Lezen

Treinrit

Er lijkt geen eind te komen aan de kronkelende slang van wel vijftien rijtuigen lang, die zich sissend en knarsend tussen de perrons wurmt. Ik ben deel van de wemelende meute die zich naarstig naar binnen wringt. Terwijl de trein zich weer op gang trekt, loop ik zo ver mogelijk in tegenovergestelde richting. Door bedompte compartimenten, overvolle gangetjes en wiebelende verbindingen. Hoe verder, hoe minder rafelige rugzakken, hoe meer kans op een rustige rit. Ik plof neer op het laatste vrije zitje in een box voor vier, oog in oog met een bejaarde heer van stand, compleet met driedelig maatpak, pochetje, en oude, magere handen rond de knop van zijn wandelstok. Ik recht mijn rug zodat onze knieën elkaar niet hoeven te raken, en laat mijn blik door de coupé dwalen.  Ik zie haar weer. Sinds we elkaar voor het laatst kruisten, als onvoorspelde bliksemflitsen op heldere dag, ben ik altijd op mijn hoede. Ik betrap mezelf erop haar te zoeken. Overal, waar ik ook maar mensen tegenkom. Zodat ik op tijd kan schuilen voor het geval ik haar echt zie. Zodat ik mijn zenuwstelsel kan waarschuwen voor eventueel vallende rotsblokken.  Ik zoek en vind haar in de kastanjebruine ogen van de verkoopster in de kledingwinkel. In de ranke polsen en handen van de kleuterjuf aan de schoolpoort, zeker als die ook minstens één grote, opvallende ring aan de vingers heeft. En deze keer in het donkere, golvende haar van de jonge vrouw, zeven stoelen voor me. Maar ze is het nooit echt. Nooit meer in het echt. Ze zit tegen het gangpad, net als ik, maar dan aan de andere kant, met haar rug naar me toe. Naast haar zit een jongen van een jaar of vijf. Hij verveelt zich, kruipt tegen de leuning omhoog en monstert zijn medereizigers. Waaronder ik. Ze maant hem met een enkele beweging aan om mooi te gaan zitten. Intussen leest ze onverstoorbaar verder. Zoals ook zij onverstoorbaar kon zitten lezen, vooral in Spaanstalige auteurs. Ondertussen zat ik aan haar keukentafel mijn zeventig-of-zo gedichten over te schrijven in drie zwarte Moleskine notitieboekjes. Met vulpen. Ik had nog nooit gedichten geschreven. Tot dan. Ze kwamen uit het niets. Vielen als blauwe inkt uit mijn gedachten.  Muze was haar lievelingsgedicht. Ze neemt iets uit haar tas. Een zakdoekje. De kleine snuit er zijn neus in. Ik hield van haar. Zij ook van mij. Maar dat kreeg ze niet over haar lippen. Ik zag dan even iets vochtigs in haar ooghoek verschijnen. ‘Zulke dingen zeg ik niet snel,’ zei ze dan. Het kon niet. Het mocht niet. Waarom? Weet ik niet meer precies. De trein stopt en lost een eerste lading reizigers. Een verliefd koppeltje neemt afscheid op het perron. Bij ons eerste afscheid hebben we gevreeën zoals zij en ik nog nooit gevreeën hadden. ‘Alles met jou is zo ongezien,’ fluisterde ze, en in een pure verstrengeling lagen we ons afscheid nog wat uit te stellen. Toen vertrok ze voor een maand naar een berg in het verre oosten. Het zou alles draaglijk maken. Na die maand zouden we elkaar niet meer nodig hebben. We razen langs rommelige achtertuinen. ‘Kijk métie,’ roept de kleine. ‘Een trampoline.’Métie. Ze had een petekind, Bas. Ik heb hem een keer gezien toen ze met hem door de stad liep, waar we afgesproken hadden om elkaar toevallig tegen het lijf te lopen. Hij zat in de buggy een ijsje te verorberen. ‘Basje-baasje ijsje eten!’ riep hij triomfantelijk. En of ik ook ijsjes lustte. Bij het tweede afscheid gaf ik haar een boek cadeau. Het was ook haar verjaardag, vandaar. We wandelden door een bos, stopten om onze voorhoofden, onze neuzen en onze monden tegen elkaar te vleien, en elkaar vervolgens zowat te consumeren. Ik stopte twee eikenbladeren in het boek en zij drukte een lange kus op mijn wang. ‘Beloof me dat je altijd voorzichtig zult zijn,’ zei ze. Ik beloofde het. Ik deed alles wat ze me vroeg. Die avond schreef ik een gedicht over consumeren. We vertragen. Ze kijkt door het raam. Ik zie haar gezicht een seconde lang in profiel. De trein schokt. Een drafje in mijn borstkas. Opa met de wandelstok schrikt op. We rijden voorbij knipperlichten. Buiten staat een blauwe Volkswagen Polo voor de rinkelende slagbomen. Toeval. Zij had net zo een Polo. Op een avond in januari reden we uren aan een stuk doelloos rond. Ik zat achter het stuur, zij naast mij, Spotify in haar handpalm. We stopten op een verlaten plek en stapten uit om te dansen onder maanlicht. Nick Cave, David Bowie. Het was koud en ze knoopte haar sjaal als een hoofddoek. ‘Mooie Moslima,’ was alles wat ik kon uitbrengen, verdwaasd door haar smekende, donkere ogen. Ons laatste afscheid dateert alweer van drie jaar geleden. We vreeën niet, we kusten niet, omhelsden niet. We zijn weer vreemden nu. Niet langer heroes, for ever and ever. Niet the one that I’ve been waiting for. Het was ons definitieve afscheid. Net zoals de keer ervoor, maar dan harder. Net zoals de keer dáárvoor, alleen duurt het nu wat langer. De kleine grist iets uit haar tas. Een koek. De hele inhoud gaat tegen de vlakte: autosleutels, kleingeld, een flesje water, een portemonnee, het boek - hét boek ...‘Nee, Bas!’ roept ze, ‘we moeten hier uitstappen.’ … vrouwendingen, muntjes ... De trein stopt. Er scheurt iets. Mijn hoofdhuid? Mijn netvliezen? Kraakbeen? Deuren suizen open. Reizigers stappen uit. Stemmen op het perron. ‘Sorry, métie,’ pruilt Basje-baasje. Hij probeert te helpen, maar maakt de chaos alleen maar groter. Opa’s ogen puilen. … drie zwarte schriftjes. Samengebonden ... Mijn borst zwelt. Een huilende hengst in galop. Hij beukt door de omheining. Ze graait alles bij elkaar, de schriftjes gaan als eerste weer in haar tas. … gedroogde herfstbladeren ... Watergordijn. Er sluipt iets over mijn wang. ‘Basje, Basje, wat doe je toch!’ Deuren zuchten. Klappen simultaan dicht. De trein zet zich in beweging. Ze richt zich op. En vindt me.  (c) J.S. - juni 2021

