Lezen

Samen met het vrouwtje

Sinds hij nog maar alleen is met het vrouwtje, moet hij wel wat beter op haar letten. Ook als ze naar haar werkplekje gaat, boven, gaat hij meestal toch wel mee. Dat vindt ze wel fijn, dat merkt hij wel. En natuurlijk is het voor hemzelf ook wel gezellig. Het vrouwtje heeft een vachtje neergelegd en er staat water voor hem. En wat ook wel gunstig is, ze heeft een doosje met snoepjes in de boekenkast gezet. Makkelijk, dan hoeft ze niet naar beneden te lopen. En dan denkt ze er ook eerder aan, dat is zeker. Hij mag nu ook vaker met haar mee. Dan gaan ze in de auto en neemt ze zelfs zijn dekentje mee. Dat wordt in de hoek gelegd en dan heeft hij daar zelfs zijn eigen plekje. Niet dat hij daar veel gebruik van maakt, er zijn veel te veel interessante dingen te ontdekken. Ook zijn er veel andere mensen. Maar die zijn heel aardig en willen meestal ook best even met hem spelen. Als het vrouwtje zijn bal mee heeft genomen, kunnen ze die mooi gebruiken in de lange gang. Hij heeft al wel in de gaten dat de meesten ook boterhammen of zo in hun tas meebrengen. Op zijn gemak maakt hij dan een rondje. Helaas mag dat niet van het vrouwtje en worden de tassen dan dichtgedaan. Hmm. Gelukkig valt er toch wel eens wat af bij sommigen, hij weet inmiddels precies bij wie hij dan moet zijn. Nee, over het algemeen een prima plek om zo de dag door te brengen. Het is ook wel prettig als ze de dag erna weer samen thuis zijn. Dan kan hij op zijn gemak slapen zonder dat hij wordt uitgelachen als hij snurkt. Hij hoort het wel hoor, dat ze het dan over hem hebben. Net of mensen zelf niet snurken, zo! En hij doet er niks aan, zijn neus is nu eenmaal niet langer. Gelukkig is hij nog geen mensen tegengekomen die aan de andere kant van de gang gaan lopen als hij ze wil begroeten. Dat gebeurt op straat nog wel eens. Heel vreemd. Hij heeft nog nooit lelijk gedaan tegen andere mensen. Het vrouwtje trekt hem dan wel mee, zij schijnt er wel begrip voor te hebben. Ach, mensen, soms zijn ze niet te begrijpen. Hij loopt dan maar netjes met het vrouwtje mee. Tenslotte wil hij haar niet voor schut zetten. Want ze moeten er toch maar het beste van maken, zo samen.

Machteld
0 0

(On)gelukszoekers

“Gisteren zag ik een uil op klaarlichte dag”, zegt Janus diep onder de indruk: “dat brengt ongeluk.”Zijn vriend Boris kijkt hem verbaasd aan: “Heeft hij  geroepen?” “Een keer hoorde ik hem koekoek roepen.”“Ik vraag mij af wie hier de uil is, uilen roepen oehoe, niet koekoek. Hij moet trouwens drie keer roepen alvorens hij ongeluk brengt.” “Zoveel verschil is er niet tussen koekoek en oehoe. Tegen mogelijke tegenspoed heb ik vandaag een stukje oesterschelp in mijn zak gestoken. Gisteravond heb ik ook snel over mijn rechterschouder naar de nieuwe maan gekeken.”“Jij, die amper het verschil tussen links en rechts kent. Ben je zeker dat het niet jouw linkerschouder was want dat betekent pas ongeluk.”“Je bezorgt mij de daver op het lijf. Waarom lach je me telkens uit met mijn geloof in omina?”“Ach, zolang je geen haas bent tegengekomen of de eieren van je kippen pas na het donker hebt binnen gebracht valt het allemaal nog wel mee met die ongeluksbrengers. Zijn er nog andere noemenswaardige dingen gebeurd?”“Vanmorgen vlogen én een roodborstje én twee vlinders de keuken binnen en na mijn ochtendwandeling volgde een vreemde hond mij naar huis. Dat zijn drie geluksbrengers op een rij.”“Ja, maar ik zag dat je van de wandeling een ruiker hebt meegenomen met witte en rode bloemen, dat is om ongeluk smeken.”“En dat klavertje vier dan? Een teken van puur geluk.”“Je hebt niet goed geteld, kerel, het was een klavertje vijf en dat is een veeg teken.”“Zullen wij maar ophouden elkaar de loef af te steken? Heb je trouwens  nog steeds dat konijnenpootje bij je?”“Neen, Janus dat pootje heb ik gisteren naar jouw zwarte kat gegooid die mij voor de zoveelste keer voor de voeten liep.”“Dag Boris, tot morgen.” 

