Lezen

De Poolse winkel (uit Coronacursiefjes)

                                                                       (zaterdag 2 mei 2020 – 7765 doden in België)   Wat heb ik nodig vandaag? Brood, spuitwater … Ik moet erom lachen. We zitten al negen weken opgesloten en wat heb ik nodig? Brood en water? Dan toch maar een flesje wijn voor mezelf en cola voor zoonlief. Oh ja, en kip! Dan maak ik chicken tandoori morgen. Ik vis een stoffen tas uit de kast, pluk mijn handtas van de tafel en rommel door de inhoud: sleutel, bankkaart, bonuskaart en gsm.  Het zonlicht schijnt door het broebelglas van de voordeur en valt op de verweerde tegels in de gang. Ik blijf even staan met het slot in de rechterhand. Ademen, hou ik mezelf voor. Blijven ademen! Ik trek de voordeur open en stap de wereld in. Ik trek de deur achter mij in het slot en het is alsof ik er vanaf nu helemaal alleen voor sta. Xena Warrior Princess tegen de buitenwereld. In de Driekoningenstraat is het zoals nooit anders over de koppen lopen. Vanaf volgende maandag worden de maatregelen versoepeld, maar het is duidelijk dat veel mensen daar niet op wachten. Ik stap naar de plaatselijke Albert Heijn. Wanneer ik de rij wachtenden zie, draai ik honderdtachtig graden en wandel terug de winkelstraat in.  De Poolse winkel is open. Buiten zit een brede man in bestofte werkbroek en knabbelt op een koek. Ik ga hem voorbij en loer naar binnen.     ‘Proszę wejść!’ De verkoopster wenkt me met een breed gebaar. ‘Kom binnen, kom binnen!’ Ze is heel groot, heeft lang zwart haar en rood gestifte lippen. ‘Zorry, mien niederlandsz,’ ze rolt met haar ogen en maakt een hulpeloos gebaar.    ‘That’s ok,’ probeer ik.  Ik kijk rond en zie niet wat ik zoek.    ‘Excuseer, hebt u spuitwater?’ De vrouw sorteert intussen pakjes sigaretten aan de kassa met haar rug naar de winkeltoog.    ‘Mevrouw?’ Ze draait zich om en tovert haar mooiste lach op haar gezicht.    ‘Huh?’    ‘Sorry, ik zie alleen plat water. Ik zou graag een fles spuitwater hebben.    ‘Cola? U?’    ‘Nee, water alsjeblieft.’ Ik glimlach en wijs op het mineraalwater dat wat verder op de grond staat.    ‘Aaaaah, wody!’ Ze knikt en neemt een fles. Ik schud van nee.    ‘Hebt u misschien ook spuitwater?’ Ze bevriest met de fles water in haar handen en kijkt me aan alsof ik van de maan kom.    ‘Gas?’ probeer ik.    ‘Aaaaah, gazu! woda gazowana! Thies is woda mineralna!’ Ze komt achter de kassa uit en plukt een fles uit een rek.    ‘Woda gazowana!’ roept ze triomfantelijk en ik geloof haar. Ze staat daar met de fles in de ene hand en wijst ernaar met de andere, terwijl de tip van haar rechtervoet sierlijk naar voor wijst. Een reuzin met rood gestifte lippen en een fles water. Het lijkt een reclamespot.  Ik bedank haar zo vriendelijk als ik kan, betaal en loop de winkel uit.    ‘Do zobaczenia,’ zegt de bestofte broek wanneer ik langskom en hij steekt zijn duim op. Ik doe stoer hetzelfde en loop verder.

Kristin Huyghe
7 0

De krantenwinkel (uit Coronacursiefjes)

                                                                 (donderdag 23 april 2020 – 6735 doden in België)   Op het voetpad voor de krantenwinkel is het druk. Buiten staat een reclamebord in plexiglas met de laatste cover van ‘Flair’. Naast een meisje met een brede tandpastasmile staat de tekst ‘hoe vermager je in vijf dagen zonder te diëten’ in grote zwarte letters. Je kan er niet naast kijken. Ik heb een pakje dat moet worden teruggestuurd. Ik heb een accu voor een oude laptop gekocht in de hoop dat ik die terug aan de praat kon krijgen. Nee dus. Gelukkig mag ik het zonder kosten terugzenden.  Met een knal botst een man tegen mij aan.    ‘Seg trut! Zie waar ge loopt,’ roept hij en maakt zich uit de voeten. Verdomme! Die heeft geluk dat hij niet is blijven staan. Ik kook inwendig. Een vrouw met zwart mondmasker staat in het deurgat van de krantenwinkel. Ze sleurt een grote boodschappentrolley mee waarmee ze de ingang van de winkel blokkeert. Over haar schouder, vanop een afstand, zie ik binnen twee mensen staan. Je mag per twee binnen, dus dat zit snor. Eén klant staat aan de winkeltoog, de andere rommelt doorheen de magazines. Ik ga op het voetpad achter haar tegen de etalage staan en wacht mijn beurt af.     ‘Kom maar binnen, schatteke,’ hoor ik een stem van achter de toonbank roepen, waarop de vrouw die ik intussen oneerbiedig Zorro heb gedoopt, in de donkere winkel verdwijnt. Vanuit de tegenovergestelde richting komt een oudere man aan geschuifeld. Hij loopt licht gebogen en zijn haar ligt in de war. Hij grimlacht waarbij zijn bovenste tandenrij naar beneden zakt. Met zijn rechterwijsvinger duwt hij ze terug op hun plaats. Dan maakt hij een zwiepende beweging met zijn hand, richting deur.    ‘Vooruit, ’t is aan u!’    ‘Ik weet het mijnheer, ik wacht mijn beurt af.’ Ik wijs naar het A4tje dat op de deur is geplakt met twee grote stukken gele plakband. ‘2 persoonen tegelijk in de winkel toegestaan’.  Ik sta al een tijdje naar dat papier te staren en heb oprechte spijt dat ik geen zwarte stift bij heb. Een grote vette.    ‘Vooruit, ga maar!’ De man wordt duidelijk ongeduldig en maakt nogmaals dezelfde beweging. Ik denk dat hij mij niet verstaat. Ik draag nochtans geen mondmasker.    ‘Ik wacht even tot er een klant buiten komt, mijnheer.’ Ik glimlach vriendelijk of tenminste, dat probeer ik toch. Het is tenslotte niet zijn schuld dat hij half doof is. Plots schijnt er iets bij hem te dagen en hij grijnst.    ‘Aaaaah! twee man maar, he?’ Hij wijst naar het velletje papier.     ‘Ja mijnheer, twee maar, he.’  Oef, hij heeft het verstaan.    ‘Maar u gaat wel eerst binnen! Voor mij! Want u was eerst!’    ‘Ja! Dat klopt.’     ‘En dan is het aan mij!’ Hij lacht zo hard dat zijn vals gebit uit zijn mond floept.    ‘De volgende,’ hoor ik roepen. 

Kristin Huyghe
33 0

Dag oma (uit Coronacursiefjes)

                                                                            (Pasen, 12 april 2020 – 3935 doden in België)   Het mini mensje zit op de vensterbank. Hij heeft een kort broekje aan en uit de linker pijp krult de rand van een pamper. In z’n armpjes knelt hij een pluchen konijn en hij blaast een kus van zijn handje.    ‘Dag oma!’ Hij roept het heel luid. Zijn ouders moedigen hem aan.    ‘Laat je konijn eens zien aan oma,’ zegt de moeder.  Het kind duwt het konijn tegen de ruit en laat het met wilde gebaren hardop zoentjes geven.    ‘Kus, kus, oma kusje!’ Hij kirt en lacht uitgelaten. Achter het raam zie ik een grijze dos haar en de reflectie van de avondzon in een brillenglas. Een magere arm zwaait heen en weer in een veel te ruime mouw. De dame legt haar hoofd tegen de ruit en drukt een kus op haar gesloten vingers die ze daarna wegslingert in de richting van het kind. Die gilt opgewekt terug, trekt rare snuiten en laat het konijn nog meer gekke sprongen maken. Hij wipt op en neer op de smalle vensterbank.    ‘Nog even, mama,’ hoor ik de moeder roepen door het glas. ‘Nog even volhouden.’ Ze houdt het kind stevig vast.  Ik blijf staan aan de overkant.  De oude vrouw heeft het moeilijk. Ze wappert met een witte zakdoek, zet haar bril af en droogt haar wangen.    ‘Niet wenen, mama.’ De moeder kijkt vertwijfeld van het kind naar haar man.    ‘Mama,’ zegt hij luid en gebaart een knuffel om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Morgen komen we terug. We komen elke dag. En binnenkort komen we als het weer mag gewoon op bezoek zoals vroeger.’ Ik zie de zilveren haardos over en weer schudden van ja en ik voel het verdriet branden in mijn ziel. Het verdriet van de oma die in haar gevangenis zit en niet meer buiten mag, en dat van haar kinderen die buiten zitten en niet meer binnen mogen. We zijn allemaal gijzelaars, gevangenen van de tijd.    ‘Kusje oma,’ roept het heldere stemmetje van het kind, terwijl hij met zijn lippen een afdruk maakt op de ruit.    ‘Jakkes, bah, schat,’ hoor ik de mama nog zeggen. Het kindje schaterlacht zijn kleine tandjes bloot.  Dan verdwijn ik om de hoek.

Kristin Huyghe
11 0

De jongen van de Aldi (uit Coronacursiefjes)

                                                                            (maandag 6 april 2020 – 2044 doden in België) Het is kwart voor drie. Ik fiets voorbij de Aldi. Oef, niet te veel volk. Ik zet de fiets op slot en ga naar binnen. Een blonde jongen staat klaar met een busje ontsmettingsmiddel. Ik schat hem niet ouder dan drieëntwintig en hij heeft een angstige blik in de ogen.    ‘Ontsmettingsgel, mevrouw?’     ‘Graag en dankjewel!’ Intussen veegt hij met een doekje de handgreep van het winkelkarretje schoon.    ‘Gaat het, jongen?’ Mijn vraag is oprecht. Beelden van mijn eerste jobs spoelen door mijn gedachten. Stel je voor, denk ik.    ‘Het moet wel, hè mevrouw!’ Hij klinkt moedig, maar de ondertoon ontgaat me niet.    ‘Ben je bang?’    ‘Ja, mevrouw.’     ‘Wat een job, he jongen! De ganse dag karren ontsmetten, je moet het maar doen. Respect!’  De jongen kijkt op en zijn ogen twinkelen.    ‘Dank u, mevrouw.’    ‘Ik moet jou bedanken. Ik ken jou niet, maar je doet het toch maar.’ Misschien is het mijn verbeelding, maar de jongen ziet er een beetje vrolijker uit.    Ik rol het karretje voor me uit de winkel binnen. Een man met mondmasker verspert me de weg. Hij heeft zijn kar dwars gezet in het gangpad voor de toonbank met brood en kan blijkbaar niet beslissen wat hij zal meenemen.    ‘Excuseer, mijnheer?’  De man kijkt op. Hij heeft een monowenkbrauw.    ‘Wa?’    ‘Excuseer, ik zou graag voorbijgaan.’ probeer ik.    ‘Godvergodvergodver. Madame is gehaast. Awel, ik ben ook gehaast.’ Het masker maakt vreemde sprongetjes terwijl hij de woorden uitspuwt. Zijn wenkbrauw danst van links naar rechts en blijft ergens halverwege hangen. Hij grijpt de kar met zijn gehandschoende handen beet en draait die bruut een kwartslag.    ‘Denkte dat ge nu door kunt met uw dik gat?’ Ik wiel voorbij en heb tientallen antwoorden in mijn hoofd, maar ik doe het niet. Soms zijn ze het niet waard, meisje, zei mijn moeder vroeger als ik weer in vuur en vlam stond wanneer iemand mij het bloed vanonder de nagels haalde. Totaal negeren heeft meer effect dan op zoiets te antwoorden. Ik kijk even naar boven en bedank mijn moeder voor al haar wijsheid, terwijl ik inwendig kook van woede. Ik laad een paar zaken in de kar die ik de volgende twee dagen echt nodig heb. Ik probeer het te beperken tot het minimum.  Achter mij is er plots een tumult van jewelste.    ‘Godverdomse kutwijf!’ Het echoot tussen de rekken. Ik draai me om. Een vrouw met hoofddoek staat bijna neus aan neus met de man met het mondmasker. Gek hoe ze heel eventjes op elkaar lijken. Daar gaat de social distancing, denk ik en draai me terug om. Het gekibbel, gekijf en geroep stijgt crescendo achter mijn rug. Oef, ik ben er nog goed vanaf gekomen als ik het zo hoor.  Heb ik toiletpapier nodig? Neuh, ik kom wel terug of beter nog, ik vind wel een andere winkel.  Ik betaal aan de kassa. Achter mijn rug hoor ik een glazen pot sneuvelen. En nog één. Weg van hier.  Ik lever mijn kar in bij de lieve jongen en steek mijn duim op. Dat doet hij prompt ook. De buitenlucht is nog nooit zo zuiver geweest. Toch adem ik niet te diep in. Je weet maar nooit.

