Lezen

Hoofdstuk 13: de eindeloze wacht (Fragment uit 'Eindeloze Verte')

Rania, 29 mei 2028, Algiers, 7u40 'De boekhandel van Algiers' door Kaouther Adimi scande ik. Even hield ik mijn adem in. Mijn moeders favoriete boek. Het dateerde van 2017, wist ik. Zelf had ik het nog niet gelezen, al was ma er de wolken van in! Ik wist dat het verhaal een blik gaf op Algerije als toenmalige Franse kolonie in de tweede wereldoorlog. Lang vervlogen tijden, toch bleef het boek me intrigeren, zoals het nu ook weer deed. Ook al had ik élk boek verwacht; elk zelfzorgboek dat maar goed over de plank ging, of een boek dat kon verklaren waarom ik me op dit moment zo naar voelde, dit boek kwam als een mokerslag bij donder aan. Het triggerde het besef dat ik degenen die ik het liefst zag, had achtergelaten… mijn familie.  ‘Oh’, was het enige wat ik kon uitbrengen. Ik voelde Yasmine haar kijkers zich met bezorgdheid op me vastpinnen.  ‘Je mag het lenen, Rania,’ zei Yasmine met enige aarzeling, alsof ze twijfelde of haar woorden enige schade konden aanrichten. ‘Dank je, Yasmine,’ ik keek haar recht aan. Yasmine zag in mijn ogen een blik geladen met emotie, maar ook dankbaarheid. Ze mompelde een ‘ik laat je’ en spoedde haar naar de keuken.  Thee en mijn gedachten lieten zich opnieuw tot één wereld overspoelen.  … Raar, maar waar was het. Het was me gelukt om te focussen…op een boek. Tweehonderd pagina’s had ik in een mum van tijd uitgelezen. Waarom dat dit ma haar favoriete boek was? ‘Geen idee.’ Zo simpel was mijn antwoord. Weinig woorden vormden zich tot een beperkt verhaal. Toch wist het té raken. De zon stond al tamelijk hoog aan de hemel en de temperatuur was razendsnel de hoogte in gegaan. Ik was weer in de werkelijkheid gerold,  gestruikeld al was ‘vallen’ toepasselijker. Waar er voor mijn tocht slechts één vraagteken opgeroepen werd, waren het er nu honderden die krioelden nét boven de leegte van mijn ziel.  ‘Rania’, één vraagteken loste als vanzelf op. ‘Dáár ben je!’ Silas wreef nukkig in zijn haren. Hij schoof een bord met toast en marmelade naar me toe. ‘Hier, ik bracht wat voor je mee, eet op, voor het koud wordt.’ Ik lachtte, kleintjes: ‘bij zo een warm weer?’ Mijn blik geraakte niet hoger dan de lengte van het tuintafeltje. Hem aankijken kon ik al evenmin. Ik voelde Silas’ paar kijkers op me vastpinnen. Het verschroeide me, zodanig dat mijn wangen hazelnootkleurige vlekken vertoonden - een pure hel van ongemakkelijkheid doorging ik, in de - zo leek het toch - 10-tal minuten durende stilte.  Ik besloot het eerste wat in me op kwam met beide handen vast te grijpen - en nam een stevige beet uit mijn toast met marmelade. De geur en smaak van de marmelade kwamen me bekend voor, thuisbrengen kon ik het niet. Op één of andere onverklaarbare wijze had ik de moed om mijn blik met een 30 - tal cm te verhogen, en keek recht in Silas bezorgd paar kijkers. ‘Rania, alles oké? Yasmine en ik maken ons grote zorgen. Ik wil gewoon eerlijk met jou zijn.’ voegde hij als laatste toe, en sloeg zijn blik neer. ‘Eerlijk? zei ik met een nog schorre stem, ‘ik weet het niet.’ Ik voel me heel erg leeg en waar ik vroeger kleur zag, zie ik nu alleen maar donker. Snap je wat ik wil zeggen?’ Silas keek me met grote bedroefde ogen aan, maar knikte. Ik vervolgde: ‘Alsof elk sprankeltje hoop, verdween, enkel slechts één vlammetje moed bleef over, waar ik me angstvallig aan probeerde vast te klammen, totdat ook dat verdween. ‘Zo, zo, voel ik me, Silas.’ hevig begon ik te snikken en stoppen kon ik het niet.  ‘Oh, Rania…mag ik?’ ‘Het is oké’ zei ik tussen de snikken door. Silas naderde en sloeg heel teder een arm om me heen. Zijn andere arm volgde al snel. Hij hield me vast zoals een moeder, vader, broer of zus zijn of haar bloedverwant vasthield. Stevig en ondoordringbaar, alsof elk negatief gevoel door deze wal van liefde weggestoten zou kunnen worden. Alsof enkel de warmte van dit teder gebaar genoeg was om mijn donkere wereld op te fleuren met gedachten als kleurrijke bloemen.  Amine, 29 mei  2028, in de buurt van het opvangcentrum El ' Biar,  12u30 Een vriendelijke ogende oudere dame schepte een portie gekruide puree op mijn bord, net naast de berg aan groenten en een gigantische notenburger. ‘Duidelijk met Zuiderse kruiden.’ lachte Aïscha me grijnzend toe. Nog steeds grinnikend nam ze een hap van haar rijkelijk gevuld bord.  ‘Geen idee wié dit maakt, maar het is héérlijk.’ zei ik, met een mond vol, na alsook een hap geproefd te hebben.  De zaal was gevuld met mensen, allemaal van diverse multi-culturele én sociale achtergronden. Dat zag je in één oogopslag. Een graatmagere jonge tiener zat slechts enkele rijen van me verwijderd. De afstand van hier tot daar leek me onoverbruggelijk in een gevulde ruimte als deze. Het nog jonge kind, een stoer ogende jongen, maar mager en tenger tot op het bot, wist mijn blik te vatten. Hoe de wereld ook aan zijn lichaam vrat, zijn geest was nog onaangeroerd - of zo leek het toch. Telkens maar werd ik geraakt door dergelijke taferelen. Het bord eten dat voor me stond leidde me snel af van de menselijke problematiek die zich alsmaar als een donderwolk beklijvend om me heen wist te sluiten.  … Arm in arm liepen we, alsof we al jaren op dezelfde manier wandelden. Immens genoten we om in elkaars gezelschap te mogen vertoeven. We liepen richting het dichtstbijzijnde park. Natuur leek me de enigste plaats waar ik pas écht kon ontsnappen aan de toevoer van menselijke handelingen en gedragingen, die me op één of andere onuitputtelijke manier telkens wisten te vatten, nét zoals een wereld met virus symptomen, was ik ook daarvoor niet immuun. ‘Kom, Aïsha, daar, kunnen we even zitten.’  Tot plots mijn ogen de zijne opnieuw tegenkwamen. Zijn lach wees op een immense sterkte, zo incongruent met het jonge lichaam dat hem slechts op de been hield. Het was noch dat magere lichaam, noch zijn lach die me wisten te raken, het was die blakende veerkracht die uit zijn ogen straalden. Alsof leven voor hem een zuchtje van gemak was, al wees alles de verkeerde kant op - voor hem. ‘Goed als we erbij komen zitten?’ Aïscha lachte vriendelijk naar de jongen. ‘Geen probleem, hoor.’ lachte de tiener ons toe, en hij ging opnieuw op in het boek dat hij las. Nieuwsgierig en vanuit mijn linkerooghoek trachtte ik in een nonchalante poging een glimps van de kaft op te vangen. Het was geen jeugdboek, allerminst. Het leek op een thriller. Een verfrissende bries kwam opzetten. In deze hitte was het pas écht een verademing. Toch ging het haar op mijn armen recht op staan. Ik zuchtte en liet mijn hoofd loom naar achteren bengelen, zonder enige neksteun leek het alsof ik de wereld droeg, op mijn lichaam. Mijn hoofd? Dat leek uitgeschakeld.  Aïscha leunde tegen mij aan. Het vreemde gevoel bleef. Net alsook de tiener naast ons bleef lezen. … Ik voelde dat hij keek en trok me er niets van aan. Het enigste wat ik nodig had waren de letters uit dit boek die mijn brein voeden. Een gurige galoprispsing wist me haast te vellen. ‘Allemaal door het walgelijke eten deze middag.’ dacht ik. ‘Afgrijselijk.’  Eten was al iets dat me twee jaar, drie maand en 11 dagen van de ene dag op de andere dag verleed leek te zijn. Ik had het niet meer nodig. Of zo leek het toch. Ik wist allerminst dat dit niet waar was. Toch had ik er een lak aan. Allah beloonde enkel degenen die geloofden. Al bad ik niet meer, geloven deed ik wel. Al geloofde ik niet in een geloof, ik geloofde in wetenschap. Ik geloofde in het intellectuele, dat ons aan de top van de voedselketen wist te brengen, en ons zo onderscheidde van andere zoogdieren. Ik geloofde in letters, in zinnen, in woorden. Wat ik later wilde worden? Alles waar je maar een scheenshopper voor moest zijn. Met mijn 13 zomers wist ik ook al figuurlijk tegen enkele schenen te schoppen - letterlijk ook soms, daar was ik uiteraard niet trots op. Was het niet tegen de relschopper of de klasclown, dan was het wel die ene leerkracht die het op mij gemunt had. Een vat op me krijgen konden ze echter niet.  Toen was zij er geweest, met haar bliksems van ogen. ‘Zij’ met de heldergroene ogen. Zo was mijn verhaal begonnnen. Ik wist dat het ging eindigen bij datzelfde paar kleur kijkers. Al had ik nooit verwacht dat het zo snel zou zijn, want een zelfde paar kijkers zat naast mij. … ‘Amine, Amine!’ Aïsha klampte zich aan me vast. ‘De jongen, de tiener. Hij is buiten bewustzijn.’ Verschrikt keek ik links van me. Ze had gelijk! Haastig nam ik zijn tengere en veel te magere pols vast, en drukte mijn duim om enige hartslag te meten. ‘Aïscha. Bel. Een. Ambulance.’ Aïsha deed onmiddelijk wat ik zei en verwijderde haar even, toen ik de eerste zorgen toediende.  … 15 min. Zo lang had het geduurd. Zo lang had ik hartmassage toegediend. Een AED was er evenmin aanwezig geweest. In een park waar er nochtans één moést hangen. Ergernis bekroop me als een demon die me teder, duister koud omhelsde in het donker. Amine, 29 mei 2028, 16u23 thee-en koffiehuis, Algiers Hij heeft het niet gehaald. Het spijt me. Geen enkele hulp kon nog baten. Het team deed hun uiterste best. Diep aangeslagen. Paulo. ‘Paf.’ kwaad sloeg ik mijn hand op de tafel. ‘Nee,’ stamelde ik uit; verslagen door emotie. Onmiddellijk voelde ik haar warme hand op mijn schouder. ‘We gaan - nu.’ zei ze vastberaden en kalm. Dat was het enigste wat me weer bij mijn positieven haalde - en op de been hield: ‘ zij’. Mattéo, 29 mei 2028, Centre Hospitalo Universitaire MUSTAPHA, 16u45 Terwijl ik panisch de zwarte vlekken op de spiegel witte tegels telde, kwam ze bij. Een verpleger kwam nonchalant binnengewandeld. Zijn dreadlocks waren haastig vastgeknoopt in een beschermkap, toch wist er één te ontsnappen en al wat ik kon doen was er gefixeerd naar staren.  Terwijl hij glimlachte naar haar, checkte hij de buisjes die vastgeknoopt waren aan haar lichaam. De monitoren en apparaten naast haar gaven zaken aan waar ik totaal geen weet van had.  ‘Meneer, u bent haar echtgenoot?’ vragend en ook weer niet, richtte hij zijn aandacht plotsklaps naar mij. Even schrok ik, al herstelde ik me snel, charmant glimlachend zei ik al even nonchalant als hij was binnengewandeld: ‘Nee, ik ben verantwoordelijk voor de opvang van Algerijnen die op een legale wijze een buitenlands paspoort aanvragen. Ik vond haar volledig uitgeput en buiten bewustzijn bij mijn woonst.’’  De wangen van de verpleger kleurden in allerlei tinten donkerrood, aarzelend herstelde hij zich:’ Uh, oké, heeft u al contact gehad met de politie. Weet u wie deze persoon is? Had ze iets van papieren bij haar, ID?’ zonder ook maar enige ademruimte te laten, perste hij het laatste woord er haast snakkend naar lucht, uit. De laatste restjes aarzeling verdwenen in de kolkende hitte van een vragenvuur, dacht ik weemoedig.  ‘De politie is inderdaad al op de hoogte. De jongedame in kwestie heeft geen papieren, noch een ID op zak.’ Zoals een ballon die langzaam aan leegloopt, verdween alle kleur uit zijn gezicht. Zuchtend tussen zijn tanden, zei de verpleger ‘Raphaël’, toonde zijn naam tag die scheef op zijn uitrusting kleefde aan: ‘Oh, god, nog ééntje.’ ‘Hoe erg is het?’ vroeg ik hem recht op de man af. ‘Worden er statistieken bijgehouden?’  De man kleurde roder dan rood.       Eindeloze Verte - Wattpad Eindeloze Verte won in 2019 een Watty Award, de officiële wedstrijd op het platforum 'Wattpad'. Het is momenteel lopende, al is het doel om dit verhaal ten laatste in 2026 uit te geven. "Vinden ze de weg naar elkaar terug?" De Middellandse Zee.Vluchtelingen en uitdagingen voor Europa.Een verdwenen zus en een verscheurd gezin. Algerije, 2028Een recente, zware aardbeving, die vele slachtoffers en ravage met zich meebrengt, is voor Rania de druppel. Een teken dat het genoeg geweest is. Dat het zo niet meer verder kan. Dat leven zonder enige zekerheid geen zin heeft. Toch?  Verderop in Algerije komt Amine tot de ontdekking dat zijn zus zomaar, zonder enig spoor na te laten, verdwenen is.  Wanhopig maar vastberaden dat ze nog in leven is, besluiten hij en hun ouders haar achterna te gaan. Aan de hand van hun verhalen komen we meer te weten hoe hun leven plotsklaps maar niet geheel onverwachts veranderde.  Beiden geven echter niet op, op hun dromen en toekomst. Dit is hun verhaal: over hun vlucht en de zoektocht naar een beter leven. Een actueel toekomstverhaal dat zich afspeelt in verschillende leefwerelden. Een fictief, maar realistisch verhaal van hoop en dromen, pijn en leed, liefde en vriendschap en een onverwachte boodschap. Alle rechten voorbehouden (c)    

