Lezen

Het Lange Pad

Voor velen had het een doodnormale dag geleken toen Pepijn door het bos wandelde met het wederkerende geluid van aarde die door zijn laarzen werd verpletterd en mogelijk tientallen mieren deed panikeren. Niemand zou Pepijn ook lang zijn opgevallen, want als je hem zou zien zou je enkel gedacht hebben dat hij een zoveelste wandelaar was die een tochtje deed in het bos. De meesten die hem kenden noemden hem ‘Pepijn de Onzichtbare’ omdat hij vrijwel overal incognito kon lopen zonder dat iemand ook maar een ogenblik zijn kant op zou kijken. Bovendien wist niemand zijn achternaam dus hadden ze unaniem besloten om hem ‘de Onzichtbare’ te noemen. Hij was natuurlijk niet echt onzichtbaar, gewoon heel gewoon. Zó gewoon dat het te veel moeite leek om op hem te letten. Pepijn was zoals een zoveelste blad die op de grond viel in een oneindig bos vol reusachtige bomen. Zijn lange bruine (bijna blonde) haren hingen vaak voor zijn moerasgroene ogen terwijl hij de grond bewonderde. In gedachten verzonken hield hij de riemen van zijn rugzak vast. Er was daar niemand. Enkel hem: Pepijn. Maar die leegte scheen bij hem te passen, althans, het scheen hem niet te storen. ‘Pepijn, wakker worden!’ riep een jonge stem. Hij deed zijn ogen open en zag hem daar staan, zijn kleine broertje, klaar om de lakens van hem weg te trekken. ‘Ugh… Wat?’ vroeg hij geagiteerd. Ze keken elkaar aan als twee wilde vossen die elkaar voor het eerst tegenkomen. Het broertje wou iets zeggen alleen gleed het niet makkelijk van de tong. En toen vielen ze elkaar in de armen, Pepijn voelde enkele tranen druppen op zijn gestreepte pyjama. Het waren niet de zijne. Pepijn vorderde zijn tocht door het bos. Hij had hier al lang gewandeld, tussen de vele eiken- en berkenbomen. De Onzichtbare wist niet echt wat hij hier deed en hoe hij hier gekomen was. Maar was dat echt belangrijk? Is het soms niet beter om gewoon rust te vinden, zonder vragen? Daar was Pepijn van overtuigd, hij genoot daarom van de overvloedigheid groen rond hem. Ook zo werd hij weer in herinneringen gekatapulteerd. ‘Hey, flinke hond jij! Ja jij, flinke hond!’ zij Pepijn toen hij de haren van Prins, zijn trouwe Welsh Terriër, in de war bracht. ‘Zorg goed voor ‘m, oké?’ Een man knikte en nam Prins vast tussen zijn armen. Zijn geweer hing aan zijn rugzak, hij was klaar om ten strijde te trekken. Misschien zou hij Prins nooit meer kunnen aaien. Pepijn herinnerde zich het liedje dat hij zo graag had geluisterd en de tekst galmde door zijn oren: never a frown with golden brown… Langzaam walste hij rond, op dat moment was alles onbelangrijk behalve dat ene lied. Zo kwam het dat Pepijn de Onzichtbare verder ging op de weg tussen de vele houten stammen die klaarblijkelijk een lege lucht prikten. Zijn leven flitste hem voor de ogen. ‘Zou ik nog terug kunnen gaan?’ vroeg hij zich af.