simon s.
1 0

Stijf van de coke

‘Het beste wat je kan doen is gezouten boter aanbrengen op de blaar. Dat zorgt ervoor dat de eikel beter smaakt tijdens het pijpen. Bovendien valt op deze wijze de geur van de etter niet zo op.’ Deze tip kreeg ik op een regenachtige dag in juni van mijn middelbareschoolvriend Maarten De Vriend, toen we na afloop van onze laatste examens van ’t vijfde humaniora rondhingen in zijn ouderlijke huis te Noorderwijk, een kast van een villa met twee badkamers, een sauna, een zwembad en ruimte voor een pony. Pa en ma De Vriend waren tot ’s avonds laat aan de slag op hun advocatenkantoor en Maartens oudste broer Imhotep zat op kot in Leuven. Kortom, we hadden het huis voor ons alleen en dus was er ruimte genoeg om elkaar seksueel voor te lichten aan de hand van plaatjes die we vonden op het internet of op de harde schijf van vader De Vriends desktop. Wat ook hielp was dat we stijf stonden van de coke. Dat coke de creativiteit stimuleert is een welbekend feit, maar ook het naakte lichaam van Maarten werkte als een stimulans voor mijn geest. Maarten liep al de hele namiddag rond in zijn adamskostuum. Zijn kleren had hij eerder op de dag verloren, nadat we – naar aloude post-examentraditie – in ons blootje waren gaan zwemmen in het Albertkanaal. Toen we uit het water kwamen, bemerkte Maarten dat zijn jeans en t-shirt verdwenen waren. Ongetwijfeld waren die ontvreemd door een roedel kobolden, wezens die in het nabijgelegen natuurgebied Vuilvoort veelvuldig voorkwamen. Daar Maarten een groot liefhebber van sprookjesfiguren was, liet hij de zaak vallen en fietste poedelnaakt naar huis. Dat vond hij zo erg niet, want het was die dag behoorlijk warm, ofschoon het pijpenstelen alsook luttele oude wijven regende. Tijdens het fietsen boog hij zich naar voren en ging daarbij op het puntje van de smalle zadel zitten. Ik volgde hem van zeer nabij en moest regelmatig mijn snelheid minderen om te voorkomen dat ik in zijn gat zat.   De doorzopen zomerdagen in de tuin van de familie De Vriend waren de fijnste en meest concrete herinneringen die ik overhoud aan mijn jeugd. Doorgaans waren we met een groepje van 5 à 6 nauwe vrienden, waartoe ook Jeroen Campo, Rebecca De Vos, Dagobert Van Genechten en Mie Paling behoorden, maar de momenten die ik het meest koester zijn de middagen waarop Maarten en ik hand in hand, poedelnaakt en stijf van de coke op een schapenvacht voor de TV zaten te kijken naar herhalingen van FC De Kampioenen. Vreemd genoeg liep het slecht af met Maarten. De ellende begon toen hij – op instigatie van zijn kleinburgerlijke ouders – rechten ging studeren aan de KU Leuven. Nadat hij op de leeftijd van 17 jaar en 364 dagen zijn debuut had gemaakt in een actiefilm van Eddy Lipstick, besloot zijn vader Manfred-Jacobus De Vriend dat Maarten zijn ontluikende artistieke roeping gedag moest zeggen en in de voetsporen diende te treden van zijn voorouders. Tijdens zijn eerste bachelor aan de veel te Katholieke Universiteit van Leuven speelde Maarten nog enkele bijrolletjes in een paar arthouseprojecten van de Grieks-Wit-Russische cineast Dennis Black Magic. Daarna ging het echter stijl bergaf met hem. Blijkbaar zat de advocatuur ook hem in het bloed, als een genetisch defect. Hij wijdde zich volledig aan zijn studies en toen hij uiteindelijk summa cum laude afstudeerde als Master of Arts in de Rechten was dit meteen het laatste cumshot van deze eens zo veelbelovende artiest. Pieter Van der Schoot Afbeelding: Salim Virji, CC BY-SA 2.0 https://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.0, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
38 1

