Lezen

Stoppen met roken op het Westers front

De sigaretten in de asbak zien eruit als lijkjes. Opgezwollen in het regenwater, bleek en week. Net als die soldaten in de loopgraven in die film over de eerste wereldoorlog. Bleke hompjes vlees die alle uitdrukking van leven op hun gezicht verloren zijn. Sporen van bloed en modder de enige overgebleven tekenen dat ze ooit rondliepen, dat ze ooit riepen, dat ze ooit lachten. Nu liggen ze opgeblazen met dood. Van alle liefde leeggelopen. De lijkjes mij aan. Zwevend in het regenwater, sporen van tabak als modderig bloed rond hen drijvend. Heb ik ze doodgemaakt? Of maak ik mezelf gewoon dood? Zal ik ook eindigen met mijn gezicht naar beneden, roepend van de pijn om de liefde die op een vergeelde foto in mijn binnenzak steekt? Is de pijn die ik nu op diezelfde plek voel om mijn Braziliaanse liefde minder dan dat? Ik zou denken van wel. Ik hoor geen kogels om mijn horen vliegen, ik zie geen vrienden voor mijn ogen sterven met ledematen die meters verderop liggen, ik zie geen ratten aan mijn tenen peuzelen. Toch stromen de tranen over mijn wangen terwijl ik al mijn ledematen nog heb. Tranen die mij al even hard doen opzwellen als die dode sigaretten in het modderwater. Ik voel me als een slachtoffer van liefde en van afstand en van pijn, pijn, pijn, en lig ik in een bommenkrater in de modder te wachten tot het water me komt verslinden en me langzaamaan gaat opblazen en doen verrotten. Er is zoveel pijn in de wereld. In onze botten, in onze grond. Ik blaas de laatste rook uit en gooi nog een lijkje op de stapel. Op de schoorsteen zie ik twee zwarte vogels zitten. Misschien kraaien. Ze lijken wel te zoenen, zo met hun snaveltjes dicht bij elkaar. Als zwarte kraaien hun liefde kunnen botvieren, waarom ik dan niet? Waarom blijft deze oorlog en deze pijn voortduren, als kraaien al kunnen dansen.

Tom Keysers
6 0

Neen, die augurk is geen implantaat

  Ik passeer daar sowieso regelmatig. Rouwcentrum 'Het Nieuw Begin' is op de hoek van de Martelaerenlaan met de Steenweg op Vloethem. Als ik richting Alfreds frituur trek, dan sla ik daar rechtsaf. Moet ik naar de cursus Nederlands, dan is het gewoon rechtdoor en kom je vanzelf aan dat kleine gesticht met zijn dubbele medeklinkers en summiere herinneringen aan naamvallen zoals die in degelijke talen gebruikt worden. Het is belangrijk dat we samen de tekst doornemen. Begrafenisondernemer Meneer Meeganck ziet graag doodzantjes zonder taalfouten. Met die opdracht ben ik hier: de opmaak van zo’n kaartje, met meestal op de voorkant een foto van de overledene. Op de achterzijde boven in het midden een kruisje. Daaronder de naam van de dode. Nog wat lager een opsomming van noemenswaardige lidmaatschappen van verenigingen. Dan worden nog de geboorte- en sterfdatum vermeld, ook de plaats van die geboorte, de plek van heengaan, alsook de plaats en het tijdstip van de eredienst. Doorgaans wordt dat afgesloten met een gedicht als er nog plaats overblijft. Desnoods iets van Toon Hermans. Een flard uit het Testament kiest men niet zo vaak meer. Namen van echtgenotes, minnaresen en kinderen worden op zo'n doodsprentje van een vader doorgaans niet vermeld. Nu goed, gelukkig heeft hij niet veel kinderen verwerkt, zou hier een randopmerking kunnen zijn. Laten we misschien toch iets korts daaronder zetten, zegt Meneer Meeganck. Heeft U een voorkeur? "Ja, zet maar: Ouders zijn in de eerste plaats wezens die trauma’s veroorzaken en daarvoor nooit gestrafd worden." Is dat niet te algemeen? Ouders in het meervoud? Dat vraagt hij, terwijl zijn stem me zalft met gelatenheid. "Neen. Zo is het perfect. Meestal is de ene dader en de ander pleegt schuldig verzuim." Oké dan, en heeft U een fotootje meegebracht? "Het memorykaartje is helaas een implantaat dat zich niet in verbinding kan stellen met externe toestellen." Dat zeg ik natuurlijk niet en schudt gewoon ontkennend het hoofd. Dan zet ik daar gewoon een boom zonder bladeren. "Uitstekend! Doe maar een pijnboom. Die pitten zijn trouwens niet zo goedkoop. Dat voegt op die manier wat waarde toe aan het geheel." Opnieuw een zin die ik niet uitspreek ik knik gewoon om in te stemmen. Dat ging dus best vlot. De buitenlucht wordt snel weer ook van mij. De plaats, de datum van die eredienst vergeet ik al na enkel stappen en een trein raast voorbij. Links van me gebeurt dat, bovenop een berm. Opschrijven zal ik ze straks wel, die enkele zinnetjes. In Alfreds frietkot hangt sinds kort een ideeënbus. Het doel ervan is duister, want aan het concept van zijn etablissement moet en zal niets veranderd worden. Het menu is er rustgevend goed en ik houd gewoon van de onschuld die daar leeft. De augurken in hun pot verdragen het zuur door de toevoeging van wat suiker bij het inleggen en de stoverijsaus is donker genoeg.     uit de reeks 'Alfred frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
14 1