Nova
69 1

Meer dan Merel

Waarom? Hij was te vergeetachtig. Soms legde hij een boek weg die hij dan maandenlang vergat. Toch kon hij het verhaal zo weer oppikken, alsof geen uur was verstreken. Hij was uitserst oncharismatisch. Vaak droeg hij een zwarte pull dat hem kleiner deed lijken dan hij eigenlijk was. Zijn voetstappen waren geruisloos. Hij was lenig, wat goed uitkwam om zich een weg door de mensenmassa te banen zonder ook maar iemand aan te raken. Hij was lief, maar zijn geschrift was verschrikkelijk. Hij schreef korte gedichten op gele post-its die hij op mijn boterhamdoos plakte. Toegegeven, soms las las ik zijn hanenpoten niet eens. Hij was een kind, uiteindelijk. Ik had moest de rol van volwassene nemen in de relatie. Diegene dat dacht aan belastingen en verzekeringen, aan vroegboekkortings. En zoals elke ouder elke tekening mooi vind zonder er per sè echt naar te kijken, zo vergingen zijn gedichten. Ze eindigden alleen niet in een doos op zolder maar in de prullenmand. Die dagelijks leeggemaakt werd door een nonchalante, oudere dame waar te hippe muiziek uit haar ipod kwam.Ergens was ik jaloers op mijn eeuwige Peter Pan. We hadden beide onze gewoontes en gebreken. Hij accepteerde me, ik hielp hem te geloven in sinterklaas en de kerstman. Dat was, tot ik Johan leerde kennen. Johan was ernstig, attentief op een directe manier en al bij al onweerstaanbaar. Hij had een glimlach dat me geborgen deed voelen. Hij kocht oorbellen. Met hem kon je uit gaan eten, hij hield de deur open en las de wijnkaart.Het eerste dat ik van hem zag, was die brede glimlach half verstopt achter een stoppelbaard. Ik denk dat we op dat moment - al was de kans even groot de lotto te winnen en door de bliksem geraakt te worden op dezelfde dag - op precies dezelfde golflengte zaten. Op een of andere manier geraakten we aan de praat. Beiden wilden we iets in het leven en erachter komen wat dat precies was.Hij was net uit elkaar met zijn ex-vrouw, maar behield goede relaties. Ze hadden een zoon, tenslotte. Een zoontje van zes. Er was geen verhaal toe te voegen aan die simpele feiten. Geen plakkerig spul, geen koffieringen en tandpasta op de spiegel. Het was misschien vreemd om te zeggen maar ik wenste iedereen zo een scheiding toe. Hij was onweerstaanbaar, opnieuw.Hij luisterde aandachtig, was ordelijk en onze grappen leken voor elkaar bestemd.Daarbij, mag ik zeggen, geweldig in bed.Hij had me eens toegegeven, na enkele bubbels, dat hij handboeien altijd kinky had gevonden. Ik bestelde ze nog diezelfde avond, ik was plots kinky. Ik, de bloemenpatronen vrouw dat verdween voor het behangpapier. De figurant in een Canvas film. Ik was plots begeerd goed in zijn zachte, warme handen.Opnieuw, onweerstaanbaar.Het enige dat vrijheid in de weg stond, was hij. En dan niet echt hij, maar moedergevoelens. Forten die in granieten bergen gemetseld waren van hier tot aan de overkant. Een zee aan schuldgevoelens en lasten. Het eerste vriendje waar ik mezelf kon zijn, maar nooit meer. Ik wou meer.