Bestemming nul

Buiten liggen ze op een hoopje. De mirakels en de wonderen. Samengeharkt. Als hooi van rare grassen en ze komen overgewaaid. Pluisjes kunnen vliegen. Eerst nog op de pelouse van een gazonzot en daarna met wat wind tot hier geraakt. Pluimen, dons van kuikens. Zomaar denk ik, iemand heeft er een dozijn gered uit dat miljoen. Het is een kot van veel beton en ziek plastiek. Daarin gingen ze even leven. Daar konden ze dansen. Drie stappen. Met de rechterpoot rondom de linker en ze keken met hun lege ogen naar de lampen voor gebroed. Ik weet het niet meer. Niet goed noch amper. Gelukkig zijn ze weggeraakt, die paar kiekentjes weg uit dat paviljoen, vol van gekakel, kippenkak en wondergroei. We moeten hier weg. Wij met zijn allen. Het pluimvee, mens en ieder dier dat zich nog redden kan. Genoeg. Dat hebben wij ervan, van al die knoeierij en dat gezooi met al wat leeft. Ja. We gaan op reis. We willen voort. De ark is langer dan weleer omdat er zo veel beesten zijn, bedreigd, misvormd, geklooid wordt gretig met het zijn. Het zwijn is dikker, rozer, malser dan voorheen. Alleen de koekoek weet van niets, hem laat het koud. Hij is zijn kindjes kwijt. Hij zingt maar vrolijk over koetjes, koekjes, weet-ik-veel en het is helemaal echt tijd. We moeten gaan. Ik heb hem net gebeld. Ricky is zijn naam. Hij is mijn vriend die altijd doolt, die ooit nog in een bolster leefde, maar voorgoed de aftocht koos, het weg-van-hier, het laat-het-zijn. Alleen, het is nu zo en iedereen, zo lijkt het toch, is nu de richting kwijt. De ark, hij slalomt tussen alle wrakken, want de zee ligt vol met grut, met hun plastiek. De rotzooi drijft waar het niet zinken kan. Ricky zegt dat alleman vertrekken kan. Met TUI. Mee met Tante Tutti Frutti welgevormd, ze is gehouwen, mals gesneden uit het Heuvelland. Ze wil haar boezem laten bruinen voor de bleke jongens die aan warme tepels willen zuigen. Gij zot! Daar wil ik niet heen. Ik voel me eenzaam tussen borsten die mijn tong niet kunnen lezen en ik heb gekozen, voor een tocht, geblinddoekt omdat deze wereld veel te lelijk is. Ik zal me laten leiden door de wind. Bij geuren van de eenzaamheid. Een bloem die mij niet kent. Die stilte van een droog kadaver. Overal waar rust verschuilt zit in het struikgewas. Daar kan ik even halt houden. Niet lang. Ik heb immers beloofd. Het is aan Ricky, aan de kronkels in zijn hoofd, dat ik heb toegezegd, alles mee te brengen. Zachte pluimen voor een harde nacht. Koekoeksbout met saus van stoute dromen en verzwegen wensen. Kaartjes ook, van Tante Tutti Frutti, naakte foto's van een schijntoneel, een tijdschrift over wielen, die traagheid en alles doodrijden wat zich in deze wereld waagt. Het is dat handjevol, die boel, die menschheid met zijn mal gedoe en Ricky denkt. Ik weet het. Laat het maar! Hij blijft het liefst ver weg. Hij is. Hij wil. Alleen op reis, van niets naar nul.     uit de reeks 'Reizen met Ricky'

