Lezen

Anti-Roman/Ster II

Anti-Roman   Ster II Deze tekst vangt aan als je je omdraait, naar je evenbeeld. Dit is pure kitsch, omdat je jezelf daar vindt, voorts beschreven in tijd, een soort concept dat tijdloos is. Puur weergaloos is de klank die daardoor achter kan blijven. Een echo die zich teleologisch tussen jou en dat evenbeeld bevindt. Tussen jou en de spiegel - met daarachter een vacuüm - is er een lineair gestel dat te vergelijken valt met sterrenstelsels, die ons overkoepelen, alleen omdat ze er gewéést zijn. In codes zou alles veel duidelijker zijn, maar toen momenten gepasseerd werden, wouden ze gelezen worden door de bewoners. Een laagje leem over iedere letter kan geen kwaad. Het doet ons ergens aan denken: een tabula rasa dat zich over lichamen uitstrekt, begint opnieuw en opnieuw, vandaar de term tabula rasa en het begrip van tijd, dat als omhulsel een zaadje in mijn handen (als een kom) legt. Zich neervlijt en naar binnen groeit, in mij, om te ontspringen als een louter onschuldige ingeving. Als alles gestuurd is, ben jij dat net ‘nu’ niet, waarna weer wel; als alles voorbestemd was, stelde ik mij voor dat dat niet zo was, om er bij stil te staan. Shit, it happened again, maar door het te laten voorbijgaan voorkom ik het. It does feel strange talking to you, rather then touching it, in this moment want ik voelde dezelfde geprikkelde ontsteking ontstaan, wanneer mijn voeten als eersten van zovelen in deze generatie de ondergrond aanraakten. In de handenkom, ga ik voorzichtig om met deze noties. Rondlopen als foetus had interessant geweest, als een soort voorbode van een visioen. Hoe dan ook had de idee van een voorbode zich dan stellig anders verhouden, tot het begrip, tijd, of het begrip foetus, wat voor-wezen betekent. Buiten de stellingen van een stad, gaat het verhaal verder, maar een andere kant op; vormt het andere patronen, mist het laagjes FOMO en ‘ervaring’ in het sociologische cynisme die ons zo’n soort maakt, die terug keert, en terug keert. Ik kan al dit aantonen met volgende stelling. Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat Ik vergeet wat er staat dat er staat dat ik vergeet wat er staat In de staat van een gelige stad die opkomt, elk seizoen op een ander tijdstip, laat je het na, dit opnieuw tegen te komen, dit moment - simpelweg omdat er iets in de weg staat, of zou kunnen staan. Simpelweg de mogelijkheid tot een gebeuren, een event, is voldoende om er een pre-trauma-ervaring mee te creëeren. Net zoals een foetus, wikkelt het zich in een zicht, een voor-bestaan dat geconfronteerd met je zicht, een herinnering wordt, en omgekeerd, zoals een deja-vu. Dus: als je ontwaakte, uit deze gesluimerde meditatie (want dat besef je misschien nog niet), kijk dan, en vindt je weg in de tijdloze tijdelijkheid van een observeren.Sterren komen op om onder te gaan en waken zo als nog enige allegorie in het heden (of beter: en heden dat blijft: het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu het is nu, het is nu, dat het er is)  en toch zijn ze er niet om je aan iets te herinneren. De andere opbouw van laagjes materie, die verschillen van onze chemie, die van jou en die van mij of die van jou en je tegenbeeld (en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en wat zich daarachter bevindt, en). Ik moet in herhaling vallen om zo zinnen te vormen, maar vormeloos te zijn. Ik wou dat ik kon zeggen: Ik moet in herhaling vallen om zo zinnen te vormen, maar vormeloos te blijven. Door een roman zonder personages (of het zou zijn: jij en ik, want er is een gesprek) in de format van een brief te schrijven, is er sprake van een nabootsing. In het Antropoceen doodde men de tijd, door al aanwezig te zijn. Of klinkt dit vreemd? Als een tegenstelling. Niet iedere tegenstelling is vreemd. En toch, wringt er iets, omdat er lagen worden opgebouwd, lagen voorgekauwd materiaal, dat ergens ligt te ontkiemen. Misschien niet in de ondergrond, maar in een handenkom, klaar om weer naar binnen te groeien, en zo de stroom tegen te gaan, terug te keren naar iets, iets wezenlijks met een instinct en zo te zorgen voor tijdloze tijdelijkheid. Om uiteindelijke uitgespuwd te worden door de samenleving, heb ik enkele stappen ondernomen, enkele bewuste ideeën van mijn ‘leventje’ voorbereid, als was het een influistering in de oorschelp van vrienden in een ander tijdperk, zoals Frankfurter schüle leden, in de vorige eeuw. Hun oorschelp lijkt verdacht veel op een zendmast die buitenaardse signalen kan opvangen, but then again is dat ook gewoon banale biologie. Mijn natte droom is om in dit centrum, maar noem het gerust iets buiten-stedelijks waarin wij wilden vertoeven (gezegd wanneer we er op terugblikken.), gebaseerd op de Frankfurtse school een andere instelling op te richten, dat zich vertakt na onze gesprekken.Je weet wel. Je maakt van je handen een kommetje, en spreekt met elkaar zoals wij deden. Daarna voltrekt zich de evolutie ervan; zoals beschreven. Ik wil tijd tegengaan zonder geweld. Ik wil terugkeren maar kan dit enkel vooruit.  Ik wilde onderwezen zijn, al weet ik nog steeds niet wat ik daarmee bedoelde in andere teksten, maar het heeft zeker geen direct verband met religie, zoals al het ‘andere’ dat wel heeft.   Mijn natte droom is om iets op te richten dat nu is; we zouden het de vegetatie streep doorheen de encyclopedische linguïstiek kunnen noemen, of de ster-gemeenschap, die tegen institutionele teleologie zich voortzet, zoals een ster zelf.