Zonsondergangdromen
132 1

Het belang van uitgestalde patisserie in het leven van een chaoot

Nooit mag ik het belang van mijn ogenschijnlijk betekenisloze tripjes naar de bakker onderschatten. En dan heb ik het niet over dagelijks brood. Zonder een bezoek aan de bakker ben ik verloren als het aankomt op bepaalde sociale verplichtingen. Sinds lange tijd ben ik onderworpen aan de in de vitrine uitgestalde patisserie om mij te herinneren aan nakende Vlaamse feestdagen. Reeds vele malen ben ik door het oog van de naald gekropen door op de allerlaatste dag mijn vrouw een gelukkige moederdag te wensen met een pateeke van de bakker, wiens koeltoog me die ochtend glashelder liet doorschijnen dat het die dag moederdag was. De veelal roze of rode pateekes liegen er niet om. De meeste hebben een glazuren hart met het woord MAMA in het midden geschreven. In hoofdletters van suiker of chocolade, zodat ook slechtzienden of lijders aan daltonisme de boodschap niet zou ontgaan. Hetzelfde geldt in februari. Hoewel mijn vrouw en ik niet zoveel belang hechten aan Valentijn, bedank ik de zeemzoeterige taartjes van bakkerij André om mijn geheugen op te frissen. Wanneer ik koningstaarten achter het glas zie, is het tijd om mijn broer te feliciteren met zijn verjaardag. Liggen er pruimentaarten, haal ik mijn beste wensen boven voor twee goede vrienden, wiens verjaardagen rond Aswoensdag liggen. Ik ben ze nog nooit vergeten. Dank u, pruimentaart! Omgekeerd kan ik mijn liefste echtgenote ook wat jennen wanneer zij dat obligatoire pateeke vergeet op Vaderdag. Dat ik zelf slechts een half uur vóór mijn geveinsde teleurstelling in haar op de hoogte ben, vertel ik er uiteraard niet bij. Zo heb ik mijn gespeelde verontwaardiging al jaren aan een stuk kunnen perfectioneren. Dat kan ook altijd van pas komen op andere momenten, denk ik dan. En dan is er nog Verloren Maandag. Op die dag verkoopt menig Antwerps bakker worstenbroden en appelbollen als zoete broodjes. Ik kan me herinneren dat we dat vroeger steevast als avondeten kregen bij ons thuis op ’t Zuid. Waarom heet dat eigenlijk in godsnaam Verloren Maandag? Naar het schijnt moesten ambtenaren in de late middeleeuwen op die dag niet werken. Bij deze wil ik een pleidooi houden om hier weer een officiële rustdag van te maken. Ik voel me toch al verloren op die dag.

Lennart Vanstaen
9 1

Soms fietsen we samen

I. De tent is hermetisch dichtgeritst. Ik reken uit hoeveel vierkante meter we hier delen: vier. En voor hoe lang: ongeveer zeven uur. Wanneer start een ochtend als er geen wekker is? ‘Dat zien we morgen wel’, zei je. ‘Slaap wel’ zeg je.  Het is donker en ik hoor je ademhaling: twee tellen in, drie tellen uit. Mijn ogen wennen aan de duisternis en ik zie je liggen, met je rug naar me toe gedraaid. Het is niet erg, dat van je rug. We houden beiden niet van lucht recycleren, van uitademen in elkaars inademen. Je bent reeds wakker en zit met natte haren op een boomstronk voor de tent. Je handdoek, netjes uitgespreid over een struik, droogt in de eerste zonnestralen. Ik duw mijn blote voeten de tent uit, trek mezelf op mijn hurken en strek mijn benen. Ik kijk naar de lucht, naar het natte gras, naar jou. Je kamt je haren, draait je naar me toe en glimlacht. ‘Ik ben blij dat we dit nog steeds doen. Dat het iets jaarlijks is. Hoe sliep je?’. Ik glimlach terug en zeg: ‘wel oké’. Anderhalf uur later zitten we op de fiets en praten we voluit. Over jouw ouders, over mijn ouders, over de vorige keren dat we hier of elders fietsten. Over ruimtes delen. Over routes plannen. We fietsen langs maïsvelden, weilanden en melkveebedrijven. Jij moet naar het toilet. We houden halt aan een goed gelegen struik en ik houd de wacht. Er is nog maar een beetje toiletpapier over. ‘Ik ben ook blij dat we dit nog steeds doen,’ zeg ik terwijl ik strak voor me uit kijk. Het is niet evident. We zijn in de dertig en fietsen via een omweg beiden wat belangrijke levensbeslissingen tegemoet.  Provinciebelastingen, functioneringsgesprekken, renovatiepremies, eicelpuncties …  De weg naar volwassenheid is hobbelig en soms fiets jij sneller, soms ik. Soms fietsen we samen maar is er tegenwind. Soms raakt iemand achterop en verliezen we elkaar uit het oog. Het hoeft niet altijd gesmeerd te lopen.   II. Het is nog donker wanneer mijn wekker afgaat. Ik draai me op mijn rug, adem diep in (twee tellen) en uit (drie tellen) en stap uit bed. Ik denk terug aan die laatste keer samen. Terwijl ik koffie zet reken ik uit hoeveel jaren er intussen gepasseerd zijn: drie. En hoeveel keer we elkaar sindsdien zagen: nul. Ik zit met natte haren op de trap en trek mijn schoenen aan. Doorheen het raam vallen de eerste zonnestralen binnen. Ik duw mijn fiets de deur uit en strek mijn rug. Ik kijk naar de lucht, het warme asfalt, naar mijn handen op het stuur. Misschien ben je op iets vastgereden, denk ik, terwijl ik mijn fiets opstap. Zoals ook ik dat soms doe. Maar wat als we het toch nog eens proberen, die hermetische tent en dat voluit praten? De zon komt op, ik schakel een versnelling hoger en ik fiets de straat uit. 

