Lezen

Spaghetti voor vijftig

Er zijn mensen die mediteren om tot rust te komen. Ik schil patatten. Geef mij een keuken vol damp, een industriële pot soep en vijftig jongens in rode Chiro T-shirts en ik ben content. Echt content. Ik denk dat ik daarom zo graag kookmoeke ben. Die schaamteloze zomerdagen waarop ik mag moederen over een halve Chiro. Over dorpskerels tussen vijf en vijfentwintig. Kleine mannen met snottebellen, slungels die plots okselgeur ontwikkelen en leiders die zichzelf volwassen noemen maar nog altijd hun onderbroek vergeten. Daar leef ik van op. Van om zeven uur opstaan om de koffie al te laten doorlopen voor de bende wakker wordt. Van een stille kampplaats die nog ruikt naar nat gras en bier van gisterenavond. Van roze teenslippers die na vijf dagen kamp niet meer roze zijn maar een soort triestig campinggrijs. Van de geur van zweet en vet en look. Veel look. Want ge kookt niet voor vijftig man met een bescheiden teentje look. Ik schud hoeveelheden voor recepten uit mijn mouw alsof het hogere wetenschap is. “Hoeveel spaghetti voor vijftig man?”Simpel.Wat ge voor een gezin van vier maakt, maal twaalf en een half.En dan nog een beetje. Want er is altijd wel ergens nen achttienjarige die eet alsof hij zich voorbereidt op een overwintering in Siberië. Ik schil patatten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik maak van spaghetti koken hogere wiskunde. Ik heb een eigen filosofie ontwikkeld over hoeveel keer ge een maaltijd moogt opwarmen zonder dat iemand eraan sterft. Ik geloof rotsvast dat melk in soep soms een uitstekend idee is. Dat zelfgemaakte andalouse saus een vorm van beschaving is. En dat ge nooit — maar dan ook nooit — een deftige barbecue hebt zonder perziken uit blik. Dat laatste klinkt absurd. Tot ge het proeft. En dan die saus. De lekkerste saus van het kamp. “Sex on a plate” Het zijn ook de dagen waarop Yevgueni door een krakende box schalt terwijl wij de afwas doen. Als ze lacht. En wij meebrullen alsof we zelf terug twintig zijn en straks nog een pint gaan drinken op de parking van de parochiezaal. De dagen waarop de kookmoekes elke avond eindigen rond een gammele campingtafel met gezelschapsspelletjes waar wij elk jaar beter in worden. Vals spelen een gave is die met de leeftijd komt. Er wordt gelachen tot iemand bijna stikt in een chipke. Tot de leiding komt vragen of het misschien iets stiller kan omdat de klein mannen slapen. Ik doe dat graag. Misschien té graag. Ik ben al eens met pensioen gegaan. Officieel gestopt. Maar blijkbaar kunt ge uzelf ook terugroepen. Niet door een tekort op de arbeidsmarkt, maar door een diepgeworteld “het niet kunnen laten”. Er volgde een stilzwijgende overeenkomst met de leiding: ge gooit me maar buiten als ik écht te oud geworden ben. En eerlijk?Ik hoop dat ze dat nog efkes uitstellen. Want daar, tussen de kookpotten en de afwasbakken, wordt het leven opvallend simpel. Stress herleidt zich tot de vraag hoeveel kilo wortelen er juist in de soep moeten. Nachtrust wordt relatief. En liefde krijgt een totaal andere vorm. Want die is daar.In alles. In een snelle “merci, moeke”.In een jongen van zes die nog een nachtzoentje komt vragen.In een leider van drieëntwintig die spontaan een apero uitschenkt voor de moekes na een dag van zevenhonderd boterhammen smeren.In een keuken waar iedereen plakt van het zweet en de mayonaise en toch niemand weg wil. En zo reigen we de zomers aan elkaar. Met liefde en herinneringen. Met te veel look en te weinig slaap. Ondertussen loopt mijn huis stilaan leeg. Mijn zonen bouwen hun eigen leven bijeen. En binnenkort zal mijn kookpot zich waarschijnlijk beperken tot hoeveelheden voor één persoon. Dat is dan wat ge voor een gewoon gezin maakt.Gedeeld door vier.   

Katrien Daniels
78 7

Het spijt me

Mijn woorden zijn als een opgedroogde kreek in de Limburgse velden; merendeels sta ik droog, maar eens - op de dertiende maand, op het dertiende dag, wanneer de klok het dertiende uur luidt - volgt een stortvloed uit het niets en verdrinkt het het landschap. Een stuiptrekking van de natuur, geen malaise of kwaadwilligheid. Ik had meer moeten praten wanneer het er echt toe deed. Mijn woorden zijn als de eerste vonken die oversloegen van de half uitgedoofde sigaret, argeloos op de grond gesmeten door een zelfverklaarde “natuurliefhebber” in het bos, op een droog en verdord blad tijdens de derde hittegolf van deze zomer. Ik wilde mijn warmte delen met mijn omgeving, en voor ik het wist stond alles rondom mij in lichterlaaie. Ik had minder moeten spreken wanneer het ertoe deed. Mijn woorden razen soms door mijn schedel als een orkaan, waar het alles op zijn pad opzuigt, en het een spoor van vernieling achter zich laat. De storm is te sterk, het breekt uit mijn schedel, mijn ogen, mijn mond, naar de buitenwereld, en vervolgt daar zijn pad van destructie. Ergens tussen de brokstukken van de ravage ligt wat ik ooit nog waardevol vond. Ik had mijn gedachten anders moeten verwoorden. Mijn woorden waren de reflectie van mezelf die ik zag in het marmer dat leven gaf aan duizenden beelden doorheen de geschiedenis van de mensheid, en voelde hoe hun schoonheid ijzig koud was wanneer ik mijn hand in hun hand plaatste. Ik vroeg aan de edele steen om zichzelf te openbaren voor mij, om te tonen hoe diep hun pracht reikt. Met een verwoestende zucht brak het open in duizend stukken, en toonde het niets meer dan dezelfde steen. Ik durf niet te vragen of ik van marmer ben. Ik had geen vragen mogen stellen. Mijn woorden waren spoken van achteloos getroffen opmerkingen en vlijmscherp geworpen pesterijen, die als een koekoeksei hun plek hadden gevonden in mijn klein nestje. Zorgend van nature, ontfermde ik me over dat vreemde jong, want het lag in mijn nest, dus het was van mij, of op z’n minst toch deel van mij. De koekoek vrat en vrat en ontnam alles van mij tot het moment dat er niets meer over was voor mij. Het verliet het geruïneerd nest en ik bleef achter met een ziekelijke versie van het lege-nest syndroom. Geconfronteerd hiermee stelde ik mezelf de vraag, ‘als ik niet het koekoeksjong ben waar ik zoveel jaren voor zorgde, wie ben ik dan wel?’ en vond tot mijn verschrikking geen antwoord. Ik had mijn oude dromen en nieuwe kansen moeten beschermen. De stilte waarin ik stond suste me wanneer ik keek naar het wegebbende water, de dwarrelde assen,de ademende wind.Na de ravage sta ik op vruchtbare grond. Het marmer wenst een vorm. Ik ben koekoeksvrij.

