Lezen

Slaapniegoenie

Halfdrie 's nachts probeer je nog eens de andere kant van het kussen uit. Dat voelt al evenveel als slapeloosheid aan. Sinds je om elf uur het bed in kroop zag je middernacht en kwart voor twee ook al flikkeren. Of je alles daartussen hebt geslapen is niet duidelijk, wel dat dit zeer vervelend is. Voor slaapproblemen geldt zowel figuurlijk als letterlijk: je gaat ermee slapen en je staat ermee op. Wekker Wees maar zeker dat je nét goed bent ingedommeld wanneer de wekker rond halfzeven afloopt. Iedereen maakt het eens mee en zelfs twintig procent van de bevolking sukkelt met de nachtrust. Het getokkel van regen op je raam wiegt je deze keer niet zachtjes in slaap. De viervoeterige huisgenootjes laten er hun slaap niet voor. Je hoort de ondeugende pootjes van je kat de trap aflopen en luistert aandachtig naar wat haar volgende activiteit wordt. De rest van de wereld slaapt en creëert een stilte waarin je zelfs hoort hoe lieve Zazou twee verdiepingen lager een plaatsje zoekt in haar kattenbak. Vervolgens hoor je het geknetter van haar korreltjes terwijl ze van een midnight snack geniet. Mijn kattin eet dus rond vier uur 's nachts. Dat weten we ook alweer. Chronische slapeloosheid was het resultaat van een zeer betrouwbare online-test. Dokter Google heeft alle antwoorden. Daarom slaap je sommige nachten slechts twee uur. Daarom is het geluid van je wekker de eerste en zwaarste marteling van de rest van je dag. Daarom zegt je polshorloge 's ochtends dat het geen idee heeft of je überhaupt wel sliep. Daarom telt je werkdag evenveel geeuwtjes als open geklikte e-mails. Daarom kijk je al je hele romantische leven met haatdragende ogen naar dat vriendinnetje van jou dat al slaapt nog voor al haar haartjes de matras raken. What now? Het gevoel constant moe te zijn behoort al sinds mijn puberteit tot mijn realiteit. De blauwe ringen onder mijn ogen zijn wellicht permanent in de huid getatoeëerd. De nachtelijke uurtjes MSN hebben destijds natuurlijk niet geholpen. De eerste zoektochtjes naar oplossingen leidden tot antwoorden van het wereldwijde web. Niet te laat eten, vermijd schermpjes voor het slapengaan of toestelletjes in de slaapkamer en ga op een regelmatig tijdstip slapen. Sindsdien eet ik op bejaarde tijdstippen en werd de slaapkamer verboden terrein voor de TV. Het gewenste effect bleef uit. What now, Google?  Probeer eens wat te lezen zei de ene. Lezen is te prikkelend, zei een ander. Nog wat scrollen dus. Blijf niet te lang liggen als je de slaap niet vat, leek me nog een goed idee. Eventjes naar de keuken om daar de vaatwasmachine leeg te maken. Wanneer je jezelf in de weerspiegeling van het raam ook nog eens aardappelen ziet schillen, is een welgemeende WTF niet zo verrassend. Ik wil geen nachtraaf worden die 's nachts bijklust en overdag als een zombie gaat werken. Thanks you, next. De volgende oplossing moest de medische wereld me maar aanreiken. Tic Tac  Slaappillen boezemen me angst in, afhankelijkheidsangst. Slapen is één ding, gewoon niet meer wakker worden is iets anders. Sedistress Sleep is een natuurlijk hulpmiddel en bijgevolg niet verslavend. Na twee weken werken die tabletjes nog niet. "Je moet ze lang genoeg nemen", luidt het dan. Dat zal wel kloppen. Als ik de rest van mijn leven elke dag zo'n Tic Tac met een teug water inneem, zal er wel eens een goeie nacht tussen zitten. Tegen beter weten in begon ik onlangs een nieuwe kuur. De tweede week kende een gemiddelde van vijf uur per nacht. Als weken drie en vier van hetzelfde niveau zijn bied ik ze te koop aan. Of zou ik er nog een nachtje over slapen? Probeer je fysiek eens uit te putten is nog zo'n devies. Dat klinkt best wel logisch, maar mijn bouwvallig tuinhuisje van een lichaam heeft soms lak aan dergelijke logica. Na een nacht van vijf uur slaap en een looptochtje van 25 kilometer zou je toch veronderstellen als een baby te slapen? Negentig minuten schapen tellen en een schamele zes uur maffen was het tegenvallende resultaat. Daar herstellen die spiertjes ook niet van.. En een slaapmutsje dan? Niet de letterlijke lap stof dat je hoofd warm moet houden, wel een borreltje alcohol. Drinken voor de gezondheid? Dat moest ik ook wel eens proberen! Doch andermaal niet met het gewenste effect. Drank maakt me eerder goedgemutst dan slaapgemutst. Podcast Mijn naam is Julian en ik ga je begeleiden bij deze slaapmeditatie, om in een diepe slaap te komen door middel van een vertraagde ademhaling. 't Zijn de eerste woorden van een zestienminuten-durende podcast van Somnox op Spotify. Toegegeven; ik heb het einde van zijn geratel niet altijd gehaald. Toch heb ik andere ambities dan die traagsprekende man elke nacht in mijn slaapkamer te horen. Jules zou misschien in een vrouwelijke collega kunnen investeren. Of liggen zij daar niet wakker van? Toen ik het vooral met Faithless kon meezingen was Insomnia nog een van mijn lievelingsliedjes. Sinds ik het meemaak klinkt "I can't get no sleep" vooral als zurige zelfspot. Wanneer slaaptekort bij leefteveel hoort, voelt dat aanvaardbaar en minder pijnlijk aan. Nu het een solocarrière uitbouwt vind ik de nieuwste hit Slaapniegoenie minder goed klinken. Poging elvendertig om dit aan te pakken wordt de slaapkliniek, na doorverwijzing van mevrouw doktoor. Mag ik nu dan op twee oren slapen?