Kristin Huyghe
7 0

Oma (uit Coronacursiefjes)

                                                    (donderdag 12 maart 2020 – 3 doden in België)      ‘Dag mijnheer.’ Met uitgestrekte hand staat ze krakend op uit haar oude zetel.    ‘Dag oma.’ Hij drukt de hand van de vrouw. De lip van de jongen trilt.     ‘Ik ben het, oma! Matthias.’ De vrouw kijkt hem aan. Een grijze lok valt over haar voorhoofd.     ‘Wie bent u alweer?’ De jongen legt zijn andere hand op haar schouder.    ‘Matthias, oma. De zoon van Werner, uw zoon.’    ‘Ach!’ De ogen van de vrouw lichten op, zoeken die van hem.    ‘Bent u de zoon van Werner?’ Ze heeft zijn hand nog niet losgelaten en grijpt ze nu met beide handen beet. Ze bekijkt hem van kop tot teen. Dan krullen haar mondhoeken omhoog en een zweem van herkenning flitst over haar gezicht.    ‘Natuurlijk! Matthias zeker?’    ‘Ja, oma.’ Hij kust haar zacht op de wang.    ‘Werner is er niet, he?’    ‘Nee, oma. Papa is drie jaar geleden overleden.’ De vrouw slaat een hand voor de mond.    ‘Ach,’ zegt ze ‘Da’s waar. Onze Werner is er niet meer.’ Ze neemt de bril van haar neus, tast in de zak van haar gebreide vest en haalt een katoenen zakdoek boven. Ze dept haar ogen terwijl ze zucht.    ‘Onze Werner toch. Ach, ach!’ De jongen slaat zijn armen rond haar schouders en trekt haar teder tegen zich aan. Ze snikt een beetje tegen zijn borstkas.    ‘Lieve oma toch,’ fluistert hij. Hij streelt haar zijden haar. ‘Ik zie u graag, he!’   Ze maakt zich los uit de omhelzing.    ‘Ik u ook he, jongen. Ik u ook.’ Ze snuit haar neus, steekt de zakdoek weg en zet haar bril recht.    ‘Gaan we naar de foto’s kijken?’ Ze vraagt het met een kinderlijk stemmetje en ze glimlacht.    ‘Graag oma.’ Het fotoritueel is belangrijk voor haar. Ze neemt een fotoalbum uit de lade van de kast en gaat op de rand van het bed zitten.     ‘Kom,’ zegt ze en klopt op de bedsprei naast haar ‘Zet u.’  Even rusten haar handen op het boek dat op haar knieën ligt. Het heeft iets plechtigs. Dan slaat ze het open. Met een benige wijsvinger wijst ze naar een foto.    ‘Kijk,’ zegt ze ‘Dat is Werner, mijn zoon.’ Matthias trekt zijn oma dichter tegen zich aan. Hij voelt haar knokige schouderblad.    ‘Ja, oma, dat is papa.’    ‘En u bent?’    ‘Matthias, oma.’    ‘Juist, jongen.’ Ze duwt haar bril met haar rechterwijsvinger hoog op haar neus, kijkt hem even aan en glimlacht. ‘Matthias, ik ben blij dat je er bent’. Ze bladert langzaam doorheen het fotoalbum en vertelt bedachtzaam honderduit. Hij zit naast haar en luistert geduldig, zijn arm nog steeds rond haar smalle schouders geklemd. Af en toe legt ze haar hoofd tegen zijn borst.    ‘Ach,’ zegt ze dan.     ‘Oma, vanaf morgen mag ik je niet meer komen bezoeken.’ Zijn stem breekt. Hoe kan hij dit uitleggen? Hoe kan hij haar duidelijk maken dat ze hem een tijd niet meer zal zien? Verdomd virus.    ‘Kijk hier, jongen! Kerstmis met Werner. Is dat geen mooie foto? Kijk eens hoe hij lacht! Zie eens hoe gelukkig hij toen was!’ Matthias knikt en drukt een kus in oma’s zilveren haardos.  

Kristin Huyghe
12 1

Prinses Poezenpoot II

Mama’s maken heel veel fouten, vindt Flo. Het is haar een raadsel waar ze hun mamadiploma behaald hebben. Wie maakt er nu spruitjes voor lunch, en nog wel op een zondag? Met een boos gezicht prikt ze in haar aardappelen. “Op zondag horen we pannenkoeken te eten!” roept ze luid. “Niet zeuren,” zegt mama Anke vanuit de keuken, “je eet morgen op school al pannenkoeken.” Daar fleurt Flo van op. “Echt waar? Waarom?” “Omdat het knutselmiddag is,” zegt mama Stien, “jullie gaan pannenkoeken eten en zeepjes maken.” Ze fronst. “Niet tegelijk, hoop ik.” Sem giechelt. Flo is haar slechte humeur meteen helemaal vergeten. “Joepie, knutselmiddag! Toevallig zijn knutselmiddagen mijn favoriete dagen van de wéreld.” “Maar ze zijn nog leuker als je je spruitjes opeet,” merkt mama op. Flo trekt een gezicht. Nee, de mama’s begrijpen er helemaal niets van. Even later stormt ze de schuur binnen. “Goeiedag allemaal!” roept ze. “Ik ga morgen zeepjes maken!” Kling klang kling kletter! Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit komen meteen tevoorschijn. “Zeepjes? Wij willen ook zeepjes maken!” “Ja,” knikt de Gravin, “het is niet eerlijk dat jij elke dag leuke dingen mag doen op school, Flo. Wij zitten hier maar!” “Kunnen jullie niet naar de poezenschool?” Flo krabt in haar krullen. “De poezenschool! Dat kunnen wij allemaal al.” Prinses Poezenpoot likt verveeld aan haar pootje. “Maar zeepjes maken, dàt kunnen we niet. Dat willen we leren!” De volgende dag wipt Flo ongeduldig heen en weer aan haar schoolbank. Sommen maken, letters schrijven… Niks aan! “Wanneer is het zeepjestijd?” flapt ze eruit. De juf lacht. “Goed, Flo, je hebt gelijk. We beginnen eraan!” Al snel is de hele klas in rep en roer. Drieëntwintig kinderen die zeepjes maken, dat brengt wat chaos met zich mee. Al snel zijn alle tafels bedekt met roze, groene en gele spatten zeepsop. “Doe wel een beetje rustig,” waarschuwt de juf, “ik kan jullie vast horen tot aan de andere kant van de school!” “Ach juf,” zegt Emin, een kleine jongen met grote bruine ogen, “dat geeft toch niet! Dan weet de hele school hoe leuk het hier is!” Flo grijnst. Maar dan ziet ze iets aan het raam. Wat is dat? Het lijkt wel… een poezenpoot! Snel wrikt ze het raam open. Ja hoor: in de struiken voor de school zitten Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit. Ze zien er heel erg trots uit. “Wat doen jullie hier?” vraagt Flo geschrokken. “Dit is geen poezenschool!” “Wij zijn ook een beetje mensenkinderen,” de prinses stopt haar neus in de lucht, “en wij willen zeepjes leren maken!” Flo zucht. Ze kijkt naar de drukte in de klas. Zou het heel erg opvallen als ze de prinses en de gravin naar binnen smokkelt? Flo’s jas ligt onder haar tafeltje. Er zit een grote bobbel onder. De bobbel giechelt en hobbelt zo hard als hij kan. Flo heeft al wel drie keer gevraagd om stil te zijn, maar het helpt niks. Dan ontsnapt er plots een zeepbel aan de bobbel. En nog één. En nog één! Al snel zweven er zoveel zeepbellen door de klas dat de kinderen elkaar niet meer kunnen zien. “Nu zijn we de schuimklas!” gilt Emin, “veel beter dan de eendjesklas!” “Rustig, rustig,” probeert de juf, maar iedereen gilt en spattert erop los. Flo duikt onder haar bank. “Wat doen jullie nu? Heel de klas hangt vol zeepsop!” Prinses Poezenpoot snuift. “Ik kan er toch ook niks aan doen. Er komt de hele tijd zeep op mijn pootje, en die moet ik eraf likken. Daar komen bellen van.” “Stop er maar snel mee,” zegt Flo, maar daar wil de prinses niks van weten. “Poezen hebben geen zeep aan hun pootjes! Weet je wel hoe vies dat smaakt? Ik doe het niet voor mijn plezier, hoor!” De zeepbellen komen nu al bijna tot het plafond. Straks stromen ze de klas uit, de hele school onder! Zelfs juf kijkt nu ongerust in het rond. Zo meteen ontdekt ze de poezen, en dan zit Flo in de problemen! Ze denkt hard na. “Sorry poezen,” zegt ze dan, “dit is geen poezenschool. Kom maar eens terug als we gaan rekenen over visvijvers of blikjes kattenvoer!” Zonder op antwoord te wachten, grabbelt ze haar jas en loopt ermee naar het raam. De poezen zeuren de hele weg, maar Flo kiepert hen zò naar buiten. Al snel lossen de zeepbellen op, en wordt het weer rustig in de klas. “Zo,” juf haalt opgelucht adem, “dan is het nu tijd voor koek en fruit.” “Juf, kijk!” Kleine Emin wijst naar het raam. “Een bellenspoor!” Even later staan drieëntwintig kinderen met hun neus aan het raam geplakt. Allemaal kijken ze verwonderd naar het zeepbellenspoor, dat slingerend wegloopt van de school. Niemand weet hoe het komt, behalve Flo. Die giechelt zich een ongeluk!

