Lezen

Gesprek Vader - Zoon zaliger

Het Bankje   Gesprek Vader – Zoon zaliger   Z:        Moe, papa? V:        Nee, jongen, 5 kilometers wandelen kan nog best als je 54 bent. Z:        Omdat je zo neerplofte op het bankje… V:        Dat kwam omdat het bankje lager was dan ik had ingeschat. Z:        Pijn nu aan je poep, zeker? V:        Nee nee, die poep kan wel wat hebben als je 54 bent. Maak je maar geen zorgen. Z:        Wij maken ons hier nooit zorgen, papa…   Z:         Ging mama niet mee wandelen? V:        Nee, ze wandelt niet graag. Z:        Heb ik haar toen in de stad misschien de verkeerde wandelschoenen helpen kiezen? V:        Integendeel! Die schoenen zijn heilig voor haar. Z:        Ik begrijp het niet, papa: ze was toch blij met de schoenen die ik voor haar koos? V:        Absoluut, jongen. Mama is liever rustig thuis, alleen... Ze houdt niet van de drukte. Z:        En jij bent liever onder de mensen. Zo is dat altijd wel een beetje geweest, hé papa? V:        Da’s waar, jongen. Z:        Heeft mama dan geen hobby meer? V:        Eén grote hobby heeft ze zeker nog, een nieuwe hobby. Z:        Wat dan wel? V:        Bloemstukjes maken. Ze volgt zelfs les met 3 andere dames, in een klein         bloemenwinkeltje, één avond in de maand. Z:        Ik merk het wel: ik heb nooit zoveel bloemen gekregen…   Z:        Dans je nog veel, papa? V:        Dansen? Ik kan niet dansen… Z:        Alé, papa, dansen verleer je niet, net als fietsen en zwemmen: dat blijf je kunnen!             Op elk feestje stond je toch altijd als eerste op de dansvloer. V:        Da’s waar, jongen… Maar er zijn geen feestjes meer… Z:        Ben je dan gekwetst, papa? V:        Helemaal niet, anders zou ik ook geen 10 kilometers wandelen. Z:        5 kilometers was het, papa! V:        Ik moet ook nog eens terug, dat is nog eens 5 kilometers. Z:        Klopt! 5 plus 5 is nog altijd 10. Dat is hier ook zo… Maar nu weet ik nog niet waarom je niet meer kan dansen. Fysiek ben je in orde? V:        Mijn lichaam zou het nog kunnen… mijn hoofd kan het niet meer, jongen… Z:        Ik begrijp het niet, papa. V:        Niet erg, jongen.   Z:        Loop je nog steeds 3 keer in de week? V:        Nee, 3 keer per jaar, van de oprit naar de deur… als het hard regent. Z:        Dat is niet joggen, hé. V:        Da’s waar, jongen. Z:        Te oud geworden, papa? V:        Nee nee, mijn hoofd kan het niet meer… Z:        Weer je hoofd, papa! Ik begrijp het niet… V:        Niet erg, jongen.     Z:        Is daar bij u nu veel koude wind, papa? V:        Nee, waarom? Z:        Omdat ik bij jou een traantje naar beneden zie rollen. V:        Oh ja? Het was er maar ééntje, hoor. Z:        Maar het was wel een traan, hé papa! V:        Dat was er nog eentje van gisteren toen ik me prikte onder mijn nagel met die stomme tandenstoker. Z:        Het was een traan van nu, papa! Waarom?... Papa, waarom die traan? V:        …Ik zie ginds een fiere vader lopen naast zijn grote zoon… Z:        Ik begrijp het, papa…   V:         Zie je bompa veel? Z:        Elke dag! Hij is mijn beste maat hier. Hij vertelt veel over je… V:        Hoezo? Wat zegt hij dan? Z:        Bompa vertelt me alles over jou tienerjaren. Alle verhalen ken ik al… V:        Oei oei! Z:        …Je lijkt op mij, papa… V:        … Dat ontroert me… Z:        Ik zie het… V:        Hoezo? Z:        Meerdere tranen van gisteren, papa. V:        …Zotteke! Z:        Als bompa en ik naast mekaar wandelen, dan zegt hij altijd: “Er ontbreekt iemand tussen ons.” V:        Dat begrijp ik niet, jongen. Z:        Alé, papa, wie hoort er tussen bompa en mij? V:        Ik? Z:        Tuurlijk dat!... Dan troost ik bompa altijd en zeg hem: “Straks komt hij.” V:        Straks al? Z:        Zo zeggen wij dat hier: 25 jaar is “straks”, tijd telt hier niet… V:        Als ik dan kom, jongen, moet ik dan aanbellen? Z:        Hier is geen bel, papa. V:        Ga ik jou daar dan wel vinden? Z:        Ik wacht jou op aan de ingang! En ik breng bompa mee. V:        Dan kom ik straks… Z:        Tot straks, papa! V:        Tot straks, lieve jongen…