Stelselmatig
6 0

La copine

Later verneem ik dat je in het Frans de ‘f’ niet uitspreekt in de plaatsnaam Neufchâteau, net zoals de twee ‘l’-en in ‘fille’ als een ‘j’ klinken. Ik heb me online ingeschreven voor een tiendaagse yogastage in de Belgische Ardennen. De jongedame achter het tafeltje met geplastificeerd bloemetjesdoek zorgt voor de ontvangst van de deelnemers. Ik spreek haar in mijn beste Frans aan, zeg dat ik haar ‘une belle fielle’ vind en blij ben eindelijk vanuit het verre Nederland in ‘NeuFsjatoo’ te zijn aangekomen. Ze lacht beminnelijk. In een onberispelijk Nederlands heet ze mij hartelijk welkom. Tijdens hetzelfde ‘later’ leert de jonge vrouw mij ook dat de ordinaire zeiltjes op de tafeltjes in de taal van Molière ‘toiles cirées’ worden genoemd. Dankzij haar, breid ik dagelijks  mijn ‘vocabulaire’ uit. Naast yoga zijn er allerlei andere activiteiten. Zij neemt de relaxatiesessies voor haar rekening. Dat doet ze simultaan in het Frans en het Nederlands, waardoor ik al snel de delen van mijn lichaam in de Franse taal aanleer. Nooit werd ik zo bevangen door een stem, die bij mij binnendringt van het topje van mijn tenen tot de ultieme zucht bij de ademhalingscontrole. Telkens een gelegenheid zich voordoet, zoeken wij spontaan elkaars gezelschap op. Tijdens boswandelingen loopt de een achter de ander. Bij de maaltijden zit ik tegenover haar. Als de groep bij het uitdoven van het kampvuur naar binnen gaat, zijn wij de laatsten om elkaar een goede nachtrust te wensen. Ik besef dat ik mij nog nooit zo goed heb gevoeld in het gezelschap van iemand. Bij mijn boeking van de stage las ik dat Yoga het openen is van je hart, dat het verblijf een ontdekking of herontdekking is van stukken van jezelf. Het klopt. Ik voel het in de groep, maar sterker nog als ik in haar gezelschap vertoef. Na enkele dagen besef ik dat ik hopeloos verliefd ben, maar mag ik mij opdringen aan dit jonge leven? Meer dan eens beantwoordt ze mijn blikken, bij de minste subtiele aanraking gaat een siddering door mijn lijf. Ik voel dat de wederzijdse genegenheid groeit bij elk samenzijn. De tijd haalt het op mijn verzuchtingen en het einde van de stage is nakend. Ik heb het niet aangedurfd om te verklaren dat ik geen enkele voorwaarde wil verbinden aan een eventueel weerzien of om in de toekomst samen iets te ondernemen. Bij het afscheid zijn haar knuffels voor elke deelnemer even vrolijk en hartelijk. Mijn knuffel duurt iets langer en als ze merkt dat het huilen mij nader staat dan het lachen zegt ze: “Ce n’est qu’un au-revoir.” Er knaagt iets diep in mij tijdens de terugreis. Was dit de aanzet tot een ‘amour inconditionel’ zoals ik mij die altijd heb ingebeeld?  Enkele maanden later gruw ik wanneer ik een mail van haar krijg met een bijlage. In het onderwerp staat: ‘A ma très chère copine’ en in de tweetalige bijlage word ik hartelijk geïnviteerd op de receptie van haar huwelijk met Jean-François.      

