Lezen

De bereidheid om los te laten

‘Wees bereid om alles los te laten,’ luidde het advies van een veel oudere versie van mezelf toen ik haar vroeg wat ze mij vanuit al haar levenswijsheid kon meedelen. Het ego focust zich natuurlijk angstvallig op dat woord ‘loslaten’ en interpreteert dit als een boodschap van verlies en ellende. Maar andere aspecten van mijn eigenheid kijken voorbij dat angstkader. Het is al enkele jaren geleden dat ik mezelf in dit visioen ontmoette, en die zin heeft intussen al verschillende dimensies gekregen. Ik ken mezelf; als mij gevraagd wordt naar een advies of mededeling die een half leven lang en in diverse situaties houvast kan bieden, dan ga ik daar niet licht over. Dan kom ik gegarandeerd met een weldoordachte en doorvoelde uitspraak die diverse lagen van betekenis bevat. Een zin met meerdere deuren waarachter diepe tunnels liggen. En in elke levensfase ontdek ik een nieuwe deur en een nieuwe tunnel, of een nieuwe manier waarop ik deze zin kan interpreteren. Het is een korte zin; op het eerste gezicht lijkt er weinig ruimte voor dubbelzinnigheid of diversiteit in interpretatie. Maar het is een boodschap die iets heel kleins en beperkts grenzeloos groot kan maken. Ze trekt een volledig nieuwe wereld open waarin ik wil vertrouwen, een wereld die ik anders misschien angstvallig zou proberen te weren. Het advies lijkt me het energieverlies van gehechtheid en weerstand te willen besparen. Wees nu al maar bereid, want tot loslaten komt het sowieso. Nu zit ik in de levensfase waarin ik die bereidheid aan het ontwikkelen ben. Ik ben aan het onderzoeken en ervaren op welke manieren ik die bereidheid kan belichamen. En zoals altijd zit de volledigheid van het leven harmonisch verdeeld in zowel de grote als de kleine dingen. Want ‘alles loslaten’ klinkt nogal fatalistisch, althans voor het ego. Maar dat loslaten hoeft niet zo groots, verscheurend en beperkend te zijn. Het kan juist heel bevrijdend, verlichtend en verhelderend zijn, beginnend bij kleine dingen zoals het loslaten van ongezonde gewoontes. Het op zelfbehoud gefundeerde ego leest in die zin zijn ondergang. Het verlies van comfort, huisvesting, privacy en het persoonlijke leven zelf. En misschien komt het ooit wel daartoe, maar momenteel zit de bereidheid om los te laten vooral in symbolische daden, zoals het durven stellen van grenzen terwijl ik de angst voor afwijzing loslaat. Het gaat niet alleen om de bereidheid om te sterven, maar evenzeer om de bereidheid om te leven. Ook om voluit te kunnen leven dient er te worden losgelaten. Ik draag een voornemen met me mee dat stelt dat ik bereid ben om comfort en ‘zekerheid’ los te laten voor mijn waarheid. Tijdens de coronaperiode werd dat voornemen, die levensinstelling, vastgezet in mijn systeem. Achteraf gezien diende er geen al te hoge prijs betaald te worden voor het voet bij stuk houden. Niet uit eten kunnen gaan of niet mogen reizen waren voor mij totaal geen offers. Maar ergens verwacht ik dat er in de toekomst grotere offers gebracht zullen moeten worden als men de eigen waarheid en integriteit in ere wil houden. Corona was slechts een test, een simulatie in de vooravond van een veel grotere omwenteling. Intern ben ik mezelf al een tijdje aan het voorbereiden op oorlog en vluchtscenario’s. In de juiste kringen deel ik wel eens mijn bereidheid om alles los te laten. Wat voor mij innerlijk resoneert, zal niet omgekocht of opgeofferd worden, neem ik me met enige vurigheid voor. Maar lieve schat, sprak ik mezelf deze namiddag toe, zelfs nu alle comfort nog aanwezig is en er zich geen directe dreiging voordoet, zelfs nu offer je je waarheid nog op uit angst om anderen op de tenen te trappen. En verdomme, het is waar! Het gebeurt nog dat, als mensen vragen om mij te zien en ik daar helemaal geen nood aan heb, ik toch een toegeving doe. Ik verantwoord het dan voor mezelf door te zeggen: ‘Ja, maar het is maar voor even.’ Of: ‘Ik moet niet zo moeilijk doen, wat flexibeler zijn.’ Maar dit is wel degelijk het oefenveld alvorens de grotere vraagstukken eraan komen. Mijn bereidheid om alles op te geven kan ik hier en nu al oefenen en laten groeien, simpelweg door ‘nee’ te zeggen in elke situatie, groot of klein, waarin ik een ‘nee’ voel. Terwijl ik zat te wachten op het grote, zag ik de grootsheid van de kleine oefeningen over het hoofd. En dat het ‘kleine’ echt niet zo klein is als het lijkt, daar herinnert mijn lichaam mij geregeld aan. Nee, mijn lichaam overdrijft nooit; het is mijn denkende geest die minimaliseert. Soms word ik ziek om iets schijnbaar ‘kleins’, om dan te beseffen dat de intense fysieke reactie mij toont dat het euvel dieper geworteld zit dan aanvankelijk lijkt. Dat als ik hier, in deze ‘kleine’ situatie, doorheen mijn angst toch ‘nee’ durf te zeggen en voet bij stuk houd, ik daarmee symbolisch en energetisch iets veel groters losmaak. En ik voel enthousiasme om mijn inzichten te belichamen en uit te oefenen. Maar het is natuurlijk ook een beetje eng. Het vraagt moed om door oude beschermingsmechanismen heen te prikken. Ik hecht veel waarde aan de persoonlijke wijsheden die zich openbaren. De zelftwijfel krijgt lang niet alles meer van tafel geveegd; er blijft nu een blauwdruk van mijn waarheid liggen. En ik eer die. Mijn werktafel is ook een altaar geworden.  