Xrossmymind
30 1

Op mijn hoede

OP MIJN HOEDE Met gemengde gevoelens ben ik vanochtend vroeg vanuit mijn vertrouwde, veilige thuiskantoor op weg gegaan. Waarvoor ik gisteren vreesde, blijkt helaas waarheid. De reis naar Brussel Centraal is een martelgang. Er zitten, naar mijn zin,  teveel mensen in de trein. Ik heb het in een paar coupé’s geprobeerd, maar nergens kon ik een plek aan het raam vinden, waar de overige drie stoelen leeg waren. Dus ben ik op een plaats aan het raam gaan zitten, met schuin tegenover mij aan het gangpad een dame die iets ouder oogt dan ik. Mondmaskers zijn nog steeds verplicht in het openbaar vervoer, als ik haar hele gezicht zou kunnen zien, zou ik een betere inschatting kunnen maken of ze bij de gelukkige reeks ingeënte cohorten leeftijdsgroepen hoort. Voor de zekerheid blijf ik de hele reis , mijn bovenlichaam half gedraaid, naar buiten zitten kijken. Vooraf had ik geen idee, hoe druk het hier in het station zou zijn. Aangezien de verordening over verplicht thuiswerken nog maar net is opgeheven, hoop ik dat het nog rustig zal zijn. Maar net als in de trein valt het me op het Centraal Station vies tegen. Het is nog geen ouderwetse spitsdrukte maar ik moet al aansluiten bij de roltrap waar mensen weer vervallen  in hun haastige gedrag met dringen en voorschieten als gevolg. Ik wil nog zo graag de anderhalve meter respecteren. ‘Corona is immers nog steeds onder ons’, hamert de platgetreden lijfspreuk van een van de expertologen door mijn hoofd. In de stationshal moet ik laveren en grote bogen maken, om me veilig te voelen. Net als een jaar geleden toen het hier onwezenlijk leeg was, heb ik weer wiebelknie n, in de hal, op de trappen in de Ravensteijngalerij waar het zakelijke voetgangersverkeer zich net als vroeger mengt met plukjes pretwinkelend publiek. Ik haast me  in een nooit-gezien record de trappen naar het bevrijdende daglicht op, waarmee ik voor mezelf een extra bewijs lever dat ik gezond ben. Genietend van het schaarse groen, van de uitlopende bomen, zelfs van de krijsend opvliegende zwerm kraaien,  wandel ik het park door. ‘Houd je negatieve zelftest bij de hand’, lees ik op de deur van ons kantoor. En inderdaad, Jolien aan de receptie vraagt naar mijn ‘bewijs’ dat ik geen risico ben voor mijn omgeving. Niemand die binnenkomt zal daar ontkomen.Na deze reis vol ‘hindernissen’ ben ik blij bij mijn bureau te zijn. Ik ontmoet er fijne collega’s die ik al meer dan een jaar alleen online of helemaal niet heb gezien. Maar bij de impuls om hen bij dit weerzien spontaan te omhelzen, moet ik iedere keer op de rem en me behelpen met die ellendige elleboogstoot.

