Lezen

Mortem

Ik werd wakker, het was volledig donker rond mij. Ik herinnerde me niet hoe ik er was beland. Ik probeerde m'n armen te bewegen maar ontdekte al snel dat ik vastgebonden zat aan een stoel. Ik moest er weg, koste wat kost. Als je vastgebonden zit kan dat niets goeds betekenen. Ik hoorde stemmen, ze leken van buiten de kamer te komen. Voetstappen kwamen dichterbij, stemmen werden luider, ik werd angstiger. Een deur ging open met een heftige zwaai. Ik hoorde hoe iemand de kamer in liep en op de knop drukte om het licht aan te doen. Het licht scheen fel in mijn ogen, de man stond voor mij. De ene helft van zijn gezicht was bedekt met brandwonden, door de andere helft liep een groot litteken. 'Dus, meisje,' zei hij op een dreigende toon. 'Vertel me nu verdomme wat ik moet weten.' Ik wist niet wat hij bedoelde, ik herinnerde zelfs mijn eigen naam niet. Al herinnerde ik me wel nog dat ik een naam had. Even stelde ik me voor dat de man stond te dansen in een clownspak. Het duurde niet lang want de man maakte een vuist van zijn gezicht en stond klaar om me een mep te verkopen. 'Ik weet écht n-niets' zei ik voor hij me ging slaan. 'LIEG VERDOMME NIET' de man verkocht me een mep. Hij was zelfs gratis, moest er niets voor betalen. Volledig gratis zonder voorwaarden, een vuist tegen m'n kaak. Ik wou eigenlijk wrijven over m'n kaak, om de pijn te verlichten, maar wist dat dat onmogelijk was omdat ik vastgebonden zat. 'Oké, ik geef je nog een laatste kans. Als ik terugkom wil ik dat je me ALLES verteld, begrepen?' Ik knikte maar wist dat ik niets kon zeggen. Een verhaaltje, ja, misschien moest ik een verhaaltje bedenken. Misschien houdt hij van Roodkapje of is hij meer een Doornroosje-type? De man sloot de deur nadat hij het licht had uitgedaan. Ik had het gevoel alsof ik steeds bekeken werd. Ik zat alleen in de kamer samen met mijn gedachten... Het licht knipperde even aan, een zwarte gedaante stond tegenover mij. Ik kon niet goed zien wat het was. Ik herinnerde me wel dat ik heel erg schrok. Zweet begon over mijn voorhoofd te lopen, wat zijn ze hier met me van plan? Ben ik mentaal niet in orde? Verdomme, misschien was het de dood? Die is toch ook zwart? Of beeldde ik het me i-. Iets greep me bij mijn keel. Het voelde aan als verrotte vlezige vingers, ik kon niet meer ademen. Toen het licht weer aanging verdwenen de vingers rond mijn nek. Is dit een nachtmerrie, zit ik vast in een droom? De man stormde weer in de kamer. Deze keer keek hij me aan met een vieze grijns, een grijns dat ik niet snel zou vergeten. 'Nou, meissie vertel op' zei de man toen hij me aankeek, recht in de ogen. 'Uhm nou, er was ooit een...' ik wist niet wat ik moest zeggen. De man keek naar me en beviel me om verder te vertellen. 'Nou, een meisje, ze noemde Roodkapje.' Hij keek me aan alsof hij op het punt stond om heel hard te lachen. Tegelijkertijd keek hij me ook aan alsof hij me elk moment zou vermoorden. 'MEEN JE DIT?! BEN JE NOU AAN 'T LACHEN?' Hij kon er blijkbaar niet mee lachen, misschien was hij dan toch meer een Doornroosje-type. Voor een volle minuut had hij me recht in de ogen aangekeken, alsof hij een roofdier was die zeer goed zijn prooi inspecteerde. Hij ijsbeerde nerveus in de kamer, voor de stoel waarin ik zat. Ik keek even rond me, ik zag het. Oh god, nee. Ik voelde een brok in m'n keel, een elektrische stoel. Ik zat in een elektrische stoel. Met een draai van mijn hoofd zag ik al snel de hendel die m'n leven zou kunnen beëindigen. De man hoefde de hendel maar om te halen en weg was ik. 'IK HEB GENOEG VAN JE DOMME SPELLETJES.' schreeuwde hij door de kamer. 'Vertel het me nu of ik draai die hendel om.' voegde hij er uiteindelijk koelbloedig aan toe. Ik voelde nu meer dan ooit dat ik leefde, het bloed stroomde door mijn lichaam, het zweet drupte van mijn voorhoofd, een traan ontstond onder mijn wenkbrauw. Een oude herinnering kwam in me naar voren, die man, had ik hem niet neergestoken? Hij liep naar de hoek van de kamer, die enkele seconden voelden aan als de laatste van mijn leven. Het licht knipperde even van aan naar uit. Ik wist dat hij nu bij de hendel stond, binnen een paar seconden zou ik weg moeten zijn. Het werd mij alsmaar duidelijker dat ik niets kon doen. Ik draaide mijn hoofd weer om en zag hoe hij de hendel vastnam en me aankeek met een laatste moordende grijns. 'Ik ga dood,' dacht ik. Het licht van de kamer ging aan en uit. De zwarte gedaante was terug. In minder dan een seconde had de gedaante hem in duizenden stukken gesneden met zijn scherpe klauwen. Was ik gered, ik wist het niet. De gedaante liep mijn kant op...