Vic de Bourg
27 0

De Poolse winkel (uit Coronacursiefjes)

                                                                       (zaterdag 2 mei 2020 – 7765 doden in België)   Wat heb ik nodig vandaag? Brood, spuitwater … Ik moet erom lachen. We zitten al negen weken opgesloten en wat heb ik nodig? Brood en water? Dan toch maar een flesje wijn voor mezelf en cola voor zoonlief. Oh ja, en kip! Dan maak ik chicken tandoori morgen. Ik vis een stoffen tas uit de kast, pluk mijn handtas van de tafel en rommel door de inhoud: sleutel, bankkaart, bonuskaart en gsm.  Het zonlicht schijnt door het broebelglas van de voordeur en valt op de verweerde tegels in de gang. Ik blijf even staan met het slot in de rechterhand. Ademen, hou ik mezelf voor. Blijven ademen! Ik trek de voordeur open en stap de wereld in. Ik trek de deur achter mij in het slot en het is alsof ik er vanaf nu helemaal alleen voor sta. Xena Warrior Princess tegen de buitenwereld. In de Driekoningenstraat is het zoals nooit anders over de koppen lopen. Vanaf volgende maandag worden de maatregelen versoepeld, maar het is duidelijk dat veel mensen daar niet op wachten. Ik stap naar de plaatselijke Albert Heijn. Wanneer ik de rij wachtenden zie, draai ik honderdtachtig graden en wandel terug de winkelstraat in.  De Poolse winkel is open. Buiten zit een brede man in bestofte werkbroek en knabbelt op een koek. Ik ga hem voorbij en loer naar binnen.     ‘Proszę wejść!’ De verkoopster wenkt me met een breed gebaar. ‘Kom binnen, kom binnen!’ Ze is heel groot, heeft lang zwart haar en rood gestifte lippen. ‘Zorry, mien niederlandsz,’ ze rolt met haar ogen en maakt een hulpeloos gebaar.    ‘That’s ok,’ probeer ik.  Ik kijk rond en zie niet wat ik zoek.    ‘Excuseer, hebt u spuitwater?’ De vrouw sorteert intussen pakjes sigaretten aan de kassa met haar rug naar de winkeltoog.    ‘Mevrouw?’ Ze draait zich om en tovert haar mooiste lach op haar gezicht.    ‘Huh?’    ‘Sorry, ik zie alleen plat water. Ik zou graag een fles spuitwater hebben.    ‘Cola? U?’    ‘Nee, water alsjeblieft.’ Ik glimlach en wijs op het mineraalwater dat wat verder op de grond staat.    ‘Aaaaah, wody!’ Ze knikt en neemt een fles. Ik schud van nee.    ‘Hebt u misschien ook spuitwater?’ Ze bevriest met de fles water in haar handen en kijkt me aan alsof ik van de maan kom.    ‘Gas?’ probeer ik.    ‘Aaaaah, gazu! woda gazowana! Thies is woda mineralna!’ Ze komt achter de kassa uit en plukt een fles uit een rek.    ‘Woda gazowana!’ roept ze triomfantelijk en ik geloof haar. Ze staat daar met de fles in de ene hand en wijst ernaar met de andere, terwijl de tip van haar rechtervoet sierlijk naar voor wijst. Een reuzin met rood gestifte lippen en een fles water. Het lijkt een reclamespot.  Ik bedank haar zo vriendelijk als ik kan, betaal en loop de winkel uit.    ‘Do zobaczenia,’ zegt de bestofte broek wanneer ik langskom en hij steekt zijn duim op. Ik doe stoer hetzelfde en loop verder.

Kristin Huyghe
7 0

De krantenwinkel (uit Coronacursiefjes)

