Lezen

De ter dood veroordeelde

Ik ben waanzinnig geworden. Voor ik een dodelijke injectie krijg, beschrijf ik de laatste dagen van mijn miserabel maar fantastisch leven.  De slapeloze tijd maakt me gek. Ik heb binnen deze vier muren gehuild als een zieke hond, geroepen en getierd. Mijn stem is weg en dat beangstigt me. Ik wil een vrolijk liedje kunnen zingen zoals je dat zou doen in een nachtelijke café, maar dat lukt me niet. Mijn mond produceert veel te veel zoet speeksel. Ik spuw het regelmatig uit op deze vieze vloer, maar het blijft komen. Op mijn stinkende matras liggen lukt niet. Stilzitten lukt niet. Nadenken lukt niet. Hoe ga ik van dit levend leven naar mijn dood? Ben ik angstig? Eerder waanzinnig.  Mijn bestaan is door de bliksem getroffen. Ik zou willen kunnen nadenken. Helaas ben ik er doodgewoon niet meer toe instaat. Soms probeer ik mijn ogen te sluiten, want zelfs in deze donkere, kleine cel is het licht te fel. Is het dag of nacht? Ik verlang naar rust, maar die is er niet. De cipier is een invalide.  cipier: ‘Goed geslapen?’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ cipier: ‘Het is een zonnige dag vandaag. Morgen gaat het regenen.’ t.d.v.: ‘Uitstekend!’ Helder denken is erg lang geleden. Ik heb getracht Spinoza te lezen. Alle ideeën van ruimte en rede zijn weg. Ik moet weer spugen. Heb ik spijt? Geen idee.  Waarom hangt er geen spiegel tegen deze grijze muur? Dan kan ik een poging doen mezelf en dit leven te bekijken. Misschien wordt alles dan weer overzichtelijk. Of zou ik de nutteloosheid van mijn leed waarnemen? Mijn zwakke ogen tranen. Ik zou steeds in die spiegel blijven kijken. Oefenen. De cel en de dood zie ik in die spiegel niet. Ik zie de waanzin. t.d.v.: ‘Ik moet oefenen.’ spiegelbeeld: ‘Wat moet je oefenen?’ t.d.v.: ‘Doodgaan.’ spiegelbeeld: ‘Sterven kan je niet oefenen.’ t.d.v.: ‘Jawel. Zeker.’ spiegelbeeld: ‘Misschien.’ t.d.v.: ‘Zeker.’ Ik probeer regelmatig te ademen, maar dat is moeilijk. Het piepende lawaai van mijn dwaze ademhaling klinkt als een versleten, slecht geoliede machine. Ik wil muziek; een pianoconcerto in C van Mozart. Ik ben gek. Het is intens. Gaan mijn schedel en borstkas nog barsten? Ik ben niet moe. Ik kan er niet meer tegen. Ik ben het isolement en de vensterloosheid van mijn bestaan beu. Morgen ben ik dood. Er zullen geen geliefden achterblijven.