Dries Verhaegen
8 0

over betutteling

Ik zie ze nog spartelend en schreeuwend op de grond liggen, mijn jongste dochter wanneer ik haar wil helpen haar jas aan te trekken. Ze is twee jaar en wil haar jas vooral zelf aandoen. Geschreeuw om autonomie. Ze spartelt nog wat verder (deze keer om haar jas aan te krijgen), maar uiteindelijk lukt het haar. We kunnen vertrekken. Een aantal jaren later ben ik met mijn dochter op bezoek bij kennissen die net een baby kregen. Wanneer we weer naar huis willen vertrekken, haalt de man des huizes onze jassen uit de hal. Hij geeft de mijne aan en kijkt naar mijn dochter. Hij zegt op betuttelende toon tegen haar: ‘Ewel, gaan we je jasje aandoen? Ja?’ Hij staat breed glimlachend klaar om haar te helpen met haar jas. Ik zie haar fronsen en verstijven. Ze kijkt naar mij, haar blik is vragend. Ik zie dat ze probeert een inschatting te maken: is dit een grap of méént hij dit echt? Ik pluk de jas uit de handen van de nieuwgeboren vader en hoor mezelf mompelen: ‘Het is niet zo koud, ze hoeft geen jas aan.’ ‘Mama, waarom doet die meneer tegen mij alsof ik een baby ben?’. Ik leg uit dat hij haar wou helpen, maar dat zijn hulp eigenlijk niet nodig was. ‘Ik kan toch zélf mijn jas aandoen!’. Het jassenincident zet me aan het denken. Kinderen hebben vaak het verlangen om groter te zijn. Groter in gestalte, groter in gedrag en groter in leeftijd. Wanneer iemand kleineert, krijgen ze de indruk dat ze onbekwaam zijn. Weet je wat het is? Het is betutteling en ik kan daar niet goed mee om. Ik moet dit anders formuleren: ik ben allergisch voor betutteling. Weten jullie wat betutteling is, jongens en meisjes? Ja, weten jullie dat al? Betutteling is neerbuigend gedrag verpakt als hulpvaardigheid. Het is de capaciteiten van de ander lager inschatten. Ben je een jongen of een man, dan heb ik goed nieuws. Er komt een periode in je leven, de volwassenheid, waarin betutteling zo goed als onbestaande is. Helaas heb ik minder goed nieuws voor de meisjes en de vrouwen onder ons: er komt geen vrijwaring van betutteling in je volwassen leven. Ik geef een op youtube gedocumenteerd voorbeeld. Een vrouwelijke Labourafgevaardigde, Angela Eagle, kreeg in 2011 van toenmalig Brits Premier Cameron ‘calm down, dear’ te horen toen ze wou tussenkomen in zijn betoog. De premier snoert haar de mond op ongepaste wijze en krijgt er heel wat mannelijke lachers mee op zijn hand. Zijn toon, zijn lichaamstaal, zijn handgebaar: zijn hele interventie is betuttelend en paternalistisch. Akkoord: één voorbeeld is exemplarisch, maar vraag aan gelijk welke volwassen vrouw of zij een waargebeurd voorbeeld van betutteling kan geven en je overstijgt het exemplarische. Volwassen worden staat voor vrouwen niet gelijk aan het magische verdwijnen van betutteling. Het houdt zelfs daar niet op. Wanneer je een respectabele leeftijd bereikt, neemt de betutteling weer toe. Bejaarden, zowel mannen als vrouwen klagen betutteling aan: ze willen behandeld worden als volwaardige volwassenen, niet als onwetende wezens. ‘Gaan we een plasje doen?’, welke bij het volle verstand zijnde 80-jarige wil dit horen? Voorzichtigheid is trouwens altijd geboden wanneer mensen enkel jou aanspreken, maar daar de wij-vorm voor gebruiken. Dat is nooit een goed teken. Mijn dochter zweeg toen iemand haar wou helpen om haar jas aan te doen. Angela zweeg uiteindelijk toen Cameron naar haar uithaalde. Zelfs de bejaarden zwijgen. Ik zie weinig voordelen aan zwijgen. Aangezien betutteling in alle fasen van ons leven voorkomt, kunnen we maar beter nadenken over manieren om tegen die betutteling in te gaan. Kunnen we alvast afspreken dat zwijgen de minst geschikte strategie is? Ja? Flink zo!   Dochter: de dokter zei dat gebeten worden door een dier gevaarlijk kan zijn. Moeder: welke dieren? Dochter: de dieren op het land. De zoogdieren, zei hij. Hij vroeg of ik wist wat zoogdieren waren. Moeder: wat heb je geantwoord? Dochter: ik heb gevraagd of die regel van bijten ook geldt voor dolfijnen.