Anke Vandoolaeghe
16 1

Prinses Poezenpoot I

Het is koud in Flo’s tuin. Heel koud. Bibberkoud! Zelfs met een muts en een sjaal rilt ze nog. Mama zei nog: je kan beter binnen blijven, Flo. Je vriest nog vast aan de grond. Flo hoopt maar dat het een grapje is. Ze heeft geen zin om vast te vriezen. Stel je voor! Dan moet ze in mama Stiens moestuin staan, en wachten tot die haar komt plukken in de lente. Nee hoor! Ze stapt zo snel ze kan naar de schuur. In de schuur is altijd avontuur. Daar wonen Flo’s beste vrienden! De poort kraakt en piept. Flo moet hard duwen, maar ze kan het wel. Eerst is er niet veel te zien. Het is donker en er ligt heel veel rommel. In de hoek staan twee ronde vuilnisbakken. “Ik ben het!” roept Flo. Klang kling kletter, het deksel van de eerste vuilnisbak klettert op de grond. “Ik heb eten mee!” Kling klang kletter, het deksel van de tweede vuilnisbak valt ook. Er komt een meisje uit de eerste vuilnisbak geklauterd. “Hehe,” zegt ze, “dat werd tijd. Ik dacht al dat je niet meer kwam!” “Niet zeuren hoor.” Flo zet een brooddoos op tafel. “Ik heb boterhammen met choco voor jullie!” “Boterhammen met choco?” Een tweede gezicht schiet omhoog uit de andere vuilnisbak. “Jammie, ik houd van boterhammen met choco!” Het meisje uit de tweede vuilnisbak ziet er een beetje gek uit. Ze heeft lang haar, donkere ogen en... een poezensnuit!  Flo schrikt er niet meer van. Ze kent Gravin Gromsnuit al lang. Het eerste meisje trekt een vies gezicht. “Bah, choco! Ik wil geen choco!” Lenig springt ze uit haar vuilnisbak. Je ziet niet meteen dat ze er anders uitziet: ze heeft een gewone snoet, twee benen, één arm... en één poezenpoot. Flo zucht. Prinses Poezenpoot heeft weer een van haar poezenbuien. Dan wil ze nooit eten wat Flo haar brengt. “Ik kan toch geen stukje vis voor jullie bakken. Dan weten de mama’s meteen dat jullie hier wonen. Dan gaan ze zeuren over kattenhaar op mijn trui, of poezenplas op mijn schoenen.” Gravin Gromsnuit trekt haar neus op. “Poezenplas op je schoenen! Niet van ons, hoor! Wij zijn nette poezen!” Flo smakt met haar lippen. “Oké, geen vis dan. Ik wil... een boterham met salami! Een lekker vleesje, jammie.” “Er is geen vlees in huis,” protesteert Flo, “enkel soms een stukje kip of vis. Zeker geen salami.” Prinses Poezenpoot haalt haar schouders op. Met haar poot tikt ze tegen de brooddoos. Die klettert op de grond. “Dan niet. Dan eten we maar niks.” “Tot we verhongeren,” jammert Gravin Gromsnuit, “heel zielig hier in de koude schuur...” Ze rilt, en er rolt een traan uit haar oog. Hij blijft hangen in haar snuit. Flo is een beetje boos. De koude schuur? Ze heeft speciaal de beste dekentjes uit de sofa gehaald voor haar vriendinnen! En gisteren heeft ze hen haar wanten nog gebracht. Toen mama Anke dat ontdekte, was er een heel gezeur. “Nu moeten we alwéér nieuwe wanten voor je kopen, Flo,” had ze gezegd, “dat is al je derde paar deze winter!” Alsof Flo er aan kan doen dat haar wanten steeds kwijt gaan. Ze vinden het vast gewoon niet leuk om een hele dag aan de kapstok te hangen op school. Flo zou ook op avontuur gaan als zìj dat moest doen. Prinses Poezenpoot geeft Gravin Gromsnuit een duw. “Je moet niet zo zielig doen. Flo vindt het helemaal niet erg dat wij hier verhongeren. Dat zie je toch zo?” “Oké, oké,” zegt Flo snel, “ik zal wel salami voor jullie halen.” “Joepie!” De poezen springen rondjes door de schuur. De prinses likt tevreden aan haar poezenpoot, en de gravin geeft Flo een kopje. “Ga nu maar meteen,” zegt ze, “dan kunnen we daarna een kamp bouwen in de tuin.”   “Ha, Flo,” zegt mama Stien als Flo uit de tuin komt, “voeten vegen hoor! Je laarsjes hangen vol modder.” Flo zegt niks. Ze hoort het maar half. Haar hoofd zit vol met het plannetje dat ze bedacht heeft: een boterhamplannetje voor de gravin en de prinses. Ze hoopt maar dat het haar lukt! “Heb je fijn gespeeld?” Mama Stien geeft Flo een aai over haar bol. “Weer een kamp gebouwd?” “Mag ik met Sem naar de winkel?” vraagt Flo. “Naar de winkel?” Mama Stien denkt er even over na. “Weet je de weg?” “Ja hoor! Aan de kerk naar links.” Flo hupst op en neer. Hopelijk mag het! “Goed dan.” Mama Stien neemt haar tas. “Hier heb je een beetje geld. Ga je broer maar halen.” “Joepie!” Flo huppelt de trap op. “Seeeeeem! We gaan naar de winkel!”

Anke Vandoolaeghe
11 1

Onder de boom, met een sigaretje

Ernst van Dealemaete, schrijver van "Lady Lovelove’s Poolboy" en vele andere succesvolle romantische pockets, spreidde een zeiltje over een steen. Midden op de heide, onder een dikke eik, de enige boom in de omtrek, pauzeerde hij. De thuis gedraaide sigaret stak hij rustig aan. Hij plaatste zijn achterste op het zeiltje en leunde tegen de stam. Door zijn oogharen zag hij de lichtpaarse gloed van duizenden bloemetjes.   ‘En ja hoor,’ klonk een slank geluidje. ‘Daar hebben we d’r weer een.’ Ernst keek rond. In een automatisch gebaar pakte hij zijn leesbril uit het borstzakje van zijn overhemd. Een klein groen vlaggetje wapperde naast zijn voeten. Hij draaide voorzichtig op zijn knieën en drukte zijn neus zo dicht mogelijk bij het vlaggetje. De leesbril vergrootte het vlaggetje tot een muts. En die muts wiebelde op het hoofd van een knokige kabouter. De kabouter trok aan zijn pijp, nam deze uit zijn mond en prikte in de neus van Ernst.    ‘Met wie heb ik de eer?’ vroeg Ernst.   ‘Slabelaar,’ zei de kabouter. ‘Kleuntje Slabelaar.’ Hij snoof de sigarettengeur op. ‘Lijkt wel geroosterde rabarber.’ Hij maakte een duwend gebaar in de lucht. ‘Kan je effe naar achteren? Je staat in mijn Aura.’   ‘Sorry.’ Ernst duwde zich omhoog. ‘Ik ben Ernst.’   ‘Je bent ernstig?’ vroeg Kleuntje. ‘Wat scheelt eraan jong?’   ‘Ik héét Ernst.’   De kabouter schokte van het lachen. ‘Jullie langnekken hebben maffe namen.’ Hij wees op de eik. ‘Trek in een bakkie flabbers? Vers gezet.’   Tussen de boomwortels, oplopend tot ongeveer een centimeter of vijftien boven de grond, was een uitsparing. De gladde en felrode rand stak scherp af tegen de ribbelige en grijzig-mossige stam.   Ernst bukte tot bij de uitsparing en mat met zijn blik of hij zou passen. Zachte muziek zweefde naar buiten: gitaar? pizzicato viool? harp? Duidelijk was het niet, het klonk prachtig.   ‘Dat wordt krap,’ zei Ernst.    Hij was verbaasd. Niet over de kabouter of de klanken uit de boom. Dat was het juist. Hij was verbaasd dat hij daar niet verbaasd over was. Die dubbele-loop gedachte maakte hem duizelig. Of de duizeligheid kwam doordat hij voorovergebogen stond, dat kon ook.   ‘Wacht even,’ zei de kabouter, hij duwde zich langs de dikke neus van Ernst en verdween in de stam. ‘Kom maar!’ klonk het gedempt.   Ernst stak zijn hoofd tot aan zijn nek naar binnen. Kleine handjes pakten zijn oren en een soort haak prikte aan de binnenkant van zijn neusgaten.   ‘Kwa, vloe, bisch!’ riep Kleuntje.   Ernst werd aan oren en neus de eik ingetrokken en botste tegen een zachte wand. Hij richtte zich op. Ernst zat in een schemerdonkere zaal verlicht door honderden kaarsen. Trommels en fluiten vulden de muziek aan. Het swingde als een tiet. De zachte wand bleek een hangend tapijt met daarop dansende kabouters rond een kampvuur. De zaal was groter dan de boomomtrek. Ook dit verbaasde Ernst niet, wat hem weer verbaasde. Het duizelde. Op meerdere plekken hingen tapijten met kleurige afbeeldingen.   ‘Mooi?’ vroeg een dun stemmetje. Ernst zag een kaboutervrouwtje met een platte rode muts. ‘In de winter knopen we tapijten, als je er een wilt hebben geef je een gil.’ Ze wenkte en Ernst kroop achter haar aan. ‘Ik ben Maasch, aangenaam kennis te maken. Kleuntje heeft je flabbers beloofd, hoor ik.’   ‘Lekker,’ zei Ernst die geen idee had wat flabbers zou kunnen zijn, hij had vertrouwen in zijn nieuwe vrienden.   Maasch riep naar een groepje kabouters: ‘Hebben we een bokkel?’ Ze wees op Ernst. ‘Die langnek wil flabbers, een normaal formaat nups lijkt te klein.’   Een lachend gepiep steeg op. Twee kabouters keerden een bak, iets kleiner dan de hand van Ernst, een lucht van wasmiddel en stijfsel steeg op uit het dampende wegstromende water. Met een doek poetste een dik kaboutertje met een blauwe jurk de binnenkant van de bak tot deze glom. ‘Flam!’ riep Maasch. ‘Hebben we voldoende?’   ‘Meer dan genoeg,’ zei het dikke kaboutertje. Ze stak haar duim op en een lange rij kabouters liep langs Ernst naar de bak. De kabouters hadden in elke hand een kan met dampende vloeistof. Deze kannen waren niet groter dan een vingerhoed maar voor de kabouters was het flink sjouwen geblazen. Ernst rook munt, kamille, lavendel en chocolade. Dit aroma kwam niet gemixt bij Ernst binnen, het leek alsof de afzonderlijke geuren als in een carrousel een-voor-een zijn neus bereikten, ronddolden en weer wegzweefden om plaats te maken voor de volgende.   De bak vulde zich tot de helft en Flam hief haar armen zei: ‘Genoeg, anders hebben we zelf niets.’ Ze wenkte Ernst. ‘Kijk uit met je lompe klauwen, je voorganger beukte dat ding omver.’   Hij pakte met duim en wijsvinger de bak (beter gezegd het bakje) en nipte aan de drank. Het smaakte zoals het rook en groenblauwe kleuren draaiden om hem heen, even zweefde hij boven een lagune in de tropen. Hij smakte zijn lippen en zei: ‘Wow.’   ‘“Wow”, zegt ie,’ Flam keek vriendelijk lachend rond. ‘Horen jullie dat? “Wow”.’   ‘Ik heb het gehoord, Flam,’ zei Kleuntje. ‘Je hebt jezelf overtroffen.’   Van alle kanten renden kabouters naar Ernst. Hun wapperende mutsen maakte van de ruimte een veelkleurig golvend mozaïek. Ze stopten Ernst vettige grijze brokjes toe. Een handvol van het spul kneedde Ernst tot een bolletje en nam een hap. ‘Wow,’ zei hij weer en hij likte het laatste restje vocht uit de bak. ‘Wow.’   Kleuntje keek trots naar zijn grote kameraad. ‘Blijf lekker zitten, Ernst,’ zei hij.   ‘Is hij verdrietig?’ vroeg Miesch.   ‘Zo heet die knul,’ antwoordde Kleuntje.   ‘Arm jong,’ zei Miesch. Ze klopte moederlijk op zijn enkel. ‘Neem het er goed van.’  Ernst keek rond, het schemerde. De donkerpaarse heide mixte door witte mist. Tijd om naar huis te gaan. Hij schoot de uitgedoofde sigaret weg en stond op.    Je had zo van die dagen waarbij alles op zijn plaats viel en van die plaatsen waarbij alles klopte.   Dit was zo’n dag en dit was zo’n plaats.