Sarah Skoric
27 3

Salvatore is een beenhouwer

  Ik pas zelfs achterin. In die holte. Die ruimte. Voor dat reservewiel. Ik kan mezelf krullen. Oprollen. Als een turnslak. Als een egel die zijn stekels sterk bemint.   Ik pas nooit iets in een hokje. Sta liefst gewoon naakt in een winkel. Bloot. Ik meen dat echt. Het liefst nog bij een beenhouwer. Omdat mijn merg geliefd is bij de gieren.   Hij kweekt dat. Al wat vliegt. In die kooien van zijn vrije tijd. Vogels die hij dood in poeder voedert. Onversneden gal en blaas. Ja. Iets met hobby’s. Tijdverderf en eigen aas.   Diezelfde zak. Hij heeft mijn jas eens uitgekamd. Op zoek naar iets. Hij wil voorzeker alle schilfers ook mijn vel vergaren. Om een pop te maken voor zijn veld.   Ik pas daar allicht in. In dat kostuum voor lege koppen. Ja ik wil. Gewoon die wind en amper voelen. Niet eens weten wat er beter hoort. Of waar het midden ligt. Dat mes. De evenaar.   Het is de zon die opkwam tegen wil en dank. Maar niet met mij. Zo sprak ik tegen hem. Die marchand in vlees, macaber wild in stukken. Hij moet geboren zijn toen Chaos door de leegte sneed.   Hij schudt altijd zijn kop als ik hem domweg vraag. Wanneer zijn vinken blind geworden zijn. Dat hart zo kil. Daarna ga ik gewoon weer voort. Ik lift zo graag.   Er wordt altijd gestopt als ik op asfalt zit. Een buiging maak. Ik groet de beesten van de straat en mag dan zomaar mee. Omdat het gewoon past. Ik zit graag in die holte.   In plaats van een reservewiel zou ik nog liever zinloos zijn. Geen autospiegel. Neen. Of zien wat er nog leeft. Wat niet. Gelukkig nog dat ik mezelf zo krullen kan.   Dat ik die egel wonen weet. Het kwijl van slakken eten durf. Echt eten is dat niet. Mijn merg wordt daar niet beter van. Er is geen zenuw die daar ooit naar heeft gekraaid.   Sapperloot. Die kloot hij heeft gewoon wat ik niet wil. Een auto. Winkel. Hobby. Vogeltralies en een veld. En toch. Hij blijft op zoek naar iets. Naar toeverlaat.   Ik heb hem ooit één vinger afgesneden. Zodat hij niet kan wijzen. Niet naar mij. Noch naar zijn eigen zieke boel. De zot. En op zijn deur hangt nu een blad.   Iets met een rally zonder tijd. Door platgereden land en leven. Is men op zoek naar Salvatore. Of een route weg van hier. Die imbeciel. Hij komt altijd terug.   Omdat hij denkt dat vogels naar hem fluiten. Hem om graan en ingewanden vragen. Omdat hij zelf graag in zijn kooien toeft.   Geloof me. Mens. En vanaf morgen. Slaapt hij denk ik. In zijn eigen diepvries. Languit. Voorgoed. Als het aan die vinken lag.       uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'

