Lezen

Een geval van snoesteren

Op oudejaarsdag heb ik de traditie om samen met onze mannen in de namiddag naar het oudste café van het dorp te trekken. We zwaaien daar het afgelopen jaar uit. Zeg maar een evaluatie van het afgelopen jaar, al klinkt dat wat serieus voor de zever die er verteld wordt. Ik herken hem meteen als we de deur van het café opendoen. We zetten ons aan het tafeltje naast hem. “Dag Mark”, zeg ik. Hij kijkt op van zijn krant. Hij moet precies even nadenken maar dan herkent hij me toch. Ook al is het meer dan 20 jaar geleden dat we elkaar hebben gezien. Na zijn studie voor tolk is hij in Brussel gebleven. Hij is een van de vele ‘Marken’ van onze generatie. Samen met de Dirken, de Patricks, de Eriken en de Rudi’s. In elke familie waren ze vertegenwoordigd. Of een Johan, Luc, Bart, Gert, Tom, Geert, Ronny en Peter. Alsof er geen andere namen bestonden. “Ik ben bij mijn ouders voor het weekend”, zegt hij. “Vanavond en morgen vieren we samen nieuwjaar. De kinderen zijn er ook bij. Mijn vrouw is samen met ons ma met het eten bezig. Ik dacht: ik kom even tot hier. Dat is lang geleden.” Het laatste woord kan hij maar amper uitspreken. Hij laat een luide hoest horen, waarbij hij een paar keer naar adem moet happen. Ik moet hem zelfs op zijn rug kloppen. “Gaat het?”, vraag ik. Ik laat hem eerst rustig uithoesten en vraag het dan nog eens. “Jawel, ça va wel. Het is alleen een duidelijk geval van snoesteren.” Ik kijk wat hij voor zich op het tafeltje heeft staan. Maar het is toch een koffie. “Een geval van wat?”, zeg ik. “Je hebt me goed gehoord”, zegt hij. “Een geval van snoesteren. Wacht, ik ga je het allemaal vertellen, maar we gaan eerst iets drinken.” Hij zwaait naar de waardin. “Hebben jullie Guinness stout?” vraagt hij aan de waardin die ondertussen aan zijn tafel staat. Ik waan me even in het boek ‘Lijmen/Het Been’ van Willem Elsschot, waarin Frans Laarmans in het begin ook een Guinness bestelt. Een moment denk ik dat hij het gaat aanvullen met ‘In Dublin gebotteld? Zonder gekheid?’ zoals Frans Laarmans in het boek van Elsschot, maar hij moet het met een andere stout doen. Ze hebben geen Guinness. Ik ben benieuwd naar zijn verhaal. Want verhalen vertellen kon hij vroeger al goed. Hij lulde zich overal uit als hij weer eens een taak niet had afgemaakt. “Het is, zoals ik dus zeg, een geval van snoesteren. Maar ik zal het hele verhaal vertellen”, steekt hij van wal. “Ik heb al een tijdje last van snurken. Alhoewel last. Het is vooral mijn vrouw die er last van heeft. Al word ik er zelf ook ooit van wakker. Dan schrik ik en denk ik dat er iemand in de kamer zit. Maar het was echt geen doen. Ik ging regelmatig in de kamer van onze jongste slapen. Die blijft vaak bij zijn vriendin. Maar ook daar was het niet beter. We moesten de deuren dichthouden en dan ging mijn gesnurk nog overal doorheen. Bijna door de geluidsmuur.” Hierna laat hij een lach en een luide hoest horen. Na een slok van zijn stout gaat hij verder. “Afijn, ik heb dus een afspraak gemaakt met het ziekenhuis. Voor een apneutest. Heb je dat ooit gedaan? Ze hangen je vol draadjes, niet normaal. Ze testen de hele nacht hoe je slaapt en hoe je ademhaalt. Wacht, ik laat je een foto zien.” Hij haalt zijn telefoontoestel uit zijn jas en vindt snel de foto die hij bedoelt. “Hier, moet je kijken”, zegt hij. Het lijkt inderdaad op een afbeelding uit een sciencefictionfilm waarbij een robot op de operatietafel ligt. Je ziet door de draadjes en buisjes amper zijn gezicht. “Maar het is op niets uitgedraaid. Geen sporen van apneu. Dus ik ben dan maar terug naar de huisdokter gegaan. Dat was begin deze week. Hij had al snel een diagnose klaar. ‘Het is duidelijk een geval van snoesteren’, zei hij dus. Ik keek net zoals jij daarnet. ‘Een geval van wat?’, zei ik. ‘Een geval van snoesteren’, herhaalde hij. ‘Dat is een combinatie van snurken, hoesten en snotteren. Snoesteren dus. Wegens die zware bronchitis die je hebt. Daar moet je eerst van af. Dan zal het snurken ook wel minderen.’ “Het is dus geen echt woord?”, vraag ik. “Tja, dat weet ik niet. In de dokterswereld misschien wel. Ofwel zegt hij het zo. Het is nogal een flapuit, die dokter van mij. Ik heb het niet gevraagd. Maar ik heb het thuis wel zo tegen mijn vrouw verteld. Ik kwam binnen en ze vroeg meteen hoe het bij de dokter was. ‘Tja’, zei ik. ‘Ik heb de ziekte van snoesteren.’ ‘Welke ziekte?’ zei ze. ‘De ziekte van wie? Snoesteren?’ “Ik schrok er zelf van toen ze het herhaalde. Door ‘de ziekte van snoesteren’ te zeggen in plaats van ‘een geval val snoesteren’ klinkt het behoorlijk serieus. Mijn vrouw was meteen bezorgd. Ze heeft het ook niet opgezocht op het internet. En het goede nieuws? Sindsdien slaap ik terug in ons bed. Ze verwent me, niet normaal. Gisteren heeft ze een stuk chateaubriand van 500 gram gebakken. Met champignons, frietjes en een flesje rode wijn. Geweldig lekker.” “Dat is zeker niet bevorderlijk voor al dat snoesteren”, zeg ik. Mark moet lachen en laat nog een luide hoest horen.

