Lezen

Dief en diefjesmaat (dicteetekst)

De maan hield het die winternacht op een zuinige sikkel, maar daar was Klaas helemaal niet rouwig om. Hij trok zijn bivakmuts strakker over zijn oren en verschool zich diep tussen de struiken van het stadspark.   Ongerust staarde hij naar de toegangspoort van de bib. Zouden ze slagen in hun missie? Hij rilde van top tot teen. Verduiveld, waar bleef zijn handlanger nu toch? Pieter had hier al lang moeten zijn.   Hij schrok op. Hoorde hij geen geritsel? De angst stokte in zijn keel. Twee kille ogen staarden hem aan vanuit het struikgewas. Hij werd bespied! Maar dan zag hij nog net een kattenstaart wegglippen tussen de rododendrons. Hij haalde opgelucht adem.   En dat was een grove misrekening, want ineens voelde hij een hard voorwerp tegen zijn achterhoofd, koud staal dat hem langzaam maar gedecideerd in de richting van de bibliotheekingang duwde ...   Zijn knieën knikten terwijl zijn belager hem stevig tegen de poort aandrukte. Klaas prevelde een schietgebed.   Maar plots hoorde hij een schaterlach. Hij draaide zich om. Het was Pieter. Die borg zijn schroevendraaier snel weer op. Klaas wiste het angstzweet van zijn voorhoofd en stikte haast van woede. ‘J-jij stomkop. Haal je fratsen ergens anders uit. Straks verraad je ons nog.’   Klaas nam een grote stok, bedwong zijn opwelling om Pieter een ferme tik te verkopen en probeerde vervolgens met al zijn kracht om het slot te forceren. Vergeefs, hij kreeg er geen millimeter beweging in.    ‘Wacht, dat lukt nooit. Ik heb een beter idee.’ Als een volleerde acrobaat klom Pieter fluks langs de regenpijp omhoog. Klaas zag hem nog net achter de dakgoot verdwijnen.   Meteen leek het alsof hemel en aarde tegelijk vergingen. Na een hevig gerommel volgde een luide plof. Met een stevige krachtterm erachteraan.   Kriep! De poort zwaaide open. ‘Hun schoorsteen is dringend aan reiniging toe’ sakkerde Pieter middenin een hoestbui. ‘Gelukkig hing de sleutel netjes aan het rek.’ Hij maakte een diepe buiging: ‘Welkom in het heilige der heiligen.’   Klaas knipte zijn zaklamp aan en gluurde naar binnen. Zelfs in het halfduister viel het hem op: zijn kornuit zat helemaal onder de roetvegen. Nu was het Klaas’ beurt om binnensmonds te grinniken.   Pieter haalde zijn schouders op en toverde een jutezak tevoorschijn. ‘De kunstboeken eerst’, siste Klaas. Ze schuifelden voorzichtig naar de rekken.   Twi-i-i-iet!! Een snerpende pieptoon doorbrak opeens de stilte. Pieter dook instinctief achter een stapel boeken, maar zag dan vanuit zijn schuilplaats hoe Klaas gebiologeerd naar zijn smartphonescherm tuurde en een vuurrode blos op zijn wangen kreeg. Het was een sms’je van zijn liefje.   Koortsachtig tokkelde Klaas een antwoord. ‘Oei,’ riep hij vertwijfeld uit, ‘schattebout, hoe schrijf je dat in ‘s hemelsnaam? Met of zonder tussen-n?’ Pieter moest ook het antwoord schuldig blijven.   Op de tast ging Klaas op zoek naar een orthografische reddingsboei. Hoera, linksonder: de driedelige Dikke Van Dale. Zweetparels verschenen op zijn voorhoofd. Het kattebelletje schoot maar langzaam op. Honnepon, snoezepoes, hartendief. Pf, wat een hersenbrekers.   Ondertussen had Pieter zich in de jeugdafdeling languit op een poef neergevlijd, handen onder de kin, op-en-top verdiept in een lijvig boek.   Hij ging zo op in zijn lectuur dat hij wat later geen barst merkte van de razendsnelle omwentelingen: gierende autobanden, plots aanfloepende tl-lampen en een grote schaduw die angstaanjagend naderde. Klaas zag intussen asgrauw. Zijn ademhaling stokte. Vluchten kon niet meer.   Boven hen toornde de rijzige gestalte van de bibliothecaris uit. ‘Heren, zo vroeg al op pad? Wat kan ik voor jullie doen?’   Klaas slikte zijn zenuwen weg en herpakte zich gewiekst: ‘Euh ... twee bibliotheekpasjes graag’. Tot zijn opluchting ging de man nietsvermoedend meteen aan de slag.    ‘Oef, dat was op het nippertje’, fluisterde Klaas. Zijn maat bleef evenwel in trance doorbladeren. Klaas gaf hem geïrriteerd een por. Pieter veerde meteen recht en begon ... aan een rondedansje.   ‘Eureka!’ riep hij enthousiast uit. ‘Wat een fantastisch nieuw businessmodel voor dit illustere topduo! Ook zin in een radicale carrièreswitch, ouwe gabber?’   Klaas begreep er geen sikkepit van. Hij staarde vol verbazing naar de titel van het boek: ‘De Grote Speelgoedencyclopedie’.   Pieter knipoogde schalks: ‘Maar hoe dan ook, echt een boek om te stelen ...’

