Lezen

Over de schreef (kortverhaal)

Geachte lezer,   Op 5 februari 2026 barstte na de uitzending van De Afspraak op VRT in het Nederlandse taalgebied een verhitte discussie los. Soundos El Ahmadi had Bert Schols de levieten gelezen. Ik dank dit hoogwaardige literaire tijdschrift dat het mijn ingezonden verhaal in dit themanummer wil publiceren en dat ik op mijn manier een bijdrage aan het debat kan leveren. Sinds de Me Too-beweging in 2017 ontstond, komt geregeld een herinnering bij me op. Die overvalt me niet zonder te gloeien van schaamte. Wat moet Meta hebben gevoeld? Wat zal zij hebben gedacht? De ik-persoon kan ik in dit verhaal niet hanteren. Dat is me te dichtbij. In deze tijd van egofictie noem ik mezelf Rupert. U begrijpt: op Twitter wil ik de gebeurtenis niet posten. Welke bagger krijg ik dan niet over me heen? Ik leg mijn herinnering in deze vorm liever voor aan een kritisch publiek, dat genuanceerd weet te oordelen.   Rupert wachtte aan de overkant van de Wouwstraat, waar haar straat in uitkwam en de twee een T vormden. Tussen zijn benen voelde hij de stang van zijn blauwe fiets en op zijn bagagedrager lag een rode sporttas. Elke dins- en donderdagavond ging hij trainen en op zondagochtend speelde hij een voetbalwedstrijd. Die dinsdag in oktober wachtte hij tegenover het hoekhuis waarin Meta woonde. Toen hij haar voor het eerst op een zaterdagavond zag, zat zij drie rijen voor hem in de parochiekerk, naast haar Nederlandse ouders en twee broers. Zij bezat donker haar, zoals Claudia Cardinale en zijn mama. Zijn ouders, broers en zus woonden ook elke week de eucharistie bij. Toen hij wist waar Meta woonde, fietste hij na de training bij haar langs. De eerste keer had hij haar aan tafel zien studeren onder een heldere, gele lamp. Daarna neuriede hij het refrein van 'Wonderful', waarin Colin Blunstone het titelwoord zesmaal zong. Maar dit keer was de stoel aan tafel leeg. De lamp was opgedraaid, beweging bespeurde hij niet. Vertrekken dan maar, dacht hij, naar de volgende zijstraat links van de Wouwstraat. Daar stond zijn ouderlijk huis, een rode bakstenen woning uit de jaren vijftig. Hij was een timide, eenzelvige jongen. Hij had op aanraden van zijn docent Nederlands, mijnheer Bogaerts, 'Misdaad en straf' en 'Oorlog en vrede' gelezen. Meisjes plaatste hij op een voetstuk. Zij hadden niet, zoals jongens, met natte dromen af te rekenen en bevredigden niet zichzelf. In de bioscoop had hij '8 1/2' van Fellini gezien, omdat de heer Bogaerts er vol bewondering over gesproken had: 'Claudia Cardinale duikt bij de bron als symbool van zuiverheid op, de nieuwe start waar Guido Anselmi zo naar snakt.' Op de oprit naar de garage naast haar huis verscheen Meta met haar witte fiets. Even later sprong ze het zadel op en zonder hem aan te kijken reed ze de Wouwstraat in. Hij stopte met neuriën. Wat te doen? Misschien was dit zijn kans haar alleen aan te treffen en te spreken! Hij ging zijn Claudia achterna, maar op een afstand, beducht een grens te overschrijden, de grens van zuiver wit.   Ik onderbreek nu even. Hoe zou Soundos El Ahmadi op het verhaal van Rupert reageren? Maar wat ik me vooral afvraag: Meta, heb ik moreel verkeerd gehandeld? Als je nu nog leeft, kan je mij vergeven? Na al die jaren knaagt de spijt nog steeds. De oplettende lezer heeft gemerkt dat het vertelstandpunt bij de jongen ligt. Hoe Meta de gebeurtenissen ervoer, blijft buiten beeld. Gelieve hiermee rekening in uw eindoordeel te houden, wanneer u antwoordt op mijn vraag: treft Rupert schuld? Ooit had zijn papa aangeraden: 'Een vrouw bespring je niet. Je praat met haar.' Seksuele voorlichting had zijn zoon nauwelijks gekregen. 'Als je vragen hebt, dan mag je ze gerust stellen.'   Meta liet honderd meter verder zijn straat links liggen, draaide wel de volgende in, een straat met een ander soort huizen dan zijn ouderlijke woning. Ze waren aan het begin van de twintigste eeuw uit gele baksteen opgetrokken en hadden een voortuintje.  Zo'n vijftig meter in de Kretenburgstraat stapte Meta van haar fiets af, nam hem bij de hand mee over een tuinpad, stalde hem tegen de gele gevel en belde aan. Een meisje, haar leeftijd, vermoedelijk een vriendin, trok de voordeur open, kuste haar en liet haar verder komen. Rupert aarzelde ... reed toch dichterbij en wachtte op het trottoir. Hoe haar aanspreken? Hij wist niet eens wat te zeggen. Wat als zij, net als Claudia, Guido afwees? Hij bleef wachten. Hij hoopte haar aan te kunnen spreken, toen zij naar buiten zou komen. Zijn hart bonsde. Hij begon van zenuwachtigheid weer te neuriën: 'Wonderful, wonderful. Run to me, my lady wonderful.' Gierende banden klonken op in de bocht waar hij uit vandaan gekomen was. Een donkerblauwe auto raasde op hem af en kwam vlak bij hem snerpend tot stilstand. Haar vader en een broer sloegen portieren open en stormden op hem af. Haar vader stak dreigend een vinger naar hem uit: 'Als je mijn dochter nog één keer volgt, dan stuur ik de politie op je af!' Rupert wipte zijn zadel op, wist niet hoe snel zijn pedalen de wielen rondkregen, reed de Kretenburgstraat uit, de Wouwstraat in, een tweede bocht naar rechts om. Pas in zijn eigen straat zonk lood hem in de schoenen. Zwaar ademend stond hij voor de huisdeur. Het leek alsof een last op zijn borst lag, in zijn hoofd de vraag: wat deed ik fout? Donderdag reed hij na de training recht naar huis. De weken erna toog hij op zondagochtend vroeg naar de kerk, voordat hij een wedstrijd speelde. Nadien heeft hij nooit meer 'Wonderful' gezongen.    

