Lezen

blotebenendag

ik word wakker en ben nog niet doodmijn ogen gaan open tegen mijn zinde zon staat al uren te liegen tegen de ramenhet is zo'n dag dat de wereld zijn benen scheertgladtrekt wat in de winter mocht groeien buiten loopt de stad te glimmende meisjes hebben hun wintervellen afgelegdze laten hun benen zienaan iedereenook aan mijvooral aan mijalsof ze wetendat ik kijk de benengodverdomme de benenze gaan voorbij in dozijnenwit en bruinsommige met een littekenop de knievan vallen toen ze klein warenvan vallen waar ik niet bij wasvan opstaan waar ik niet bij wasvan leven waar ik niet bij was ik denk aan benen onder tafelsin cafés waar ik alleen zatbenen die ik nooit heb aangeraaktbenen die wegliepen de trap opbij iemand andersbenen die zich openden voor gelukterwijl ik buiten stondmet mijn handen in mijn zakken de lente is een beendat zich strekt in de zoneen kuit die glimteen knie die buigten ikik ben de man die naar de grond kijktomdat hij niet weet waar hij kijken mag op het terras zitten zede benen over elkaarde benen wijdde benen strakeen glas wijn ertussenalsof het zo hoortalsof het altijd zo wasen ik loop langsmijn benen twee emmers slootwatermijn knieën kraken als de deurvan een kamer waar al jaren niemand woontik ben de man die altijd blijft staanterwijl de stad doorlooptik ben de man die de lente zietzoals je een trein ziet vertrekkenzwaaiend naar iemand die niet terugzwaait 's avonds in mijn kamertrek ik mijn broek uitmijn benen zijn wit en kaal en oudmijn huid wordt dunje ziet het donker erdoorhet donker dat altijd al binnen zathet zit er bijna opde reishet staanhet kijken maar vandaaag één keerglimlachte een meisje naar meniet naar mijmaar in mijn richtinghaar benen stonden even stilbij het stoplichttwee meter naast mijen dat wasdat was iets het licht werd groenze fietste doorhaar benen trapten verdermaar evenheel evenstonden ze stilin hetzelfde rood als ik en voor dat ene momentwaren we samenzij en iken het stoplichtin de lentezondrie gekkendie even niet wistenwaarheen morgen weet ik het zekermorgen is het weer roodmorgen wachten haar benenniet

Merlijn
11 0

Eikesvandekiekskes

Ik had ze genoemd naar de vriendinnen van mijn moeder. Lucy. Rita. Monique. Goede Lieve. Vier olijke dames in mijn tuin. Altijd druk. Altijd commentaar. Altijd honger. Ik vond dat geestig. Een klein eerbetoon. Tot die vier echte dames eens langskwamen. Koffie. Cake. Ge kent dat. Zo’n namiddag waarop de tijd een beetje stilvalt en iedereen tegelijk praat en toch hetzelfde verhaal vertelt. En ik — fier, onnozel — zeg: “Ja, en mijn kippen heten dus ook Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve.” Stilte. Lucy — de échte — kijkt mij aan. “Dat vind ik eigenlijk niet zo plezant,” zegt ze. Ik lach nog wat. Probeer te redden wat er te redden valt. “Maar allé Lucy, kippen zijn toch schoon beesten. Die geven terug. Dat is eigenlijk een compliment…” Maar ge voelt dat ge aan het zakken zijt. Sommige metaforen moet ge gewoon binnenhouden. Enfin. Ze liepen daar dus. Mijn vier. En ik had een systeem. Een geniaal systeem, vond ik zelf. Afvalverwerking èn eten. Ideaal! Maar kippen denken niet na over vraag en aanbod. Die hebben geen Excel. Geen grafiek. Geen besef van consumptie. Vier kippen is vier eieren per dag. Dat is achtentwintig per week. Dat is honderd twaalf per maand. Dat is… te veel ei voor een mens. Ge kunt uw best doen. Echt waar. Maar er zijn grenzen aan wat een lichaam aankan. Zelfs met pannenkoeken, cake en quarte quarts inbegrepen. En daar begint het. Daar is ze... De vraag: “Kundegij iets doen met eikes?” Want eieren blijven nooit liggen. Die moeten bewegen. Van mens naar mens. Van keuken naar keuken. Eieren. Dat is een project. En mijn ecologisch project draaide. Tot er op een dag… bezoek kwam. Laat ons zeggen dat de natuur ook haar eigen economie heeft. Zeven jaar later kan ik zeggen: de vriendinnen van mijn moeder zijn er nog altijd. Lucy, Rita, Monique en Goede Lieve. Ze drinken nog koffie. Ze eten nog cake. Ze kijken nog altijd een beetje streng als ge iets zegt dat ge beter niet zegt. Mijn kippenvriendinnen zijn er niet meer. Maar de eieren wel. Ze komen nu van iemand anders. Iemand met hetzelfde probleem. Te veel kip. Te veel ei. En de vraag : “Zeg, kundegij iets doen met eikes?” En voor ge het weet zit ge daar terug. Aan tafel. Koffie. Cake. Dezelfde stemmen, dezelfde verhalen die al duizend keer verteld zijn en toch blijven plakken. En ergens in die cake — zacht, boterig, een beetje te veel van alles — zit een ei. Want eikes zijn meer dan ne merci uit de poep van een kip. Het is een beweging. Van mens naar mens. Van cake naar cake. Van moment naar moment. En misschien is dat het wel. Dat die kleine, banale eikesvandekiekskes er telkens opnieuw voor zorgen dat we blijven zitten. Nog een tas koffie. Nog een verhaal dat we eigenlijk al kennen maar toch nog eens willen horen.

