Lezen

Over angst voor vuurpijlen, brandend van terechte beschuldigingen. En het willen wisselen van de verdediging, want de huidige is moe.

Voor wie begrijpen wil, Het lijkt me echt verschrikkelijk... met me samen zijn. Als stel bedoel ik dan. Misschien ook wel als gewone kennis of vriendin... Het lijkt me vreselijk om met me samen te zijn: iemand die niet kan praten, dichtklapt wanneer terechte beschuldigende, bekritiserende woorden mijn kant op sprinten. Woorden die ieder afzonderlijk drie keer zo luid in mijn hoofd schreeuwen, door elkaar. En sommige woorden zoals "ALTIJD" krijgen altijd de bovenhand. Ze domineren de resumé van de monoloog waarop reageren - voor mij - onmogelijk is.  Want ik kom niet zo snel tot een reactie. Tijdens het vuren van die woorden ben ik in overleg met mezelf en word ik opdringerig onderbroken door die brandende vuurpijlen. Ik kan niets anders dan mijn ogen sluiten, accepteren wat op me af komt in de hoop dat misschien één vuurpijl me mist. Maar die anderen hebben me al geraakt. Wegwandelen zonder schrammetje is geen optie meer. Grote ogen vol onbegrip voel ik op me gericht en het enige wat ik wil is de tijd terugdraaien. "Hé is prima joh, niets aan de hand.", en dus doen of de neus bloedt. Wegstoppen in dat plekje ver weg met die andere woordenbommen. Ja, ook deze kan er nog wel bij. Niks aan de hand man (en kop in het zand). Ja, het moet echt ellendig zijn om met mij samen te leven in 'n huis waarin kennelijk door mij verwacht wordt dat er op de tippen van de tenen gelopen wordt. En waarbij het klaarblijkelijk zo is dat ik de mening van de ander niet accepteer en ze wegwuif als achterlijk, absurd en bezopen... omdat het me zo beter zou uitkomen. Dat herkenbare, terugkerende patroon door de jaren heen wordt steeds vatbaarder voor een intens beschaamd gevoel. Si, correct, GENAU... het moet echt gruwelijk zijn om samen met me doorheen de dagen te wandelen. Ik, die oog heeft voor de abstracte dingen en daar dan over gaat malen en tobben. Over een stemming of een sfeer, en dan het overweldigende gevoel aan prikkels die al mijn aandacht opeisen alsof ik geen keuze heb. Die toffe mensen die voor m'n neus iets doormaken... die worden als niet-relevant gecategoriseerd in mijn brein, zo blijkt. Lees: wegwuiven en geen aandacht geven. "Ah, het is onbewust, dan is het niet erg.", werd mij wel eens gezegd. Gevolgd door een geforceerde begripvolle knik. Weet je wat ik wil? Ik wil zeggen hoe het met me gaat gaat, schreeuwen wat er door me heen gaat. Prikkels loslaten, helicopteren boven de situatie om er dan een mooie mind-map-analyse van te maken. Ik wil de tijd stopzetten, de handdoek in de ring gooien. De witte vlag wapperen en een time-out vragen aan de arbiter. Of een wissel van de verdediging... want de huidige is moe. Je kent mij, toch? Het enige - laffe - waartoe ik in staat ben is jou in mijn armen sluiten en vergeten wat te vergeten is. Achter me laten wat voorbij is, want dat is een fluitje van een cent, kinderspel en zo gepiept. Laat me niet los, als het u belieft. Ik.     ps: die foto? Die nam ik ooit eens in één van de verlaten straten van Vieux Nice. Deze foto achter een bestoft etalageraam. Zo'n foto waarvan je weet dat de fotograaf er meer bij bedoelde dan wat de foto eerst laat zien. Die foto vond ik hier wel bij passen.

SilkeGeerts
119 1

15 zijn.