MCH
25 2

De antwoordput

“Ik heb een vriend die in de put zit.” Zo zou je een gesprek kunnen beginnen wanneer je zelf iemand om raad wilt vragen. Of je hebt echt een kennis die in de penarie zit en die je wilt helpen. In elk geval: je zoekt iemand op die het beter weet dan jij en vertelt dan een verhaal over die kennis (of over jezelf). En degene die je hebt opgezocht komt met oplossingen, allemaal goedbedoeld, en meestal gepareerd met een “ja, maar”. Een situatie die de meesten wel zullen herkennen. Voor Johan zouden de zaken anders hebben gelegen. Om te beginnen wist Johan niet of hij wel vrienden had. Er waren vast wel mensen die het terloops over hem hadden als “mijn vriend Johan”, maar dan moest er eerst een onderwerp ter sprake komen dat Johan speciaal maakte. In een gesprek worden vrienden nu eenmaal vooral genoemd om de spreker een plaats te geven. Wie rijker bedeeld is met bewonderenswaardige eigenschappen krijgt eerder de status van vriend, de minder opvallenden blijven kennissen.Johan had niets wat hem speciaal maakte, en bracht het meestal niet verder dan “een kennis”. Hij had gewoon zijn hele leven gedaan waar hij goed in was: feiten verzamelen waar niemand op zat te wachten, en die neerschrijven in publicaties waar ook niemand op zat te wachten.  Als Johan vóór zijn pensioen gestorven was dan zou hij waarschijnlijk best tevreden met zijn leven zijn geweest. Maar hij bereikte de pensioengerechtigde leeftijd en kreeg niet langer opdrachten voor het verzamelen van nutteloze feiten en het schrijven van even nutteloze publicaties. Om de dagen te vullen ging hij op eigen houtje feiten verzamelen en hij deed dat zoals hij zijn werk altijd had gedaan: vol overgave. Binnen de kortste keren had hij dossiers vol informatie over ambtsdragers, besmettelijke ziekten,  chemische bestrijdingsmiddelen, en zo het hele alfabet door tot en met ijskappen en zwarte gaten aan toe. En elke keer als hij weer een dossier had doorgespit wilde hij niets liever dan wat hij had gevonden in een publicatie verwerken. Alleen zat niemand meer op Johan’s werk te wachten. Er waren geen opdrachtgevers en collega’s meer die geld konden verdienen met wat hij gevonden had, en geen geld betekent geen interesse. Een tijdlang vond Johan vertroosting in het cliché van wandelaars en fietsers: “het gaat niet om de bestemming, maar om de reis ernaartoe”. Hij onderzocht dingen uit nieuwsgierigheid, zo hield hij zichzelf voor, en hij schreef ze op omdat het uiteenzetten van zaken hem plezier verschafte. Maar diep van binnen wist hij wel beter. Het ging wel degelijk om de bestemming, een leuke reis is hoogstens de helft van je vakantie . Hij had dingen gevonden die nuttig konden zijn voor de wereld, moest die wereld dat dan niet weten? Zodat tenminste een paar mensen wisten wie Johan was, en wat hij gevonden had? Net als vroeger zijn opdrachtgevers en de enkele collega’s met wie hij had samengewerkt? Maar zo zat de wereld niet in elkaar. Niemand kende Johan, en Johan kende niemand. Hij deelde zijn bevindingen met kennissen, stuurde zijn publicaties naar kranten en zelfs kamerleden. Maar de kamerleden namen niet eens de moeite om te antwoorden, de kranten stuurden steeds lulliger afwijsbriefjes en toen helemaal niets meer, en ook de reacties van zijn kennissen werden steeds lauwer. Op het laatst leek het wel of ze hem helemaal niet hoorden als hij weer eens enthousiast over een recent stokpaardje begon. Daardoor raakte Johan gaandeweg steeds dieper in de put. Toen hij nog optimistisch was over zijn nieuwgevonden levensvervulling had hij alles wat hij had geschreven op het internet gezet, zodat hij daar altijd naar kon verwijzen. Maar toen niemand interesse had gehad was daar de klad in gekomen. Hij betrapte er zich er steeds vaker op dat hij geen zin had iets uit te zoeken, laat staan daar ook nog een publicatie aan te wijden. Dan zat hij lusteloos voor zich uit te staren, of zwierf door de omgeving zonder er iets van te zien.  Zo ook op de dag dat hij bij de waterput belandde. Op het nieuws en in de krant was weer gerept van talloze problemen en bedreigingen. Johan was afgehaakt. Hij was tot de slotsom gekomen dat problemen niet bestonden: ze werden alleen zo genoemd om kijk- en oplagecijfers op te krikken of mensen geld uit de zak te kloppen via, heffingen, bijdragen of wat dan ook. Een mens had geen hoger doel dan ervoor te zorgen dat alles bij het oude bleef, desnoods tot op het moment dat de aarde een ontvolkte planeet zou zijn waarop ruïnes en hopen plastic naar het verleden verwezen. Misschien met nog wat rudimentair leven, dat koolzuurgas kon ademen en zich met afval kon voeden, en een paar biljoen jaar mocht doorvegeteren tot het moment dat een exploderende zon de planeet tot een magmabal zou reduceren. Niemand zat intussen te wachten op de bevindingen van ene Johan. Hij was afgeschreven, een soort naslagwerk waar niemand meer in keek en dat net zo goed bij het oud papier kon worden gezet. Door zijn gesomber had hij de oude waterput niet eens opgemerkt. Ooit was het de watervoorziening van een nu eveneens volledig vervallen villa geweest. Een kale vijgenstruik drong zich ernaast omhoog, De halfopen ijzeren deksel lag onwrikbaar vast. Toen Johan de put zag, liep hij eropaf en keek in de diepte. Hij riep zijn eigen naam, maar er schalde geen “Johan” terug, alleen stilte. Zelfs daar krijg ik geen antwoord, dacht hij. Ik kan net zo goed in die put gaan zitten en als iemand dan iets naar beneden roept roep ik terug hoeveel megaton koolzuur er de afgelopen week is uitgestoten of zo. Onwillekeurig grinnikte hij. Kan ik nog furore mee maken, dacht hij, als ik er een bordje “Antwoordput” bij zet. Misschien een project van maken, met een YouTubekanaal of zo… Toen hij zich omdraaide om terug naar huis te gaan was zijn stemming een stuk opgeklaard. Over een paar biljoen jaar maakt het toch niet uit of iemand mij heeft gehoord of niet, dacht hij. Dus waarom nu wel? Ik kan altijd nog in de put gaan zitten…

bobcom
7 0

De laatste brief

Morgen wordt ze 18 jaar en mag ze weer een brief openen. Een stem uit het verleden die haar toespreekt, maar waar ze de klankkleur en intonatie al lang van is vergeten. De pijn is er nog. Niet meer zo scherp al voorheen, maar dof en drukkend. Een zwaarte op de achtergrond, die haar op onverwachte momenten nog kan overvallen als een cycloon die haar omverblaast en ontredderd en alleen achterlaat. Hoe kan iets tegelijk zo zwaar en leeg zijn? Er is een stuk dat weg is en nooit meer terugkomt. Het was haar basis, haar ijkpunt, haar evenwicht. Het gaf haar kracht en vertrouwen om de wereld aan te gaan. Zonder voelt ze zich verloren. Ze neemt de schoendoos met brieven en opent het deksel. Bovenop de stapel ligt de laatste brief. Deze keer een mooie crèmekleurige enveloppe van stevig papier. Ze ruikt eraan en probeert tevergeefs de geuren terug te vinden die bij de schrijver horen. Ze ruikt niets, enkel de geur van papier en oud karton. Boos gooit ze de doos door de kamer. De brief blijft achter in haar hand. Zou ze hem al openen?  Niemand die haar tegen kan houden en binnen een paar uur is ze toch officieel volwassen. Dan mag ze doen en laten wat ze wil. Ze wil haar eigen weg gaan en haar eigen beslissingen nemen. Slordig scheurt ze de enveloppe open, haalt de brief eruit en strijkt de kreukels plat. Liefste Theresa, Wanneer je dit leest, ben ik er al een tijdje niet meer. Deze brief hoort bij het beginpunt van een nieuwe periode en bij het afscheid nemen van je tienertijd. Op het moment dat ik dit schrijf, speelt de film van je leven zich voor mijn ogen af. Ik zie je als baby’tje in mijn armen liggen en kan je mondje nog rond mijn tepel voelen. Je hapte altijd wild in het rond tot je me beet had en dronk dan gulzig, met grote teugen alsof je leven ervan afhing.  Je vloog mijn leven binnen als een wervelwind. Je wilde alles meemaken, altijd de oren gespitst om niets te missen, je voelsprieten alert op al wat gebeurde. De kleinste verandering had je gezien en wanneer ik mijn haar had geknipt werd je boos omdat ik niet meer dezelfde was. Je vroeg me de oren van mijn hoofd. Elke vraag moest ook een antwoord krijgen. Op driejarige leeftijd vroeg je al wanneer tante Paula nu zou sterven. Want als je oud bent, ga je dood. Dat had je al snel door. Had ik je toen moeten verwittigen dat niet enkel oude mensen sterven? Ontelbare knuffels heb ik gekregen en heb je ook genomen. Je had het nodig om regelmatig ‘bij te tanken’, zo noemden we dat. Ook als ik er geen zin in had, omdat ik boos op je was. Op dat moment had je die omhelzing nog meer nodig dan anders, om er zeker van te zijn dat het nog ‘ok ‘ was tussen ons. Ik was je veilige haven, je vertrouwenspersoon, je wereld om naar terug te keren. Op een dag gebeurde het ondenkbare. Het werd al snel duidelijk dat ik er niet meer lang voor je zou kunnen zijn. Mijn wereld stortte in, maar ik moest recht blijven staan. Hoe kon ik je nog alles meegeven wat je nodig had, voordat het te laat was? Theresa, je bent nu geen kind meer. Een brief als deze hoort een allerlaatste wijze raad te brengen, maar er schiet me niet zoveel te binnen, enkel dit: ‘Ga je eigen weg. Drink het leven met volle teugen, gulzig en zonder twijfel. Neem je eigen beslissingen, ga ervoor en kijk niet om.’ Een traan rolt langs haar wangen en valt als een parel op het papier. Het duurt even voor het papier hem heeft opgezogen. Een kleine donkere vlek blijft achter. Net zoals in haar hart ook een donkere vlek achterblijft. Ze overdenkt wat haar moeder nog meer heeft nagelaten. Het zijn niet enkel de woorden die belangrijk zijn. Het is ook een geborgenheid die ze nog steeds meedraagt, na al die ontelbare omhelzingen. Met haar ogen dicht voelt ze de stevige armen rond zich heen die haar verwarmen en bij elkaar houden. Een glimlach verschijnt op haar gezicht. Terugdenken aan wat was, maakt niet enkel verdrietig. Het prikkelt haar fantasie, het doet haar dromen en geeft haar ook de kracht om door te gaan. “Bedankt mama, maak je geen zorgen. Ik kan het leven weer een beetje beter aan.”  

