Lezen

Het boek van Wolfstee

Die dag fietsen Mare en ik pas veel later naar huis dan normaal.  De lucht voelt ook anders.  Alsof er iets staat te gebeuren.  Tegen dat we de brug aan de Nete willen oversteken is het al aan het schemeren. Het water ligt er stil bij.  De maan weerspiegelt op het oppervlak.  Plots zie ik iets, een klein lichtje. Bewegend boven het water. ‘Mare, kijk’ fluister ik. Ik wil me net naar haar omdraaien wanneer ik een zachte plof hoor, gevolgd door een vloek en dan een korte gil. Ik rem en gooi mijn fiets op de grond om te kijken wat er gebeurt is. Mare ligt languit op de grond, haar fiets bovenop haar. ‘Alles ok?’ Vraag ik haar voorzichtig. Een korte kreun is het antwoord. Ik neem de fiets van haar over en zie onmiddellijk het probleem.  Haar band is gescheurd. ‘Tanne …’ Mare brengt het er op fluistertoon uit. ‘Heb jij dat ook gezien?’ ‘Wat gezien?’ Vraag ik verbaasd. ‘Dat licht boven het water. Het zweefde boven de Nete. Plots vloog het mijn richting uit en een seconde later knapte mijn band. Het dringt tot me door dat ze hetzelfde lichtje bedoelt dan wat ik net ook zag.  Maar dat kan toch niets met haar band te maken hebben? Bedenkelijk knik ik ter bevestiging. We staren allebei naar de Nete, rechts van ons. ‘Kijk’ fluistert ze ‘daar heb je het weer.’  Het lichtje verplaatst zich nu richting de brug.  ‘Ik denk dat het wil dat we het volgen.’ Het geluid dat uit mijn keel komt klinkt erg schor. Alsof er een brok vastzit. Het kleine, magische, lichtje gaat nu richting het bos. ‘Maar, Tanne, het bos is donker en eng. Mama zegt altijd dat het gevaarlijk is in het bos wanneer het donker is. Dat mogen we echt niet doen.’  Ik zie de angst in haar ogen. Toch zegt alles binnen in me dat we het moeten volgen. ‘Kom’ ik neem haar hand vast ‘we gaan kijken!’ Ondanks de schrik die ze uitstraalt trek ik haar mee. De brug over, richting het bos. ‘Ik blijf bij je, er gaat ons heus niets gebeuren.’ Ik probeer mijn tweelingzus met een vastberaden gezicht aan te kijken. Om haar ervan te overtuigen dat ik zelf niet bang ben. Maar vanbinnen voel ik me net iets minder stoer. ‘En onze fietsen dan?’ Stamelt ze. ‘Die laten we hier wel liggen. Niemand komt hier als het donker is. We halen ze straks wel op.’ Zeg ik schouderophalend.  Terwijl we het bos inlopen schrik ik van iets dat rakelings voorbij me vliegt. Ik draai me om en zie een Havik op de grond zitten, tussen zijn poten zie ik nog net de staart van een rat bewegen. Ik voel Mare’s lichaam trillen maar toch besluit ik verder te wandelen. Het licht achterna. Wanneer het plots van het pad afwijkt twijfel ik toch even of we het wel moeten blijven volgen. De nieuwsgierigheid wint het van de angst en ik loop er achteraan.  Met een bevende Mare naast me. Zo diep zijn we nog nooit de bossen in gelopen. Zelfs niet op klaarlichte dag. Voor ons zie ik een klein houten huis, het lijkt uit het niets te verschijnen. Het ziet er erg oud uit. Met houten muren en een rieten dak. Ik zie één raam en een zware houten deur. Ondanks dat ik geen licht zie branden moet er wel iemand binnen zijn, want door de schoorsteen dwarrelt rook naar buiten. Het lichtje is vlak voor de deur gestopt. Mare grijpt mijn arm nog steviger vast. ‘Tanne’ haar stem is bijna geluidloos, ‘je gaat toch niet naar binnen gaan? Wie weet wie daar woont. Alleen een gek woont zo diep in het bos.’  Ik moet een glimlach onderdrukken voor haar woordkeuze, maar eigenlijk heeft ze wel een beetje gelijk, toch voel ik dat het moet. ‘Sorry zus, ik voel dat we dat toch moeten doen. Iets of iemand wacht op ons.’ Mijn stem klinkt vastberadener dan ik me voel. Terwijl ik de deur open duw zie ik het lichtje doven.  Binnen schijnt een lichte gloed. Hij is afkomstig van de open haard die zachtjes brand. Verder kan ik niets ontwaren. Ik zie niemand in de kamer dus doe ik een stap naar voren om beter te kunnen rondkijken. Mare volgt met op de voet. Achter haar valt de deur met een klap toe, waardoor ze een klein sprongetje maakt en tegen me opbotst.  Dan hoor ik een warme stem uit de hoek van de kamer komen ‘Welkom’. Het geluid vult de hele ruimte. De warmte ervan dringt door in mijn hele lichaam. Ik kijk opzij, naar Mare die naast me is komen staan. Ze staart me aan. In haar ogen zie ik een gloed waardoor ik weet dat ze het ook gevoeld heeft.  In mijn ooghoek zie ik uit het donker een kleine vrouw naar voren stappen. Ze draagt een lange jurk en haar grijze haar zit in een losse knot. En in het haar zie ik een kleine bril, met ronde glazen zitten. ‘Welkom Tanne, Welkom Mare’  ‘Hoe weet u onze namen?’ Stamel ik een beetje verbaasd.  ‘Ik weet veel Tanne’ antwoord ze met een warme stem. Dan stelt ze zichzelf voor. ‘Ik ben Josyne. En ik ben blij dat ik het bij het rechte eind had. Jullie zijn degene die ik zoek.’ ‘Degene die u zoekt?’ Het is alsof Mare uit haar angstige trance ontwaakt.  Haar stem is plots heel fel, en ik zie in haar ogen de nieuwsgierigheid opborrelen.  ‘Ja Mare, en het feit dat jullie hier staan, bewijst dat.’ ‘Heeft u ons dan naar hier gelokt?’ Nu ben ik het die op felle, verbaasde toon reageer. ‘Had dat lichtje er iets mee te maken?’ ‘Dat is inderdaad wat ik heb gedaan. Maar alleen doordat jullie de gave hebben konden jullie het lichtje zien.’ ‘Wat voor gave?’ Mare barst nu helemaal van de nieuwsgierigheid en kan zichzelf amper nog bedwingen. Ik merk aan haar houding dat ze nu het hele verhaal wil weten, alle angst lijkt verdwenen te zijn. ‘De gave die nodig is om mij op te volgen.’ De stem van Josyne klinkt nog steeds zacht en warm, maar ook erg uitgeput. Ik bekijk haar een beetje beter, het lijkt alsof ze in de laatste minuten ineens twintig jaar ouder is geworden. Plots ziet ze er heel oud uit. Haar schouders zijn gaan hangen, haar gezicht staat vol rimpels en haar grijze haar is spierwit geworden. Ze staat helemaal voorover gebogen en ik zie dat ze niet meer recht kan blijven staan. Snel neem ik de stoel die ik achter haar had zien staan en schuif hem dichterbij. Met een licht geforceerde duw dwing ik haar om even te gaan zitten. Met een plof laat ze zich vallen. ‘Dank je’ zucht ze vermoeid. ‘Het lijkt erop dat jullie net op tijd zijn. Ik heb alle kracht die ik nog in me had opgespaard tot ik jullie zou vinden.’  Ze draait zich om richting de hoek van de kamer en wijst ergens naar. ‘Neem dat boek eens.’ Ik loop in de richting naar waar ze wijst en zie een héél oud boek liggen. Er staan tekens op die ik niet kan lezen. Wanneer ik het wil vastnemen ontstaan er een soort gloed omheen. Het boek lijkt wel licht te geven. Snel trek ik mijn hand terug en kijk Josyne verbaasd aan. ‘Niet bang zijn.’ Hoor ik haar zwak zeggen ‘ dat is normaal, dat wil zeggen dat het boek nu bij jullie hoort. Het wordt jullie binnenkort allemaal wel duidelijk.’ Terwijl ze dat zegt sterft haar stem weg.  Toch een beetje angstig neem ik het boek op, ik wil me niet verbranden. Onmiddellijk voel ik de warmte door mijn lichaam stromen. Het is dezelfde warmte die ik daarstraks ook al leek te voelen. Ik loop er mee naar Mare, met een schittering in haar ogen kijkt ze me aan, alsof het de grootste schat is die ze zich kon wensen. ‘Mag ik het vasthouden?’ Fluistert ze. Snel geef ik het boek aan haar aan en draai me dan om naar Josyne voor meer uitleg.  Haar ogen vallen bijna toe van vermoeidheid. Mare ziet het ook en met het boek in haar handen geklemd stoot ze me aan. ‘Zullen we morgen terugkomen? Ze is doodop. Zolang ze geen fut heeft gaat ze ons toch niets meer vertellen.’ ‘Wat doen we met het boek?’ Fluister ik. ‘Meenemen’ ze zegt het zo kordaat dat ik er van schrik. ‘Ik voel gewoon dat het moet. Het boek wil het zo.’ Antwoord ze wanneer ze me bedenkelijk haar kant ziet opkijken. Een boek kan niets willen, wil ik nog antwoorden maar hou me snel in, want uiteindelijk voelde ik ook dingen die niet normaal zijn. Door mijn gevoel zijn we hier in het huis. Ik kijk nog even naar Josyne die in een diepe slaap lijkt te verkeren dus geef ik Mare gelijk en vertrekken we zo stil als we kunnen. Ik trek zachtjes de deur achter me toe en begin in het bos te turen naar de weg terug. ‘Ik heb geen enkel idee van waar we gekomen zijn’ zucht ik diep. Het bos strekt zich helemaal uit richting Vorselaar en Herentals. Ik zou niet weten welke kant ik op moet naar huis. Mare ziet mijn vertwijfelde blik en laat een diepe zucht ontsnappen. En dan roept ze plots enthousiast ‘Daar’ en wijst richting het bos. Ik volg haar hand en dan zie ik het ook, een klein lichtje tussen de bomen.’ Zou het ons de weg uit het bos wijzen?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet, maar laten we het gewoon volgen. Zelf vinden we de weg toch niet terug. En als Josyne het lichtje gebruikte om ons hierheen te lokken dan gok ik dat ze er ook voor zal zorgen dat we terug naar huis raken.’  Het lichtje loodst ons tussen de bomen door, tot we terug op het pad zijn. Nog geen tien minuten later staan we opnieuw naast onze fietsen. Aan de rand van het bos. Het lichtje is verdwenen maar het boek dat Mare dicht tegen zich aandrukt is het bewijs dat dit geen droom was.

