Lezen

Racisme

Dit is een bedenking bij de eerder gepubliceerde tekst van Hans Verhaegen onder de titel ‘Privileges’. Daarin schrijft de auteur eindelijk de moed gevonden te hebben om openlijk tegen ‘racisme’ in te gaan. Dat is lovenswaardig, zij het dat racisme niet tot een ras, kleur of afkomst te herleiden is. De Italiaans-Belgische zanger  Adamo, inmiddels multimiljonair, verklaarde op de Franse T.V. hoe hij als kind een haveloos bestaan leidde.  Zijn vader besloot destijds om de Zuiderse zon van Sicilië in te ruilen voor het zwart  van de Belgische koolmijnen. Het licht inruilen om in de duisternis te leven en er geen cent rijker van te worden, integendeel om zijn ganse gezin in armoede te dompelen  in een wildvreemd land. Hij was niet de enige om zulke keuzes te maken, die  levensbepalend en in vele gevallen nefast waren voor de volgde generaties. Na Italië volgden ‘gastarbeiders’ uit Spanje, Turkije en Marokko. Met Italianen en Spanjaarden kon het katholieke gastland goed overweg.  Met  Turken en Marokkanen werd het grimmiger, vanwege hun godsdienst en voor  Belgen rare manieren van leven. De koolmijnen zijn nu  gesloten, de meeste stoflonglijders zijn inmiddels overleden maar hun familieleden  en nakomelingen zijn gebleven. De meesten hebben zich goedschiks aangepast aan de wetten en gewoonten van het land waar hun voorouders als gasten werden onthaald.  Zij hebben  er een levensstandaard verworven die in vele gevallen hoger reikt dan die van de ‘inheemse’ bevolking. Maar dan zijn er de uitzonderingen, zij die geboren zijn om keet te schoppen en de gevestigde orde op alle mogelijke manieren te dwarsbomen.   Omdat men er van uitgaat dat zij de regel bevestigen worden door hun misdragingen  ganse  bevolkingsgroepen onterecht met de vinger gewezen . En dan stel ik mij de vraag: is op die wijze zijn gelijk willen halen in een land met open grenzen geen extreme vorm van racisme?  