Hubert Grimmelt
27 0

Op afstand

"Je weet achteraf nooit hoe je droom begon", hoorde ik een personage in een film zeggen. Het klopt. Je herinnert je alleen een gedeelte bij het wakker worden. Vervolgens zeg je tegen de persoon die naast je ligt, of tegen jezelf: "Wat een rare droom." Zo droomde ik onlangs dat Frank Deboosere naast ons bed stond. Al kon het geen droom zijn, want ik lag amper in bed en was klaarwakker. Toch dacht ik: "Ik droom." "Hoor jij dat ook?", zei ik tegen mijn vrouw. "Frank Deboosere is hier." Ik dacht dat ze ging zeggen: "Vraag eens wat voor weer het morgen wordt, dan weet ik wat aandoen", maar ze sliep rustig verder. Ik wist snel wat er scheelde. De tv was aangesprongen. We hebben een nieuwe Digibox, met natuurlijk een aparte afstandsbediening. Als ik de tv uitzet, en niet de Digibox, springt de tv soms terug aan. Ik kan het niet verklaren, maar het gebeurt. Het is me wat met die afstandsbedieningen. Onze buurvrouw Lisette kan erover meespreken. Naast het kastje van de tv, de Digibox, de tuner, de radio en de thermostaat lag een nieuwe afstandsbediening, maar dat had ze niet gezien. Het lag op de plaats waar normaal dat van de tv lag. Ze drukte blindelings op de aan/uit knop, maar er gebeurde niets. Al meende ze een gezoem te horen. Ze drukte nog een paar keer, maar niets. Plots ging de bel. Het was overbuurman Jos. "Lisette, ik denk dat je een kortsluiting hebt", zei hij. "Inderdaad, de tv doet het niet", antwoordde ze. "En jullie garagepoort blijft maar open en dicht gaan”, zei Jos. "Oei, daar moet ik Frank naar laten kijken. Merci Jos". En ze duwde de deur dicht. "Frank, nondedju”, vloekte ze. “Gij met uw automatische garagepoort. Al die stomme kastjes ook.”  

Rudi Lavreysen
22 0

Het familiaal wetenschappelijk kapitaal

Net op tijd val ik binnen in het auditorium. De zaal zit afgeladen vol met universiteitsstudenten. Ik ben er één van. De prof die vooraan staat, kijkt de zaal rond en begint zijn betoog: ‘goeiemorgen dames en … heer.’ Iedereen kijkt rond en jawel, er zit één mannelijke student in de zaal. We kennen hem allemaal. Normaal zouden er nog twee andere mannelijke studenten in de zaal moeten zitten, maar die hebben na onze uitgaansavond van gisteren blijkbaar minder karakter dan ik. Drie mannen versus meer dan honderd vrouwen, dat is de realiteit in een opleiding Pedagogische Wetenschappen. Waarom kozen al die vrouwen en die drie mannen pedagogische wetenschappen en geen STEM richting, hoor ik u denken? De laatste jaren blijkt het criterium ‘wetenschappelijk kapitaal’ steeds crucialer in de studiekeuze voor een STEM richting. Sociologe Louise Archer onderzocht het wetenschappelijk kapitaal en kwam tot de bevinding dat vooral mensen uit de onmiddellijke omgeving interesse in STEM wekken. Ze noemt dit family science capital: wie opgroeit in een gezin waarin één of beide ouders beroepsactief zijn als wetenschapper of als ingenieur hoort thuis aan de keukentafel specifieke gesprekken. Deze gesprekken kunnen de belangstelling voor een STEM richting wekken. In haar onderzoek bij 1700 Britse jongeren vond ze dat de 92 meisjes die bijzondere interesse hadden in wetenschappen, er meer dan 60% opgroeiden in een gezin met een hoog family science capital. Waarom er dus zoveel dames kiezen voor humane wetenschappen, zoals bijvoorbeeld pedagogische wetenschappen en niet voor een STEM richting? Reken en tel. Het family science capital hier in huis is laag. Na een korte check van de familiestamboom kan ik meedelen dat er slechts één grootouder positief bijdraagt aan het family science capital van mijn dochters. Sinds het lezen van dit onderzoek probeer ik me aan de keukentafel te distantiëren van reacties als: ‘Oh fysica, dat snap ik geen jota van!’. In het secundair onderwijs stonden fysica en chemie bovenaan mijn lijstje ‘minst favoriete vakken’. Daar zitten mijn leerkrachten van destijds zeker voor iets tussen, maar dat is een ander verhaal. Ik wil mijn dochters onbevooroordeeld laten beslissen of ze al dan niet fan zijn van deze materie. De schoonheid van fysica en chemie wordt mij wel duidelijk als ik samen met mijn dochters naar Superbrein kijk op Ketnet. Voor wie het programma niet kent: Lieven Scheire ontvangt drie teams die tegen elkaar strijden om de titel van superbrein. In het programma mogen de kandidaten onder andere spectaculaire proeven uitvoeren en nadenken over mogelijke experimenten. Dat zat niet in het lessenpakket in mijn schooltijd. Wat dan wel? Formules moeten overschrijven van het bord (Waarom schrijf je niet? Omdat de formules in mijn boek staan. Je moet de formules overschrijven. Doe ik niet. Ok, dan ga je nu naar de directeur. Goed, dan moet ik tenminste de formules niet overschrijven.) en erlenmeyers molesteren (Wat? Hebben jullie weeral een erlenmeyer gebroken?). Weet je wat het toppunt is van family science capital? De familie Curie. Voor de goede orde: dit is geen grap. Vier Nobelprijzen op hun schouw. Marie Curie won er twee. Ze won de Nobelprijs voor de Natuurkunde met haar man. Acht jaar later won ze er nog één, deze keer de Nobelprijs voor de Scheikunde. Ik vraag me af of er ook zoiets bestaat als family human science capital? Zoniet, dan moeten we dat misschien in het leven roepen. Ik wil hier gerust aan bijdragen vanaf mijn keukentafel. Er is ook nog plaats op mijn schouw, mocht dat ooit nodig zijn. Moeder: Als je sneller wil met je rolschaatsen, kan je best een hellend vlak zoeken. Dochter: Ok. Ik begin met de opdaling, want de afdaling vind ik nu nog te eng.