            Zijn denken, zijn schrijven, zijn drang naar de onbeschaamdheid van het leven werden beïnvloed door ‘De Verkeerde Minnaar’ van Mireille Cottenjé en ‘De Schaamte Voorbij’ geschreven door Anja Meulenbelt. De eerste auteur maakte een diepe indruk op hem en Meulenbelt vond hij uiteindelijk een conformistische trut, al bleef dat boek op hem kleven. De dames zouden hem doen geloven in vrijheid van liefde en seks en de twee titels zouden zeker voorgoed zijn onvermurwbaar militantisme onder zijn huid graveren en hem in een onuitputtelijk streven naar wat later totaal onmogelijk zou blijken, het goede in de wereld en in de maatschappij te betrachten. Wat goed is, zal nooit kunnen zegevieren maar hij beloofde er iedere dag het beste van te maken, voor zichzelf – niet uit eigenbelang maar sinds zijn jeugd leeft hij met het gebrokene en daarom probeerde hij zijn eigen leven en dat van anderen te herstellen -, en voor de ander. Leven in continu herstel levert misschien niet veel op maar hij zou met niemand ruilen. Deze twee boeken waren zijn eerste pornoboeken en hoewel de ‘Happy Hooker’ van Xaviera Hollander ook in de boekenkast stond, hadden Cottenjé en Meulenbelt de meeste invloed op hem. In pornoboekjes ergerde hij zich overigens aan de spelfouten in de teksten. Porno was daarmee zo banaal, zo ordinair, zo seventies. Vriendschap in porno bracht verbondenheid op een totaal ander niveau, dacht hij. De camaraderie die zich uitte in seks vond hij verbluffend en origineel. Het voelde goed aan. Alsof het zo moest zijn. Hij kende de boeken van Michel Foucault nog niet maar onbewust werden de kiemen gelegd voor zijn latere bedenkingen. Porno had zich niet alleen genesteld in zijn lijf maar ook in zijn hele bestaan en zijn gedachtegang.             Daarom geloofde hij in magie. Hij geloofde dat mensen die elkaar niet kenden op een of andere manier met elkaar in verbinding stonden, dat bepaalde mensen elkaar moesten ontmoeten, niet zozeer voor seks of voor liefde maar omdat een of ander noodlot hen naar die ontmoeting dreef om zelf vooruit te geraken in het leven. Soms moesten mensen elkaar gewoon een tijdje ontmoeten en dan weer solo verder gaan.             Hij schreef in schriftjes met lijntjes, met grote en kleine ruitjes, op losse bladen en in kantlijnen van schoolboeken. Alleen hij kende het geheim achter vertellen. De vragen waarop hij antwoorden zocht waren geen echte vragen. Ze waren een aanzet om te denken en op te merken hoezeer mensen naast elkaar konden leven, hoe mensen elkaar de mond dichtsnoerden, hoe mensen het niet zo nauw met elkaar namen, hoe mensen niet bereid waren om toegevingen te doen, laat staan compromissen te maken. Hij schreef hoe hij zag hoe tijden veranderden, hoe, zonder het te merken, de jaren achter hem kwamen te liggen. Wat wist hij over wat hij vandaag deed waar het hem later zou brengen. Mensen voelden de verzuchtingen van hun eigen levenservaringen in hun eigen nek niet meer. En uiteindelijk zouden het diezelfde mensen zijn die er ook in zouden slagen hem het zwijgen op te leggen.             Tot zijn geheim barstte.

Erwin Abbeloos
7 0

16 zijn

Een tekst is nooit af. Een tekst is zoals in het leven, zoals mijn leven, dacht hij. ‘Zijn’: de tekst is, de tekst staat er (maar hij is nog niet af). ‘Hebben’: je hebt de tekst in handen, je hebt de tekst van links naar rechts, van rechts naar links, van boven naar onder en terug geschreven – maar hij is nog niet af; bezitten is niet zo belangrijk in het leven. ‘Worden’: de tekst is zoals jij: in wording. Dat was zijn belofte daar onder ede in zijn slaapkamer: altijd worden. Zijn en hebben zijn volstrekt onbelangrijk in het leven.             Hij trok als een bezetene aan zijn sigaret, alsof het zijn laatste genot op aarde was en hij het aardse ging ruilen voor het hiernamaals. Hij voelde een lichte erectie opkomen. In gedachten rookte hij sigaretten met sportieve mannen gekleed in korte sportshorts. Seks en sigaretten gingen voor hem altijd samen. De rook stapelde zich in zijn mond op en hij blies meteen alles weer uit. ‘Nooit de rook aan je longen laten komen,’ maande zij hem aan en hij rookte verder.             Ze had de sigaretten, ze had het allemaal: een platenspeler met ingebouwde cassettespeler en radio, honderden 45 toeren platen mét alle singles van ABBA, Gerard Lenorman en twee versies van ‘Patrick mon chéri’. Ze had ouders die amper thuis waren en ze had een beroemde schoonbroer die de sigaretten leverde. Ze had een bromfiets waarop hij niet mocht rijden, hij had een tweedehands meisjesplooifiets. Ze had een grote labrador, hij had een poedel. Ze kon zwemmen, hij bleef aan de rand staan met een zwemband rond zijn heupen en twee meisjesachtige vrienden erbij. Ze had twee zussen die het huis uit waren, hij had een afwezige familie. Voor haar verjaardag kreeg ze een huis, hij deelde zijn kamer met zijn broer. Ze had onafhankelijkheid, hij had eenzaamheid.             Ze trok hard aan het laatste stukje sigaret. Ze draaide een beetje in slow motion met haar hoofd alsof ze door te veel nicotine flauw ging vallen. Ze namen afscheid. Hij bleef vertwijfeld achter en hoopte dat het ooit allemaal beter zou worden. Hij had zich nog nooit zo eenzaam gevoeld.