Melissa Wouters
12 0
Tip

een tijd

IIk lees je dagboeken om me te vergewissen dat je me vergeten bent. Dan krabbel ik er iets in. Gewoon, iets kleins. Omdat ik klein ben. IIEr was eens een man borstdiep in de zee. Hij had een emmer vast. Die schepte hij links vol en kapte hij rechts leeg. IIIIk heb de handen van mijn vader. Dezelfde vingers, dezelfde nagels. Ze doen hun best met wat ze het best doen. Kapotmaken. IVIk heb alles. Ik heb letters en woorden om alles te beschrijven. Maar het menu is het gerecht niet. Mijn woorden zijn jou niet. Ik heb niets. VSoms vergeet ik moeilijke dingen. Als een wiskundige formule dat je enkel in school nodig hebt. Ik haat school. Ik haat nodig hebben. Ik heb je nodig. VIAls ik vliegers zie dan denk ik aan de touwen, weet je dat? De zilveren lijn tussen vasthouden en loslaten. Alles is zo moeilijk, zoals vasthouden. Houd me vast. VIIHet spijt me en bedankt. Daar draait alles om. Spijt is nu, het bedanken komt later. Alles kan bezinken. Mettertijd ligt alles onder water. Zelfs jij. VIIIAls je in mijn dagboeken kijkt, vind je raadsels. Minuten en uren heb ik fysiek gemaakt. Ik heb dromen beschreven, gedachten en gevoelens. Maar alles is gerafeld. De secondes laat ik aan jou. Je was altijd maar een seconde. IXIk heb je altijd willen toejuichen als je een doelpunt scoorde in het leven. Doe maar alsof. XIk denk dat dit grijzig omhulsel mijn echte zelf is. De donkerte, de leegte, de zwaarte. Hoeveel weegt de kleur grijs, denk je? XISpijt komt te laat, zegt men. Maar wat als het zelfde geldt voor vergeving? Wat als je bent uitgevoeld en er is niets meer? Alleen zijn is toch fijner met twee? XIIMijn laatste uur heeft geslagen. Als ik mijn eigen rechter ben, waarom kies ik voor jou en niet voor mij? In jouw boek staat een verhaal, in het mijne doedels.Ik denk terug aan de man die het water van links naar rechts schepte. Bij elke schep begon alles terug opnieuw. Waarom geldt hetzelfde niet voor ons?

Stelselmatig
112 4

Hotel Metropole

Ooit was dit gedeelte van de stad een sjieke buurt geweest, net zoals dit gebouw ook grandeur en smaakvolle luxe uitstraalde. Als je iets wilde betekenen, moest je gezien worden in Hotel Metropole. Captains of industry, mediafiguren, politici, bankiers. Iedereen passeerde vroeg of laat langs de bar of door het sterrenrestaurant van deze tempel van overvloed, al dan niet gevolgd door wat gerollebol in één van de opulente kamers. Hier was hij dertig jaar geleden zelf op zo’n uit de hand gelopen vrijdagnamiddag met Naomi voor het eerst naar bed geweest, drie verdieping boven waar ze nu zaten. De receptie, het huwelijksfeest, alles speelde zich hier af. Maar wat blijft er nu nog over van het wonderkind van dertig jaar geleden, het nieuwe financiële wonder? Waar is het toch allemaal misgegaan, wat was het begin van het einde? Voor de zoveelste maal speelt de film van zijn leven zich voor zijn ogen af, terwijl de ijsregen zijn gezicht geselt. Hij trekt Naomi wat dichter tegen zich aan, waardoor hij haar intens rillen alleen maar harder voelt. Samen met de kou trekt de schuld door zijn lijf. Had hij net als Icarus te dicht bij de zon willen komen? Hij draait de dop van fles en neemt nog een geut van die gore whisky, die qua smaak haast ondrinkbaar is, maar gelukkig voldoende alcohol bevat. Neen, het is wellicht loutere machtswellust en grootheidswaanzin geweest. Hij is kapot, ziek en uitgeput. Hij voelt Naomi snikken. Met het belletjesgerinkel op de achtergrond zakt hij weg, ver weg. Op kerstochtend opent het nieuws dat de plotselinge vrieskou van gisterenavond en de afgelopen nacht tot een behoorlijke aantal ongevallen heeft geleid, en dat in het portiek van het verpauperde Hotel Metropole twee zwervers zijn doodgevroren, verstrengeld in een innige omhelzing.

SvenR
18 3

Blanke Westerling, waar ben je bang voor?