Eden Oscar
6 0

Failliet

Ik reed gisteren voorbij mijn favoriete delicatessenzaak. Enfin, gewezen delicatessenzaak. Want de winkel is failliet. En ik vind dat erg. Eerst en vooral voor mezelf, als ik eerlijk ben. Want nergens anders was het kaasassortiment zo uitgebreid, de thee van net dat juiste merk en de broodjes zo rijkelijk belegd dat ge er bijna een kleine familietafel voor nodig had. Maar ook voor hem. Ik kende de man zijn naam niet, maar Georges zou hem absoluut niet misstaan, dus we noemen hem Georges. Georges was een gepassioneerde foodie die zijn zaak bestierde alsof het een klein culinair koninkrijk was. Altijd tijd voor een babbel over een Franse schimmelkaas, een goeie olijfolie of gewoon over het leven. Een mens die wist wat lekker was. Dat is een gave, hoor. Failliet gaan. Dat woord heeft iets vuils. Alsof ge niet alleen uw zaak verliest, maar ook ineens een stuk van uw naam. Uw gevel. Uw waardigheid. Uw routines. Uw morgens. Het doet me denken aan een scheiding. Dat is eigenlijk ook een soort faillissement. Ge verliest geld, liefde, meubels waarvan ge dacht dat ge ze samen oud ging laten worden. En daarna moet ge ergens in uw eigen hol gaan nadenken over hoe het anders had gekund. Maar goed. Het ging over Georges. De man van de uitermate goed belegde broodjes. Misschien té goed belegd. Dat wou ik hem soms zeggen. Dat er op één broodje genoeg krabsalade lag om een klein vissersdorp door de winter te helpen. Dat die tomaten daar precies gratis werden uitgedeeld. Maar ik deed het niet. Uit beleefdheid. Of lafheid. Dat ligt dicht bij elkaar. En nu heb ik daar schuldgevoelens over. Omdat ik denk: misschien had wat minder tomaat zijn zaak gered. Misschien was het verschil tussen overleven en failliet gaan gewoon drie schellen mozzarella minder per sandwich. En ik weet het, zo simpel is het natuurlijk niet. Maar toch. Ge begint terug te tellen. Naar alle keren dat ge iets dacht en zweeg. Zoals die avond dat ge wist dat dat feestje ging ontsporen. Of die keer dat ge wist dat ge taart met echte boter moest maken en niet met die margarine uit promotie. Vroeger zei ik dat soort dingen nog. Nu niet meer. Ik heb mezelf afgeleerd om mij te moeien. Omdat mensen daar zelden dankbaar voor zijn. Omdat iedereen liever elegant kopje-onder gaat dan gered wordt door een bemoeial. Dus ik zwijg tegenwoordig. En rij voorbij. De delicatessenzaak ligt er plots verlaten bij. Leeggehaald. Een vrouw draagt een roestig rekje naar buiten. Drie maanden geleden stonden daar nog cuberdons en nonnenbillen op. En die vrouw lacht. Een gewone lach. Een mens-lacht. En ik zie: die vrouw is nooit failliet geweest. Sommige mensen hebben nog nooit echt iets verloren. Geen zaak. Geen liefde. Geen huis met de stilte er nog in. Ik denk aan Georges, de kaasman. En ik zou eigenlijk naast hem willen gaan zitten. Zonder oplossingen. Zonder analyses over krabsalade of kostenstructuren. Gewoon zeggen: sorry dat ik zweeg. Of misschien gewoon: welkom. Bij de club van de mensen die ooit iets zagen instorten waar ze van hielden. De meeste mensen gaan ooit failliet. En de rest koopt roeste rekjes.

