Lezen

Scheur de speldenprik open en voel doorheen de sluier

Als ik denk aan mijn spirituele capaciteiten als oneindig lichtwezen en die vergelijk met mijn gewaarwordingen als vergankelijk mens, dan lijk ik zo goed als blind, doof en gevoelloos door het leven te gaan. En dat voor een hooggevoelig mens! Oké, ik overdrijf, ik zie, hoor en voel wel wat, maar er zit ook wat tussen. Een laag die tegenwerkt en afleidt. Iets dat mij de focus en helderheid ontneemt. Ik gluur en tast dan doorheen een dikke sluier en tracht in te schatten waar ik mee te maken heb. Ik herinner me dat de sluier tijdens mijn kindertijd dun en soepel was. Het was vanzelfsprekend dat ik erdoorheen kon zien, ermee kon spelen en dansen. Maar synchroon met het volwassen worden werd die grens naar andere dimensies steeds stugger en dikker. Het was alsof de materiële wereld als een verstikkende modder door mijn personage geabsorbeerd werd, met een alarm slaand spijsverteringsstelsel als gevolg. Ik kon en wou die zwaarte niet verteren. De wijsheid van mijn lichaam stuurde me telkens weer op pad. Weer scherper voelen en zien doorheen de sluier der vergetelheid, gecombineerd met onvoorwaardelijke eigenliefde: dat bleek mijn formule te zijn om gezond te kunnen functioneren in deze realiteit. Het antwoord vinden was gemakkelijker dan de uitvoering ervan. Dat werd een proces van zoeken, vinden, twijfelen, loslaten, vergeten, opnieuw zoeken, hervinden en zo nog even voort. De functie van de sluier is om (gedeeltelijk) te vergeten. Maar daar bovenop is er nog een onnatuurlijk mechanisme van afleiding werkzaam. Hard werken en geld tellen om te overleven, dat is bijvoorbeeld afleiding. Materiële overvloed en een oneindige stroom aan vermakelijke prikkels ook. Het comfort dat we ervaren, gespeld tussen handhaving en dreigementen van verlies, wil ons doen vergeten dat er überhaupt een sluier is. Gehechtheid aan materie reduceert lichtwezens tot slaven die energie, tijd en aandacht inleveren. Het pretendeert dat de fysieke praktische realiteit alles is wat we hebben en dat al het onzichtbare en mysterieuze wetenschappelijk en rationeel te verklaren is. Er heerst een soort van arrogante hoogmoed die woorden als ‘mysterie’ en ‘magie’ weglacht, om elke deur naar een spirituele ervaring (of herinnering) gesloten te houden. Deze fysieke realiteit is nochtans nog minder dan een speldenprik groot ten opzichte van de oneindige veelzijdigheid van andere ervaringsvormen, werelden en dimensies. Een speldenprik die we ten volle uitvergroot ervaren, alsof er inderdaad niets anders is. De sluier gaat in essentie over ‘doen alsof’. Een deel wordt afgedekt, zodat de levenservaring scherper en intenser naar voren komt. Als bij een theaterstuk waarin we mens-zijn spelen. De hele ervaring van het hebben van een lichaam en vanuit dat perspectief andere zielen en hun lichaam te ontmoeten, is op zich iets wonderlijks. Iets waarvan ik me wel kan voorstellen dat ik er vrijwillig voor zou kiezen. Daarom voelt deze bestaansvorm ook niet helemaal als onnatuurlijk. Het is de programmering die overheen dat bestaan wordt gelegd, wat ik de matrix noem, die onnatuurlijk en verstorend werkt. Die programmering maakt de sluier zodanig hard en ondoordringbaar dat ze een kasteelmuur lijkt geworden. Of de wand van een grot, om nog eens aan Plato’s allegorie te refereren. Je kan naar de wand zitten staren, niet zien, horen of voelen wat er zich daarbuiten bevindt, maar daarbij wel het vermoeden of een intuïtief gevoel hebben dat er meer is dan wat zich binnen de grenzen van de grot bevindt. Er zijn ook velen die de grot volledig ontkennen en de beperkte illusie als absoluut waar beschouwen. Hun bewustzijn beweegt dan enkel binnen de reikwijdte van de speldenprik. Ik werd steeds zieker naarmate mijn perceptie doorheen de sluier troebeler werd. Helder kunnen waarnemen en voelen wat er achter de verschijningsvormen beweegt, bleek een noodzaak. Een breder