Rudi Lavreysen
26 1

Eenzaamheid

Het is snikheet, maar ik voel koude rillingen, sta aan de grond genageld, ik verstijf nu ik hem zie. Vijf jaar lang deelden wij lief, leed en bed, maar toen was het voorbij. Zonder boe of bah verdween Bernard met de noorderzon. Ik had er het raden naar wat er fout was gelopen. Gelukkig kregen wij nooit kinderen, wat volgens hem alleen aan mij lag. Hij had geen probleem met zijn voortplantingsorgaan, maar in nakomelingen was hij niet geïnteresseerd. Vermits er geen huwelijk was, moest er ook niet gescheiden worden. De weinige spullen die van hem waren en die hij zondermeer achterliet heb ik door de kringloopwinkel laten ophalen. De huurovereenkomst van het appartement en het gros van de meubels en toestellen kon ik door een bevriend paar laten overnemen. Met twee volle koffers persoonlijke bezittingen trok ik in bij vader die inmiddels weduwnaar was geworden. De ouderlijke woonst was sowieso te ruim voor hem alleen. “Ik vind dat je er dringend  tussenuit moet”, zegt Pa. “Kijk, ik heb voor jouw verjaardag een reisje naar Portugal geboekt. Lissabon, daar hou je toch zo van?” Lissabon, inderdaad, Bernard en ik, hoe dikwijls struinden wij niet door  ‘onze witte stad’. Nu dwaal ik hier moederziel alleen en uitgerekend hem loop ik tegen het lijf. Hij is niet alleen, er loopt een beeldschone vrouw naast hem. Ik schat haar rond de dertig. Aan haar hand loopt een knulletje met pikzwarte haren. Ze stappen op tram 28. Ik weet niet wat mij bezielt, spring op dezelfde tram. Mijn zonnebril en strooien hoed houd ik op, ik wil niet herkend worden. Na de tramrit gaat het naar een brasserie. Ik geneer mij, voel mij als een stalker maar zet mij toch in hun buurt op het terras. Even ben ik afgeleid wanneer de ober mijn bestelling opneemt. Als ik terug hun richting uitkijk is het jongetje verdwenen. Plots staat het joch aan mijn tafel. Ik verstijf een tweede keer vandaag. Hij kijkt mij aan met twee helderblauwe kijkers. Ik herken dit blauw. Die ogen van dit kind, van zijn kind, van hun kind.“Bent u alleen?” vraagt de jongen. “Ik merk aan de tekst op uw tas dat u van Antwerpen komt. Ik spreek een beetje Nederlands.”“Hoe heet jij?”“Pablo, mijn mama heet Bernarda en mijn papa Bernardo, grappig hè?”“Hoe oud ben je?”“Ik ben negen.”De ober is er.De jongen keert terug naar zijn ouders, die druk met elkaar in de weer zijn. “Dag mevrouw. Nog een prettige dag.”“Dag Pablo,... dag lieve Pablo.”Ik moet hier weg, drink mijn koffie en haast mij naar buiten. Aan de uitgang kijk ik nog even achterom. Pablo wijst mij na. Ik verdwijn snel in de menigte. Uit een fadokroeg klinkt de stem van Amália Rodrigues: Triste amor, o amor de alguém, quando outro amor se tem abandonado…Ik ken dit  lied Solidão van buiten: ‘…Trieste liefde, liefde van iemand in de steek gelaten door een andere liefde…’

Vic de Bourg
13 3

Stilstaan leidt tot beweging

Ik wou mijn groot verdriet woorden geven, maar geraakte er niet toe. Het stripte alles van me af: adjectieven, neologismen, gedeelde hobby's, zoals houtskooltekenen of joggen 's avonds laat. Ik stond zelfs op het punt om te schrijven: mijn persoonlijkheid. Maar, neen, die bleef op de valreep overeind. Gelukkig maar. Zo kwam ik een meisje tegen, ze leek te zwieren maar het was over-niet-zo-duidelijk dat ook zij een stilstand had. Eentje die ik met haar deelde en voor altijd bewaren wou. Een stilstand waarvan ik dacht dat jij hem beheerste, maar die je nu bent kwijtgespeeld. Nu moet je met baby pinguïnstapjes leren hoe je jezelf moet verzorgen. Hoewel jullie me zo veel erover hebben geleerd, willen jullie nog steeds ervan weglopen.  Jullie stilstand is wankel, de mijne kent stevigheid. Want, mijn lieveling: ze deed me inzien dat de stilstand in ons allen onmogelijk tot niet-bewegen leidt. De stilstand werkt motiverend. Onjuist- hoewel juist voor mij: inertie zorgt voor menselijke wervelwind.  En dus begon ik me te verplaatsen, te schiften, glippen, kruipen, dansen en draaien. Ik leerde mezelf te leggen in andermans omarming. Zo met je hoofd scheef op iemands schouder. Een beetje ongemakkelijk, maar dankbaar. Dat vooral. Mede dankzij haar - maar in feite dankzij al mijn lievelingen - leerde ik liefde opmerken, van alle kanten, tot in het kleinste detail. Alsof ik niet meer als natuurliefhebber, maar als bioloog een donkergroen bos afdroop. Alsof ik nu voor eeuwig kan schuimen in vriendschap, vol plezier in de bruine kroeg tot 's avonds laat. Alsof ik mijn eenzaamheid nu niet meer weg moet boenen met bruine zeep, omdat ze vanzelf aftakelt en vergaat. Als anti-muze, doe jij me mezelf verdommen en verdekken dat ik enkel schrijven kan als ik schenk. Als een glas dat troebel overloopt naar alle kanten, de tafel af en over mijn schoot. Hoe dan ook: zoals met alle anti-anti-muzen, schrijf ik vooral voor en door haar en al mijn lievelingen, voor mezelf en de wereld tegelijk. Ook nog steeds voor jou.  Zij doet me bewegen en heeft de stilstand vastgezet. Hij trilt al een tijd niet meer en dat is goed zo. Nu jullie nog. Niet weglopen, maar schroeven, verbouwen en ademen. Laten we samen vasthouden door te houden van en niet meer.