Ikkeherman
0 0

Ten strijde, nu! (Kort Dictee der Nederlandse Taal, Boekenbeurs Antwerpen 2018)

Hebben jullie dat ook, dat jachtige gevoel? Nog maar net zijn de eerste pompoenen in ons contemporaine straatbeeld verschenen of daar komt die goedheilig man alweer in beeld.   6 december ligt nochtans nog een eindje weg, maar nu al zit onze elektronische brievenbus propvol met sinterklaasbrochures en reclames over kerstpakketten.   Waarom toch? Hoe bestaat het dat we nu al haastje-repje onze kerstspar en weihnachtsstol in huis halen? Ook die somptueuze reveillon met oudejaar ligt al geruime tijd vast.   Het is bizar: we leven constant in de toekomst. Zo regent het al paaseieren in februari, terwijl “terug naar school” zich zowaar aan het begin van de zomervakantie situeert. Waar is de tijd dat ik pas eind augustus schoolessentialia kocht zoals etuis, stylo’s en cursusboeken over venndiagrammen, parallellepipedums en de stelling van Pythagoras? Nu vind je op dat tijdstip enkel halloweenprullaria in de superetterekken.   Vakantie, nog zoiets. Door de vroegboekkortingen reserveren we cito presto onze excursie naar de Mediterranée of naar dat poepchique skiresort wanneer de vuile T-shirts en bermuda’s van onze vorige all-invakantie nog in onze reiskoffers zitten. En zelfs onze smartphone puilt uit van toekomstige afspraken, to-dolijstjes e tutti quanti.   Wat is er in ’s hemelsnaam mis met het zo vermaledijde heden? Weet je wat, laten we samen hic et nunc actie ondernemen: op de volgende Boekenbeurs brengen we samen een grote lit(t)eraire tegenbeweging op gang als ode aan het hier en nu, het hiernumaals!   Heybaberiebah, scherp de pennen!   Hé, doen jullie mee?   Kunnen we dat dan misschien even inplannen?  

Ikkeherman
30 0

ROCCO EN DE AIRCO

We staan nu ongeveer iets meer dan 3 weekjes met bijna allemaal dezelfde buren op  de camping. Komt daar eergisteren ineens een mega caravan achter onze haag opgedraaid. Nog voor de Nederlanders goed en wel geïnstalleerd zijn, wordt de airco opgezet. Niets mis mee. Het is warm en als je zo’n luxeding bezit, dan mag je dat ook gebruiken om wat koelte in de rijdende monstervilla te creëren. Zelfs als de kampeerders zelf niet aanwezig zijn, zoemt en bromt dat pleureding de ganse namiddag. Af,  en een paar minuten later terug aan. Af en aan. Leuk is anders, maar ja je begrijpt ergens andermans luxe. Ergerlijk wordt het als je wil slapen en die airco tot half twee ’s nachts door ronkt. En om zeven uur ’s morgens springt dat kreng terug aan. Het is eind september en ’s nachts al behoorlijk afgekoeld, zo’n 10 a 14 graden slaaptemperatuur. Ik begrijp niet waarom die Nederlander ’s morgens met ijspegels op zijn snor wil wakker worden. Misschien zijn het passanten, denk ik, en na een slapeloze nacht zal ik de zaak nog even aanzien. Maar als ze dan een luifeltje doorrijgen en die airco opnieuw continu een ganse dag opzetten, wil ik vermijden dat er nog meer slapeloze nachten gaan volgen.  Ik stap met een glimlach op ze toe. “Hallo buurtjes, mag ik jullie eventjes iets vragen, kunnen jullie de airco misschien ’s avonds en ’s nachts afzetten, want het geronk houdt ons wakker?” “Nou mevrouw, hoe komt U erbij dat het onze airco is?” “Ja omdat wij hier al geruime tijd met allemaal dezelfde kampeerders staan en er niemand airco heeft, of lawaai maakte, en omdat wij bij jullie caravan kwamen kijken en konden vaststellen dat het gezoem en gereutel bij jullie vandaan kwam!” Wel, dit is niet mogelijk hoor, hé Djon”? Djon schudt overtuigend nee. “Jij zette onze airco toch rond zo’n uur of zeven uit, niet Djon?”  Djon knikt krachtig ja. “Nou wij waren het niet hoor en dan zegt die troela ineens:” MISSCHIEN KOMT DAT GEZOEM GEWOON UIT UW HOOFD?” Ik voel hoe mijn, ‘ik kom in vrede act’ onmiddellijk naar een ijstijdniveau zakt. Terwijl ik de neiging onderdruk om met mijn vuist haar vooruitspringende Hollande duimzuigtanden eventjes in haar mond te corrigeren, glimlach ik en kijk haar heel doordringend aan. “Ik hoop dat U een grapje maakt?” Eventjes is de toetebel van slag. Ze loert naar Djon: “Ja hoor een geintje gewoon om te lachen, hé Djon, maar wij waren het zeker niet!” “Ach” zeg ik, “ dan was het misschien wel nachtlawaai van die viscentrale langs de rivier, hier zo’n dikke kilometer vandaan. Dat ga ik dan deze nacht controleren en dan vinden jullie mij morgenvroeg, met een geel hesje aan, demonstrerend aan hun ingang”. Of denk ik bij mezelf, dan trek ik vannacht jullie elektrische kabel uit het stopcontact.  Als die mensen nu gewoon hadden gereageerd met, ho, sorry wij waren ons niet bewust dat onze airco ’s nachts zoveel lawaai maakte, we houden er rekening mee...Maar zoveel trammelant en ontkenning. We zijn duidelijk in tijdperk van respectloosheid en egoïsme beland. Plots alsof ze beseft dat ze het plot verliest, verklaart de haaientandengeit, dat ze de airco speciaal voor hun hondje geïnstalleerd hebben en ze die misschien wel eens een ganse namiddag opgezet hadden. Als ze dan ’s morgens gaan fietsen of tochtjes met de auto gaan maken, dan sluiten ze Rocco op in de caravan en dan is het lekker koel voor hem. Er flitst iets door mijn hersenen, want er staat zoiets in het campingreglement, dat je je hond ten allen tijde aan de lijn dient te houden en nooit alleen op je kampeerplaats mag achterlaten, noch in de camper, caravan of in de auto. Het hondje is een schatje. Hij wipt rond mijn voeten, geeft likjes aan mijn tenen en springt tegen mijn benen omhoog om geaaid te worden. Ik wil de zaak dan ook niet ten top drijven. We hebben geen airco meer gehoord. Niet meer ’s nachts en ook niet meer voor hondje Rocco. ’s Anderdaags zagen we deze liegebeesten ’s morgens richting strand fietsen waar de honden nog steeds verboden zijn, dus zonder Rocco. ’s Middags vertrokken de Hollandse Pinokkioneuzen met de auto op uitstap, zonder de hond. Laat in de namiddag hoorden wij de autoportieren open en dicht gaan. “Djon, ik ga nog eventjes naar het zwembad hoor, laat jij effe de hond uit? “Ja hoor, eventjes snel, ik kom zo naar het zwembad.” De caravandeur gaat open en ik hoor Djon tegen zijn hondje zeggen. “Dag schatje, wat lijk jij blij dat je ons weerziet. Wij gaan eventjes snel een plasje maken, kom op” Daarna moet Rocco weer de caravan in, want aan het zwembad zijn de hondjes niet gewenst. En de airco mag niet meer aan van die stoute Belgische klagermevrouw hiernaast, hoor ik Djon bijna hardop denken.     Sim, al twee dagen en nachten zonder brommende airconditioning  19/9/2019 Agde  