Bernd Vanderbilt
4 0

De goddeloze hut in de hemel

Het is donderdag, de voorlaatste ski-dag. Mijn dochter van 12 wil nog één piste doen, maar haar broer en vader hebben geen zin meer. Ze kijkt in mijn richting en vraagt of ze samen met de jongens die ze enkele jaren geleden op diezelfde berg leerde kennen nog één piste mag doen. Hun ouders gaan ook mee zegt ze. Ik zie mijn kans eindelijk een half uurtje voor mij en mijn herder daarboven te hebben, dus zeg ik dat het goed is en dat ik ook meega. We springen alle zes op de zetellift. Het begint harder te sneeuwen. Boven aangekomen willen de jongens met hun ouders zo snel mogelijk naar beneden omdat het te hard waait en de sneeuwvlokken daardoor in het gezicht prikken, maar in plaats van alles goed dicht te snoeren klik ik mijn latten los. De mama van de jongens kijkt me aan en vraagt of ik hier blijf. Ja zeg ik, ik ga even mijn vriend bezoeken, de herder die ik al 27 jaar lang ken en bijna jaarlijks bezoek. Ze kijkt me bedenkelijk aan terwijl ik mijn dochter zeg dat ze goed bij de jongens en hun ouders moet blijven en beneden aan haar papa moet zeggen dat ik wel op tijd zal zijn voor de laatste dal-afvaart. Ze reageert enthousiast op deze verworven vrijheid en verantwoordelijkheid, maar toch draai ik me om met gemengde gevoelens: die van een slechte moeder en een vrijgevochten zestienjarige. In vijf stappen ben ik bij hut van de liftbediende, mijn herder. Nog voor ik de klink kan vastnemen zwaait hij de deur al open en verwelkomt mij met zijn Tirools accent waar ik destijds meteen verliefd op was. Hij schuift een bureaustoel naar me toe en gaat zelf ook weer zitten. Zijn ogen stralen en hij lacht zijn mooie witte rechte tanden bloot. Een warm gevoel gaat door mijn buik. Verdorie wat ziet hij er goed uit na al die jaren. Waar blootstelling aan teveel hoogtezon normaal verouderd lijkt het hem jaar na jaar te verjongen, terwijl mijn tekort aan slaap en teveel aan zorgen duidelijk sporen heeft nagelaten in mijn gezicht. Maar het maakt eigenlijk niet uit, want hij ziet nog steeds dat zestienjarig meisje, dat voelde ik enkele dagen geleden ook al op de eerste ski-dag na drie jaar corona. De hut is uit glas en staal gebouwd, wat heel anders aanvoelt als de houten hut waar we 27 jaar geleden zoveel uren hadden doorgebracht. Zijn GSM heeft de telefoon met opwindhendel en tuithoorn vervangen. Hij bezit ook geen eigen sneeuwscooter meer waarmee hij mij in duizelingwekkende snelheid de berg op kan brengen om me daar helemaal de adem te benemen met zijn vurige zoenen alvorens weer naar de hut af te dalen. Voor de rest lijkt er niet veel veranderd. Er ligt een catalogus van landbouwmaterialen, er hangt een klok en een kruisbeeld aan de muur en hij zit in een warme blauwe jas ingeduffeld vanonder zijn petje naar mij te kijken. Ik zet mijn rode ski-jas open omdat de warmte uit mijn buik naar mijn wangen stijgt. Zijn blik volgt mijn vingers en hij lacht omdat ik het heb opgemerkt en schuift dichterbij met zijn stoel op wieltjes. Ik zucht en lach terug, gooi mijn hoofd in mijn nek en draai eens rond op mijn wieltjes. Ik ben echt weer zestien. We hebben een half uur zeg ik, niet veel maar na elkaar drie jaar niet gezien te hebben ben ik blij met elke minuut. We praten, lachen en kijken. Intussen schuiven zetel voor zetel voorbij het grote raam achter zijn bureau met groene, rode en gele knoppen, hendeltjes en tellers die hij maar half in de gaten houdt. De meeste zetels zijn leeg, hier en daar een tweetal mensen die zich ondanks het slechte weer toch nog de berg op wagen en die door de laatste schok van de lift stuntelend in de diepsneeuw worden gedropt. Het lijkt alsof we onzichtbaar zijn en controle hebben over de hele berg en onderliggende vallei vanuit onze goddeloze stuurhut. Even voelt het zoals in die zomer toen we samen in de herdershut waren, totaal afgesneden van de bewoonde wereld, allebei jong, onwetend en een beetje vluchtend voor de toekomst. Wat heb ik dit gevoel gemist, de tijd die wordt stil gezet, dromen en realiteit die zich met elkaar verweven, alleen nog gisteren en vandaag, maar geen morgen. In die hut lukt het verdwijnen in de tijd zonder enige moeite, thuis moet ik me daar eerst ladderzat voor drinken en dan met een kater op het warm verlaten strand gaan liggen. Ik zucht van geluk. Hij probeert me te overhalen om te wachten tot het hele gebied sluit en dat hij me wel zal afzetten, maar zelfs mijn vrijgevochten zestienjarige had al verantwoordelijkheidsgevoel en dat schreeuwde meestal net op tijd, soms iets te laat boven het tijdloze uit. Mijn blik valt op de lege piste, de dichte mist, de sneeuw en hevige wind en even overvalt me weer de paniek van mijn onbezonnenheden die me in het verleden bijna het leven kostten. Maar de herder liet me al eerder angsten overwinnen. Ik neem afscheid, krijg heel moeizaam mijn latten aan doordat er teveel sneeuw is gevallen, maar dan suis ik door de lucht en giert de adrenaline door mijn lijf. De laatste skiër, veertigplusser en moeder van twee kinderen die even terug zestien wou zijn. Af en toe moeten we ons hoofd eens leeg maken, morgen vergeten, ons hart volgen en vertrouwen dat alles goed komt.