                                                                 (donderdag 23 april 2020 – 6735 doden in België)   Op het voetpad voor de krantenwinkel is het druk. Buiten staat een reclamebord in plexiglas met de laatste cover van ‘Flair’. Naast een meisje met een brede tandpastasmile staat de tekst ‘hoe vermager je in vijf dagen zonder te diëten’ in grote zwarte letters. Je kan er niet naast kijken. Ik heb een pakje dat moet worden teruggestuurd. Ik heb een accu voor een oude laptop gekocht in de hoop dat ik die terug aan de praat kon krijgen. Nee dus. Gelukkig mag ik het zonder kosten terugzenden.  Met een knal botst een man tegen mij aan.    ‘Seg trut! Zie waar ge loopt,’ roept hij en maakt zich uit de voeten. Verdomme! Die heeft geluk dat hij niet is blijven staan. Ik kook inwendig. Een vrouw met zwart mondmasker staat in het deurgat van de krantenwinkel. Ze sleurt een grote boodschappentrolley mee waarmee ze de ingang van de winkel blokkeert. Over haar schouder, vanop een afstand, zie ik binnen twee mensen staan. Je mag per twee binnen, dus dat zit snor. Eén klant staat aan de winkeltoog, de andere rommelt doorheen de magazines. Ik ga op het voetpad achter haar tegen de etalage staan en wacht mijn beurt af.     ‘Kom maar binnen, schatteke,’ hoor ik een stem van achter de toonbank roepen, waarop de vrouw die ik intussen oneerbiedig Zorro heb gedoopt, in de donkere winkel verdwijnt. Vanuit de tegenovergestelde richting komt een oudere man aan geschuifeld. Hij loopt licht gebogen en zijn haar ligt in de war. Hij grimlacht waarbij zijn bovenste tandenrij naar beneden zakt. Met zijn rechterwijsvinger duwt hij ze terug op hun plaats. Dan maakt hij een zwiepende beweging met zijn hand, richting deur.    ‘Vooruit, ’t is aan u!’    ‘Ik weet het mijnheer, ik wacht mijn beurt af.’ Ik wijs naar het A4tje dat op de deur is geplakt met twee grote stukken gele plakband. ‘2 persoonen tegelijk in de winkel toegestaan’.  Ik sta al een tijdje naar dat papier te staren en heb oprechte spijt dat ik geen zwarte stift bij heb. Een grote vette.    ‘Vooruit, ga maar!’ De man wordt duidelijk ongeduldig en maakt nogmaals dezelfde beweging. Ik denk dat hij mij niet verstaat. Ik draag nochtans geen mondmasker.    ‘Ik wacht even tot er een klant buiten komt, mijnheer.’ Ik glimlach vriendelijk of tenminste, dat probeer ik toch. Het is tenslotte niet zijn schuld dat hij half doof is. Plots schijnt er iets bij hem te dagen en hij grijnst.    ‘Aaaaah! twee man maar, he?’ Hij wijst naar het velletje papier.     ‘Ja mijnheer, twee maar, he.’  Oef, hij heeft het verstaan.    ‘Maar u gaat wel eerst binnen! Voor mij! Want u was eerst!’    ‘Ja! Dat klopt.’     ‘En dan is het aan mij!’ Hij lacht zo hard dat zijn vals gebit uit zijn mond floept.    ‘De volgende,’ hoor ik roepen. 

Kristin Huyghe
33 0

Dag oma (uit Coronacursiefjes)

                                                                            (Pasen, 12 april 2020 – 3935 doden in België)   Het mini mensje zit op de vensterbank. Hij heeft een kort broekje aan en uit de linker pijp krult de rand van een pamper. In z’n armpjes knelt hij een pluchen konijn en hij blaast een kus van zijn handje.    ‘Dag oma!’ Hij roept het heel luid. Zijn ouders moedigen hem aan.    ‘Laat je konijn eens zien aan oma,’ zegt de moeder.  Het kind duwt het konijn tegen de ruit en laat het met wilde gebaren hardop zoentjes geven.    ‘Kus, kus, oma kusje!’ Hij kirt en lacht uitgelaten. Achter het raam zie ik een grijze dos haar en de reflectie van de avondzon in een brillenglas. Een magere arm zwaait heen en weer in een veel te ruime mouw. De dame legt haar hoofd tegen de ruit en drukt een kus op haar gesloten vingers die ze daarna wegslingert in de richting van het kind. Die gilt opgewekt terug, trekt rare snuiten en laat het konijn nog meer gekke sprongen maken. Hij wipt op en neer op de smalle vensterbank.    ‘Nog even, mama,’ hoor ik de moeder roepen door het glas. ‘Nog even volhouden.’ Ze houdt het kind stevig vast.  Ik blijf staan aan de overkant.  De oude vrouw heeft het moeilijk. Ze wappert met een witte zakdoek, zet haar bril af en droogt haar wangen.    ‘Niet wenen, mama.’ De moeder kijkt vertwijfeld van het kind naar haar man.    ‘Mama,’ zegt hij luid en gebaart een knuffel om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘Morgen komen we terug. We komen elke dag. En binnenkort komen we als het weer mag gewoon op bezoek zoals vroeger.’ Ik zie de zilveren haardos over en weer schudden van ja en ik voel het verdriet branden in mijn ziel. Het verdriet van de oma die in haar gevangenis zit en niet meer buiten mag, en dat van haar kinderen die buiten zitten en niet meer binnen mogen. We zijn allemaal gijzelaars, gevangenen van de tijd.    ‘Kusje oma,’ roept het heldere stemmetje van het kind, terwijl hij met zijn lippen een afdruk maakt op de ruit.    ‘Jakkes, bah, schat,’ hoor ik de mama nog zeggen. Het kindje schaterlacht zijn kleine tandjes bloot.  Dan verdwijn ik om de hoek.

