Lezen

Tip

Het leven in rood, geel en blauw

Als dertiger sta ik meer te klungelen dan als kleine jongen. Dat mensen naar me toe komen voor een luisterend oor, voor mijn goede raad, voor mijn empathisch vermogen, terwijl ik om de haverklap met mezelf in de knoop lig, ik krijg er schaamrood van op mijn wangen. Op de Steinerschool leerde ik rood, geel en blauw kennen als de hoofdkleuren. Dat was duidelijk. Ik schilderde het ene na het andere pièce de résistance. Een half leven later heb ik een reusachtig pallet met elke denkbare kleur voor mij liggen. Maar er komt niets meer op papier. Als kind wist ik heel goed wie ik was. Ik bouwde een wereld vol gevaren met Lego, maakte mijn eigen geheimschrift en had van alles een lievelingsexemplaar. Blauw, ijsbeer, lasagne, donderdag, zes, de letter ‘r’. Geen enkel vriendenboekje dat de revue passeerde, kon een categorie opnoemen waarvan ik niet met zekerheid wist welk onderdeel ervan mijn voorkeur wegdroeg. Zelfs dat ik later leraar zou worden, stond in de sterren geschreven en zwoer ik op mijn zes jaar met hand op het hart aan jong en oud. In het middelbaar begon de ellende pas. Aanvankelijk kon ik nog gemakkelijk kiezen voor Latijn-talen, puur op eliminatie: zo weinig mogelijk wiskunde. Toen mijn leerkrachten me in het laatste jaar om de oren sloegen met allerhande opleidingen en bepalende keuzes voor je godganse leven, begon ik te wankelen. Terwijl mijn klasgenoten één voor één in een aha-erlebnis schoten wat hun toekomst betrof, begon het bij mij te schemeren. Het daagde al snel dat ik niets kon doen met alleen rood, geel en blauw. Het leven vroeg andere kleuren. Ik maakte dus eens een gedachte oranje, schilderde mijn gevoel groen of kleurde een ervaring purper. Of dat mooi was? Dat ik het bij god niet weet. Ik kliederde maar wat. De enige dingen die ik mooi vond, bleven rood, geel of blauw. Tegenwoordig durf ik zelfs mijn drie vertrouwde verfpotjes van de kleuterschool niet meer gebruiken, want het leven is helaas te genuanceerd en complex geworden. Gebruik ik rood, schop ik wel tegen iemands schenen. Blauw is nog erger, dan lopen mensen over me heen alsof ik er niet sta. En als ik geel gebruik, hadden ze toch meer diepgang verwacht van iemand zoals ik. Ik doop mijn penseel dan maar in grijswaarden of flauwe afkooksels omdat de wereld dat verlangt. Tot nu, want ik heb ongelijk. Het is mijn overtuiging dat de kracht van ieder mens schuilt in het kind-zijn. In het niet tegen zijn verlies kunnen bij een spelletje. In het neuspeuteren wanneer niemand kijkt. In de schilderwerkjes aan de klasmuur in de lagere school. Mijn fantasie, creativiteit en oog voor detail zijn daar geboren. Mijn passie en bevlogenheid voor het leven, maar ook mijn vanzelfsprekendheid, luiheid en snel opgeven. Een volwassen leven inkleuren vraagt een groot aantal tinten en kleurschakeringen, dat is zeker. Maar het kind in jezelf wegsteken, is de bezieling wegsteken. Ik mag nooit meer mijn hoofdkleuren opbergen, want daarmee heb ik leren schilderen. Wat ik moet leren is dat ik passie kan bijkleuren met dosering, angst kan verdoezelen met relativering en droefheid kan opmaken met hoop.