Katrien Daniels
58 4

Team Bus

Tom en ik, we noemen onszelf Team Bus. Hij langs de kant van de busplanning. Ik langs de kant van de uitstapplanning. En ergens tussen vertrekuren, parkeerplaatsen, zieke chauffeurs en “oei, dat is precies verkeerd doorgegeven”, vinden wij mekaar regelmatig. Normale dingen regelen we via mail. Dat hoort zo. “Beste, graag een offerte voor twee bussen richting Oostende.” Dat soort dingen. Maar als er ergens een schoolgroep staat te blauwbekken in de regen of een chauffeur plots in Dendermonde blijkt te zitten terwijl hij eigenlijk in Asse moest zijn, dan bellen we. Dan komen de echte gesprekken. “Wacht hè Katrien, ik ga eens kijken.”“Ah nee, dat is den anderen bus.”“Ge zijt zeker?”“Tiens. Da’s wel speciaal.” Zo van die gesprekken. En het vreemde is: ik heb het gevoel dat Tom stilaan een vriend aan het worden is. Zo iemand waarvan ge denkt dat ge hem eigenlijk al jaren kent. Dat we misschien samen op school hebben gezeten. Dat we mekaar ooit halfdronken zijn tegengekomen in een bruin café ergens naast een biljarttafel. Dat hij mij ooit al eens een sigaret heeft gegeven op een parking van een fuif in 1998. Soms voelt het alsof wij al een heel traject samen afleggen. Alsof wij collega’s zijn in een kleine oorlog tegen verloren chauffeurs, dubbele reservaties en kinderen die dringend moeten plassen net wanneer de bus de autostrade opdraait. Ik hoor zijn stem vaker dan die van sommige echte vrienden. Wij maken mini-crisissen mee samen. Kleine rampen die altijd dringend lijken maar achteraf geweldige verhalen worden. En elke keer opnieuw lossen wij dat op. Tom aan zijn kant van de dispatching. Ik aan mijn kant van de chaos. Terwijl ik hem eigenlijk niet ken. Ik weet niet hoe hij eruitziet. Ik heb nog nooit met hem aan een tafel gezeten. Geen koffie gedronken. Geen pannenkoeken gegeten. Niets. Maar in mijn hoofd bestaat Tom heel duidelijk. Tom is groot. Niet dik dik, maar zo’n geruststellend buikje van iemand die graag eens een goed stuk vlees eet en daar een Duvel bij drinkt. Hij heeft een stoppelbaard. Draagt jeans. Altijd jeans. En van die blauwe River Woods-truien over een hemd. Geen modieuze sneakers maar degelijke schoenen waar ge desnoods ook ne keer een camion mee kunt lossen. Enfin. Zo ziet Tom eruit in mijn hoofd. Ik zou hem kunnen googelen. Maar dat gaat nu niet meer. Het beeld is af. Het decor staat recht. En ik ben bang dat de realiteit het gaat verpesten. Want stel u voor dat Tom eigenlijk klein is. Smal. Blond. Dat hij beige geruite hemden draagt en een klein beetje naar natte boekentas ruikt. Dat zou verschrikkelijk zijn. Dan zou geen enkele buscrisis nog hetzelfde voelen. Dat had ik vroeger ook met stemmen op de radio. Michel Follet bijvoorbeeld. Man man man. Ik hoorde die op Radio 2 en in mijn hoofd was dat een soort filmster met charisma tot tegen de muur. Tot ik hem ooit zag in de TV Story. Ik was oprecht ontgoocheld. Niet omdat hij lelijk was. Maar omdat hij niet klopte met mijn versie van Michel Follet. Of die vrouw van het circus waar ik maanden telefoons mee deed. Ik zag een warme, donkere, voluptueuze zigeunervrouw voor mij. Veel armbanden. Grote rokken. Zware parfum. Maar toen kwam ze toe en bleek ze blond, klein en Duits-modern-jaren-tachtig te zijn. Zo iemand die waarschijnlijk kiwi in blokjes snijdt bij het ontbijt. Dat was lastig. Dus misschien moet ik Tom gewoon laten bestaan zoals hij nu bestaat. In die gezellige parallelle werkelijkheid waar hij nog altijd groot is, lichtjes naar Duvel ruikt en met één hand een busprobleem oplost terwijl hij met de andere een broodje préparé vasthoudt. En wie weet hoe Tom mij ziet. Misschien denkt hij dat ik slank ben. Dat ik lang blond haar heb dat altijd goed ligt. Dat ik zo’n vrouw ben die zelfs tijdens een crisis nog elegant klinkt aan de telefoon. Zo iemand die rustig “dat komt wel goed” zegt terwijl achter haar een school vol kinderen collectief in paniek staat. Misschien denkt hij dat ik met een zonnebril op in een cabrio rondrijd tussen culturele uitstappen door. Dat ik nooit vloek. Dat ik georganiseerd ben. Zo’n madam met kleurcodes in haar agenda en muntthee in een thermos. Of misschien ben ik voor hem een soort deftige mevrouw in een lange beige jas die proper “goeiedag” zegt en naar lavendel ruikt. Iemand die nog nooit een préparébroodje boven een stuur heeft gegeten onderweg naar een schoolvoorstelling. En eerlijk? Ik hoop het een beetje. Want zolang wij mekaar niet echt kennen, mogen wij nog vanalles zijn. Dan blijft Team Bus iets schoon. Twee mensen die mekaar eigenlijk alleen kennen in stresssituaties, omringd door zwetende chauffeurs en kinderen met fluohesjes, maar die intussen wel een volledig personage van mekaar hebben gemaakt. Dus nee. Ik ga Tom niet googelen.

Katrien Daniels
47 3

Heel Brasschaat gaat kapot.

Ze steekt van wal: heel Brasschaat gaat kapot. Iedereen wordt daar weggehaald. Alle mensen moeten naar het buitenland.  Echt, vraag ik. Ik kijk verbaasd. Ik ga mee in haar verhaal, wil van verbazing omvallen maar de stoel onder mij laat dat niet toe. Ja, zegt ze. Mijn zus hebben ze meegenomen, hup, de auto in, en mee naar Holland. Daar stopte de auto aan een huis waar een man stond, op de eerste verdieping aan het raam, en daar moest mijn zus wonen. Dat is vreemd, zeg ik. Ik werd toen dikwijls misselijk. In de kerk begon ik over te geven, en ik viel flauw, gewoon op de grond lag ik, en dan droegen ze mij naar buiten, ze legden me op het gras, daar kon ik dan bijkomen van die misselijkheid. Zo ziek dat ik werd in een kerk. De dokter zei dat dat door de geur kwam. In de kerk hing een geur waar ik niet tegen kon. Wat raar, zeg ik. Ik kwam vroeger ook in kerken, nooit meegemaakt, zoiets als flauwvallen van een geur.  Brasschaat zal niet meer bestaan, vervolgt ze. Heel dat dorp zal leeglopen (als een bad, denk ik maar ze zegt het niet) terwijl dat toch een chique dorp was. Alles was daar. Veel winkels, een mooi park. Alle mensen hadden geld. Ik knik. Hij zal dan toch ook worden meegenomen? Wie, vraag ik. Juul. Ah, Julien! Mmmm, dat weet ik niet. Ik heb daar niets over vernomen. Volgens mij bestaat dat dorp toch nog. Ik ben er nog geweest.  Ja? Ja, ik was in Klina.  (stilte, zou ze nog weten dat Juul in het ziekenhuis lag?) Ik open mijn iphone en toon de bloemen. Ze kiest de mooiste. Ze wijst naar de details, het puntje van het penseel heeft daar een puntje verf gezet, dat zie ik terwijl ze wijst en geen moment laat liggen om het woord te nemen.  