Ynys Convents
24 1

Naar huis

Angst is er omdat we niet willen voelen. Ik moet voelen, niet wegredeneren, zegt mama. En praten. I. Mijn uitwisseling zit erop. Op de trein van Londen naar België lees ik een boek over een auteur die op zoek is naar zichzelf. Op een bepaald moment neemt ze een interview af met een invloedrijke vrouwelijke auteur die haar duidelijk een beetje intimideert. De dame is van een andere generatie en vertelt haar dat het ik-perspectief het meest angstaanjagendste is wat er kan zijn. De zin weerklinkt in mijn lichaam. Ik las onlangs in een oud fragment van mijn dagboek dat  angst sijpelt in elke spleet van mijn bestaan.  Ondertussen vind ik het wat overdreven, maar toch. Daarbij staat er nog iets anders in dat boek. Of ja, het staat er niet expliciet in, maar zo lazen we het in onze les moderne literatuur. De auteur, het hoofdpersonage, heeft een soort affaire met een andere auteur tijdens een of andere schrijversresidentie op een warm eiland. Dat snap ik wel, ik heb ook een avontuurtje gehad hier en daar afgelopen zomer. De warmte hitst mensen op en een heleboel auteurs vinden dat best spannend. De scene in het boek ging ongeveer zo: Vrouw zit met man aan een gezellig terrastafeltje, lekker warm, lekker spannend. Ik ruik de man en zijn borsthaar door de gedrukte letters heen, maar dat ligt misschien aan mij. Zijn indringende adem. Trappist, look, sigaret. Veel te geruststellend. Ik voel zijn warme, stevige, dertig jaar-oude kuiten tegen de mijne aanwrijven en het voelt erg fout. Maar voor de protagonist voelt het natuurlijk niet fout, want zij zijn een match, in leeftijd en -wereld. De man vertelt haar dat ze niet steeds in twijfel en tegelijkertijd moet schrijven. ‘Je schijft iets of je schrijft het niet.’ De man zegt haar dat ze wat minder tussen haakjes moet typen (en dan doet ze het lekker toch).  Terwijl we erover spraken in de les, wou ik ‘herkenbaar’ zuchten. Mannen (mensen) die hun ongevraagde mening geven. Nou ja, ongevraagd. Misschien vond het hoofdpersonage dat niet zo vervelend. En op de avond die mij zo innerlijk deed zuchten, had ik zelf ook eerst om zijn mening gevraagd.  II. Ik had namelijk net mijn allereerste toneelstuk ooit opgevoerd. Het kleine studententoneelgroepje was in een roes, de lente was aangebroken en we dartelden naar de Ossenmarkt. We vierden een succesvolle afloop in de grote kotkeuken van de Kwaadaardige Hertogin. De wijn maakte ons luider en luider. Hertogin, niet meer kwaadaardig, wel -in de meest positieve zin- compleet losgeslagen, stond op de tafel feilloos en met talent de choreo van Rihanna’s ‘Umbrella’ na te dansen (inclusief paraplu). Ik, Ridder, stuiterde op en neer, klapte en joelde, het was geweldig. Er werd op de deur geklopt, Regisseur Van Het Ander Stuk en zijn acteurs kwamen party crashen. Ze hadden wodka en fruitsap. De sfeer zat erin.  Ik voelde me moedig die avond en had het gevoel dat ik iets was (wat toen dus ben moest zijn). Het eerste semester was niet zo makkelijk geweest, maar ik had eindelijk wat gedichten geschreven die ik leuk vond. Het ging veel over kernen, huppen en zwieren, over stiltes en mijn lievelingen. Mijn lievelingen, mijn vrienden, waarover ik in Londen zo veel heb nagedacht. Ze hebben mij vorig academiejaar opgeraapt en verzoend met mezelf. Ik dacht aan hoe ik eigenwaarde vond in voor hen te zorgen. Aan hoe we nieuwjaar vierden op de dokken, naast de Schelde, in een roosgroene mensenmoes. En aan hoe ik hen tijdens mijn performance van het toneelstuk niet in de ogen kon kijken, omdat ik anders moest lachen. Ik dacht aan hoe ik soms een woord verzon en me dan een tovenaar voelde. Driftkikker, drijfkonijn, sloddervaar. Ik wou dat ik kon toveren. Dan was ik misschien niet zo bang.   Ik danste en danste, pakte Hertogin haar gsm en speelde ‘Diamonds’, ook van Rihanna. Zo voelden we ons: bright like a diamond. Mijn oog viel op Regisseur, met zijn gemillimeterd haar, snor en herenschoenen (wat kan er zo heer zijn aan schoenen?). Ik dacht aan het kortverhaal dat ik schreef.  ‘Ga je opnieuw een verhaal indienen voor de Studenten Literatuurprijs?’, vroeg ik.  ‘Ja. Jij?’ ‘Misschien. Ik weet het niet’, antwoordde ik. ‘Kan je eigenlijk winnen als je vorig jaar een tweede plaats hebt behaald?’  Dat was wat Regisseur vorig jaar had gedaan, een verhaal geschreven en een prijs gewonnen. Hij vroeg me waarom ik niet zou indienen. Ik zei dat ik niets had.  ‘Maar wil je dan niet schrijven?’ Hij keek verbaasd.  ‘Jawel, maar...’ Mijn wangen voelden rood en gevuld. Ik lachte en zei dat ik wil schrijven, maar niet wil schrijven. Mezelf bevestigend zei ik: ‘er zijn zo veel paden die ik wil bewandelen. Ik kan simpelweg niet al mijn tijd steken in schrijven. Ik vertoef nu eenmaal graag in tussen en tegelijkertijd.’ ‘Wauw, heel eerlijk ...’, Regisseur moest een beetje op me steunen, ‘ik wou dat ik dat ook kon. Ik kan aan niets anders denken. Ik moet schrijven. Het is een roeping. Ik kan niets anders.’ Vor een splitseconde kruisten onze blikken echt.  ‘Nou ja, voor mij is dat niet zo.’ ‘Maar weet je, Johanna’, een glimlach trok over zijn gezicht. ‘Je hebt best wel talent.’ Zijn hand gleed naar mijn middel, hij droeg gekleurde ringen en een paar vingernagels waren gelakt. Hij was een man met een plan. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik hem had gekust -voor de spanning, weet je wel- maar ik deed het niet. Het was te nonchalant.  