Robert de Roek
2 1

Het uur van de tureluur

  I tic tac tik tak knabbel aan seconden probeer op je gemak ok en ik koop alvast dit station omwille van dit schoon perron het uitzicht op vertrek   II nou dat was alvast een goed begin zegt er een spreuk die nog geen schedelbreuk opliep straks win ik zelfs beweert de voorspoed terwijl het sprookje blijft geloven dat het echt kan zijn   III werveltje werveltje in mijn rug draag mijn nek en hoofd terwijl ik naar de sterren kijk   werveltje werveltje in de wind spaar die ziel op zee de duinen willen echt geen uitzicht op een kinderlijk   werveltje werveltje op het strand verniel nooit een kasteel waarin schone onschuld woont   IV concentreer je op de wereld deze straten hier en nu doch echte winst wordt niet geboekt want hij die brussel nieuwstraat heeft gekocht reed gisteren een egel dood hij moet naar de gevangenis ja want ik houd van zuiver lot gerechtigheid nochtans zoek ik gewoon wat rust en geef mij nog zo'n stimorol die dromen stimuleert en roze bellen produceert   V dit lijkt een sprookje zonder olifant een winketje met fluisterend kristal doch de dag moet voort  alvorens hij weer spoken baart daarom jeugdelingen zieke mensen allen die maar blijven hopen op wat beterschap wij zetten door doe mij na neem ook een schop en zoek met mij een mol ik wil die fraaie duisternis voorzichtig aaien   VI later eerst nog  die historie voor mezelf ik was een spruit een jaar of tien het elfje dat mijn dromen zocht ik heb haar nooit gezien misschien is ze verdwaald niets is gebeurd en tegelijk zo veel ik ben allicht verblind geraakt ik zie nu scheel wat is nog echt ik lijk verward door die geleden tijd zelfs de paarden op het schaakbord willen weg het wit is vuil het zwart te loom   VII het is alsof de tijd de kleuren heeft geschrapt het uurwerk weet waarom het is al even moe de grote wijzer danig uitgeput een spin maakt eindeloos veel rondjes langs de cijfers twee drie vier vijf zes ik doe mijn ogen opnieuw open weg is de prinses   VIII heb ik te veel gepreveld alle hoop verjaagd verdroeg de rug van de tijd die last niet meer herinneringen druipen van een kaars ik heb alles klaargezet kruimels op een bordje voor de tureluur   voor haar een sober avondmaal bij kaarslicht en de einder is akkoord hij zal bloedmooi rood zou laten zien zomaar zonder angsten zou de toekomst overleven intiem vuur ons hart verwarmen   IX hallo sorry neen dank u maak mij niet bang meneer ik wil geen brandverzekering meneer alstublieft miltvuur is mijn beste vriend laat ons gerust ik was aan het herleven in een fabeltje na die fatale dag   X wereldje wereldje het is tijd haak nu maar af ik heb genoeg van uw gedoe   wereldje wereldje ik ben er niet want de prinses zij is gelukkig weer op weg en straks   wereldje wereldje dan stopt zij hier o wee bij mijn hotel te mol bevrijdingslaan   XI hi! je bent dan toch tot hier geraakt ik raak je best niet aan ik zou mezelf betrappen op een flauwe grap gemaakt door een illusie   toch en echt welkom kijk overal en rond ik heb dit bouwwerk zelf gemaakt ooit voor de bijen ook een liefdevolle wesp of twee   XII nog enkele uren te gaan de wolfspin staart mij aan hij kent de taal niet van bedrog mijn maag blijft leeg dit hoofd te vol ik drink nog wat het glas heeft weerom dorst de hemel buiten vriest hij wordt straks van kristal dat weet hij al de olifant     uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'            

Bernd Vanderbilt
0 0