Lennart Vanstaen
137 7

Een paradijs met klootzakken

God schiep een paradijs en in Haar oneindige goedheid besloot Zij dat alles er mocht zijn. Ze blies in elke mogelijke bestaansvorm bewustzijn, alsook voorzag Zij elk wezen van een vrije wil. Zowel het duister als het licht kreeg een plaatsje, in Haar hart was er altijd plaats voor beide, daar Zij volledig vrij van oordeel was en gevuld met onvoorwaardelijke liefde. Alles wat Ze schiep, was op een ingenieuze manier met elkaar verbonden. Het was een beweeglijk geheel van komen en gaan, van creëren en vernietigen en van liefde en angst. En zo vonden hardheid en zachtheid aarding in dezelfde bodem. De Moeder zag hoe pure liefdevolle wezens werden getergd door kwaadaardige creaturen. En hoe er uit zulke confrontaties nog meer bewustzijn groeide. Zij deed niets dan alles in zijn volledigheid laten bestaan en genoot van de oneindige veelzijdigheid waaruit Haar creatie bestond. Met goddelijk mededogen aanhoorde Zij de ontelbare smeekbedes van de wanhopige wezens die hun armen ten hemel richtten. Vragend waarom Zij zo onverschillig scheen te zijn tegenover al dat leed. De absolute en alles omvattende liefde van God, geheel neutraal en vrij van enige voorkeur of weerstand, werd dus verward met onverschilligheid. Zij voelde geen aandrang om deze misvatting recht te zetten, want wist dat wanneer het bewustzijn zou blijven groeien dit inzicht vanzelf zou verschijnen. Het was niet zo dat God nooit sprak met haar kinderen. Dat deed Ze wel en zelfs quasi constant. Maar Ze koos ervoor om enkel zacht te fluisteren. Want ze wou dat Haar kinderen aandachtig leerden luisteren. Ook liet Zij zich niet zien, maar wel voelen. Als een observerende aanwezigheid in elk atoom. Ieder die de Moeder niet voelde en Haar bestaan zelfs ontkende, woonde even warm in Haar hart als elkeen die haar eerde. Omdat alle verderfelijke en vernietigende krachten van evenveel ruimte en creatiekracht genoten, gingen veel zachtaardige wezens gebukt onder de grootsheid van die onvoorwaardelijke liefde van de Moeder. Ze schreeuwden hun ongenoegen uit. Ze noemden Haar meedogenloos en hard. Zagen geen rechtvaardigheid noch evenwicht. Pijn leek immers veel uitdrukkelijker door te wegen dan vreugde. ‘Moeder,’ zeiden ze. Laat alstublieft het licht zegevieren! Verlos ons van het kwade!’ Terwijl ze dit uitspraken, voelden sommigen onder hen dat dit verlangen het einde van alles wat ze kenden en van zichzelf inhield. Want het duister kon nooit volledig verdwijnen zonder het licht mee te nemen. Er was slechts de keuze: bestaan in dualiteit of niet bestaan. En dus nuanceerden sommigen: ‘Moeder, geef ons de kracht en inzichten om in vrede en gezondheid te kunnen leven te midden van het duister.’ Dat ze reeds over die kracht beschikten. En dat de gevraagde inzichten voortkwamen uit het contact met het duister, fluisterde ze heel zacht. Het duister was daar ten dienste van het licht. Het bood de kortste weg naar verlichting. Telkens wanneer het duister van schemering overging naar zwarte massa, werd het licht aangemoedigd om feller te schijnen. Het vergeten van de Moeder stond ten dienste van de herinnering aan haar, hoe vreemd dat ook mocht klinken. De vernietiging van schoonheid gaf alleen maar meer waarde aan Haar bestaan. ‘Fuck that!’ riepen de experts in kommer en kwel. ‘Wij willen leven en niet overleven! Laat ons groeien en stralen op een manier die niet zo’n pijn doet! Kunnen wij onszelf niet ontplooien in een paradijs zonder klootzakken? Er moet toch een andere mogelijkheid zijn?!’ En jazeker, andere mogelijkheden waren er. Oneindig veel zelfs. De Moeder had ze allemaal geschapen en Ze aanschouwde, enthousiast als een kind, hoe deze zich als een kleurrijke caleidoscoop voor zich ontvouwden. Hoe ze zichzelf heruitvonden en transformeerden. Absoluut perfect op elkaar aansluitend en elkaar aanvullend. Als je al het verdriet, onmacht en pijn zou wegnemen, zou dit goddelijk kunstwerk gaten vertonen en in elkaar storten. De Moeder had nooit gewild dat Haar kinderen iets ontbraken. En als er niets ontbrak, dan was werkelijk alles er. Ook intenties die liefde wilden smoren. De antwoorden van de Moeder waren als dunne dekentjes voor Haar rillende kinderen. Sommigen onder hen ontdekten gestaag hoe ze zich konden laven aan het warme licht in zichzelf. Anderen bleven tasten in het duister, waar ze ook uiteindelijk altijd iets bruikbaar vonden, al was het maar iets kleins. En ze leefden nog relatief lang en gefragmenteerd gelukkig in het paradijs waar alles mogelijk was.

KarolienDeman
13 0
Tip

Als je genoeg vis eet kan je vanzelf zwemmen

Er heerst een algemene wijsheid onder de havenarbeiders, scheepsjongens op de galjoenen en zelfs onder de kapiteins met hun vaten gerookt varkensvlees. Zonder uitzondering gelooft elk van hen dat wie genoeg vissen eet, vanzelf kan zwemmen.  We vreten ons ermee vol, want voor de gewone matroos is er natuurlijk ook niets anders dan wat de zee gratis ter beschikking stelt. Bij elke hap van de slijmerige zoute glibber voelen we ons een beetje meer gerustgesteld. Want straks is er de test. Ons zal niets overkomen. Van Willem zijn we minder zeker.  Willem lust geen vis. Dat verbaast ons niets. Hij kan ook geen knopen leggen. Iemand heeft gehoord dat hij een bastaardzoon is, van de nicht van de kapitein. Zij werkt ook in de haven. Sommigen hebben haar al van heel dichtbij gezien. Ze zou een ongekend verfijnde schoonheid bezitten, maar wel met een zwak gestel. Dat verklaart veel.  Alexander vreet vis alsof zijn forse ton geen bodem heeft. Soms spreekt hij ons toe, alsof niet de kapitein maar hij de ongekroonde koning van het schip is. Met zijn kabelarmen knoopt hij op een uur meer touwen dan wij allemaal tezamen. Hij zou Willem eens laten zien waarom je vis moet eten.  Daar staat hij, fier rechtop op de loopplank. Zijn blote bast glimt van de olie. Hij werpt Willem een minachtende blik toe terwijl hij steeds verder de plank op loopt. Als hij op het einde komt, draait hij zich nog één keer om, knipoogt en springt. PLONS!  Cirkels op het water deinen steeds verder uit. Op de top van de mast schreeuwt een meeuw. Alexander blijft voor eeuwig ongekroond. Zijn schedel krijgt wel een troon, op de zesde verdieping van het MAS. Naast de sokkel staat een klein wit kaartje met als opschrift: “Schedel van onbekende man, Vroege 16e eeuw”.  Meer lezen? Welkom op Instagram

Amanda Bos
174 8