Lore Dewulf
35 1

Wandeling met een pennenvriend

Wandeling met een pennenvriend Nils Van den Keybus   Het is stil buiten. Ik draai me op mijn andere zij en ontken de ochtend, maar die vecht tikkend terug. Steentje na steentje raakt mijn raam, dat op kiep staat, tot er eentje net tussen de gleuf vliegt en mijn rug vindt. Dan stopt het getik. Zuchtend en kreunend beweeg ik me naar de raam, klaar om sleutels, vergezeld door scheldwoorden, naar een huisgenoot te werpen. Ik zie echter een man in pak staan, keurig afgewerkt met bolhoed en een ronde bril. In het figuur herken ik niemand minder dan Herman Teirlinck. Ik schiet snel mijn sloffen en badjas aan, gris een mondmasker van mijn bureau en begroet hem binnen enkele seconden in de deuropening beneden. “Welkom. Heeft u mijn uitnodiging goed ontvangen?” De anders spraakzame man zwijgt. “Is er iets? Geen zin in een wandeling?” vraag ik de eeuwig serieuze blik. “Is dit waar je wilde wandelen? In deze straten, waarvan je het einde niet eens kan zien? Zelfs aan de kaaien is elk stukje groen, elk stukje land verdwenen voor steen en cement. Ik weet wel beter.” Dan lichten de ogen van de man op en wordt mijn straat nog stiller dan ze al was. “Luister.” Ik gehoorzaam, maar hoor niks. “Het is stil als nooit tevoren. Ik weet niet waar u het over heeft.” “Mis. Het is stil als ooit tevoren. Kom, we gaan naar die fameuze kaaien van je.” We nemen een bocht richting het water en eens we de hoek om zijn, verschijnt het prille begin van mijn stad, met haar moeder, de Schelde, nog jong en wild en prachtig. Ik zie haar zoals ze was, zoals ze altijd is. Ze stroomt in lange bochten langs kerktorens die meneer Teirlinck ongetwijfeld reeds geteld heeft, vanuit Frankrijk langs het oude Vlaanderen en eindigend in wat nog maar net Brabant is. Mijn badjas lijkt meneer Teirlinck volledig ontgaan. Hij lacht me toe, terwijl Antwerpen voor ons opdoemt en haar kraambed uitklimt. Huisjes en mensen doemen op uit het groende landschap voor ons, vee wordt geboren en geslacht en kleine bootjes laten zich met de rivier meevoeren. “Het is tijd om verder te gaan, dit is al bijna niet meer. Kom, stap door. Er komt beweging in de stad nu.” De bootjes worden schepen nu, met zeilen en riemen en roeren. Rond me hoor ik de oorsprong van mijn woorden in het oude Nederlands van de dokwerkers. Meneer Teirlinck houdt halt op een uitstekend stukje kade. “Opgelet hier, dit verdwijnt straks,” waarschuwt hij, terwijl zijn voet de aarde aanstampt. Rechts van ons verschijnt de kathedraal, steen per steen klimt ze omhoog. Vanuit het Zuiden waaien Spaanse woorden onze kant uit. “Hier kijk je liever niet naar.” Meneer Teirlinck gebaart noordwaarts, het eeuwige Steen voorbij. Naast ons mengen militaire commando’s zich met geschreeuw. Ik voel de hitte van de Spaanse Furie nog in mijn nek terwijl we doorstappen. Een man met een snor en zwarte hoed schildert wat verderop een bijbels tafereel. Hij doet me denken aan een standbeeld. De schepen achter hem verdwijnen. Verderop werpt een blokkade een schaduw over mijn gouden stad. “Ze sluiten de Schelde! Hoe kan Antwerpen overleven als de schoot van haar moeder gegijzeld wordt?” Wanhopig zoek ik een antwoord in de beheerste blik van Teirlinck. “Weer mis. De rivier wordt niet afgesloten. Kijk goed.” Vluchtig zoek ik naar een passage, maar vind er geen. Dan begrijp ik wat hij bedoelt. De Schelde stroomt nog steeds. Schepen kunnen er niet langs, maar zelfs met ’s werelds grootste vloot hou je deze rivier niet tegen. « Il y a dans ce site quelque chose de formel, d’épuré, de définitif, une réussite enfin, promise à l’éternité. » Het weer klaart op en de Nederlandse schepen verdwijnen weer. Overal rond ons worden Belgische vlaggen uitgehangen en de Brabançonne galmt door de straten. Voor me liggen dorpjes uitgestrooid ten noorden van de stad. Ik kijk nog snel even achterom. Enkel het Steen staat nog overeind, als een rots in de branding, getuige van eeuwen. “Opgepast, hier keren we de stad weer in.” Mijn vriend trekt me aan de mouw en net op tijd ontwijk ik de gigantische dokken die voor mijn voeten zijn uitgegraven. Ik moet steeds meer uitwijken. In verschillende talen wordt er op me gevloekt. In de drukte verlies ik mijn gids bijna uit het oog. Ik zie nog net de hoed boven de massa uitsteken. “Wanneer zie ik u terug?” roep ik tussen een “Cazzo!” en een “Uit de weg, manneke!” door. Overal duiken mensen en gebouwen op, tot een sirene klinkt en iedereen wegloopt. Bommen vallen rond Teirlinck zelf neer, maar de man vertraagt of versnelt niet. Met een nonchalant handgebaar en zonder om te kijken mompelt hij “Schrijf me nog eens, dan zien we wel.” De drukte hervat zich en plots begin ik mensen te herkennen. Telkens wanneer ik hen wil aanspreken verdwijnen ze echter weer in de menigte. Ik ben bijna thuis. Daar komt de drukke beweging tot stilstand. Ik sta weer in mijn straat, alleen, en het is muisstil. De drukte hield de pas erin; nu slenter ik naar mijn voordeur. De stilte knijpt me de keel dicht. Ik kijk achterom, richting rivier. Ze stroomt nog. Mijn altijd lachende overbuurvrouw hangt een wit laken uit haar raam. Ze zwaait naar me en ik kan weer ademhalen. Antwerpen stroomt verder.

