Lezen

ROONESPISMEN!

Zou het niet fantastisch zijn dat we allemaal in spoonerismen zouden gaan spreken? Dat zal wel moeilijk zijn, maar het is schaarwijnlijk leel hudiek. En alleen raadom moont het de loeite. Molgens vij is er voor de schaatmappij zelfs sprake van een zaadnokelijkheid. Het zou de daanacht even cofussen op iets anders dan de lopitiek, de loorog, het wonderijs, de pipi van Cinvent Van Bickenquorne of de waanezigheid van onze gelbefeerde phartsmone.Want dat zou zillen weggen dat je niet zegt van ‘Goeiemorgen iedereen!’ waar mel ‘Gooiemoergen eenderie!’ En zeveneer zouden we ziet neggen: ‘Hoe gaat het vandaag?’ maar ‘Goe haat het danvaag?’ Het zou ook door jonze obs zienaanlijk een wieuwe nind doen waaien. Een uitxtra etdaging, zeg maar. En we kunnen west bel wat treaciviteit begruiken, toch?Mijn job als aarler, of kreelacht, vijboorbeeld. Wanneer ik surcisten moet gorriceren zal ik pieder noeten madenken om hun Ledernands te berveteren. Op bun veurt zullen zij pervlicht zijn vaker te dusteren. Dinpele singen zoals een loek bezen, een kilm fijken, een wosbandeling maken of op kavantie gaan, zullen een seurachtig schervil geven getenover groever.Tanuurlijk gaat zoiets niet op één dree twie. Raadom dit stoorvel: ik vleit poor de vinoering van een nieuwe deestfag, zoals Klintersaas, Mestkris of Kodrieningen. Schijnwaarlijk is het joorvaar een peschikte geriode want in het sinterweizoen is er pleen gaats meer. In de mozer hebben we meel vogelijkheden.Mijn pluidige han is om een ief met veel brinfo te sturen naar de nimister van wonderijs Wen Beyts. Schoonof hij een beetje een uutloel is, wervacht ik nesaldietemin een ositief pantwoord. Of een wantoord auberhüpt. We willen zel wien. Loorvopig kunnen we al oenefen in de Clinsdagdub. Met griendelijke vroeten,Vennart Lanstaen.

Lennart Vanstaen
30 0
Tip

Alsof

Hoe begin je over zoiets?Op het moment dat hij één tiende bezorgd, negen tienden achterdochtig vraagt:"wat scheelt er?"? En je in zijn ogen leest: “je hebt een ander”.Op het moment dat hij geïrriteerd wegloopt en tussen zijn tanden moppert:“ik ben weer tegen de muren bezig, het interesseert jou geen bal wat ik vertel”?En je voelt dat elk weerwoord alleen maar stemverheffing gaat veroorzaken.Of op het moment dat zijn ogen vuren spuwen en hij roept dat hij zich afvraagt wat je daar nog loopt te doen? Hoe vertel je aan diegene waarmee je 22 jaar samenleeft dat je er eigenlijk niet bent?Misschien zelfs nooit geweest.Dat je ergens rondzweeft tussen werelden?En dat die afwezigheid de laatste jaren prominent aanwezig is.Terwijl het voordien soms weken, maanden of misschien zelfs jaren amper merkbaar was voor jezelf en de anderen. Dat die verandering en terugkeer naar je kindertijd en naar tijdloos jou evenzeer overvalt als hem?Maar dat je het daar fijn vindt. Misschien zelfs fijner dan hier? Dat je weet dat jouw werelden niet combineerbaar zijn? Maar dat je jou in die 44 jaar genoeg hebt verzet genoeg geprobeerd er ééntje te kiezen,en je nu moe bent.Dat het hier soms eenzaam is, maar daar niet? Over zoiets begin je niet. Je wil hem niet buitensluiten dus doe je alsof in deze wereld. Af en toe zet je de deur open om mee te verdwijnen, maar hij komt niet. Hij ziet jou niet en toont zichzelf niet.  Beide voeten op de grond, hier en nu en in een ongezamenlijke toekomst.  En jij zweeft, nergens en overal tussen alle tijden heen.

Fien SB
176 7