Bernd Vanderbilt
5 0

Hij is dood

‘Ik dacht dat jij in Spanje zat?’‘Alleen zeker?!’‘Hoezo?’‘M’n vriend is toch dood’‘Oei dat wist ik niet’ Ik zag hoe de vrouw op haar lip beet en in stilte verder ging met haar boodschappen op de band te leggen. De facelift die ze ooit had gehad zag er uitgezakt uit. Het verdriet had alles naar beneden gesleurd. Ze zag eruit of ze weggelopen was uit een theaterstuk met een dramatisch einde. Het theater van het leven. Wellicht was ze jaren geleden, na de scheiding van haar eerste man, dol-verliefd geworden. De man van haar leven. Een avontuurlijke sterke jonge vent, tien jaar jonger dan zij. Het leven lachte haar toe. Zij zag er toen jong en fris uit voor haar leeftijd. Hij had haar meegenomen op zijn avonturen in het buitenland.  Zijn werk noopte hem tot veel reizen. En zij mocht altijd mee. Ze gaf haar job en carrière met plezier op. Hij verdiende toch genoeg voor twee. Na jaren uit een koffer geleefd te hebben , vestigden ze zich uiteindelijk in Spanje. Het klimaat, de gezonde lucht, het lekkere eten, vrienden.. het waren allemaal doorslaggevende factoren die hen tot deze beslissing brachten. Op aandringen van haar vriend had ze alle schepen in haar thuisland achter zich verbrand. Hij kocht een beest van een villa, met zwembad en zicht op zee. Ze waren gelukkig. Maar het noodlot sloeg onverbiddelijk toe. Covid overspoelde de wereld en eiste zijn tol. Toch was niet Covid de grote schuldige. Nee, na drie vaccin’s en een vierde booster zakte haar sterke jonge vent als een pudding in elkaar. Dood. Oorzaak: een Tia. Aangezien er op praktisch vlak nog niets geregeld was voor haar, ging de villa automatisch over naar zijn oudste zoon. Zij was verplicht terug naar België te keren, zonder geld, zonder huis. Zijn kinderen hadden géén ruimte voor de vrouw die hun vader gestolen had van hun mama. Ze weigerden om het anders te zien. De vork zat echter anders in de steel. Hun papa was hun mama al jaren moe geweest en wilde al lang weg van haar. Toen hij de knoop doorhakte, werd de vrouw waar hij verliefd op werd, uiteraard de zondebok. Zij woont nu bij haar dochter en zoekt naarstig naar werk. Zonder resultaat. Overal vinden ze haar te oud. Over twee jaar mag ze met pensioen…

Heidi Schoefs
27 0

banaansjamaan

mijn ogen druppelen toe als warme honing op mijn rug spikkelt het koud koorts of vermoeidheid of beide  wie mag er hier nog leven? Wie is hier nog toegestaan in je gestolen tent, joert? Enkel diegene wiens derde oog open geexplodeerd is in de nieuwe dimensie van de liefde? Enkel wie cacao diens moeder noemt, wie "rich dad, poor dad" binnenslokt als warme, zachte soep?  Witte sjamaan, man die met zijn zandvoeten in zijn mannelijkheid staat, mag ik hier bestaan? Mag ik bestaan, niet in het wit gekleed, niet versierd met veren die eigenlijk niet van mij zijn. Ik oordeel wel eens. Heb ik dan wel het recht, om uw thee met aarde-smaak en stukken paddenstoel achterover te slaan en te duiken in de diepste waters binnen mezelf?  neemt u mij mee, in uw begeleide reis? Waar jij me wanneer ik uw tent uitstap voor dood achterlaat omdat dat is hoe ons universum het bedoelt. Daar leer ik het meest van. Ik stap en stap en stap en spurt me uit mijn slachtofferrol zoals jij dat noemt, om er onmiddelijk terug in gekatapulteert te worden. Shit.    De 20 jaar jongere soulmate van meneer sjamaan draagt een witte broek en string. Ik wil het niet oordelen, want ik ben vrouw, feminist, en vredebewaarder in wording, maar ik denk aan hoe snel mijn wit ondergoed rood doorbloed zou zijn en zelfs na het wassen de achtergebleven vlekken zou dragen. Het doet dan nog pijn dat ik nooit zal bestaan in hun dimensie van constante groei, ontwaking en inzicht. Vandaag ben ik opgelucht niet te bestaan in hun dimensie van cultuurdieven, onophoudelijke competitie en geveinsde acceptatie.  Ik word wakker en ik besta. Ik huil en het mag. Ik ontmoet god niet elk moment, en maar goed ook.