Johaneke
28 3

Beethovens laatste avond

‘Elise’ raspte ik de stilte in die stilte bleef. En duisternis. Ik voelde haar naam tegen mijn stembanden schuren. Ze kwam niet. Ze sliep vast. De slaap der rechtvaardigen. Mijn Elise. Zo vaak had de stem van mijn geweten door mijn hoofd gegalmd. Zo luid dat ik er stil van werd. ‘Elisemijn’ probeerde ik, al wat zoeter. Mijn duisternis bleef stil. Ik sliep vast nog. Ik knipperde met mijn ogen. Mijn handen tastten langs het zijden onderlaken, het hout van mijn doodsbed. Koud voelden mijn handen aan mijn gesloten ogen. ‘Elise, waar ben je?’ riep ik, en knipperde met mijn gesloten ogen. Elisemijn. Geheim. Je lippen. Weet je nog? Mijn duisternis is eeuwig stil. Mijn duisternis is eeuwig. Ik voel hoe handen mijn lichaam optillen. Daar is het licht. En het nieuwe duister. Mijn handen links en rechts van mij. Mijn vingers voelen eik. Spijkers hameren mijn middenoor in. Weet je nog? Ik voel hoe ik in het duister val. Dit moet het zijn. De laatste duik. Weet je nog? Elisemijn, Elisemin. Het zout op je lippen. Ik voel het water. Ik voel de stenen. Ik voel steeds dieper. Dieper het duister in. Als ik sterf wil ik een walvis worden. Een blauwe vinvis. ‘Wil je dat voor me doen, Elise?’ Je lippen die stil ‘ja’ voor me lipten. Mijn geheim. Als ik sterf wil ik een walvis zijn. Leid jij me dan rond? In jouw onderzeese pracht. Ik voel het water rond mijn armen. Mijn mond. Ik knipper met mijn ogen. Het zout prikt. Mijn armen komen los. Met een krachtige slag van mijn staart ben ik vrij. ‘Oeehhhhhw’ brul ik het diepe blauw in. Het duister is eeuwig, mijn stilte voorbij. Elise, luister naar mijn lied.

