Lezen

Zwischen den Bergen...

Neen, niet Oostenrijk, maar Tignes Val d’Isère, skioord in de Franse Alpen, wordt onze zomervakantiebestemming.Vrienden raadden  ons deze zonovergoten streek aan voor de zuiverste berglucht en de fauna en flora van het  Vanoise-massief.  Dat wij voor een appel en een ei in hun flat mogen verblijven, overtuigde ons om de reis te wagen.De Peugeot 304 diesel stationwagen heeft ons al eerder veilig heen en weer tot in het  ‘Zuiderste’  puntje van Frankrijk gebracht, dus die moet ook de bergen aankunnen.In Bourg-Saint-Maurice begint de klim naar een slordige achttienhonderd meter hoogte. Al snel durven vrouwlief en de dochters van negen en twaalf niet meer naar beneden kijken. De valleien, zeg maar afgronden, worden alsmaar indrukwekkender.Vakantiegangers met snellere bolides en zelfs vrachtwagens doen mij verstaan dat ik, zodra het kan, even aan de kant moet gaan staan om hen door te laten.Het is steeds bergop, dus remmen hoeft amper maar toch word ik gewaar dat er iets niet pluis is met het remsysteem. Om mijn medepassagiers niet in paniek te brengen zwijg ik in alle talen, zelfs in het Frans, dat ik af en toe gebruik om een onvoorzichtige chauffeur de huid vol te schelden.Slechts tweeëndertig kilometer duurt de urenlange tocht. Het uitzicht is hemels mooi maar voor mij is het een hel. Boven is geen autogarage. Ach, we hebben hier geen wagen nodig.De terugtocht verloopt vlotter, want het is bergaf. Ik gebruik constant mijn handrem. Af en toe krijg ik weer druk op de remmen.

Vic de Bourg
9 0

Heerser van de peristaltiek

Ooit duwde ik me tijdens La Festa di Sant Agata door de Catanese straten. Ik was toen bewust aanwezig, dat wel, maar dat het dit, ginds o zo belangrijke, feest was, wist ik op dat moment niet. Zo kwam het dat ik me in een massa bevond, waardoor ik nu steevast smalend reageer wanneer men een groep mensen een massa noemt: ‘Ge weet niet waarover ge spreekt! Tien man of wat?’Zowat alle Siciliaanse lichaamsdelen, en wat ze kunnen dragen, werkten mijn bewegingen tegen en dwongen me mee te doen met hun ritueel. Alle Catanesi, jong en oud wierpen, huilend met witte zakdoeken, kusgebaren naar hun beschermheilige die op een immense, vergulde troon zat. Enkele tientallen mannen in witte pijen torsten het gevaarte voet voor voet door de stad. Wie goede oren had, kon de ruggenwervels van de mannen horen knarsen en kraken. Niemand hoorde dat. Rond de troon, nog steeds op het gevaarte, liepen andere witte mannen. Zij deelden kaarsen uit of namen er in ontvangst. Dat kaarsenverkeer heb ik nooit kunnen ontcijferen. De dag nadien had ik de processie alleen kunnen afwerken door het gele kaarsvet op de donkere straatstenen te volgen. Ik deed het niet.Intussen schoof ik een halve meter op. Ik voelde me dat taai stuk vlees dat ik als kind toch maar mijn slokdarm in moest jagen. Door de samenwerking aan kring- en lengtespieren hebben de stukken zich al die jaren peristaltisch naar beneden kunnen werken. In Catanië waren de inwoners de kringspieren en was ik de enige lengtespier die alles uit de kast haalde om toch maar vooruit te geraken. Ik wilde weg, een rustige straat inslaan en een museum bezoeken. Wie wil er nu cultuur opdoen door er middenin te staan? Het lukte. Ik bleek sterker dan zij die bescherming zochten bij een corpulente dame op een troon, die slechts één keer per jaar uit haar kathedraal kwam. Ze zouden míj moeten vereren, verdomme, heerser van de peristaltiek. We zouden kunnen afspreken dat ik jaarlijks twee keer door hun straten wandel. Of zet me maar op de troon van de witte mannen, het zal hun ruggen en schouders goed doen.

de amechtige specht
41 0

De versleten broek

Een vriend van me zit in de broekenindustrie. De groothandel. Geen grote broeken, maar gewoon veel broeken. Hij heeft altijd verhalen bij uit het buitenland. Broekavonturen. We hebben afgesproken in de stad, waar hij woont en waar hij me van het station haalt. We zaten samen in de lagere school. Terwijl de trein het Centraal Station binnenrijdt denk ik aan de anekdote van meester Ivo die hij altijd vertelt. “Weet ge nog van meester Ivo? Hij zei altijd dat ik mijn broek zat te verslijten in de klas.” Hij is mooi op tijd en het weerzien is hartelijk. We proberen dit eenmaal per jaar te doen. Een koffie, een museumbezoek en daarna een hapje. Zijn telefoon rinkelt voortdurend. Het lijkt er eentje van het type te zijn dat ze pas gisteren hebben gelanceerd. “Ik bel wel terug”, zegt hij terwijl hij op de rode knop drukt. “Druk precies?”, zeg ik. “Ge wilt het niet weten. Ze bellen me van overal voor nieuwe partijen broeken. Maar ik heb er een theorie over.” Daar komt één van zijn verhalen. “Mensen moeten alsmaar meer meesleuren. Vroeger waren het alleen autosleutels, een portefeuille of een zakdoek. Maar tegenwoordig? Iedereen heeft een smartphone in zijn broek zitten. En een mondmasker. En een attest om binnen te mogen.” “Oké”, zeg ik. “Maar daar verslijten toch geen broeken van.” “Nee, maar mensen kloppen   continu op hun broek. Mondmasker? Check. Portefeuille? Ja. GSM? Check. En ze voelen maar. Daar gaan broeken sneller van verslijten. Ze vertelden het me in de fabriek. Stof is onderhevig aan wrijvingen.” Bij het koffiehuis voel ik in mijn broek naar mijn telefoon. Ik zie hem grijnzen. "Weet ge nog van meester Ivo", zegt hij als de koffie verschijnt. "Die zei altijd dat ik mijn broek zat te verslijten in de klas. Geweldig toch."

Rudi Lavreysen
41 0