Nils VDK
20 0

De onderliggende aandoening

Onze Westerse cultuur en onze ‘plastic way of thinking’ hebben ons ver verwijderd van wie we ooit waren. Ooit waren we oersterk. Toen we nog oermens heetten. In die tijd bulkten we van de energie en gold het recht van de sterkste. Met gemak renden we een kilometertje of twintig om een wild dier de kop af te rukken, om het vervolgens met blote hand te villen en in stukken te verdelen onder onze dierbaren. De onzen beschermden we letterlijk met hand en tand. Eenvoud vierde hoogtij. Het was over het algemeen ook duidelijk wie onze vijanden waren. De natuur omvatte alles. Het was onze religie, onze leermeester, onze toevlucht, onze vijand, onze vriend en ons genot. Van intuïtie hadden we nog nooit gehoord. Alles was basic instinct. We waren één met de natuur. Anno 2020 zijn we beschaafd. We hebben de natuur niet meer zo nodig. De god van de donder heeft plaatsgemaakt voor de adonissen van de wetenschap. Van verwilderde krachtpatsers zijn we geëvolueerd naar intelligente en geciviliseerde wezens.  Ranzige Van Ranstjes vertellen ons nu wie de vijand is en hoe wij ons moeten beschermen. Sensationele nieuwsuitzendingen kwaken over hoe we moeten omgaan met onze nieuwe vijand, Covid 19. Van honderdvijftig centimeter afstand tot het muilkorven van onze kinderen. Pootjes wassen en ontsmettingsmiddel op je pollen! Hier en daar wat getinte codes van geel, oranje tot rood. Doe mij maar code wit! Géén enkele viroloog vertelt iets zinnigs over dat minuscule monster. Omdat ze het niet weten. Ze weten niks en vertellen niks. Als je onderliggende aandoeningen hebt kan Covid 19 fatale gevolgen hebben. Daar moeten we het mee doen.  Moeder natuur daarentegen wordt genegeerd. Maar zij staat wel met uitstrekte hand te smeken om hulp te bieden. Ze brult het uit dat we moeten stoppen met de lucht te vervuilen en ons eten te vergiftigen. Ze kijkt verdrietig toe hoe we toelaten om onder ongezonde werkdruk te functioneren. Ze schudt het hoofd als ze ziet hoe we onze kinderen en onszelf vergiftigen en versuikeren met alcohol, vet en frisdrank. Om nog maar te zwijgen over de tonnen bewaarmiddelen en kleurstoffen om ons happy te houden met mooi voedsel. Ze smeekt ons om onze verkankerde, suikerzieke wereld te veranderen.  Ze dringt aan om te stoppen met over-cultivatie, en om te stoppen met stressen over niks. Ze vraagt ons waarom we in 24u activiteiten willen proppen die een normaal mens 48u kosten. Ze kijkt zorgelijk naar uitgeputte kinderen die irreëel zware lasten op hun schoudertjes moeten dragen. De lat ligt hoog. Messi en Rihanna van Instagram zijn hun rolmodellen.  Meewarig kijkt moeder natuur naar de eindeloze bucketlists die nog afgewerkt moeten worden. Wat een druk. En dan horen we van de ‘ranzige Van ranstjes’ dat Covid 19 gevaarlijk is voor mensen met onderliggende aandoeningen. Is onze verziekte maatschappij niet onze onderliggende aandoening? Daar wordt in alle talen over gezwegen. Wanneer horen we iets over het versterken van onze immuniteit? Over het verlagen van onze stresslevels? Over het leren omgaan met onze emoties, gezonde voeding en lichaamsbeweging? Nee, niet je half dood fietsen of marathons willen lopen omdat je persé je grenzen moet verleggen…  Oh ja, er is een kentering. En gelukkig zijn meer en meer mensen bewust aan het worden. Maar de bewustwording is er één van keiharde realiteit. Wetende dat we enkel met verenigde krachten en niet met verkrachte eenden, het schip kunnen draaien. Enkel dan maken we een kans om terug oersterk te worden.