Nova
36 0

Slaaf van de naald

Afkicken bleek een grote vergissing. Ik had dringend een shot nodig. Mijn neus droop, ik zweette als een rund ook al had ik het koud, ik rilde en liep om de haverklap naar het toilet. Mijn anus bloedde van de diarree. Afkicken... het was nooit een vrije keuze geweest, eerder een kwestie van armoede. Heroïne kostte nu eenmaal geld, iets wat ik zelden had en zoals je wellicht weet doen wanhopige mensen soms domme dingen. Het was maandagochtend. Een typische klotedag. Ik schuimde de advertenties in de krant af in de hoop hier of daar een baantje te vinden. Kieskeurig was ik niet. Ik wilde alles doen: afwassen, lijken ruimen, pekinezen uitlaten. Als ik maar wat geld kon verdienen om mijn heroïneverslaving nieuw leven in te blazen. Zelf dealen was uitgesloten. Diefstal? Neen. Eén keer hadden de flikken me al gepakt en een tweede keer zou me ongetwijfeld een gevangenisstraf opleveren. Ik draaide enkele telefoonnummers en maakte wat afspraken, waaronder bij een poetsbedrijf en een chique restaurant. Natuurlijk liep het fout. Toen ik hen vroeg waar het aan lag zeiden ze dat het mijn voorkomen was. Thuis keek ik eens goed in de spiegel. Ik kon hen geen ongelijk geven. Vanbuiten was ik misschien een wrak, maar vanbinnen had ik ze nog allemaal op een rij. Dankzij mijn bovengemiddeld stel hersens kreeg ik een briljante ingeving. Ik besloot om zelf een advertentie op te stellen: Gigolo, 24 jaar, regio Antwerpen. Komt ter plaatse. Prijs overeen te komen. Geen taboes. En ik zette er m’n telefoonnummer onder. Ik stuurde de tekst in naar de redactie. Toen ik een week later de krant ging halen, stond de advertentie erin. Met mijn laatste geld kocht ik een rolletje pepermuntjes. Ik ging naar huis om naast de telefoon te wachten op mijn eerste klant. Terwijl mijn blik over de krantenkoppen gleed, overdacht ik wat er allemaal kon gebeuren. Ergens hoopte ik op lekkere meiden, maar dat was natuurlijk uitgesloten. Nee, eenzame, lelijke wijven, dat was wat me te wachten stond. In alle soorten en maten. Mijn middenrif begon al samen te krimpen van walging. Ik beeldde me in hoe ik zulke misbaksels in godsnaam hoorde te bevredigen. Nog in geen honderd jaar zou ik een erectie kunnen krijgen. Waar was ik aan begonnen? Ik zuchtte diep. Over dat soort dingen maakte ik me zorgen. Ik had spijt en scheurde mijn advertentie uit de krant. Het was een symbolische daad. Ik wist immers maar al te goed dat er op hetzelfde moment nog duizenden exemplaren op keukentafels, aan bushaltes of in rokerige cafés gelezen werden. Ik had nood aan frisse lucht. Het regende pijpenstelen. Desalniettemin maakte ik een wandeling. Ik hield van natte kleren, van dat schurende gevoel tegen mijn broze huid. Onderweg liep ik een apotheek binnen. Ik bedelde er om wat valium. Tegen plankenkoorts. Normaal kon je dat enkel op voorschrift krijgen, maar ik bedacht een listig smoesje over ontwenningsverschijnselen en dat ik het papiertje in een plas had laten vallen en dat het doorweekt en onleesbaar geworden was en dat ik morgen zou terugkomen met een nieuw voorschrift van m’n huisdokter en bla bla bla en de man achter de toonbank scheen een goede dag te hebben, want hij gaf me een doosje met dertig tabletten van 10mg. De hele dag zat ik naast de telefoon. Slechts één keer rinkelde hij. Het bleek een man te zijn die Chinees wilde bestellen. ‘Tweemaal nasi goreng met kip, babi pangang met noedels, een klein potje curry en een zakje kroepoek,’ zei hij. En hij wilde ook nog een loempia, maar ik onderbrak hem en zei dat hij het verkeerde nummer had gedraaid. Hij aarzelde en gaf mompelend toe: ‘Ik moet me vergist hebben. Mijn excuses.’ ‘Geen probleem,’ zei ik, en ik verbrak de verbinding. Toen betreurde ik de gemiste kans om hem een loer te draaien. Ik keek een beetje televisie. Stilzitten was de hel, maar de valium deed z’n werk. Er werd een film uitgezonden die ik al eerder had gezien. Het was lang geleden. Ik was de titel vergeten, maar ik herkende enkele scènes en had er niets op tegen om hem nog eens te kijken. Zo meteen, dacht ik, kwam er een scène met een kunstenares die van haar woonkamer een atelier had gemaakt vol met beelden uit papier-maché. Het had iets bevreemdend. De film bevatte ook een bondage-scène met diezelfde kunstenares. Ik wist niet meer of die al geweest was of nog moest komen. Ik stak mijn hand alvast in mijn broek en wachtte hoopvol. Minuten vlogen voorbij zonder dat de telefoon rinkelde en daar was ik blij om. Ik hoopte dat mijn advertentie een stille dood zou sterven. Er belden zelfs geen grappenmakers, iets waar ik min of meer op gerekend had. Ik had zelfs een fluitje (type scheidsrechter in een voetbalwedstrijd) bij de hand om loeihard mee in de hoorn te blazen als er iemand onnozel zou beginnen doen. Ik keek naar het uurwerk. Het was al avond. Buiten regende het nog steeds. Wagens gleden door de straat. De banden maakten een aangenaam geluid op het natte asfalt. Ik dempte het geluid van de televisie om er beter naar te kunnen luisteren. Ik sloot mijn ogen en bevond me al snel in het voorgeborchte van een koortsdroom. Mijn ergste vrees werd waarheid: de telefoon rinkelde. Hard en scherp en onrustwekkend irritant. Ik schrok en stootte met mijn scheen tegen het salontafeltje. Ik kreeg een hartverzakking. Waarom was ik plots zo nerveus? Niemand dwong me immers om de telefoon op te nemen. Toch? Behalve mijn drang naar een shot. De telefoon ging zeven keer over en toen nam ik op. ‘Vince Vercammen,’ zei ik. ‘Goede avond, bent u de man van de advertentie.’ De vrouw aan de andere kant was kortademig. Ze klonk alsof ze een marathon liep tijdens het spreken. Ik wachtte enkele tellen. ‘Meneer, bent u er nog?’ ‘Met wie spreek ik?’ ‘Odette,’ zei de vrouw. ‘Odette Moeskops.’ Dat belooft, dacht ik, met zo’n naam. Ik had geen flauw benul van hoe een dergelijk gesprek hoorde te verlopen, maar Odette wist gelukkig van aanpakken. Ze lichtte toe dat ze een vreemde fetisj had, waarop ik nogmaals zei dat ik geen taboes kende, zoals in de advertentie vermeld, zolang het maar genoeg betaalde. ‘Ja ja,’ zei ze snel, ‘geld is geen probleem.’ Ze trad evenwel niet in detail over wat ze precies wilde. ‘Wat denkt u van duizend euro, meneer Vercammen? Mag ik Vince zeggen?’ ‘Vince is goed. Duizend euro ook.’ Ik bedacht hoeveel gram bruine suiker ik daarmee kon kopen. Ik vroeg haar adres en sprong in m’n wagen. Duizend euro was de jackpot om snel over en weer te gaan en een goor wijf een orgasme te bezorgen. Kinderspel. Bovendien woonde ze op maar twintig minuutjes rijden. Mijn geluksdag. Ik belde nog snel naar mijn dealer of ik in de loop van de late avond nog wat dope mocht komen halen. Alles leek in de plooi te zullen vallen. Ik slikte nog 20mg valium. Ik reed de parkeerplaats van een reusachtig flatgebouw op. Sociale woningen. Ze waren er slecht aan toe. Eenmaal binnen duurde het tien minuten voor ik het juiste belletje had gevonden. Er woonden godverdomme zevenendertigduizend miljard marginalen in dat stuk beton. Moeskops – Peperzak stond er op het naambordje dat toegang verschafte tot mijn eerste werkervaring als gigolo. Ik kreeg de slappe lach. Toen begon me te dagen dat er wellicht meer dan één persoon woonde. Een vrouw en een man? Was Odette getrouwd? Waarschijnlijk was haar man niet thuis en had zij een verzetje nodig. Niets mis mee. Ik haalde mijn schouders op en drukte op het knopje. ‘Hallo?’ zei Odette, even kortademig als aan de telefoon. ‘Het is Vince.’ ‘Kom maar naar boven. Het is op de tiende verdieping.’ De zoemer ging. Ik duwde de deur open. Ik liep een lange gang in. Het stonk er naar pis. Overal lag zwerfvuil. De liften waren kapot. Ik moest verdomme met de klotetrappen naar de tiende verdieping. Odettes deur stond al op een kier. Ik klopte en ging naar binnen. ‘Dag Vince,’ hoorde ik Odette zeggen, ‘bedankt dat je zo snel gekomen bent.’ De stem was afkomstig van een schaduwrijke plek die net buiten de stralenkrans van een lamp viel. Alsof de eerste ontmoeting bewust zo in scène gezet was door een of andere blasé regisseur met vage artistieke ambities. ‘Wil je de deur sluiten alsjeblieft?’ Ik deed wat ze zei en toen ik me weer omdraaide, was ze uit de duisternis getreden. Ze was een mastodont. Zeker een meter negentig, massief en vormloos en ze droeg iets wat voor lingerie moest doorgaan maar wat eerder op een versleten gordijn van een amateurtheater leek. ‘Hallo,’ zei ik, en ik was opgelucht dat de extra dosis valium ingekickt was. Haar grauwe gezicht bezorgde me bijna braakneigingen. Er was iets met die vrouw. Ze was duidelijk gehandicapt, al kon ik niet goed zien wat er precies mis was met haar. Ze had ook een lodderoog. Ze wees naar een stapeltje biljetten op een commode. ‘Duizend euro, zoals afgesproken.’ Ik knikte. Ze had zonet haar invaliditeitsuitkering gekregen, dacht ik. ‘Zullen we naar de slaapkamer gaan?’ Opnieuw knikte ik. Ik kreeg een wee gevoel in mijn buik. Je kunt dit, Vince. ‘Zou ik eerst nog even gebruik mogen maken van het toilet?’ vroeg ik. Haar lodderoog bracht me in de war. Ik probeerde afwisselend in haar gezonde oog en dan in beide ogen tegelijk te kijken, maar daar begon ik zelf scheel van te zien en ik merkte dat zij dat merkte, dus keek ik twee centimeter naast haar blubbergezicht. Odette wees de weg naar de badkamer. Ze toonde me ook waar de slaapkamer was. Daar zou ze op me wachten, zei ze. ‘Kom op, Vince, je kunt dit,’ mompelde ik tegen het geraamte in de spiegel. Ik kreeg een aanval van acute diarree en ging zitten. Het gespeter echode in de porseleinen pot. ‘Denk aan die duizend euro en hoeveel shots je daarmee kunt kopen.’ Ik waste mijn handen. Op de lavabo stond een schaaltje met M&M’s. Ik grabbelde er enkele uit en stak ze gulzig in mijn mond. Ik kauwde en kauwde en slikte en slikte en toen ik de brij door mijn slokdarm voelde glijden, wist ik meteen dat de M&M’s al duizend jaar oud waren. En rot. Ik boog mij over de badkuip en braakte een regenboog. Daarna ging ik naar Odettes slaapkamer. Wat ik daar aantrof tartte werkelijk alle verbeelding. ‘Heb je ooit van trechterseks gehoord?’ vroeg Odette. Mijn mond viel open. Er stond geen bed in de kamer. In plaats daarvan lag Odette op een plastic zeil dat bijna de hele oppervlakte bedekte. Ze was naakt. Met beide handen hield ze een trechter vast die haar bloem bedekte. Ik wist niet waar ik eerst moest kijken: naar de kooi in de hoek waarin een naakte man met anderhalve arm zat, gemaskerd in een lederen SM-kap – hoogstwaarschijnlijk meneer Peperzak – of naar de vuile vleeshoop die op mij lag te wachten. Odettes lichaam was een tapijt van puisten, kwabben, korsten, schilfers, schimmel en huidplooien waar je een ganse familie vluchtelingen in kon verstoppen. Er speelde muziek. Ene Willy Sommers zong Als een leeuw in een kooi, waarop Peperzak zachtjes begon te grommen. En de stank, jezus, de stank in die kamer was niet te harden. Ik wilde niet weten wat het was, maar hoorde mijzelf de hele tijd denken dat het Odettes zieke huid was. Ik hoopte dat ik haar niet hoefde aan te raken. Ik walgde van de gedachte dat haar bloot vlees het mijne zou beroeren en ik stond op het punt om me om te draaien en weg te rennen toen ze zei: ‘Wees niet bang, je hoeft me niet aan te raken.’ ‘O,’ zei ik. Er viel een enorme last van mijn schouders. ‘Je hoeft alleen maar in de trechter te pissen.’ Ze stak het uiteinde van de trechter in haar snoepdoos en grinnikte. ‘Mijn man en ik worden daar geil van, zie je.’ ‘Gewoon in de trechter pissen?’ vroeg ik. ‘Dat is alles?’ Het was moeilijker dan het leek. Ik had namelijk zonet mijn blaas geledigd tijdens het kakken en ik was zo goed als gedehydrateerd. ‘We zouden graag hebben dat je het naakt doet.’ Als het dat maar is, dacht ik. Ik knikte en begon mijn hemd los te knopen. ‘Op die schoenen na.’ Ze wees naar de hoek aan mijn linkerkant. Daar stond een enorm paar orthopedische schoenen. De ene zool was immens, de andere min of meer normaal. Ik keek naar Odette. Ze had een lang en een kort been. Het verschil was zeker tien centimeter. Ik wist het. Ik wist dat er iets met haar scheelde, ook al had ik niet meteen door wat het precies was. ‘Je wil dat ik die schoenen aantrek?’ ‘Ja. En dan mag je in de trechter pissen.’ Ik kleedde me helemaal uit en stak mijn voeten in de schoenen die veel te groot en zwaar voor me waren. Toen bedacht ik me dat ik niet zou kunnen pissen. Zelfs geen druppel. ‘Dan moet ik eerst wat drinken,’ zei ik. Met de reusachtige schoenen strompelde ik naar de badkamer, waar ik me aan het kraantje laafde. Ik dronk tot ik een klotsende waterbuik had. In mijn ooghoek zag ik mijn productie in de toiletpot. Ik besefte dat ik daarnet was vergeten door te spoelen. Ik deed het alsnog en dronk nog meer water. En nog meer. En ik spuwde in het schaaltje met M&M’s. ‘Het zal nog even duren,’ zei ik tegen Odette. ‘Voor ik kan pissen, bedoel ik.’ ‘Doe je dit werk al lang, Vince?’ ‘Ik… eh… nee. Eigenlijk niet.’ ‘Geeft niet, hoor.’ ‘Het is mijn eerste keer,’ bekende ik. ‘O.’ Odette veranderde van zithouding. Dat scheen een zware inspanning voor haar te zijn. Ze hijgde. Op haar voorhoofd stonden zweetdruppeltjes. Ik zweer het je, ze veroorzaakte een luchtverplaatsing om u tegen te zeggen. De walm sloeg in mijn gezicht, warm en vochtig. Ik kon hem smeren. Het geld pikken en gewoon weggaan. Ze zouden me nooit te pakken kunnen krijgen, maar op een bepaalde manier had ik medelijden met hen. Ik mocht dan wel wanhopig zijn, ik had nog altijd een bepaald normbesef. Stelen van gehandicapten deed je nu eenmaal niet. Mijn blaas begon op te spelen. Eindelijk. ‘Ik denk dat ik kan,’ zei ik. ‘Laat maar komen.’ Odette likte haar lippen. Peperzak gromde wellustig in zijn kooi. Hij steunde op zijn stompje en trok zich af met zijn goede arm. Ik liep naar Odettes gigantische lichaam en ging boven de trechter staan. In eerste instantie kwamen er enkel wat druppeltjes uit, wat later volgde een heuse straal okerkleurige urine. Ik mikte alles in de trechter. Odette kreunde en ik zag hoe Peperzak onrustig werd in zijn kooi terwijl ik maar in die trechter bleef zeiken. Er leek geen eind aan te komen. Het was een raadsel waar ze al die urine stockeerde. Anderzijds, haar lichaam was zo groot als een havencontainer. Om een of andere reden begon ik aan dat lachwekkende stompje van Peperzak te denken. Ik vroeg me af wat er met die geamputeerde arm gebeurd was. Ik bedoel, die gozer was toch de rechtmatige eigenaar van zijn eigen ledemaat, dus ik zou denken dat hij hem mee naar huis heeft genomen. Al kon ik me wel inbeelden dat er ethische en hygiënische bezwaren waren en dat zo’n arm daarom bewaard werd in het ziekenhuis. Of vernietigd, maar dat zou zonde zijn, want ik geloofde in tweedehands. Als die arm zich nog in het ziekenhuis bevond, dan had Peperzak toch bezoekrecht, niet? Het volgende wat ik me afvroeg was wat de bezoekuren dan zouden zijn. Golden er andere regels dan bij volledige patiënten? Een poosje later was mijn blaas leeg. ‘En wat nu?’ vroeg ik. Peperzak blafte en zonder me te waarschuwen trok dat goor wijf die trechter uit haar bloem. Het klonk als het ontstoppen van een gootsteen. Ongelogen. Toen kwam de tsunami. Odette had al mijn urine in haar onderbuik opgeslagen en stuwde die nu naar buiten met een oerkreet. Even waande ik mezelf in een verloskamer. De pis stroomde langs mijn voeten. Gelukkig had ik die monsterlijke schoenen aan. Toch kon ik de neiging niet weerstaan om de dampende vloed te ontwijken. Ik zette één stap naar achter en één opzij. Plastic en pis was een glibberige combinatie. Ik gleed uit en viel voorover. Met een smak kwam ik terecht op de deinende vleesmassa die Odette was. Haar huid stonk naar bedorven gehakt. Vervuld van walging krabbelde ik weer overeind. Met elke beweging die ik maakte leken mijn benen onder mij vandaan te glijden. Mijn vingers verdwenen in haar vleesplooien. Ik viel nog een keer, op handen en knieën. Uiteindelijk slaagde ik erin om op te staan en naar de deur te strompelen. Ik hield me vast aan de deurpost. Mijn handen plakten. ‘Zijn we klaar hier?’ vroeg ik. Niet dat het veel uitmaakte, want ik was sowieso van plan hem te smeren. ‘Ja schatje, je kan gaan.’ Ik grabbelde mijn kleren bij elkaar en maakte me uit de voeten. Nog half nat van mijn eigen pist kleedde ik me aan in hal. Daarna nam ik het geld van de commode. Ik telde de biljetten. Twintig stuks van vijftig euro. In de verte jankte Peperzak als een verwaarloosde straathond. Ik was misselijk. Ik had dringend een shot nodig om deze ellende te vergeten. Ik wankelde naar buiten. Bijna struikelde ik over mijn veters. Ik belde mijn dealer. ‘Ik ben er over dertig minuten.’ God, wat was ik blij om zijn stem te horen. De autorit had een kalmerend effect op me. Ik reed met de raampjes halfopen. Op de radio zong Sheila E: We all want a love bizarre. Gelijk had ze. Het inrijden van de straat van mijn dealer voelde als een hemelvaart. Ik parkeerde mijn wagen en strompelde kokhalzend naar de voordeur. ‘Vince, je ziet eruit alsof je overreden bent door een tank,’ zei Rizzo. Hij liet me binnen in zijn kraakpand. ‘Je gelooft nooit wat ik zonet heb meegemaakt.’ We gingen op een versleten matras zitten. Er zaten overal gaten en de gele vulling wurmde zich naar buiten als etter uit een puist. Ik overhandigde Rizzo het grootste deel van het geld. De rest bewaarde ik voor eten. Het eerste wat ik zou kopen was een vers zakje M&M’s om die wrange nasmaak uit mijn bek te wassen. Terwijl ik Rizzo over mijn eerste avond als gigolo vertelde, prepareerde hij een shot voor mij. Rizzo schaterde van het lachen. Ondertussen spande hij mijn arm af boven de elleboog. En hij bulderde. Hij zocht een ader tussen de geïnfecteerde prikwonden. Hij vond er een en prikte. Die korte, scherpe pijn was een geschenk. In het buisje ontlook een bloedbloem. Onmiddellijk daarna drukte Rizzo de zuiger in en dreef de vloeistof in de ader. Enkele ogenblikken later voelde ik hoe de heroïne door mijn bloedbanen kroop en de waanzin van me afgleed. ‘Laatst was hier een gozer,’ begon Rizzo toen hij uitgelachen was, ‘die wat speed en coke kwam kopen. En hij vertelde me een mop. Hij beweerde dat hij ze tijdens een lucide droom had verzonnen. Kun je dat geloven?’ ‘Nee.’ ‘Moet je horen.’ Rizzo gooide de spuit weg en terwijl ik mij neerlegde op de matras, begon hij te vertellen. ‘Een vrouw en haar man zijn bezig met hun wekelijkse wandeling. Ze passeren de praktijk van hun gemeenschappelijke tandarts en de vrouw zegt: Ik heb best medelijden met hem. Hij is zo eenzaam en alleen maar bezig met zijn werk. Haar man geeft haar gelijk en ze vervolgt haar betoog. Weet je wat. Ik zal hem eens verblijden met een pijpbeurt. Dat zal hem goed doen. Dus ze gaat naar binnen en komt een kwartiertje later weer buiten, trots omwille van haar goede daad. Zij en haar man maken hun wandeling af. De week erna gebeurt exact hetzelfde. Ze zegt dat ze medelijden heeft met de tandarts omdat hij zo eenzaam is, gaat naar binnen om hem snel even te pijpen en komt terug buiten. En de week daarna opnieuw hetzelfde scenario. Als ze dan weer naar buiten komt, vraagt haar man: Kijk, ik heb er niets op tegen dat je onze tandarts oraal bevredigt en zo, maar wanneer kom ik eindelijk eens een keer aan de beurt? Waarop de vrouw zegt: Ja, ik heb het er met hem ook over gehad, maar hij heeft liever niet dat je aan zijn leuter likt omdat je zo verschrikkelijk uit je bek stinkt. Het was de beste mop die ik in tijden had gehoord, maar de roes was zo sterk dat ik vergat te lachen.