bewustzijn bracht mij een betere gezondheid, en omgekeerd, dat is hoe de dingen voor mij werken. Het verbaasde me dan ook om zoveel mensen onbewust en blind, maar in een schijnbaar blakende gezondheid, door het leven te zien razen. Hoe deden zij dat dan? Waarom kregen zij geen auto-immuunziekte? Hoe verschilde hun innerlijke wereld van de mijne? Die auto-immuunziekte leek op maat gemaakt voor mij; het schudde me telkens weer hardhandig wakker als ik vergat te voelen in die diepere lagen. Daarmee werd het ook meer dan duidelijk dat een oppervlakkig leven in de grot geen optie was voor mij, toch niet als ik gezond wilde zijn. Mijn lichaam liet geen speling om af te dwalen of spiritueel in te dommelen. Het motiveerde me om mijn bewustzijn te blijven verruimen. De moeilijkheid is dat het sociale systeem waarin een kind hier opgroeit ontworpen lijkt om de sluier alleen maar te verharden. Omgaan met de weelderige gevoelswereld en de connectie met onzichtbare sferen komen meestal niet aan bod in de opvoeding van vandaag. Integendeel, alles leidt af in de richting van de speldenprik. We leren ons blindstaren op illusies. Wie zichzelf wil uitzuiveren van alle aangeleerde beperkende patronen en de sluier weer transparanter wil maken, dient zichzelf te ontkoppelen van die illusies. Spiritualiteit wordt tegenwoordig niet alleen onderdrukt, maar ook geconsumeerd en opgeslokt door een commerciële mindset. Wat volgens mij ook een strategie is om de geloofwaardigheid en natuurlijke kracht van spirituele gewaarwordingen doorheen de sluier te verstoren. De drempel werd zogezegd verlaagd, nu iedereen zich in de naam van eigenliefde een btw-nummer kan aanvragen en zich vervolgens sjamaan of healer kan noemen. Het gaat hier echter over het vervangen van de ene illusie door een andere. Omringd door de geur van gebrande salie, met pluimen in het haar en kristallen rond de nek, ontwaakt er niets anders dan een ego in een nieuw jasje. Dit is als het decoreren van de grot. Objecten, rituelen en woorden zijn hol zolang er geen transcendentaal gevoel in zit. Het echte werk zit in het verruimen van de gevoelswereld. En in het dragen van epistemologische verantwoordelijkheid; een levenswerk waarbij je onderzoekt wat waarheid inhoudt. Ik hoor geregeld mensen in al hun kwetsbare eerlijkheid en twijfel zeggen dat ze niets voelen. Er wordt hen bijvoorbeeld verteld dat er iets te voelen valt; een sfeer op een plek of de uitstraling van een object of persoon. Ze ontvangen die informatie dan rationeel, maar weten niet hoe ze kunnen overschakelen naar de andere kant van de medaille, namelijk naar het gevoelsmatige. Ze zijn het verleerd, vergeten en werden ook niet omringd door mensen die hen daarin inspireerden. Maar de wil, of het steeds luider klinkende verlangen van de ziel om zich uit te strekken naar een ruimer bewustzijnsveld, maakt wel dat er stappen van ontwikkeling worden gezet. Op momenten dat de zwaarte van het materieel bestaan als dood gewicht op mijn schouders hangt, vervloek ik die sluier wel eens. Het vraagt dan zoveel moeite, focus en zelfvertrouwen om een glimp van het spirituele bestaan achter de sluier te kunnen opvangen. Ik voel me op die momenten zo gevangen en beperkt in de materie. Elke dag voel ik de zwaarte trekken, en elke dag vergt het een zekere discipline en doorzettingsvermogen om daar bovenuit te stijgen. Om de sluier transparant te houden. Om helder te blijven zien, horen en voelen. Het is ook een kwestie van keuzes maken: ga ik in op de lokroep van het materiële comfort, of wijk ik af van het voorspelbare geplaveide pad? De speldenprik is een scheur geworden en ik heb begrepen dat de sluier als één geheel met mijn bewustzijn mee beweegt. Ik ben de sluier die mezelf verhult, evenals ik het licht ben dat mijn ware zelf openbaart. Het licht- en schaduwspel dat plaatsvindt tussen beide zijn de bewegingen van mijn leven.www.karoliendeman.com Foto door Lieven Herreman

