Lezen

Konijn

Arthur:                Papa, Robin zegt dat ze later Elsa wilt worden, maar dat gaat niet, eh.                            Papa, Robin zegt dat ze later… Papa:                   Ik heb het de eerste keer ook gehoord, Arthur. Arthur:                Dat gaat niet eh, want ze heeft geen ijskrachten. Papa:                   Wil jij graag Elsa worden, zus? Robin:                  Ja. (heel stilletjes)  Allicht knikt ze enthousiast, maar omdat ze voorover gebogen zit, kan ik het niet zien in de achteruitkijkspiegel. Papa:                   Je zingt heel graag eh, meisje. Dat kan je wel worden, hoor, zangeres. Wil je                                zo goed kunnen zingen als Elsa? Robin:                  Ja. Arthur:                Maar ijskrachten bestaan niet, eh papa. Papa:                   Nee, jongen ijskrachten bestaan alleen in verhaaltjes en filmpjes, maar zus                                    kan wel leren zingen. Wil je dat graag, want dan kan je later naar de                                            muziekschool om te leren zingen? Robins onderlip krult op en ze gaat de eerste fase van haar protroutine in, dadelijk gooit ze met iets of roept ze. Arthur:                Ik wil dat wel. Robin:                  Nee, ík wil dat! Dat roept Robin inderdaad overdreven boos. Als ze aan Arthur had gekund, had ze hem een lap verkocht. (fase 3) Gelukkig zit ze vast op haar autozitje. De laatste fase van de protroutine kan ze dus niet uitvoeren. Ze lijkt te kalmeren. Papa:                   Als jullie dat willen, kunnen jullie dat allebei, dat is geen probleem. Zal ik                                     #LikeMe opzetten? Arthur/Robin:    (samen) Ja. Arthur:                Papa? Papa:                   Ja, jongen. Arthur:                Ik wil later liever Chase worden van PawPatrol. Robin:                  Dat gaat niet, eh papa. Papa:                   Nee, jongen, dat kan ook alleen maar in filmpjes en verhaaltjes. Arthur:                Ik kan toch altijd een politiepup zijn, dat gaat toch. Robin:                  Nee, dat gaat niet. Papa:                   Nee, jongen dat gaat niet, je kan wel bij de politie gaan. Dat gaat wel. Robin:                  Arthur? Arthur:                 Ja. Robin:                  Jij wordt geen hond later. Arthur:                Nee? Robin:                  Jij wordt gewoon een konijn. Arthur:                 O. Daarmee wordt het stil tussen de twee alsof hiermee het laatste woord gezegd was. De liedjes van #LikeMe klinken hun vertrouwd in de oren en ze kijken allebei uit hun raampje naar buiten. Op deze weg door de velden kunnen ze lekker wegdromen in de verte. Nog vijf minuutjes en we zijn aan school.

Hans Van Ham
29 0

EEN FACADE, DIE ACHTERGEVEL

Deze tekst is voor Christophe Vekeman, die me het compliment gaf boeiend te schrijven ondanks dat ik nooit iets lijk te beleven. Wel, ik heb iets beleefd dat volgens mij nog nooit iemand heeft meegemaakt. Hoewel ik altijd heb gezworen nimmer mijn woning te verbouwen, vooral omdat ik mijn ouders heb zien afzien, konden een oorlog in Oekraïne en een cyberaanval me er kennelijk niet van weerhouden alsnog mijn achtergevel op te frissen en een vide te laten steken. Want geef toe, wat kan je in het leven zonder vide? Omdat ik samen met mijn vrouw in totaal vier linkerhanden heb, zijn wij in zee gegaan met een stel jonge, hippe architecten. En om onszelf ervan te vergewissen alles legaal te doen, hebben we ook een bouwvergunning aangevraagd, je weet wel, zo’n veel te groot geel papier dat je dan 30 dagen zichtbaar moet maken voor jouw lieftallige buurtbewoners zodat zij eventueel beroep kunnen aantekenen om de boel nog wat meer te vertragen. Wel, ik had dat papier proper op een OSB-plaat die ik nog had liggen geplakt, drie lagen huishoudfolie erover tegen de regen en de plaat vervolgens vastgemaakt met een halve kilo duct tape aan het muurtje waar ook onze brievenbus aan hangt. Het hing er welgeteld vijf dagen en in het holst van de ochtend van de zesde dag was het weg. Gestolen. Geloof me, de vraag ‘wie pikt er nu zoiets?’ die op uw aller lippen brandt, stelde ik mezelf ook meteen. Het antwoord luidt: ik pik dit niet. Verheugd dat ik eindelijk eens de befaamde blauwe lijn mocht bellen, die ik eerst hield voor een hulplijn voor mensen met acute melancholie, maar ik vermoedde ook dat ze mij met mijn aangifte een boete zouden aansmeren voor het verspreiden van absurditeiten.‘Wat hebben ze gestolen zegt u? Uw bouwvergunning?’ Ze moest er een aparte categorie voor aanmaken, want het paste niet onder officiële documenten zoals bijvoorbeeld een paspoort. Op maandag kreeg ik een afspraak op het politiekantoor op de Turnhoutsebaan. ‘Ah, gij zijt die kerel wiens bouwvergunning gestolen is!’ bulderde een van de twee agenten toen ik binnentrad. Ze hadden duidelijk niet veel te doen (en dat op de Turnhoutsebaan) en mijn aangifte verwerd al snel tot een drinkgelag zonder spijs en drank. Zeker twintig minuten nadat de papieren in orde waren heb ik met de arm der wet staan filosoferen over wie zo’n bord zou gestolen kunnen hebben.‘Waarschijnlijk een bende jongeren’, opperde de kleinste van de twee, die graag de goedkeuring van de andere wilde. Nu, ik wil geen kritiek geven op het politieapparaat, zeker niet na dit onderhoudende gesprek, maar mijn instinct zegt iets anders. ‘Als het jongeren waren’, riposteerde ik, ‘hoe verklaart u dan het bizarre tijdstip van de ontvreemding (omstreeks 10u ’s morgens op een schooldag)? Bovendien lijkt het me te proper voor jeugddelinquenten’, probeerde ik hun jargon eer aan te doen, ‘want ik zou verwachten nog resten duct tape te zien of het betreffende bord enkele meters verder te vinden, nonchalant weggegooid in de voortuin bij een van de buren. U mag ook het gewicht niet onderschatten van zo’n OSB-plaat, jongeren hebben toch geen motivatie noch de aandachtsboog om zo’n bouwvergunning nog maar onze straat uit te dragen.’ De andere agent, die een pracht van een pornosnor onder zijn reukorgaan had, keek me aan met een gezonde jaloezie, alsof hij me wilde inlijven. Ik kreeg een PV mee naar huis en hoewel ik goed vertrouwd ben met basisgrammatica, vroeg ik pornosnor toch wat ik daarmee moest aanvangen. ‘Stuur dat maar naar het omgevingsloket, dan komt alles wel in orde’, sprak hij met profetische woorden. Van de stad kreeg ik dan een week later een antwoord, droger dan Don Vitalski op dinsdagavond: Wij sturen u een nieuwe aanvraag. Alsof ze zelfs niet een béétje uit hun lood geslagen zijn door deze Kafkaiaanse toestand. En wat als mijn bord opnieuw gesloten wordt op de negenentwintigste dag? Het is een façade, die werken aan mijn gevel.

Lennart Vanstaen
11 4