Sim
103 0

THE KILLING FIELDS

Hoe het deze week mogelijk is weten wij niet, maar vanaf het moment dat wij borden op onze kampeertafel zetten, komt er een roedel vliegen op verkenningstocht. Een patrouille zoemt zich een rondje over onze glazen, borden en servietjes richting barbecue en terug. Manlief houdt de wacht en verdedigt het fort met een vliegenmepper. Gek dat wij onze Nederlandse overburen tijdens lunchtijd nooit met een vliegenmepper in actie zien. Maar natuurlijk, wie zou, als je zelf vlieg moest zijn, voorkeur geven aan een Royco minutesoepje met een restje baguette.  Dan zou ik ook opteren voor die Bourgondische etentjes van die Vlamingen. Wij begrijpen niet dat die vliegenbende zonder neus en aantoonbare oren, blijkbaar op een kilometer afstand kan ruiken en zien dat er iets op onze tafel gezet wordt. Nog maar net plaatsen wij een schoteltje oesters, scampi, gamba’s, gevulde inktvissen, een paëlla of een op de barbecue gegrild visje op onze tafel of de niet uitgenodigde zoemgasten proberen mee aan te schuiven. Geduldig wapperen wij met onze handen over onze borden en zetten zelfs op een meter afstand een speciaal lokbord met de graten, vellen en schelpen zodat ze daar hun feestdis ongestoord kunnen verderzetten. Tevergeefs, een mooi gedekte tafel en een gezellig gezelschap lijkt hun leuker.  Wat ze nog niet doorhebben is dat dat dikbuikige grijze mannetje, met het Dokter Spock-oortje en zijn niet weg te denken glas rode wijn, een onovertroffen seriemoordenaar blijkt te zijn. Mijn persoonlijke Pol Pot zwaait en klopt de vliegenlijven tot spijs. Hij spreekt ze zelfs in het Frans toe. Afschrikken in de eigen taal! Voilà, ils ont laissé leurs fromage, (zij hebben hun kaas gelaten) roept hij.  Encore une fois, weer één , mort comme une jetée (dood als een pier). Maar de vliegenjonkies laten zich nog niet echt afschrikken. Pats, twee bacteriebommen tegelijkertijd! Ils ont donné la pipe à Martin ( zij hebben de pijp aan Maarten gegeven). Wij ruimen de tafel af en onmiddellijk verdwijnt de meute insecten. Ons grondzeil ligt echter bezaait met lijken, ‘the Fly Killing Fields!’ Waarschijnlijk gaan de overlevenden nu, tot aan het diner, ergens op geurafstand een siësta houden . Ze zullen lang kunnen wachten, want wij gaan straks lekker uit eten. Dat ze de Nederlanders aan de overkant maar wat gaan irriteren! Sim, Agde 14 september 2019

Sim
19 0

SCHIPPER MAG IK OVERVAREN, JA OF NEE?