Frederik Tilbe
0 0

Deutsche Gründlichkeit

Konnichiwa. En arigato. Dat is goeiendag en merci. Tot zover reikte mijn kennis van de Japanse taal na vier dagen Tokio. Op zich niet zo’n probleem. De meeste restaurants hebben van ten minste één gerecht wel een foto, makkelijk kiezen trouwens als het bij eentje stopt, en bij eetkraampjes kon ik gewoon aanwijzen wat ik wilde. Weten wat ik at, was een andere zaak, maar daar had ik me op dag één gelukkig al overheen gezet. Ook in de metro kon ik me prima behelpen met de kleuren van de metrolijnen en de nummers van de stops. De hele Japanse romans op de infoborden in de stations en onderweg miste ik wel volledig, maar aangezien ik iedere keer aankwam waar ik heen wilde, ga ik er vanuit dat die info niet essentieel was. Dat was Tokio. Nu ben ik net aangekomen in Kyoto, mijn tweede tussenstop in deze reis. Meteen bij aankomst merk ik dat mijn gebrek aan kennis van het Japans me hier net iets meer parten gaat spelen. Een uitgebreid metronetwerk om me makkelijk te verplaatsen is er niet, en de infoborden die in de hoofdstad nog heel af en toe naar het Engels versprongen, tonen hier halsstarrig alleen maar Japanse tekens. Moeilijk gaat ook, denk ik dan maar, en vol goede moed vertrek ik de volgende ochtend richting Nara voor een bezoek aan enkele imposante tempels. Om nog maar te zwijgen van de 1200 heilige herten die er vrij rondlopen. De metrorit naar het treinstation was geen probleem. Het is te zeggen, ik heb geen idee wat mijn rit had moeten kosten, maar ik heb de gulden middenweg gekozen tussen het goedkoopste en het duurste ticket, en het ticketpoortje leek zich daar in te kunnen vinden. Het poortje content, ik ook content. Maar nu. Nu sta ik op het perron van het station in Rokujizo. Er zijn maar twee sporen, dat is al een meevaller. Maar er valt nergens een letter Engels te bespeuren. Werkelijk géén letter. Wat verderop is een groepje Westerse toeristen samengetroept die aan de verwarde blikken op hun gezichten te zien, ook niets verstaan van de info die op de digitale borden voorbij raast. Me bij dat groepje voegen, lijkt mijn kansen om vandaag in Nara te geraken, niet bepaald te vergroten, dus ik gooi het over een andere boeg. Enkele meters van me vandaan, al wachtend op de trein op perron 1, staat een iets oudere vrouw met wat volgens mij best haar dochter kan zijn. Op goed geluk vraag ik in het Engels aan de dochter of dit het perron voor Nara is. Met een giga smile en hevig knikkend, wijst ze trots naar de brochure in haar handen. Wat er op geschreven staat weet ik niet, maar ik herken wel de hertjes. “We”, wijst de moeder opeens dolenthousiast naar zichzelf en haar dochter, “Nara!”. “Great!”, zeg ik met minstens evenveel enthousiasme. “I’ll just follow you then!”. Aan de uitgebreide Japanse dialoog tussen de twee die daar op volgt, durf ik te concluderen dat ze dat laatste niet helemaal verstaan hebben. Na iets dat mij leek op wat Japans gekibbel, richt de moeder zich opeens terug tot mij. “You here alone?”, vraagt ze met grote ogen. “Yes”, antwoord ik al knikkend. “Waaaauw. My daughter, no out Japan”, schudt ze haar hoofd. “Where you from?” “I’m from Belgium”, zeg ik, toch een beetje trots. Maar dat land doet duidelijk geen belletje rinkelen. Die wereldgoal van Chadli op het wk vorig jaar, heeft hier duidelijk minder indruk nagelaten dan ik gedacht zou hebben… Als ook mijn tweede poging, Brussels, geen succes kent, doet de olijke mama dan zelf maar een voorstel over mijn herkomst. Ik mag kiezen tussen Germany en France. Omdat de Deutsche Gründlichkeit me toch net iets beter ligt dan dat Franse chauvinisme, ga ik maar voor de eerste optie. “Ooooooh wauw”, is het Japanse antwoord op mijn keuze. Ik zal het nooit weten natuurlijk, maar ik gok dat ik met Frankrijk hetzelfde resultaat had geboekt. Haar woorden zijn nog maar net koud, als ik in de verte een trein op spoor 1 zie aankomen. “Nara?” wijs ik voor de zekerheid nog eens naar de naderende trein. “Yes. Yes.”, antwoordt de moeder met nog altijd evenveel enthousiasme. Ze lijkt wel immens trots op het feit dat ik haar heb uitgekozen om info in te winnen. En die trots is helemaal wederzijds wanneer ik eindelijk één van mijn twee Japanse woordjes kan gebruiken. “Arigato”, lach ik hen toe terwijl ik de trein instap en een zitplaats kies. Minuten later, en al helemaal in gedachten bij de heilige herten van Nara, voel ik opeens een hand op mijn schouder tikken. Het is de vrolijke mama die een handvol snoepjes voor mij uit haar handtas heeft gevist. Blij als een kind neem ik ze aan, en daar lijkt ook zij weer heel gelukkig van te worden. Met een smile tot achter mijn oren, en heerlijke snoepjes tussen mijn kiezen, zit ik de 20 minuten durende rit naar Nara uit. En de andere toeristen? Die hebben hun weg naar deze trein uiteindelijk ook gevonden. Zonder snoepjes weliswaar.