Fien SB
57 2
Tip

Hoe Pile je Slush?

Mijn fantastische manuscript is af. Al enige tijd, en wat doet de trotse schrijver? De hele wereld zit op je te wachten, en je wilt je briljantie niet voor jezelf houden, dat zou egoïstisch zijn. Dus, hup! Naar de (zorgvuldig uitgekozen) uitgever.    Ik ben niet in het bezit van reeds gepubliceerde schrijfsels en ken geen vrienden, kennissen of andere via-via personen in de uitgeefwereld, dit betekent één ding: met een elegante zwaai, gooi ik mijn tekst op de Slush Pile.   En daarmee begon mijn probleem: waar komt mijn manuscript terecht? En hoe? Ik kan helemaal niets met de term “Slush Pile”. Komt mijn kleinood ‘op’, ‘tussen’ of ‘onder’ de Slush Pile?   Of is elk manuscript een onlosmakelijk onderdeel van de Slush Pile en niet apart van die Pile te benoemen? Zo’n Pile met aanwas en afvallers is een soort zichzelf continu vernieuwend organisme dat schrijfsels eet, half verteert en afwijzingen uitpoept. En héél af en toe borrelt een boertje omhoog, als een verhaal mogelijkheden tot publicatie biedt.   Natuurlijk wed ik niet op één paard en ligt mijn manuscript nu op meerdere Slush Piles, Slushen Pile of stapels Slush Pile, of wellicht Slush(t/ed) het op meerdere plekken Pile.   Of als de Pile al uit meerdere manuscripten bestaat, is meervoud onzin? Zelfs als deze zich toevallig op verschillende fysieke locaties bevinden? Het ligt op de abstractie die “Slush Pile” wordt genoemd.     Je zou zeggen: elke uitgever één pile, da’s logisch, maar uitgevers besteden lezen uit aan stagiaires en freelance beoordelaars die niet allemaal op dezelfde plek werken, dit geeft meerdere Pilen Slush per uitgever. Of ligt mijn trotse, aanstaande publicatie meerdere keren op de overkoepelende abstracte Slush Pile?    U begrijpt het: dikke stress en slapeloze nachten bij MCH de schrijver. En hoe zou mijn manuscript, als voortbrengsel van mijn geest een deel van mijzelf, zich hieronder voelen: tussen alle andere Slush gepilden? Zo stilletjes en alleen in de grote, anonieme massa?   Gelukkig heb ik de eerste afwijzing binnen, dat is een zorg minder. Dat manuscript heeft rust en is ontslushpiled of slushontpiled of ontpiled van de slush.    Ofzo.   Snel uitkijken naar de andere afwijzingen, kan ik eindelijk rustig slapen.