Vic de Bourg
46 2
Tip

Weerstand tegen het lieve meisje

Natuurlijk is de weerstand die ik voel ten opzichte van de kassierster in mijn vaste supermarkt niets anders dan een projectie van een deel van mezelf waar ik afkerig tegenover sta. Aanschuivend aan de kassa sta ik haar soms gebiologeerd te observeren. Ik wens het arme kind uiteraard niets dan het beste toe, maar ik ben mij wel bewust van dit zurige gevoel. Iets in mij wil de energie die zij uitstraalt niet aanvaarden. Het is interessant om hier bij stil te staan, want ik wil graag in het reine zijn met elk aspect van mezelf. Weerstand tegen dingen maakt het leven moeilijk. Weerstand tegen een deel van mezelf zou zich wel eens kunnen uiten in een lichamelijke kwaal. Vandaar mijn motivatie voor deze persoonlijke psychoanalyse. Het meisje achter de kassa zou ik kunnen samenvatten als een seut. Ze blaakt van de goedheid, braafheid en betrouwbaarheid. Haar bewegingen, stem, blik, huid, haar en karakter zijn zijdezacht. Ze straalt niets pittig of verrassend uit en ze lijkt vlekkeloos op te lossen in haar omgeving. Toen ik eens vroeg of ik mijn zonnebril toevallig niet in de winkel was vergeten, deed ze zoveel moeite om hem te vinden dat ik spijt kreeg dat ik ernaar gevraagd had. De toon waarop ze naar mijn klantenkaartje vraagt, triggert iets tegendraads in mij. Het is een gevoel dat verzinkt in de achtergrond, het had mij zelfs gemakkelijk kunnen ontgaan. Ik weet echter dat er grootsheid in de kleine dingen schuilt.   Het is niets nieuws voor mij om te beseffen dat ik moeite heb om het zachte en gevoelige deel van mezelf volledig te aanvaarden. Enerzijds prijs ik mijn gevoeligheid de hemel in en weet ik hoe ik voordelen uit deze eigenschap kan halen. Maar anderzijds voelt het soms als een last. Zo vind ik het bijvoorbeeld vervelend van mezelf dat ik sociaal contact als vermoeiend ervaar. Ik weet ook heel goed hoe dat komt. Het vermijden of inperken van sociaal contact beschouw ik als een voorlopig antwoord op dit probleem. Ik baken grenzen af en bedenk regeltjes die ervoor zorgen dat ik mezelf niet teveel uitput als ik sociale interactie op mijn programma zet. Maar het liefst van al zou ik onverstoorbaar in mijn authentieke energie moeiteloos met anderen omgaan. Hoe heerlijk moet het wel niet zijn om me even vrij en ontspannen te kunnen voelen met anderen zoals ik me voel als ik alleen ben. Het is een belangrijk werkpunt waar ik actief aandacht aan besteed en het is wel degelijk al verbeterd in vergelijking met een paar jaar geleden. Toch ben ik nog niet waar/wie ik wil zijn. De sensitiviteit waar ik mee worstel, maakt me poreus ten opzichte van de energie van anderen. Het antwoord lijkt te liggen in afsluiten en harder worden. Minder gevoelig zijn. Ik vind mezelf soms te lief en ik walg daarvan. Het kassierstertje herinnert mij daaraan. Ik voel me dan ook aangetrokken tot mensen die een zeker je-m’en-foutisme uitstralen. Mensen die aan alles lak lijken te hebben en die laten uitschijnen dat niets hen raakt. Individuen die zonder enige schaamte hun uniciteit zegevieren. Dat vind ik inspirerend. Het lijkt me zalig om onverstoorbaar te zijn. Ik wil geen harde tante worden, maar zonder schuldgevoel een beetje meer lucht geven aan mijn inner bitch zou de dingen soms gemakkelijker kunnen maken. Eén van de belangrijkste levenslessen is dat niets is wat het lijkt. Het lijkt misschien logisch om de problematiek omtrent mijn gevoeligheid op te lossen door mezelf op één of andere manier te trainen in afsluiten en harder worden. Maar het tegendeel is waar. In plaats van mij af te keren van gevoeligheid, is het veel constructiever om er nog dieper in mee te gaan en deze eigenschap te exploreren en benutten. Dit lukt mij met vallen en opstaan. Het loont vaak de moeite om de dingen eens contra-intuïtief te benaderen. Om op de weerstand af te gaan. What you resist, persists. Wat je probeert te weren, trek je juist aan. Het is ook amusant om te constateren dat ik in alles dat hard lijkt het zachte zoek. Alsof ik via een omweg toch op hetzelfde punt uitkom. Als ik bijvoorbeeld iemand ontmoet die zelfzeker, sterk en onverstoorbaar overkomt, dan ga ik bijna automatisch op zoek naar zijn of haar gevoelige plekken. Het gevoelige vrouwelijke dat veilig huist in het stoere mannelijke vind ik ontzettend mooi. Een balans tussen beide is prachtig. Ik schommel soms tussen uitersten. Hypersensitief en tegelijkertijd gek op death metal en close combat. Ik heb lief met overgave, maar ben even passioneel in mijn woede en verdriet. Ik ben net zo donker als ik licht ben en ik hoef niet te kiezen. Ik wil het geheel omarmen. Alles draait om eigenliefde. Het is bepalend voor de levenskwaliteit. Ik oordeel over mezelf, met dezelfde blik waarmee ik naar het meisje achter de kassa kijk. Denkend dat ik meer in mijn mars heb dan waar ik momenteel mee bezig ben. Maar ik wil niet te streng zijn voor mezelf, anders gaat mijn innerlijk kind huilen. En dat is ook nefast voor de levensvreugde. Schipperend tussen nooit tevreden zijn en liefdevol aanvaarden probeer ik mezelf te scheppen.