ClauTluk
12 0

Curieuze neuzen

Amper een paar minuten na mijn aankomst in Tokio, had ik al een grenzeloos respect voor de Japanners. Alles wat ze doen, gebeurt met een ijzeren discipline: de paspoortcontrole was de vlotste die ik ooit meegemaakt heb, alle roltrappen worden enkel aan de linkerkant bezet zodat de gehaaste medereiziger langs rechts vlot voorbij kan, en bij het wachten op de metro staat iedereen netjes, in één rij, achter de gele lijn. Zelfs in de metro, die spik en span is trouwens, gaat het perfecte verhaaltje verder: in de bochten wordt er door heel de rechtstaande bende synchroon naar links en naar rechts gehangen. Het is een streling voor het oog. Maar terwijl ik mijn ogen verder lustig de kost geef, ervaren mijn oren opeens een hele andere kant van het verhaal. De man in het strakke pak naast me, die heel erg verdiept zit in de Anime game op zijn smartphone, trekt zo hard zijn neus op dat het wel lijkt alsof het snot van enkele weken in enen trek zijn weg vindt naar zijn maag. Zijn slokdarm gaat het voorbijzoeven niet eens gemerkt hebben, zo snel moet het zijn gegaan. En het blijft niet bij die ene keer van die ene Japanner naast me. Het lijkt wel alsof hij een heus snuifconcert doorheen het hele metrostel in gang heeft gezet, waarbij de ene neus nog goorder klinkt dan de andere. En allemaal al hangend boven een smartphoneschermpje waarop lustig gegamed wordt. Gelukkig worden mijn oren, en mijn omgedraaide maag ondertussen ook, enkele minuten later gered dankzij een resem Japanse woorden gevolgd door “Tawaramachi”, het station waar ik eruit moet. Gepakt en gezakt verlaat ik de metro en wandel ik in de richting van mijn hostel. Een straat verwijderd van dat einddoel, wordt mijn aandacht getrokken door een hoop kabaal en flitsende lichten uit iets dat heel veel weg heeft van een lunapark, maar dan zonder de rest van de kermis. Mijn curieuze neus, een exemplaar dat wel nog netjes gesnut wordt, kan het niet laten om hier toch al even binnen te springen. Wat ik hier binnen aantref is ronduit fascinerend. Doldwaze Japanners gaan helemaal los op grijpmachines, arcade games en veel te gesofisticeerde muntenschuivers. Maar dan valt mijn oog op iets anders: de neuzen! Die zijn hier, op een paar uitzonderingen na, allemaal volgepropt met papieren doekjes. Ik begin haast te denken dat heel Japan het zo druk heeft met spelen, dat ze het zich niet kunnen permitteren om hun handen even te laten stoppen om een zakdoek boven te halen. Maar in mijn hostel komt de aap uit de mouw. Nadat ik daar al snuitend mijn beurt afwacht, vertelt de Britse jongedame aan de receptie dat Japanners dat nogal onbeleefd vinden. Hier hoor je je blijkbaar af te zonderen om je neus te snutten, en als dat niet gaat, is het dus doodnormaal om je snot naar hartenlust op te snuiven. Met het schaamrood op de wangen trek ik naar mijn kamer, vastberaden om toch eens wat op te zoeken over de Japanse etiquette voor ik mij opnieuw onder de mensen begeef…

ClauTluk
0 0

De pest of de cholera - een aanklacht

‘Doe open, alstublieft!’ Ik bonkte met mijn vuist op de dikke houten deur. Het scharnier van mijn schouderplaat knarste. Na maanden zonder toernooien raak je vastgeroest. ‘Doe open, alstublieft, of het zal u berouwen!’ Weer bonkte ik met mijn vuist op de dikke eikenhouten deur. Met een behendige zwier trok ik mijn zwaard uit de schede. Trok ik mijn zwaard uit de schede. ‘Barbier, doe godverdomme open of ik hak je in mootjes!’ ‘In mootjes? Zie maar eerst dat je je zwaard uit je schede krijgt, Ludo.’ De stem van de barbier klonk dichtbij. Alsof hij naast me stond. Ik hief mijn hoofd wat op en zag door het kijkdeurtje het dikke, zweterige hoofd van Guido de Barbier. ‘Guido, zowaar ik Ludowijk XII heet, ik zal je belonen!’ Ik hoorde Guido nee schudden, zijn dubbele kinnen wreven over elkaar als twee gepekelde kalfsschenkels bij de beenhouwer. ‘Het mag niet van Prins Jan, Ludo.’ Al vijf maanden geen toernooien meer. Al vijf maanden geen bevallige deernen meer gered uit de klauwen van een draak. Maar het ergste was dat mijn helm sinds een week niet meer paste. Mijn laatste barbierbezoek was vijf maanden geleden. De slierten grijzig haar hingen voor mijn gezicht en blokkeerden mijn zicht door mijn vizier. Mijn baard krulde vervelend op en al met al was ik blij dat ik in deze toestand niet tot een duel werd uitgedaagd, of de orde moest gaan handhaven op het platteland. ‘En als je kan kiezen tussen de pest en de cholera?’ gooide ik al mijn overredingskracht in de strijd. ‘Wat in godesnaam is de cholera? De pest hebben we al, waarom zou ik die cholera ook nog willen? En waarom zou ik jouw haar wel knippen, jouw baard wel mousseren en oliën terwijl ik die van de gekke Tilda al jaren niet knip?’ De hele weg naar Guido had ik argumenten verzonnen, achterpoortjes om de ijzeren wet van koning Jan te omzeilen. ‘Contactambachtslieden en barbiers zullen vanaf heden en voor een periode van minstens neugen moonden geen arbeid verrichten nie.’ ‘Kijk, Guido, ik zet deze bloempot hier op mijn kop, steek jij je hand door het kijkdeurtje, neem mijn dolk en snijd mijn verdomde haar af! Ik ben het beu! En overgiet daarna mijn haar met een aftreksel van vlierbloesem om het die frisse geur en die zachte kleur weer te geven. Ik word grijs en dat is nefast voor mijn levensvreugde. Ik heb er echt de pest in!’ ‘Het is goed, Ludowijk, kom maar.’ Ik zette twee stappen richting de deur met een terracotta bloempot op mijn hoofd. Plots sneed er een blinkend lemmet door de lucht. De hand van Guido gleed bedreven het kijkdeurtje uit. Drie tellen later lag ik bloedend op de grond. Mijn hals in helse pijnen. Piepend ging de deur open. ‘De pest of de cholera... krijg jij de tering maar, Luldowijk’, sneerde Guido en spuwde op mijn zieltogende lichaam.  