MCH
108 1

De regen valt altijd ergens

Een man laat zich met een zucht op de zetel tegenover die van mij zakken. Een obese zestiger die puft als was hij de locomotief die straks alle wagons opnieuw in beweging moet krijgen. Wellicht heeft hij gelopen om de trein te halen. En dat terwijl het buiten drukkend warm is. Er hangt onweer in de lucht. Snakkend naar adem staart hij me aan met ogen die doen denken aan een waterige soep waarin vet drijft. Zijn borstkast gaat wild op en neer terwijl zijn gelaat van rood naar vagaal wit verkleurt. Er parelt zweet op zijn voorhoofd. Ik vind het gênant, dit schouwspel, wend me af en vergis me, zoals ik me al vaak vergist heb. Ik denk dat we ons in beweging zetten, maar het is de trein op het andere spoor die vertrekt. Wij staan nog steeds stil. Ik staar naar het perron aan de overzijde. Daar is enkel een jonge vrouw achtergebleven die op een harde bank een lijvig boek leest. Ze heeft haar benen, waarop het boek rust, over elkaar geslagen en buigt licht voorover, waardoor een weerbarstige haarlok steeds weer voor haar ogen valt. Het is echter vooral het spleetje tussen haar borsten, zichtbaar doordat ze een laag uitgesneden jurkje draagt, dat mijn aandacht trekt. Spiedend naar haar, met het gehijg van de man in mijn oren, dienen in mijn hoofd zich reeds de eerste beelden van een ordinair stationsromannetje aan. Dan weerklinkt verderop een schril fluitje en een paar seconden later trekt onze trein zich traag op gang.   De ademhaling van de man is rustiger geworden. Ik blik nog steeds naar buiten, naar het landschap dat nu snel voorbijflitst, maar zie in de weerspiegeling van de ruit hoe hij met een zakdoek het zweet van zijn gelaat veegt en tegelijk zijn ogen op mij gericht houdt. Ik voel aan mijn theewater dat hij aast op een praatje. Ik blijf halsstarrig naar de donkere wolken turen en schrijf noest verder aan mijn stationsromannetje, waarin niet deze pafferige kerel maar de lezende vrouw van daarnet tegenover mij heeft plaatsgenomen. Ze is nog steeds verdiept in haar boek. Ik wacht geduldig tot ze opkijkt om oogcontact te maken en haar aan te spreken. Wat zal ik zeggen? Met welke woorden kan ik haar prikkelen zonder irritatie of weerstand op te wekken? De man kan niet langer wachten. Hij schraapt zijn keel en zomaar vanuit het niets deelt hij me mee dat het verschil tussen rouw en depressie is, dat bij rouw de buitenwereld leeg is geworden en bij depressie de binnenwereld. En dat bij hem wel eens van beide tegelijk sprake zou kunnen zijn. Dat kan tellen als opener. Ik wend mijn blik af van de wolken en frons mijn wenkbrauwen terwijl ik hem recht in de ogen kijk. ‘Zo?’ zeg ik. Nu wendt hij zich af en lijkt in gedachten te verzinken. Ik wacht. Wanneer hij weer opkijkt, zegt hij: ‘Mijn vrouw is exact twee jaar, drie maanden, één week en vijf dagen geleden gestorven.’ ‘Dat is bijzonder precies,’ zeg ik. ‘Het is alsof het gisteren was,’ zegt hij. ‘Ze had kanker. Uitgezaaid. Dat wil je niet meemaken. De dokters konden niets meer voor haar doen.’ Hij staart opnieuw naar buiten en zijn ogen lijken plots evenveel water te bevatten als de wolken die aan ons voorbij trekken. ‘Wanneer ik het moeilijk krijg, neem ik de trein.’ Zijn stem klinkt gebroken. Het druppelt buiten en binnen. De trein raast er onverschillig doorheen. ‘Vandaag ga ik naar Namen.’ Ik knik. ‘Mijn vrouw bracht daar ooit een nacht door met een vriend van mij. Dat las ik pas na haar dood in haar dagboek.’ Ook dat nog, denk ik. ‘Veel woorden heeft ze er niet aan gewijd, maar het is duidelijk wat er in die hotelkamer gebeurd is. Kun je mij vergeven? zo besluit ze die passage, alsof ze zich rechtstreeks tot mij richt. Maar ze heeft me er nooit iets van verteld.’ Het druppelen is in snikken overgegaan. Buiten striemt de regen genadeloos tegen de ramen. Ik vraag me af of hij er nadien nog met die vriend over sprak, zichzelf nog meer gekweld heeft, maar zegt niets. ‘Het lijkt nu allemaal zo futiel. Natuurlijk vergeef ik het haar,’ zegt hij grootmoedig. Voor het eerst verschijnt er een glimlach op zijn gelaat, maar buiten wordt het enkel donkerder. Geen zon die door de wolken breekt of enig ander cliché om zijn pijn te ontkrachten. Wel zorgt het duister bij dag ervoor dat de sfeer in de coupé nog intiemer wordt. Ik vraag de man of hij haar ook zo makkelijk vergeven zou hebben indien haar ontrouw al bij leven aan het licht was gekomen. Hij fronst zijn wenkbrauwen, schudt zijn hoofd en zegt het niet te weten: ‘Dat is anders natuurlijk.’ Ja, dat is anders. De doden hebben geen weerwoord. Hun levens zijn als herbruikbare flessen, eindeloos hervulbaar met telkens weer andere gedachten en motieven. Ook je verleden raak je kwijt wanneer je sterft. Het behoort niet langer aan jezelf toe. Hij verzinkt weer in gedachten en ik denk terug aan de vrouw op het perron, aan de smalle schaduw tussen haar borsten, de weerbarstige haarlok, haar gekruiste benen. Stations, onbekende bestemmingen, vreemde  steden, nieuwe gezichten, andere lijven, niet vertrouwde maar toch verleidelijke geuren, ze scherpen onze zintuigen, wekken ons verlangen, brengen onze verbeelding op gang en bieden zo de ideale voedingsbodem voor ontrouw. Hoe zou het zijn? Telkens weer die vraag? Het onbekende trekt aan ons als een afgrond. De man recht zijn hoofd en rug. ‘Ik ben haar zelf nooit ontrouw geweest,’ zegt hij, ‘nooit! Misschien heb ik daar nu wel spijt van. Het getuigt van zo weinig zin voor initiatief.’ Hij lacht weer. Het is een droevige lach, als van een kind dat een ballon oplaat en tegelijk beseft die nu voorgoed kwijt te zijn. ‘Ach, ik was best gelukkig met haar, dat is het niet…’ Hij maakt zijn zin niet af. ‘En je weet het natuurlijk nooit zeker, maar ik denk dat zij het ook was met mij. Ze is in elk geval bij mij gebleven, terwijl ze toch ook andere mogelijkheden had.’ De regen is opgehouden met striemen, maar de wolken hangen nog zwaar als gevulde uiers in de lucht. ‘Misschien was ze wat depressief en vulde ze die leegte met een andere man?’ Ik knik, als wil ik zeggen: ja, zou best kunnen. ‘Nadien kon ze weer verder.’    