Toen we daarstraks naar het zwembad wandelden, kwam er een  Nederlands ouderpaar met twee kleine kleuters luid zingend voorbij gestapt. “Joepie Joepie is gekomen, heeft mijn meisje meegenomen, maar ik zal er niet om treuren, gauw een ander meegenomen…”Hé, dacht ik, wat voor liedjes leerden wij onze kinderen toch? Wat een akelige kereltje was die Joepie Joepie! Was dat de plaatselijke gigolo, de schoolpestkop, een ontvoerder of een pedofiel? Je moest die Joepie Joepie maar tegenkomen en voor je het wist was jij je kalverliefde kwijt. Meer nog, je bleek er niet eens om te treuren want zonder aarzelen grabbelde je een nieuw lief vast. Hadden de meisjes in die liedjestijd niets in de pap te brokken? Waar kwamen toch al die gestoorde  wijsjes vandaan? Wilden wij met onze liedjes onze kinderen misschien voorbereiden op een leven dat ook wel eens niet zo prettig zou kunnen zijn? “ “In een klein stationnetje ’s morgens in de vroegte, stonden zeven wagentjes netjes op een rij, ‘k zag een machinisteke draaien aan een wieleke, akka, akke tuut tuut, weg zijn wij”. Wisten ze toen al dat het personeel bij de spoorwegen meer zou staken dan rijden en dat het puur geluk zou zijn als er een niet gesyndiceerde machinist die wagentjes in beweging kreeg? “Altijd is Kortjakje ziek, midden in de week maar ’s zondags niet, ‘s zondags gaat hij naar de kerk, met zijn zakken vol suikerwerk, altijd is Kortjakje ziek, midden in de week…” Ten eerste vind ik de namen van die melodiemannen heel slecht gekozen. Wie noemt er zijn kind nu in hemelsnaam Joepie Joepie of Kortjakje? Ten tweede, wie zegt er dat de tekst van het tweede liedje niet juist andersom had moeten zijn? Kortjakje ging ’s zondags naar de kerk, moest zich in de pastorij aanbieden en kreeg van de pastoor na wat gefoefel onder het korte jakje, er zakken vol suikerwerk voor. Niet moeilijk dat dat kind de hele week ziek en beschaamd was. Of wat denken jullie van de tekst: “Papegaai is ziek en hij moet sterven, maak een appelmoes al van conserven, voor onze gaai, voor onze allerliefste zoete papegaai. Papegaaike leeft je nog? Ijadea, Ja mijnheer ik ben er nog, ijadea, ‘k heb mijn eten opgegeten en mijn drinken laten staan, ijadea, boem” Als je voor je kaketoe dagelijks een pot appelmoes opendraait in plaats van zijn bakje met zonnepitten te vullen en hem alle dagen vraagt of hij nog leeft, dan ben je zijn gesnater waarschijnlijk strontzat. Breng hem dan naar het asiel of zoek een goed adoptieadres in plaats van hem langzaamaan met appelspijs en whisky in zijn drinkbak te willen vergiftigen! Nu kunnen wij onze kinderen wel ruimschoots op voorhand instrueren dat er maar één zekerheid is in het leven. Wij gaan allemaal vroeg of laat de pijp uit!  Maar om daar dan een jolig liedje rond te rijmen? “Klein Anna zat op éne steen, éne steen, éne steen.. Klein Anna, waarom ween jij zo, ween jij zo… omdat ik morgen sterven moet, sterven moet, sterven moet…” Kan iemand mij vertellen wie die kleine Anna was? Was dit een ongelukkige kleuter die juist na een doktersconsult een minder aangename kankerboodschap gekregen had of was dit juist een stokoud honderdjarig gekrompen vrouwtje? En in godsnaam, waarom zaten die kleine Anna’s op éne steen?? Hebben wij senioren in onze kindertijd niet te veel en te hard gezongen van: ‘k heb een tante in Marokko en die komt, ‘k heb een tante in Marokko en die komt, ‘k heb een tante in Marokko, een tante in Marokko, ‘k heb een tante in Marokko en die komt…singing I ja jiepi jiepi jé, singing I ja jiepie jiepie jé…” Wanneer liep het ergens mis? Had men ginds een slechte vertaling van het woordje “tante”? Alleen de tante… We kunnen natuurlijk ook onze kinderliedjes wat moderniseren. “Schipper mag ik overvaren, ja of nee? Moet ik dan een tol betalen, ja of nee? En dan zei de schipper: “Al wie rood aanheeft mag niet over!” Nu zouden wij kunnen zeggen: “Al diegenen die illegaal, zwart, minderjarig of zwanger zijn mogen niet overvaren, tenzij ze aan de mensensmokkelaars en de ngo’s een flinke tol betaalden.” Nog een actueel liedje: Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil er mee naar Engeland varen? Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken,Is er dan geen smid in ’t land, die de sleutel maken kan….. Gelukkig voor onze kleinkinderen worden zij nu groot met de liedjes van K3. Leren ze dansjes en zingen ze tot je er horendol van wordt van “Sweet Caroline en *Mooi weer vandaag”. Maar een paar liedjes vind ik persoonlijk nog steeds “antieke oma” toppertjes: “Ons bomma  heeft wc papier met bloemekes, met bloemekes, met bloemekes, ons bomma  is een heel moderne vrouw!” En “vivan bomma, patatten met saucissen, vivan bomma patatten met ajuin, en daarbij ne grote cervela tralala…”   Sim, Agde 9 september 2019 Tralalalalala  *Mooi weer vandaag, ik doe alles vandaag liever traag (Bart Kaël)      