Kristin Huyghe
11 0

De jongen van de Aldi (uit Coronacursiefjes)

                                                                            (maandag 6 april 2020 – 2044 doden in België) Het is kwart voor drie. Ik fiets voorbij de Aldi. Oef, niet te veel volk. Ik zet de fiets op slot en ga naar binnen. Een blonde jongen staat klaar met een busje ontsmettingsmiddel. Ik schat hem niet ouder dan drieëntwintig en hij heeft een angstige blik in de ogen.    ‘Ontsmettingsgel, mevrouw?’     ‘Graag en dankjewel!’ Intussen veegt hij met een doekje de handgreep van het winkelkarretje schoon.    ‘Gaat het, jongen?’ Mijn vraag is oprecht. Beelden van mijn eerste jobs spoelen door mijn gedachten. Stel je voor, denk ik.    ‘Het moet wel, hè mevrouw!’ Hij klinkt moedig, maar de ondertoon ontgaat me niet.    ‘Ben je bang?’    ‘Ja, mevrouw.’     ‘Wat een job, he jongen! De ganse dag karren ontsmetten, je moet het maar doen. Respect!’  De jongen kijkt op en zijn ogen twinkelen.    ‘Dank u, mevrouw.’    ‘Ik moet jou bedanken. Ik ken jou niet, maar je doet het toch maar.’ Misschien is het mijn verbeelding, maar de jongen ziet er een beetje vrolijker uit.    Ik rol het karretje voor me uit de winkel binnen. Een man met mondmasker verspert me de weg. Hij heeft zijn kar dwars gezet in het gangpad voor de toonbank met brood en kan blijkbaar niet beslissen wat hij zal meenemen.    ‘Excuseer, mijnheer?’  De man kijkt op. Hij heeft een monowenkbrauw.    ‘Wa?’    ‘Excuseer, ik zou graag voorbijgaan.’ probeer ik.    ‘Godvergodvergodver. Madame is gehaast. Awel, ik ben ook gehaast.’ Het masker maakt vreemde sprongetjes terwijl hij de woorden uitspuwt. Zijn wenkbrauw danst van links naar rechts en blijft ergens halverwege hangen. Hij grijpt de kar met zijn gehandschoende handen beet en draait die bruut een kwartslag.    ‘Denkte dat ge nu door kunt met uw dik gat?’ Ik wiel voorbij en heb tientallen antwoorden in mijn hoofd, maar ik doe het niet. Soms zijn ze het niet waard, meisje, zei mijn moeder vroeger als ik weer in vuur en vlam stond wanneer iemand mij het bloed vanonder de nagels haalde. Totaal negeren heeft meer effect dan op zoiets te antwoorden. Ik kijk even naar boven en bedank mijn moeder voor al haar wijsheid, terwijl ik inwendig kook van woede. Ik laad een paar zaken in de kar die ik de volgende twee dagen echt nodig heb. Ik probeer het te beperken tot het minimum.  Achter mij is er plots een tumult van jewelste.    ‘Godverdomse kutwijf!’ Het echoot tussen de rekken. Ik draai me om. Een vrouw met hoofddoek staat bijna neus aan neus met de man met het mondmasker. Gek hoe ze heel eventjes op elkaar lijken. Daar gaat de social distancing, denk ik en draai me terug om. Het gekibbel, gekijf en geroep stijgt crescendo achter mijn rug. Oef, ik ben er nog goed vanaf gekomen als ik het zo hoor.  Heb ik toiletpapier nodig? Neuh, ik kom wel terug of beter nog, ik vind wel een andere winkel.  Ik betaal aan de kassa. Achter mijn rug hoor ik een glazen pot sneuvelen. En nog één. Weg van hier.  Ik lever mijn kar in bij de lieve jongen en steek mijn duim op. Dat doet hij prompt ook. De buitenlucht is nog nooit zo zuiver geweest. Toch adem ik niet te diep in. Je weet maar nooit.