Vic de Bourg
51 1

Nachtwake

Ik ben dood en ik lig in een kist. Dat wil zeggen: mijn lijk ligt daar. Botweg gezegd. Mijn geest, aanwezigheid zo je wil, het ego zelf dus, is er ook maar ziet het tafereel van buiten mijn lichaam. Het is een bijzondere ervaring om van achter een tafel met bloemen en kaarsen naar jezelf te kijken trouwens. Ik kan niet anders zeggen: voor een dooie zie ik er nog verdomd goed uit. Mijn handen die normaal onhandige en ongecontroleerde bewegingen maken, liggen in serene rust in elkaar gevouwen op mijn borst. Wie had ooit gedacht dat ik zo stil kon zijn! Echt niemand. Tot mijn opluchting zie ik dat mijn nagels keurig gevijld en gelakt zijn in mijn favoriete kleur. Ik zei bij leven altijd al: je handen zijn je visitekaartje. Blijkbaar vonden mijn dierbaren dat ook voor als je naar de hemel gaat. Denkt te gaan. Hoopt te gaan. We gaan het zien. Ik ga het zien. Mijn haren die normaal eigenzinnig alle kanten op springen, krullen nu engelachtig als een aureool om mijn hoofd. Mijn gelaatsuitdrukking herken ik niet helemaal. Zo lief, rustig en zacht voorkomen heb ik nooit bij leven gehad. Het klopt dus blijkbaar wat ze zeggen, dat je geest je lichaam verlaat. En zie hier: ik aanschouw het nu ook. Ik lijk trouwens nog groter dan ik al ben maar dat komt omdat ik zo helemaal recht lig. Ik vind het maar een onnatuurlijke houding. Ik ben altijd gewend geweest om in foetushouding te liggen en nu zie ik dat ik straks stijf als een plank uitgestrekt de grond in ga. Of de oven. Ik heb werkelijk geen idee wat ze met me van plan zijn maar daar kom ik gauw genoeg achter ben ik bang. Wat ik niet snap is mijn kleding. Ik heb mijn lievelingsshirt aan, dat snap ik natuurlijk nog wel. Maar daaronder draag ik een spijkerbroek. Zoiets verzin je toch niet? Spijkerstof vergaat voor geen meter en de verbranding gaat volgens mij ook niet zo snel. Ik kan me vaag herinneren dat ik ooit iets gezegd heb over een spijkerbroek, maar wist ik veel dat ze het serieus zouden nemen? Oh wacht, er komen mensen binnen. Mijn moeder. Ach, ze huilt. De lieverd. Mijn vader kijkt ernstig en heeft zijn arm om haar heen geslagen. Daarachter Wim, mijn lievelingsneef en Bob, zijn broer. Mijn beste vriendinnetje Emma. En daarachter...wat! Nee, dat meen je toch niet? What the hell doet hij hier? Bart. Een oude bekende van mijn ouders. Bart. Of beter: baard. Baardmans. Hij, die donders goed weet dat ik altijd panisch voor hem was toen ik nog leefde en hem altijd meed, staat hier in mijn rouwkamer. Zielig te doen. Alsof het hem kan schelen dat ik er niet meer ben. Met die afgrijselijke, lelijke, onverzorgde, jeukende kriebelbaard van hem waarmee hij mij vroeger bewust een knuffel in mijn nek gaf terwijl ik gillend aangaf dat ik dat niet wilde. Jakkes! Als ik niet beter wist zou ik nu nog misselijk worden, maar ja, dat kan ik uiteraard niet meer. Met de kennis van tegenwoordig had ik hem destijds van aanranding beticht, maar ja, dat is achteraf. Wist ik veel dat ik hem nog tegen zou komen en nog wel postuum ook! Wat, wat doet hij? Ik zie dat hij mijn lijk benadert. Het zal toch niet zo zijn dat hij... Ik wil vanachter de tafel rennen om hem weg te duwen bij mijn kist maar op de een of andere manier ben ik niet vooruit te branden. Ik kijk naar beneden en zie dat ik geen benen heb dus er valt ook niks te rennen. Ondertussen staat Baardmans al bij de kist. Hij leunt voorover en wil mij, mijn lichaam, mijn lieve, serene gezicht met die afschuwelijke baard een laatste kus geven. Over my dead body!!Aangezien ik niet kan rennen zet ik het op een schreeuwen: Mama, mama, maaamaaaa hou Baaaaaart tegen, maar er komt geen enkel geluid uit mijn keel. Ik blijf schreeuwen: maamaa, maamaa, Bart wil, Bart wil, Bart wil..... ‘Ma-de-lon! Ma-de-lon! Ma-de-lon!Vervormde stemmen roepen mijn naam. Wat is dit nou voor onzin? Waarom roepen ze mij? Langzaamaan zie ik het steeds lichter worden. Vier gezichten hangen boven me. Ik herken ze. Mijn man en drie kinderen zitten me met grote ogen aan te staren. Ik ben drijfnat. Maar ook dolgelukkig, want ik ben blijkbaar niet dood maar lig in bed. Weliswaar inmiddels in een waterbed met het hele huis in rep en roer maar so what, Ik ben veilig. Helemaal goed. De oudste vraagt waarom ik om mijn moeder roep want ‘oma is al 5 jaar dood.’ Ik zeg hem dat ik oma zag in mijn droom, maar dat alles nu weer goed is en dat ze nu weer fijn kunnen gaan slapen. Als ik weer rustig heerlijk lepeltje lepeltje lig met mijn man in het donker hoor ik: ‘Wie is Bart?’ ‘Oh, eh, iemand van vroeger, niks bijzonders. Hoezo?’ ‘Nou, het leek alsof je kwaad op hem was. Bang haast. Dat ie iets deed wat jij niet wilde.’ ‘Klopt. Maar schat ik wil nu slapen. Ben dood en doodmoe.’ ‘Dat is goed, maar morgen wil ik het over hem hebben.’ ‘Dat is goed schatje. Ik ook. Me too. Me too.’