Michel
10 2

Akkefrietjes

  De koeien kennen het. Dat groen met zijn gradaties. Het goud van boterbloemen dat de tong zo heerlijk prikkelt en er zijn ginds in de stroom felrode forellen die het durven, die sneller groeien dan tomaten. Heb bovenal veel leefplezier! Kom eens langs bij Alfred! Hij heeft een frietkot. Daar aan de rand. Bij het bos. Zijn tijdelijk bestaan, zijn job, het is op minder, helemaal op niets, een akkefietje uitgedraaid. Ingace heeft geprobeerd. Te leven. Te bestaan en vóór zijn opname heeft hij nog gewerkt. Bij Doe-Het-Zelf Noël De Beule. De tank van een zitmaaier volgezeikt, want die dingen zijn vreselijk. Ze boren gaten in je brein. Maken kabaal en geluid. Geen uil die het verdraagt. Het frietkot is nu nog niet afgebrand. Je kan er alsnog komen. Frikandellen, meisjesbillen die wat warmte, die kroketten willen, zo krokant als zand tussen de tanden van een zeemeermin. Weet je wat het is. Ik mis je. Ook dat leefplezier, mijn schat. Als de rug van de wellust zich krult, dan weet ik het. Ik heb te veel gegeten. Slang met schubben. Het kan ook zijn dat liefde weer meandert en verandert naargelang de maan haar ziel laat zien. Bestel nog iets, mijn liefde, want ik wil het voelen. Straks. Dan loeien de sirenes, raden we de oplossing en groeien er weer dromen in mijn linkernier. Mi amor, ik ben te zot. Ik heb het verteld. Aan alleman. Ook aan Ignace. Dat werelden vergaan, nog sneller dan de kleuren, dan de vleugels van een vlinder die geen water vond. Mijn keel is droog en als ik traag vooroverbuig, terugdenk aan de bodem van die frietketel. Ja. Daar leeft het zwarte gruis. Laat ons nog eens samenkomen. Wij. Met zijn allen. De onderkant, onbemind gespuis, het uitschot van de zwarte stad. Ignace Somers, bijgenaamd 'de kameraad'. Op welgezinde dagen kon hij nog verdoken leven aan de rand. Nu is het tijd gekeerd, de maan is leeg, het laatste bloed dat in de tenen leeft, het wordt gebruikt voor voetsporen, twee lauwe stapjes richting ondergang. Ze loeien nog een keer, de koeien, de sirenes. In zijn eerste afscheidsbrief stond dat Ignace zijn have en goed wilde schenken aan een gek uit Niemendal, aan een bevertje uit Wezembeek. Alfred lacht. Hij is doorgaans zacht en bezadigd. En toch. Hij durft wel eens een kikker levend in de olie laten zakken. Voor die billen. Voor wie ze wilt en alle meisjes eten vandaag met hun lange nagels korte frietjes. Echt. Ik zie het en ik zit. Hier. Op mijn vaste plaats en straks, dan komt hij weer. Ignace. Diens eenzaamheid leeft in de wolken. Toe te dekken is de dag met een hemel, grijs gewelf en straks, als het alweder regent, Madelief, mijn Zonnestraal, dan zal ik denken aan die keer, toen onschuld van mij hield.     uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'