Kristin Huyghe
7 0

Oma (uit Coronacursiefjes)

                                                    (donderdag 12 maart 2020 – 3 doden in België)      ‘Dag mijnheer.’ Met uitgestrekte hand staat ze krakend op uit haar oude zetel.    ‘Dag oma.’ Hij drukt de hand van de vrouw. De lip van de jongen trilt.     ‘Ik ben het, oma! Matthias.’ De vrouw kijkt hem aan. Een grijze lok valt over haar voorhoofd.     ‘Wie bent u alweer?’ De jongen legt zijn andere hand op haar schouder.    ‘Matthias, oma. De zoon van Werner, uw zoon.’    ‘Ach!’ De ogen van de vrouw lichten op, zoeken die van hem.    ‘Bent u de zoon van Werner?’ Ze heeft zijn hand nog niet losgelaten en grijpt ze nu met beide handen beet. Ze bekijkt hem van kop tot teen. Dan krullen haar mondhoeken omhoog en een zweem van herkenning flitst over haar gezicht.    ‘Natuurlijk! Matthias zeker?’    ‘Ja, oma.’ Hij kust haar zacht op de wang.    ‘Werner is er niet, he?’    ‘Nee, oma. Papa is drie jaar geleden overleden.’ De vrouw slaat een hand voor de mond.    ‘Ach,’ zegt ze ‘Da’s waar. Onze Werner is er niet meer.’ Ze neemt de bril van haar neus, tast in de zak van haar gebreide vest en haalt een katoenen zakdoek boven. Ze dept haar ogen terwijl ze zucht.    ‘Onze Werner toch. Ach, ach!’ De jongen slaat zijn armen rond haar schouders en trekt haar teder tegen zich aan. Ze snikt een beetje tegen zijn borstkas.    ‘Lieve oma toch,’ fluistert hij. Hij streelt haar zijden haar. ‘Ik zie u graag, he!’   Ze maakt zich los uit de omhelzing.    ‘Ik u ook he, jongen. Ik u ook.’ Ze snuit haar neus, steekt de zakdoek weg en zet haar bril recht.    ‘Gaan we naar de foto’s kijken?’ Ze vraagt het met een kinderlijk stemmetje en ze glimlacht.    ‘Graag oma.’ Het fotoritueel is belangrijk voor haar. Ze neemt een fotoalbum uit de lade van de kast en gaat op de rand van het bed zitten.     ‘Kom,’ zegt ze en klopt op de bedsprei naast haar ‘Zet u.’  Even rusten haar handen op het boek dat op haar knieën ligt. Het heeft iets plechtigs. Dan slaat ze het open. Met een benige wijsvinger wijst ze naar een foto.    ‘Kijk,’ zegt ze ‘Dat is Werner, mijn zoon.’ Matthias trekt zijn oma dichter tegen zich aan. Hij voelt haar knokige schouderblad.    ‘Ja, oma, dat is papa.’    ‘En u bent?’    ‘Matthias, oma.’    ‘Juist, jongen.’ Ze duwt haar bril met haar rechterwijsvinger hoog op haar neus, kijkt hem even aan en glimlacht. ‘Matthias, ik ben blij dat je er bent’. Ze bladert langzaam doorheen het fotoalbum en vertelt bedachtzaam honderduit. Hij zit naast haar en luistert geduldig, zijn arm nog steeds rond haar smalle schouders geklemd. Af en toe legt ze haar hoofd tegen zijn borst.    ‘Ach,’ zegt ze dan.     ‘Oma, vanaf morgen mag ik je niet meer komen bezoeken.’ Zijn stem breekt. Hoe kan hij dit uitleggen? Hoe kan hij haar duidelijk maken dat ze hem een tijd niet meer zal zien? Verdomd virus.    ‘Kijk hier, jongen! Kerstmis met Werner. Is dat geen mooie foto? Kijk eens hoe hij lacht! Zie eens hoe gelukkig hij toen was!’ Matthias knikt en drukt een kus in oma’s zilveren haardos.  