KarolienDeman
0 0

Nog een pareltje

Ik ben iemand die haar geschreven zinnen meticuleus afweegt in een weegschaaltje dat het evenwicht zoekt tussen rationele aarde en intuïtieve wind. Een deel van de inspiratie komt vanuit mijn aardse ervaring en een ander deel wordt mij, rechtsboven, ingeblazen. Het snijpunt tussen beide tracht ik zo scherp en esthetisch mogelijk vorm te geven. Hier haal ik een gevoel uit dat als een soort van vreugde kan worden omschreven. Of ‘vervulling’ is misschien nog treffender. Het is geen uitgesproken gevoel, maar mocht ik de drang om te schrijven negeren, dan zou er in mij wel iets gaan schreeuwen. De zinnen die het halen, groeien bovenop een kerkhof van gewiste woorden. Ik durf wel eens afdwalen, met als gevolg dat hele blokken tekst worden gesloopt. Zonder mededogen of een gevoel van spijt, snij ik die zijsprongen eraf. ‘To the point blijven, Karolien!’ Maan ik mezelf dan aan, al spreek ik mezelf nooit aan met mijn naam. Net zoals ik mijn lief nooit bij zijn naam noem, want dat zou alleen maar betekenen dat er iets ernstig aan de hand is. Onze namen zijn voor de buitenwereld, voor elkaar zijn we het naamloze alles. Dat was nu een kleine zijsprong die ik eraan laat hangen. Het kan sympathiek zijn als er zijwaartse bewegingen van de maker zichtbaar blijven in het resultaat. Maar ik vind wel dat er een lijn in het algehele resultaat moet zitten. Gestroomlijnde samenhang met een nog zichtbare toets van de hand van de meester. Ik schrijf zoals ik schilder: fotorealistisch zonder de textuur van de penseelstreken te verliezen.   Het lezen van een ‘goede tekst’ is als een zachte vacht waar je met een voldoeninggevend gevoel van begin tot eind overheen streelt. Hij neemt je mee in een bepaalde richting. Het is een belangeloze beweging die je zin na zin afloopt. Het is de vrije wil die zich laat leiden door iets dat herkenbaar voelt, maar dat tegelijk toch vreemd is. En daardoor blijf je doorgaan. Wie ben ik om te bepalen wat een ‘goede tekst’ is, hoor ik mijn innerlijke zelfsloper opperen. We kunnen ignorant gaan lullen dat dit een subjectief waardeoordeel is, maar als we eerlijk en zelfbewust durven zijn, dan is literaire kwaliteit echt wel voelbaar. Zeker nu er een overload aan vluchtig in elkaar geflanste, AI-gegeneerde bagger overheerst, is het een zeldzame verademing om nog eens een authentiek gesculpteerd pareltje te vinden. Iets waar echt tijd voor werd genomen en verankerd zit in een doorleefde kern.   De troebele waters van het internet leveren meer bijvangst dan vette vis. De mening van de menigte is als ruis waarin niets wezenlijks blijft hangen. Nu de toegang tot zelfverheerlijking werd vergroot, iedereen een platform heeft om zich op te etaleren en ook de drempel om een boek uit te brengen werd verlaagd, is er een oververzadiging die mij wel eens demotiveert. Waarom zou ik daar nog iets aan toevoegen? Wat maakt mij anders? Er is ook nog de door de veelheid aangetaste focus van de lezer. Teksten langer dan 500 woorden zijn voor de constant geëntertainde massa een te hoge horde. Poëzie vindt men hapklaar het mooist en wordt liefst diagonaal gelezen. Alles scrolt voorbij op een oneindige loopband van korte impulsen, als tijdelijkheid die in herhaling valt. Steeds hetzelfde telkens anders gebracht. Het brengt stagnatie zonder werkelijk ergens bij stil te staan. En toch gooi ik mijn parels in een oceaan van zwijnen. Ze verdwijnen tussen de knorrende commotie. Het doet me denken aan ‘guerrilla gardening’, waarbij je bloemenzaad in het rond gooit op kleurloze plekken in de veronderstelling dat er wel enkele zaadjes zullen ontkiemen. In de veelheid aan beton zal er wel ergens een zacht kiertje zijn waarin een zaadje kan nestelen. Leuk als dat zo zou zijn, maar ook geen must. Want al deze woorden hebben hun plaatsje gevonden, deze tekst is geschreven. En dat is waar het om ging. Al wat er eventueel uit volgt zijn extraatjes, maar geen noodzaak. De noodzaak werd bij deze vervuld.www.karoliendeman.comFoto door Lieven Herreman