Heidi Schoefs
20 1

Eenheid

Brief aan Vlaanderen Mijn boodschap gaat over eenheid. Stel je voor dat alles één is, ondeelbaar. De mensen zijn één, de aardbol is één geheel, het universum is één. We maken allemaal deel uit van de 'substantie' zoals de filosoof Spinoza het noemt. En dat geheel zou je God kunnen noemen. God, de Substantie die losstaat van de tijd en altijd is. Als je dit beseft is elke neiging om elkaar tegen te werken niet meer dan een dwaling. Wanneer je iemand tegenwerkt werk je namelijk ook jezelf tegen. Daarom pleit ik er graag voor een positieve instelling. Ook al dwaal je soms eens af, een mooi doel is een streven naar harmonie in deze eenheid. Wanneer het kan moet je vergeven en loslaten als iemand je heeft gedwarsboomd. Benoem het probleem en zoek samen naar de waarheid. Zoek het 'echte nieuws' en niet het 'fake news'. Vlaanderen heeft geen wapenspreuk. Wanneer we bewust zijn van onze eenheid kunnen we de Belgische wapenspreuk 'eendracht maakt macht' weer levend maken. Ik bedoel dan geen ongeremde solidariteit want wie beroep doet op solidariteit moet ervan bewust zijn dat hij zijn broeders verarmt. En zo per definitie (aan iemand) schade berokkent. Op eigen kracht zo ver mogelijk geraken als het kan, met een beetje hulp van een gemeenschappelijke middelen als het nodig is. Zij die financieel sterk staan in de samenleving hebben ook de morele taak om te investeren in ethische beleggingen zoals groene energie en maatschappelijke ontwikkeling. Iedereen kent wel diep in zich een streven naar rechtvaardigheid en algemeen welzijn. Luister naar die stem, dan geraken we er samen uit.

