Lezen

Beaulieu-sur-Mer

  Er is een racecircuit ooit aangelegd op deze rug. De littekens verbinden wegen waar een korstje heeft geleefd. De auto’s reden door mijn hoofd. Er was een gat gemaakt voor duiveltjes die met hun zwart geweld het lot bestuurden richting rechteroog. Aan deze kant werd ik voorgoed volledig ongevoelig voor het rode licht dat avonden soms blind beloven. De lens is er zelfs uit. Ik draag daarom meestal een ooglap. Het is een stukje stof gescheurd uit een bedrogen vlag. Men sprak van landverraad toen ik de zee verkozen had. Ik heb mijn koersmobiel verkocht aan een piloot die ‘s morgens pap met brokken at. Ik heb mij met dat geld een vliegdekscheepje aangeschaft. Het was te klein geworden voor de aanloop van de reus, die er zijn stappen wilde tellen. Alles richting ondergang. Een pas of tien misschien en hij lag overboord. Zo gaat dat vaak in sprookjesland. Het is nu helemaal van mij. Hier aan de linkerkant is er die grote vlakte voor het ene vliegtuig dat ik heb. Het is een dubbeldekker uit een oorlog heel dichtbij. Ik vecht nochtans al lang tegen de molens op de wal. De dwaaltocht wil mij nog niet laten gaan. Het was Frestoen die me beval. Ik moest, ik zou in Noorse fjorden naar verkoeling zoeken voor een zomer die niet sterven wilde. Onderweg trof ik de herfst. Dat was vlakbij Beaulieu-sur-Mer. Ge zijt verkeerd, vertelde een verlaten strand. Je bent hier aan de Mediterranée. Het was midden november en de doden sliepen weer zeer diep zodat ze al die bloemen snel vergaten. In het familiegraf werd het opnieuw heel stil. De eendagsvlieg zij zweeg. Daar is een kerkhof op het strand met tussen al die zerken slechts één stoeltje voor de kapitein van dat verlegen vliegdekschip. Ik kijk hier nu vanop de wal naar al hetgeen mijn ziel bezit. Wat ijzer in een grijze vorm, een vliegtuigje dat bijna overlijdt. Er is een racecircuit, hier achter mij. Het loopt over die berg tot in het dal waar ik geboren ben. Daar wil ik niet meer heen. Het zijn de milde wolken die over de wonde strijken. Elke dag opnieuw rijdt er een trein langs de rivier waarin verleden stroomt. De machinist hij weet van niets. Hij denkt dat alle tunnels zijn gegraven door een grote rat. Hij rijdt daarom liefst traag. Het is altijd zijn eerste rit. Misschien is verderop de rat nog in de weer en ligt daar nog geen spoor. Ik heb die speelgoedtrein gekocht nog voor ik racen kon, nog voor ik ben verongelukt. De eerste keer verscheen dat gat. Het werd niet dichtgenaaid, gewoon ontsmet en ik mocht gaan. De tweede keer heb ik mijn rug zelf opgelapt. Met dank hen, de spiegel in de gang, die haakjes en die tang. Ik prijs ook hem, de kangoeroe die mij vergat, want anders was mijn reis zo zacht geweest. Ik dank ook iedereen die oorlogsschepen doelloos schenkt. Ook hen die treinen stelen, sporen eeuwig rusten laten, eindstations hun langverwachte leegte schenken. Tot slot, Frestoen, gij zot, geef mij dat oog terug! Het ander wil mij niet geloven. Als ik beweer dat scheel kijken bestaat. Wanneer het tranen laat. Dat beste oog. In eenzaamheid. Voel ik die rat. Ze loopt over mijn rug. Ze is de weg weer kwijt.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
3 0

Droomkroketten

  Ik word daar helemaal high van. Droomkroketten of een meisje dat mijn ziel vervelen kan. Denk maar niet dat zoiets ooit een beetje saai kan zijn. Zij weet bij god goed wat ik zoek. Rust en lauw gekust worden. Meer wil ik niet. Er zit daar hoog in een verlegen boom een vogeltje met zachte vleugels. Wrijf het niet over de wangen. Zout dat kent het niet. Als ik een staart had als een slang, dan zou ik nooit meer bang zijn van de bochten die ik nemen moest. Ik viel zo vaak. Over mezelf. Over het zijn. Het klein konijntje in mijn tuin heeft scherpe tandjes, beetje schuin. Het bijt nooit in mijn hand noch vingers als ik het grassprietjes beloof. Geloof maar niet, Natuur, dat ik jou echt vrijwaren kan. Ik ben te klein om al wat straks verloren gaat te redden. Ik doe mijn best, al ben ik zwak. Ik voel het barsten binnenin. De overgave lonkt, terwijl een kikker wilde bellen blaast. Mag ik nog even zwemmen, vraag ik aan een vis die zonder dralen mij de beste slagen leert. Het water weet mij te bekoren want het streelt mijn vel. Rust en lauw gekust worden, meer zoek ik niet. De snoek hij kan zijn scherpe tandjes goed gebruiken voor het aaltje dat zijn mond passeert. De visser ginds aan lager wil. Hij is zich niet bewust van enig kwaad. Straks komt de vloed die al zijn moed verslindt. Was je maar thuis gebleven, prevelt zacht de voorhoede waarmee de storm zich aankondigt. Straks zal het mild vergaan. Ik voel iets barsten binnenin.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
2 0