Frederik Tilbe
0 0

Duiventil op zes hoog

Ik zag hem voor het eerst in de zomer 2019. Ik lette gedurende de zomermaanden op de kat van de buren van het zesde. Schitterend uitzicht over de skyline van de stad. Vanop hun terras kijk je eerst over een tuin- mijn tuin- 6 verdiepen lager. Drie huizenblokken verder, waar op een van de blokken een imposante graffiti van een masturberende vrouw haastig gespoten werd, kijk je recht op het terras van de hoogste verdieping van zijn appartement. Nou ja, een terras kan je het amper noemen. Een plat dak van de bredere onderbouw bespoten met zwarte teer. Je geraakt enkel op het dak via het raam, een terrasdeur is er niet. En daar zag ik hem dus, omgeven door een hoop duivenkoten die hij op dat dak hoog boven de Brusselse straten had neergepoot. Hij zat, lang uitgestrekt in een veel te smalle houten stoel. Genietend. Nu en dan stond hij op… armen ten hemel tot er een aantal duiven op zijn uitgestrekte armen neerstreken. Uren keek hij naar zijn duiven. En ik keek naar hem. De kat van het zesde keek even op, schatte de afstand tot de duiven te ver, en vlijde zich terug neer. Op sommige dagen keek ik ook naar haar, zijn vrouw. Nu en dan verscheen ze immers op datzelfde terras, in een felgekleurde sari die heerlijk afstak tegen de grijze gevels en tegen haar grijsgeklede man. Hij keek zelden naar zijn vrouw, enkel naar de duiven. Zij zette het water klaar. Hij keek naar de duiven. Zij zette het voeder klaar. Hij keek naar de duiven. Vervolgens zette ze zich neer op een gammele kruk naast de stoel. Zij keken samen naar de duiven, zijn duiven. Deze lente heb ik mijn gras net opnieuw ingezaaid. Duiven eten gulzig van de zaden. Mijn kat, vanop het tuinterras, kijkt naar de duiven en probeert de snelheid in te schatten die ze zou moeten halen. Vanop het tuinterras kijk ik nu ook naar de duiven. Ik hef mijn hoofd, ik zoek naar de man. Maar vanop de begane grond, is het dak van een erker zes hoog uiteraard niet waarneembaar. Ik zie slechts het topje van een haastig gespoten graffitie-vinger. Ik neem vanuit een ooghoek nog een klein gevechtje waar. De kat, mijn kat, heeft haar snelheid goed ingeschat en verorbert smakelijk een duif. Zijn duif?