“Kom, we gaan stenen naar de Italianen gooien!” Italianen waren een van de eerste migranten in het dorp waar ik toen woonde, op vraag van… de Belgen. Die opmerking is mijn eerste bewuste herinnering aan racisme, al had ik er toen geen woord voor. Spelend bij buurkinderen, die zich ook al eens vervelen, zagen we kinderen aan de overkant van de straat zich amuseren. Toen kwam dat keiharde voorstel van het kind waarbij mijn broertje en ik welkom waren.  Ik deed niet mee maar durfde ook niets zeggen.   Wie is die Westerling die niet genegeerd wil worden? Die continenten veroverde. Die hele volken onderwierp, zo niet nog erger,  in reservaten zette of uitmoordde. Die zelfs vanuit het zuiden van dat westen zijn voetvolk binnenhaalde om hen dan, na hun kapot gewerkte jaren vervolgens te ‘klasseren’? De Afrikaan die verkocht werd, de Indiaan die er oorspronkelijk geen was, de Aboriginal die in eigen land gevangen werd. Elke kolonisatie die de ‘wilden’ van de ‘beschaafden’ onderscheidde, waarbij die laatsten zich uitleefden alsof ze in een horrorfilm de hoofdrol speelden. Weg natuur, weg cultuur en daarmee weg authentieke rijkdom. Tal van voorbeelden doorheen mijn eigen moderne Westerse bestaan waarbij ik me stomverbaasd afvroeg wat een bruine huid, een hoofddoek of ietwat scheefstaande ogen nu te maken hadden met gevaar, met minderwaardigheid, met voorzichtigheid. Lees wat ik aanhoorde doorheen de jaren. Het was bijna altijd naar aanleiding van iets dat ik vroeg, las of hoorde : Niet bevriend willen blijven met iemand omdat die met een zwarte getrouwd is en er zelfs kinderen mee heeft.  Stel je voor! Zich niet aanpassen, geen Nederlands kennen terwijl er aanbod genoeg is. Kunnen ze zelf  dan niet eens informeren? De vluchtelingen voor natuurrampen uit gebieden waar onze rijke westerse manier van leven vaak verantwoordelijk voor is. Ja, en dan? Als ze hier willen wonen moeten ze zich aanpassen. De Syriër die wel kan zeggen dat hij moest vluchten voor zijn leven, maar is dat wel waar? Profiteur! De baby met de vreemde familienaam die ineens afgewezen wordt in de crèche! Geen plaats meer, sorry! Het ‘wij – zij’ verhaal al dan niet met voorbedachte rade. Denk maar niet dat een ‘zwarte’ de blanke niet zal mishandelen als hij de kans krijgt, zo naïef kan je niet zijn. En toch, toch zijn er Europeanen die nog luisteren. Toch zijn er blanken die zich nog oprecht inzetten ook al weten ze dat het niet goed te praten valt wat er kapot gemaakt is. Als ik mijn broers mag geloven was Old Shatterhand zo iemand. Als ik rondkijk in deze of andere organisatie voor vluchtelingen zie ik mensen met goede bedoelingen die een mens als mens behandelen, in welke taal mogelijk voor een goede communicatie. De tweede, derde en volgende generaties, die al echte landgenoten zijn, bewijzen zich dubbel zo hard om dan nog vaak buiten de boot te vallen. Ziet de nog nooit genegeerde blanke mens dan niet dat de mentaliteitsverandering best bij zichzelf begint? Dat één crimineel niet een heel volk vertegenwoordigt?   Die steen had die Italiaanse kinderen niet geraakt, maar mij wel, als een resterende blauwe plek waar soms op geduwd wordt en me dan doet afvragen: “Blijft die Westerling, die niet genegeerd wil worden, de bange blanke man die zijn eigen deur gesloten houdt?”