Of hij dit jaar weer de Studenten Literatuurprijs won, weet ik niet. Bovendien las ik nooit zijn verhaal. Alles in Antwerpen zit namelijk onder een dikke stolp. Daarboven is met dit winterweer zo een stolp eigenlijk een sneeuwbol. Ik verheerlijk het, maar toch vraag ik me af of ik naar die staat wil terugkeren. En hoe houdbaar dat zou zijn. Mijn studentenleventje, af en toe wat gedichtjes delen, koffietjes uithalen, wiet roken, shoppen en feesten. Hoe hard moet ik schudden om dat leven terug mooi te maken?  Er liggen namelijk te veel zaken onder niet-sneeuwbollen te wachten: een master kiezen, me positioneren in de maatschappij, dealen met de leefcrisis en de opwarming van de aarde, geïnformeerd stemmen, de toekomst, mijn zoetzure grootmoeder bezoeken. Ze liggen onder zo een spiegelachtige opdienstolp. Ik kan niet naar iets veilig staren, enkel naar mezelf. Ik wil ze wel opheffen, maar ze maken me bang. Het zijn onvoorspelbare stolpjes waaronder een stofzuiger is aangesloten, die mijn tijd zomaar kan opzuigen.  Plots onderbreekt een lange gebogen figuur mijn gedachtegang. Hij draagt een gekreukt, maar hemelsblauw hemd en glimlacht. De trein is een dikke tien minuten aan het rijden. ‘Je bent het dus toch aan het uitlezen.’ Het duurt even voor me. Het is mijn prof literatuur die naast me staat. Een oude man met grijs haar dat lijkt op mensen hun achtertuin tijdens Maai Mei Niet. Hij lijkt een beetje verloren. Ik ben het met die indruk eens. Hij geeft les in Londen, maar is ook een Belg. Net als ik moet hij de Noordzee over voor Kerst.  Plots ontstaan eindeloos veel mogelijkheden. Dat denk ik vaak. Hij kan nu gewoon doorwandelen. Of hij kan een ongemakkelijk, kort praatje slaan. Of net een praatje van gepaste lengte. Of erger, een uitgerekt, maar fijn maar daardoor nog ongemakkelijker praatje. Hij ploft neer in de lege stoel naast het gangpad tussen ons in. Een onvermijdelijk praatje, dus. ‘Koffie?’   III. Op kerstavond, zit ik voor oma in de mis. Ze zingt met het seniorenkoor. Het is mooi. Oma is mooi in haar sobere kerstoutfit. Ze draagt een jeans, praktische schoenen en een donkerbruine coltrui. Voor we de parking van de kerk opreden, waarschuwde ik haar dat ik doodmoe was omdat ik gisteren tot laat (vroeg, maar dat zeg je niet aan oma’s) in de kelder van het jeugdhuis had gezeten. Ze zei dat ze al vond dat ik er oud en bleek uitzag en dat ik minder decadent moest doen. De omahaartjes op haar zachte wangen maken dat ik die mondigheid incasseer, dat het omwentelt in goed ontvangen kritiek.  Het comfort van het concert doet me denken aan hoe Regisseur en ik bang waren van elkaars leefwijze. Uiteindelijk zindert een gloedgrijze kern in beide onze lichamen. Was dat wat hem betuttelend maakte, of oprecht?  Het comfort van het kerstconcert doet me denken aan het treingesprek met mijn prof. In een van de lessen hadden we het gehad over een schijnbare Bildungsroman, die op een zeer berekende manier onvoltooid bleef. Het gaat over een jonge Nederlander met een protestantse achtergrond, die theologie studeert in een Stad. Hij zit in een split tussen een religieus en seculier bestaan, tussen gemeenschap en individu.  ‘Ik moet iets opbiechten’, had ik half-grappend gezegd, aftastend naar de toon van het gesprek. Mijn prof, nu een medereiziger, lachte alsof hij wist wat er zou komen. Hij haalde een thermos boven. Daarna toverde hij een bekertje tevoorschijn, schonk wat in en gaf het aan mij.  ‘Vind je dit boek ook niet goed?’  ‘Jawel, jawel’, stamelde ik. ‘Ik wil net zeggen dat ik het ander boek, met al die e-mails en dat gekke eiland, toch goed vind.’ Ik ontweek zijn blik. Vlak voor ik antwoordde, maakte ik uit beleefdheid kort oogcontact. Ik verschrok van de heldere, jonge aard ervan.  Aarzelend vervolgde ik: ‘De wereld is een groot rek met verkoopartikelen. Dat is er mis.’ Hij nam een slok koffie en krabde in zijn zilveren kruin. Ik vroeg me af of hij kinderen had en of die kinderen er toen ze klein waren madeliefjes in staken. ‘Ik vind het boek goed omdat ik ook wil geloven. Soms grap ik daarover, dat ik gelovig ben en dat ik bid. Een keer verloor ik mijn portemonnee in de Tesco naast een metrostation en toen ik er twee uur later achter kwam, kreeg ik hem terug van een medewerker, alle cash er nog in. Toen had ik ook gebeden.’ Ik was even stil.  ‘Maar eigenlijk is dat een heel droevige grap. Ik heb waardevolle vrienden en goede ouders. Ik heb een kot en een thuis. En toch wil ik, als ik op mijn eentje ben, nog steeds dat iets de overhand neemt, een Manus Dei. Het voelt moeilijk om juist te handelen, als er zo veel meer dan mijn eigen leven van afhangt.’  Ik had mijn prof nooit een kans gegeven om te vragen of ik me eenzaam voelde. Zo een persoonlijke vraag kon hij niet luidop stellen.  Soms probeer ik mezelf gerust te stellen dat dit gevoel generatiegebonden is, we zijn met velen, ik hoef niet te spreken. Maar het tijdperk van de stem van een generatie is voorbij. We kunnen ons niet verschuilen in de massa. En tegelijkertijd heeft mijn beste vriendin ooit gezegd dat we het zo gewoon zijn om ons verloren te voelen, dat niemand het nog herkent Er klinken zo veel verschillende stemmen. Ik hoop dat het ooit uitmondt in iets polyfoons.  IV. Toen ik de Eurostar afstapte, waren er geen poortjes meer om uit te kiezen zoals in de Underground. Ik dacht aan vorig jaar, toen ik het zo moeilijk had door iets zo banaal als een break-up. Door iets zo destructief als niet-praten, alle jaren daarvoor. Ik dacht aan hoe ik mijn prof nooit meer zou spreken en ik besloot om mijn oma te bezoeken met Kerst. Ik dacht aan Regisseur, aan mijn lievelingen en aan de stem. In de wirwar van Brussel-Zuid, lichtten plots mijn moeder, zus en twee beste vriendinnen op. Een bescheiden, hartverwarmend engelenkoor. Het kleine in mij begon te wenen. Er moest iets veranderen. 