jessy hamvas
8 1

Alucinatio

Toen hij zijn ogen opende, merkte Hayden Davidson direct op dat zijn gsm hevig stond te trillen. Konden ze hem nu niet verdomme met rust laten? Met enige moeite belandden zijn twee voeten op de krakende houten vloer naast zijn bed. Hij trok een T-shirt aan en nam het triltoestel in zijn hand. ‘Hayden! Eindelijk man, probeerde je al heel de tijd te bellen. Hey uhm… ik vroeg me af of je zin had om eens mee te gaan met de vriendengroep vandaag. We zouden allemaal graag hebben dat je eens meekomt, weet je, ‘t is al zo lang geleden.’ Hayden zuchtte, maar iets in hem vond het ook wel leuk dat ze aan hem dachten. Als het aan hem lag, zou hij gewoon heel de dag in bed hebben gelegen, maar natuurlijk waren er altijd saboteurs… Saboteurs zoals… ‘Arthur, ik heb nog wat dingen te doen vandaag en ik weet eerlijk gezegd niet of-‘ ‘Onzin! We spreken af aan mijn huis. Ik verwacht dat je daar staat binnen een halfuur.’ Toegelegd. Ze lieten hem verdomme geen keuze en dat zorgde voor een glimlach op Haydens gezicht. Z’n haar richtte nog naar alle windrichtingen wanneer hij aanbelde aan Arthur’s huis. Hij zag hoe een schim steeds dichter kwam door de wazigheid van de glazen deur. Een monster kwam op hem af. Een zwart monster met een brede grijns en lange gele tanden die met bloed waren bedekt, dat was het. Zijn lange nagels raakten de deurknop aan terwijl het stille gekras van zijn nagels die het glas aanraakten te horen was. De deur kraakte. Haydens hart bonsde en zijn ogen hadden nog geen één keer geknipperd. En toen ging de deur open. Een vreemd gelach galmde door zijn oren. ‘Aahn Hayden! Ik wist wel dat je zou komen! Wat sta je daar zo te staan als een paal in het water? Kom binnen!’ De hele vriendengroep zat rond de keukentafel. Er was Thomas More (niet te verwarren met de filosoof), Frederick Stevens die bijna altijd tijdens dit soort ontmoetingen de hele koekendoos leeg zat te vreten en dan natuurlijk ook nog Arthur Tumbler. Hij was meestal de organisator van dit soort onderonsjes. Het was geen grote vriendengroep, maar het verwonderde Hayden eigenlijk al dat hij zoveel vrienden had. ‘Ik en Fred hebben al wat ideeën uitgewisseld en we zouden dit graag willen delen met jullie maar dan moeten we zeker zijn dat wel… Dit binnen dit groepje blijft zeg maar. Begrijpen jullie?’ Thomas knikte en vertelde dat ze hem honderd procent konden vertrouwen. En dan gebeurde wat er te verwachten viel: Arthur, Thomas en Fred keken allemaal Haydens kant op. ‘Ik ben de stilste van de groep, verwachten jullie echt dat ik iets ga zeggen?’ Arthur keek hem bedachtzaam aan en Hayden wist wat er in dat hoofdje van hem werd gezegd. De stilste zijn meestal de gevaarlijkste. Maar als hij hem niet vertrouwde, waarom hadden ze hem dan uitgenodigd? ‘Kom op, Arthur! We kennen Hayden toch? Hij is geen klikspaan.’ Arthur leek in gedachten te verzinken. Hij wist Hayden wonen. Als die stille vriend van hem hier iets durfde uit te spoken dan wijst hij hem te vinden. Hayden wist dat toch? Ja, hij wist dat. ‘Je hebt gelijk. We kunnen beginnen.’ Hun laarzen knarsten door de takken die verpletterd werden. De bladeren rond hen waaiden luidruchtig in de wind en hier en daar kon je tussen de bomen ogen naar hen zien gluren. Elk hadden ze een zaklamp in hun handen, die schaduwen projecteerden en licht schonken op weglopende mieren of zwaaiende droge sprieten gras. ‘Dit is het.’ Arthur’s zaklamp richtte op de hut voor hen die omringd was door de vele bomen en schepsels van de nacht. ‘Dus jij beweert dat er in die hut een koffer zit, volgepropt met geld? Komaan, dat zijn het soort dingen die een dronken zatlap niet gelooft. Ik snap nog altijd ook niet waarom je hierop in bent gegaan…’ ‘Hayden, luister eens goed oké? Jij mag dan misschien niet geloven in het feit dat er bakken met geld in dat krot zit, maar weet je waar ik wél niet in geloof? God. En jij wel. Dus is er dan zo’n groot verschil? Of je het nu wil geloven of niet kan me niet schelen, want stel dat er straks wél geld in een koffer zit dan zijn we verdomme rijk. Dus vertel me, Hayden, is dat niet het proberen waard? Het is precies zo met die hemel en hel van je. Jij hoopt dat als je doodgaat ook een koffer met geld krijgt, toch? Je hoopt het, je gelooft het! Dus wat is dan het verschil met deze situatie, hé? Alles dat wij doen is gebaseerd op geloof. Ik geloofde dat je aan niemand zou vertellen over die koffer-’ ‘Dat komt omdat het verdomme uit de duim gezogen is-‘ ‘NEE, ik vertrouw je. We gaan straks dat huis in en dan pas zullen we zien wie er gelijk heeft. Maar ik weet gewoon dat ik geloof.’ Thomas en Fred keken elkaar wat verward aan. Dat er zo’n vreemde discussie over geloof uit deze situatie was gekomen, verwonderde hen. Maar ja… Arthur en Hayden waren altijd anders geweest. Ze stapten binnen in het huis en werden verwelkomd door talloze gangen die bijna eindeloos elke kant op leken te gaan. Aan de muren hing hier en daar een schilderij of foto, waarvan het glas vrijwel overal gebarsten was. Onbewust splitsten ze zich op en verkenden ze het huis. Hayden liep de ene kamer binnen, om dan weer in de andere uit te komen. Dan stapte hij in een gang, waarvan hij vermoedde dat het naar de ingang leidde, maar belandde hij in een nieuw deel van het huis tot hij niet meer wist waar hij zich bevond en er enkel vier muren hem bedreigend aankeken. Hij riep maar er kwam geen antwoord. Niet van Arthur, Thomas of Fred. Niets. Uit hopeloosheid zette hij zich neer in de kamer waar hij zich bevond. Terwijl hij zich probeerde te herinneren welke weg hij had genomen bij het binnengaan, spitsten zijn oren zich als van een hert die voetstappen hoort. En dat was ook het geval: hij hoorde voetstappen. Waren het wel écht voetstappen? Het klonk onregelmatig, alsof het van iemand was waarvan zijn ene voet de andere kant op richtte. ‘Hallo? Arthur? Fred? Thomas?’ Nog steeds geen antwoord. Haydens hart begon sneller te bonzen. In een reflex nam hij een van de vele glasscherven die rondgestrooid waren op de grond. De voetstappen kwamen dichterbij. Deze keer hoorde hij een vreemd gorgelend geluid die hem deed realiseren dat wat er nu op hem af kwam allesbehalve een mens was. Zijn rechterhand kneep zo hard in het stuk glas dat het begon te bloeden. Het schepsel kwam tevoorschijn en stond in het portier van de kamer. Dat was niet Arthur, Thomas of Fred. Nee, het was een monster. De ogen van het schepsel puilden bijna op de grond en uit zijn oogkassen stroomde een gelig pus die zijn hoekige kaken bedekte en zorgde voor de vreselijkste stank die Hayden ooit had moeten verduren. Uit zijn scheve mond drupte een rood drek. Hij zag maar één oplossing: aanvallen. Dit beest moest dood, hij had geen keuze. Hayden rende op het beest af, terwijl hij de adrenaline door zijn lijf voelde vloeien als een kind op een glijbaan. De eerste glassteek had het beest tegengehouden, het had zelfs geprobeerd het wapen uit Haydens hand te grijpen. Maar daar zou hij spijt van krijgen. Hayden schoot zijn knie in het monster. Zijn linkerhand greep de kin en knalde hem in één beweging op de grond zodat hij nu met zijn volledige lijf dominant controle had over het beest. En nu was het tijd om de ellende te beëindigen. Het stuk glas belandde meermaals in het hoofd van het beest tot Hayden zeker was dat het niet meer bewoog. Het stuk glas viel op de grond naast hem en geschokt keek hij naar zijn handen die bedekt waren met bloed. Op dat moment realiseerde hij dat Arthur’s levenloze lichaam voor hem lag.

Nova
10 0

Aambeiance

Toen ze hun pak friet met een pint naar binnen hadden gespeeld in de keuken van hun studentenkot, begaven derdejaarsstudenten Geneeskunde Hendrik Janssens, Karel De Petter en Steven Walckiers zich de trap op naar het kot van Hendrik dat op de tweede verdieping lag. “Scheelt er iets, Hendrik?,” vroeg Steven toen ze bijna boven waren. “Je loopt precies wat vreemd?” “Dat leg ik je zo meteen wel uit, als we op mijn kot zijn,” antwoordde Hendrik. Nu zag Karel, die die dag net jarig was, ook dat zijn jeugdvriend moeite leek te hebben bij het trappenlopen. Hij begon zich lichtjes zorgen te maken. Op Hendriks kamer aangekomen, gingen Karel en Steven op bed zitten, terwijl Hendrik behoedzaam plaats ging nemen in zijn gemakkelijke lederen bureaustoel. Een licht gekreun ontsnapte hem, toen hij zich in de stoel liet zakken. “Zeg nu eens, amigo, waar heb je last van?,” vroeg Karel. “Is het je knie misschien? Of je enkel? Je rug?” Karel kroop meteen in de huid van arts, een attitude die hij zich al vanaf het eerste jaar aan de universiteit had aangemeten en die hij maar wat graag ook thuis aannam, zeker als zijn ouders of grootmoeder met een pijntje zaten. Het vervulde hem met zichtbare trots en bracht een zekere sérieux over hem. “Niets van dat alles, collega,” zuchtte Hendrik. “Een probleem van heel andere aard.” Steven had ondertussen gezien dat het gezicht van zijn kameraad telkens in een grimas trok wanneer hij zich verschoof op zijn stoel. “Ben je misschien op je zitvlak gevallen?,” vroeg hij aan Hendrik. “Niet gevallen, maar wel last van mijn kont,” gaf Hendrik toe. “Ik vrees dat ik last heb van hemorroïden…” “Ai, amigootje, dat klinkt niet goed,” sprak de jarige met bezorgde blik. “Dan moet je er toch al langer mee zitten, neem ik aan? Professor Debuyst zei in een van zijn colleges vorig academiejaar dat hemorroïden – Karel weigerde “aambeien” in de mond te nemen – normaal gezien best meevallen qua last. Ben je nooit een zalfje op basis van zinksulfaat of met lidocaïne gaan halen bij de apotheek? Of meer vezelrijk voedsel beginnen eten en wat vaker gaan sporten?” “Heb ik allemaal geprobeerd, Karel, wees gerust, maar ik vrees dat de aandoening toen al te ver gevorderd was.” Hendrik sloeg zijn ogen neer en zuchtte diep. “Mocht je dat willen, kunnen wij anders wel eens een kijkje nemen? Misschien valt het allemaal wel mee en is scleroseren of een heelkundige ingreep helemaal niet nodig?,” stelde Steven voor, terwijl hij in Karels ogen naar instemming zocht. “Uiteraard geen probleem,” sprak Karel, “we kennen mekaar al zo lang en hebben samen al andere watertjes doorzwommen.” Hendrik aarzelde even, keek zijn vrienden aan en stond toen voorzichtig op uit zijn stoel. “Beloof me dat dit tussen ons blijft…” “Als arts zullen we vaak genoeg konten en penissen zien,” knipoogde Steven. Toen draaide Hendrik zich met zijn rug naar zijn vrienden, knoopte zijn broek los en liet hem op zijn enkels vallen. Vervolgens deed hij hetzelfde met zijn boxershort. “Probeer anders even op je knieën op je bureaustoel te gaan zitten, Hendrik,” zei Karel, “dat zal het onderzoek vergemakkelijken.” Hendrik deed zoals gevraagd en boog voorover. Ondertussen had Steven Hendriks bureaulamp dichterbij geschoven en het licht zo goed mogelijk op de kont van zijn kameraad gericht. Karel en Steven keken vanop de bedrand naar Hendrik, die zachtjes kreunde. Steven trok Hendrik voorzichtig aan diens voeten, waardoor hij in de bureaustoel dichter tot bij het bed rolde. Steven nam eerst een vluchtig kijkje, gromde even onderzoekend en duwde toen lichtjes tegen Hendriks voeten, in de richting van Karel, zodat die een beter zicht kreeg op het zitvlak van zijn jeugdvriend. Karel boog zich voorover, hield zijn hoofd wat schuin en sprak: “Amigo, op het eerste gezicht, zie ik niet meteen iets dat op hemorroïden lijkt?” “Huh? Hoe bedoel je?,” vroeg Hendrik. “Wel, ik zie nergens iets rond je aars dat op een bloemkooltje of een druifje gelijkt. Ik stel me dus de vraag of dat wel het probleem is…” “Zie je niets anders?,” vroeg Hendrik over zijn schouder. “Er moet daar beneden toch iets zijn dat die last veroorzaakt?” Karel ging nog wat dichter kijken, tot hij bijna met zijn neus in de bilspleet van zijn kameraad zat. “Schijn je alsjeblieft nog wat bij met de bureaulamp, Steven?” Opeens slaakte Karel een gesmoord kreetje van verbazing: “Hemeltje, wat is dat?” “Wat bedoel je?,” sprak Hendrik geschrokken. “Wat heb je gezien?” “Er zit precies iets dat blinkt of zo in je anus, amigo…” “Wacht even,” onderbrak Hendrik hem, “best even achteruitgaan. Ik moet dringend een wind laten.” “Best niet te hard duwen,” raadde Steven hem aan, terwijl hij zijn gezicht afwendde. “Sorry, mannen, die kon ik niet langer tegenhouden,” verontschuldigde Hendrik zich bij zijn vrienden. “No worries, maatje,” zeiden de twee anderen bijna gelijktijdig. “Maar goed,” zei Hendrik, “wat zie je daar vanonder blinken?” Karel boog zich opnieuw voorover en streek voorzichtig met zijn vinger over de aarsholte van Hendrik. “Zoals ik dus zei: er zit precies iets blinkend vast in je kont.” “Kan je het eruit halen?,” vroeg Hendrik. “Ik kan dat proberen, maar dat kan pijnlijk worden, vrees ik. Heb je hier misschien wat glijmiddel of vaseline liggen en steriele handschoentjes?” “Rechterschuif in de kast naast het boekenrek,” kreunde Hendrik en hij wees in de richting van een witte commode. Steven stond op en gaf Karel vervolgens het nodige materiaal dat hij in de schuif vond. “Goed, hier gaan we dan. Geef meteen teken of roep iets als je pijn zou hebben.” Hendrik reageerde knikkend. Karel bracht genoeg glijmiddel aan rond de aars van Hendrik en op zijn gehandschoende vingers en begon toen zachtjes het vreemde voorwerp los te peuteren. Aanvankelijk gaf het ding niet mee, maar na wat wringen, slaagde Karel erin zijn vingertop vast te haken aan iets. “Gaat het nog?” Hendrik zei niets, maar begon verbazend genoeg zachtjes te neuriën. “Hendrik, wat zit je nu te neuriën, man?,” vroeg Karel verbaasd. “Laat hem,” zei Steven, “je haalt best gewoon zo snel mogelijk dat ding eruit.” Karel trok nu zachtjes het voorwerp millimeter per millimeter naar buiten. Hendrik begon ondertussen luider te neuriën. Toen Karel uiteindelijk het ding uit Hendriks aarsholte had gekregen, viel zijn mond open van verbazing… “Happy birthday to you… happy birthday to you… happy birthday, amigo… happy birthday, to you,” zongen Hendrik en Steven, terwijl ze glimlachend naar Karel keken. “Mannen… een Rolex? Ik ben sprakeloos…” “Een kleine moeite voor een grote vriend,” knipoogde Hendrik die ondertussen uit de bureaustoel geklommen was en Karel vriendschappelijk op de schouder klopte. “En nu gaan we een pint pakken op jouw verjaardag, amigo! Jij houdt wel het uur in het oog, hoop ik?” Hendrik en Steven barstten uit in lachen, terwijl Karel, oprecht onder de indruk van het dure geschenk, de Rolex rond zijn rechterpols bevestigde. “Kom, amigo’s, op naar de markt, op naar het gerstenat!,” zei Karel. “Maar euh, Hendrik?” “Ja?” “Best wel je broek weer optrekken, want je staat hier nog steeds met je pieleman voor mijn neus.” “Best wel,” lachte Hendrik, “best wel.” Toen gingen ze de studentenkamer van Hendrik uit en maakten plezier tot een gat in de nacht.

