stond nog meer dan zeven kilometer verderop, en we bevonden ons in een beschermd gebied waar voertuigen verboden waren. Er zat niets anders op dan verder te lopen. We waren allebei doorzetters, maar dit zou een test worden die ons zou herinneren dat zelfs wij mensen waren, niet onoverwinnelijk. Een loodzware tocht Met elk stapje dat we zetten, werd de tocht zwaarder. Vera’s doorweekte kleren plakten aan haar lichaam en de ijzige wind sneed in onze huid. Bovendien begon ze steeds vaker te klagen over haar arm. Een keer stopte ze plotseling en zei: “Ik hoor gekraak… in mijn arm.” Haar woorden deden me huiveren. Dat kon niets goeds betekenen. “Kun je nog verder?” vroeg ik voorzichtig. Ze knikte, maar haar gezicht was een masker van pijn. Elke stap leek een enorme inspanning te kosten. Ik probeerde haar op te peppen door over koetjes en kalfjes te praten, maar het hielp weinig. De kilometers leken eindeloos, en ik voelde me machteloos. Het enige wat ik kon doen, was haar blijven aanmoedigen en hopen dat we snel bij de auto zouden zijn. Toen we eindelijk het parkeerterrein bereikten, voelde het alsof we een marathon hadden gelopen. Vera trilde van de kou, en haar gezicht was bleek. “We gaan eerst naar huis voor droge kleren,” zei ik. “En daarna rechtstreeks naar de spoed.” Ze knikte zwakjes, te uitgeput om iets te zeggen. Een race tegen de klok Thuis hielp ik Vera om haar natte kleren uit te trekken en haar in iets warms te steken. Haar arm zag er slecht uit: opgezwollen en blauw. Ik wilde geen tijd verliezen en reed zo snel mogelijk naar het UZ Leuven. Daar werd ze meteen onderzocht. De diagnose was schokkend. De arts vertelde ons dat de holte in het onderstuk van haar bovenarm, waar haar prothese in vastzat, gebroken was. Hierdoor was de prothese niet langer gefixeerd. Kort gezegd: haar arm hing alleen nog aan haar lichaam dankzij de spieren en pezen. “We moeten opereren,” zei de arts. “Maar door de drukte van de covid-19-pandemie kunnen we haar nu niet opnemen. We hebben op dit moment geen bedden beschikbaar.” Mijn hart zakte in mijn schoenen. Hoe kon dit? Vera zou nog minstens een week met een gebroken arm moeten rondlopen voordat ze geopereerd kon worden. Het voelde oneerlijk, maar we hadden geen keuze. Een week van pijn en geduld De week die volgde was een beproeving. Vera had constante pijn, en elke beweging leek haar een marteling. Ik deed mijn best om haar te helpen met alledaagse dingen, zoals aankleden en eten, maar ik wist dat ik haar ongemak niet volledig kon wegnemen. De nachten waren het zwaarst. Vaak werd ze wakker van de pijn, en ik voelde me machteloos. Eindelijk, na zeven lange dagen, kwam het telefoontje waar we op hadden gewacht. Er was een bed beschikbaar, en Vera kon worden opgenomen voor de operatie. In het ziekenhuis werd ze voorbereid op een ingewikkelde ingreep. De artsen legden uit dat ze de gebroken holte in haar bovenarm zouden herstellen en de prothese opnieuw zouden fixeren. Het was een risicovolle operatie, maar de enige manier om haar arm te redden. Hoop en herstel De operatie duurde uren, en die tijd voelde als een eeuwigheid. Toen de chirurg uiteindelijk naar me toe kwam, was zijn gezicht gelukkig hoopvol. “De operatie is geslaagd,” zei hij. “Het zal een lang revalidatietraject worden, maar ze zal haar arm weer kunnen gebruiken.” De opluchting overspoelde me. Vera lag nog enkele dagen in het ziekenhuis om te herstellen, en daarna kon ze naar huis. De weken daarna stonden in het teken van fysiotherapie en langzaam weer vertrouwen krijgen in haar arm. Ondanks de pijn en de tegenslagen bleef Vera optimistisch. “Het had veel slechter kunnen aflopen,” zei ze vaak. En daar had ze gelijk in. Reflectie Nu, terugkijkend op die winterse wandeling, blijft het een verhaal vol emoties. Het was een tocht van schoonheid en avontuur, maar ook van pijn en doorzettingsvermogen. Vera’s moed en vastberadenheid hebben me diep geraakt. Hoewel we die dag met een gebroken arm en natte kleren eindigden, herinneren we ons ook de glinsterende vijvers, de houten blokken en het besef dat we samen alles aankunnen – zelfs in de ijskoude winter. Dit voorval had ons eraan herinnerd dat, hoe sterk we ook denken te zijn, we uiteindelijk ook maar mensen zijn, kwetsbaar in de ogen van de natuur.