Ingrid Strobbe
17 1
Tip

Barry White en de geur van vergeten

“I never take pain for granted, only a fool takes things for granted.” Zo begon het. Dat liedje van Barry White.Onze mannen hadden achter de rug van de andere collega’s om, zendtijd geregeld in een radioprogramma. “Topteam van cc Nova". Eric droeg het nummer op aan “zijn vrouwtje”. Zo noemde hij haar altijd, met die glimlach alsof hij zelf niet goed wist hoe hij zoveel chance had gehad. Nu, jaren later, kan ik dat nummer niet meer horen zonder aan hem te denken. Eric.De immervrolijke collega. De man van de kleine kwinkslag, de mop die altijd nog ergens in zijn jaszak zat, de handen vol goede bedoelingen. Ik weet zelfs niet meer exact welk jaar het was. Maar ik weet nog wel dat er plots een bom ontplofte in ons leven en dat ik een maatje kwijt was. En het absurde was: terwijl wij hem verloren, speelde er zich buiten een aflevering van Fata Morgana af. Dorpse gekte. Vlaggen. Ambiance. Mensen die pinten dronken op pleinen en bezig waren met spektakel terwijl ergens tussendoor een leven wegviel. Ik herinner ik het me daarom nog zo scherp. Omdat verdriet zich altijd afspeelt terwijl de wereld compleet ongepast gewoon verder feestviert. Zo voelt verlies achteraf ook vaak: alsof ge uit een scène stapt terwijl de rest van het decor gewoon doorspeelt. En toch verdwijnen mensen nooit helemaal. Dat is het vreemde aan herinneringen. Ge denkt dat ge verder zijt gegaan. Dat het stof erop ligt. Dat het leven er ondertussen andere lagen overheen heeft gelegd. Tot daar ineens een liedje is. Of een geur. Of een plek waar het licht toevallig hetzelfde valt als toen. En hop. Daar staat iemand weer voor u. Soms twintig jaar later. Een paar noten van Barry White en Eric staat terug tegen een toog geleund, monkelend alsof hij iets weet dat de rest nog moet ontdekken. Een vleugje parfum in de gang en ge zijt weer twintig. Een geur van koffie en iemand zit opnieuw tegenover u alsof die nooit is weggeweest. Zo dragen mensen elkaar mee zonder dat ze het beseffen. Niet in grote monumenten of indrukwekkende speeches, maar in kleine absurde dingen. In een nummer op de radio. In een scène uit Notting Hill. In Roxette op een verkeerd moment in de auto. In de geur van een septemberochtend. In koffie die net op tijd gekomen is. Misschien is dat wat liefde uiteindelijk doet. Ze verstopt mensen in details zodat ze nooit helemaal weg kunnen. En gisteren dacht ik daar opnieuw aan. Aan afscheid nemen. Aan hoe ge soms met twee volwassen mensen tegenover elkaar zit terwijl ge allebei weet dat ge elkaar moet lossen en geen van beiden daar eigenlijk talent voor heeft. Hoe ge probeert flink te klinken. Redelijk. Bijna modern in het loslaten. Terwijl er onder tafel nog duizend dingen naar elkaars hand grijpen. En ik vroeg me plots af: wat blijft er eigenlijk hangen van een breuk? Niet de grote gesprekken, denk ik. Niet wie gelijk had of wie te laat beseft heeft wat er op het spel stond. Misschien blijven mensen uiteindelijk plakken in de kleinste dingen. In een geur van koffie die net op tijd gekomen is. In een ochtend in september. In een nummer van Roxette dat onverwacht opduikt in een supermarkt. Of in die ene scène uit Notting Hill die ge nooit meer gewoon kunt bekijken. Misschien zit ge ooit jaren later ergens in de file en hoort ge toevallig een nummer dat ge al eeuwen niet meer gehoord hebt. Misschien ruikt iemand naar dezelfde regenjas, dezelfde shampoo, dezelfde ochtend. En misschien denkt ge dan heel even: daar zijt ge weer, ik wou dat ik u kon vastpakken. Nog één knuffel, nog één pintje, nog één mopje. Een één moment waarop ik kan zeggen hoe bijzonder ge zijt.  En dan hoor ik Barry White opnieuw zingen dat alleen dwazen dingen vanzelfsprekend vinden. Hij had gelijk.

Katrien Daniels
153 7

Alma Mater

Mijn grootmoeder heette Alma. Wij zeiden meter, maar eigenlijk heette ze Alma. Ze haatte die naam, omdat dat volgens haar “ne naam van den Duits” was. In haar hoofd was het een vaststaand feit. Alma was geen naam voor een mens gelijk zij. En toch heeft geen naam ooit beter bij iemand gepast. Alma Mater. De voedende moeder. De moeder der moeders. Al zou ze zelf gezegd hebben: “Doe normaal, kind, en eet nog een stuk appeltaart.” Want dat was meter ook. Geen grote woorden. Wel zoete citroenthee bij griep. Extra lang op haar schoot bij een geschaafde knie. Rijstpap op vrijdag. Appeltaart op zaterdag. Rituelen waar ge als kind op vertrouwt gelijk de zon die opkomt. En katholiek dat die vrouw was. Wij moesten elke week naar de mis. Geen discussie mogelijk. Of ge moe waart, of het regende, of ge liever in uwe pyjama naar Niels Holgerson keek, deed er niet toe. God wachtte niet. Dus zaten wij daar braaf in de kerk terwijl meter ondertussen alle heiligen persoonlijk leek te kennen. Voor examens werd er gebeden. Voor een operatie werd er gebeden. Voor slecht weer op het communiefeest werd er een noveenkaars aangestoken alsof ze rechtstreeks met de hemel onderhandelde. Ik ben dat geloof onderweg ergens kwijtgeraakt. Maar nog altijd, als er echt iets is, iets groot, iets waar ge zelf geen vat meer op hebt, denk ik soms: “Almake… spreek uwe God daar eens op aan.” En eerlijk? Een stuk van mij gelooft dat ze dat doet. Bij meter thuis was het altijd warm. Letterlijk ook. Een kleine leefruimte met een kachel die precies heel de familie draaiende hield. Vijf kleinkinderen door elkaar. Een tafel vol kaarten. Beeldjes op de schouw. Mijn grootvader in zijn vaste hoek van de zetel. Mensen die luid praatten, luid lachten en soms luid ruzie maakten om daarna gewoon verder cake te eten. Daar werden liedjes gezongen over nen bleken blauwe hond alsof dat cultureel erfgoed was. Daar werd uren gekaart. En meter, die smeet haar kaarten op tafel met de grandeur van een casino in Las Vegas en riep: “Zevenen! Dat kan alleman!” waarop wij allemaal tegelijk begonnen roepen dat het ni waar was. Het was een huis van commentaar geven zonder rem. Van elkaar plagen. Van verhalen die elk jaar straffer terugkwamen. Van te luid soms zo luid dat de ramen ervan trilden. Ik heb het duidelijk van geen vreemden. Later, toen ik zelf moeder werd, veranderden onze gesprekken. Ze gingen minder over kinderknieën en meer over het grote modderen. Over hoe ge uw best kunt doen en toch soms denkt: is dit het nu? Over kinderen die moeten vliegen, terwijl ge zelf nog met hun jas in uw handen staat. Jaren later noemde ik mijn bedrijf naar haar: Huis Alma. Niet omdat ik een heilige wilde eren, maar omdat ik iets van haar wilde meenemen. Haar nuchterheid. Haar pragmatisme. Haar massa’s liefde. Haar relativeringshumor. En altijd ergens die geur van soep of versgebakken cake. Zelfs op het einde, toen wij voor haar mochten zorgen, bleef ze Alma. Kleiner misschien. Brozer. Maar nog altijd een huis. Nog altijd iemand bij wie ge dacht: hier mag ik zijn. Misschien is dat moederschap. Niet perfect zijn. Niet altijd zacht. Niet altijd geduldig. Soms kijven. Soms zuchten. Soms de verkeerde dingen zeggen en daarna toch koffie zetten. Maar vooral: een veilige haven zijn voor vogels die moeten vliegen. Een plek die zegt: het is goed. Bij mij zijt ge veilig. Gelijk wat. Ik blijf. En ondertussen modderen we allemaal maar wat aan. Met onze soep, onze kinderen, onze zorgen, onze appeltaart. Zoals meter het ons geleerd heeft.