KarolienDeman
278 5

over inbrekers

‘Wat was dat’? Elk herkenbaar geluid wordt onherkenbaar en onheilspellend als de avond valt. Mijn jongste dochter ligt in bed en we (daarmee bedoel ik mezelf) zijn klaar om goeienacht te zeggen. Dan hoort ze iets ritselen, bonken of knappen. Ze meent dat het een inbreker is. Ik begrijp haar angst, ik was vroeger ook bang voor inbrekers. Mijn moeder slaagde er altijd in me gerust te stellen met laconieke redeneringen: ‘Boeven zoeken geld of dure spullen. Wij hebben geen van beide in huis. Ze hebben dus geen reden om in te breken’. ‘En onze televisie dan?’, vervolgde ik. Waarop mijn moeder een beeld schetste van een boef met een beeldbuistelevisie op zijn rug. ‘En de computer dan?’ We hebben het hier niet over een hedendaagse, ultradunne, lichtgewicht laptop. Nee, het gaat om een gigantische computer uit de jaren ’90: een lompe desktopcomputer met klavier en muis. Opnieuw schetste mijn moeder een beeld van een boef met die computer op zijn rug, klavier in de ene hand en muis in de andere. Ik had nog vragen over een aantal andere huishoudtoestellen, zoals de wasmachine, droogkast en de ingebouwde vaatwasser. Mijn moeder bleef haar mantra over de – ondertussen overbelaste – rug van de inbreker herhalen. Daarna kon het licht uit en vroeg ik mijn moeder om mijn kamerdeur op een grote kier te laten. Mijn dochter laat zich ook niet met één argument geruststellen. Ze verschilt van mijn eigen jongere versie, want zij verzint volledige scenario’s. Probleem en oplossing in één. Zo houdt ze er rekening mee dat de boef in ons huis rondloopt, maar geen nood, dan verandert ze zichzelf in een elf of laat ze de boef bevriezen. Of verstenen. Of ze tovert zichzelf weg. Na het bespreken van tien afweermechanismen zijn we (daarmee bedoel ik mezelf) klaar om goeienacht te zeggen. Het valt me op met hoeveel vuur ze spreekt over het verslaan van de boef. Ze schept er groot genoegen in de inbreker in haar fantasie ten val te brengen. Het doet me denken aan het gevoel wanneer de slechte in de film eindelijk moet incasseren. Ik vind het knap dat ze haar angsten kan bedwingen met haar fantasie. Een irreële angst bestrijden met een irreële oplossing, er valt iets voor te zeggen. Ik ruilde doorheen de tijd mijn angst voor boeven in voor een aantal andere angsten. Sommige daarvan hebben bestaansrecht, omdat ze gekoppeld zijn aan de realiteit. Anderen zijn onnodig, angst voor problemen die nooit kunnen voorkomen. Dan raak ik verstrikt in mijn eigen fictie. Doe mij maar de methode van mijn dochter: een irreële angst bestrijden met je fantasie in plaats van je door fantasie in te laten met allerlei angsten.   Dochter: In mijn boek van Harry Potter gaat het over de Dementor. Die kan je datgene laten voelen waar je het meest bang voor bent. Moeder: Dat klinkt wel eng! Als ik klein was, bestonden er nog geen Harry Potter boeken. Ik las de boeken van Pietje Puk. Dat was een postbode en die zong altijd een liedje ‘Eén twee drie vier, Pietje Puk die heeft plezier. Vijf zes zeven acht, ’t is Pietje Puk die altijd lacht’. Dochter: En dat is niet eng, ofzo? Wat een freak, zeg.

Lore Dewulf
5 2

In gesprek met Philippe Besson.