Kristin Huyghe
12 1

Prinses Poezenpoot II

Mama’s maken heel veel fouten, vindt Flo. Het is haar een raadsel waar ze hun mamadiploma behaald hebben. Wie maakt er nu spruitjes voor lunch, en nog wel op een zondag? Met een boos gezicht prikt ze in haar aardappelen. “Op zondag horen we pannenkoeken te eten!” roept ze luid. “Niet zeuren,” zegt mama Anke vanuit de keuken, “je eet morgen op school al pannenkoeken.” Daar fleurt Flo van op. “Echt waar? Waarom?” “Omdat het knutselmiddag is,” zegt mama Stien, “jullie gaan pannenkoeken eten en zeepjes maken.” Ze fronst. “Niet tegelijk, hoop ik.” Sem giechelt. Flo is haar slechte humeur meteen helemaal vergeten. “Joepie, knutselmiddag! Toevallig zijn knutselmiddagen mijn favoriete dagen van de wéreld.” “Maar ze zijn nog leuker als je je spruitjes opeet,” merkt mama op. Flo trekt een gezicht. Nee, de mama’s begrijpen er helemaal niets van. Even later stormt ze de schuur binnen. “Goeiedag allemaal!” roept ze. “Ik ga morgen zeepjes maken!” Kling klang kling kletter! Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit komen meteen tevoorschijn. “Zeepjes? Wij willen ook zeepjes maken!” “Ja,” knikt de Gravin, “het is niet eerlijk dat jij elke dag leuke dingen mag doen op school, Flo. Wij zitten hier maar!” “Kunnen jullie niet naar de poezenschool?” Flo krabt in haar krullen. “De poezenschool! Dat kunnen wij allemaal al.” Prinses Poezenpoot likt verveeld aan haar pootje. “Maar zeepjes maken, dàt kunnen we niet. Dat willen we leren!” De volgende dag wipt Flo ongeduldig heen en weer aan haar schoolbank. Sommen maken, letters schrijven… Niks aan! “Wanneer is het zeepjestijd?” flapt ze eruit. De juf lacht. “Goed, Flo, je hebt gelijk. We beginnen eraan!” Al snel is de hele klas in rep en roer. Drieëntwintig kinderen die zeepjes maken, dat brengt wat chaos met zich mee. Al snel zijn alle tafels bedekt met roze, groene en gele spatten zeepsop. “Doe wel een beetje rustig,” waarschuwt de juf, “ik kan jullie vast horen tot aan de andere kant van de school!” “Ach juf,” zegt Emin, een kleine jongen met grote bruine ogen, “dat geeft toch niet! Dan weet de hele school hoe leuk het hier is!” Flo grijnst. Maar dan ziet ze iets aan het raam. Wat is dat? Het lijkt wel… een poezenpoot! Snel wrikt ze het raam open. Ja hoor: in de struiken voor de school zitten Prinses Poezenpoot en Gravin Gromsnuit. Ze zien er heel erg trots uit. “Wat doen jullie hier?” vraagt Flo geschrokken. “Dit is geen poezenschool!” “Wij zijn ook een beetje mensenkinderen,” de prinses stopt haar neus in de lucht, “en wij willen zeepjes leren maken!” Flo zucht. Ze kijkt naar de drukte in de klas. Zou het heel erg opvallen als ze de prinses en de gravin naar binnen smokkelt? Flo’s jas ligt onder haar tafeltje. Er zit een grote bobbel onder. De bobbel giechelt en hobbelt zo hard als hij kan. Flo heeft al wel drie keer gevraagd om stil te zijn, maar het helpt niks. Dan ontsnapt er plots een zeepbel aan de bobbel. En nog één. En nog één! Al snel zweven er zoveel zeepbellen door de klas dat de kinderen elkaar niet meer kunnen zien. “Nu zijn we de schuimklas!” gilt Emin, “veel beter dan de eendjesklas!” “Rustig, rustig,” probeert de juf, maar iedereen gilt en spattert erop los. Flo duikt onder haar bank. “Wat doen jullie nu? Heel de klas hangt vol zeepsop!” Prinses Poezenpoot snuift. “Ik kan er toch ook niks aan doen. Er komt de hele tijd zeep op mijn pootje, en die moet ik eraf likken. Daar komen bellen van.” “Stop er maar snel mee,” zegt Flo, maar daar wil de prinses niks van weten. “Poezen hebben geen zeep aan hun pootjes! Weet je wel hoe vies dat smaakt? Ik doe het niet voor mijn plezier, hoor!” De zeepbellen komen nu al bijna tot het plafond. Straks stromen ze de klas uit, de hele school onder! Zelfs juf kijkt nu ongerust in het rond. Zo meteen ontdekt ze de poezen, en dan zit Flo in de problemen! Ze denkt hard na. “Sorry poezen,” zegt ze dan, “dit is geen poezenschool. Kom maar eens terug als we gaan rekenen over visvijvers of blikjes kattenvoer!” Zonder op antwoord te wachten, grabbelt ze haar jas en loopt ermee naar het raam. De poezen zeuren de hele weg, maar Flo kiepert hen zò naar buiten. Al snel lossen de zeepbellen op, en wordt het weer rustig in de klas. “Zo,” juf haalt opgelucht adem, “dan is het nu tijd voor koek en fruit.” “Juf, kijk!” Kleine Emin wijst naar het raam. “Een bellenspoor!” Even later staan drieëntwintig kinderen met hun neus aan het raam geplakt. Allemaal kijken ze verwonderd naar het zeepbellenspoor, dat slingerend wegloopt van de school. Niemand weet hoe het komt, behalve Flo. Die giechelt zich een ongeluk!