KarolienDeman
3 1

Mijn schuld

Onder het motto 'Er is geen betere leerschool dan het leven zelf' brachten we in onze studentenjaren minstens evenveel tijd door op caféstoelen als op de schoolbanken. Ik heb niet alles onthouden van die jaren (mocht u iets anders denken: het is gewoon te lang geleden), maar Staf staat me nog helder voor de geest. Hij was barman in een van die etablissementen en gaf Nederlands in een middelbare school, maar in de avonduren kluste hij wat bij. Als barman, maar ook als filosoof en politicus. Als we op het einde van de avond vroegen wat onze schuld was, antwoordde hij vaak met dit: “Jullie schuld? Dat is 750.000 frank per persoon, hè mannen. Ge weet toch dat elke Belg met dat schuldbedrag geboren wordt?” Op een avond, toen we als laatsten aan de toog zaten, ging hij verder over dat woordje schuld. “Jullie weten toch dat schuld een prachtig homoniem is?” Als we het al wisten, konden we er die nacht zeker niet opkomen. “Een woord dat exact hetzelfde is, maar een totaal andere betekenis heeft. Zoals een kater, dat kennen jullie wel. Het is een kat, maar ook datgene wat jullie morgenvroeg gaan hebben. Bij schuld is dat ook zo. Ge hebt de juridische term, waarbij iemand schuldig is aan een overtreding of een misdaad. Maar er is ook een financiële betekenis. Het bedrag dat jullie nu moeten betalen. Dertig frank de pint, maal tien, dat is 300 frank per man.” Ik speelde in die jaren op zondag nog voetbal. Als er iemand langs de zijlijn riep dat het mijn schuld was dat die aanvaller had kunnen scoren, had ik veel zin om te antwoorden dat vooral de regering veel schulden had. Maar ik zei het natuurlijk niet. Dat was voor de weekdagen, aan de toog, bij Staf.