S.J. Elisa
0 0

Verzamelde gevallen

  Nu er zo veel doden zijn. Onder de strijders. Onder de voorruitvliegen. Ook onder de zoden en onder de bomen liggen noten stil te drogen. Het komt door die vlammenzee. Door die golven. Door die wolven. Water en vuur. Alles en iedereen. Het komt terug. Christus als een brandweerman. De oerknal wordt een vuurwerkfeest.. Vrees niet. Vecht voort. Loop over dit koord. Vermijd de val. Wacht er iets gespannen op geluk en beterschap? Verzamelde gevallen. Getallen die zich niet gewonnen geven. Het lot. Onvermijdelijke zonsopgang en lottoballetjes. Ze stuiteren verblind. En dit alles. Terwijl hij daar zit. Het is een kikker met een roze parasol. Twijfel op een zwembadrand. Larven of toch maar die zeer magere muggen. Straks. Dan komt die bange vlucht. Wees jezelf. Wees geduldig. Weet alvast dat vele satellieten observeren. In het rapport aan de systemen staat de boel beschreven. Echt. Er zijn geen zwarte vlekken meer en vlinders van de onschuld wachten zelden op de eerste sneeuw. Leef nu. Word blij. Kruip niet diep. Volg de mol niet langer. Staar niet in de blik van regenwormen  Gelukkig wordt het alziend oog nu dichtgeknepen. Tranen worden schoon bewaard. Tot die rooklucht is verdreven. De einder plooit gerust. Het ochtendgloren en het licht. Zij keren altijd weder. Die strijders evenzeer en achter deze heuvelrug broedt er een phoenix op een koppig ei. Het geel. Het groen. Het beukenland. De kikvors op een modderpad. Het komt terug. Gelijk een hik die zich herhaalt omdat het kriebelt in de keel van elke toekomst. En. Er was eens. Dit sprookje. Die veel te korte zonsverduistering. De brandweerman. Hij wrijft zich in de stoppels, in die milde baard. Ja. Het gaat weer zo verduiveld snel. Van levend naar de dood. Van geboorte tot opnieuw kreupele hoop. Er was eens. Een voorruitvliegje. Die snelweg door de vlammenzee. Een noodopvang voor wandelende takken. Er was die kans om te verdwalen in dat bos met wolven die het huilen zouden leren van de maan. Zij joegen niet meer op dat mensenkind met dolle sproeten. Het mochten daar drijven in die rubberband. Straks begint die barbecue. Proef die kikkerbillen. Koteletten van een edel schaap. Schelpen zijn er vol met parels voor een vrouwenhals. Schenk maar in. Tot slot. Twee vingers schuim. Ja goed. Een Mort Dubite. Nu die rooklucht is verdwenen.     uit de reeks 'Waanhoop'      