Sim
408 0

Kamperen voor Dummies (vervolg) De keuze van het seizoen

We hebben het al uitgebreid gehad over de verschillende manieren van kamperen, of liever… leer leven met de beperkingen van je aankoop. Niet iedereen heeft de financiële mogelijkheden om een mobilhome of caravan te kopen. Soms moet je ook rekening houden met het trekvermogen van je voertuig. Dan biedt een tent of campingcar in beide gevallen een uitkomst, al is de campingcar natuurlijk kostelijker. Laten we aannemen dat je de nodige fondsen hebt om een campingcar te kopen… De campingcar staat hoger van de grond zodat de kans op natte slaapzakken tot het minimum wordt beperkt. Wees nu eerlijk dat klinkt al heel aantrekkelijk! Maar kan je auto het aan? Kies je bestemming dan zorgvuldig; zonder te veel hellingen of bochten. Als de vrachtwagens je voorbijsteken wanneer je enkel in eerste versnelling, met kreunende motor, als een slak naar boven kruipt dan kan je beter Nederland kiezen in plaats van de Ardennen. Voor zover de keuze van het kampeermiddel. Tijdens het Autosalon besluit je meteen een voertuig te kopen met voldoende paardenkracht zodat hierboven vermelde vernedering je wordt bespaard. Fijn! Je hebt het helemaal voor elkaar. Geen autobaan op deze aardbol kan je weerhouden om wanneer je maar wil op vakantie te gaan. FOUT. Zolang het weer niet te nat, te koud of te winderig is heb je geen problemen maar hoe later in het jaar, hoe meer je kans  hebt op een regenachtig, stormachtig, koud verblijf. Bovendien wordt het snel donker. Wil je niet met dikke duimen terug naar huis gaan, omdat je het verschil niet kan zien tussen de haringen die je in de grond moet kloppen en je hand, kan je best ter plaatse zijn voor de avond. Heb je extra verlichting bij? Prima! Je krijgt het idee om met een verlengd weekend in november naar een wintercamping te gaan in de Ardennen. Dus een weloverwogen campingkeuze. Je snort vrolijk de vrachtwagens voorbij, eens aangekomen stel je jouw spot op voor voldoende verlichting en de kinderen zitten veilig in de auto te wachten tot pa en ma de binnentent openklapt terwijl het stortregent. Dan besef je pas dat je campingcar is gemaakt met tentzeil dat langs de binnenkant niet mag nat worden omdat je door het aanzuigeffect van het water je knusse binnentent plots heel vochtig wordt. Je maakt de lussen van het dekzeil los en overlegt heftig met je partner hoe je dit gaat aanpakken. Ondertussen is je oudste kind uit pure verveling uit de auto gestapt. Het jongste kind kan niet uit haar maxi-cosy en brult verontwaardigd omdat ze alleen is en ondertussen glijdt je oudste spruit uit op de gladde grond. Als het gebrul in duet klinkt stijgt je bloeddruk en gaat je reactievermogen achteruit. Je partner is gelukkig een doordouwer, beschikt over een stem als een klok die de reeds aanwezige decibels moeiteloos kan overstemmen en roept:  ‘Als ik nu zeg klappen we het binnengedeelte tezelfdertijd open en zorgen ervoor dat de tent niet aan de binnenkant nat wordt. Hou je kampeerhamer en haringen klaar zodat de wind geen vrij spel krijgt op de zeilen.’ Je hersenen beseffen amper wat je hebt gehoord.  (NU!) Je worstelt met het openklappen om vervolgens als een Duracel-konijn met nieuwe lithiumbatterijen de zeilen strak te trekken tot je tong op je schoenen hangt. Je verzorgt de kinderen, inspecteert het binnenzeil op lekken om vervolgens volledig uitgeteld in je slaapzak te kruipen. Je vrienden komen even later aan met hun caravan. Ze wilden nog samen met ons een slaapmutsje drinken. Heel attent van onze goede vrienden die voorzichtig de ritssluiting openden en meteen wisten dat het slaapmutsje niet nodig was.

Fanny Vercammen
0 0

BROMBEER

Wat een brombeer. Telkens iemand uit de groep een voorstel doet, horen wij hem op een grommende manier zijn tegenkanting kenbaar maken. Niet dat we duidelijke woorden horen, zijn spraakorgaan blijft gesloten. In het iets lager gelegen keelgedeelte lijkt steeds een opkomende storm in aantocht. Wanneer het laag begint, is ook de toon laag. Hoe hoger de klank vertrekt, hoe hoger de toon. De hoge tonen zijn uitzonderlijk, en worden met pruttelende lippen, speekselbellen spetterend, beëindigd. De lage tonen overheersen en blijven lang nagalmen. Door de tegenstem moet telkens een nieuw idee gezocht worden. Toch blijft de stemming lang uitbundig. Nieuwe voorstellen borrelen regelmatig op. De meest spontane worden met gejuich onthaald. Behalve door de brombeer. We horen alleen zijn speciale manier van afkeuren. Naarmate de tijd vordert, komt zijn mening steeds duidelijker tot uiting. Het gebrom wordt luider en luider. De slag om frisse ideeën lijkt gestreden, alleen de voorsteller kan er nog mee akkoord gaan. De groep kijkt elkaar beteuterd aan.     ‘Zeg Peter, heb jij geen idee? Alleen maar grollen helpt ons niet vooruit.’     Met een snok komt Peter ’s hoofd omhoog. Met waterige ogen kijkt hij rond. Bij elk gezicht houdt zijn blik halt. Dan knikt hij even en draait hij naar een volgende kennismaking. Ook daar volgt hetzelfde ritueel, fletse ogen blijven een tijd staren, de knik met het hoofd, de speurtocht wordt verdergezet.     De mondhoeken blijven naar beneden gericht en als een vis in troebel water komt daar nog geen beweging in. Uit zijn buik vertrekt een nieuwe luchtstoot langs de borrelende keel. Het geluid verplaatst zich langzaam naar boven. In de mond eindigt deze met een bijna knorrend geluid. Plots haalt hij snel een zakdoek tevoorschijn. Met een vertrokken gezicht houdt hij deze een tijd voor zijn mond.     Met een diepe zucht veegt hij laatste restanten weg en propt zijn gevulde zakdoek weg. Wanneer het leed geleden lijkt, vouwt hij deze weer open, inspecteert de groene slijminhoud met een gezicht alsof hij terug gaat kokhalzen, klapt deze vieze brij nu samen en steekt die veilig in zijn broekzak. Zijn handen wrijft hij over zijn broek, bekijkt ze even, draait de handpalmen naar boven en herhaalt dit ritueel. Na enkele droge oprispingen laat hij zijn handen rusten tussen zijn benen.     Hij richt zijn troebele blik naar boven: ‘Sorry, wat vroeg je?’