Erwin Abbeloos
8 1

17 zijn.

            Hij keek uit naar de liefde, hij verlangde naar seks, naar geld, naar een carrière in de muziek of in de literatuur. Hij keek er naar uit om vrienden en vriendinnen te hebben, met honderden zullen ze zijn, dacht hij. Hij keek uit naar een vriendje. Een knappe, sterke en geile man. Hij wou zelf een knappe, verzorgde man zijn en die ook nog eens goed met woorden en oneliners overweg kon. Hij wou zingen, hij wou dansen. Hij wou schrijven. Hij wou een groot huis of een modern appartement in het midden van de stad. Met veel ramen.             Maar wat is toekomst als je 17 bent. Hij moest nadenken over wat hij later wou worden. Hij was altijd meer bezig met wie te worden dan met wie of wat te zijn. Hij was moe. Uitgeput. De school wou alles, elke vezel, elke ader, elk beender en elke gedachtegang. Alles. Hij voelde zich vernietigd door de school en door zichzelf. Ik weet wie ik ben maar waarom moet ik iets zijn, dacht hij.             Hij wou zijn eerste fouten maken, met rust gelaten worden en zijn generatie op de straatstenen, onder de lakens en aan de toog van een bruin café aftekenen om later zonder spijt te kunnen zeggen: wat was het goed. Hij wou bochten maken, muren doorbreken, de schaamte voorbij. Hij wou aan de andere kant zijn, los van God.             ‘Ik lees op je informatiefiche dat je toneel of dans wil doen,’ zei de vrouw op een zuur toontje terwijl ze met een middelvinger een tikje aan haar scheve bril gaf. Haar verpletterend streng voorkomen benadrukte in haar gelaat nog meer de stijfheid van haar functie als PMS-psychologe. Ze liet een zuinig misnoegend ‘hum hum’ vallen en gooide ostentatief het briefje dat hij vorige avond zorgvuldig en met alle hoop van zijn bestaan had ingevuld. ‘Wel, jongeman, wat heb je hier op te zeggen?’ Haar armen hingen als gekruiste degens over haar bolle borsten. Hij snoof zweet- en maandstondengeur. ‘Ik weet het niet, mevrouw’ zei hij en boog zich wat achterover. De vrouw hinnikte als een lomp boerenpaard. ‘Maar jongen toch’, lachte ze zijn toekomst weg. De geur van nylon vermengd met zweet hing als een donderwolk over hun conversatie. De stank was niet meer te harden. Zij bepaalde zijn richting, zij bepaalde zijn leven, een leven nu voorgoed gekleurd door stank.             Hij verliet het klaslokaal. ‘Zeg tegen, laat eens kijken... Jan Smeyers dat hij mag binnenkomen’. Ze keek hem niet meer aan, hij was nog slechts het hoopvol foldertje dat een waardeloos papiertje werd en dat ze uiteindelijk in vier scheurde en dopte in haar lege kop koffie.             Misbegrepen fietste hij terug naar huis. Schouders recht, borstkas vooruit. In nog geen vijf minuten had hij zin aan zijn eigen leven gegeven. Het zou zijn geheim zijn. Hij zou zwijgen en hij zou in het leven enkel vrouwen toelaten die bij het voorbij wandelen een discreet wolkje parfum achterlieten.