Omdat Thomas nooit de kans gekregen had om te spreken, geeft de auteur hier de stem aan de man die uiteindelijk veel inspraak zal hebben in het verloop van zijn eigen leven. In een vertaling van Martine Woudt die elke gevoeligheid en elke nuance van het geschreven woord weet neer te leggen in een verhaal waar ogen, stemmen, handen en twee lichamen elkaar ook zonder woorden begrijpen, weet je als lezer waarom woorden soms zoveel tijd later hun plaats vinden. En dat is een geruststelling.  Ik had een warme babbel met de schrijver. ‘Lieg met mij’ inspireert, verlangt, vervoert en ontroert. Het boek siddert nog in elke vezel na. Het is authentiek en het is herkenbaar. Het doet glimlachen en het doet beven. Het is vooral een verhaal dat je moet lezen en koesteren. En rustig lezen.  U bent iemand die fictie schrijft en verhalen verzint. Met ‘Lieg met mij’ doet u helemaal het omgekeerde. U legt uw ziel bloot, u bent op iedere bladzijde, in iedere zin en elk geschreven woord bent u puur en oprecht dat het haast pijn doet. Waren er in uw vorige boeken al aanwijzingen voor dit verhaal? "Ik heb me lange tijd gedefinieerd als romanschrijver, iemand die verhalen en personages verzint, iemand die fictie schrijft. Ik ben schrijver geworden om andere levens dan het mijne te kunnen leven, om een ander iemand te worden. En toch, ook al schrijf je louter fictie, je kan niet vermijden dat je her en der je eigen intieme waarheden uitstrooit en af en toe brokken van je eigen leven in fictie verwerkt. Je kan niet schrijven door helemaal los te staan van wat of wie je bent, je kan niet los van je eigen leven schrijven, los van gevoelens die door je heen gaan. Dus ja, in sommige van mijn vorige romans vind je sporen van Thomas Andrieu, de jongen die ik ontmoet heb toen ik 17 was. Ik heb heel veel geschreven over verloren liefdes, over wat gemis met je doet omdat ik altijd aan hem dacht. Ik heb besloten om over hem te schrijven zonder de filter van fictie omdat ik een onverwachte ontmoeting had (Lucas in het boek). Die ontmoeting heeft me naar mijn verleden teruggebracht en deze ontmoeting heeft me gedwongen dit verleden in ogen te zien." © De Bezige BijVerliesHoe is de noodzaak gekomen om erover te schrijven, buiten de ontmoeting met Lucas? "Ik wou dat de lezer weet dat Thomas bestaan heeft. Ik wou dat zijn leven niet een verloren leven was. Ik wou dat deze grote afwezige aanwezig was; boeken hebben de kunst die aanwezigheid te creëren. Ik wou dat de lezer zijn pijnen die niet gehoord werden en verborgen gebleven, kende. Ik wou dat men weet dat stilte leidt tot de dood." Was u niet bang om dit verhaal te schrijven? U ging naar de donkere hoeken van uw geheugen, alles opnieuw moeten beleven; het is niet zomaar een verhaal schrijven, want dit verhaal is als het bloed in uw lichaam. Het is geuren herbeleven, aanrakingen, blikken, gevoelens, tekenen, twijfels… Het kan ook aangenaam geweest zijn dit allemaal mogen te herbeleven, de tijd van het schrijven, als een zoete herinnering. Hoe is het schrijven gegaan? Zijn er andere deuren opengegaan waarvan u dacht dat ze gesloten waren? "Ik heb me met heel mijn lijf op het verhaal gesmeten, zonder na te denken. Ik werd geleid door wat ik van binnenin voelde. Niet door de rede. De rede kan de vijand van je gevoelens zijn. Ik heb me moeten laten gaan, ik heb me moeten laten meeslepen. Ik moest mezelf erin verliezen. Terwijl ik schreef, heb ik tegelijkertijd vreugde en pijn gekend. Vreugde want ik herinnerde me ons geluk, ik herinnerde me enkele gelukkige jaren. Ik voelde ook pijn ook, want ik begreep dat deze jaren voorgoed verloren waren." IntiemHoe voelde u zich eenmaal het manuscript klaar was? "Ik was verrast dat ik gedurfd had tot op het einde te gaan. En ik voelde me ook trots omdat ik de dingen heb gezegd zoals ze gezegd moesten worden, zonder vernis en vooral zonder schroom. Ik voelde me trots omdat ik eer betoond had aan deze verdwenen man en die van mij de man en de schrijver heeft gemaakt die ik vandaag ben. Maar ik was ook bang. Ik heb me afgevraagd hoe dit boek ontvangen zou worden. Ik was niet bang dat men mij zou verwijten schaamteloos te zijn geweest (ik denk zelfs dat ik dat niet ben geweest). Ik vroeg me af hoe de mensen in dit zeer intiem verhaal zouden treden. Toen het boek is gepubliceerd, heb ik beseft dat wanneer je tot het meest intieme gaat, je de kans hebt om tot iets groots te gaan." Ik ben ervan overtuigd dat gevoelens boven de dwaasheid kunnen staan. Veel mensen hebben het u allicht al gezegd, wanneer u de woorden van Thomas schrijft “omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven” is zeer in de stijl van Marguerite Duras. U was toen heel verliefd, misschien was er iets dat u ontweek? Ik heb toen met mijn vriend over uw boek gesproken en over hoe verliefd u wel niet was. Mijn vriend is zeer down to earth. Wanneer een liefdesverhaal gedaan is, is het ook gedaan en is de bladzijde omgedraaid. U daarentegen lijkt een romanticus te zijn. "Wanneer Thomas me zegt: “Omdat jij weg zult gaan en wij zullen blijven”, stop ik mezelf niet weg. Ik begreep toen gewoonweg niet wat hij bedoelde. Je moet begrijpen dat ik me toen veilig voelde in de cocon van mijn jeugd, en ik jaagde niet bepaald wilde dromen achterna. Bovendien was ik bang van grootsteden. Ik ben altijd voorzichtig geweest met voorgevoelens: ze stroken zelden met de werkelijkheid. Maar wat zeker was, ik wou het einde van mijn verhaal met Thomas niet onder ogen zien. Ik wou die muur niet zien. Ik was verliefd, ik wou dat onze liefde verder ging, ik wist onbewust wat zich tegen ons keerde: wat de anderen gingen zeggen, het gewicht van tradities, de weerstand en de walging die mensen als wij opriepen bij andere mensen. Ik ben ervan overtuigd dat gevoelens boven de dwaasheid kunnen staan; maakt dat van mij een grote romanticus, dat zou ik niet weten." Heeft het schrijven van dit verhaal de manier waarop u nadien uw boeken schreef, veranderd? "Ja. Ik heb me ontdaan van veel dingen, ik heb me kunnen ontlasten, ik ga nu meer naar wat essentieel is. Ik zeg tegen mezelf dat ik geen tijd meer te verliezen heb."  © Eric Fougere-CorbisVerrassendU geeft verrassende wendingen aan sommige woorden, zoals bijvoorbeeld aan ‘liefde’. U schrijft dat er zoveel nuances zijn, u was geroerd, gecharmeerd, verward, verleid, bezeten, verblind, van slag. Terwijl u in één woord verliefd was. Het getuigt van een mooie liefdesverklaring. Op dat moment vraagt u zich af (of vraagt u het misschien rechtstreeks aan de lezer): “Ik heb me afgevraagd of dat verzonnen kon zijn. Je weet dat ik de hele tijd van alles verzon en dat zo geloofwaardig maakte dat iedereen me uiteindelijk geloofde (soms kon ik zelf niet eens meer zeggen wat waar was en wat niet). Later maakte ik daar mijn beroep van en werd ik romanschrijver. Had ik deze geschiedenis van a tot z uit mijn duim kunnen zuigen? Kon ik een erotische obsessie in liefde veranderen? Ja, dat is mogelijk”. Is er iets in het verhaal dat u verzonnen heeft? "Om dit boek te schrijven, heb ik beroep op mijn geheugen gedaan. Misschien was het een gefragmenteerd geheugen of een herschikt geheugen of misschien zelf een uitgevonden geheugen? Trouwens, u heeft waarschijnlijk gemerkt dat twee mensen die verliefd zijn bijna nooit hun gemeenschappelijk avontuur met dezelfde inhoud vertellen. Zou jouw vriend hetzelfde vertellen als jij? Mijn Thomas had kunnen zeggen: neen, zo is het niet gebeurd, of het is niet helemaal zo gebeurd. Maar ik wil je wel verzekeren: in dit boek is alles echt (of toch bijna)." Is het een puur autobiografisch schrijven, een roman, een verhaal of is het autofictie? Niet veel schrijvers hanteren de autofictionele stijl in hun schrijven. Men schrijft sneller over iets wat men meegemaakt heeft als een getuigenis van een gebeurtenis. "Ik kan dit boek niet echt in een hokje plaatsen. Ik weet wel wat het boek niet is: het is geen roman omdat de waarheid er een belangrijke plaats inneemt. Het is geen getuigenis omdat ik zorgvuldig met taal en woorden ben omgegaan in de manier waarop ik het geschreven heb. Het is geen roman want ik heb het verhaal niet verzonnen. Het is misschien gewoon een liefdesbrief. Mijn antwoord voor Thomas."  AfscheidU beschrijft het moment waarop u een foto van Thomas neemt. Wist u dat dit de laatste momenten waren?"Toen ik een foto van Thomas nam, wist ik niet dat het de enige foto zou zijn. Op dat moment dacht ik dat ons verhaal verder ging. Ik heb dat tot op de allerlaatste seconde geloofd. De foto op de Nederlandstalige uitgave vind ik prachtig. Ik hou van de melancholie en de sensualiteit die ervan uitgaat." Naar het einde toe, ben ik beginnen huilen. Dat overkomt me bijna nooit wanneer ik een roman lees, maar bij u spatten de tranen uit mijn ogen. Wanneer u afscheid neemt van Lucas en hem de hand schudt, schrijft u: “En als onze handen elkaar loslaten, strijken onze vingers langs elkaar”. Het is alsof u de vingers van Thomas voelt. "Wanneer Lucas me zijn hand reikte, wist ik dat ik onze geschiedenis mocht neerschrijven. En hij vroeg het ook. Ik was toen helemaal van slag." Bij het lezen van uw verhaal, ging er veel Franse muziek doorheen mijn hoofd. Ik dacht vooral aan ‘Amoureuse’ van Véronique Sanson. Hebt u bij dit boek een playlist, muziek die u inspireerde tijdens het schrijven? "Ik heb geluisterd naar ‘Puisque tu pars’ van Jean-Jacques Goldman. Ik hou van dat nummer en ook omdat het liedje verschrikkelijke en ook prachtige resonanties heeft met het verhaal dat ik aan het schrijven was." Hij heeft me geleerd hoe breekbaar het leven kan zijn, want hij is weggegaan. Lucas overhandigt u een brief van Thomas. Hoe heeft u zich gevoeld daarna? Hoe heeft deze brief, en uiteindelijk heel dit verhaal, uw leven beïnvloed, uw relaties, uw kijk op de wereld, uw schrijven, uw literair parcours? "Ik was toen 17 jaar en het essentiële uit mijn leven met Thomas is toen gebeurd. Ik ben vandaag de man geworden die ik vandaag ben. Hij heeft me de liefde geleerd en dat gaat gepaard met onbevangenheid, opwinding, geheimzinnigheid. Hij heeft me geleerd hoe breekbaar het leven kan zijn, want hij is weggegaan. Men komt nooit te boven iemand te hebben verlaten wanneer je nog niet gestopt hebt van elkaar te houden. Mijn boeken gaan alleen maar daar over. Over de pijn van afwezigheid." Heeft u aan Thomas “Ik hou van jou” gezegd? "Wanneer je 17 bent, zeg je niet “Ik hou van jou”. Wanneer je 17 bent, ben je niet serieus." U schrijft ook: “De aids die ons van onze zorgeloosheid zal beroven”. Ik ben in dezelfde jaren als u in Parijs activist geweest bij Aides en ik heb geflirt met Act Up. Hoe ziet u vandaag het activisme van jongeren in de strijd tegen aids, of misschien ook in andere strijden? "Aids heeft heel veel van mijn vrienden weggenomen. Heel veel. Ze zijn van mij ontrukt in hun mooiste jaren. Ze waren 20 jaar, ze hebben nooit de kans gekregen om oud te worden. Wanneer ik vandaag met hen wil spreken, ga ik naar hun graf. Ik leef met mijn doden. Dat is aids. Ik heb een grote bewondering voor activisten van toen die zich in de strijd tegen aids gooiden, net als jij ben ik activist geweest, ik vond het de meest nobele zaak om tegelijkertijd te vechten voor het leven en tegen zoveel obscurantisme. De strijd is niet meer omdat men zeer onterecht denkt dat aids het leven niet meer wegneemt." Het boek wordt verfilmd. Weet u daar al iets over? "De opnames beginnen in het voorjaar van 2021. Ik heb zelf niet deelgenomen aan het schrijven van het scenario. Olivier Peyon, de regisseur, beslist zelf wat hij wil laten zien. Ik ben ervan overtuigd dat de film geslaagd zal zijn maar hij zal nooit mijn eigen beelden, mijn eigen herinneringen kunnen vervangen. De blik van Thomas, de eerste dag, dat moment van erkenning, ik ben de enige die dat kent."