Lore Dewulf
33 0

over kalenderdogma's

Toen mijn oudste dochter geboren werd, kreeg ik het boek ‘Oei, ik groei’ cadeau. Dit boek stond toen bekend als een soort leidraad voor nieuwgeboren ouders. In het boek worden de verschillende fases in de ontwikkeling van een baby en peuter beschreven. Elke nieuwe ontwikkeling wordt uitgelegd en geïllustreerd met voorbeeldsituaties. Ook krijg je bij elke ontwikkelingssprong een lijst die het nieuw waarnemingsvermogen en het nieuw leervermogen karakteriseren. Zo lees je bijvoorbeeld bij 46 weken of bijna elf maanden: ‘kan een eenvoudige driedelige puzzel in elkaar zetten’, ‘maakt een la open en gebruikt die als opstap om op een kast te klimmen’ en ‘zegt nee, nee als hij iets niet wil doen’. Dat laatste zou ik echter niet vastpinnen op 11 maanden. Of mijn dochters kennen een geregelde terugval naar hun 11-maand-oude zelf of je kan dit kenmerk noteren bij gelijk welke leeftijd. Ik gok op het laatste. De verschijningsvorm verandert naarmate ze ouder worden, maar het basisprincipe blijft gelijk. Het gaat van ‘nee, nee’ (ik gooi mijzelf schreeuwend op de grond om mijn woorden kracht bij te zetten) naar ‘nee, want…’ (ik gooi de deur dicht, loop stampvoetend de trap op en zet mijn muziek loeihard). Wat ik deed met het ‘Oei, ik groei’ boek? Ik las de lijstjes per ontwikkelingsfase en vroeg me bij elk kenmerk af: ‘Kan ze dit al?’. Sommige kenmerken van de lijstjes gaven me zelfvertrouwen in mijn kunnen als moeder, anderen haalden net mijn zelfvertrouwen onderuit. Dergelijke lijstjes zouden een indicatief karakter moeten hebben, maar ze verworden vaak tot afvinklijstjes. Ouders gebruiken ze om voor- maar vooral achterstand op te sporen bij hun baby of peuter. Het oog van een nieuwgeboren ouder valt overigens niet op de kenmerken die afgevinkt kunnen worden (mijn ogen vielen negen op de tien keer gewoon dicht bij het lezen van de lijstjes, maar dat is een andere kwestie), die ogen haken zich vast aan de kenmerken waar geen vinkje bijstaat. Ouders hebben al snel de neiging om deze lijstjes als normerend te interpreteren. Ik noem dit de zotheid van het kalenderdogma. Het kalenderdogma schrijft voor wat een kind op een bepaalde leeftijd kan. Het begint bij baby’s, maar het loopt gans de kindertijd door. Als je als ouder, net als ik, beslist om deze lijstjes naast je neer te leggen, wegens te normerend, dan pikt de school de lijstjes weer op. Eens je kind naar school gaat, zijn er ontwikkelingsdoelen voor de kleuters en leerdoelen voor de lagere schoolkinderen. De ontwikkelingsdoelen verschillen van de leerdoelen in die zin dat ontwikkelingsdoelen na te streven zijn en leerdoelen te bereiken. Onze maatschappij en ons onderwijs wil graag dat alle kinderen van éénzelfde leeftijd dezelfde normen, dezelfde doelen behalen. Een kind van zeven moet kunnen lezen, een kind van tien kent alle provinciehoofdsteden. Maar dat is nog niet alles: zolang je het doel niet behaald hebt, moet je oefenen en krijg je hulp. Zodra je het doel behaald hebt, kan er een vinkje naast je naam gezet worden. Jij hoeft geen extra aandacht meer. De zotheid van het kalenderdogma zorgt ervoor dat onze ogen gericht zijn op de kalenderleeftijd van het kind en niet op het kind zelf. De norm ligt buiten het kind. Als we het plaatje nu eens omdraaien: we kijken naar de ontwikkeling van het kind en stellen op basis daarvan doelen op. Je neemt niet de leeftijd als norm, maar het kind zelf. In ‘Oei, ik groei’ lees ik bij 17 maanden: ‘wil bevestigd worden in het ik-zijn’. Kunnen we afspreken dat we dit kenmerk ook toevoegen aan elk lijstje, ongeacht de leeftijd?   Moeder: Dus als we bij het museum komen, dan zeggen we dat je 7 jaar bent. Dochter: Maar ik ben toch 8 jaar? Moeder: Ja, maar tot 7 jaar krijg je korting. Dochter: Ah, krijg jij dan ook korting als je naar musea gaat? Moeder: ? Dochter: Jij zegt toch ook dat je 27 bent, terwijl je eigenlijk 35 bent.