Katrien Daniels
43 1

Ik ben de stilte

Ik ben de stilte en ik woon in een klein appartement op een vergeten straat in een stereotypische stad. Een van degenen die nooit echt stilvallen en waar nieuwbouw de strijd tegen jarennegentighuizen nog steeds niet heeft gewonnen.Soms vraag ik me af of het wel kan winnen. Dat idee maakt me zowel hoopvol als triest. Het is fijn om te weten dat mijn hoekje wereld altijd zal bestaan, maar ik vrees voor het welzijn van de verrotte kozijnen die hard vechten om de tocht uit mijn kamer te houden. Het is de ruimte die ik als mijn viermurige fort beschouw, of zevenmurige als ik alle kleine hoekjes meetel. Het is het getal van de volheid, iets waarvan ik de ironie niet helemaal kan ontzien.Niet dat een vlug oog het hier als leeg zou beschrijven. De houten beeldjes op de kast vechten om aandacht met de omgevallen beterschapskaarten. De lege vitaminepotjes hebben hun verlies al erkend en liggen ietwat verdwaald op de grond. Het bureau lijkt wel een ruïne met zijn scheve blad, waarop half een map met werk en een pennenbakje nog net balanceren.Binnenkort zullen ze ongetwijfeld aan hun race naar de grond beginnen. Of was het al die tijd een wedstrijd over wie het langst volhoudt? Ik weet het niet. Ik heb beide spellen gespeeld, maar nog nooit gewonnen.Misschien is dat waarom ik nu hier ben, in een slordig opgemaakt bed in het midden van mijn georganiseerde chaos, in een staat die niet als volhouden nog als vallen kan beschreven worden.Leeg, moet het oog dat het mijne vasthoudt bekennen, maar dat doen blikken niet meer.Mijn vader, die in de groene stoel naast mijn rustplaats zit, kijkt weg. Denkrempels schilderen zichzelf op zijn voorhoofd en voor even lijkt hij net zoveel ouder dan ons huis.We lijken op elkaar, besef ik me, op meer manieren dan onze praatgrage buurvrouw beweert. Het is niet alleen onze bruine ogen en de slordige krullen die we beiden op hebben moeten geven. Het is hoe we hetzelfde comfort vinden in de afwezigheid van woorden.Toch stapt hij voor mij uit karakter. 'Hoe voel je je?'Ik antwoord niet, want ik durf mezelf niet te breken. De glimlach op zijn gezicht doet me denken aan abstracte kunst in een achttiende-eeuws gebouw. Hij is zo misplaatst dat het triest voelt. Zijn hand overbrugt de afstand tot de mijne en hij plaatst hem op de rand van het bed.'Ik weet het,' fluistert hij, alsof ik heb gesproken.Een deel van me wil zeggen dat hij dat niet doet, maar we hebben dit gesprek gisteren ook gevoerd, net als de dag ervoor. Het is een rode draad door de dagen die als gewichten opeenstapelen. De meeste woorden zijn met de tijd gesneuveld, maar hij kent mijn antwoorden en ik de zijne. Zelfs al waren de pagina's verband, dan had de context de waarheid stilzwijgend verteld. Er is een limiet aan de keren dat een vader zijn dochter zo kan zien, voordat hij het begrijpt op een manier die ik geen man toewens.'Ik zal je met rust laten.' Zijn woorden zijn net zo misplaatst als zijn uitdrukking. Ze horen na een ruzie door de gang te echoën, maar in plaats daarvan zijn ze een vriendelijke fluistering. Een overgave aan de ziekte die dat moment van ons gestolen heeft.Ik forceer mijn lippen omhoog in een lach. Honderden kleine naaltjes prikken in mijn huid.Mijn vader klopt voorzichtig op de rand van het bed. Dan loopt hij weg, de kamer wordt opnieuw stil en ik word mijn kamer.

Lowa Vermeer
12 1

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2