Nieuwe huisgenoot

Ze woont nu bijna een week in zijn huis. Kaatje. Een kleine pup, hij herkent haar wel, ze is net als hij. Alleen natuurlijk nog heel erg klein. Maar man man, wat een druktemaker. En een bijdehandje. Ze had al na een dag in de gaten dat ze door het hondenluik naar buiten kon. Alleen terug naar binnen was wat lastig, daar is de opstap wat hoger. En ze rent met zijn tennisballen door het huis of het niks is. Dat vindt hij wel goed, met het speelgoed mag ze wel spelen. Zijn snoepjes en brokjes zijn natuurlijk een ander verhaal. Daar moet ze afblijven. Hij moppert ook op haar als ze dat probeert. Gelukkig geeft het vrouwtje hem dan groot gelijk. En ook als ze iets doet wat hij niet leuk vindt en hij corrigeert haar, dan is het vrouwtje erg blij met hem. Dat ziet hij wel. Het vrouwtje heeft het er trouwens ook maar druk mee. Afgelopen maandag kwam ze. Het vrouwtje was met haar zus weggeweest en bracht toen ze terugkwam een bench mee naar binnen. Toen hij kwam kijken, zag hij dat er een heel klein hondje in zat. Hmm, was dat goed of slecht nieuws? Want een speelkameraadje is natuurlijk wel heel leuk maar het kan ook heel druk zijn.  En druk is het zeker, het meisje loopt constant achter hem aan. Na een dag kon hij zelfs buiten niet op zijn gemak op zijn kussen liggen. Ze bemoeit zich overal mee. Gelukkig kan ze niet op de bank dus daar kan hij dan nog wel rustig liggen. Hoewel, dan gaat ze voor de bank staan en maakt lawaai. Ze wil alleen maar spelen. En ze rent door het huis, niet normaal. Soms zo hard dat ze uit de bocht vliegt en op haar zij verder glijdt. Ze heeft ook al een paar keer de bocht te krap genomen en is tegen de muur aangebotst. Maar ze is niet flauw, dat moet hij zeggen. En als ze buiten geplast heeft, krijgt ze van het vrouwtje een snoepje. Nou ja, dat is toch maar heel normaal. Het zijn ook hele kleine ieniemienie snoepjes, dat wel. Ze moet nog veel leren, zegt het vrouwtje. Ja, dat ziet hij wel. Voorlopig geeft hij haar maar het voordeel van de twijfel. Want het is ook wel heel gezellig in huis. Ze heet Kaatje. Tenminste, dat denkt hij. Het vrouwtje noemt haar namelijk ook heel vaak Nee. Maar dat is niet echt een naam, toch?    

Machteld
11 2

De leeuw

Verdrietig tuurt de oude man over de brede, droge rivierbedding. De barsten in de bruine kleigrond op de bodem kijken hem spottend aan. De bruisende havenstad, die ooit het leven in de delta bepaalde, was met het water mee verdampt. Een groen bemost, verrot staketsel probeert wanhopig rechtop te blijven staan, als een trotse overblijver van de verloren stad. Weemoedig denkt de man aan de schepen die er aanmeerden, stuk voor stuk volgeladen met mysterieuze specerijen en fantastische wezens die tot dan toe enkel in verhalen bestonden. Plots spat een druppel uit elkaar, midden op de hand van de man. Hij schrikt, want hoe verdrietig hij ook is, huilen doet hij niet. Hij kijkt op en ziet een leeuw die ongemerkt naast hem is komen zitten. De leeuw legt een zware poot op zijn arm. Hij voelt de verrassend zachte vacht over zijn huid strelen. Het grote beest huilt. Dikke tranen rollen over zijn snuit.  Medelijden overspoelt de man. Hij begrijpt perfect hoe de leeuw zich voelt. Liefdevol streelt hij de fluwelen poot van het gevoelige dier. ‘Niets is voor altijd,’ zegt hij troostend.  De leeuw kijkt hem aan en legt zijn enorme kop voorzichtig op zijn schouder. ‘Nee,’ antwoordt hij, ‘soms is even al genoeg.’ De man legt zijn hoofd te rusten in de lange, rode manen van de leeuw. Zo blijven ze zitten. Vele eeuwen lang, tot ze verharden tot een massief, albasten beeld dat honderden jaren later door een projectontwikkelaar gevonden wordt. Samen, voor altijd.   Geschreven tijdens een bezoek aan de tentoonstelling "Albast" in museum M te Leuven bij het beeldje "Heilige Hiëronymus en de leeuw uit 1495 Meer lezen? Welkom op INSTAGRAM

Amanda Bos
55 3