Lennart Stein
51 0

Il postino

In tijden dat men verzendingen machinaal frankeerde, zag men aan de recepties van bedrijven en verenigingen de juten postbalen staan die door de post werden opgehaald. De ruwe stof maakte dat er wel eens iets onderaan in de zak bleef haken. Zo vonden wij op kantoor ooit drie wenskaarten. We gooiden ze in de postbus en hoopten dat de bestemmelingen nog op het aangeduide adres woonden: leuk wanneer je in de maand augustus nog nieuwjaarswensen ontvangt. Een broer van een vriend uit Sankt Vith ‘of all places’ kreeg ooit een kaartje van een schone, die hij op vakantie had leren kennen. Op het adresgedeelte stond enkel: An der Anton in Sankt Vith. Er waren, dixit zijn broer, wel meerdere Antons in het dorp. Gezien zijn reputatie, kenden de facteurs meteen de enige, die voor ontvangst in aanmerking kwam.   Op kantoor wil ik het ladekastje van de vroegere verzendingsdienst een andere bestemming geven. Bij het leegmaken vind ik een mooi opgevouwen postzak. Bij het openplooien van de zak merk ik dat er onderaan nog een enveloppe zit. Weer achtergebleven wensen, denk ik of een brief voor Anton? Het lijkt inderdaad een brief volgens het omslagformaat. Er is duidelijk een adres vermeld, doch het huisnummer ontbreekt en als afzender staat enkel de plaatsnaam Muravera vermeld onder de voornaam: Tonio.  Er is dus  weer een Anton in het spel. De drie bij vier centimeter kleurrijke postzegel van 0.75 € vermeldt Anno Europeo del Volontariato en is niet afgestempeld. Wat moet ik hiermee? Door de ontbrekende gegevens heeft het weinig zin hem terug in de bus te gooien en op het postkantoor belanden zulke zendingen na een tijdje trouwens  in de papierversnipperaar. Mijn nieuwsgierigheid haalt het van mijn schroom. Ik houd de omslag boven de dampende waterkoker, waardoor ik hem zonder scheuren kan openen. Het perfecte handschrift is duidelijk met een vulpen geschreven. Ik lees: Mio caro Ion, ti chiedo perdono, Ja, ik moet je vragen om mij te vergeven, lieverd, omdat ik met de noorderzon ben verdwenen of is de zuiderzon hier eerder van toepassing?Wist jij veel, dat ik  reeds voor onze laatste nacht samen, mijn koffers had gepakt om de volgende morgen terug naar mijn geboorteland te vluchten.Vluchten, ja, want ik kon onze relatie niet meer aan. Het steeds moeten alert blijven om niets fout te zeggen of te doen. De schijn ophouden dat wij enkel goede vrienden waren en niets met elkaar hadden.Jij weet dat dit mij pijn doet en ik weet hoe diep ik je hiermee kwets.Harten breken is nooit mijn specialiteit geweest, ook al vond je dat mijn gedichten en liedjesteksten het tegendeel bewezen.Nooit mocht ik je mailen of schrijven omdat je het te riskant vond. Je wilde niet dat iemand er zou achter komen wat wij echt voor elkaar voelden.Ik wil nu even onze omerta doorbreken omdat dit het laatste is wat je van mij zal vernemen. Ik laat geen adres achter en mijn mailadres en telefoonnummer heb ik gewijzigd.In mijn herinnering koester ik de weinige nachten dat wij konden samenzijn.  Je vond het ongelooflijk dat ik, die zoveel jonger was, op jou viel. Je zei mij, al was het tegen je zin, dat ik mijn liefde aan leeftijdsgenoten moest geven. Ik deelde veel met mijn vrienden: mijn sport, mijn muziek, mijn passie voor mijn idool en de vele verplaatsingen naar zijn optredens in het buitenland. Soms vond je het overdreven en maande je mij aan om wat meer naar de klassieke muziek te luisteren die je zo boeide. Dat deed ik maar al te graag wanneer het samenging met de geborgenheid die ik alleen in jouw armen kon ervaren.Wat heb ik genoten van onze enige uitstap naar de Noordzee. Het was er koud en winderig op het strand. Jouw stoere handen in mijn woelige haardos en onze omhelzing in de duinen staan voor altijd in mijn geheugen gegrift.Hier, op mijn eiland, is de zee diepblauw als jouw ogen, die mij konden opslorpen als wij eindelijk even intiem waren.God, Ion, hoe hartverscheurend kan een mensenleven zijn. Alvorens ik deze brief verstuur, wil ik dat je mij iets belooft. Ook al zal ik nooit weten of je de belofte gaat houden, ben ik zeker dat je verder de vrolijke papa van jouw schatten van kinderen zal blijven en de zorgzame man van je lieve echtgenote. Zij verdienden niet dat ik je ooit van hen zou wegrukken. Adio, Ion, con tutto il mio cuore. Mijn hart bloedt. Tonio Ik sta versteld. Wat erg dat dit schrijven nooit ter bestemming kwam. Ik wil het lot niet tarten en ga niet op zoek naar het ontbrekende huisnummer. Dan waag ik het erop, plak de omslag weer dicht en stop hem in een andere enveloppe, waarop ik als bestemmeling schrijf: All’attenzione di Tonio,I - Muravera, Sardegna (Italia) Als ik met de brief naar de postbus stap, klinkt in mijn hoofd de overbekende muziek van de Italiaanse film ‘Il Postino’. Hoop dat de postbode in Muravera de ware Tonio vindt.    

Vic de Bourg
17 1

Later als ik klein ben ...

Later als ik klein ben … ‘Later word ik een supersonische straaljager’, zegt de jongen op besliste toon.                          Hij spreekt het woord ‘supersonisch’ met veel nadruk uit, fier dat hij zo’n moeilijk woord kent. Hij kijkt me vastberaden aan.  We zitten samen op een bomvolle tram, zijn mama een plaatsje voor hem en hij gezellig naast me, helemaal klaar om een conversatie te starten zoals alleen een kind dat kan.  Zijn mama en ik wisselen een geamuseerde blik uit die de jongen meteen opvat als een ontkenning van zijn woorden.                                                                                                          ‘Mijn mama zegt dat ik alles kan worden wat ik wil, dus word ik een straaljager!’ reageert de jongen vol verontwaardiging. Bij de ‘ik’ wijst hij fier op zijn eigen borstkas, die hij stoer naar voor steekt.    ‘Een supersonische dan nog wel,’ reageer ik lichtjes plagend.                                                        Hij trekt even een wenkbrauw op en kijkt me aan met een kritische blik. Dan begint hij opgewonden te vertellen hoe hij er later als straaljager wilt uitzien. ‘Ik word enorm lang en smal met een scherpe punt van voor om extra snel te kunnen vliegen. De vleugels staan naar achter en zijn rood met blauwe strepen op.’ Met zijn armen tracht hij het vliegtuig uit te beelden, wat niet evident is op een stampvolle tram.  ‘En kan je dan zelf vliegen of moet er een piloot in je zitten?’ vraag ik geïnteresseerd.                  Hij kijkt me aan alsof ik het domste wezen ben op aarde.                                                            ‘Natuurlijk moet er een piloot in mij zitten, dommie!’ roept hij verontwaardigd door de tram.    De mensen rondom ons kijken verrast op en beginnen stiekem mee te luisteren. Zijn mama kijkt me wat gegeneerd aan en maakt met één blik haar zoontje duidelijk dat hij stiller én beleefder moet zijn.  Op een iets zachtere toon legt de jongen me met hand en tand uit waarvoor die piloot dan wel nodig is.                                                                                                                                        ‘Allemaal gelezen in mijn vliegtuigenboek,’ zegt hij trots.                                                            Hij duikt in zijn rugzak en haalt er een groot boek uit met op de voorkant een kleurrijke foto van een vliegtuig. Hij bladert snel naar een pagina met een ezelsoor en daar prijkt de straaljager die hij me zonet beschreef.  ‘Deze wil ik worden,’ zegt hij fier.                                                                                                    ‘Dat is inderdaad een heel knappe straaljager,’ bevestig ik. ‘En hij is supersonisch, zeg je?’        ‘Ja! Super-mega sonisch!’ roept hij enthousiast uit.                                                                         Dan kijkt hij vlug even naar zijn mama, geschrokken zijn belofte herinnerend. Ondertussen hebben er al heel wat passagiers de tram verlaten, maar diegenen die nog overblijven, volgen met plezier het gesprek. ‘Weet je wat supersonisch betekent?’ vraagt hij me als een echte schoolmeester.                        ‘Nee,’ antwoord ik gespeeld.                                                                                                       ‘Als een vliegtuig ongelooflijk snel vliegt, dan hoor je een luide ‘boem’ en dat is supersonisch,’ legt hij me geduldig uit.  Ondertussen merk ik dat de tram bijna bij de eindhalte is. Mijn halte zijn we reeds gepasseerd, maar ik heb tijd en een wandeling zal me goed doen. Dit fijne gesprek wil ik nog niet beëindigen. Terwijl de overgebleven passagiers rechtstaan, klaar om uit te stappen, kijkt de jongen me nieuwsgierig aan.  ‘Wat wil jij later worden als je groot bent?’ vraagt hij me.                                                                 Ik grinnik. ‘Maar ik ben toch al groot,’ zeg ik lachend.                                                                     ‘Ja maar, als je nog groter bent,’ dringt hij aan.    Ik moet glimlachen. Stel je voor, nog een stukje groeien op mijn vijftig. Dat zou ik best fijn vinden. Dat zal eerder krimpen worden, vrees ik. Wanneer ik dit vertel aan de jongen, kijkt hij me een ogenblik verward aan.  ‘Goed dan, wanneer je later klein bent … ‘                                                                              Tegen de logica van kinderen valt niets in te brengen.                                                                    ‘Dan wil ik schrijfster worden,’ vertel ik hem.                                                                                    ‘Waarover wil je dan schrijven?’ vraagt hij me, terwijl we als laatsten uitstappen.                          ‘Misschien wel over een jongen die een supersonische straaljager wordt,’ zeg ik met een knipoog naar zijn mama.  ‘Wauw mama, hoor je dat?’ Die mevrouw wil een boek over mij schrijven!’                                    ‘Ja, schatje, lief, he …’ Zeg nu maar dag aan de mevrouw en dank je wel voor het luisteren.’        Ik krijg nog een ‘high five’ van het jongetje en terwijl mama en zoon wegstappen hoor ik hem verder ratelen over dat coole supersonische vliegtuig dat hij ooit zal worden.  Met een hart vervuld van blijdschap begin ik aan mijn wandeling naar huis. Misschien schrijf ik hier later als ik klein ben wel een boek over. Je bent namelijk nooit te groot of te klein om je dromen waar te maken. 

