Lezen

Vertel nog eens iets

Het is nog maar een fenomeen van de laatste jaren. Een uitzwaaifenomeen zou je het kunnen noemen. De mannen gebruiken de kapstok niet langer waarvoor deze ooit met veel liefde aan de muur werd vastgemaakt. Al had ik indertijd lichtjes fout geboord en hing de kapstok in eerste instantie zo scheef dat het kleingeld uit mijn jaszak viel. Maar dat is ondertussen in zijn geheel hersteld. Ik steek het kleingeld voortaan in mijn broek. Het fenomeen is opvallend. Naarmate het ouder worden hangen ze hun jas bij het binnenkomen alsmaar vaker op een stoel in de woonkamer. Snel de jas erop hangen om hem er even snel af te kunnen nemen. Geen tijd te verliezen. De stoel is voor het komen en gaan. De kapstok is om te blijven. "Ge staat precies al op vertrekken", was de uitdrukking van ons ma als ik in het ouderlijk huis op dezelfde manier mijn jas op de stoel hing. Want ik kom mezelf voortdurend tegen. Alsof je in een tijdmachine zit. Maar je kan het niet forceren. Je kan ze niet persoonlijk aan de kapstok hangen als blijvertjes. Noch de mannen, noch hun jas. "Alles heeft zijn tijd", heb ik vader ooit in een filosofische bui horen zeggen. Een zin die ik op mijn beurt tegen mijn vrouw herhaal, als we weer eens alleen voor de buis zitten. "Alles heeft zijn tijd." En er vervolgens aan toevoegend: "Trouwens, met twee is niet alleen." "Ge zijt precies weer in een filosofische bui", zegt ze dan. Toch hang ik hun jas soms onopvallend terug aan de kapstok, als ze even niet opletten. Als ze dan op vertrekken staan, zie je ze kijken en zoeken. "Hey, waar is mijn jas naartoe? Had ik die toch aan de kapstok gehangen?" "Vertel nog eens iets", zeg ik dan.

Rudi Lavreysen
7 1

Stil in mij

Soms zit er ineens een zinnetje uit een liedje in je hoofd. Als een mantra. Het blijft een hele tijd hangen, soms wel een hele dag. Dan is het ineens weg om een paar dagen later als een duveltje uit een doosje weer omhoog te ploppen. Geen idee wat de trigger is. Mijn mantra is al een paar dagen “Het is zo stil in mij, ik heb nergens woorden voor.” Een prachtig nummer van Van Dik Hout. De zanger, Martin Buitenhuis, zingt over het verlangen naar warmte en troost op momenten dat het van binnen zo koud en stil kan voelen. Ik probeer door te schudden met mijn hoofd het liedje kwijt te raken. Vaak te vergeefs. Maar gelukkig is er ook afleiding en raak ik dat gevoel weer kwijt. Het zijn die onbewaakte momenten waarop het weer toeslaat. Ik heb inmiddels ook geleerd om dat gevoel te omarmen. Om het niet weg te stoppen. Tenslotte moet ik ook de liefde van mijn leven, waar ik 35 jaar lang mee samen ben geweest missen. En daar mag ik verdriet om hebben, daar mag ik om rouwen. Dat wil niet zeggen dat ik de hele dag loop te huilen. Gelukkig niet zeg, ik zou er geen gezellig mens van worden. Bovendien zou het me ook niet helpen. En zou mijn maatje dat ook niet willen. Maar soms is het gewoon nodig. De tranen zitten gewoon nog heel erg hoog. Soms vind ik dat zelf lastig maar vaak laat ik het ook maar gebeuren. Schrijven over dit soort gevoelens en gebeurtenissen helpt mij. Wel denk ik soms “moet ik daar iedereen wel mee lastig vallen?” Maar ja, van de andere kant, je hoeft het natuurlijk ook niet te lezen. Hoewel ik merk dat veel mensen die mijn blogs lezen ook een lief bericht achter laten om mij een hart onder de riem te steken. En dat helpt ook. Het is een bizarre reis, die ik maak. Vooral ook omdat ik alleen op reis ben. Met de gedachte aan mijn lieve maatje, de steun van heel veel lieve mensen en natuurlijk het gezelschap van mijn kleine Stef. Het komt wel goed.      