Anemos
41 1

Duikboot

Sindsdien mochten we niet meer in de buurt van het meer komen. Mama belde de moeders van mijn klasgenoten op met de vraag of hun kinderen in de tuin kwamen spelen en tikte luid op het raampje van de keuken als ze vermoedde dat we iets verdachts aan het uitspoken waren.  Op school ruimden de lessen plaats voor urenlange praatsessies om het verlies te verwerken. Na twee weken waren we de kringgesprekken in de stille ruimte en de knutselsessies om creatief met de nagedachtenis om te gaan spuugzat. De juf begon weer over gewone onderwerpen te praten, zodat we volgend jaar zouden meekunnen in de grote school. Alles wat met water, duikboten of zelfs maar experimenteerdrang te maken had, verdween onverbiddelijk uit het programma.  De laatste dag van het schooljaar had ik er genoeg van. ’s Middags hadden we elkaar uitgewuifd, wetende dat we de helft in september zouden weerzien en de andere helft waarschijnlijk nooit meer. Toen de bel ging, stroomde de school leeg. De banken bleven achter vol chipskruimels en gemorste limonade. De naam van Benno was nergens gevallen.  In plaats van rechtstreeks naar huis te gaan, maakte ik een kleine omweg. Niet langer dan tien minuten, prentte ik me in, anders zou mama ongerust worden. Ik fietste naar het bos, zette mijn fiets vast tegen het bord waarop de wandelroutes uitgestippeld waren en verdween in de richting waarin er volgens de kaart niets lag. Het modderige pad hadden we vorige zomer zo vaak gevolgd, met Benno, op weg naar ons strandje waar we in het water doken en onze zwembroek als een vlag boven ons hoofd uitzwaaiden. Ik ging op de oever zitten, trok mijn schoenen en sokken uit en waadde door het doorzichtige water.  Ik beeldde me in hoe Benno hier had gewandeld, in het donker, met het gevaarte achter zich aan. Ik zag weer voor me hoe hij onder mijn raam had gestaan nadat hij me met kiezels had gewekt, wijzend naar de duikboot gemaakt van een houten vat, een autoruit en een tuinslang, hoe hij hijgend fluisterde dat ik moest meekomen, hoe ik uit angst mijn raam weer dichtschoof en me tussen de lakens wentelde.