ElsC002
14 2

Parabel van de Burn-out

Nog niet zo lang geleden werd J. Elle op de bergketen “Bergen van Werk” gedropt. Deze te ontdekken bergketen hield talloze beloften in. Het reisbureau “Ver weg van jezelf” vanwaar Elle steeds werd uitgestuurd zag dit als een unieke kans voor hen: “Dit past bij je karakter, good luck!” J.Elle is een echte avonturier, dus die ging er een beetje naïef en vol vertrouwen op in. Onbeantwoorde vragen zouden zich later wel vanzelf oplossen, dat was nu eenmaal een deel van de uitdaging. J. Elle mocht beginnen in het stadje “Ad. Ministratie” en kreeg er logement in hotel “OW, Overwerk”. Een deftig maar veel bezocht hotel met gratis vervoer naar werk en terug. Doordat het er zo druk was en Elle er moeilijk tot rust kwam werd het na enige tijd slopend: slapeloze nachten en dagen waarin cafeïne en vitaminepillen de verdoken pepmiddelen waren voor de marathon waaraan die meedeed. De kamer “Ploeteren” was te klein, te luidruchtig en dus vroeg Elle aan de baliedame, mevrouw Belletjes, of er niet elders in het hotel een rustiger kamer was. Mevrouw Belletjes vond op de zolderverdieping nog een kamertje “IK. Moeten” met een ruim bed en luxe bureau. Maar ook daar priemden geluiden en berichten door tot aan het dakvenster. Rust vond J. Elle niet. Op een gegeven moment besloot Elle om te vertrekken: “Dag dame Belletjes, je hoeft geen rekening meer te houden met me, ik zoek een ander hotel in een andere stad. Merci en tot nooit meer!”    Smoezen  Kordaat stapte Elle naar buiten, nam een Uber richting het nabije dorp en kwam zo terecht in “Smoezen”. Het leek er rustiger en er was een rivier met een grote brug “Klachten”. Er leefden twee soorten bewoners: de sarcasten aan de ene kant van de brug en de roddelaars aan de andere kant. Ze heetten J. Elle welkom, de enen met een korte strakke groet en de anderen met een praatje waar geen eind aan leek te komen. Ze nodigden die ook meteen uit voor de wekelijkse vergaderingen van het dorp.  Elle ging hier dankbaar op in. Wat die zich later nog zou berouwen. Niet ver van de dorpskern was een mooi gebouw met grote kamers, daar nam Elle intrek in de dure loft “Hou vol, en blijf in je hol”, dit ter beschikking voor tijdelijken die rustig wilden wonen en werken. Voor J. Elle het zelf goed en wel besefte was het nu meer dan drie jaar later en leek het avontuur in deze ontzettend grote bergketen oneindig. Maar dat zou niet blijven duren. Na lang aarzelen durfde Elle de vraag te stellen of diens werk wat meer afgebakend kon worden. Snel kwam er een boodschap van het reisagentschap: “Je werkt goed, doe gewoon zo voort, als beloning hebben we nog een extra project voor je met een korte uitstap naar een van de bergtoppen, zie bijlage.” Neen, zeggen vond Elle erg moeilijk. De uitdagingen leken wel steeds de moeite; ja hoor we gaan ervoor, forceerde diens gedachten. Zo werd J. Elle jaren aan een stuk van Kastje naar Muur gestuurd, de twee belangrijkste klanten. Tijdens de vrije momenten, die zeldzaam en dus kostbaar waren, nam Elle regelmatig de afvaart naar “Decadentie”. Een schijnbaar gezellig en aanstekelijk plaatsje met tafels bestaande uit gigantische houten hoofden waar het goddelijke drankje Meer is Beter rijkelijk uit spoot, terwijl artiesten zoals Geen Inkomen Meer en 'T Moet Hier Gedaan Zijn opzwepende ritmes uit hun lijf persten. Samen met lotgenoten trachtte Elle zich daar te ontspannen om tot slot op het eilandje “uitgeput” in de buurt te eindigen, vaak met een kater of ruzie met geliefde, K. Lontje, die al snel diens ex werd.   Nieuwe wending   Dit bleef zich herhalen tot op een dag oude vriend, B. Razernij, op bezoek kwam. Die zag hoe Elle veranderd was: kilo’s bijgekomen, wallen onder de ogen en een radeloze blik. Een normaal gesprek was met hen niet meer mogelijk. Razernij kon hier behoorlijk boos van worden en spijkerde Elle met geweld tegen de muur van de loft, die op losse schroeven stond, waarna het dure kamertje in elkaar stuikte. Razernij nam Elle uit het puin, sleurde die vanuit het dorp Smoezen naar rivier “Geen Excuses” en zette die op een vlot: “Verdwijn hier, laat je drijven naar Rondkomen en tracht via Nieuwe Wending tot bij standbeeld Zin Geven te geraken. Ik wil je niet meer zien voor je je herpakt en met me een redelijk gesprek kan aangaan!” riep Razernij nog na. Tijdens de zware tocht doorheen het gebergte op koud hout en met een kleine knapzak overschreed hen hier en daar de limieten, maar hield vol. Vooral de nachten waren kil en leken eindeloos. Toch bleef Elle peddelend op het vlot zoeken naar het standbeeld. Na lang dobberen zag die vanachter een oude kastanjeboom een beeld opduiken in de vorm van een omega teken. Dit moest het zijn, Nieuwe Wending! J. Elle meerde aan, tien kilo lichter ondertussen en een beetje verwilderd, maar de blik zachter, de ademhaling dieper en de ogen helderder. Terwijl die neerzat en wat noten at onder de boom, keek hen vredig om zich heen. Elle besefte voor het eerst sinds lang dat die genoot, dit was de avonturier die hen wilde zijn. Een zacht gezang steeg op. In de verte zag die een schim. Het had lange witte haren, een lang smal mosgroen gewaad en naderde voorzichtig. J. Elle keek op.“Wie ben jij?” “Wie ben jij?”, antwoordde het.“Ik ben, op zoek, en ik hou ervan om te zoeken, te ontdekken en verder te gaan. Ik ben ik, maar ik wil me niet meer zo lang verliezen.” “Ik ben Lot,” antwoordde het, “maar je mag me Lotte noemen. Ik kom uit het stadje In de Wolken, het is er kalm en aangenaam vertoeven. We zijn een nogal eigenzinnig volkje en werken aan dromen. We geven ze gratis weg en hopen in stilte dat de mensen uit de andere steden en dorpen ermee aan de slag gaan.” “Wat mooi!”, antwoordde Elle.  “Kan jij mij ook helpen?” Het knikte. “Ik kan je dromen meegeven, er iets mee doen ligt aan jezelf.” “Hoe?” “Daal hier wat naar beneden, voorbij Eenzame Vlakte, daar kom je uit op het snelstromend riviertje De Voeling, volg dit tot je op een stationnetje uitkomt. Midden in de natuur, station Focus. Wacht daar op de trein. Het zal niet lang duren. Je bent er klaar voor. Neem de trein en stel geen vragen, de bestuurder neemt je mee naar daar waar je op focust.” J. Elle dankte Lot, vulde de zakken nog met enkele kastanjes en vertrok.   Dromen  Enkele kilometers verder vond die de rivier en volgde deze voorbij de vlakte tot aan het station. Daar wachtte Elle geduldig, deelde er de momenten in met ademhalingsoefeningen, wat schrijfwerk en kleine tekeningen tot er puffend een oude trein aankwam. De machinist keek even uit het raampje en deed teken dat Elle mocht opstappen. J. Elle zou zich nu focussen op rust en op een nieuwe droom. Een nieuw avontuur waar die helemaal zichzelf kon zijn en blijven. De trein reed voorbij verschillende Bergen van Werk en pikte onderweg nog enkele passagiers op waarvoor hij stopte langs “Vergeten eilanden”, “Leegte” en “Herstel”. Dan nam de trein een grote bocht en denderde naar beneden voorbij "Ideeënstroom" om tot slot te stoppen bij “Passie”. Daar stapte Elle af en wandelde richting het huis van hun voorouders. Een wat verwaarloosde plaats met daarachter de tuin der aangename lusten en middenin de bron der gedrevenheid. Iets waar die nu tijd voor zou nemen om het te onderzoeken, af te bakenen en er ideeën te laten groeien.  Vanachter een hoge muur gezeten overdacht J. Elle de afgelopen periode, een beetje schuw en verdoken nog, want die voelde hoe het reisbureau “Ver weg van jezelf” en het bureau “Ad. Ministratie” hen nog op de hielen zat. Misschien moest Elle hun maar voorgoed verlaten en een eigen bureau beginnen of een bureau zoeken waar die zich beter voelde, samen met anderen.  Niet veel later verscheen ‘s nachts de witharige Lot voor diens ogen en fluisterde heel helder een droom in. Ja, juist. Daar moet J. Elle zijn.     NotaDeze parabel is genderneutraal geschreven. Als ik toch fouten gemaakt heb, mag je me corrigeren. Een schriftuur waar hij/zij vervangen wordt door hen/hun en die/diens. Ik ben zelf een kind van de jaren tachtig en merk dat de jongeren van nu veel bewuster omgaan met zichzelf en het genderaspect. Dat kan ik alleen maar toejuichen en zijn dingen waar ik rekening mee wil houden. Zeker als het een parabel is zoals deze. Iets waarvan ik hoop dat iedereen die het ooit meemaakte of erin zit zich herkent en mag erkennen. De inspiratie voor de parabel haalde ik uit een labo “Schrijven uit beleving”, gegeven tijdens mijn schrijfdocentenopleiding door collega Wim Vercauteren en het boekje “Zakatlas van de Belevingswereld.” Dit is Versie 2, na enkele kleine correcties. Met dank aan de feedback van Vitalski.

Bart Vermeer
196 2

Beethovens laatste avond

‘Elise’ raspte ik de stilte in die stilte bleef. En duisternis. Ik voelde haar naam tegen mijn stembanden schuren. Ze kwam niet. Ze sliep vast. De slaap der rechtvaardigen. Mijn Elise. Zo vaak had de stem van mijn geweten door mijn hoofd gegalmd. Zo luid dat ik er stil van werd. ‘Elisemijn’ probeerde ik, al wat zoeter. Mijn duisternis bleef stil. Ik sliep vast nog. Ik knipperde met mijn ogen. Mijn handen tastten langs het zijden onderlaken, het hout van mijn doodsbed. Koud voelden mijn handen aan mijn gesloten ogen. ‘Elise, waar ben je?’ riep ik, en knipperde met mijn gesloten ogen. Elisemijn. Geheim. Je lippen. Weet je nog? Mijn duisternis is eeuwig stil. Mijn duisternis is eeuwig. Ik voel hoe handen mijn lichaam optillen. Daar is het licht. En het nieuwe duister. Mijn handen links en rechts van mij. Mijn vingers voelen eik. Spijkers hameren mijn middenoor in. Weet je nog? Ik voel hoe ik in het duister val. Dit moet het zijn. De laatste duik. Weet je nog? Elisemijn, Elisemin. Het zout op je lippen. Ik voel het water. Ik voel de stenen. Ik voel steeds dieper. Dieper het duister in. Als ik sterf wil ik een walvis worden. Een blauwe vinvis. ‘Wil je dat voor me doen, Elise?’ Je lippen die stil ‘ja’ voor me lipten. Mijn geheim. Als ik sterf wil ik een walvis zijn. Leid jij me dan rond? In jouw onderzeese pracht. Ik voel het water rond mijn armen. Mijn mond. Ik knipper met mijn ogen. Het zout prikt. Mijn armen komen los. Met een krachtige slag van mijn staart ben ik vrij. ‘Oeehhhhhw’ brul ik het diepe blauw in. Het duister is eeuwig, mijn stilte voorbij. Elise, luister naar mijn lied.