Machteld
6 0

Piepjong

Ik ben gewaarschuwd. Door het gepiep van de schurende scharnieren die stipt om kwart over zes de harde knal aankondigen. Gevolgd door het trillen van de ramen en een nagolf van contrasterende stilte. Net op tijd trek ik mijn dikke winterdekbed tot over mijn hoofd. Ik heb het zomer- en herfstdeel op elkaar gelegd om mijn steeds kouder wordende voeten te verwarmen. Uit het dekbed ontsnapt de lucht waardoor de opgeschudde veren als een heerlijke laag zachtheid op me komen liggen. De harde knal van de met slaande deuren vertrekkende buurman is door het dons afgezwakt tot een doffe plof in de verte. Alsof een klein donzig kuikentje uit bed valt. Ik heb nog welgeteld vijftien minuten voor ik zelf uit de veren moet. Dagelijks geniet ik van die heerlijke tussentijd waarop ik nog even in het kuiltje van de matras mag wegzinken. Het kuiltje dat verraadt aan welke kant ik in bed lig. Toch lukt het me niet de slaap terug te vatten. Ik draai me om en voel de zeurende pijn in mijn benen. Iedere spier verkrampt bij elke poging me terug te nestelen. Het herinnert me aan mijn poging van de dag voordien om mijn ouder wordende lichaam jong te houden. Door mezelf wekelijks een uurtje te kwellen met sit-ups, squads en cardiotraining. Hoewel het eerder de up-tempo foute muziek is die mijn uithoudingsvermogen sterk op de proef stelt. Ik maak een gaatje vrij om onder het verendekbed wat meer zuurstof te krijgen. De geur van baardshampoo met sandelhout verraadt dat mijn wederhelft ook nog slaapt. Zo kan ik hem nu wel noemen. Dit jaar ken ik hem de helft van mijn leven. Sinds de avond van zijn vierentwintigste verjaardag. Toen hij niet meer op te beuren was door het idee dat hij de dertig naderde. De verjaardagen erna ontdekte ik dat zijn emotionele uitlating die avond niet aan de hoeveelheid alcohol lag. Maar aan een echte vrees om ouder te worden. Zijn vrees is ondertussen werkelijkheid geworden sinds allerlei ouderdomskwaaltjes hem uit zijn slaap houden. Iedere nacht ligt hij woelend naast me en maakt zo van zijn kuiltje een krater. Zelf blijf ik gespaard van het euvel die mijn leeftijd kan verraden. Het enige wat mij uit mijn slaap houdt is zijn gesnurk. Dat steeds begint als zijn uiteindelijk slapend lichaam in de krater rolt. Ik begreep nooit goed waarom hij zo’n last heeft van de wegtikkende tijd. Ik lig er niet wakker van. Iedere rimpel die ik op de spiegel kan aftekenen is gevormd door mijn lach van de voorbije jaren. De bredere heupen zijn getuigen van het dragen van ons kind. En elk grijs haar bevat wat wijsheid in mijn leven. Verder voel ik me nog steeds, zoals op die avond van zijn vierentwintigste verjaardag, twintig. Tot deze ochtend. Mijn op elkaar schurende gewrichten kondigen een stugge dag aan. Ik voel dat ik niet als andere dagen uit bed zal veren. Door het gebrek aan kracht in mijn verkrampte benen, mijn slapende koude voeten en verzwolgen in het veel te dikke winterdekbed laat ik me uit het kuiltje rollen. Om als een uilskuiken met een harde doffe knal op de grond te vallen. Ik was nochtans gewaarschuwd, door mijn wederhelft in zijn krater, dat deze dag ooit zou aanbreken. De eerste dag van mijn midlifecrisis. Voor de andere helft van mijn leven zou ik me iedere ochtend afvragen hoe ik heelhuids uit bed geraak.

ZINinZICHT.
0 0