Katrien Daniels
57 4

Taart zonder moederdag

Ze sloft door de tuin naar de keuken. Haar ouders zitten al aan tafel. Op de tafel staat een grote Bresiliennetaart. Die had haar zoon gisteren gekozen. Ze had hem van school gehaald en gezegd dat hij zijn valies moest pakken om naar zee te vertrekken, maar hij wou eerst nog boodschappen doen. Ze zei dat hij spekjes met pasta en broccoli kon eten en dat ze morgen boodschappen konden doen. Hij had dat deze week al gegeten bij zijn vader, zei hij, we passeren toch een winkel, het duurt echt niet lang. Ze gaf toe omdat ze hem al maar zo weinig kon verwennen en stiekem wou ze ook wel een taartje. De weekends met haar zoon daar keek ze enorm naar uit. Het was het derde weekend samen. Drie weekends op 3 maanden. Dat was niets. Zij die altijd dag in dag uit met haar kinderen doorbracht. Geen uur in de opvang of de studie, geen uur bij een babysit, 11 jaar lang fulltime mama voor haar zoon en 14 jaar lang voor haar dochter. Tot de scheiding. Dan werd ze plots halftijdse mama en door het gedrag van hun vader minder dan halftijds en nu wellicht niets meer.  Ze keek naar het witte nootjestapijt op de stevige gele crème. Bresiliennetaart deed haar altijd aan haar vakantiejob denken bij Rosalie Babelutte in Heist. 's Morgens startte ze met zich in het zweet te lopen tussen de bakkerij op de kelderverdieping en de winkel op het gelijkvloers. Grote grijze bakken met allerlei broden, koffiekoeken, sandwiches en pistolets werden verhuisd. De broden werden in metalen rekken geplaatst in de buurt van de deur. De kleine broodjes werden mooi gestapeld in het houten rekje achter de toonbank. Daarna werden de taarten naar de winkel gebracht en in de vitrine gelegd en ging de winkel open. De eerste uren was het non-stop klanten bedienen. Met drie stonden ze in de winkel. Er waren twee kassa's. De oudste vond ze fantastisch. Daar moest ze de ronde knoppen met een zware vinger aanslaan om zeker een duidelijk cijfer op het kasticket te zien verschijnen. Tegen de middag waren haar vingers moe en was de inktafdruk lichter blauw dan het eerste uur van de werkdag. Als ze de totaaltoets had ingedrukt en de kassa met geweld en veel geluid open vloog, begon het hoofdrekenen om te weten hoeveel ze moest teruggeven. Ook dat ging soms minder vlot tegen de middag. Op de andere kassa verscheen het terug te geven bedrag digitaal op het schermpje, waardoor je de klanten soms op voorhand zag kijken bij wie ze zouden bestellen om toch maar niet op de oude kassa bediend te worden. Als het niet druk was mochten ze enkel de oude kassa gebruiken. Die kassa was voor het zwart geld, hadden de bakkersvrouwen haar gezegd. Hun echtgenoten werden oud en ze zouden het niet lang meer volhouden, dus dat zwart geld zou van pas komen. Na een paar uur goed doordraaien viel er altijd een rustuur. Dan kon één van hun drieën iets eten, wie het meest honger had of loden benen of het ergste had gezweet ging eerst rusten. In de namiddag werd er roomijs gemaakt door een andere jobstudent. Zij mocht terwijl hij de ijs bereidde kiezen of ze verder in de bakkerij stond of bij hem in de crèmerie of beneden bij de afwas. De afwas moest ze minstens één keer per week kiezen. Daar werd nog meer gezweet: grote bakplaten proper maken met een ijzersponsje en bijtende producten en de vaatwas vullen met bordjes en tasjes van de crèmerie en de bakkerij. Maar er werd wel gelachen aan de afwas, want de twee bakkersbroers en de bakkersstudent waren blij dat hun shift er bijna opzat en kwamen wat gek doen voor ze huiswaarts gingen. De bakkersvrouwen die dan in de winkel stonden kwamen af en toe haar afwas controleren en de mannen wegjagen met hun gekdoenerij. De bakkersvrouwen waren ook zussen, maar zo anders. De zwarte was op het eerste zicht veel zachter en aangenamer om mee te werken en bleef altijd hetzelfde naar klanten, een lachje en een zacht zenuwachtig geluidje dat de ene dag al uitgesprokener aanwezig was dan de andere, een soort kuchje waar ze soms om moest lachen. De blonde had iets stuurs en dat maakte haar destijds wat bang, maar na een week had ze door dat achter het stuurse een crème van een vrouw zat met het hart op de tong. Stond een klant haar niet aan dan hield ze zich niet in. De zwarte had dat misschien beter ook wat meer gedaan, dan was ze misschien van dat kuchje vanaf geraakt. Maar de zwarte vond klant koning, de blonde was een onbeschofte respectloze klant graag kwijt. Zo herinnerde ze zich een Duitser die ze in haar beste Duits letterlijk terug naar de loopgraven verwenst had. Even dacht ze dat ze met elkaar op de vuist zouden gaan, maar ze nam gewoon zijn kopje en zijn bord met een zwier voor zijn neus weg terwijl ze hem luid haar gedacht zei. Met haar vinger wees ze naar de deur en toen hij nog wat tegensputterde gaf ze nog een extra duw in de lucht om haar standpunt definitief duidelijk te maken en gooide de deur achter zijn hielen dicht. Zo boos was ze. De hele winkel stond verbaasd te kijken en de bestellingen werden doorheen de hele scène gehakkeld uitgesproken of simpelweg onderbroken.  