Erwin Abbeloos
10 0

Zorgen van de guru

'Zorgen,' schreeuwt hij in de microfoon, 'maken we ons allemaal, maar dat is zinloos! Zorgen bestaan niet!'  De aula zit barstensvol, alle zitjes ingenomen en enkele laatkomers op de trappen. Duizend ogen loeren naar hem in kakelvers Versace kostuum. Speciaal op maat gemaakt in Milaan. Drieduizend driehonderd euro. Hij had moeten brullen: slechts drie tickets dekken zijn extravagant kostuum. Zijn levensverbeterende cursus verkocht in geen tijd uit. Het buitenzwembad met poolhouse aan zijn villa in Spanje kan dubbel zo groot bij de komende verbouwing.  Hij pauzeert voor het dramatische effect en scant de zaal. Opmerkelijk veel vrouwen. Enkele stokoude, de meeste rond zijn leeftijd. Ook een paar onbelegen exemplaren. Op de eerste rij zit een prachtig specimen. Hij ontbloot zijn gebleachte tanden en knikt. Ze haalt haar kauwgum uit haar mond, rolt hem tussen haar vingers en knipoogt verleidelijk. 'Heb je geen problemen in het leven?' vraagt hij zonder een antwoord te verwachten. Een vrouwelijke aardappelzak achteraan links hoest. Het klinkt alsof er bloed meekomt. Bijna dood, zal niet misstaan op de composthoop. 'Zijn er hier, onder jullie, mensen zonder problemen?' vraagt hij terwijl hij naar zijn prooi koekeloert. Zijn publiek heeft veel problemen. Waarom betalen ze anders meer dan duizend euro om naar hem te luisteren. Hij weet dat velen leningen aangingen om hier te kunnen zijn. Hij biedt dat aan. Met waanzinnige interestvoet. 'Als je geen problemen hebt, waarom zou je je zorgen maken? Dan bestaan zorgen niet voor jou? Toch?' Gegniffel. Hij analyseert de hele zaal maar zijn blik kleeft op haar als de naald van een kompas op het noorden. Blond, blauwe ogen, slank en een boezem. Haar lederen topje ontbloot de bovenkant van haar bollen. 'Heb je een probleem,' zegt hij, 'dan heb je twee mogelijkheden.' Hij toont twee vingers met gouden ringen. Altijd twee opties. Blauwe zwembadtegels of groene? Verwarmd of niet verwarmd? Met afdekzeil of zonder? Tegenstroomsysteem met drie spuigaten of vijf? Infinity langs één zijde of alle drie? Ze draait haar lokken rond haar ranke wijsvinger met rode nagel als zoekt ze houvast zodat haar hoofd niet van haar slanke hals valt. 'Je hebt een probleem én je kan er iets aan doen?' Hij verheft zijn stem. De spanning in de zaal maakt haar stil. 'Waarom zou je je dan zorgen maken?' zegt hij op een toon alsof hij het zelf uitvond. Er weerklinkt ingehouden gelach zoals pubers grinniken die stiekem de Playboy doorbladeren. Haar ogen stralen. Zij weet dat zij zich geen zorgen moet maken. Hij spreekt haar straks aan en zij geeft hem complimenten die hij afwimpelt om de afstand tussen hen te verkleinen.  'Heb je een probleem,' zegt hij, 'én kan je er niets aan doen?' Zoveel problemen bezitten een oplossing maar deze groep ziet het niet. Domheid belet actie. Zij ademt rustig, tuit haar lippen en tuurt naar zijn kruis. 'Dan moet je je geen zorgen maken,' roept hij. 'Simpel!' De zaal lacht opgelucht en de rest van de namiddag debiteert hij meer goedkope oneliners, tegeltjeswijsheden, clichés en waarheden als koeien. Het licht wordt lichter. Zij zien het nu. Zijn licht. Applaus. Hij strekt zijn nek en toont de palmen van zijn handen, dat toont verbinding en vertrouwen.  'Zorgen maken is zinloos. Stop ermee!' Meer applaus. Standing ovation.   Ze duwt hem ruw zijn loge in en draait de sleutel in het slot. Zijn vrouw heeft hier een probleem mee maar kan er niets aan doen. Ze moet zich dus geen zorgen maken.

TonyCoppo
17 4

We moeten vrouwen van de wereld afschermen.