Rudi Lavreysen
6 1

Waardig ouder worden

Elke dag. Elke minuut. Elke seconde gebeurt het. Je wordt ouder waar je bij staat.  Drieëntwintig. Dat is al decennialang mijn gevoelsleeftijd. Dat zit veel dieper dan je op het eerste gezicht zou denken. Zo schat ik telkens weer de leeftijd in van nieuwe mensen die ik tegenkom. Van een man van pakweg achtendertig zal ik al gauw denken dat hij meer levenservaring of -wijsheid heeft dan ik en soms ben ik er rotsvast van overtuigd dat een jonge vrouw van zesentwintig best wel in mij geïnteresseerd kan zijn, ook op lichamelijk vlak. Je leest het gelukkig niet van me af. Verdorie ja, nu wel natuurlijk. En toch, toch ben ik dezer dagen op bijna onverklaarbare wijze bezig met mijn oude dag. Onlangs droomde ik dat ik zat te kienen in het woonzorgcentrum, in een rolstoel, met een geruit dekentje over m'n krakkemikkige knieën. Toen de getalletjesafroeper '87!' kweelde, sloeg mijn zwakke, soms lichtjes haperende hart twee keer over en trachtte ik uit volle borst 'kien!' te roepen. Ik schrok er zelf van hoe fragiel mijn stemmetje klonk. Het kwam amper boven het geroezemoes in de cafetaria uit. 'Net op 87 dan nog,' mompelde ik tegen Robert, mijn vaste buurman tijdens spelnamiddagen, 'dat is toevallig ook mijn leeftijd.'  Robert trok er zich zoals gewoonlijk niks van aan. Hij was ook bijna gewoon lijk en speelde niet eens mee, omdat hij weer eens vergeten was zijn gehoorapparaat op te laden. Al jaren leefde hij als een plant. In zijn geval als een dovenetel.  Een paar dagen geleden hoorde ik op het radionieuws dat de gemiddelde prijs voor een maandelijks verblijf in een woonzorgcentrum ongeveer 700 euro hoger ligt dan het gemiddelde pensioen. Daar wordt een mens toch een tikkeltje ongemakkelijk van. Woonzorgcentra zijn bijna onrusthuizen geworden. Als het zo doorgaat alleen nog weggelegd voor de happy few, als je tenminste goed verzorgd en voor de rest met rust gelaten wordt, want gisteren nog las ik over kwetsbare bejaarden die er bestolen en zelfs mishandeld werden door het personeel. Dat slaat toch nergens op, zou je verkeerdelijk denken. Ik realiseer me nu dat ik in 2028 even lang in het vorige als in het huidige millennium geleefd zal hebben. Typisch zo'n bedenking die ik vroeger nooit zou maken. Waken moet ik. Waken over mijn geestelijke gezondheid. Focussen op die drieëntwintig dus. Zoals ik dat gewend ben. Rustig negeren hoe ik de lettergrootte van mijn tekstverwerker tegenwoordig twee puntjes hoger moet zetten om mijn eigen schrijfsels nog te kunnen volgen, hoe ik in het fitnesscentrum mijn fietsrecord van twee jaar geleden maar niet verbeterd krijg, hoe de dagen steeds sneller voorbij lijken te gaan, hoe mijn knietjes soms kraken als ik de trappen naar de zijdeur oploop en hoe ik soms van een mug een olifant maak, tenzij het over mijn geheugen gaat, want dat lijkt hoe langer hoe minder op dat van een olifant maar eerder op dat van een mug met jongdementie, terwijl ik instinctief veel minder drink, in die mate zelfs dat ik de voorbije acht weken geen druppel alcohol genuttigd heb en bijgevolg geheelonthouder zou moeten zijn. Wel, allesbehalve! Ik ben een vergetend vergiet. Mijn dokter hint bijvoorbeeld wel eens dat vijftigers baat hebben bij een jaarlijks of tweejaarlijks prostaatonderzoek. Dan denk ik ijskoud: en wat dan nog? Wat heb ik daar mee te maken? Dat zijn zorgen voor later. Veel later! En ik ontken dat het een ontkenningsfase is. 'Hoe voel je je?' Dat vraagt hij de laatste jaren telkens weer als ik 'm zie (als ik onze afspraak niet vergeet). Zomaar. Zonder aanwijsbare reden. Vreemd toch. 'De eerste vijf dagen na het weekend zijn het beroerdst, daarna gaat het wel weer,' antwoordde ik overlaatst. En ernstig kijken dat hij deed! Erg toch, op zijn leeftijd. Hij is ongeveer tien jaar ouder dan ik. Drieëndertig, en nog steeds geen greintje gevoel voor humor. Dat moet erg zijn.  