Ynys Convents
0 1

konijnentanden en navelstreng

Op een dag rond mijn achtste levensjaar merk ik voor het eerst op dat sterven een keuze kan zijn. Ik ben net uitgescholden voor mijn konijnentanden, die ik later nog zal missen wanneer mijn moeder ze zonder mijn toestemming laat kort slijpen. De belofte om niet te huilen verbreek ik, en later ook de tweede belofte, om niets tegen juf H. te zeggen wanneer ze met een rietje mijn gedachten uit me zuigt. Ik worstel maar ik vertel alles. Op dat moment heb ik mijn vrienden met mijn volle bewustzijn hun afgrond in gestuurd. Ik had het moeten slikken maar hun woorden waren als zandkorrels, ik zou het sowieso niet hebben kunnen verteren, en zelfs jaren later is mij bijgebleven dat hun idee van mij bestond uit mijn tanden en overmatige emotie. Alsof mijn enorme tanden als poort moesten dienen voor woorden die wel eens ongemakkelijk ozuden kunnen zijn. Mijn bolle jeukbeenderen waren een glijbaan om mijn tranen recht naar mijn oren te sturen. Zodat niemand ze kon zien en ik ze kon horen druppelen. Ik merk op dat ik dood kan. Ik weet alleen nog niet hoe. Ik stap buiten en word omringd door oude mijn-infrastructuur. Misschien als ik daarop klim en eraf vlieg, dat mijn lichamelijke vorm het wel op geeft. Zo zoet het idee ook mocht wezen, zo boos zouden mijn ouders zijn. En zo besloot ik vanaf dan elke dag om te leven, ook als ik eigenlijk niet wou. Zelfs mijn levenloos koud vel zou uiteen barsten bij het aanhoren van mijn moeders preek en mijn vaders alcoholisme. Mijn geboorte ontwikkelde zich als een soort contract. Ik wou zo graag uit mijn moeders harde, woelige, drukkende buik, maar daarmee ondertekende ik onbewust een soort belofte om in leven te blijven. De navelstreng leek bij ons nooit gescheiden te zijn. En hoe harder ik wegtrok, hoe sneller ik terug bij haar tegen de borst belandde. Mijn moeders binnenste zou volledig naar buiten keren moest ik sterven en dat is iets wat ik nog stees niet kan verdragen. Zelfs daar wil ik het haar niet toelaten om een bad te nemen in haar zelfmedelijden. 

Chloe synkineses
4 1

ezelbeet en de geest

5   Maar nu, al die jaren later, was een geest in een koffertje lachwekkend, of dat zou het zijn als ze niet voor een man stond die wel dubbel zo groot was als haar. Ondanks deze bijna bovennatuurlijke situatie was er maar 1 vraag die tegen de binnenkant van haar lippen bleef stoten en dat is waarom ze haar gekozen hadden. Ze had toch geen ervaring met geesten in koffertjes. Haar leven was pijnlijk eenvoudig geweest tot nu toe, en waarom zou iemand de moeite doen om daar verandering in te brengen? Er is een oneindigheid aan mensen met speciale gaven, een brein zoals een computer of spieren zo gespannen dat hun huid bijna openspringt, en Wilma behoorde tot geen één van die groepen. Het laatste wat er mocht gebeuren is mislukking, want dan zou het leven opnieuw de volle 180 graden draaien naar een onopmerkzaam en uitzichtloos bestaan.    “Wanneer u de opdracht voltooid mevrouw, krijgt u alles van ons wat u maar wilt. Een eenhoorn, knalgroene onderzeeër, een ruimteschip, elke dag kroketten voor de rest van uw leven? Alles kan, zolang het maar geen geld is.” En maar goed ook, dacht ze. Ze zou niet weten wat ze met geld zou moeten doen.  “nog vragen?” Haar vraag wilt met alle haast zijn uitweg tussen haar lippen door vinden, maar ze houdt haar kaken als verroest op elkaar gespannen. Haar angst om ondankbaar over te komen is groter dan haar nieuwsgierigheid.  “Wat voor verhalen lust de geest?” vraagt ze dan maar. “Alle verhalen die uit jezelf komen, kan hij wel smaken. Je leest best niets voor dat uit iemand anders’ brein gesponnen werd. Voor de rest maakt het weinig uit, je zal het zelf wel leren. En voor ik het vergeet, laat het kistje dicht tot wij bevelen dat het open mag.” Zijn gezicht is uitdrukkingsloos, maar niet gespannen. Het is een gezicht dat zelfs in volle ontspanning niet kwaad of opgewonden lijkt. Niet uitgeput of enthousiast. Anders dan zijn kleding was zijn gelaat compleet normaal. Zo normaal zelfs dat het er toch net weer ietsje uit sprong.     