Chloe synkineses
4 0

Kerkklokken

Ik woon in een dorp, ik heb het al eens eerder verteld. En dan bedoel ik ook echt in een dorp, met dorpse waarden en tradities. We hebben een supermarkt, zelfs twee, maar verder moet je niet veel eisen stellen. Ik vind het heerlijk. Als ik drukte wil, ga ik naar een stad en als ik rust wil, ga ik naar huis. Natuurlijk zijn er ook nadelen, dat weet je van tevoren. Als je dat niet wilt, moet je niet in een dorp gaan wonen. Er wordt meer gelet op wat iedereen doet en, zoals overal, hebben mensen daar ook een mening over. Toch is het dorp niet helemaal ouderwets. We hebben zelfs een buurt-app. Ik plaats nooit een bericht maar het is wel handig om op de hoogte te blijven. En om je soms te verbazen over zaken waar mensen zich druk over kunnen maken. Ik lees graag mee. Zo ook pas geleden. Van oudsher zijn er in mijn dorp drie kernen, met uiteraard in iedere kern een kerk. Ik woon vlak bij die kerk. En die kerk heeft een welluidende klok die om het half uur slaat. En de kerkgangers verwittigt als er een dienst aanstaande is. Op zondag om tien voor half tien en bij belangrijke gebeurtenissen soms al wel een kwartier vooraf. Meestal hoor ik het niet eens meer. Je raakt eraan gewend. Maar de nieuwe bewoner van het voormalige domineeshuis had er toch wat meer moeite mee. En plaatste een bericht in de buurt-app. Hij vroeg of er meer mensen last hadden van de klok. Zijn nachtrust met name werd er ernstig door verstoord. En als hij voldoende medestanders had, kon hij wellicht een verzoek indienen om het slaan van de kerkklok te laten stoppen. Ik moest al lachen toen ik het bericht las. Oeps, dat ging reacties opleveren. En ja hoor, de hele buurt viel over hem heen. Iemand vertelde hem fijntjes dat hij daar eerder over na had moeten denken. Je moet ook niet naast een luchthaven gaan wonen als je geen vliegtuigen wilde horen. Het werd een hele discussie. Zelfs de minaretten van een moskee werden erbij gehaald. Arme man, ik denk dat hij al lang spijt had van zijn actie. De enige medestander die hij had, verwijderde snel zijn bericht toen hij zag wat de buurtgenoten er van vonden. De algemene conclusie was dat het een van de charmes van het dorp waren en dat hij niet moest zeuren. Ik ken de man in kwestie niet, maar ik denk niet dat hij vrienden heeft gemaakt. Het zal me niet verbazen als het huis binnenkort weer op de markt komt. 

Machteld
10 1

Brooddronken hoofdstuk 19

19   Het postkantoor Kortrijk 1, 1ste afdeling maakt zich op om de werkdag, althans van de postmannen-uitreikers, te beëindigen. De namiddagploeg is aangekomen om te sorteren. Dat is alles wat zij doen ’s namiddags. Sorteren en af en toe wat post versturen die in de namiddag toekomt. De meeste uitreikers zijn binnen. Reginald zit voorovergebogen over een pint aan zijn werkpost zijn rekening te maken. Hij draait zijn rekeningblaadje wel drie keer om en krabbelt telkenmale iets in een vakje. De liftdeur gaat open en even later ook de deur van de postmannenzaal. Zoals veel dingen in het postgebouw is het aan vervanging of toch minstens herstel toe en wie dag in, dag uit daar zou werken, zou horendol worden van het gekraak en gepiep van scharnieren die smeken om wat olie. Chef Rik gaat naar de werkpost van Reginald. ‘Uw vrouw heeft gebeld,’ laat hij Reginald weten. ‘Ah, ligt ze dood?’ Daar kan chef Rik niet mee lachen. Hij is zelf een weduwnaar. ‘…’ ‘Ja, dat kan moeilijk, anders… ging ze niet gebeld hebben. Wat moet ze-ze… nu weer hebben?’ Reginald kijkt niet op en krabbelt lustig verder op zijn rekeningenblaadje. ‘Ze zegt dat Billy zijn vriendin gaan halen is met de Lada en dat ge nog niet direct achter Jules gaat kunnen gaan.’ ‘Godverdomme, hé, daar gaat mijn siësta. Of mag ik een postauto le…nen om pa te gaan halen?’ Chef Rik kijkt hem aan. Dicht genoeg om olfactorisch te kunnen peilen naar het alcoholgehalte van Reginalds bloed. ‘Ge hebt gezopen, zeker?’ ‘Nee. Ja.’ ‘Dan krijgt ge geen postauto.’ ‘Merde,’ vloekt Reginald, ‘dat is toch… altijd hetzelfde. Kan ik hier mijn siësta niet doen?’ ‘Reginald, we gebruiken de slaapzaal al jaren niet meer. De bedden zijn al lang weggenomen.’ Ondertussen passeren Bruno en Jimmy, die net terug zijn van op ronde, langs de werkpost van Reginald, op weg naar de rekenplichtige om hun rekening af te geven. Reginald staat op, maar heeft moeite om zijn evenwicht te behouden. ‘Ah,’ stamelt hij, ‘wie er daar… is.’ ‘Dag Reginald,’ antwoordt Bruno. ‘Is hij een… beetje braaf… gew-geweest?’ Reginald kijkt dwars door Bruno naar Jimmy met een blik die zegt dat als er klachten zijn, hij zijn zoon de kop in zou slaan, maar alleen wanneer ze alleen en/of thuis zijn. ‘Geen klachten, Reginald. Ik zie het wel goed komen.’ Chef Rik pikt in. ‘Het is ook nog maar de eerste dag, hé. Enfin, mannekes, ’t is drie uur, tijd om naar huis te gaan. Enfin, hier kunt ge niet blijven, dat toch.’ ‘Jimmy, wij gaan samen naar… huis,’ zegt Reginald. De stilte waar Jimmy zo naar verlangt, zal nog een tijdje uitblijven. Ofwel wordt het een tumultueuze rit naar huis, ofwel wordt het wel degelijk stil – een ongemakkelijke stilte. Voor de storm. ‘Doe maar,’ zegt Bruno, ‘ik ga mijn rekening naar boven dragen en dan ben ik ook naar mijn kot.’ ‘Ver…tel eens, Jimmy, hebt gij die vriendin van onze Billy al eens ge…zien?’ Reginald stamelt terwijl hij alle moeite heeft om zijn regenbroek aan te trekken. ‘Ja.’ Ze stappen samen de lift binnen. ‘En, hoe is ze?’ Reginald is veel te nieuwsgierig, vindt Jimmy terwijl hij op de knop drukt die hen naar -1 voert. ‘Dat zult ge vanavond zien, hé.’ Jimmy weet dat dat geen vraag is, maar een verzoek, een eis, om informatie. Jimmy moet vertellen hoe ze er uit ziet, wat voor karakter ze heeft en nog meer van zulke zaken. Het wordt een lastige rit.