Bernd Vanderbilt
23 1

De Wijnproever

De MRI-scanner gaf mij langzaam weer vrij. Het zachte gezoem van de uitschuivende ligtafel stond in schril contrast met het agressieve gehamer en geklop van zonet. Een rilling ging over mijn blote rug toen ik mij naar mijn kleedhokje begaf in het ridicule lichtblauwe schortje dat enkel de voorzijde van mijn bovenlichaam en benen bedekte. Licht verontrust, mijn kont in een kleurige onderbroek richting verpleger, hoopte ik dat de neuroloog mij goed nieuws zou brengen.“Goed nieuws, mijnheer, ik heb geen slecht nieuws voor u,” zei hij met een gevoel voor humor dat ik niet met hem deelde. “Er valt absoluut niets te zien op de scan. Ik vrees dat u er zult moeten mee leren leven.” De neus: donkere rode vruchten, pruim, sigaar. Veelbelovend. Slok één. Mijn mond vult zich met de fluweelzachte wijn. Rode vruchten overheersen, enigszins verwacht. “De oorlog in Oekraïne is zijn tweede dag ingegaan, ” zegt de nieuwslezer. Die in mijn hoofd zijn dertigste dag, schat ik. Het is een hel geweest tot nu toe, een hel van slokken en spugen. Ik neem mijn spuugbak en spuug mijn mond leeg. Mijn ‘crachoir’ wil ik die spuugbak niet meer noemen. Er hangt te veel verfijning aan die term. Slok twee. Aangename tannines. Dit is een wijn met potentieel. Niet te zwaar. Bij een lekker stukje kalfsvlees zou hij niet misstaan. Terwijl Poetin mij aankijkt, ledig ik mijn mond in mijn nieuwe recipiënt. Nooit heb ik gedacht zo’n ding te moeten kopen. Een glas of zes wijn op ’t gemak op een lange avond, waar is de tijd? Slok drie. Ik proef cake! Licht aangebrande cake en een duidelijke toets vanille. We zitten in de Donbas ondertussen. ’t Werkt op mijn zenuwen. Ik wil rust in Europa en rust in mijn hoofd. Hoelang blijft dit allemaal duren? Vorige week achtenzeventig slokken. Hoeveel vanavond? Ik spuug schuim van rode wijn. Slok vier. Zelenski spreekt mij aan. De binnenkant van mijn lippen voelen aan als ribfluweel. Ik beeld me in dat mijn spuugbak Poetins gezicht is. Slok vijf. Ik voel dat ik baldadig word. Ik kom in opstand tegen zoveel onrecht. Een vluchtend gezin zonder vader probeert nog op een wegrijdende trein te springen. Ben ik nu werkelijk mijn mond aan het spoelen met wijn? Ik volhard tot slok dertien. Mijn glas is leeg. Ik geef niet op. Bij mijn tweede glas neem ik grote slokken, telkens een mond vol. Er kan geen lucht meer bij. Ik proef niets meer, en moet mijn lippen met bolle wangen stevig op elkaar houden. Ik braak mijn mond leeg en ben gedegouteerd. Nu proef ik enkel nog tannines en bitterheid. Het was een zeer gezellige avond met veel openhartige gesprekken van meet af aan. De sfeer was onmiddellijk amicaal, warm, verwelkomend. We waren blij elkaar terug te zien bij een smakelijke maaltijd, goeie muziek en lekkere wijn. Veel lekkere wijn. Eerder dan de tongen los te maken, had de wijn ze bij sommigen oncontroleerbaar gemaakt, werkelijk fysiek oncontroleerbaar. Het gelispel en gekwijl was op een bepaald moment niet om aan te zien. Gezichten en ogen trokken bij elke bijkomende promille schever en schever. Ik zie niet waarom ik een uitzondering zou geweest zijn op deze regel maar het feit dat ik deze observatie nog kon maken na zowat anderhalve fles wijn gaf mij hoop dat ik aan deze wetmatigheid zou ontspringen.Ook zat, blijf ik een controlefreak, blijf ik op mijn hoede. Natuurlijk, op een bepaald moment verlies zelfs ik de controle, maar nooit is dan nog iemand in staat er mij op te wijzen. Het is meestal de volgende ochtend die er mij op attent maakt. Beklag is er dan nooit. De gevolgen draag ik graag, nagenietend van zoveel transgressie.Het moet ongeveer het tiende glas wijn van de avond geweest zijn toen mijn leven een andere wending nam. Ik herinner het mij nog goed: het was een rode Biblia Chora, een Griekse wijn die mij best beviel. Ik proestte het uit, over mijn vrouw, de zetel, het vloerkleed. Een wijndonkere zee was het, een wijndonker moment ook.“Beer, toch,” zei mijn vrouw lallend, niet meer in staat om boos of verontwaardigd te zijn, ”je zo verslikken!” Alle scheve bekken lachten zich te pletter. Het was niet om aan te zien. Ik wist zeer goed dat ik mij niet had verslikt. “Sorry,” stamelde ik, mij zorgen makend om wat net gebeurd was. Ik nam een slok van de spafles die op de salontafel stond. Dit leek mijn vermoeden te bevestigen. Ik nam opnieuw, discreet, een slokje van de wijn. Zo gauw de wijn mijn tong raakte, voelde ik hoe mijn keel werd afgesloten. “Help!” dacht ik, “Ik kan geen wijn meer drinken!” Helemaal geen wijn meer drinken zou teveel hebben opgevallen, dus liet ik de rest van de avond telkens discreet mijn kleine slokjes wijn weer mijn glas in lopen.Zo verging het mij ook de volgende dagen. Thuis stond er altijd wel een fles wijn open. Telkens ik een glas wilde drinken, moest de wijn mijn lippen nog maar raken, of mijn keel werd dichtgesnoerd. Ik besloot mijn huisarts te raadplegen voor deze toch wel levensvreugdebedreigende aandoening.“David, daar is iets bijzonders aan de hand. Ik zal je doorverwijzen naar een neuroloog.”  Zo gebeurde het dat ik na jaren een fervent wijndrinker te zijn geweest, gedwongen werd wijnproever te zijn.   Photo by Christian Bowen on Unsplash

Deef
6 0