Luc Van Roosbroeck
0 0

Kamperen voor Dummies (vervolg) Excursies Vercammen

    Voor de lezers van mijn blog www.fannyvercammen.be zal dit verhaal u niet verbazen omdat veel van wat er werd neergeschreven als tips ook proefondervindelijk waren. Met andere woorden: leren met vallen en opstaan. Omdat ik heden ten dage nog steeds geconfronteerd word met het hiernavolgend verhaal wil ik, jullie lezers, deze unieke blunder besparen. Er was eens… Tijdens een van onze vakanties kreeg ik het lumineus idee het dichtstbijzijnde dorp van waar we kampeerden te bezoeken. Om te voet, langs een prachtige fiets- en wandelroute tussen de wijngaarden van la douce France tijdens een wolkeloze warme dag omstreeks 10 uur, een slordige 5 km te gaan wandelen. Heen en terug 10 km. Met de auto een boogscheut, langs de kronkelende wandel- en fietsweg het dubbel van de afstand. We vertrokken goedgezind met ons vieren naar het pittoreske stadje dat we zo goed kenden om van een verfrissing en een hapje te genieten. De jongste dochter bleef op de camping met haar toenmalig vriendje die niet zo van wandelen hield. We ondervonden algauw dat onze gekozen route geen enkel sprietje schaduw bood. Naarmate we vorderden steeg de temperatuur, én de discussies, of dit wel een verstandige beslissing was. Optimist als ik was bleef ik volhouden dat het niet meer zo ver was en we, eens aangekomen, van de plaatselijke culinaire heerlijkheden met een fris wijntje konden genieten. Enfin het zou de moeite waard zijn! Drie uur later kwamen we uiteindelijk toe in het bewuste dorpje. Wat bleek? Alle winkels waren ondertussen gesloten... We zagen scheel van de honger en ons lichaam snakte naar iets vloeibaars. Moedig en jong als het toenmalige vriendje van onze oudste dochter was stelde deze voor om zelf al eens een kijkje te gaan nemen of er iets van horeca in de buurt open was. Hij zette het op een loop – het is nog altijd niet echt duidelijk of het een vlucht- of reddingspoging was – om na een tijdje terug te verschijnen met informatie. Hij was ergens binnengestapt in de hoop om alvast enkele belegde broodjes te bemachtigen en waar we terechtkonden om iets te drinken. Hijgend legde hij uit dat zijn Frans onvoldoende was om uit te leggen wat een belegd broodje was. De bereidwillige Fransman kreet uiteindelijk uit: ‘Haaa, des sandwiches!’ Dezelfde man kon onze koene ridder niet helpen maar een eindje verder, in het centrum van het dorp, zou een horecazaak ons wel kunnen helpen. Terug verenigd sleurden we ons voort naar het dorpsplein waar weliswaar een Romeins bad met fontein stond waar men echter niet van kon drinken (non buvable!). Blij als kinderen bespetterden we elkaar en verfristen onze rood aangelopen hoofden in het 2000 jaar oude Romeinse bassin. Dichtbij konden we eindelijk iets drinken en een kleinigheid eten wat de moed er terug inbracht tot we beseften dat we nog terug moesten. Mijn echtgenoot – zo maken ze niet meer – die een half jaar daarvoor een ingreep had ondergaan voor een heupprothese   wond zich behoorlijk op omdat had zich afvroeg of al die kilometers wel verstandig waren voor zijn revalidatie. Lievemoederen hielp niet, dus nam iedereen zijn moed in beide handen om de terugreis aan te vangen. Het wandeltempo zakte zienderogen onder de nog steeds stralend hete zon. Mijn echtgenoot en ik sukkelden verder met de moed der wanhoop terwijl mijn oudste dochter en haar vriendje vooruitliepen, voor de ergste nood te lenigen, naar de camping om flessen water te halen. Met ons tweetjes liepen we verder tot we een eenzaam huisje tegenkwamen van de plaatselijke schilder. Gelukkig was de man thuis en onze kennis van de Franse taal ruim voldoende om water te vragen aan deze sympathieke schilder. We deden een babbeltje en voorzien van twee flessen water gingen we terug op weg. We namen een binnenweg om de camping te bereiken. Kennis is macht! Tot grote verbazing van onze oudste dochter en haar vriend bereikten we de caravan. Als uit een mond klonk het:  ‘Zijn jullie de zus en haar vriendje niet tegengekomen?’  ‘Nee.’ Antwoorden wij naar waarheid. Op dat moment verscheen onze jongere dochter en haar toenmalige vriend duvelend onze kampeerplaats. Boos en ongerust vroegen ze ons waarom we elkaar niet waren tegengekomen. Blijkbaar had onze oudste dochter haar jongere zus verteld dat we in nood waren: uitgedroogd en kreupel. De misverstanden werden opgelost, het ongenoegen gecentraliseerd.  ‘Excursies Vercammen, nooit meer!’ Deemoedig gaf ik hun gelijk.    