Felix Sandon
9 1

Opgesloten ter dood

Opgesloten ter dood “Pak je korset! De koets staat al klaar.” riep moeder door heel de villa. “Ja moeder!” Terwijl ze mijn korset zo hard mogelijk aanspande, vertelde moeder: “Prins Alexander gaat vanavond ook aanwezig zijn op het bal. Zorg dat je straalt!” Ik knikte en pakte mijn sieraden. Terwijl ik ze aan deed, spelde moeder mijn haar op. “Klaar om te gaan!” zei ze vrolijk. Ik stapte in de koets, helemaal klaar voor een koninklijke avond en een elegante dans. Vader kon er niet bij zijn want hij was weg... voor zaken denk ik. Ach ja, ik red het wel in men eentje. De portier opende het deurtje en liet me uitstappen. “Kin omhoog” fluisterde moeder. Ik lachte triomfantelijk en ging naar binnen. Wel moeilijk op zo’n hoge hakken en zo’n strak korset. We bevonden ons nu in een grote, versierde danszaal. Er klonk sierlijke muziek. Moeder had haar vriendinnen al meteen gevonden. Ik? Ik stond daar dan, alleen. Maar dat was rap over want lord Gabriel van Artelsburg kwam naar me toe en vroeg om te dansen. Ik glimlachte en stapte met hem naar de dansvloer. “Je ziet er prachtig uit.” fluisterde hij. Ik probeerde te lachen maar hield niet echt van die opmerking omdat alle jongemannen dat altijd zeggen. Je moet altijd maar alsof doen als jonkvrouw. Niet veel later zag ik mijn vriendin komen, Margot. Ze zwaaide zo beleefd als ze kon en ik lachte – niet fake -  terug. Ik ging even naar haar toe. “Jij hebt je zo te zien al goed beziggehouden?” giechelde Margot en keek naar lord Gabriel die op me stond te wachten. Ja, te wachten! Ik keek even naar hem en ging dan weer terug naar Margot. “Ik wou dat we samen weg konden. Op witte paarden ofzo. Weg van deze wereld…” zuchtte ik. Plots hoorde ik een luide bonk. Mensen gilden en gingen achteruit. Ik hoorde er zelfs ééntje zeggen: “Nee! Mijn jurk!” De knecht die in de buurt was ging met haar weg om haar te troosten maar had volgens mij zelf niet eens door wat er gebeurde. Ik ook niet. “Zullen we gaan kijken?” vroeg ik geschrokken maar ook nieuwsgierig aan Margot. “Ik weet het niet hoor…” Maar ik was al vertrokken, de massa in. Margot bleef alleen achter totdat ze me hoorde gillen boven iedereen. Ze zocht me meteen en vond me spierwit en in shock. Toen durfde Margot niet te kijken naar wat er was gebeurd maar ze zag bloed op de grond liggen en wou zich echt wel even omdraaien. “What the…” Voor ze haar woorden kon uitspreken, viel ze flauw. Jeetje, wat een gedoe. Ik pakte haar en ging weer naar achteren. Ik zag iemand wegrennen met een rode mantel. Raar, die mantel heb ik al eerder gezien. Waarschijnlijk was deze persoon geshockt en voelde hij zich niet goed. Maar wat was dit nu? Iemand die vermoord is op een bal? Vele gedachten dwarrelden door mijn hoofd. Moeder kwam aanlopen en zei dat ze naar de koets ging en Margot wel meenam. “Ik kom mee want ik wil hier geen minuut langer blijven” zei ik bibberend. De volgende dag zat er – zoals altijd -  een krant onder de bloempot die bij onze voordeur staat. ‘Man … vermoordt … bal van hertog Charles … totale chaos…’ Ik hoefde al niet verder te lezen want ik was erbij. Hé? Dit is raar… dacht ik. Bij het artikel stond een foto van die ene persoon – die op een man lijkt - wegloopt. Bizar… Of zou hij er iets mee te maken hebben? Ik weet het niet meer. Misschien moet ik me er niet mee bemoeien… Of toch wel? Ik heb gewoon die mantel al eens gezien. Die is best uniek omdat het van stof is die van de andere kant van de wereld komt. Speciale stof. Ik denk dat mijn vader die ook heeft omdat hij al eens naar Australië is gegaan. Maar die had hij mee op zakenreis. Ik liet het artikel aan moeder zien die haar ogen neer sloeg. “Het was een kennis van me” zuchtte ze. Ik keek haar aan met puppyoogjes omdat ik wel wat medelijden had met haar maar ook zeker met de familie van die lord. Ik hoopte echt dat ze de dader gingen vinden maar een paar dagen later was er nog steeds geen nieuws. Het was tijd om me te gaan bemoeien. “Ik ga naar de stad” loog ik tegen moeder. Ik kreeg een duimpje als antwoord. Natuurlijk ging ik niet naar de stad. Ik moest de waarheid achterhalen. Ik ging vervolgens naar hertog Charles en vroeg wie er op de avond van de moord allemaal aanwezig was op het bal. Hij keek op en ging dan weer terug naar een paar belangrijke formulieren. “Oké, dan haal ik zelf de lijst wel.” Geschrokken keek hij op en zei hij dat hij zo terug was. Duidelijk dat ik niet naar de bibliotheek mocht, dacht ik. Hij kwam terug met de lijsten. “Succes” Grijnsde hij. Ook duidelijk dat hij dacht dat ik dit niet serieus nam. Ik wou net naar buiten lopen totdat ik zag dat de deur van de bibliotheek nog open stond. Ja, waarom niet? Ik sloop er naar binnen en bewonderde de grote ruimte. Ik ging langs de eeuwenoude boeken en ging via een krakerige trap naar beneden. Blijkbaar had iemand dat gehoord want ik hoorde voetstappen in deze richting. Ik verstopte me rap ergens in de kamer. Deze was iets kleiner dan de eerste. De voetstappen verstomden. Opgelucht keek ik de kamer nog eens rond. Huh? Wat was dat? Ik wou net een boek pakken van een rek en plots gaan er precies een soort deur open? Maar net toen dat ik de donkere ruimte wou betreden, hoorde ik veel luidere voetstappen. Zo snel als ik kon klom ik door een raampje en liep ik weg. Maar de lijst had ik per ongeluk nog laten liggen op het bureautje van de grote bibliotheek.  