Tom Thys
145 0

Mrs. Robinson

De radio luidde door de auto. 'God bless you Mrs. Robinson...'. De bestuurder zette de radio luider terwijl hij begon mee te zingen. Het was donker, alleen de lichten van de auto maakten de aardeweg zichtbaar. De auto reed naast een donker bos. 'hey Mrs Robinson...' zong de bestuurder. De man keek door zijn achteruitkijkspiegel en zag een zwarte gedaante. Hij glimlachte en reed rustig verder, alsof er niets was gebeurd. De bestuurder draaide naar links, een andere donkere aardeweg in. Hij was nu volledig omringd door bomen. Daarnet was er nog een aardappelveld rechts van de auto maar nu waren enkel de donkere dennenbomen zichtbaar. De lichten van de auto gingen aan en uit. De bestuurder reed rustig verder, alsof het compleet normaal was. Het liedje, die in de auto afspeelde, klonk niet meer zuiver en begon te kraken alsof er insecten kropen in zijn radio. De auto reed nog steeds verder en sloeg, voor een laatste keer, een andere weg in. De bestuurder drukte zijn voet lichtjes op de rempedaal terwijl er een donker huis verscheen die in het midden van het bos stond. Een vrouw stond aan de oprit te wachten. Ze knipperde haar ogen niet maar bleef kijken naar de auto van de man, die nu uitstapte. Er was niet veel te zien in de duisternis van haar gezicht. Je kon alleen zien dat het een vrouw op leeftijd was. De lichten van de auto knipperden nog steeds, zelfs toen de auto niet meer aan lag. De vrouw en de man stonden recht tegenover elkaar. Voor een volle minuut zeiden ze niets. 'Mrs. Robinson' zei de man uiteindelijk met een vreemde stem, alsof zijn woorden achterstevoren werden uitgesproken maar dan weer normaal werden gezet door audioapparatuur. De oude vrouw knipperde met haar vingers. De deur van het huis ging open. De deur kraakte als een echte deur uit een horrorfilm. De man stapte op een trap, die naar de deur leidde. Voor de ingang stond een klein balkonnetje met een schommelstoel. Hij keek even richting de stoel en zag een arm op het zitvlak liggen. Het bloed lag rond de stoel gestrooid, alsof iemand had gemorst tijdens het eten. Mrs. Robinson stond achter hem. Hij voelde hoe ze in zijn richting keek. De man liep verder, door het deurgat. De living van het huis was behoorlijk leeg. Er was enkel een sofa en een haard, die fel vuur weerkaatsten in zijn ogen. Mrs. Robinson liep ook naar binnen, in het huis. Ze liep direct naar een hoek in de kamer en keek nog steeds richting de man, zonder te knipperen. Een andere man verscheen in de zetel, die voor de haard stond. Hij had een zwart pak aan met een fel rode das. De man had maar één arm. Hij draaide zich om en keek richting de bestuurder. 'Uilen zullen vliegen door de wind' zei de man vanuit de zetel. De bestuurder knikte, hij leek volledig te begrijpen wat er gaande was. De man stapte richting het haardvuur. Een zwarte spiegel verscheen voor de zetel waarin de andere man zat. In de zwarte spiegel was te zien hoe iemand de arm van een man met een rode das afhakte. Mrs. Robinson, die nog steeds in de hoek stond, lachtte hard. De man met een arm stond op vanuit de sofa en stapte in de zwarte spiegel. De man, die in de auto had gezongen, volgde. De man met de rode das had zijn arm terug. De andere persoon nam een hakmes en amputeerde de arm van de persoon. Een grammofoon speelde 'Mrs. Robinson' af terwijl de man rustig keek naar zijn arm die op de grond lag. De man, die de andere persoon zijn arm had afgehakt, stapte weer in de zwarte spiegel. Hij stapte in zijn auto en begon te rijden. Hij zong mee terwijl er op de radio 'Mrs. Robinson' werd afgespeeld. De man keek naar rechts en zag een oude vrouw naast hem in de auto zitten. Ze knikte toen er duizenden uilen door de ramen van de auto stormden en het hoofd van de bestuurder verbrijzelden tot hij dood was. De man, zonder hoofd, liep weer door een zwarte spiegel en stapte in zijn auto. Z'n hoofd was weer terug. 'God bless you Mrs. Robinson' zong hij..