Danny Vandenberk
0 0

Lieve "N"

Ik wil geen beuzak zijn, maar soms lijk je op die ene +1 die meekomt naar een feestje waar niemand op jou zit te wachten. Die persoon die niet beseft dat het de anderen niet meer interesseert wat je te vertellen hebt, en onverstoorbaar door blijft leuteren. Waarom wring je je er soms zo tussen en ben je er anders niet? Het is de onvoorspelbaarheid die me zo onrustig stemt.   De zon en de bloemen mogen elkaar beroeren zonder jouw regels, maar de pad en de stoel lijken jou nodig te hebben. Ben je een verbinder of een stoorzender? Ik weet het soms ook niet. Kan de pan de koek niet bakken zonder jouw hulp, (en waarom vroeger dan wel?) alsof je een blokje vetstof bent. Heb je iets gedaan om hen afhankelijk van jou te maken of ben je hen in de weg gaan staan?   Pas op, ik wil je heus niet kwetsen. Soms heb je de kracht met zo weinig verandering een heel concept op zijn kop te zetten en blijft er ineens niemand meer over of is er plots niets meer aan de hand. En ik besef ook dat we je soms wat stiefmoederlijk behandelen wanneer we je aan het einde van een gewoon gewoon plots late(n) valle(n), kan je me vertellen waar je dan naartoe gaat?  Nergens.   Is dat waarom je soms in paren reist? Waarom jullie met z’n tweetjes in mijn naam huizen en andere klanken daarmee een kopje kleiner maken? Het is geen oordeel, gewoon een vraag. Ik probeer je te begrijpen zodat ik de fout niet meer maak. Je voor lief te nemen, in een hoekje gesmeten.   Als er één iets is dat je niet mag vergeten... Je hebt een gave, een talent waarin niemand je kan evenaren: die om woorden, zinnen en zinsdelen aan elkaar te rijgen.  Want alleen jij bent al genoeg  om werelden aan elkaar te hangen N [en] dat is een kracht als geen ander.

annakdotes
6 0

Oktober één tot en met elf

  Uittreksels uit het oktoberdagboek van Ignace Somers. Het betreft dag één tot en met elf. Het werd slechts een samenvatting van heersende twijfel, van enkele wapenfeiten, van amper vatbare emoties.   1 oktober Die tiende maand begint dan toch.   2 oktober Nu pas slaat twijfel pas echt toe. Is het dan niet december?   3 oktober Mean Girls Day. Dit zou de tofste dag van de maand moeten worden. Helaas.   4 oktober Werelddierendag en toch heb ik drie muggen platgemept. De muur kleurde enigszins rood.   5 oktober Uit de monden van John Lennon en Paul McCartney. Deze woorden weerklonken vierenzestig jaar geleden, op een dag als deze voor het eerst. Love, love me do. Tja? Om liefde janken. Terwijl overleven op zich al een kunst is.   6 oktober Wereld-CP-dag. Cerebrale parese. Kon mij dat maar overkomen. Een hersenverlamming. Dat zou pas echt rust brengen.   7 oktober Naar aanleiding van die joelende menigte met hun witblauwe vlaggen. Dit wordt alsnog een bijzondere dag. Die van het negationisme van de genocide in Gaza.   8 oktober Hoeveel zielen vervlogen er vandaag, te vroeg, onnodig, door dat wrede toedoen? De middagwarmte brengt rust noch hersenverlamming. Des avonds. Nu. Ik doe het dan toch. Ik noteer de oplossing voor meerdere wereldproblemen op dit frietpapier. Hier. In Frituur De Bosbrand.   9 oktober Jacques Brel stierf lang geleden. Ne me quitte pas. En toch. Alles liet hem achter op een negende dag van een oktober. Ach. Die medelijdenmelker. wat een komediant.   10 oktober Het wordt bevestigd. Ergens in Noorwegen. Het betreft wel degelijk een genocide!   11 oktober Het wordt mij allemaal wat te veel. De avondzon kleurt bloedrood en wat belooft het weerbericht voor morgen 12 oktober? Het zou een schone dag worden. Jawel. Geen wolkje. Geen vuiltje aan de lucht.       uit de reeks 'Ignace Somers'        