Fanny Vercammen
0 0

brief met voetafdruk

Mijn dochter had zich aan het einde van de zomer  tot een klimaatbetoger ontpopt. Naar het voorbeeld van Greta Thunberg, haar tieneridool uit Zweden, spijbelde ze om naar het groene front te trekken.   Ze zou volharden tot de planeet gered was.   “Skolstrejk för klimatet” verfde ze in pekzwarte letters  op straat, net voor de oprit van haar leerkracht chemie,  een verdachte man waaraan ze de pest had, omdat hij naar verluid belangen had in een farmaciebedrijf dat in opspraak kwam voor misbruik van laboratoriumratten. Er verschenen berichten op de sociale media om de schooltas thuis te laten en Brussel te bestoken met hun onstuitbare jeugd. Brossen voor de bossen!  Meegesleept door haar geestdrift moedigde ik haar  met een vette knipoog aan tot een staatsgreep. Ze overtuigde haar moeder om haar wekelijkse steak au poivre te vervangen door tofu.     Toen we een vlucht planden naar Zuid-Afrika steigerde ze.   ‘Weet je hoeveel een straalmotor per jaar uitstoot en wat de voetafdruk is van een vliegtuigpassagier?’ ‘Houd jij de statistieken bij?’  vroeg ik haar.  Vroeger zou ik me geërgerd hebben aan de opgedrongen moraal. Maar ergens kon ze me overtuigen van een gedeelde schuld, sinds de hoogovens en koeltorens als paddestoelen uit de grond rezen. Elke maatregel komt te laat, zei de cynicus in me, maar ze had me ingepakt met haar overgave, dat wilde verzet dat ik herkende van toen ik als tiener tegen kernwapens betoogde.  Daarom traden we in haar voetsporen. Die zomer zouden we een klein hotel boeken aan de Semois en de trein nemen. ‘We kunnen ook met de fiets naar de Westhoek?’ zei ik, om er een schep bovenop te doen.   De voetafdruk van een treinreis in het binnenland was nog net aanvaardbaar voor Lies. Ze begon zich meer en meer te vereenzelvigen met haar idool die in Zweden was uitgeroepen tot ‘vrouw van het jaar’ en getipt werd voor de Nobelprijs van de vrede.   ‘Wist je dat Greta aan Asperger lijdt? zei ik, in een poging om een menselijker portret van haar boegbeeld op te hangen. ‘Asperger is een gave, geen stoornis’ zei ze.   Opnieuw stond ik schaakmat, de mond gesnoerd. Ik bewonderde haar zelfvertrouwen. Voor haar was het oordeel klaar, dat alle grote heren die de klimaatakkoorden hebben getekend een preek verdienen, dat ze evenveel valse beloften uitstoten dan broeikasgas. ‘Ze stelen de toekomst van hun kinderen’ zei ze als een boze grootmoeder. In maart streek een zwerm van betogers neer in Brussel, versterkt door een deel leerkrachten. Ik las hun slogans. ‘De dino’s zagen de komeet niet aankomen. Wat is ons excuus?!’ ‘Is the moon our plan B?’ ‘My boobs are huge but so is my concern for global warming’ Nog diezelfde maand reisde een energieminister met een privéjet naar de klimaattop en stemde ons land tegen.   De aanhang groeide. Naast de prins ook een leger wetenschappers, ambtenaren op rust, leerkrachten biologie, kunstgeschiedenis en maatschappelijke oriëntatie, verstokte hippies, yuppies met een baard van drie weken, asbestfabrikanten en veeboeren met gewetensbezwaren. Op een burgerplatform werden alle voorstellen gebundeld. Een minister nam ontslag onder druk en zei dat het protest ‘opgezet spel’ zou zijn. De gele hesjes voegden zich bij de betogers, scheidden zich in de Wetstraat af om te vernielen wat ze konden.  Het verzet ging viraal. Spijbelen werd hip.  De sociale druk steeg  en wie niet meeliep in de mars dreigde vrienden en duimen te verliezen.     De schooldirecteur van Lies voerde de strafstudie in  maar dat was olie op het vuur. Leerlingen wentelden zich nog meer in de loopgraven. ‘Stompzinnige straf.’ zei Lies, zeker van haar zaak. De morele balans was positief. Ik liet haar van school veranderen en zond in haar naam een pittige ontslagbrief, waarin ik haar argumenten aanhaalde.  ‘Ik wil er iets aan toevoegen’ zei ze.  Ze nam een blanco blad uit een lade en zette er een vuile schoen op.                         