Shit! Ik moest terug om het te gaan halen en ik wou natuurlijk de verborgen ruimte betreden. Stiekem ging ik terug en klom ik door het raampje. Ik ging rap naar boven, pakte de lijst en ging weer terug naar de kleine ruimte. Eenmaal daar ging ik – met de lijst in men hand – de trapjes af. Wat is dat hier allemaal? Een oude, muffe en vochtige geur kwam ik onderweg tegen. Eindelijk, ik was beneden. Ik keek naar boven en zag hoe diep ik nu onder de grond zat. Er was ook nergens een raam te bespeuren. Raar. Ik snuffelde wat rond omdat het toch wel raar is dat je zo’n koude, suffe en donkere kamer in je huis hebt. Ik vond een paar aantekeningen en andere dingen. Tot mijn verbazing zag ik niets geheims totdat mijn oog viel op een doek. Er zat sowieso iets onder. Ik trok het doek eraf en vond een kluis. Een heel ouderwetse dus kon ik gewoon met een speld – die nog in mijn haren zaten om zogezegd naar de stad te gaan – de kluis openen. “Wat …” De rode mantel met bloedspetters lagen erin met nog wat testamenten. Meteen greep ik ze en las ik de testamenten één voor één. Daar zag ik wat handtekeningen van … mijn vader? Onbegrijpend las ik verder. Geschokt bleef ik kijken naar één zin: Deze opdracht wordt opgedragen aan John McKenzie. Ik keek nog verder. ‘Handtekening hier… absoluut niemand vertellen… geheim…’ Ik was in shock. Dus míjn vader heeft iemand vermoordt?? Ik kon het haast niet geloven! Plotseling hoorde ik een klap die van boven kwam. Rap ging ik kijken. Shit! De deur is dichtgevallen. Ik hoorde voetstappen die weggingen… Of… dichtgedaan! Ik wou naar de deur gaan om te proberen dat die nog open ging maar bedacht me dan dat het tientallen trappen zijn en ik toch best zeker weet dat ik ben opgesloten. Wie ging mij hier ooit vinden? Niemand, precies. Ik ben gedoemd… Ik moest hier weg en deze papieren moesten naar de sheriff en wel nu. Maar wat kon ik doen?   Net toen ik wou gaan roepen kreeg de deur weer beweging. Charles kwam binnen en al lachend zei hij: “zozo, jij hebt ons geheimpje dus gevonden…” Ik keek hem vies aan. “Je kunt me niets doen want ik ben de dochter van John McKenzie!” probeerde ik. “Oooh, dus jij bent Penelope.” Zei hertog Charles grijnzend. Ik keek hem nog viezer aan. “Rustig prinsesje, ik kan je inderdaad niets aandoen maar ik kan je natuurlijk ook niet zomaar laten gaan…” “Wat wil je dan hé?” “Jij… gaat niets maar dan ook niets zeggen tegen niemand. Anders is je moeder de volgende. Oh ja, die testamenten en de mantel die je had gevonden, die blijven natuurlijk ook hier.” Mompelde Charles. “Hoe weet jij dan wanneer ik iets heb gezegd?” protesteerde ik. “Ik heb hier en daar wel wat kennissen… de sheriff bijvoorbeeld” Ik huiverde. Ik kon echt nergens naartoe. Naar niemand. Maar ik liet me niet op mijn tenen trappen en antwoordde: “We zullen wel zien!” De hertog lachte wreed en pakte me bij de arm en zei: “Pas maar op, Penelope. Of je zult hier gauw terug zitten, voor altijd.” Ik verloste me uit zijn greep en deed een spurtje naar boven. Ik liep en liep zo hard ik kon het bos in, op weg naar huis. Eenmaal daar vroeg moeder: “Je bleef zolang weg? Veel gedaan in de stad?” “Jaja, veel gedaan.” Ik ging naar de woonkamer om alles even op een rijtje te zetten en vervolgens een plan te verzinnen. Want hierbij kon ik het echt niet laten. Ik kon er misschien niet mee naar de sheriff gaan maar… wel mee naar de pers! Maar ik moest wel een anonieme naam hebben en een soort van code taal. Ik had meteen al een idee. Blijkbaar is er ergens in de stad een geheim detective bureau waar ze in geval van nood, nu dus, communiceren met cijfers. Margot had dat ooit eens verteld dat de vader van de neef van haar broer daar werkt. Ze zei dat ik het tegen niemand mocht doorvertellen. Zelfs moeder weet het niet. Ik pakte een blad en een vulpen en begon sierlijke getallen te schrijven. “Ziezo, dit moet naar de drukker!” zei ik tegen mezelf. “Ben zo terug!” riep ik tegen moeder. “Naar waar ga je?” vroeg ze snel. “Gewoon naar Margot.” En weg was ik. Ik had natuurlijk ook al een anonieme ‘naam’ bedacht: 483928. Dat betekent in letters gewoon Penelope. Met een lang gewaad en een grote hoed op zei ik met mijn vrouwelijkste stem: “Zou u dit kunnen publiceren?” “Euhm… Er staan alleen maar cijfers op?” begon de redacteur. “Doe het nou gewoon.” zeurde ik. “Naam?” Ik