Bernd Vanderbilt
7 0

Verboden vrucht

De zaal zat stampvol. Een kakafonie van lachende stemmen weerkaatste tegen het hoge plafond van de eventhal, en rond de hoge bartafeltjes klonken glazen tegen elkaar. Het oktoberzonnetje maakte overuren boven Oostende. In de Wellington renbaan hing een drukkende warmte, en af en toe wapperde een weeë geur van zweet langs mijn neus. Ik had haar meteen gespot. Al mijn zintuigen sprongen op scherp. Ik voelde de bekende hitte in mijn onderbuik opkomen. De laatste jaren lukte het me steeds beter om mijn driften te onderdrukken, maar vandaag wist ik het zeker: dit ging ik niet winnen. Ik draaide me demonstratief om en probeerde de buikademhaling die ik van de psycholoog had geleerd. In. Uit. Een zacht kreungeluid ontsnapte tussen mijn stembanden. Een vrouw van middelbare leeftijd keek me hooghartig en geschrokken aan. Ik gaf haar een blik terug die zei: bemoei je met je eigen zaken. Het hielp niets. Mijn verdrongen roofdierinstinct was terug van weggeweest. Ik moest haar hebben. Nu. Als in slow motion laveerde ik tussen de bezoekers door. Mijn prooi bevond zich aan de stand van restaurant North. Ik kende die zaak goed. In mijn vorige leven at ik er bijna elke dag. Nee, niet eten. Schrókken. Ik schudde mijn hoofd. Daar wilde ik niet aan herinnerd worden. ‘Dag meneer, wilt u proeven?’ Ik keek op, recht in de vragende ogen van mevrouw Peeters, de eigenares. Haar blik wekte een steek van schaamte en woede in me op. Ze herkende me niet. ‘Nee, dank u. Ik snuister wat rond.’ Ze knikte beleefd. Ik grijnsde. Honderdtwintig kilo minder en volledig incognito. Leve meneer Ozempic! Maar mijn zelfbeheersing brokkelde af. Ik voelde haar brandende aanwezigheid in mijn rug. Vanuit mijn ooghoeken hield ik haar in de gaten. Nog heel even. Nog heel even. Plots hoorde ik een enorm gekletter vlakbij. Een lichtjes aangeschoten vrouw had de ober met haar elleboog gestoten, en zijn volle plateau spatte uiteen op de grond. Scherven vlogen in het rond, alle hoofden draaiden die kant op. Niemand keek naar mij. In een milliseconde greep ik mijn kans. Ik graaide haar ruw mee en sleurde haar naar het toilet voor mindervaliden. Ik sloot de deur, vouwde mijn beide handen om haar heen en beet toe. Als in een slapende vulkaan ontwaakten alle verlangens en dromen die ik jarenlang had onderdrukt. Haar knapperige, roestbruine schil brak open en het heerlijke sap droop over mijn kin. Kreunend bereikte ik een ontploffing van genot en zeeg neer tegen de wand. Met het geduld van een seriemoordenaar verorberde ik haar tot de laatste kruimel. Ik had geweten dat ze me niet teleur zou stellen. Mevrouw Peeters maakte nu eenmaal de beste garnaalkroketten van Oostende.

Sfieke
4 0