In De Standaard heb ik met veel interesse een commentaar stukje “Een vrouwenuurtje misbruiken om goedkoop te scoren”, getekend Inge Ghijs, gelezen. Haar redenering schaadt vrouwen eerder, duwt en behoudt hen in een slachtofferrol, eerder dan te streven naar gelijkwaardigheid of empowerment. Dat we vrouwen opnieuw achter slot en grendel gaan steken – dat vrouwen zichzelf achter slot en grendel gaan steken, dat is wat ik begrijp uit het opiniestukje. De adjunct-hoofdredacteur schrijft of de lezer ooit gehoord heeft over vrouwen die getraumatiseerd zijn na seksuele intimidatie of over vrouwen die zich vanwege hun uiterlijk meer op hun gemak voelen als er geen mannen in de buurt zijn. Het is de lezer onderschatten. Op de eerste vraag kan ik al antwoorden: ja, ik ken een vrouw – maar ook een man – die seksueel geïntimideerd zijn. Op de tweede vraag kan ik volmondig antwoorden dat ik ook vrouwen ken die zich niet zo goed op hun gemak voelen wanneer er mannen in de buurt zijn. Maar is het antwoord dan dat we vrouwen moeten ‘opsluiten’, afsluiten of uitsluiten van de maatschappij waar ook mannen aanwezig zijn? Eigenlijk neemt zij de verdediging van safe spaces op. Maar in de maatschappij zijn nu eenmaal ook mannen en gelukkig beantwoorden de meeste mannen niet aan het profiel van mannen die zij beschrijft. Want, wees eerlijk en scoor ook niet goedkoop: kan ze zeggen over welke mannen het gaat? En doet zij hier eigenlijk ook niet aan etnisch profileren? Het doet me denken aan de heisa rond Sabrine Ingabire toen ze zei dat ze zich ongemakkelijk voelt in een restaurant met alleen maar ‘witte’ mannen of Dalilla Hermans die schrijft dat ze liever geen columns leest die geschreven zijn door ‘witte’ mannen, of Rachael Moore die bij hoog en laagt zweert dat ‘witte’ homomannen nooit iets gedaan hebben voor homomannen van kleur. Fleur Pierets zegt dat ook. Persoonlijk heb ik er geen problemen mee dat vrouwen aparte fitness of zwemuren krijgen. Het ontwricht de gang van zaken in mijn leven niet en de meeste burgers liggen hier evenmin wakker van. Maar het stelt andere fundamentele vragen die het samenleven in een openbare ruimte aanbelangt. Want dan moeten we, om apartheid en segregatie tegen te gaan, wel eerlijk zijn en niet goedkoop scoren. Iedere identiteitsgroep mag dan onder dezelfde voorwaarden de openbare ruimte opeisen net zoals de vrouwen die een uurtje apart willen fitnessen of zwemmen. Wat gebeurt er dan nog van een samenleving – het woord zegt het toch zelf, toch, ‘samen’ (= verbinden)? Moeten we integendeel mannen en vrouwen niet eerder sterken in gelijkwaardigheid in plaats van in gelijkheid? Ik herhaal: ik heb helemaal niets tegen aparte uren voor vrouwen (of andere groepen, mannen bv. of mensen met overwicht) maar geven we hier niet een verkeerd signaal? Blijven we vrouwen – en bij uitstek andere minderheidsgroepen – dan niet verbergen en in (valse) veiligheid zetten, apart zetten dus, zonder hen te versterken en de realiteit van de wereld te laten zien? Waar is empowerment in het zich afzonderen in safe spaces? Is het tenslotte niet de taak van een samenleving, van ons allen, u en ik, om aan de rest van die boze wereld te laten zien dat vrouwen gelijkwaardig zijn? Doen we dat door aparte openbare ruimtes te voorzien? De redactrice schrijft dat er een identitair debat aangegrepen wordt, maar dat is het al van in het begin. Dat idee heeft het debat al ingehaald. In de identiteitspolitiek zijn man zijn en vrouw zijn achterhaald en moet genderfluïditeit vooropgesteld worden. In ons – want het is van en voor ons allemaal – zwembad kunnen we ook denken aan genderfluïditeit: een man die zich vrouw voelt, die nog steeds de fysieke eigenschappen heeft van een man maar die zich in sommige situaties eerder vrouw voelt, wat doet de schrijfster van het commentaar stukje met deze persoon? En wat met transmannen en transvrouwen? En gaan heterovrouwen zich nog veilig voelen wanneer een lesbische vrouw een seconde te veel zal kijken? En last but not least: wordt het hele zwembad dan afgesloten met een soort van zeil want vanop een nabijgelegen brug heb je wel inkijk op het hele hebben en zijn van het zwembad. Ik denk niet dat er veel mensen zijn die moeite hebben met diversiteit, integendeel. De identiteitspolitiek en de woke-waanzin echter vernietigen diversiteit: zij gebruiken en misbruiken sociale media of het debat om andere mensen ideologisch de les te spellen en zijn zelf niet in staat kritisch of empathisch te kijken naar de wereld. Conformisten zijn bang om een foute mening te hebben dat ze niet meer in staat zijn om na te denken en te kijken naar de andere kant. Integendeel, cancel cultuur en safe spaces die de adjunct-hoofdredacteur allicht genegen is, getuigen van hun vervreemding ten opzichte van de wereld waarin wordt samengeleefd en verbonden. Het lijkt op goedkoop scoren, ja, om mensen in woke-waanzin en met kleppen op de ogen voor diversiteit tegen elkaar op te zetten zoals het commentaar dat weergeeft. Dat is inderdaad een pak makkelijker dan mensen met elkaar te verbinden. Haar commentaar werkt in elk geval niet verbindend en ik kan alleen maar betreuren dat feminisme anno 2021 onder het juk van dergelijk commentaar en de algehele woke-waanzin en politieke correctheid het eigen doel mist, vrouwen in hokjes duwt en hen vraagt zich te isoleren, te vervreemden van de maatschappij en hen vraagt om alleen te spreken in safe spaces en dus zo segregatie in handen houdt. Door identiteitsgroepen en identiteitsdenken leg je het debat zélf het zwijgen op, sterk je vrouwen niet en ben je als woke-feminist(e) deel van het probleem. Ik had nooit gedacht dat DS daar in mee zou gaan. Nu goed. Ik ben een grote voorstander van de vrije meningsuiting en ik respecteer haar mening. Iets wat niet altijd van de wokers gezegd kan zeggen. Ik wil hier gewoon een weerwoord schrijven, een andere visie delen vanuit universeel perspectief.