In de namiddag kwam altijd een dipje. Toeristen zaten op het strand, de ochtend- en middagspits was voorbij. De jobstudent die met zijn grote roeispaan in de enorme ton draaiende roomijs schepte maakte de namiddag altijd tot een spel. Hij probeerde het ijsdraaien soms wat te rekken zodat het minuten tellen tot de avondspits wat minder lastig zou zijn, maar dat hadden de twee bakkersvrouwen al gauw door. In die dode minuten kwam de zwarte of de blonde ook altijd vragen “Wuk wult je vandoage, ne kreem, e tortje of e beuterkoeke?”. De bresilienne moest altijd eerst op. Aan het einde van het seizoen kon ze geen bresilienne meer zien. Maar nu had ze al anderhalf jaar een lief die verzot was op taartjes en bresilienne stond weer vaker op tafel. Niet zelfgemaakt.  De eerste taart die ze hem liet proeven anderhalf jaar geleden was rabarbercrumble. Ze durfde toen nog niet dicht naast hem zitten, maar dat duurde niet zo lang. Ze wil hem zo graag bellen en vragen om een stukje te komen mee-eten, maar hij heeft rust nodig, dus stuurt ze niets. Ze kijkt naar haar vader en zegt. K sta hier nu hé, met mijn bresiliennetaart en al mijn eten voor drie dagen. Hij zegt dat ze het gaat moeten loslaten en aan zichzelf moet denken. Hoe dan?, vraagt ze. Ik heb de voorbije 16 jaar voor mijn kinderen geleefd. Hoe kan ik ze nu volledig loslaten alsof ze niet meer bestaan? De tranen rollen weer over haar wangen. Ze zwijgt en eet. In haar hoofd speelt ze nog eens de voorbije dag af. Het was vrijdag. Ze was opgestaan met slaapscore 90, dat had ze nog nooit gehad. Ze at een boterham, dronk koffie en reed naar de kinesist. Ze was fier dat ze opnieuw perfect geparkeerd stond, weer een kleine overwinning. Ze had haar wijde coltrui aan omdat ze het koud en vochtig vond. De kinesist lachte en zei “wat een verschil met je zomeroutfit van vorige week”. Dan had ze door dat ze misschien wat overdreef, zo kou was het niet. Maar ze had dat wel vaker in het begin van de lente, nog even het gevoel van de winter willen, net zoals ze in de late herfst nog met blote billen liep om nog een beetje zomer te voelen. Over die blote billen van haar had hij in hun eerste smsjes nog opmerkingen gemaakt. Ze miste die smsjes. Ze had wel vaker schrijvende lieven gehad, maar hij was anders. Vertel eens hoe het geweest is met de wandelingen, vroeg de kinesist. Perfect, 12 kilometer zonder pijn en twee dagen na elkaar. Terwijl ze de woorden uitsprak dacht ze aan de westhoek en hoe ze gevoeld had dat de liefde stroomde. Ze keek zo uit naar het lange weekend die eraan kwam, maar nu door deze crisis voelde alles weer anders. Haar zenuwstelsel stond weer gespannen en ze was weer bang. En ze wist dat haar angst ook zijn angst kon terugbrengen.  Maar eergisteren heb ik opnieuw een serieuze emotionele crisis gehad waardoor mijn rug en nek weer vast zitten, ging ze verder. De kinesiste reageerde dat ze dan eerst naar die rug zou kijken. Ze deed haar werk en het deed deugd. Aan het einde kreeg ze te horen dat ze een heel goed lichaamsbesef en enorm soepele gewrichten had waardoor de manipulatie vlot ging, ze kon haar in alle richtingen draaien en keren. Ze dwaalde af bij die woorden en moest aan hem denken, haar lief, hoeveel zin ze had om nog eens door hem in hoeken en bochten gedraaid te worden. Maar dat ging nu niet. Ze kon niets forceren. Geduld. Zijn moeilijke periode zou overgaan, dat wist ze zeker, ze wist alleen niet wanneer. Ze stond op, betaalde, bedankte en ging naar de auto. Buiten was het intussen warmer. Ideaal voor de wandeling met haar jeugdvriend. Ze kon het niet laten hem een duwtje te geven in de richting van een gemakkelijkere toekomst. Hij zat al te lang vast en ze had hem al lang niet meer gemotiveerd omdat ze teveel met zichzelf bezig was. Hij gaf haar ook af en toe een duwtje, ze had er wel iets aan en hoopte dat hij ook iets aan haar duw had. Daar dienden vrienden voor. Halfweg stonden ze stil. Een klein reetje was rustig aan het grazen en keek even op toen ze dichterbij kwamen. Ze bleven wat staan. Zij trok een foto voor de kinderen en voor haar lief, die hielden ook van dieren in het wild. In de namiddag scrolde ze nog wat naar jobs en huizen en naar een leuke plek om het volgende weekend door te brengen. Hij had haar vandaag nog niet gebeld en ze had wel zin om hem te horen en haar pikante gedachten te delen. Maar net voor ze het daarover wou hebben stapte haar zoontje in de auto, dus zweeg ze, het was niet voor kinderoren bestemd. Het deed wat pijn in haar buik om haar lief en haar zoon even met elkaar te horen praten, net zoals het pijn deed om zijn zonen van op afstand in de auto te zien en er niet bij te mogen. Zo had hij het beslist. Na een half jaar fulltime samenzijn en dan nog meer dan een half jaar halftime samen zijn kreeg ze zijn zonen plots niet meer te zien en wou hij haar kinderen niet meer zien. Haar zoontje zag er enorm van af. Sinds ze niet meer samenwoonden had hij op school dagelijks problemen en was hij geschorst. “Jullie zoon is een lief, beleefd, leuk en eerlijk kind, maar hij gedraagt zich sinds half januari absoluut niet in de klas en hij heeft er precies geen besef van. We moeten hem helpen hadden ze gezegd, want we begrijpen dat hij de voorbije jaren heel wat te verwerken had, maar hij vliegt wel eerst een paar dagen van school.” Zij had dat eigenlijk een mooi cadeau gevonden. Dankzij de schorsing kon ze hem midden in de week drie dagen bij haar aan zee hebben. Wat hadden ze daarvan genoten! De