KarolienDeman
0 0
Tip

Ik beken: ik heb een man

Ik moet iets bekennen. Ik heb een man. Zo. Het is eruit. Niet dat de politie mij zocht of dat er een persconferentie nodig was, maar toch. Ik heb een man. Een collega van mij keek mij deze week aan alsof ik net verteld had dat ik thuis een lama houd. "Maar Katrien," zei hij, "gij hebt geen man?" Hij klonk oprecht verbaasd. "Ge zijt mooi. Ge zijt slim. Ge zijt grappig. Ik versta dat niet." En toen hoorde ik mezelf antwoorden: "Maar ik héb een man." Het was vreemd. Alsof ik het voor de eerste keer luidop zei. Alsof ik mezelf betrapte. Ik heb een man. Niet: ik date iemand. Niet: er is iemand. Niet: ik ben iemand aan het leren kennen. Niet: het is ingewikkeld. Gewoon: ik heb een man. Dat klinkt volwassen. Dat klinkt alsof ik een gezamenlijke rekening heb, een vaste loodgieter en een mening over isolatiepremies. Dat klinkt als iemand die haar leven op orde heeft. Terwijl ik vorige week nog twintig minuten gezocht heb naar mijn bril terwijl die op mijn hoofd stond. Toch heb ik blijkbaar een man. Of een lief. Of een vriend. Of een partner. Al vind ik dat laatste een verschrikkelijk woord. Partner. Dat klinkt alsof wij samen een boekhoudkantoor hebben. Of een verzekeringsmakelaar zijn. "Mijn partner en ik." Dat zijn mensen die op zondag Nordic Walking doen. Wij discussiëren nog over wie het licht in de gang heeft laten branden. Lief vind ik dan weer iets voor mensen van zestien. Vriend wordt ingewikkeld zodra ge elkaar zonder kleren hebt gezien. En meneertje klinkt alsof ik hem op de rommelmarkt gekocht heb. Dus ik weet het eigenlijk niet. Ik weet alleen dat hij er is. En dat hij geweldig is. Zorgzaam. Grappig. Slim. Lief. Mooi. Een lot uit de tweedekansloterij. Een occasieke. Een onwaarschijnlijke herkansing van het leven. Zo eentje waarvan ge denkt: allee jong, was dat nog beschikbaar? Over hem heb ik geen klagen. Integendeel. Hij is een maatje waarmee ik oud wil worden. Echt oud. Met een rollator. Compressiekousen. Een pillendoos met vakjes voor elke dag van de week. En een verpleegster van het Wit-Gele Kruis die ons allebei tegelijk komt zeggen dat we meer water moeten drinken. Dat soort oud. En toch merk ik dat ik het moeilijk vind om te zeggen: dat is hem nu. Dat is mijn man. Niet omdat ik twijfel aan hem. Maar omdat ik blijkbaar nog altijd een beetje twijfel aan het geluk. Aan het blijven. Aan het idee dat iets goeds ook gewoon goed mag zijn. Ik voel mij soms als iemand die op bezoek is en voor alle zekerheid haar jas aanhoudt. "Want ik blijf niet lang." Terwijl ik ondertussen al lang binnen ben. Ik weet waar de koekjes staan. Ik weet hoe de koffiemachine werkt. Ik weet welke films hij al tien keer gezien heeft en toch opnieuw wil bekijken. Ik weet hoe hij kijkt als hij moe is. Ik weet hoe hij lacht. Ik weet hoe hij zwijgt. Maar ergens staat die jas nog altijd klaar. Misschien is dat wat er gebeurt als ge al eens serieus zeer hebt gehad. Ge leert dat liefde niet vanzelfsprekend is. Dat mensen vertrekken. Dat verhalen eindigen. Dat ge soms heel uw hart inzet en toch verliest. En dan wordt ge voorzichtig. Niet aan de buitenkant. Daar ziet niemand iets van. Maar vanbinnen begint ge nooduitgangen te tellen. Zoals iemand in het Sportpaleis die eerst kijkt waar hij buiten kan voor hij van het concert geniet. Niet omdat hij weg wil. Maar omdat hij gerust wil zijn dat het kan. En misschien is dat uiteindelijk wat ik nog aan het leren ben. Niet hoe ge iemand graag ziet. Dat kan ik al. Maar hoe ge uw jas uitdoet. Hoe ge ophoudt met denken aan vertrekken. Hoe ge durft geloven dat ge niet zomaar op bezoek zijt in iemands leven. Ik beken: ik heb een man. En stilaan denk ik dat het tijd is om mijn jas uit te doen. 

Katrien Daniels
230 14