De herder van het stof

  Elke kast, iedere dag met beetje faam, gelijk ook welke kaft of slapend schriftje met daarin mijn eerste letters, tekening misschien, wat balkjes voor een noot of tien. Alles krijgt een laagje stof. Zit er een filter op mijn hart? Het kaf is soms zo fijn dat overal waar ik durf wrijven, hoest een dutje bleek te doen. De longen van mijn lappenpop zijn niet zo teer, beweerde ooit een kind dat dokter of verpleegster worden zou. Ik heb een zak gekocht. Zonder merk voor al die brol. De wisselbeker die ik won toen ik een torenhaan afschoot, hij staat hier nog. Misschien moest hij terug naar de verleden tijd, de club waar ik begon als kindsoldaat. Ik kijk nu enkel nog naar sneeuw en dat geweer. De hijgende atleet hij schiet een beetje scheef. Daar gaat de eer die hij verzocht te krijgen. Wanneer zal hij die ski’s op zolder leggen, vraagt een been of twee. Alles is moe, maar niet het stof. Dat wacht geduldig op het einde van de vlucht. Wanneer het grijs dan rust kan en neervalt op een doos of drie. Er staat hier ook een wieg die veel verloor. Immer zal iets sterven, soms nog veel te vroeg. Alleen de dood kan trots beweren overal beroemd te zijn. Het hobbelding was sterk nochtans, gemaakt uit ebbenhout. De meubelkever wilde zich niet wagen aan het lichter maken en de nerven wisten goed wat er gebeuren ging. Ik liet de droefenis begaan. Ze knaagt altijd al aan een bot van het bestaan terwijl de zon achter een wolk voorzichtig lacht. Er drijven schapen door de lucht vandaag. De herder is niet mee. Ze zijn verlost van honger en de richting van de wind bepaalt elke bestemming van de mist. Het is die vochtigheid die vaak bij nacht mijn wangen zoekt. Ik kijk niet langer met mijn ogen open naar de ondergang. De zon zij weet waarom. Ik leg mijn hand dan in dit zand, niet fijn genoeg om stof te mogen zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
2 0

Hier in de grond

  Meerdere keren per dag. Dan verkeer ik in verwarring. Of ik zomaar van je houden mag. Ik durf daarbij niet na te denken. Neem dat ‘je’ ook niet te eng. Ik spreek wel vaker tot mijn hondjes of een sterrenbeeld. De vinkenslag, dat net waarmee getjilp gevangen wordt, het ligt daar maar. Het is danig in zichzelf verstrikt geraakt. De naakte zeemeerminnen mogen zomaar zwemmen, vrij voorbij de val. Als ik daar lig. Goed opgesloten ben ik vindbaar, denkt een eenzame gedachte die zich spoorloos achtte. In de cel van gisteren zit morgen niet te wachten. Grijp me dan als je kan, zo schreeuwt de liefde die zich als een sperwer heeft vermomd. Hier in de grond, onder een groene laag van gras dat ongemaaid zo mooi is als een plant kan zijn, daar leeft verlegenheid, een ziel die langzaam stierf aan overvloed. Waaraan? Dat vragen domme wezens. Zij die zich laven aan vermeend geluk terwijl onder de brug een vuilbak slaapt vol weggegooide kansen. Had ik je maar gezoend. Direct. Waarom heb ik gewacht? Je lippen wisten zo veel beter dat ik ze bekoren kan. Ik ben de bron van een blinde rivier die stroomt door niemendal. Doch op papier, durf ik wel iets beweren. Grijp me dan. Meerdere keren. Elke dag. Lekker bij de nek. Ik ben een haan die kraait omdat de kerk te laat is met zijn lied. De klokken klinken echter holler dan ze zijn. Mijn lieveling, had ik je maar omarmd. Die warme avond dacht dat het eenvoudiger zou zijn wanneer de horizon zich langzaam plooide naar de ondergang. Er is dat sterrenbeeld dat zich belangrijk vindt, betekenis kan geven aan mijn sombere bestaan. Mijn jongste dochter. Zij die alles aanvoelt als het over mijn banale ego gaat, zij schreef ooit op mijn linkerwang : 'De maan is een kromme banaan.' Rust breng dat. De vrede is jaloers wanneer ik denk aan zonneschijn, aan gele borden die een omleiding verbergen richting beterschap. Had ik je maar gezoend. Soms spreek ik tot de vlinder die in beide vleugels kleuren, zo veel onschuld draagt. Mijn hondje denkt dat ik veel onzin fluister. In deze duisternis, mijn schat, daar is het niet makkelijk een kakkerlak te onderscheiden van een spin die dromen weeft rondom het laatste beetje licht. Het is die valavond, dat kreupel restje moed, dat mij in leven houdt. Het wil gewoon dat ik wat schrijf over mezelf, over de vliezen voor hetgeen verdronken leek en toch blijft voortbestaan.     uit de reeks 'Waanhoop'

Bernd Vanderbilt
0 0