Bernd Vanderbilt
1 0

De geur van een Palaroid

Cadzand is altijd een goed idee. Als ik het gevoel heb dat de wereld precies een spelletje speelt waarvan iedereen de regels kent, behalve ik. Als ik weer dat kind ben dat op de speelplaats net iets te laat vraagt of het nog mag meedoen. Of wanneer alles zo hard begint te roepen dat ik mezelf niet meer goed hoor. Dan rij ik naar Cadzand. Daar kunt ge ademen. Echt ademen. Er zijn polders, fietspaden, duinen en van die houten palen op het strand die daar al decennialang staan. Wind? Prima. Storm? Ook goed. Hoogwater? Kom maar op. Ze lijken zich nergens druk om te maken. Alsof ze willen zeggen: Rustig maar, meisje. De zee heeft al erger gezien. Daarom hou ik zo van Cadzand. Maar er is meer. Tussen die duinen en die polders ligt een heel album vol Polaroids van mijn kindertijd. Van die foto's met afgeronde witte randjes, waarvan de kleuren stilaan zijn vervaagd. Waarop ik rondloop met een blond vlaskopje, een sponsen shortje, een Mickey Mouse T-shirt en knieën die nooit helemaal genezen zijn. Foto's waarop de zon altijd schijnt, vakanties eindeloos duren en niemand ooit op de klok kijkt. Op camping De Hoogte. In een stacaravan. Bij bomma en bompa. Daar hoefde ge nooit te vragen of ge mocht meedoen. Ge pakte uw fiets en tegen dat ge aan het einde van de camping waart, waart ge alweer iemand tegengekomen. We reden urenlang rondjes zonder bestemming, gewoon omdat het kon. Tegen de avond verzamelde iedereen zich aan de petanquebaan. De volwassenen gooiden met bloedernstige gezichten metalen ballen naar een klein houten balletje. En wij stonden erachter alsof België elk moment olympisch goud kon winnen. Ge had niet veel nodig in de jaren tachtig. Als het donker werd, doken we ergens een caravan binnen om Super Mario Bros te spelen. Of te kijken hoe iemand anders speelde. Dat weet ik eigenlijk niet meer.  Dat was vakantie. Maar van al die Polaroids is er één die altijd scherper is gebleven dan de rest. Die van de ochtenden. Elke ochtend stond bompa als eerste op. Hij bakte spek. Nog voor mijn ogen goed open waren, kroop die geur al door de caravan. Een mengeling van een beslapen hoofdkussen, warme caravan, koffie en spek dat lag te sissen in een pan waarvan geen enkele cardioloog vandaag nog de inhoud zou goedkeuren. Mijn zus en ik kwamen dan in ons zomerslaapkleedje aangeschuifeld. Bompa keek naar de pan. Dan naar ons. Wij naar de pan. Hij schoof de pan een beetje dichterbij en zei samenzweerderig: "Dopt er maar eens in." Alsof hij ons zojuist had ingewijd in een geheim genootschap. Wij pakten onze boterham en dopten die schaamteloos in het warme spekvet. Bompa keek goedkeurend toe. In de jaren tachtig bestond cholesterol volgens mij gewoon nog niet. Vandaag is Cadzand veranderd. Veel zelfs. Er zijn prachtige appartementen gekomen. Mooie restaurants. Strandpaviljoens waar ge dingen kunt bestellen waarvan mijn bompa waarschijnlijk eerst drie keer zou gevraagd hebben wat het precies was en daarna toch gewoon een koffie zou genomen hebben. Wanneer ik daar ben, stop ik nog altijd aan camping De Hoogte. Ik parkeer mijn auto en loop een beetje verlegen de camping op. Alsof iemand elk moment kan vragen wat ik daar eigenlijk kom doen. En eerlijk? Ik zou het antwoord niet goed weten. Even kijken. Even ruiken. Want het vreemde is: het ruikt daar nog altijd naar vroeger. De beits van de grote schuur wanneer ge binnenkomt. Het rubber van de banden aan de speeltuin. De caravans die warm worden in de zon. Gras. Polder. Een beetje zee. En ergens tussen al die geuren.. het spek van bompa. Geuren zijn vreemde dingen. Ze trekken zich niets aan van tijd. Ze sleuren u zonder waarschuwing veertig jaar terug. Plots zijt ge geen vrouw meer die met een hoofd vol zorgen naar Cadzand is gereden. Ge zijt weer dat meisje met een blond vlaskopje, een sponsen shortje en een Mickey Mouse T-shirt. En ge zit met een stuk brood in uw hand te wachten tot bompa heel even glimlacht en de pan naar u toe schuift om te doppen. Bompa zei eigenlijk nooit dat hij ons graag zag. Dat deden mannen van zijn generatie niet. Die bakten spek. Die repareerden uw fiets. Die wachtten tot iedereen aan tafel zat. Die legden zonder iets te zeggen het beste stukje op uw bord. En die keken. Met zo'n blik waarvan ge als kind nog niet wist dat ge hem later uw hele leven zou proberen terug te vinden. Misschien rij ik daarom nog altijd naar Cadzand. Niet voor de zee,  maar omdat daar nog altijd een klein stukje wereld bestaat waar ze niet zeggen dat ze u graag zien. Ze bakken spek en ze schuiven de pan een beetje dichterbij.

Katrien Daniels
46 4