Sigo
0 0

WEERSTAND

Liefste Vlaming,   We kennen elkaar al heel lang. Dat maakt het schrijven van deze brief niet gemakkelijker…Maar het is tijd. Het is nodig. Men zegt dat de eerste stap naar herstel is, toegeven dat je een probleem hebt. Dit is mijn bekentenis. Ik ben sporadisch een racist, bekrompen, klein denkend, bevooroordeeld, geen feminist, denker in stereotiepen,… En zoveel meer. Ik zou geen van dit alles willen zijn. Ik zou willen dat ik het niet ben. Of doen alsof ik het niet ben. Maar willen en kunnen is niet hetzelfde. Men steekt graag pluimen in eigen gat. Ik ook. Deze pluim is de pluim van ‘ik doe wel mijn best’ of ‘ik probeer’! Maar één pluim in mijn gat, maakt me geen prachtige pauw om fier op te zijn. En fier op mezelf, dat ben ik zeker niet. Of misschien wel een klein beetje. Want zonder wat fierheid is een mens geen mens. En het moet ook menselijk blijven. Waarom ben ik al deze dingen, vraag je je misschien af?Eén woord. Een simpel woord. Doch bijzonder complex.Weerstand. Weerstand voor wat anders is, nieuw, gecompliceerd, vreemd, ver van mijn bed, out of my comfort zone,…. Ik voel het vaak helemaal in het begin. Het is daar dat weerstand het grootste effect heeft. Ik voel het opborrelen in mij, beginnend in mijn buik en snel verspreidend over mijn hele lichaam. Voor ik het weet, zit heel mijn lijf er mee vol. Van mijn kleine teen tot het puntje van mijn oor. Het laat amper ruimte voor iets anders. Het vult alles tot in de kleinste hoekjes. Ik geef je een voorbeeld. De zwartenpietenheisa. Misschien een oude koe... Maar eentje die elk jaar rond 6 december uit de gracht gehaald wordt, opgesmukt en opgepoetst, volgehangen met argumenten en frustraties, langs beide kanten. Toen ik er de eerste keer over las, borrelde er weerstand in me op. Langzaam maar zeker. Wat is het probleem? Het is al jaren zo! Ik heb er als kind NOOIT iets slechts in gezien. Het is toch niet zo bedoeld? Waar maakt men zich druk over! Ik voelde mijn ogen draaien in hun kassen. Van links naar rechts. Maar nog voor ze de andere kant hadden bereikt, hield ik ze in het midden tegen. Wacht eens even… vroeg ik me luidop af. Mijn ogen focusten zich weer. Terug naar wat belangrijk was. Terug naar het midden. Om neutraal naar links en rechts te kunnen kijken. Ik besloot verder te lezen. Verder dan mijn neus lang was. WAAROM? De vraag die ik zo vaak stel, en toch nog te weinig.Waarom kan iets als een ‘traditionele’ zwarte piet tegenwoordig niet meer door de beugel?En waarom had het eigenlijk nooit door de beugel mogen kunnen? Er werden de laatste jaren al veel argumenten aangehaald. Interessante argumenten. Die gingen over dingen waar ik nog nooit over had nagedacht. Omdat ik daar dankzij het privilege van mijn witte huid nog nooit over had MOETEN nadenken. Ik voelde me