Chloe synkineses
0 0

Veto der (geïnformeerde) publieke opinie

Veto der (geïnformeerde) publieke opinie   De evolutie naar een geïnformeerde burgerlijke controle op de achterhaalde absolute representatieve democratie                       Kevin Meyvaert                                                                    Inleiding  Dit essay heeft als doel een inspiratiebron te zijn voor de politieke orde van de toekomst. Het heeft als finaliteit een ware paradigmashift te bewerkstelligen in de Belgische en Europese politiek. Weg van de absolute macht der representatieve democratieën. Het moet een nieuwe moderne weg plaveien voor de evolutie van onze politieke systemen in Europa. De representatieve democratie heeft in de twintigste eeuw zijn nut bewezen voor Europa. Het gaf de landen ten westen van ons continent decennialang stabiliteit na de Tweede Wereldoorlog. Het gaf de landen ten oosten van ons continent een referentiekader waar tot op vandaag voor gevochten wordt. Het was een noodzakelijke vulgarisering van een publieke opinie die nog moest leren omgaan met de democratie. Die tijd zijn we in West-Europa voorbij. En ook Oost-Europa zal snel inzien hoe het representatieve paradigma niet gemaakt is om ten volle de publieke opinie te volgen en te respecteren. Vandaag en de komende jaren zal de druk om het systeem te hervormen steeds luider klinken. De opkomende generaties zullen doordrenkt zijn met een vraag om betere democratie en/of een betere, sterkere staat. De hervorming van het democratisch systeem zal het lot van de Europese democratieën bepalen. Met een nieuw systeem waarbij gebruik gemaakt wordt van een Burgersenaat kan in Europa een nieuwe democratische periode floreren. Een periode waarbij alle burgers, voor welke partij zij ook stemmen, zich weer zullen verbonden voelen met hun staat en de politiek. Dit systeem is niet revolutionair. Het tracht enkel de huidige democratieën te verbeteren opdat de publieke opinie beter wordt gerespecteerd. In een particratisch land als België is dit een absolute noodzaak. Het essay bestaat uit twee luiken. Het eerste luik behandelt het nieuwe institutionele systeem waar we naartoe moeten. Namelijk een (geïnformeerde!) Burgersenaat die elke wet of beslissing van het parlement (en de regering) kan blokkeren. Het tweede luik behandelt de strategie en de tactiek die zal worden gehanteerd om de huidige politieke klasse onder druk te zetten om tot een dergelijke Burgersenaat te komen. Dit systeem is anders dan alle voorgaande ‘schijnpogingen’ tot burger besluitvorming in de politiek. Het gaat veel verder en kan bijgevolg burgers over het hele politieke spectrum bekoren. Burgerinitiatieven hebben nog te vaak enkel succes bij de eerder progressieve publieke opinie. Met dit voorstel zullen burgers van rechts tot links hun gading vinden.                                                   De Burgersenaat  Probleemstelling We gebruiken de Belgische casus - en zijn federaal niveau - om het huidige probleem van de representatieve democratie te illustreren. België is, met zijn particratie, het voorbeeld bij uitstek van hoe een representatieve democratie zijn democratische legitimiteit zelf begraaft.   België Ons land heeft een proportioneel kiesstelsel en een kiesdrempel van 5 %. Dat betekent, in het kort, dat de zetels worden verdeeld naar gelang het aantal stemmen dat de partijen halen in een kiesdistrict. Dat geeft, in tegenstelling tot de meerderheidskiesstelsels, een degelijk beeld van de publieke voorkeuren voor de partijen in het parlement. Al moeten de partijen wel in totaal 5 % van de stemmen halen om aanspraak te kunnen maken op zetels in het halfrond. De kiesdistricten zijn provinciale kiesdistricten voor de regionale en federale verkiezingen (en het Brussels Gewest). Politici gaan dus op een lijst staan van hun partij in de provincie waar ze wonen en worden er verkozen. Het zou bij deze logisch zijn dat diezelfde politici in het parlement de belangen van hun provincie en hun kiezers vooropstellen. En daar ligt al jaren het grote democratische probleem in België. Politici worden verkozen, maar krijgen geen enkele individuele vrijheid één keer in het parlement. Ze moeten allemaal trouw zweren aan de partij die hen die zetel heeft opgeleverd. Als de partijvoorzitter zegt dat je A moet stemmen, dan zal je ook daadwerkelijk A moeten stemmen. Ook al gaat A in tegen je eigen principes of tegen de belangen van jouw eigen kiezers. Je zal de partijlijn moeten volgen of je ligt er de volgende keer uit en dan kan je jouw politieke carrière vergeten. Dat is wat we in de Belgische politiek ‘particratie’ noemen. Het feit dat je één keer in een partij je eigen individuele ideeën zal moeten opbergen om die van de partij te dienen. Mensen stemmen bijgevolg niet echt voor personen, maar enkel en alleen voor een partij en haar programma die ze al dan niet steunen. Iedereen kan inzien dat dit een enorm probleem is voor de werking van onze democratie en het respect voor de echte publieke opinie. Die wordt hierdoor niet vertaald in het parlement, omdat elke stem voor een partij wordt aanzien als een legitimering van het hele partijprogramma. De meerderheid van de burgers stemmen op partijen op basis van enkele partijpunten, nooit door het hele programma te hebben doorgenomen. Het is van groot belang de burgers hiervan bewust te maken. Eén keer die bewustmaking er is, wordt de hervorming van het politiek systeem een logisch gevolg.   Trias politica Door dit systeem van particratie verzaakt de huidige Belgische democratie om de filosofie van haar machtsevenwicht te respecteren. De zogenaamde ‘Trias Politica’, ontworpen door de Franse filosoof Charles Montesquieu. Die vraagt namelijk dat de macht wordt verdeeld in drie componenten, waarbij geen enkel component (theoretisch) een ander mag beïnvloeden of onder druk zetten. Ze zijn, met andere woorden, alle drie onafhankelijk van elkaar. De drie machten zijn de volgende: -  De rechterlijke macht: Dat zijn heel simpel uitgelegd alle rechtbanken en hoven van het land.    -  De wetgevende macht: Dat is in de meeste landen het parlement. Het beslist over de wetten van het land. In een bicameraal systeem moet je daar ook nog de senaat bij tellen.    -   De uitvoerende macht: Dat is in Westerse democratieën de regering. In België is het officieel de koning die de uitvoerende macht uitoefent. Maar die heeft in werkelijkheid geen echte macht. Het zijn de regeringen die de wetten ‘uitvoeren’ via ministeriële en koninklijke besluiten.   