keek naar het blad en zei: ”483928” De meneer keek op en deed zijn brilletje af. “Mevrouw… Voor wie houdt u mij?” Ik begon onrustig te worden want niemand had natuurlijk door dat dit over een moord ging. Plots kwam hertog Charles binnen. Shit! Wat doet die hier nu weer? Ik zei bedankt tegen de oude meneer en vertrok zo snel ik kon. Maar hij hield me tegen. “Wie we hier hebben… Wat is dat? Cijfers? Je denkt toch niet dat iemand dit gaat begrijpen?” zei hij spottend en hij lachte luid terwijl hij me streng aankeek. Ik had echt zin om in zijn gezicht te spuwen maar ik draaide me om en ging rap weg. Hij keek me achterna, bang dat ik het toch op de één of andere manier zou vertellen tegen iemand. Dat was ook het geval. Maar hij dacht sowieso dat hij me nog steeds in zijn macht had. Dat was niet het geval. De waarheid moest aan het licht komen. “Hoe was het bij Margot?” vroeg moeder. Ik mompelde wat met het verslag in men handen. “Wat is dat?” Ik keek naar moeder en dan weer terug naar het blad. “Niets hoor.” Dit moest echt gepubliceerd worden want het detective bureau heeft geen specifiek adres naar waar ik het kon sturen. Ik ga morgen terug, dacht ik luidop.  Zo gezegd, zo gedaan. Deze keer had de redacteur gewoon gedaan wat ik vroeg omdat ik zo serieus leek. Hij keek me raar aan en zei: “Voilà, het zal morgen in de krant verschijnen. Ik knikte vriendelijk en ging weer rap weg. Oké, dat was dat.  De volgende dag stond het inderdaad in de krant. Tevreden was ik. Hopen dat ze het zouden lezen. Van moeder moest ik boodschappen gaan halen, dus deed ik dat. Net toen dat ik de winkel wou uitgaan, verscheen Charles weer. Ik vloekte in mezelf. “Ik heb gehoord van een zeer betrouwbaar iemand dat jij een bericht voor dat ene detective bureau hebt gepubliceerd?” Ik bleef stokstijf staan want hoe kon hij dat nu weer weten?? “Je wilt vast weten van wie ik het heb? Dat krijg je nog te horen, maar nu moet je eerst mee met mij.” Ik slikte. “En wat als ik niet wil?” zei ik met een bibberende stem. “Je hebt geen keuze.” Vlak na die woorden pakte hij me stevig bij de arm en trok hij me subtiel in een kleine koets. Mijn mond was droog, ik kon niet schreeuwen. Er zat gewoon een verrader bij het detective bureau! Ik keek angstig door het raam van de koets. “Je vader.” zei hij droog “Wat?” zei ik onbegrijpelijk. Onverstoord ging hij verder: “Je vader zit bij het geheime detective bureau.” Ik sloeg een hand voor mijn mond. “Dus was dat mijn vader die in de krant stond met die rode mantel?” riep ik uit. Charles keek weg. “Geloof me of niet, je zult het toch niet meer tegen iemand kunnen zeggen. Nooit meer.” De hele rit bleven die woorden in mijn gedachten. Wat bedoelde hij daarmee? Eenmaal aan zijn grote huis zei hij: “Trouwens, met nooit meer bedoeld ik dat ik toestemming had gekregen van je vader om je op te sluiten. Voor altijd.” Ik keek hem met grote ogen aan en schreeuwde: “Dat kan niet! Zoiets zou hij nooit doen!” Ik was woedend, maar ook bang. Ik begon te lopen, dwars door het bos. Takken zwierden om me heen. Netels brandden in mijn handen en benen. Ik keek achter me. Hij was op zijn paard geklommen om me achterna te gaan. Zijn zwaard hing langs zijn lederen uniform. Ik struikelde over een dikke tak. Mijn jurk was vies en gescheurd. Mijn hakken deden het niet meer. Blootvoets ging ik op weg naar Margot. Ze moest dit weten. Maar dat was nog een eindje lopen… Niet veel later kwam ik uit op een weg waar er paarden rondliepen die een koets meesleurden. Daarin zat waarschijnlijk de hertogin met haar dochter op weg naar een evenement. Mijn ogen gingen alle kanten uit. Ik hoorde Charles achter me en begon terug te lopen. Op dat moment pakte hij me vast en zette hij me ruw op zijn paard. Ik stribbelde tegen maar tevergeefs. Ik was verloren. Mensen keken ons raar aan maar deden niets. In volle vaart zette hij koers naar zijn huis waar hij me vervolgens afzette. Voor ik weer kon gaan lopen pakte hij me vast en trok hij me naar binnen. Ik keek onrustig om me heen en begon te gillen. “Kop dicht!” snauwde Charles. “De waarheid moet aan het licht komen!” protesteerde ik. “Denk je nu echt dat iemand jou gaat geloven?” Ik keek hem vies aan. “Je kunt niet zomaar iemand vermoorden op je eigen bal!” Hij lachte gemeen en sleurde me mee de duistere kamer in. “Denk je nu echt dat ik iemand heb vermoord?” Ik deed een klein knikje naar links, dat betekent ja. “Ik zou mijn handen toch nooit vuil maken aan zoiets.” lachte hij wreed. Ik spuwde naar hem. Ik wou hier gewoon weg. Daar werd hij niet blij van. Hij gooide me op de grond en liet me achter. “Groetjes!” riep hij vals. Hij trok de deur dicht met een harde klap. Ik bonkte op de deur en riep het uit. Ik zakte naar beneden en begon te huilen. Hier kon ik nooit meer weg. Niemand ging me ooit hier vinden. Ik was opgesloten. Opgesloten ter dood.    

Loewieze
0 0