Nova
6 0

Tje

Het spijt me, lieve vrienden. Deze week geen gewone column, maar een columnpje. Een blogpos’je, zeg maar. Ik schrijf op dit moment dan ook geen zinnen, nee, ik typ woordjes op mijn laptop in een gezellig barretje, waar ik straks met het kaartje 7 euro’s en 40 centjes betaal voor mijn koffietje, fruitsapje en bruiswaterke. Nee, het kasticketje moet ik niet hebben. De wereld is geen kleuterschool. Niet alles moet verkleind, vercutesiepied en verknuffeld worden. Vooral het middenstandje heeft hier een aangeboren talent voor. Maar een rekeningske van 98,99 euro, blijft een factuur van 100 ballen. We schuiven toch ook niet aan in file’tjes van een vijftal kilometertjes? We staan godverdomme anderhalf uur stil. In de andere richting moeten we dingen ook niet groter maken dan ze zijn, gewoon omdat dat beter klinkt. Als je dokter je vertelt dat je een tumor hebt, maar nog wel 60 volledige dagen te leven hebt, betekent dat nog altijd dat je binnen twee maand langs de minst leuke kant van de bodem ligt. In de donkere periode van m’n leven dat ik nog naar de kapper ging bij de gemanicuurde racistische zwijnen van Kreatos, mocht ik elke keer tijdens het wachten mijn nameke op een papiertje schrijven. Want blijkbaar ben ik 6. Tot ik een keer zo opgewonden raakte tijdens de hoofdmassage aan de wasbak dat ik daar een kapster door mijn boxershort en broek heen recht in haar van blokjes voorziene muil heb gespoten. En dan wel, natuurlijk. Dan maken ze er ineens iets groots van. Ik heb haar gezegd dat het een ongelukske was, en dat dat allemaal makkelijk weg te slikken of spoelen was met een watertje of een douche’ke. Maar het spreekt voor zich dat ze daar nadien mijn nameke kenden en ik op zoek moest naar een nieuwe plek om mijn haartjes te laten knippen. Onlangs ging ik naar zo’n wellnessgedoe voor een sportmassage en zei de vriendelijke vrouw aan het onthaal dat ik mocht meegaan met haar collegaatje. Ik verwachtte dat een vijfjarig massagewonder, of erger nog, een dwerg, zich tevoorschijn zou toveren van achter de balie. Laat het duidelijk zijn dat ik geen probleem heb met de kleinere medemens, maar het idee dat een dwerg met die rare vingertjes aan de op één na meest intieme delen van mijn lichaam gaat komen, is voor mij toch een brug te ver. Er valt over te discussiëren, maar Ik heb een min of meer volwassen lichaam, dat vraagt bijgevolg om behandeld te worden door voldoende grote, volwassen handen. Dat lijkt me maar logisch. Het collegaatje bleek gelukkig een volwassen vrouw te zijn en het feit dat ik noch van een kind, noch van een dwerg een massage kreeg, maakte me meteen ontspannen. Maar toen ze mijn tepels met haar tong begon te sportmasseren dat het geen naam had, raakte ik zo opgewonden dat ik door mijn wegwerponderbroekje door recht in haar muil heb gespoten. We konden er gelukkig allebei om lachen, maar het spreekt voor zich dat ik beter op zoek ga naar een andere plek voor m’n sportmassages. En zo is het altijd wel iets. Wanneer ik stop met typen, merk ik dat we 10 uur al ruimschoots gepasseerd zijn. Dus wenk ik de serveuse en zeg ik wat ik al heel de ochtend heb willen zeggen, maar heb weten te onderdrukken. ‘Voor mij een Duveltje.’ Ik moet het toegeven, die verkleinwoordjes zijn eigenlijk nog zo’n slecht concept niet.