Guy Van Damme
31 2

Jouwen we even samen? (3de plaats bij 'Hooray for the essay')

Toen ik nog voor de klas stond en een leerling op spieken betrapte, antwoordde die: ‘Maar mevrouw, zij was ook aan het spieken.’ In plaats van schuld te bekennen, wees de leerling een klasgenoot aan die dezelfde fout maakte. Hij legde de vinger op de grootste wonde van een startende leraar: ik was niet consequent. Ik zag de fout wel bij hem, maar niet bij die andere. De leerling bracht me in een lastig parket. Wat moest ik doen? Hem straffen, en de andere leerling van wie ik het niet had gezien ook? Die laatste ontkende natuurlijk staalhard dat ze gespiekt had. Of zou ik alleen de leerling straffen die ik wel had betrapt, en riskeren dat ik geen rechtvaardige rechter was?  Veel bedenktijd heb je niet op zulke momenten. Mijn geest zocht in sneltempo naar een oplossing. Uit de diepste krochten van mijn database borrelden er frasen naar boven die ik als kind had gehoord. ‘Leg uw polleke eerst op uw eigen hoofd, en kijk wie eronder staat’, zeiden mijn kleuterleraren als we klikten. Ook populair: ‘En als de ander in de Dender springt, doe jij dat dan ook?” (In andere regio’s bestaat die formule ook, vernam ik later. Je vervangt de Dender gewoon door de plaatselijke rivier.)  De hedendaagse leerling schudt meewarig het hoofd bij zulke stichtelijke antwoorden. Maar mijn kleuterjuffen hebben me kennelijk goed geïndoctrineerd; het jeukt nog steeds verschrikkelijk als mensen het ene kwaad proberen opheffen met een ander kwaad. Als ze niet naar zichzelf willen kijken of hun verantwoordelijkheid ontlopen. De jeuk heeft een naam. ‘Two wrongs make a right’ is een veelvoorkomende drogreden in discussies. Denk aan argumenten als: ‘Wij stoten misschien veel CO2 uit maar China nog veel meer’, waarbij je het probleem in eigen land relativeert door naar een land te verwijzen dat hetzelfde doet, maar nog erger. Op dezelfde manier kan een spreker vergoelijken dat onze begroting in het rood gaat, want die in andere landen ook. Het is aanvaardbaar, want de andere doet het ook. Iedereen rijdt wel eens met een glaasje op, toch? Naaste familie van ‘Two wrongs make a right’ is het bekendere ‘whataboutism’. Dan vergelijkt de spreker het ene kwaad met een andere misstand. Denk aan discussies waarbij beschuldigingen over ‘censuur’ van Vlaams-Nationalisten en ‘cancel culture’ van zogenaamde wokies tegen over elkaar gesteld worden, zoals Mia Doornaert hier doet: “De linkse filosoof en vakbondsman Robrecht Vanderbeeken ziet in zijn recente opiniestuk (DS 4 april) niets dan censuur en “slaafsheid” in Vlaanderen. Dat komt doordat de Vlaams-nationalisten “de VRT aan de ketting leggen” en de cultuur censureren. Je moet maar durven. De afgelopen decennia is de cultuurwereld juist slaafs in de pas gaan lopen van een ‘links’ dogma, van een taalpolitie, van een boycot (alias cancelcultuur) van foutgelovigen.”  In een opiniestuk over politieke hygiëne schreef lector Verkeerskunde Kris Peeters: ‘Kwaad zijn over de oplopende kosten van het energie-eiland, maar niet over die van de Oosterweelverbinding? Sommigen kunnen dat”. En arbeidseconoom Stijn Baert stelde in De Afspraak dat we verontwaardigd zijn over de extreemrechtse burgemeester Guy D’Haeseleer in Ninove, terwijl we amper spreken over Molenbeek, “waar Vooruit een coalitie lijkt te vormen met drie partijen die voor een stuk geloof voor verlichting stellen. Catherine Moureaux van de PS die vraagt of we een plaats kunnen inrichten waar exclusief meisjes met elkaar in contact kunnen komen, of Team Ahidar dat onverdoofd slachten heroverweegt, bijvoorbeeld. Ik denk dat dat tot ingrijpendere ontwrichtingen van de maatschappij kan leiden dan dat men in Ninove misschien Vlaams zal moeten spreken in een sportclub.” In beide gevallen drijft de boot weg van het oorspronkelijke onderwerp. Peeters blijft niet bij de oplopende kosten van het energie-eiland, Baert leidt af van de mogelijke impact van Guy D’Haeseleer.  