Miguel
3 0

Als als als

Als alles terug kon zijn als gewoon.Gewoon eenvoudig.Toen was er ook heel veel weg maar toch was er nog iets.Hoe anders zou alles dan zijn geweest als dit niet nog eens was gebeurt?Het ervaren was als iets meer dan die stilte nu.Dan was er maar af en toe stilte.Nu is er die mistige angstige onwetendheid.Die onzekerheid.  Als alles terug kon zijn als gewoon.De eenvoud van enkele woorden waren dan ook al veel van betekenis.Het hoefden er niet veel te zijn.Ze waren er.En dat was goed.Hoe anders zou alles dan zijn? Nu zijn er enkel wat bange geluidjes.Hoe pijnlijk is dit voor jou.  Als alles terug kon zijn als gewoon.Dan zouden we niet meer zagen en klagen.Dan zou alles terug zo normaal zijn.Niet meer de grote woordenstroom maar die eenvoudige herkenbare typische "jouw" vocabulair. Het maakt ons zo verdrietig je zo te zien zitten.  Als alles terug kon zijn als gewoon.Dan was er geen stilte.Wel af en toe frustratie om wat er niet meer was.Maar dat was het nieuwe leven.Daar kon jij mee leven na de aanvaarding.Wij bleven het moeilijk hebben.Want aanvaarding is het zwaarste wat er is.  Als we nu positief zijn en dankbaar.Om die enkele klanken.Jij bent zo fier om deze te laten weerklinken.En wij zijn jouw grootste fans .Oh ja! Jij geeft de moed niet op.Dus wij ook niet.Als we nu de hoop opgeven dan zijn we niet goed bezig.   Als als als. If if if. Wat als. Ik weet het niet meer. Jij en ik, wij zijn het noorden kwijt. Maar niet elkaar. We gaan er voor. Samen.  Als ik nu even wat geduld kon opbrengen om geduld te hebben.Want dit is al zoveel gezegd.Geduld geduld geduld.Ik doe mijn best om die hoop vast te houden.Als die enkele klanken terug woorden konden worden.Als,als, als..Je overlevingskracht zal er steeds zijn.Jouw wilskracht en koppigheid is er ene om U tegen te zeggen.Maar als het niet meer gaat beloof mij een teken te geven.Dan ben ik er om je te steunen en te begrijpen. Als als als.En if ,if if.Nu!Nu nu!Geduld, geduld en nog maar eens geduld.Ik weet het.Deze dame moet minder ongeduldig zijn.Jouw ongeduldigheid, wilskracht en koppigheid heb ik van jou cadeau gekregen.Alé pa, dan hebben we toch nog iets gemeen.De schoonheid kreeg ik van ma en haar geduldigheid heeft mijn broer gekregen.Zo is het mooi verdeeld. Weet één ding zeker!We blijven jouw trouwe supporters..               

NoNaSh
0 0