Lezen

Eeuwenveel meeuwen

    Altijd en met duizenden komen ze, aangevlogen, vrij doelloos, als een witte vlek uit een buis, uit dat donkerroze zieleëind. Ongedierte is het, pettefletmiserie! Ze morren vaak. Soms hoor je fel geschreeuw. Ze morsen met het leven en ik denk dat die beesten in elke vuilbak zullen blijven zoeken tot iemand hun kop er afknalt. Chot, ik houd van dat gevoel.   Heel even toch. De zwarte egels liggen op hun bodem en terwijl de snelwegen hun doden nog eens tellen, spartelen er dikkopjes in eigen sap. Bergafwaarts gaat het. Hoge duinen heersen over strand en Duivelland. Al mijn cellen rollen naar die lippenzee met korte sprietjes en ze streelt mijn hoofd, met slechts één vinger, weet dat ik een kind was, dat ik zocht.   En ik vond ze ook. De haaien, tanden, hete vrouwen lagen in de zon als blanke kippen zonder olie, zonder braadspeer door hun lijf en zij ook, ze wreven door mijn jonge kruin, gaven me tikken op de kont alsof ik groeien moest om snel een knaap te worden, die verdwaald mocht rennen door hun natte serres.   Vleesetende planten groeien daar tot door de dakramen. Ze wachten op de meeuwen en mijn voeten dromen, dat ze verder moeten, hollen door het zand waarvan ik voel dat het ooit schelpen waren. Slijmerige wezens kleefden, aan de binnenkant is niet te zien hoe hard een sluitspier alles dichthield, als het nodig was, bij ebbe meeuwen overvlogen, soms voor eeuwig, soms voorgoed en weet je wat het is?   Ze schijten de balkons echt overal vol, met zelfbewustzijn, witgewassen geld, kak genoeg voor negen wereldlagen en het was in Knokke, dat ik haar heb leren kennen, toen ik daar nog liep tussen de bentley's en kokhalzende meeuwen, tussen porsches en gepoch, achter één blitse vuilkar. Aan de Place M’as-tu-vu verkocht ze bolletjes op hoorntjes aan valse lucht en vele mensen. Jan-van-genten aten alle resten. Het was een donderdag.   Ik weet het nog. De wolken werden even zwart, het leek wel lood. De zakken waren zwaar, mijn armen langer dan normaal, gewoon, om haar te grijpen, rond haar nek hing er geen kruis dat iets weerhield. Ik zoende haar. Niet zoals de zee de kust maar veeleer als een branding die verstilt en proeft, hoe zoet het vuur kan zijn.         uit de reeks  'Hormonoloog'  

Bernd Vanderbilt
0 0

Soetekijn en de zuurling

    Soetekijn zij waagt en durft het altijd. Hinken tussen mijnen, zelfs met halve benen van een arme, yep zij kan het, met één kwinkslag heupbeweging alle dollars van een afgesnedenpiemeljood versieren om ze te verwedden op tweekleurenpony's of één kreupel paard.   Het is lang geleden dat ie haar nog zien mocht in het echt, maar als zij komt, dan jubelen de pruimen in de bomen, in de schappen van een Spar. Naast het verlegen zwart, een bak vol aubergines ligt het zure groen, nog verder de citroenen, drie limoenen uit Peru.   Hij denkt nog vaak. Eraan en ook terug. Het was een trein naar Lima vanuit Märklin, de couchette klein, het land met kloven nauw, flanken en ravijnen eerlijk, van een soort die men vertrouwen kan. Hij voelt nog steeds, die tong van haar, het merg in hem mist het gekriebel.   Chot, waar zijn ze dan? De sparren, frisse naalden en die blik van Soetekijn prijkt nergens op verpakkingen van blinde vinken. Het kan nooit! Onvindbaar zijn de borrelnoten met dezelfde kleur als haar kronkelogen, waarmee ze horizonten uit hun radeloze lijnen redden kan.   Of toch, misschien achter dit rek, het veld met achillea, voorbij een grens, een Koreaanse Kim hij wuift, zijn newwavekapsel, kop en pruik ze hangen aan een haak, naast de wc-borstels voor arschlöcher met draken van een gat.   En als het van Unilever afhing, dan zou hij de niertjes van Soetekijn nooit meer mogen masseren. Eerst zou hij een karretje vol moeten kopen, wasverzachter vooral, boter voor magere monden en de droge ingang van een ziekewereldkont.   Ach en onderweg loopt hij te kauwen. Scherp is de smaak, de tong. Soetekijn probeert het in zijn oor en als hij aan de kassa komt, staat zij daar. Niet Soetekijn. Veeleer een groengrijs jonk, dat met haar barcodespel boerenworsten niet eens strelen durft   Ze spreekt. Het jonk zegt dat ze het boven, op dat scherm, wel gezien hebben, hoe hij vrat van de zurkel, zuurkool uit een potje kneep. Soetekijn, zij voelt het, komen, grinnikt en haar manen glimmen van plezier, nu de zuurling zich weer steken gaat, een middelvinger in de keel.   Het zuur en de zeik van zeven levens dweilen zich een weg over de vloer, omhoog, doorheen de zolen, dringen zich in witte kousen van vermeende onschuld, in de kleren, stengels en de poten van het starend suikerriet.         Uit de reeks  'Over eelt en zurkelteelt'  

Bernd Vanderbilt
20 0