Erwin Abbeloos
42 0

Over het hoofddoekenverbod.

Studente Samia Bachiri vraagt zich in een opiniestuk VRT Nws af waarom zij haar hoofddoek moet afleggen als ze de schoolpoort binnenstapt. Ze stelt dat het hoofddoekenverbod – en niet de hoofddoek zelf – een vorm van onderdrukking is. Dat is niet helemaal waar. De vrije wil - of niet - om een hoofddoek te dragen hier terzijde gelaten, getuigt haar betoogt van een telkens weer terugkerende oneerlijke framing dat het debat weg draait van zijn historische essentie dat juist haar vrijheid om te studeren beschermt. De betoging van zondag 5 juli in Brussel, georganiseerd door HijabisFightBack, is daarom heel dubbel. In hun strijd naar vrijheid kan ik de dames – en de enkele heren aanwezig – geen ongelijk geven. Onze veelal Westerse maatschappijen hebben hard gestreden – en doen dat nog steeds – voor de vrijheden van iedere vrouw. Met vrouwen, voor vrouwen en door vrouwen. Ik zou zo nog meestappen als ik zou zien dat haar vrijheden door het toedoen van de mens in de maatschappij beknot zou worden. Helaas brengt deze betoging geen zoden aan de dijk. Op 3 november 1998 tijdens de lange discussies over het samenlevingscontract PACS in Frankrijk, haalt Christine Boutin, toen rechtsgezinde spilfiguur in het Franse parlement, de Bijbel naar boven om later op straat “les pédés au bûcher” te onderschrijven. De debatten rond de PACS waren de eerste timide stappen van de Franse regering om het samenleven van onder andere twee mensen van hetzelfde geslacht (met uitzondering van broers en zussen) een evenwaardig juridisch kader te geven als bv. mensen die een huwelijk aangaan. Op vraag van onder andere Aides en Act Up Paris werd dit debat gevoerd doordat onder andere seropositieve mannen en vrouwen als koppel gediscrimineerd werden. Het debat werd die dag meteen stilgelegd. Dit voorbeeld kan een antwoord zijn op Bachiri’s prangende vraag waarom zij haar hoofddoek – en bij uitbreiding elk religieus symbool – niet kan dragen. De hoofddoek is, net zoals elk ander attribuut dat verwijst naar een god, de religieuze uiting van een macht. Die macht heet religie. Wanneer je die macht in publieke instellingen toelaat, legitimeer je die macht om zich te manifesteren tegen vrouwen, tegen holebi’s, tegen ongelovigen en ga zo maar door. Tegen iedereen die zich niet aan die religieuze macht onderwerpt. Niet onze maatschappij anno 2020 belemmert Bachiri en alle andere gelovige vrouwen in hun godsdienstbeleving. Nergens in onze wetgeving van onze seculaire maatschappij waar zij ook deel van uitmaakt wordt het dragen van religieuze tekens verboden. Nergens in diezelfde wetgeving wordt hen de toegang tot het onderwijs geweigerd. De ironie wil dat het juist religie is die hen toegang tot studeren belemmert. In een maatschappij waar je wél religieuze symboliek in publieke instellingen toelaat, creëert na verloop van tijd diezelfde symboliek het gevaar om als vrouw geen beroep te kunnen doen op het Hooggerechtshof. Het is juist om vrouwen te beschermen dat justitie geblinddoekt afgebeeld wordt om zo religie geen kans te geven vrouwen van (officieel) onderwijs of hun fundamentele vrijheden te ontzeggen. De dag waarop religieuze symboliek ontladen zal zijn van de macht en de invloed die ze wil uitoefenen op de mens en de maatschappij, zie ik graag hoofddoeken op de schoolbanken. Waar het om gaat is de scheiding van religie en staat. En voor die scheiding zal ik altijd blijven strijden. Het kledingstuk wordt niet gepolitiseerd zoals het regelmatig beweerd wordt. Het kledingstuk heeft niet alleen zichzelf gepolitiseerd maar is ook gerecupereerd door de politieke macht. Want wat is macht? Macht is controle. Of stemmenronselarij om groter te worden. Laat nu juist het onderwijs een plek zijn waar controle door macht de grote afwezige moet zijn om jezelf als mens te kunnen ontplooien. De verzuiling is achter de rug en vandaag genieten we als vrije burger van vrij onderwijs. Dat valt niet samen met religieuze voorschriften. Niet op school, niet aan het loket. Het is een gemiste kans van deze studente om zich aan kritische analyse van het debat te onderwerpen. Moslima’s hebben het recht, net als protestanten en christenen, op onderwijs dat hun vrijheid garandeert. Daarvoor teken ik meteen. Tenslotte, als in 1998 de maatschappij Christine Boutin niet op de vingers had getikt, hadden vandaag de dag duizenden seropositieve mannen en vrouwen geen rechten, waren er geen wetten om homofobie en homohaat te bestraffen en kon ik vandaag als Erwin nooit trouwen met Sébastien.  