Lore Dewulf
8 0

De hond

Het is een vraag die er in mijn geval niet toe doet, omdat ik er geen heb, maar wat is een goede naam voor een hond? Ik vraag het me af. In een mooie reportage over een Nederlandse boekhandel lees ik dat de hond des huizes er naar de naam Tsjip luistert. Naar de titel en het personage uit de gelijknamige roman van Willem Elsschot. Tsjip was de koosnaam voor zijn kleinzoon. Het doet er me aan denken. Laat ik deze zomer nog wat werk van Alfons Jozef de Ridder herlezen. De tijd lijkt dan altijd wat langzamer te gaan. “Goed gekozen”, zeg ik luidop tegen de uitbaters van de boekhandel, die het niet horen want ik zit alleen in huis met de krant. “Tsjip. Tsjip.” Ik zeg het een paar keer luidop. Maar goed dat mijn huisgenoten er niet zijn. Ze zouden denken: ‘nu moeten we er toch iets aan doen, hij begint als een vogel te fluiten.’ Tsjip. Wat klinkt het goed. Ik zou mijn hond ook geen mensennaam geven. De naam moet trouwens ook bij de gestalte van de hond passen. Tsjip is een teckel, zo lees ik en zie ik op de foto in de krant. Een dobermann met dezelfde naam zou bespottelijk zijn. Een naam naar een personage uit een boek is ook een goed idee. Het springt me zo een-twee-drie niet te binnen welk personage ik zou kiezen, maar het is een klein onderzoek waard. ’s Avonds bij de tv, terwijl ik met mijn hoofd nog bij het onderzoek naar de hondennaam zit, betrap ik me erop dat er een ‘Tsjip’ uit mijn mond ontsnapt. Ik zie mijn vrouw met een half oog naar me kijken. ‘Tsjip Tsjip’, zeg ik.