Sashimi
7 0

Nog meer aantekeningen uit een badkuip

26/7/2021 Scribbelaartje. “De oude Grieken hadden het over het wezen van de dingen, de essentie van het paard, de logos, enz. Hoe ouderwets ook, ik kan me best vinden in dergelijk gedachtengoed. Niet vanuit een of andere rationele overweging – welke overweging is trouwens volledig rationeel? –, maar omdat ik het aldus ervaar. De afstand tussen werkelijkheid en essentie. Zoiets. Zo is het onomstotelijk waar dat een bruid te mager kan zijn, een babyromp te lang, een man te dronken, een gezicht te gedrongen. En hoe dit te verklaren dan door te verwijzen naar een essentie? ‘Maar wat dan met deze aantekening?’ hoor ik u denken. U hebt gelijk, ook deze aantekening overschrijdt de grenzen van haar eigen wezen, laat staan van de betamelijkheid. Dat gaat maar door en door.” En het scribbelaartje maakte er komaf mee, streek languit neer op de bank waar hij, in afwachting van het tijdstip om te gaan slapen, aan niets probeerde te denken, al zeker niet aan het moment waarop hij de dag nadien in zijn Opel Corsa onder een bedrukte lucht naar het gemeentehuis zou rijden, waar zijn aanstaande echtgenote, bruidsboeket in de aanslag, hem met blozen en schreeuwtjes van geforceerd geluk zou opwachten zodat hij eindelijk zou doen wat hij al zo lang had moeten doen. Het bezegelen van het verbond. Hier en nu en tot in de eeuwigheid.   27/7/2021 Ik lig in bed, maar ben al lang wakker, denkend aan een deprimerend boek waarin het hoofdpersonage na 750 pagina’s, geplaagd door allerlei trauma’s, zichzelf van het leven berooft. Ik sta op en hoor mijn dochter roepen dat ze wakker is. Ik vraag aan mijn vrouw of haar kleren voor de eerste dag van het kamp klaarliggen. Tijdens het ontbijt blijft mijn hoofd hangen in de treurige nevelen van de gelezen roman en allerlei existentiële vragen. In de taal van mijn vrouw zegt mijn dochter dat ze niet naar het kamp wil: "Я не хочу ехать в лагерь." Het Russische woord voor kamp is Lager. Je zou voor minder terugdeinzen. Omdat mijn vrouw het spannend vindt, gaan we met z’n vieren. We nemen de tram en moeten de kinderwagen optillen wanneer de roltrap het niet doet. Het afscheid is kort. “Dag, meisje,” zeg ik nog, wanneer ze op het punt staat met de begeleidster door de deur naar binnen te lopen en ze draait zich om en kijkt me beteuterd aan. Ik had niets mogen zeggen. Op de terugweg zet de jongste het op een luid krijsen. Ik wist dat het een vergissing zou zijn om haar mee te nemen en kan het niet laten om verwijten te maken. Mijn vrouw begint te huilen en nog sneller te wandelen dan ze al deed. Ik word boos. Tegen de tijd dat we thuis zijn hervind ik mijn kalmte. Ik haal onze dochter uit de kinderwagen en troost haar. Ik excuseer me. Ook mijn vrouw excuseert zich. Om 10.30u kruipen we weer met z’n drieën onder de lakens. Energie voor een volledige dag opgebruikt.   27/7/2021 Colombia. Echt gebeurd. Voor haar verjaardag gaat een vrouw met enkele vrienden bungeespringen. Ze staan op een brug boven een ravijn. Op een bepaald moment geeft de instructeur het signaal om te springen. De vrouw stort zich in de diepte. Wat blijkt: de vrouw heeft zich vergist, het was haar beurt niet, de instructeur had het tegen iemand anders uit het gezelschap. Dit realiseert ze zich zo’n vijftig meter boven het aardoppervlak, wanneer ze eveneens begrijpt dat ze met touw noch haak is vastgemaakt.   29/7/2021 De oudste ligt in bed en blijft maar huilen en klagen. Ik ga de trap op, doe in de badkamer mijn lenzen uit en raak geïrriteerd door het aanhoudende gejank, straks maakt ze de baby wakker. Ik storm haar kamer in en zet het op een roepen. Ik zie haar beteuterde gezicht met de grote vochtige ogen en heb in één klap spijt van mijn boze reactie. Een kind dat bang is de daver op het lijf jagen, wat een idee. Ik vraag wat er scheelt, oprecht. Zij is nog te jong om uit te leggen. Ik aai haar rug, haar arm, ga naast haar liggen, hopend dat dit soort uitvallen niet in haar geheugen gegrift blijven. We vallen samen in slaap.

Kolja en de kutregen
18 1