In België hebben we hierbij een probleem. Oorspronkelijk moest de wetgevende macht een controleorgaan zijn op de uitvoerende macht. Zodat de regering niet zomaar alles kon doorduwen zonder het akkoord van de vertegenwoordigers des volks. Zij belichaamden wat het volk wilde. Dat is door de particratie steeds meer onder druk komen te staan. Je hebt een meerderheid nodig in het parlement om een regering te kunnen vormen. En daar ligt op dit moment net het probleem. Door de particratie krijg je als regering vrij spel in het parlement. De partijen van de meerderheid zullen al hun partijleden altijd alle beslissingen en wetsontwerpen van de regering laten goedkeuren. De regering kan dus zowat alles beslissen zonder zich echt vragen te stellen of dat wel door het parlement (en de senaat) goedgekeurd zal worden. Er is hier duidelijk geen parlementaire controle meer. De wetgevende macht en de uitvoerende macht zijn één en dezelfde macht geworden. Met de wetgevende macht als schijncontrole op de uitvoerende macht. De Trias Politica is verworden tot een duas politica met de uitvoerende-wetgevende macht aan de ene kant en de rechterlijke macht aan de andere kant.   Er is met andere woorden nood aan een institutionele hervorming die ons een echte derde macht en controleorgaan op de uitvoerende-wetgevende macht geeft. Die vinden we terug in een doordachte nieuwe senaat: een geïnformeerde Burgersenaat.   De macht der (geïnformeerde) publieke opinie De antipolitieke gevoelens in de Belgische samenleving nemen elk jaar toe. Dat is nu al verschillende jaren zeer duidelijk. De burgers geven aan zich niet meer betrokken te voelen door de politiek en hebben desgevallend hiertegen een desinteresse ontwikkelt. Het is bij deze van primordiaal belang om de burger weer centraal te stellen binnen ons institutioneel politiek systeem.   Veto De burgersenaat mag niet zomaar een tigste slappe poging zijn om de burgers bij de besluitvorming te betrekken. Die senaat kan enkel betekenisvol zijn als die een duidelijke en directe invloed heeft op de besluitvorming van de regering en het parlement die beiden doordrongen zijn van particratische invloed. Daarom zal de Burgersenaat noodzakelijkerwijze een veto voor alle beslissingen van het parlement moeten hebben, en dus ook op die van de regering. Dankzij dat veto zullen de burgers echte en reële invloed hebben op de Belgische politieke besluitvorming. Het zal iedereen weer het gevoel geven dat ze weer tellen in deze samenleving. Het is niet de bedoeling burgers meteen de mogelijkheid te geven om zelf helemaal autonoom wetten te gaan schrijven of staatsbelangrijke beslissingen te nemen. Zo’n evolutie zal tijd vergen en dient zeer grondig onderzocht te worden op zijn effectiviteit en zijn wenselijkheid binnen de samenleving. Dat dit er in de toekomst komt of niet moet de samenleving zelf beslissen. Dit is hoe dan ook niet het opzet van de Burgersenaat. Het enige doel van de burgersenaat is om een burgercontrole te organiseren op de huidige representatieve democratie in België. Door de particratie worden de kiezers niet meer vertegenwoordigd door hun ‘vertegenwoordiger’. Daarom is het noodzakelijk om elke beslissing door het parlement en de regering te toetsen bij een representatieve steekproef van onze samenleving. De burgersenaat zal werken met een normale meerderheid om een beslissing van het parlement goed te keuren of te verwerpen. Dit kan uiteraard vatbaar zijn voor uitzonderingen (vb. staatshervormingen).   De overgrote meerderheid van de burgers stemt op een partij op basis van enkele punten van haar programma, nooit op het hele programma. Toch beslist ons politiek systeem dat een stem op een kandidaat van één partij een steun en goedkeuring is voor het hele programma van de partij. De stem van de kiezers wordt hiermee gebruikt om met een vals gevoel van legitimiteit zaken te stemmen in het parlement waar de kiezers eigenlijk niet voor hadden gestemd. En waar misschien zelfs geen meerderheid voor is binnen de publieke opinie. Met de Burgersenaat kan je deze valse legitimiteit ongedaan maken en de partijen meer verantwoordelijkheid geven.   Representatieve Burgersenaat De Burgersenaat zal een representatieve weerspiegeling moeten zijn van de Belgische samenleving. Het is dus de uitdrukkelijke bedoeling om ervoor te zorgen dat alle groepen binnen de samenleving er goed worden vertegenwoordigd. Dat zal in eerste instantie gedaan worden door middel van een lukrake steekproef (en de daarbij horende ‘wet van de grote getallen’). Om daarna zeker te zijn dat alle groepen proportioneel goed worden vertegenwoordigd, zal er, indien nodig, een gestratificeerde steekproef worden gedaan om zo aan onze representativiteitscriteria te voldoen. Hoeveel burgers er in totaal geselecteerd zullen worden voor die burgersenaat moet nog worden beslist en onderzocht. Toch zie ik liefst een 200 à 250 burgers in de senaat opdat de representativiteit zo goed mogelijk wordt gerespecteerd. De Burgersenaat zal door een nieuwe steekproef vervangen worden na een vooraf bepaalde termijn.   Geïnformeerde burgers Dit is het belangrijkste luik van het model van een burgersenaat: geïnformeerde burgers die een geïnformeerde beslissing nemen in de senaat. De leidraad in mijn kijk op de samenleving is al verschillende jaren de volgende: “De mensen zijn niet dom, ze zijn enkel slecht of niet geïnformeerd”. Dat moet dankzij de Burgersenaat verholpen worden. Het doel van de Burgersenaat is, zoals hiervoor herhaaldelijk gezegd, om een burgercontrole aan te bieden op de particratische representatieve democratie. Daarnaast is het ook een middel om weer te werken aan een echt publiek debat, dat vandaag nog amper bestaat. De overgrote meerderheid van de beslissingen in het parlement worden genomen zonder dat daar in de samenleving een echt publiek debat over is geweest. Mensen worden bij deze dus helemaal niet geïnformeerd over de gevolgen van mogelijke beslissingen binnen het parlement. De mensen slikken wat de pot schaft. Hier komt dan de informatiestrategie in werking. De informatiestrategie van de Burgersenaat kent twee luiken: 1.   Het eerste luik betreft de partijen zelf: Elke partij aanwezig in het parlement zal een vooraf bepaalde tijd hebben om de mensen in de Burgersenaat te overtuigen om de beslissing van het parlement (en de regering) goed te keuren of ongedaan te maken.  Dankzij deze verplichting zullen de partijen dus een grondige argumentatie moeten ontwikkelen om zich te verzekeren van de steun van de burgers. De partijen zullen niet meer ‘vlug vlug’ iets door het parlement kunnen jagen. Ze zullen hun beslissing heel goed moeten onderbouwen en dat zal het intellectuele en publieke debat alleen maar ten goede komen. Het publieke debat zal hiermee ook veel meer worden aangewakkerd, omdat de burgers zelf dienen geïnformeerd te worden. Het mediatiseren van de argumentatie van de partijen in de Burgersenaat zal hier van groot belang zijn.   2.   