Anke Vandoolaeghe
16 1

Prinses Poezenpoot I

Het is koud in Flo’s tuin. Heel koud. Bibberkoud! Zelfs met een muts en een sjaal rilt ze nog. Mama zei nog: je kan beter binnen blijven, Flo. Je vriest nog vast aan de grond. Flo hoopt maar dat het een grapje is. Ze heeft geen zin om vast te vriezen. Stel je voor! Dan moet ze in mama Stiens moestuin staan, en wachten tot die haar komt plukken in de lente. Nee hoor! Ze stapt zo snel ze kan naar de schuur. In de schuur is altijd avontuur. Daar wonen Flo’s beste vrienden! De poort kraakt en piept. Flo moet hard duwen, maar ze kan het wel. Eerst is er niet veel te zien. Het is donker en er ligt heel veel rommel. In de hoek staan twee ronde vuilnisbakken. “Ik ben het!” roept Flo. Klang kling kletter, het deksel van de eerste vuilnisbak klettert op de grond. “Ik heb eten mee!” Kling klang kletter, het deksel van de tweede vuilnisbak valt ook. Er komt een meisje uit de eerste vuilnisbak geklauterd. “Hehe,” zegt ze, “dat werd tijd. Ik dacht al dat je niet meer kwam!” “Niet zeuren hoor.” Flo zet een brooddoos op tafel. “Ik heb boterhammen met choco voor jullie!” “Boterhammen met choco?” Een tweede gezicht schiet omhoog uit de andere vuilnisbak. “Jammie, ik houd van boterhammen met choco!” Het meisje uit de tweede vuilnisbak ziet er een beetje gek uit. Ze heeft lang haar, donkere ogen en... een poezensnuit!  Flo schrikt er niet meer van. Ze kent Gravin Gromsnuit al lang. Het eerste meisje trekt een vies gezicht. “Bah, choco! Ik wil geen choco!” Lenig springt ze uit haar vuilnisbak. Je ziet niet meteen dat ze er anders uitziet: ze heeft een gewone snoet, twee benen, één arm... en één poezenpoot. Flo zucht. Prinses Poezenpoot heeft weer een van haar poezenbuien. Dan wil ze nooit eten wat Flo haar brengt. “Ik kan toch geen stukje vis voor jullie bakken. Dan weten de mama’s meteen dat jullie hier wonen. Dan gaan ze zeuren over kattenhaar op mijn trui, of poezenplas op mijn schoenen.” Gravin Gromsnuit trekt haar neus op. “Poezenplas op je schoenen! Niet van ons, hoor! Wij zijn nette poezen!” Flo smakt met haar lippen. “Oké, geen vis dan. Ik wil... een boterham met salami! Een lekker vleesje, jammie.” “Er is geen vlees in huis,” protesteert Flo, “enkel soms een stukje kip of vis. Zeker geen salami.” Prinses Poezenpoot haalt haar schouders op. Met haar poot tikt ze tegen de brooddoos. Die klettert op de grond. “Dan niet. Dan eten we maar niks.” “Tot we verhongeren,” jammert Gravin Gromsnuit, “heel zielig hier in de koude schuur...” Ze rilt, en er rolt een traan uit haar oog. Hij blijft hangen in haar snuit. Flo is een beetje boos. De koude schuur? Ze heeft speciaal de beste dekentjes uit de sofa gehaald voor haar vriendinnen! En gisteren heeft ze hen haar wanten nog gebracht. Toen mama Anke dat ontdekte, was er een heel gezeur. “Nu moeten we alwéér nieuwe wanten voor je kopen, Flo,” had ze gezegd, “dat is al je derde paar deze winter!” Alsof Flo er aan kan doen dat haar wanten steeds kwijt gaan. Ze vinden het vast gewoon niet leuk om een hele dag aan de kapstok te hangen op school. Flo zou ook op avontuur gaan als zìj dat moest doen. Prinses Poezenpoot geeft Gravin Gromsnuit een duw. “Je moet niet zo zielig doen. Flo vindt het helemaal niet erg dat wij hier verhongeren. Dat zie je toch zo?” “Oké, oké,” zegt Flo snel, “ik zal wel salami voor jullie halen.” “Joepie!” De poezen springen rondjes door de schuur. De prinses likt tevreden aan haar poezenpoot, en de gravin geeft Flo een kopje. “Ga nu maar meteen,” zegt ze, “dan kunnen we daarna een kamp bouwen in de tuin.”   “Ha, Flo,” zegt mama Stien als Flo uit de tuin komt, “voeten vegen hoor! Je laarsjes hangen vol modder.” Flo zegt niks. Ze hoort het maar half. Haar hoofd zit vol met het plannetje dat ze bedacht heeft: een boterhamplannetje voor de gravin en de prinses. Ze hoopt maar dat het haar lukt! “Heb je fijn gespeeld?” Mama Stien geeft Flo een aai over haar bol. “Weer een kamp gebouwd?” “Mag ik met Sem naar de winkel?” vraagt Flo. “Naar de winkel?” Mama Stien denkt er even over na. “Weet je de weg?” “Ja hoor! Aan de kerk naar links.” Flo hupst op en neer. Hopelijk mag het! “Goed dan.” Mama Stien neemt haar tas. “Hier heb je een beetje geld. Ga je broer maar halen.” “Joepie!” Flo huppelt de trap op. “Seeeeeem! We gaan naar de winkel!”