Rudi Lavreysen
7 0

Ons leven na corona

Niemand kan voorspellen hoe de toekomst er zal uitzien, zeker niet de toekomst na corona. Ik heb me gewaagd aan een hoopvolle én aan een negatieve voorspelling …   De post-coronawereld waar ik van droom:   De lockdown deed vele mensen nadenken over de écht waardevolle dingen in hun leven en … dat waren geen dingen, maar mensen en tijd, al dan niet in combinatie met elkaar. Na corona groeit dit besef verder en neemt iedereen voldoende tijd voor zichzelf, voor familie en vrienden. Ze proppen hun agenda niet meer vol met vrijetijdsactiviteiten, waardoor ze constant van hot naar her moesten rennen en uiteindelijk voor veel dingen (en mensen!) geen tijd meer hadden. Ze wisselen nu de voortrazende kloktijd regelmatig af met periodes van innerlijke tijdsbeleving: ze beseffen dat “niets doen” óók iets doen is en dat dit zelfs de creativiteit aanscherpt.   Velen hebben de natuur herontdekt en blijven regelmatig slenteren langs geurige veldwegen, wandelen door stille bossen, fietsen langs slingerende waterlopen. Doordat de industrie quasi stilviel, leefde de natuur een heel klein beetje op. We konden ervaren dat we de auto eigenlijk best wel eens kunnen missen, we kregen er zelfs wat frissere lucht voor in de plaats. Dit besef zette de beleidsmensen ertoe aan om voor het klimaat strenge maatregelen te treffen die vergelijkbaar zijn met die tijdens corona. Uiteraard moeten daarvoor offers worden gebracht, maar iedereen is zich bewust van de noodzaak, niet enkel voor zichzelf, maar ook en vooral voor de volgende generaties.   Bovendien is het beleid nu in niets te vergelijken met dat voor en tijdens corona. In elk land werden de politieke structuren herbekeken en vereenvoudigd. Niet langer verschillende ministers op verschillende niveaus die allemaal voor hetzelfde bevoegd waren, maar een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Beleidsmensen zijn nu ervaren vakmensen op het gebied van hun bevoegdheden en ze worden op basis daarvan verkozen. Partijkaarten en politieke kleur zijn van ondergeschikt belang, partijvoorzitters houden niet langer de politieke touwtjes in handen. De nadruk ligt op samenwerking en communicatie, op elk niveau worden op regelmatige basis controles en evaluaties ingepland. De beste stuurlui staan niet langer aan wal!   Er werd een duidelijke internationale wetgeving opgesteld voor verslaggeving en sociale media. Mensen kunnen niet langer anoniem hun zouteloze mening spuien, enkel onderbouwde meningen die met respect worden geuit, worden toegelaten. Deze mogen best negatief zijn of een aanklacht bevatten, maar fake news en respectloze beschuldigingen op basis van vooroordelen worden geweerd. Racisme en racistische uitspraken worden bestraft.   Het nieuwe beleid heeft ook een oplossing uitgewerkt voor de mensen die door corona, hetzij financieel, hetzij sociaal in de problemen zijn geraakt. Er is nu een gelijk basisloon voor iedereen, zonder uitzonderingen. Wie werkt krijgt daar bovenop een bonus die afhankelijk is van enkele factoren zoals opleiding, verantwoordelijkheid, noodzaak om flexibel te zijn enz. Ook het belastingsysteem werd herzien en er bestaan voortaan geen belastingparadijzen meer.   De wereld waar ik voor vrees:   Na de lockdown hernemen de meeste mensen hun leventje van vóór corona, met veel stress, jachtig nastreven van materieel welzijn en weinig oog voor het sociaal welzijn van de medemensen die het met minder moeten doen. Ieder voor zich wordt het motto van de westerse maatschappij.   Iedereen blijft consumeren en vervuilen, het wordt zelfs erger dan ooit. Klimaatactivisten worden beschouwd als onheilsprofeten, zelfs door de beleidsmensen voor wie postjes, macht en financiële belangen meer tellen dan de natuurrampen die ze voor hun nageslacht gaan achterlaten. Egoïsme ten top: après moi le déluge … en neem dit laatste maar gerust letterlijk.   Een deel van de mensheid ligt wakker en maakt zich zorgen om moeder aarde. Ze voelen zich machteloos omdat ze niets fundamenteels kunnen veranderen, ze vinden geen gehoor bij het beleid. Af en toe halen ze het nieuws, maar hun optreden wordt altijd in een slecht daglicht geplaatst. De media hebben het immers nog altijd voor het zeggen, of ze nu de waarheid geweld aandoen of niet.   Op het politieke vlak dreigen er constant oorlogen. Door gebrek aan communicatie en geïnspireerd door subjectieve berichtgeving, liggen staatshoofden voortdurend in de clinch. Bewapening wordt steeds belangrijker. Ze dreigen elkaars grondgebied in te nemen of te vernietigen. En daarbij vergeten ze dat de aarde geen hulp meer nodig heeft om ten onder te gaan. De natuur zal geen genade kennen.   Druk, druk, druk. Geen tijd want we moeten presteren om “er” te komen. Waar willen jullie dan komen? We blijven het antwoord schuldig.   Dit zijn twee extremen. Het onbereikbaar positieve en het te vrezen negatieve. Ik vermoed dat de toekomst ergens tussenin zal liggen, maar als het even kan, wens ik dat die toekomst zal lijken op deze waar ik zo hard mijn hoop op heb gevestigd.            