Het tweede luik betreft experts:  Over elke kwestie, elk probleem of elk onderwerp bestaat er binnen de wetenschap of de academische wereld discussie. Er zullen altijd verschillende visies zijn, ook bij experten in het vakgebied van een bepaald probleem of onderwerp. Daardoor is het noodzakelijk om elke visie binnen de academische en wetenschappelijke wereld aan bod te laten komen in de burgersenaat. Zo krijgen de burgers alle mogelijke visies op een probleem om later hun beslissing te nemen. Ook dit zal het publieke en intellectuele debat versterken, doordat experten zo goed mogelijk hun eigen visie zullen moeten onderbouwen om de burgers te overtuigen. Op basis van dit tweeluik aan informatie gaan de burgers uiteindelijk beslissen of ze een beslissing van het parlement en de regering goed keuren of ongedaan maken.   Aantrekking burgers  Burgers warm maken om te participeren, en zeker de meest kwetsbare groepen, is een enorme uitdaging. Daarom wordt er het allerliefst gewerkt met een verplichte participatie in de Burgersenaat. Mocht dat niet (meteen) mogelijk zijn, dan moeten we vooral hopen dat het parlementairloon (ongeveer 7000 euro per maand) genoeg mensen zal stimuleren om te participeren. Dit loon is alvast voor de lagere sociale klassen en de middenklasse in onze samenleving zeker een stimulans om te participeren in de Burgersenaat. Daarnaast werk ik het liefst met een anonimisering van de burgers aanwezig in de Burgersenaat. Zo vermijd je (politieke en sociale) druk op de geselecteerde burgers.                                                      De apolitieke beweging  Hoe deze institutionele evolutie te bewerkstelligen kan voer voor discussie zijn. Het zou kunnen door externe druk uit te oefenen op de bestaande partijen om dit nieuw institutioneel model mogelijk te maken; door te lobbyen bij bepaalde partijen om dit model op te nemen in hun partijprogramma’s; door een partij te vervoegen om dit idee te doen groeien binnen de politiek zelf. Dat zijn allemaal pragmatische manieren om het te verwezenlijken en geen enkele strategie kan op dit moment worden uitgesloten. Ik verkies in dit essay om de meest gewaagde en moeilijkste strategie aan bod te laten komen : de strategie van de  ‘apolitieke beweging’. Dat is de meest ideale strategie, omdat je je hiermee zeer duidelijk afzet tegen de particratische partijen en makkelijker kan spreken over een ‘nieuw politiek tijdperk’.     Ideologische diversiteit door bindmiddel  Binnen deze apolitieke beweging zal er geen partijlijn bestaan. Elk lid van de beweging zal zijn eigen ideeën en ideologie mogen verdedigen. Elk lid zal zijn kiezers voor de volle 100 % mogen vertegenwoordigen. Elk lid zal bij gevolg individueel campagne voeren voor zijn eigen ideeën. Nooit zal de beweging een ideologische of politieke beslissing of stemming opleggen aan leden die verkozen raken in een parlement of gemeenteraad. Wat de beweging wel zal vragen is totale loyauteit aan het hoogste doel en bindmiddel van de beweging: het tot stand brengen van de Burgersenaat. Elk lid van de beweging zal bij het vervoegen van de beweging op eed beloven dat het de Burgersenaat altijd zal opleggen bij onderhandelingen met een mogelijke meerderheid: het zij een regering of het zij een gemeentebestuur.     Drukkingsmiddel bij uitstek Door van de Burgersenaat altijd een breekpunt te maken voor het vervoegen van een meerderheid zal het op de politieke partijen heel veel druk zetten. De partijen zullen door die druk de eerste grondwettelijke stappen neerpennen in het regeerakkoord om zo te kunnen komen tot de eerste noodzakelijke constitutionele stap voor een Burgersenaat. Dat moet de conditio sine qua non worden van onze leden als ze een meerderheid willen vervoegen of steunen. Wordt dat niet opgenomen in een regeerakkoord, dan zullen onze leden niet volgen en is er bijgevolg geen regering. Deze strategie laat je toe om met een beperkt aantal zetels in het parlement boven je gewicht te boksen en de partijen heel hard onder druk te zetten. Voorbeeld: Een mogelijke meerderheid heeft net drie zetels nodig om een regering te kunnen vormen en onze beweging heeft vijf verkozenen in het parlement. Van die vijf verkozenen zien vier verkozenen het zitten om de meerderheid te steunen of te vervoegen om een regering te vormen, omdat die ideologisch wel iets zien in die partijen en hun beleidsvoorstellen. Door van de Burgersenaat dan een breekpunt te maken zullen de partijen de noodzaak voelen om dat toch in het regeerakkoord neer te schrijven, om zo een regering te kunnen vormen. Het is het enige wat onze leden op dat moment vragen en het zal bij het publiek een zeer negatieve indruk nalaten als je als partij de facto zegt: “Die burgers die ons controleren, dat zien we toch niet zo zitten. We houden liever zelf de macht volledig in handen”.   Dubbele controle Onze leden die een meerderheid vervoegen of steunen betekent ook dat de meerderheid niet zomaar een particratische meerderheid zal zijn. Onze leden zijn niet gebonden aan een partijlijn of partijstandpunt. Daardoor kunnen ze in het parlement nog altijd stemmen tegen beslissingen van de regering indien ze die niet goed achten. De meerderheid zal dus ook onze leden, indien nodig, moeten overtuigen met goede argumenten. Dat maakt dat je een zekere dubbele controle hebt op de regering vanuit het parlement enerzijds en vanuit de Burgersenaat (als die er later komt) anderzijds. Stel dat onze beweging op een bepaald moment meer dan 50 % van de stemmen haalt, dan heb je de facto de particratie omvergeworpen. Want op dat moment zal je een meerderheid aan mensen hebben in het parlement die niet gebonden zijn aan een partijlijn. Dan zal ook het parlement weer in ere hersteld zijn, met name in zijn functie als controle op de regering.                                                                Conclusie  Dit essay heeft als doel een nieuw paradigma tot stand te brengen in de Europese en Belgische politieke wereld. Een paradigma weg van de absolute representatieve democratie. Een paradigma die een plaats geeft aan volksvertegenwoordiging en aan volkscontrole op zijn eigen vertegenwoordigers. Via een systeem van geïnformeerde Burgersenaat, is het de bedoeling om de Trias Politica weer te herstellen in België en in Europa. Het is voor de gewone burger niet veel gevraagd, maar voor de huidige politieke partijen zal dit een grote mentaliteitswijziging vergen. Hoe we dit ook draaien of keren wil, een hervorming van ons politiek systeem is nodig om de afschuwelijk ondemocratische particratie omver te werpen. Wat er ook komen zal in de toekomst, de limieten van de absolute representatieve democratie zijn bereikt. Dit model van de Burgersenaat is daar een poging tot antwoord op.

Kevmey
54 0