babbel met haar lief aan de telefoon sloot ze af en de rest van de autorit praatte ze met haar zoon. Wat was er vandaag misgegaan in de klas? Ze had immers opnieuw een mail ontvangen van de juf wiskunde. Er hing stinkende parfum van de zesdes in de klas, had hij gezegd, en om het niet te ruiken had ik mijn neus in mijn fles water gestoken. En de jongens hadden mijn plezier gemist toen ik er niet was. Ze reageerde kalm, zoals altijd, maar maakte hem de gevolgen van zijn gedrag wel duidelijk. In de winkel waren ze enthousiast en kochten allerlei lekkers. Hij koos de bresiliennetaart en zei dat hij een stukje aan zijn vader ook ging geven. Zij zei dat het ok was, hoewel ze liever een stuk aan haar lief had kunnen geven omdat die veel blijer reageerde. Op de weg naar huis begon haar zoon over iets wat hij cadeau had gekregen, waarop zij reageerde dat ze daar ook wel de helft van betaalde. En ze probeerde nogmaals uit te leggen hoe een gescheiden koppel werkt. Maar zulke gesprekken maakten haar zoon altijd boos. Dus zei ze dat het al goed was en ze erover ging ophouden, maar dat ze niet wou dat hij zo boos reageerde en dat ze ook niet wou dat er dingen werden gezegd die niet klopten, maar dat hij daar niet aan kon doen, dat zij het wel zou oplossen. Ze kwamen boos thuis aan. Hij bleef wat in de auto zitten. Hij vroeg wat hij nu moest doen. Ze zei dat hij zijn valies moest nemen en vertrekken. Hoe kan ik weten of je mij nog mee wil vroeg hij. Natuurlijk antwoordde ze, maar ik wil niet dat je nog zo'n dingen zegt, het maakt mij telkens overstuur. Terwijl hij zijn valies nam, vroeg zij haar ex om de fietsen nog in te laden, zodat ze die kon binnen doen in de tweedehandswinkel zodat de kinderen nog een spaarcentje hadden en hij de rommel kwijt was. Hij stak er echter een fiets teveel in. Ze had het nochtans duidelijk gezegd en al meerdere keren herhaald dat ze die niet zou meenemen. Hij had toch zijn zin gedaan en alles in haar auto vastgebonden. Toen ze zich daar over irriteerde en hem wees op het feit dat hij sinds de scheiding totaal niet behulpzaam was geweest werd hij heel boos en liep weg. Hem weer zo zien raakte haar nog steeds. Haar vader had het ook weer gehoord, zijn geroep. Ze begreep het niet, ze begreep niet waarom hij zo hatelijk bleef doen na al die jaren dat ze zich voor iedereen had ingezet. Hij had nochtans een doos vol goede eigenschappen ook, maar om de één of andere reden ging die maar af en toe open. En daardoor was ze de liefde kwijt geraakt, zichzelf ook kwijt geraakt. Opgejaagd stapte ze in de auto en vertrok met haar zoon richting zee. Er was file door de werkzaamheden in de straat. Stapsvoets gingen ze vooruit. Haar zoon zei dat hij bij zijn vader gecheckt had of het klopte wat ze over het financiële had gezegd en hij had gezegd van niet. Toen werd ze boos. Ze zei dat het veel te complex was voor hem en ze gewoon wou dat hij het er niet meer over had, dat het niet ok was hoe het nu geregeld was en ze recht had om haar kinderen veel meer te zien. Haar zoon werd nog bozer en plots kreeg ze zijn hand tegen haar gekletst. Zij werd ook bozer en zei dat het echt niet ok was, dat ze begreep dat ze had moeten zwijgen, maar ze geen klets verdiende. En dan viel de zin die ze zo had gevreesd, dat hij niet meer mee wou naar zee. Ze wist dat hij wel zou kalmeren als ze toch zou rijden, maar ze was zelf echt boos en wou nu eindelijk eens aan haar ex een signaal geven dat dit niet meer kon. Ze voerde hem tot daar, maar in plaats van dat ze van hem steun kreeg werd zij voor gek aanzien die haar kinderen en zichzelf niet meer onder controle had. Ze schreeuwde nog dat ze zichzelf dan maar beter tegen een boom kon rijden als ze toch geen kinderen meer had en vertrok met piepende banden. Vijfhonderd meter verder ging ze aan de kant en begon te huilen. Vlakbij de wandeling die ze zo vaak had gedaan toen de kinderen klein waren en die ze het afgelopen jaar ook met haar lief had gemaakt. Verdomme, waarom stopte het niet? Ze had haar gezin in de steek gelaten, alles achtergelaten omdat het beter zou worden, maar het werd niet beter, integendeel. Hij deed haar nog evenveel pijn, met dat verschil dat ze nu helemaal niets van voordeel meer had aangezien ze zowel haar huis als haar kinderen kwijt was en dus ook haar rust. Hij belde, één keer, twee keer, ze nam niet op, haar dochter belde, ze nam op. Blijf daar staan had ze gezegd, de politie komt naar jou. De politie belde een paar seconden later om te weten waar ze stond en ze kwamen langs. Eindelijk kon ze haar verhaal doen. Eindelijk durfde ze zeggen dat haar ex niet ok meer was. Ze had hem altijd blijven verdedigen, achter elke kritiek had ze er iets positiefs of verzachtend aan toegevoegd. Maar nu durfde ze zeggen dat haar reactie het gevolg was van jarenlange kleine kwellingen. Elke keer als ze van hem weg wou toonde hij dat het ook anders kon, maar hij hield het niet vol en de kwellingen begonnen opnieuw. Ze had zich allerlei vragen over zichzelf gesteld, pogingen gedaan om haar gedrag aan te passen, externe hulp ingeroepen. Ze begreep niet waarom ze niet gewoon gelukkig kon zijn, verweet zichzelf dat ze alles had waar velen van droomden, maar ze voelde teveel en niet de juiste dingen. En uiteindelijk werd zij een versie van zichzelf die ze niet meer graag zag. Zo wou ze niet zijn, het moest stoppen, en ze vertrok met de zachtste man die ze ooit had ontmoet. Hij bestond.  