Lezen

Woordenboekenliefde

Een gedachte, een déjà vu, een vécu kwam voorbij en leidde tot een monoloog die als een warme wolk rond me bleef hangen. Het was bij het opzoeken van een woord in een heus woordenboek met echte papieren bladen. Deze monoloog Tijdens het opzoeken dacht ik aan de eerste keer dat ik een woordenboek gebruikte waarvoor het diende. Dat was op school. Hoe doe je dat,  de betekenis van een woord opzoeken? Er werd verondersteld dat je het alfabet knats vanbuiten kende. Dat was heel belangrijk. Zo kon je makkelijk bladeren door het woordenboek om snel bij de beginletter van het woord te komen. Laat ik het woord natrium nemen. De /n/ bevindt zich in de tweede helft van het alfabet. Dan weet je dat je niet vanaf de eerste bladzijde moet gaan zoeken. Dat vond ik een hele goede tip! Daarna kijk je naar de tweede letter van het woord. Voor natrium is dat de /a/. Op een of andere manier raakte ik helemaal vooraan in het woordenboek. Waar was de /n/ gebleven? Erop terugkijkend was er één stap in het proces van betekenis-van-woorden-opzoeken waarschijnlijk niet binnengedrongen (ik was een trage leerling). In mijn kinderlijk enthousiasme bladerde ik van de /n/ naar de /a/. Ik moest bij de /n/ blijven en dáár de volgende letter zoeken. Toen ik het eenmaal doorhad, ging er een wereld voor me open. Beeld u zich in! Een heel woordenboek, bomvol woorden die ik nog niet kende. Ik voelde me woordenveilig voor de rest van mijn leven. En dat was een pocketwoordenboek! Er kwamen andere talen bij, zowel in de school als later de avondschool. Hier en daar kon ik zelfs de liefde doorgeven aan kinderen die aanvankelijk niet zoveel voor taal en lezen voelden. Veel sneller ben ik niet geworden, noch met lezen, noch met opzoeken. De liefde voor woorden en taal in het algemeen blijft. Telkens ik er bewust mee bezig ben, is het NU! En die natrium? Dat is het zout op mijn pata…  woorden!

Anemos
13 0

Manipulatie

                                                                                                                     foto: Thomas Barbey “Die foto’s zijn gemanipuleerd, dat ziet toch iedereen?”“Ja, pa maar tegenwoordig heet dat gefotoshopt.”“Gefoto-wat? Shoppen betekent toch winkelen?”“Correct, maar het woord komt van het computerprogramma Photoshop.”“Dat zoek ik op. Ik bedoel dat ga ik googelen, ik ben moderner dan je denkt hoor.”“Ja, pa.”“Aha, ik wist dat ik gelijk had. Hier staat het zwart op wit: De eerste software om digitaal te tekenen was Sketchpad, in 1963 ontwikkeld door Ivan Sutherland. Hij gebruikte een CRT scherm om objecten te manipuleren. Zie je wel. Het zijn gemanipuleerde foto’s.”“Sure, dad, whatever you say.” Het is niet dat ik het absoluut wil halen, maar ik merk dat mijn zoon mij de laatste tijd wel heel snel gelijk geeft. Moet ik mij daar goed of slecht bij voelen? Ik gooi het over een andere boeg en vraag: “Ken jij de Engelse uitdrukking A picture is worth a thousand words?”“Zeg maar meteen waarover je het wilt hebben, pa.”“Het is zo veel makkelijker om iets met een foto uit te leggen dan het in woorden te omschrijven. Met een foto kan men zich een situatie beter inbeelden.”“Daar kan ik je geen ongelijk in geven.”“Het gaat niet om mijn gelijk, kan je je indenken hoe fout het is dat foto’s bijgewerkt worden om een totaal vertekend beeld te geven van de werkelijkheid?”“Natuurlijk is dat fout, maar het kan ook als grap bedoeld zijn en dan vind ik het wel geinig.”“Ik heb het niet over grapjes, jongen, hoe erg is het wanneer een bevolkingsgroep misleid wordt door malafide personen?”“Ga je het nu alweer hebben over Trump en Poetin of de Palestijnse kwestie? Er zijn echt wel interessantere mensen en situaties om te volgen hoor.”“Zo, wie of wat volg jij dan tegenwoordig?”“Onlangs verving de Franse president zijn vrouwelijk hoofd van de regering door een openlijke homoman als jongste premier ooit in Frankrijk. Dát vind ik een nieuwswaardig feit.” Wat moet ik mij hierbij voorstellen? Probeert mijn zoon mij te manipuleren of iets duidelijk te maken? Hij zal toch geen homo zijn? Ach, dat mag best, maar hij kan het ook gewoon meedelen als mannen onder elkaar. Wij kennen elkaar tenslotte al achttien jaar. Even doorvragen. “Ik las dat hij pas vierendertig is. Zijn foto is niet ‘geshopt’, hij ziet er goed uit. Tof dat je geïnteresseerd bent in de internationale politiek, maar is er iets dat je mij hiermee wilt duidelijk maken?”“Niet echt, tenzij dit: jij wilt toch zo graag dat ik later jouw zaak overneem, maar ik ga Politieke en Sociale Wetenschappen studeren. Je weet nooit wat er mij binnen een zestiental jaren in de schoot wordt geworpen.”