op een bepaald moment vreemd. Schuldig. Hoe had ik hier al die tijd blind voor kunnen zijn? Dit gevoel hield me zelfs even tegen om verder te gaan. Verder gaan betekende toegeven dat ik fout was geweest. Maar het draait op dat vlak niet om juist of fout, het gaat om bijleren. Durven bijsturen. Openstaan voor nieuwe info. Het gaat meer over de toekomst dan over het verleden. Maar zonder verleden is er geen toekomst. Al mijn weerstand ebde weg. Of beter gezegd: veranderde van kant. De weerstand bleef maar kreeg een andere invulling. Plots werd de vraag: waarom doen we dit NOG ALTIJD? Hoeveel moeite kost het om snel wat zwarte strepen op je gezicht te verven, versus heel je gezicht zwart te kliederen EN je lippen rood te stiften EN gouden oorbellen te zoeken EN… Lieve Vlaming, laten we even eerlijk zijn. Roetpiet is véél minder werk dan zwarte piet. Gemakkelijker voor iedereen, toch?Gaan kinderen er last van hebben? Gaan wij er last van hebben? Heel eerlijk? Nee.Zolang er iemand cadeautjes brengt en gek in het rond springt, is iedereen blij.Wanneer er geen goede argumenten zijn om iets aan te houden, kunnen we het dan niet gewoon veranderen? En kom niet af met ‘het is altijd al zo geweest’ ‘het is traditie’. Dit zijn lege hulzen zonder inhoud. Dat weet je diep van binnen eigenlijk ook. En? Voel je het al borrelen? Wordt het zwart voor je ogen? Neemt weerstand het over? We voelen het zo vaak opkomen maar hebben niet geleerd om er mee om te gaan. Het vraagt moeite om er tegen in te gaan.Het is veel gemakkelijker om er in mee te gaan.Daarom neemt weerstand het over. Maar weerstand omwille van weerstand, kan nooit een goede motivatie zijn. Ik kan veel voorbeelden aanhalen. Veel situaties, onderwerpen, thema’s. Van andere mensen maar ook van mezelf. Ik denk dat veel Vlamingen dit herkennen. Dit ervaren. Als ze heel eerlijk zijn. Maar het is niet gemakkelijk eerlijk te zijn, zeker niet tegenover jezelf. Ik schrijf dit omdat ik vind dat ik het moet delen. We praten er te weinig over. Weerstand is menselijk. Initiële weerstand hoeft geen probleem te zijn. Het gaat er om wat erna komt. Om wat JIJ met die weerstand DOET. En niet om wat de weerstand met jou doet. Stil staan bij jezelf, je eigen reactie wanneer iets binnenkomt. DAAR moet je al ingrijpen. Het is die eerste, prille weerstand die je meteen in de kiem moet smoren. Voor hij uitgroeit tot een grote, weerbarstige boom met zo’n diepe wortels die door eender welke wind van eender welke kant niet meer omgewaaid kan worden. Ook al zou hij dat zelf soms stiekem willen. Heel stiekem. Ik schreef het eerder: de eerste stap, is toegeven dat je een probleem hebt. It’s a small step, but many small steps from many people can become one giant leap for humankind.   Veel liefs, een mede-Vlaming

LiBre (Wabliefjes)
0 0