Ze gaat terug naar de tuin. Ze had met de psycholoog gebeld. Die had gevraagd of ze niet bij haar lief kon om te vermijden dat ze moedertjesdag alleen zou doorbrengen. Ze wou wel, maar hij wou het niet. Ze was hun moeder niet. Ook al zorgde ze meer dan vijf maanden fulltime voor hen toen hun moeder dat niet kon. Ze luisterde naar hun verdriet, naar hun vragen en bezorgdheden over de relatie met hun vrienden, over hun grootvader, over hun verdwenen grootmoeder en de stiefgrootmoeder. Ze motiveerde hun wanneer ze aan zichzelf en aan hun kunnen of zijn twijfelden en remde hun af als ze in overdrive gingen, ze lachten en grapten samen, speelden spelletjes en ook zij kreeg af en toe een kietel, een kneep of een troostende knuffel of babbel. Ze verzorgde wondjes, smeerde zonnecrème, vouwde hun was op, naaide gaatjes in de shirts, bracht hun naar school, maakte vers eten en dessertjes, kocht kleine cadeautjes voor verjaardagen en feestdagen, vroeg naar hun eerste werkervaringen, kreeg uitgebreid verslag van hun feestjes, ze vertelden open over sex en drugs en vertrouwden haar kleine dingen toe die ze hun vader liever niet vertelden. Nee, ze was hun moeder niet, dat wist ze wel, maar ze hadden meer dan een jaar lang lief en leed gedeeld. Voor haar voelden ze wel als haar gezin. Ze had het hem vaak gezegd, dat als hij plotseling zou overlijden, ze wel nog voor hen zou willen zorgen. Hij had dat toen goed gevonden, die ochtend dat ze in bed nog wat zacht praten over de naderende dood van zijn vader en zijn angst om ook vroeg te sterven. Het deed hem iets en hij kneep in haar hand. Dus toen ze enkele maanden later plots met haar kinderen moest vertrekken en niet alleen haar lief, de kippen, de hond, de tuin, het nieuwe huis, maar ook haar nieuwe kinderen moest achterlaten deed het pijn, veel pijn. En hij kon het op dat moment al niet meer voelen. Het gras staat vol madeliefjes. Dit jaar had ze nog geen gras afgereden. Ook dat miste ze. Het waren haar vertrouwde activiteiten die voor rust en regelmaat zorgden. Nu zat ze al maanden hier, in het huis van haar ouders, waar ze wel veilig en geliefd was, maar niet kon opladen. Opladen kon ze in haar eigen huishouden, haar eigen moestuin, in het stoffeeratelier en bij elke activiteit die ze met hem doorbracht, haar lief, een man waar ze lang van had gedroomd, maar dan had afgeschreven als onbestaande. Maar toch, hij bestond, de man die paste. Haar marraine had altijd gezegd "jouw vent moeten ze nog bakken", maar hij was al gebakken.  In de verte hoort ze een ambulance. De politie had haar niet naar huis laten rijden, maar ze hoefde ook niet naar het ziekenhuis omdat ze haar wel helder vonden. Ze hadden het stuur overgenomen en haar bij een vriend afgezet. Daar vroeg ze zich af wat ze daar zat te doen. Ze wilde naar haar kinderen, werd bijna gek, maar hij hield haar tegen. Het was goed dat ze daar was. Hij was de meest stabiele en rustige persoon die ze hier in de buurt kende. Maar ze wou op dat moment eigenlijk bij haar lief zijn en slapen om het verdriet te verwerken. In de plaats daarvan kroop ze opnieuw in het bed bij haar ouders, met matrassen van 50 jaar oud die zo hard doorzakten dat ze dacht dat ze op een ochtend eens niet meer te zien ging zijn. Ze viel rap in slaap, droomde over een bewijsdocument van een moordzaak die in het museum werd verstopt en werd wakker om vier uur. Opnieuw die hoofdpijn en buikpijn en het gemis. Ze had gedoucht, iets gegeten en was in de zon gaan liggen in de hoop te verdwijnen. Ze kijkt nog eens naar de madeliefjes in het gras en twijfelt wat ze moet doen. Toch iets gaan drinken met een vriendin ook al heeft ze geen zin om te praten? Naar tv kijken en hopen dat haar gedachten niet verhinderen om de beelden en tekst van de tv te laten doordringen? Een ticket boeken naar de bergen en een paar weken echt verdwijnen en niets meer laten horen? Wat wil ze? Haar telefoon gaat. Hij is het...dat wil ze...ze wil hem. Ze wil naar huis. En als ze thuis is en de tijd rijp zullen haar kinderen ook wel komen. Maar nu is het tijd voor haar. Ze heeft genoeg gedaan, genoeg gevochten, ze mag rusten. Morgen is het moedertjesdag. Ze bedenkt hoe het had kunnen zijn. Vervloekt haar pijn die haar mond heeft opengebroken en haar zoontje heeft gekwetst. Ze had met hem moeten doorrijden. Hij is net als zij, maximaal tien minuten boos. Ze hadden naar muziek kunnen luisteren in de auto. En dan bij aankomst, het laatste straatje bergop en dan een WAAAW uit zijn mond en bubbels in haar buik bij het zien van het wijdse strand en de eindeloze zee bij avondzon. Ze keek gisteren nog zo hard uit naar moedertjesdag ook al was het maar met haar halve kroost. Een half jaar geleden voelde ze zich moeder van vier, gisteren was ze nog moeder van één, vandaag voelt ze zich geen moeder meer. Misschien moet ze toch doen wat een bevriende maatschappelijk assistent had aangeraden? Naar spoed gaan. Maar niet om te vragen om te bemiddelen met haar ex en de kinderen, maar om haar plat te spuiten naar dromenland. In dromenland is het vast wel moederdag, zit ze aan tafel met zes en blinken gelukstranen door de nacht. 

Fien SB
27 1