Erwin Abbeloos
30 0

Belofte maakt schuld

Mannen , allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Ook hij was zo. Onze allereerste ontmoeting was niet meer dan een snelle blik in een overvolle bus. Een korte blik, gevolgd door zijn betoverende glimlach. Ik keek naar mezelf en vroeg me af hoe het kwam dat ik die dag zo in de smaak viel bij mannen. Talloze keren werd ik nagefloten in de drukste straat van de stad. Was het mijn zwart stijl haar? Mijn rood gelakte nagels? Misschien was het wel mijn kleding. Of neen, mijn kledingstijl was in de meeste gevallen niet zo populair. Alternatief noemden ze het soms. Niet alleen mensen op school, ook familie leverde regelmatig commentaar. Maar ik was wie ik was en net daarom maakte het niet uit hoe ik was. Hij was verkocht en ik kon zijn hemelsblauwe ogen niet meer uit mijn gedachten krijgen. Zijn eindhalte kwam eerder dan de mijne, maar lang moest ik niet meer in de bus zitten. Ik concludeerde dat hij ook van mijn dorp afkomstig was. Hij liep naar het middenstuk van de bus om uit te stappen, de plaats waar ik ook stond. Zijn slimme zet van toen veranderde alles. Op dat moment liet hij een kaartje in mijn tas vallen – de gluiperd. Achteraf zou blijken dat er naast wat kleine krabbels ook een nummer op stond. En ik was zo dom om hem diezelfde dag nog te bellen, vol overtuigd van wederzijdse interesse. Wat er volgde was een relatief aangenaam gesprek. Gepraat, gelach, eigenlijk een perfect eerste contact. Maar meteen voelde ik dat hij veel sneller wou gaan dan ik. Zijn overtuigingskracht en charmes leidden ertoe dat ik de volgende avond aan de kerk in het dorp stond. Hij daagde op (niet dat ik het anders verwacht had) en kwam meteen naar me toe zonder een moment van aarzeling. Ik denk dat we nog geen drie zinnen tegen elkaar hadden gezegd, toen hij plotseling veel dichter kwam. Ik zette wat stappen achteruit, maar ver kon ik niet gaan. Weldra stond ik tegen de muur van de kerk. Hij stopte niet. Integendeel, hij bleef dichter komen tot op het punt dat onze lichamen elkaar raakten. Ik voelde zijn ene hand naar mijn keel grijpen, terwijl de andere via mijn buik tussen mijn benen belandde. Paniek. Ik probeerde los te komen. Aanvankelijk lukte dat niet, maar toen hem een krachtige slag met mijn onderarm gaf, verzwakte zijn greep. Ik slaagde erin te ontkomen en zette het op een lopen. Wonder boven wonder volgde hij me niet, maar ik liep door. Mijn mascara liep uit – net op die ene keer dat ik me mooi opgemaakt had – en mijn ogen waren rood betraand. Zo trok ik mijn conclusies. Mannen zijn allemaal hetzelfde. Veel beloven en alleen maar kwetsen. Hij beloofde me de hemel, maar in plaats daarvan liet hij me zelf niet achter op aarde, maar bracht me rechtstreeks naar de hel.