Annemagenta
5 0

Een tijd van afscheid nemen

Loslaten, denk ik dan. Ontspannen in het vertrouwen dat alles goed is zoals het is, luidt mijn mantra. Een donzige relativerende laag die het gehuil om verlies dempt. Onder het oppervlak voel ik weerstand tegen de steeds groter wordende afstand tussen mij en diegenen die mij al zo lang dierbaar zijn. Ik overweeg om bruggen te bouwen met woorden. Dat deed ik tot nu toe elke keer, als het water gevaarlijk woelig werd. Of juist doodstil. Mijn woorden zouden ontspruiten uit een integere bron. Zorgvuldig gekozen en gericht op niets anders dan verbinding. Ik wil de scheuren dichten. Geruststellen. Mezelf nader verklaren. Veronderstellingen en gedachten onschadelijk maken. Maar ik bespaar mezelf de moeite, want ik voel dat er geen ingang is voor mijn woorden. Ik sta voor een deur die ik nog nooit eerder had opgemerkt. Ze is op slot en het lijkt me vermoeiend om er doorheen te roepen. Ik kan niet anders dan machteloos toekijken hoe we uit elkaar drijven. Ik wijd het deels aan slopende ervaringen die de fundamenten van mijn huidige overtuigingen vormen. Het leed uit het verleden, dat de inspiratie van vandaag blijkt te zijn. En aan het feit dat ik mijn intuïtie en authenticiteit niet wil verloochen. Ergens onderweg zijn onze wegen gesplitst. Jarenlang bleven we binnen gehoorafstand. Maar nu de bodem uit alle vanzelfsprekendheden valt, merken we plots dat we elk ergens anders staan. Er rest niets dan een stilte die ruist als de gesprekken die ik nooit zal voeren. En het is groter dan slechts een meningsverschil. Men meent dat er levens op het spel staan. Het overlevingsmechanisme raadpleegt haar trukendoos. De wil om te leven wint het van jarenlange vriendschap. Of is het eerder de angst die alles opeist? Hoe dan ook, in het duister maken we rare sprongen. Ik probeer het botsen te vermijden en mijn gemoed licht te houden. Al flikkert het wel eens, dat sta ik mezelf toe. Ik geef mijn menselijkheid speling. Zo ontsnapt er mij wel eens een cynische uitlating wanneer ik het nieuwe regime door een speaker hoor schallen. Iedere dag worden we herinnerd aan onze zwakheid en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid om onszelf en anderen te beschermen. Het is triest om te zien dat goedhartigen zichzelf isoleren in de veronderstelling daarmee iets positief aan het collectief bij te dragen. Het tot vervelends toe herhaalde advies om afstand te houden, heeft zich intussen in veel relaties gemanifesteerd. Ik zie het overal rondom mij. Dit is een tijd waarin banden worden verbroken. Maar er is ook die andere kant. Het loslaten schept ruimte, maakt de dingen lichter. Trekt nieuwe, misschien meer gezonde en stimulerende, connecties aan. We schudden alles dat we ontgroeid zijn van ons af. En stappen gewapend met zelfvertrouwen en levenslessen een andere wereld in. In de praktijk gaat het natuurlijk niet zo vlot zoals ik het hier laat klinken. Er komen veel uitdagingen bij kijken. Waarschijnlijk ook momenten van absolute wanhoop. Maar dat is waar het in essentie op neerkomt. Bovendien, om helemaal waterdicht met spiritueel positivisme af te sluiten (you know me), is verlies slechts een illusie, daar alles altijd onlosmakelijk verbonden is met elkaar. Eén van de waarheden waarmee ik mijn onrust verzacht.

KarolienDeman
5 0