Hans Verhaegen
7 0

De schade beperken

Deze keer zou ze niet terugkrabbelen. Wil Heerenveen maakte haar rode sportfiets zorgvuldig vast met een dik kettingslot. Alsof iemand het in zijn hoofd zou halen om hier een fiets te stelen.   Camerabewaking. Wet van 21 maart 2007, waarschuwde een bord aan de ingang van het hypermoderne gebouw. Wil haalde een hand door haar haren en trok de kraag van haar hemd recht. Ze moest dit doen. Voor Elke en voor zichzelf.   Haar schoenen tikten luid op de steriel ogende tegels van de inkomhal. De onthaalbediende, een man met grijs haar en dunne lippen, keek haar zwijgend aan.   ‘Goedendag, ik kom voor Elke Jansen.’   ‘Vrouwenvleugel?’   ‘Ik neem aan van wel. Het is tenslotte een vrouw.’   De onthaalbediende keek haar emotieloos aan. ‘Identiteitskaart?’    Ze staarde naar de muur terwijl hij op zijn toetsenbord tokkelde.   ‘U dient uw badge op een goed zichtbare plaats op uw kledij te bevestigen. Uw identiteitskaart kan u na uw bezoek ophalen. Heeft u iets bij om aan de gedetineerde te overhandigen?’   ‘Neen.’ Had ze iets moeten meenemen voor Elke? Wil speldde de badge op haar houthakkershemd.   ‘U kan uw tas in de lockers aan de overkant opbergen.’   Ze wachtte tot de onthaalbediende nog iets zou zeggen, maar hij wendde zich tot een man die achter haar stond. Het was een grote man met een getaande huidskleur, die haar vanonder zijn borstelige wenkbrauwen met droeve ogen aankeek. Hij had een Tupperware-doos bij. Hij volgde haar blik. ‘Briwat, gebak met amandelen. Mijn vrouw is er gek op. Het zijn de kleine dingen die je het meest mist, hier.’   ‘Je komt je vrouw bezoeken?’ vroeg Wil toen ze aan de lockers stonden. Het deed haar denken aan de kastjes waarin ze haar jas opborg wanneer ze naar een optreden in de Antwerpse concertzaal Trix ging.   Hij knikte kort maar vastberaden. ‘Elke dag. Op zaterdag kom ik met de kinderen. Die mogen maar één keer per week komen. Dit is geen plek voor kinderen. Maar ze moeten hun moeder toch zien.’ Hij speldde zijn badge op zijn T-shirt.   ‘Je gsm mag niet mee binnen,’ zei de man toen Wil haar smartphone in haar achterzak stopte.   Met enige tegenzin legde ze haar gsm in de locker.    Ze hoopte vurig dat de metaaldetector niet zou afgaan. Uiteraard gebeurde dat wel. De cipier wees naar haar navel. Wil volgde zijn bik. Het duurde een paar tellen voor het tot haar doordrong dat hij naar haar riem wees. Ze deed haar riem uit en stapte opnieuw door de metaaldetector. Het verbaasde haar niet eens dat het ding opnieuw afging. De portier wees naar de vloer. Wil hopte op een been om haar schoenen uit te doen. Er zat een groot gat in haar rechtersok. Haar kleine teen was gedeeltelijk zichtbaar. Zo te zien was het een tijdje geleden dat ze haar teennagels nog had geknipt.   ‘Je eerste keer?’ vroeg de man van het amandelgebak toen Wil op de vloer zat om haar schoenen weer aan te doen.   ‘Valt het zo hard op?’    Hij lachte vreugdeloos. ‘Mijn naam is Farid. Voor wie ben jij hier?’   ‘Mijn beste vriendin. En ik heet Wil.’   Ze liepen door een lege gang. Betonnen vloer, kale muren met smalle, verticale ramen. Daglicht was hier een schaars gegeven. Wil onderdrukte de neiging om de man te vragen waarom en voor hoe lang zijn vrouw hier zat. In een soort wachtruimte namen ze plaats op een lelijke, gele bank. Er zaten al een paar mensen, die allemaal naar hun schoenen staarden. Wil volgde hun voorbeeld.   ‘Het went wel,’ zei Farid.    ‘Ik hoop het.’ Een cipier opende een deur. Gedwee liep Wil achter de anderen aan. De bezoekerszaal deed haar denken aan de refter van een middelbare school, maar dan met camera’s aan het plafond. Ze mochten niet zelf kiezen waar ze gingen zitten, maar kregen een tafel toegewezen.   Op internet had ze foto’s gevonden van de rest van het gebouw. Het was nog geen vijftien jaar oud en ontworpen door een gerenommeerd architectenbureau. Wil had lang naar een foto van een cel gestaard. Een bed met een lelijk, bruin laken. Een bureau met een stoel, een wastafel met een spiegel boven en een kleerkast. Hard neonlicht en een raam dat je slechts gedeeltelijk kon openen. Uiteraard met tralies voor. Het idee dat Elke de komende maanden in zo’n kamer moest doorbrengen, had haar kippenvel bezorgd. Een tiental vrouwelijke gedetineerden kwam de bezoekerszaal binnen. Elke droeg een spijkerbroek en haar versleten T-shirt van Anthrax, een van haar favoriete metalbands. Wil was erbij geweest toen ze dat T-shirt meer dan tien jaar geleden kocht, in een winkeltje niet ver van de Antwerpse Groenplaats. Elkes haar was vettig en ze leek wat afgevallen, maar verder zag ze er goed uit. Ze bleef even achter de stoel tegenover Wil staan voor ze ging zitten.   ‘Je ziet er goed uit.’   Elke staarde naar het tafelblad.   ‘Je hebt je eigen kleding aan, zie ik.’   ‘Wat had je dan verwacht? Zo’n oranje pak?’  ‘Eigenlijk wel. En een ketting met een metalen bal aan je voet.’   Nu glimlachte Elke ook. ‘Het is hier Guantanamo niet.’   Aan de tafel links van hen zat Farid tegenover een vrouw met kroezelig, zwart haar. Ze glimlachte naar hem terwijl hij schijnbaar argeloos over koetjes en kalfjes praatte. Zelf zei ze niet veel, maar er viel waarschijnlijk ook niet veel nieuws te melden.  ‘Hoe gaat het met je?’   Elke keek haar nog steeds niet aan. ‘Geweldig. Ik heb me nooit beter gevoeld.’    