Het jeukt nog erger wanneer ik vaststel dat ik zelf die spiekende leerling ben, en in de val trap van de vergelijkende vingerwijzing. Na de column van Herman Brusselmans werd er terecht op gewezen dat je niet elke Jood verantwoordelijk kan stellen voor de oorlog in Gaza. Maar waarom vroegen we dan in 2001 en 2016 wel dat elke moslim afstand nam van de aanslagen, gepleegd door enkele terroristen? Een vriend stelde mijn beeld bij. Ook toen waren er betogingen van mensen die het opnamen voor moslims. Het was niet zo zwart-wit als ik het me herinner. Misschien is dat ook een eigenschap van deze drogredenen. De nuance wordt van de vergelijking gevijld. Een drogreden is een schema, eerder dan een complexe wereld.  En toch ben ik niet de enige die als een gek op inconsequenties jaagt. O wee als je een rijke socialist bent, een christendemocraat met een maîtresse of een ecologist met een verleden als vliegende reporter. Je gesprekspartner kan die eigenschappen uitvergroten, waardoor men geen oren meer heeft naar je inhoudelijke argumenten. Hier gaat het om de tu quoque-variant, of ‘jij ook’ voor wie het Latijn minder machtig is. Die specifieke vorm van de ‘two wrongs make a right’ wordt ook wel de jij-bak genoemd, of in het volkslatijn: de pot verwijt de ketel. Bijvoorbeeld, een spreker wijst erop dat vlees eten slecht is voor het klimaat, en jij werpt tegen dat je hem onlangs met smaak een steak zag verorberen. Maar is het dan echt niet geoorloofd om hypocrisie aan te klagen? De twee maten en twee gewichten, weet u wel. Die moet je toch blootleggen? In haar column ‘Er is niks mis met een drogreden’ fulmineert wijlen Beatrijs Ritsema tegen wat ze ‘het zoveelste vrome preekje tegen het tu quoque-argument’ noemt, een column van Suzanne Wuesten. ‘Als vergelijkingen met overeenkomstige situaties taboe verklaard worden, kun je helemaal nergens meer een discussie over voeren’, betoogt Ritsema. Als voorbeeld haalt ze de airconditioned mansion van ‘profeet van de planeet’ Al Gore aan. ‘Zelfs als je níet Al Gore persoonlijk wil aanvallen, geeft het argument alsnog inzicht in de al te menselijke kloof tussen idealen en de dagelijkse praktijk, toch zeker relevant voor de klimaatkwestie.’ Ritsema beschouwt de retorica als een kunstvorm, waarin alle argumenten in een redenering erop gericht zijn om het gehoor te overtuigen en mee te slepen. ‘Een gloedvol spreker gooit zijn hele hebben en houden in de strijd en het publiek bepaalt zelf waardoor het zich laat begoochelen. Wie het er niet mee eens is, roept altijd: drogreden!’ Ze heeft ergens een punt: het is wat geconstipeerd debatteren als je de hele tijd beducht bent voor drogredenen. Misschien is het wel iets diepmenselijks om tegenstrijdigheden te detecteren. Toch jeuken de tu quoque (het is best een mooie naam voor een kriebelig beestje, de toe-kwokwee) en de andere drogredenen, vooral wanneer de spreker er zijn passiviteit mee wil rechtvaardigen. Ik hoef niks goeds te doen, want die andere doet ook niks goeds. Maar dan komt de spiekende leerling me weer voor de geest, met zijn treiterige glimlachje, en hij fluistert me in: “mevrouw, u doet het toch ook wel? Bent u niet net zo kleingeestig als ik wanneer u hypocrisie aanklaagt? Of denkt u echt dat uw rechtvaardigheidsgevoel dan spreekt?” “Je bent een hardleerse tu quoque-ist”, zeg ik hem, maar ik gun hem wat terrein. “Misschien mag het wel, als iemand echt een morele autoriteit is en zich daar niet naar gedraagt. Maar ik wil gewoon dat debatten om inhoud draaien, is dat dan zo erg?” “U krijgt weer rode vlekken in uw hals”, antwoordt hij me. Voor ik het weet, krab ik me.  