LindaDG
31 0

Een bouwsel van vertrouwen

‘Vertrouw je mij?’ vroeg hij me. Ik vond dat een moeilijke vraag. Het antwoord is complexer dan louter ja of nee. Ik ben best gewillig als het over vertrouwen gaat. Het vertrouwen in mij is nog redelijk intact. Er deden zich in het verleden geen specifieke situaties voor waardoor ik nu met gehavend vertrouwen door het leven moet. Het is niet zo dat ik er zuinig mee omspring. Kwistig evenmin. Ik antwoordde dat ik me beter kon afvragen of ik mezelf wel kon vertrouwen. En daarmee bedoel ik: handel ik naar mijn gevoel? Ben ik eerlijk met mezelf? Want eerlijkheid en vertrouwen liggen in het verlengde van elkaar. En ik geloof van wel. Al heb ik natuurlijk ook blinde vlekken waarmee ik mezelf soms verras. Is het hebben van vertrouwen een vereiste om te kunnen liefhebben? Ik lijk te kunnen overlopen van liefde en tegelijk toch onzichtbaar achterdochtig te zijn. Onder het mom van zelfbescherming. Uiteraard streef ik naar een amoureuze relatie waarbij ik het privilege heb om blind en onbezorgd te stromen. Zonder een hand dat boven de noodknop zweeft. Zonder parachute, omdat ik er gerust in ben dat ik niet te pletter zal storten. Maar vraagt zulk gevoel van zekerheid niet sowieso om tijd? Of om situaties waarbij het vertrouwen de kans krijgt om zich te bewijzen?   Vertrouwen is soms als mij thuis voelen in een constructie waarvan ik weet dat ze mogelijk kan instorten. Het is geborgenheid met een risico. Het vertrouwen wordt steen per steen opgebouwd. Met het verstrijken der tijd wordt de vesting steeds groter. Ze voelt ook veiliger. Maar als het plafond ooit met een bulderend kabaal naar beneden komt, dan weet ik dat het vertrouwen geschonden is. En zou het dan niet kunnen dat de brokstukken een gebrek aan inzicht symboliseren? Misschien had ik het pand tijdig moeten verlaten bij het zien van de eerste barsten in de muren? Of was ik te verblind door liefde? Wanneer alles in elkaar stort, lijkt het erop dat elke investering voor niets is geweest. Het is dan overwegen of het de moeite loont om ergens anders opnieuw te beginnen. Of daar nog voldoende energie en zin voor is. Het aangaan van relaties, iets waarvoor we geprogrammeerd zijn, komt met zulke risico’s. Ik zie hoe sommige mensen tevergeefs een ruïne proberen op te lappen. Maar geschonden vertrouwen laat zich moeilijk herstellen. Als we geluk hebben zijn de fundamenten zodanig stevig verankerd dat we nooit hoeven te verhuizen. Wie meermaals vallende brokstukken heeft moeten incasseren, zal uitsluitend nog een tent verkiezen. Dat hele bouwwerk van vertrouwen hoeft dan niet meer. Je kent de waarde van een bouwsel pas echt als je erin gaat wonen. De gebreken zullen zich alleen openbaren als je je engageert. Je weet pas of iemand te vertrouwen is als je hem of haar vertrouwt. Je weet pas of iemand je kan kwetsen als je je kwetsbaar opstelt. Liefde is de ander de mogelijkheid geven om je neer te halen, maar erop vertrouwen dat hij of zij dat niet zal doen. Hoe langer een uitwisseling van liefde duurt, des te dieper deze mogelijkheid in de vergetelheid wordt geduwd. Als mijn grondvesten zouden beginnen te daveren, weet ik exact waar zich de dichtstbijzijnde nooduitgang bevindt. Ik hou rekening met zulke dingen. Tegelijkertijd ben ik ook wel iemand die de boel gezellig inricht en er een persoonlijke artistieke touch aan geeft.

KarolienDeman
53 1