WoordenWeb
2 0

Elke dag

“Ik kom al van Kerkhoven”, zegt Fré terwijl hij zijn fiets parkeert. Zijn lichtgrijze, bijna witte haren komen onder zijn witte fietshelm uit. Het is een donderdag in juni en al behoorlijk warm.Hij moet bijna negentig zijn. Ik ken hem van mijn kinderjaren. Mijn ouders kochten er hun meubels. De kast van mijn oude slaapkamer heb ik pas een paar maanden geleden weggedaan. “Van Kerkhoven? Dat is een uur heen en terug”, zeg ik. “Met mijn elektrische fiets iets minder”, antwoordt hij. “Ik ben altijd vroeg wakker.” Het is mijn eerste gesprek van de dag. Mijn vrouw was al naar haar werk toen ik opstond.“Ge zijt weer te vroeg”, roept een man vanop het aanpalende terras. “Nee, gij zijt te vroeg”, antwoordt Fré iets minder luid. Roepen gaat hem niet zo goed af. Een andere man voegt zich bij ons. Kalend, maar met een snor. Zijn linkerhand steekt in zijn broekzak. Ik hoor hem zenuwachtig met kleingeld rammelen. “Daar is ze weer”, zegt hij plots. “Elke dag opnieuw.” We kijken naar een blauw autootje dat aan het plein stopt. Op de schoot van de bestuurster zit een hond, die wild met zijn staart kwispelt. Het zijn precies de ruitenwissers die op en neer gaan. Uitgelaten. Of toch bijna. We horen een sleutel in het slot omdraaien. Het is zeven uur. De winkel gaat open. De man heeft het kleingeld uit zijn broekzak gehaald en snelt naar binnen. “Gaat gij maar eerst”, zegt Fré tegen mij. “Gij moogt nog gaan werken.” Bij het buitenkomen hoor ik de mevrouw tegen haar hond praten. “Hij is braaf hè”, zegt ze alsof ze het tegen iemand anders over haar hondje heeft. Fré steekt ondertussen zijn krant weg. “Veel leesplezier”, zeg ik. “Merci. Al is het toch elke dag van hetzelfde”, lacht hij.

Rudi Lavreysen
45 1

De mug en de krant

Regen op vakantie is zoals een mug in de slaapkamer. Vreselijk ambetant en in beide gevallen komt een krant van pas. Om boven je hoofd te houden zodat je minder nat wordt of om de mug naar de eeuwige zoemvelden te helpen. Een tablet is hiervoor minder geschikt. Ooit geprobeerd, maar de buren waren niet blij. Net als mijn tablet. Let wel, bij regenbuien is mijn krant niet meteen een standaard beschermingsmiddel. Het is zonde voor het werk dat al die journalisten er dagelijks aan besteden voor het leesvoer van morgen. In het stadje waar we vertoeven motregent het. De vervelendste onder de buien. De naam is niet afgeleid van het willen geven van een ‘mot’, maar van ‘modder’. We zien een terrasje waar het aangenaam schuilen is, als zoiets al bestaat, en waar een bord met een Belgisch streekbier de gevel opvrolijkt. “Binnen bestellen”, staat op de menukaart. Het geeft ons de tijd om rustig na te denken. Het wordt een cappuccino, een groene thee en een warme appelcrumble. De streekspecialiteit staat er. Al heb ik dat op meerdere plaatsen gezien. Het streekbier is voor de tweede ronde. Mijn vrouw is te snel terug buiten om iets besteld te kunnen hebben. “Hier is geen café”, zegt ze. “Het is een antiekwinkeltje.” De gelagzaal is blijkbaar verder in de zaak. We hadden het bord met ‘brocanterie en taverne’ niet gezien. Als we binnen afrekenen is het internet uitgevallen. De uitbaatster kan een dialectvloek niet onderdrukken. Met de bankkaart betalen is geen optie. “Ik kijk of ik nog een paar dukaten in mijn geldbuidel heb”, knipoog ik. “Daar had je vroeger inderdaad geen last van”, lacht ze met een blik op haar antiekspullen. Bij het buitenkomen heeft de motregen er ook de brui aan gegeven. “Heb jij het ook zo warm?”, zeg ik.

Rudi Lavreysen
10 0