Ritsema wijst in haar column op een kil aspect van mijn rechtvaardige logica. ‘Het kind dat roept “wat je zegt ben je zelf’ gaat geen inhoudelijke discussie aan, maar kaatst simpel terug. […] Er is niets op tegen om die gevoeligheid of angst te exposeren.” Zonder het zo te benoemen, raakt ze aan wat Freud projectie noemde: men schrijft onderdrukte gevoelens of verlangens onbewust toe aan een externe bron. De verliefde leest aspecten van zichzelf in haar liefdesobject, de pestkop valt de kwetsbaarheid van zijn slachtoffer aan. Terwijl hij zijn eigen kwetsbaarheid wegduwt. En wie een ander van zedeloosheid beschuldigt, laat misschien zijn eigen seksuele verlangens niet toe. Jezus wees al op dit mechanisme in het Nieuwe Testament: “Waarom kijkt u naar het splintertje in het oog van uw broeder en besteedt u geen aandacht aan de balk in uw eigen oog?” Zo, de tu quoque is een psychologisch verdedigingsmechanisme. Verslijt de spreker dus niet voor een huichelaar, zoals Jezus deed, maar breng begrip op voor zijn onderliggende onrust. Is dat geen fijn krabben tegen de jeuk? Maar wat als het om bewuste afleiding of misleiding gaat? In de VS win je verkiezingen als je zegt dat je tegenstander in de cel hoort, terwijl er rechtszaken tegen je lopen. Of als je beweert dat je tegenstander dom is, terwijl je eigen argumenten soms kant nog wal raken. Daartegenover is begrip toch wat naïef.  Moeten we niet alle zeilen bijzetten om die drogredenen te ontmaskeren, misschien met AI die ze instant rood kleurt in een tekst of het geluid dempt in een video? Ook in opiniestukken van weldenkenden, en liefst nog voor de publicatie. Misschien is dat te betuttelend. En is het hard opboksen tegen het commerciële succes van die redeneringen, tegen de herkenbaarheid en de populariteit van het retorische kunstje.  Op zoek naar een nog gepastere zalf tegen de jeuk, ging ik te rade bij de virtuele apotheker. ChatGPT. Vindt u dat een essayist onwaardig? Ach, ik durf wedden dat u ook al een keertje bij ChatGPT aanklopte, misschien wel om slimmer te lijken dan u bent. O, die verdomde jeuk, daar brandt ie weer.  ChatGPT geeft je meteen een masterclass. Maak de drogreden expliciet, breng de discussie terug naar het oorspronkelijke punt, gebruik feiten en framing, blijf kalm en professioneel, vat samen en stel een directe vraag,… Goede tips, maar je moet er al een geoefend journalist of gehaaid politicus voor zijn. En je spreker zal ongetwijfeld geïrriteerd reageren als je hem publiekelijk van een drogreden beschuldigt.  Misschien ligt het beste krabben wel in de gelijkheid. Want de two wrongs en tu quoque onthullen dat we fouten van dezelfde orde maken en dezelfde dingen ondergaan. Kortom, dat we op elkaar lijken. Enkele weken geleden stonden er twee politica’s voor het Gentse stadhuis, die elkaar zeer goed hoorden.  Desondanks riep de ene: “Wij werden uitgejouwd. Door jullie aanhangers.’ Waarop de andere iets zei als: ‘Maar wij werden ook uitgejouwd. Door jullie aanhangers.’ Toen de camera’s weg waren, besloten ze:  “O, dan werden we allebei uitgejouwd. Goed dan. Jouwen we nu even samen?”                                

Pons
48 0