Frederik Tilbe
0 0

Deutsche Gründlichkeit

Konnichiwa. En arigato. Dat is goeiendag en merci. Tot zover reikte mijn kennis van de Japanse taal na vier dagen Tokio. Op zich niet zo’n probleem. De meeste restaurants hebben van ten minste één gerecht wel een foto, makkelijk kiezen trouwens als het bij eentje stopt, en bij eetkraampjes kon ik gewoon aanwijzen wat ik wilde. Weten wat ik at, was een andere zaak, maar daar had ik me op dag één gelukkig al overheen gezet. Ook in de metro kon ik me prima behelpen met de kleuren van de metrolijnen en de nummers van de stops. De hele Japanse romans op de infoborden in de stations en onderweg miste ik wel volledig, maar aangezien ik iedere keer aankwam waar ik heen wilde, ga ik er vanuit dat die info niet essentieel was. Dat was Tokio. Nu ben ik net aangekomen in Kyoto, mijn tweede tussenstop in deze reis. Meteen bij aankomst merk ik dat mijn gebrek aan kennis van het Japans me hier net iets meer parten gaat spelen. Een uitgebreid metronetwerk om me makkelijk te verplaatsen is er niet, en de infoborden die in de hoofdstad nog heel af en toe naar het Engels versprongen, tonen hier halsstarrig alleen maar Japanse tekens. Moeilijk gaat ook, denk ik dan maar, en vol goede moed vertrek ik de volgende ochtend richting Nara voor een bezoek aan enkele imposante tempels. Om nog maar te zwijgen van de 1200 heilige herten die er vrij rondlopen. De metrorit naar het treinstation was geen probleem. Het is te zeggen, ik heb geen idee wat mijn rit had moeten kosten, maar ik heb de gulden middenweg gekozen tussen het goedkoopste en het duurste ticket, en het ticketpoortje leek zich daar in te kunnen vinden. Het poortje content, ik ook content. Maar nu. Nu sta ik op het perron van het station in Rokujizo. Er zijn maar twee sporen, dat is al een meevaller. Maar er valt nergens een letter Engels te bespeuren. Werkelijk géén letter. Wat verderop is een groepje Westerse toeristen samengetroept die aan de verwarde blikken op hun gezichten te zien, ook niets verstaan van de info die op de digitale borden voorbij raast. Me bij dat groepje voegen, lijkt mijn kansen om vandaag in Nara te geraken, niet bepaald te vergroten, dus ik gooi het over een andere boeg. Enkele meters van me vandaan, al wachtend op de trein op perron 1, staat een iets oudere vrouw met wat volgens mij best haar dochter kan zijn. Op goed geluk vraag ik in het Engels aan de dochter of dit het perron voor Nara is. Met een giga smile en hevig knikkend, wijst ze trots naar de brochure in haar handen. Wat er op geschreven staat weet ik niet, maar ik herken wel de hertjes. “We”, wijst de moeder opeens dolenthousiast naar zichzelf en haar dochter, “Nara!”. “Great!”, zeg ik met minstens evenveel enthousiasme. “I’ll just follow you then!”. Aan de uitgebreide Japanse dialoog tussen de twee die daar op volgt, durf ik te concluderen dat ze dat laatste niet helemaal verstaan hebben. Na iets dat mij leek op wat Japans gekibbel, richt de moeder zich opeens terug tot mij. “You here alone?”, vraagt ze met grote ogen. “Yes”, antwoord ik al knikkend. “Waaaauw. My daughter, no out Japan”, schudt ze haar hoofd. “Where you from?” “I’m from Belgium”, zeg ik, toch een beetje trots. Maar dat land doet duidelijk geen belletje rinkelen. Die wereldgoal van Chadli op het wk vorig jaar, heeft hier duidelijk minder indruk nagelaten dan ik gedacht zou hebben… Als ook mijn tweede poging, Brussels, geen succes kent, doet de olijke mama dan zelf maar een voorstel over mijn herkomst. Ik mag kiezen tussen Germany en France. Omdat de Deutsche Gründlichkeit me toch net iets beter ligt dan dat Franse chauvinisme, ga ik maar voor de eerste optie. “Ooooooh wauw”, is het Japanse antwoord op mijn keuze. Ik zal het nooit weten natuurlijk, maar ik gok dat ik met Frankrijk hetzelfde resultaat had geboekt. Haar woorden zijn nog maar net koud, als ik in de verte een trein op spoor 1 zie aankomen. “Nara?” wijs ik voor de zekerheid nog eens naar de naderende trein. “Yes. Yes.”, antwoordt de moeder met nog altijd evenveel enthousiasme. Ze lijkt wel immens trots op het feit dat ik haar heb uitgekozen om info in te winnen. En die trots is helemaal wederzijds wanneer ik eindelijk één van mijn twee Japanse woordjes kan gebruiken. “Arigato”, lach ik hen toe terwijl ik de trein instap en een zitplaats kies. Minuten later, en al helemaal in gedachten bij de heilige herten van Nara, voel ik opeens een hand op mijn schouder tikken. Het is de vrolijke mama die een handvol snoepjes voor mij uit haar handtas heeft gevist. Blij als een kind neem ik ze aan, en daar lijkt ook zij weer heel gelukkig van te worden. Met een smile tot achter mijn oren, en heerlijke snoepjes tussen mijn kiezen, zit ik de 20 minuten durende rit naar Nara uit. En de andere toeristen? Die hebben hun weg naar deze trein uiteindelijk ook gevonden. Zonder snoepjes weliswaar.

ClauTluk
12 0

Curieuze neuzen

Amper een paar minuten na mijn aankomst in Tokio, had ik al een grenzeloos respect voor de Japanners. Alles wat ze doen, gebeurt met een ijzeren discipline: de paspoortcontrole was de vlotste die ik ooit meegemaakt heb, alle roltrappen worden enkel aan de linkerkant bezet zodat de gehaaste medereiziger langs rechts vlot voorbij kan, en bij het wachten op de metro staat iedereen netjes, in één rij, achter de gele lijn. Zelfs in de metro, die spik en span is trouwens, gaat het perfecte verhaaltje verder: in de bochten wordt er door heel de rechtstaande bende synchroon naar links en naar rechts gehangen. Het is een streling voor het oog. Maar terwijl ik mijn ogen verder lustig de kost geef, ervaren mijn oren opeens een hele andere kant van het verhaal. De man in het strakke pak naast me, die heel erg verdiept zit in de Anime game op zijn smartphone, trekt zo hard zijn neus op dat het wel lijkt alsof het snot van enkele weken in enen trek zijn weg vindt naar zijn maag. Zijn slokdarm gaat het voorbijzoeven niet eens gemerkt hebben, zo snel moet het zijn gegaan. En het blijft niet bij die ene keer van die ene Japanner naast me. Het lijkt wel alsof hij een heus snuifconcert doorheen het hele metrostel in gang heeft gezet, waarbij de ene neus nog goorder klinkt dan de andere. En allemaal al hangend boven een smartphoneschermpje waarop lustig gegamed wordt. Gelukkig worden mijn oren, en mijn omgedraaide maag ondertussen ook, enkele minuten later gered dankzij een resem Japanse woorden gevolgd door “Tawaramachi”, het station waar ik eruit moet. Gepakt en gezakt verlaat ik de metro en wandel ik in de richting van mijn hostel. Een straat verwijderd van dat einddoel, wordt mijn aandacht getrokken door een hoop kabaal en flitsende lichten uit iets dat heel veel weg heeft van een lunapark, maar dan zonder de rest van de kermis. Mijn curieuze neus, een exemplaar dat wel nog netjes gesnut wordt, kan het niet laten om hier toch al even binnen te springen. Wat ik hier binnen aantref is ronduit fascinerend. Doldwaze Japanners gaan helemaal los op grijpmachines, arcade games en veel te gesofisticeerde muntenschuivers. Maar dan valt mijn oog op iets anders: de neuzen! Die zijn hier, op een paar uitzonderingen na, allemaal volgepropt met papieren doekjes. Ik begin haast te denken dat heel Japan het zo druk heeft met spelen, dat ze het zich niet kunnen permitteren om hun handen even te laten stoppen om een zakdoek boven te halen. Maar in mijn hostel komt de aap uit de mouw. Nadat ik daar al snuitend mijn beurt afwacht, vertelt de Britse jongedame aan de receptie dat Japanners dat nogal onbeleefd vinden. Hier hoor je je blijkbaar af te zonderen om je neus te snutten, en als dat niet gaat, is het dus doodnormaal om je snot naar hartenlust op te snuiven. Met het schaamrood op de wangen trek ik naar mijn kamer, vastberaden om toch eens wat op te zoeken over de Japanse etiquette voor ik mij opnieuw onder de mensen begeef…

ClauTluk
0 0

De pest of de cholera - een aanklacht

‘Doe open, alstublieft!’ Ik bonkte met mijn vuist op de dikke houten deur. Het scharnier van mijn schouderplaat knarste. Na maanden zonder toernooien raak je vastgeroest. ‘Doe open, alstublieft, of het zal u berouwen!’ Weer bonkte ik met mijn vuist op de dikke eikenhouten deur. Met een behendige zwier trok ik mijn zwaard uit de schede. Trok ik mijn zwaard uit de schede. ‘Barbier, doe godverdomme open of ik hak je in mootjes!’ ‘In mootjes? Zie maar eerst dat je je zwaard uit je schede krijgt, Ludo.’ De stem van de barbier klonk dichtbij. Alsof hij naast me stond. Ik hief mijn hoofd wat op en zag door het kijkdeurtje het dikke, zweterige hoofd van Guido de Barbier. ‘Guido, zowaar ik Ludowijk XII heet, ik zal je belonen!’ Ik hoorde Guido nee schudden, zijn dubbele kinnen wreven over elkaar als twee gepekelde kalfsschenkels bij de beenhouwer. ‘Het mag niet van Prins Jan, Ludo.’ Al vijf maanden geen toernooien meer. Al vijf maanden geen bevallige deernen meer gered uit de klauwen van een draak. Maar het ergste was dat mijn helm sinds een week niet meer paste. Mijn laatste barbierbezoek was vijf maanden geleden. De slierten grijzig haar hingen voor mijn gezicht en blokkeerden mijn zicht door mijn vizier. Mijn baard krulde vervelend op en al met al was ik blij dat ik in deze toestand niet tot een duel werd uitgedaagd, of de orde moest gaan handhaven op het platteland. ‘En als je kan kiezen tussen de pest en de cholera?’ gooide ik al mijn overredingskracht in de strijd. ‘Wat in godesnaam is de cholera? De pest hebben we al, waarom zou ik die cholera ook nog willen? En waarom zou ik jouw haar wel knippen, jouw baard wel mousseren en oliën terwijl ik die van de gekke Tilda al jaren niet knip?’ De hele weg naar Guido had ik argumenten verzonnen, achterpoortjes om de ijzeren wet van koning Jan te omzeilen. ‘Contactambachtslieden en barbiers zullen vanaf heden en voor een periode van minstens neugen moonden geen arbeid verrichten nie.’ ‘Kijk, Guido, ik zet deze bloempot hier op mijn kop, steek jij je hand door het kijkdeurtje, neem mijn dolk en snijd mijn verdomde haar af! Ik ben het beu! En overgiet daarna mijn haar met een aftreksel van vlierbloesem om het die frisse geur en die zachte kleur weer te geven. Ik word grijs en dat is nefast voor mijn levensvreugde. Ik heb er echt de pest in!’ ‘Het is goed, Ludowijk, kom maar.’ Ik zette twee stappen richting de deur met een terracotta bloempot op mijn hoofd. Plots sneed er een blinkend lemmet door de lucht. De hand van Guido gleed bedreven het kijkdeurtje uit. Drie tellen later lag ik bloedend op de grond. Mijn hals in helse pijnen. Piepend ging de deur open. ‘De pest of de cholera... krijg jij de tering maar, Luldowijk’, sneerde Guido en spuwde op mijn zieltogende lichaam.  

Frederik Tilbe
0 0