Vic de Bourg
13 1
Tip

Het leven in rood, geel en blauw

Als dertiger sta ik meer te klungelen dan als kleine jongen. Dat mensen naar me toe komen voor een luisterend oor, voor mijn goede raad, voor mijn empathisch vermogen, terwijl ik om de haverklap met mezelf in de knoop lig, ik krijg er schaamrood van op mijn wangen. Op de Steinerschool leerde ik rood, geel en blauw kennen als de hoofdkleuren. Dat was duidelijk. Ik schilderde het ene na het andere pièce de résistance. Een half leven later heb ik een reusachtig pallet met elke denkbare kleur voor mij liggen. Maar er komt niets meer op papier. Als kind wist ik heel goed wie ik was. Ik bouwde een wereld vol gevaren met Lego, maakte mijn eigen geheimschrift en had van alles een lievelingsexemplaar. Blauw, ijsbeer, lasagne, donderdag, zes, de letter ‘r’. Geen enkel vriendenboekje dat de revue passeerde, kon een categorie opnoemen waarvan ik niet met zekerheid wist welk onderdeel ervan mijn voorkeur wegdroeg. Zelfs dat ik later leraar zou worden, stond in de sterren geschreven en zwoer ik op mijn zes jaar met hand op het hart aan jong en oud. In het middelbaar begon de ellende pas. Aanvankelijk kon ik nog gemakkelijk kiezen voor Latijn-talen, puur op eliminatie: zo weinig mogelijk wiskunde. Toen mijn leerkrachten me in het laatste jaar om de oren sloegen met allerhande opleidingen en bepalende keuzes voor je godganse leven, begon ik te wankelen. Terwijl mijn klasgenoten één voor één in een aha-erlebnis schoten wat hun toekomst betrof, begon het bij mij te schemeren. Het daagde al snel dat ik niets kon doen met alleen rood, geel en blauw. Het leven vroeg andere kleuren. Ik maakte dus eens een gedachte oranje, schilderde mijn gevoel groen of kleurde een ervaring purper. Of dat mooi was? Dat ik het bij god niet weet. Ik kliederde maar wat. De enige dingen die ik mooi vond, bleven rood, geel of blauw. Tegenwoordig durf ik zelfs mijn drie vertrouwde verfpotjes van de kleuterschool niet meer gebruiken, want het leven is helaas te genuanceerd en complex geworden. Gebruik ik rood, schop ik wel tegen iemands schenen. Blauw is nog erger, dan lopen mensen over me heen alsof ik er niet sta. En als ik geel gebruik, hadden ze toch meer diepgang verwacht van iemand zoals ik. Ik doop mijn penseel dan maar in grijswaarden of flauwe afkooksels omdat de wereld dat verlangt. Tot nu, want ik heb ongelijk. Het is mijn overtuiging dat de kracht van ieder mens schuilt in het kind-zijn. In het niet tegen zijn verlies kunnen bij een spelletje. In het neuspeuteren wanneer niemand kijkt. In de schilderwerkjes aan de klasmuur in de lagere school. Mijn fantasie, creativiteit en oog voor detail zijn daar geboren. Mijn passie en bevlogenheid voor het leven, maar ook mijn vanzelfsprekendheid, luiheid en snel opgeven. Een volwassen leven inkleuren vraagt een groot aantal tinten en kleurschakeringen, dat is zeker. Maar het kind in jezelf wegsteken, is de bezieling wegsteken. Ik mag nooit meer mijn hoofdkleuren opbergen, want daarmee heb ik leren schilderen. Wat ik moet leren is dat ik passie kan bijkleuren met dosering, angst kan verdoezelen met relativering en droefheid kan opmaken met hoop.

Lennart Vanstaen
137 7