Wil keek naar haar handen. Het was eraan te zien dat de zomer voorbij was: haar knokkels waren rood en vertoonden al kleine kloofjes. ‘Ik kan me niet voorstellen hoe het is om hier te zitten.’   ‘Dat kan je inderdaad niet.’   ‘Moet je je cel met andere vrouwen delen?’  ‘Nee.’   ‘Da’s wel goed, dat je een cel voor jezelf hebt. Maar wel eenzaam, neem ik aan.’   Elke haalde haar schouders op.   ‘Wat doe je zoal de hele dag?’   ‘Sporten. En ik help in de wasserij. Ik lees ook veel.’   Wil kon zich niet herinneren dat ze Elke ooit een boek had zien lezen. ‘Wat lees je dan?’   ‘Wat er in de boekmobiel zit. Vooral stationsromannetjes en thrillers met een vreselijk voorspelbaar plot. En kookboeken. Vraag me niet waarom ze ons kookboeken geven.’   ‘Zal ik volgende keer wat boeken voor je meenemen?’   Nu keek Elke op. Haar groene ogen glansden. ‘Kom je nog terug?’   Er klonk iets kwetsbaar door in haar stem. Even had Wil het gevoel dat er een kind tegenover haar zat. Ze slikte een krop door. Het had haar vijf dagen gekost om haar moed bij elkaar te rapen. Twee keer was ze tot aan de gevangenis gereden. Daar was ze blijven staan, haar fiets aan de hand. Ze had het niet gekund. Naar binnen gaan, in de buik van dat kille gebouw, waar mensen de dagen aftellen op kale muren. Elke onder ogen komen.   ‘Natuurlijk kom ik terug. Zal ik iets lekkers meenemen? Het eten is hier vast vreselijk.’   ‘Dat valt wel mee.’   Het werd stil. Wil probeerde om haar blik te peilen, maar Elke wendde haar ogen weer af.   ‘Het is vast beter dan de macaroni van Liesbeth!’   Elke reageerde niet. Waarom begon Wil ook over hun kotgenote? Dat was verdomme tien jaar geleden. Liesbeth was een vreselijke kok, maar wanneer ze dronken thuiskwamen, was ze meestal de enige die nog de moed kon opbrengen om iets eetbaars te fabriceren en daar waren ze haar maar al te vaak dankbaar om geweest. Dronken zijn is de beste saus. Wanhopig zocht Wil naar de juiste woorden. Ze keek naar de rode en witte strepen op de vloer. Ze vormden een wirwar, een kluwen. Net als haar gedachten. Al vijftien jaar voerden zij en Elke ellenlange conversaties over de meest absurde onderwerpen. Urenlang konden ze met elkaar praten en filosoferen, in dronken of in nuchtere toestand. Maar vandaag stond er een muur tussen hen in. Wil schoof haar stoel wat verder bij de tafel vandaan. De poten schraapten luid over de vloer. ‘Je moeder zal wel balen dat ze haar handtas in een kastje moet achterlaten. Om van die metaaldetector nog maar te zwijgen.’   ‘Vast.’   ‘Heeft ze er niets van gezegd?’   Elke wreef over haar wang. Een vertrouwd gebaar. ‘Ze is nog niet langs geweest.’   ‘Oh.’   ‘Ik hoef haar ook niet te zien.’    ‘En Grace?’   Er sloop iets donker in Elkes blik. ‘Ik heb twee keer met Grace gebeld, maar ik heb haar gevraagd om niet langs te komen. Dit is geen plek voor haar en ik wil niet dat ze me zo ziet.’   Het drong met een schok tot Wil door dat zij waarschijnlijk de eerste was die Elke bezocht. ‘Sorry dat ik niet eerder ben langsgekomen.’   ‘Geeft niet.’   ‘Het spijt me, Elke. Van alles.’   Elkes mond vormde een dunne streep. ‘Je mag een paar van mijn geschiedenisboeken meenemen, als je terugkomt.’   Het viel Wil op dat ze als zei, en niet wanneer. ‘Geschiedenisboeken?’   ‘In de witte boekenkast in de logeerkamer. Vooral die over het Oude Egypte.’   ‘Ik wist niet dat je daarin geïnteresseerd was.’   ‘Natuurlijk wel.’   Wil had echt geen idee. Ze hadden het nooit over geschiedenis gehad. ‘Ik ga straks naar je huis en breng de boeken morgen mee. En ik zal de brievenbus leegmaken en de planten watergeven. Dat kan ik wel een paar keer per week doen.’   ‘Bedankt.’   Wil wilde graag gedaan zeggen, maar ze kreeg het niet over haar lippen. Ze had helemaal niets gedaan waarvoor Elke haar dankbaar diende te zijn. Integendeel. Jarenlang had Wil zichzelf wijsgemaakt dat haar vriendschap met Elke onverwoestbaar was, maar de afgelopen maanden was ze tot een onthutsend inzicht gekomen: elke vriendschap is voorwaardelijk. Natuurlijk maken we onszelf graag wijs dat dat niet zo is. Dat er mensen zijn die van ons houden en dat altijd zullen blijven doen – ondanks onze gebreken, wat we ook doen. Nog hardnekkiger is de illusie dat wij zelf in staat zijn om onvoorwaardelijke liefde te schenken. We willen heel graag geloven dat we perfect evenwichtige superwezens zijn die op een haast boeddhistische manier door het leven gaan, liefde verspreidend als heerlijk geurende bloemblaadjes, die we uitstrooien over iedereen die ons pad kruist. De waarheid is dat je zelfs de sterkste liefde of vriendschap kan breken. Dat er soms dingen gezegd en gedaan worden die blijven nazinderen, die barsten veroorzaken. Barsten die je niet kan herstellen. Soms rest je slechts één ding: de schade zoveel mogelijk beperken. Aan de lockers kwam ze Farid weer tegen. ‘Het lijkt me een lieve, jouw vrouw.’   ‘Dat is ze ook. De liefste vrouw die ik ken. Een fantastische moeder ook. Binnen elf maanden komt ze vrij.’ Hij deed een niet zo verdienstelijke poging om opgewekt te klinken.   Ze liepen naar buiten. ‘Mijn fiets staat hier,’ gebaarde Wil. Ze aarzelde of ze Farid nog een fijne dag zou wensen. Het leek zo misplaatst.   ‘Veilige thuisrit,’ zei hij.   ‘Jij ook.’   Ze keek naar zijn lichtjes gebogen rug tot hij tussen de auto’s verdween.   (c) Leen Raats Dit is het eerste hoofdstuk van mijn roman 'De schade beperken'.  Ontdek er alles over op www.leenraats.com

Leen Raats
26 0