Anke Vandoolaeghe
11 1

Renewal By The Dessert (part of TheWildlander's Ember stories).

Snippet 1 It had been hours since the sun had set, yet the dark red sand remained hot. I must admit that I had been utterly unprepared. My Robes and wide hat had been fashioned in such a way to protect me from the scorching sun. But now that the heat came from below, it created a bubble against my skin af trapped sweat, heat and blistering pain. I didn't dare to stop to heal my heatburned legs, for I feared I mightt not get up again. It would still be two hours before we would reach the next oasis. Two hours of heat, pain and exhaustion. Snippet 2I noticed how cold I felt, before I regained any other senses. I remembered tumbling on my knees in the desert sand for what seemed mere seconds ago. I shivered as the contrast in temperature from my last memory and the currest state of my body failed to reconcile. I openend my puffy eyes. My neck stung as I moved to propperly take in my surroundings. I laid on a small stone bed in a dark grey tent. Not all like the simple tents my expedition used, but one fashioned by elaboratly decorated canvas. A seemingly endless chain of iron was woven into it and along hung small droplike gemstoned.  How had I come to find myself in a deamonic Welltent? Snippet 3I stayed four days in that Welltent, while the deamonic doctors helped me back to health. None of the doctors spoke my language, so I couldn't ascertain how many days I had been unconscious, how I got there or how long I would need to get on my way again. Yet their ailments and ols seemed to help, for my burned and blistered skin healed rapidly. Shortly after my fourth sunset in the Welltent, a turquoise skinned deamon entered my tent. She was older and wore a white surgeons gown that had seen better days. She was humming a soft chant as her eyes glared rapidly from her clipboard to me and to the clipboard again. She shook her head. The small gems and golden chains that were fixed between her silvery horns rattled.  She sat down on the stool next to my stone bed and took hold of y arm. She continued humming and gently started pinching my sunburned skin between her long fingers. The places that she touched turned white for a few seconds. She seemed to nod approvingly. Snippet 4She wrote something down on her clipboard and stood up slowly. “Please follow me. Some fresh night-air will do you good.”, she said in a fluent Lanrian accent. After not having been able to communicate with anything more than some basic hand signals and nods, it took some time before I realised that I understood what she had said. I got out of bed, awkwardly fumbling with the spacious silken robes the deamons had given me. “Could you tell me what day it is?”, I asked and added: “You are the first person, well first euhm.” My throat was sore. I swallowed. “You are the first individual that I've spoken to that speaks my language .”  A joyful smile appeared on her face. “For your question, it is the fifth day after your human Saldrian Specialday. As for your puzzlement: the others were male.”, she said. Seeing my confused face she added: “They are male. The lesser educated.” Snippet 5The night-air outside  the tent felt much cooler than I had expected and even though it the sun had set, my eyes still needed a multitude of seconds to register my surroundings. The deamons had set camp in a small oasis with long trees that probably provided ample shadow during the day. Most tents were clustered in a crescent shape around a stone pool, with my tent being the tail end. I inhaled deep and focused my eyes on more distant objects to relax the tension that had build up in my recti. I slowly let my eyes drift from the small cooking fires to huge round nuts in the trees to the wooden palisade and back.  Snippet 6“Do not toutch the Water of Slaver, for this oasis is a holy place for deamons. If are in need of water, you must take it from one of the pumps.” The doctor pointed her long fingers towards a stone building surrounded by tents. The small building was intricately decorated and stood out as it was the only permanent construction in sight. “I am at the Oasis of Selkier?”, I asked to her as much as I asked to myself. Her face grew dim and her joyfull hum stopped abruptly. “You should refrain youself from using his name.”, she said. “If any of the clergy hear you they might take great offence.” I mumbled an appology and she begged my goodnight. I stared at the firelights reflecting on the water and pondered. The Oasis of Selkier was located at least two days of travels from where I had lost consciousness. Was it just good fortune that had brought me to my destination?

TheWildlander
8 1