Erwin Abbeloos
8 1

Huid van as

’s Avonds laat, wanneer de kinderen dromen van kaboutertjes die in onze schuiven rommelen, en mijn vrouw zich van onze laatste omhelzing van de dag losrukt om op haar rug in slaap te vallen, dan glijd ik het bed uit en sjok ik blindelings door het duister naar ons terras. In het holst van de nacht rook ik mijn laatste sigaret, met enkel het gloeiende topje als krachteloze lichtbron. Ik luister naar de ademhaling van iets wat me vanuit het duister bespiedt. Een zachte stem fluistert me toe: ‘Als het stof in je broekzak goud of zilver zou zijn, dan nog zou je het spenderen aan niks.’ ’s Avonds laat, wanneer ik mijn peuk in de asbak uitduw, hoor ik nog steeds dat obscure stemgeluid, dat me met een handvol zingende stembuigingen en klagerige toon laat weten dat ik me alles herinner van wat ik niet ben vergeten. Daar put ik dan enigszins wel wat kracht uit, maak ik mezelf wijs. Soms strijkt de drager van de stem neer op mijn schouder: een engeltje, met gele katachtige ogen en een donkergrijze huid van as. Haar vleugels gebroken door wat de wereld haar liet zien. Trillend en bevend en angstig als een gekwetste vogel druppelt ze tranen van zwavel in de cocktail die ik mijn inborst durf noemen. ’s Avonds laat, wanneer het engeltje haar klaagzang heeft afgerond, krijg ik de kans om vragen te stellen. ‘Wat wil je eigenlijk?’ sist het schepsel. Dan antwoord ik dat ik het geluk aan het einde van de regenboog wil vinden. ‘Maar beste vriend toch, een regenboog is een kegel. Niets meer dan een illusie van licht dat vanuit elke windrichting een centraal punt op je netvlies vindt. Als het geluk aan het einde van de regenboog ergens te vinden is, dan is het in jezelf.’ Na een poosje, wanneer het creatuur op mijn schouder is uitgehuild, wil het weten of ik alle leed zou vergeten als ik dat kon. ‘Natuurlijk.’, moet ik dan toegeven. En toch… Wanneer het me uiteindelijk vraagt wat ik echt wil, dan vraag ik niet om de kans om alles te vergeten. Dan droom ik. ’s Avonds laat, droom ik dat ik kan leren vliegen. Echte vrijheid kennen, net zoals het lugubere beest op mijn schouder. ‘Dat kan,’ laat het ding me weten. ‘Maar vergeet niet dat je daar een verschrikkelijke prijs voor moet betalen.’ En terwijl die woorden worden uitgesproken, verpulvert het wezentje tot een hoopje grijs stof in de asbak en terwijl de rook oplost in de atmostfeer, word ik wakker met het besef dat ik eigenlijk niet rook en staar ik naar de foto van mijn vrouw en kinderen op het nachtkastje.

Het Verdwaalde Schaap
0 0