Wim V
6 2

Gedaan

Hoe stevig ik ook denk op mijn benen te staan, is er niets dat mij meer doet daveren dan de realiteit die gepaard gaat bij het zijn van een vrouw.   Een meisje van amper 23 jaar heeft gevochten voor haar leven, maar het had niet mogen zijn. En dan volgt de vraag; ‘Wat als ze niet had gevochten? Wat als ze zich had laten verkrachten? Misschien had ze nog geleefd dan.’ Hier heb ik zelfs geen woorden voor. Gaan we nu echt haar tragische dood in haar eigen handen leggen? Had zij maar niet gevochten, had zij maar een andere route genomen of wat later, neen, misschien zelfs vroeger vertrokken. Echt? Is dit echt hoe we naar de situatie gaan kijken? Het is simpel, hij had haar NIET moeten proberen te verkrachten, hij had haar NIET moeten vermoorden.   Maar het is niet zo simpel, toch? Neen, als vrouw moeten wij maar op onze hoede zijn want we weten dat we de kans lopen op dit mee te maken. We weten dat er achter elke hoek er zich een nieuwe dreiging bevindt. Dus wij moeten maar leren om hier constant op voorbereid te zijn.   En het ergste van al is dat we hier het meeste van de tijd niet eens over nadenken, het is een automatisme geworden om voorbereid te zijn op wat er achter die ene hoek schuilt. Totdat er nogmaals een leven geruïneerd wordt, of in dit geval zelfs beëindigd wordt. Dan komt het in mij, in u en in haar op dat dit niet normaal zou mogen zijn.   Het zou niet normaal mogen zijn dat mijn sleutels geklemd zitten tussen mijn knokels. Het is donker, ik zet een stap buiten en ik heb ze al in de hand, je weet maar nooit. Of wanneer die ene persoon net iets te lang, iets te raar me zit aan te gapen dus neem ik mijn gsm in de hand en ik bel, eender wie of nog erger, ik doe alsof ik bel. Dan gaat hij me wel gerust laten, toch? Wat ben ik blij om in een straat met zoveel ramen te lopen, zoveel etalages want dan kan ik zien of iemand me volgt. Ik luister zo graag naar muziek, oortjes in en de rest van de wereld vergeten behalve wanneer het donker is. Ik wil kunnen horen of er iemand achter me loopt. In de verte staat er een groep, zal ik gewoon oversteken om hen zo te kunnen vermijden of kies ik er voor om een omweg te nemen? Oei, een klein groepje mannen in daglicht, gewoon doorlopen en geen oogcontact maken. Zo kan ik het niet uitlokken, toch?   Ik lijk wel paranoia, maar kan ik het paranoia noemen wanneer de dreiging zo reëel is?   En je zou denken, het gebeurt toch niet bij elke meisje of elke vrouw? Maar, toch wel. Er is geen enkele vrouw waarmee ik ooit gesproken heb die niets heeft meegemaakt. Ik merk ook op dat we dit minimaliseren. ‘Goh, neen, ik heb nooit echt iets meegemaakt. Buiten het gewoonlijke, een paar aanrakingen of opmerkingen maar echt nog wel oké.’ Hoezo oké? Dit is niet oké. Maar als vrouw zijn we gewend dat dit gebeurt. We weten dat het ons overkomt en nog zal overkomen. En het ergste van al? We zijn zo opgelucht wanneer het ‘maar’ die opmerkingen zijn of die subtiele aanrakingen want we weten dat er ons zoveel erger zou kunnen te wachten staan.   Ik ben 1 van velen.   Ik weet nog wanneer het begon. Maar wanneer stopt het? 11 jaar toen een man voor de eerste keer probeerde onder mijn rokje te kijken terwijl ik de trap op ging. Nog maar net naar het tweede middelbaar gaande toen het fluiten begon. Want tja, als je als meisje al een wat groter cupje hebt op jongere leeftijd, dan word je ook meteen doelwit zeker. Ik kom niet toe met mijn twee handen om het aantal keren te tellen dat die mannelijke chauffeurs dachten dat het oké was om als een gek te beginnen claxonneren wanneer ze mij voorbij rijden. Maar alé, dat is toch een compliment zeker? Ze vinden u knap. Ah, dus die mannen van boven de 30 voelen zich aangetrokken tot een meisje van 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21 en ondertussen 22. Ze claxonneren nog altijd. En ik verschiet ondertussen al iets minder hard.   Ik weet nog dat ik gevolgd werd in het donker toen ik met de hond ging wandelen, hij bleef opdringerig contact zoeken en wandelde doelloos mee. Toen hij dichter kwam had ik het geluk van een schat van een beest bij te hebben die met plezier hem bij me vandaan grolde. Of toen ik net van de bus was gestapt en aan het wachten was om te kunnen oversteken, de man naast mij vond het een goed idee om zijn lid boven te halen. Ik ben nog nooit zo snel overgestoken zonder zelfs nog maar deftig naar links en rechts te kijken.   Die ene groep bouwvakkers die hun werk stopzetten om allemaal te kunnen gapen en fluiten. Ik zeg wel die ene groep, maar het waren er zo veel meer. Al die eindeloze mannen die opmerkingen maken over mijn uiterlijk, meer bepaald mijn borsten. Ze passeren, ze komen dichter, ze knipogen en ze zeggen iets. En ondertussen krimpt mijn hart en mijn maag in elkaar, ik wil weg. Ook al duurt dit misschien 10 seconden, toch zit ik vol angst. En nadien opluchting, het was ‘maar’ een opmerking. Ze hebben me laten gaan.   En zeg het niet … ‘Tja met een decolleté is het niet moeilijk dat ze iets zeggen hé!’ Want het maakt niet uit, ze doen net hetzelfde wanneer ik als een slons buiten loop in een jogging. En dan nog, ik heb het recht te dragen wat ik wil. Wat ik draag geeft een man niet het recht mij aan te raken of mij op welke manier dan ook ongemakkelijk te doen voelen.   Talloze keren op de bus, ik voel ze staren en ik zie ze staren. Het lijkt wel alsof per ongeluk oogcontact maken met hen een bepaalde trigger is voor hen. Alsof ik hen groen licht heb gegeven. Dus ik kijk weg, hopende het zo te doen stoppen. Maar dan zie ik hem staren naar mij door de spiegelreflectie van de raam te gebruiken. 1 paar ogen gericht op mij, een hele busrit lang en met elke seconde die voorbijgaat voel ik me ongemakkelijker en onveiliger.   Ik was aan het wandelen op klaarlichte dag, een moment dat ik het gevoel heb net iets minder paranoia te moeten zijn. Tot er plots een man vlak voor mij kwam gesprongen. Hij stond zo dichtbij, ik bevroor. Ik wist niet wat doen, ik wist zelfs even niet meer hoe te ademen. Ik voelde me zo geïntimideerd en hij wist dit. Hij liep al lachend verder. Blijkbaar is het leuk om een vrouw te intimideren en haar de stuipen op het lijft te jagen. Ha ha ha.   Die ene avond op café, met die ene jongen die maar niet wou stoppen met me aan te raken. Het begon subtiel, gewoon eens mijn achterste aanraken en zelfs een beetje vast grijpen. En opnieuw voelde ik mijn hart en maag in elkaar krimpen. Ik probeerde ergens anders te gaan staan, tussen de mensen maar hij volgde me, greep deze keer stevig mijn onderrug vast en trok me dichter naar hem toe. Zoveel bang. Ik probeerde me subtiel los te maken door een vriendin vast te nemen en met haar te dansen. Ik durfde er niets van te zeggen want dat zou het erger maken. Ik zou me toch maar gewoon aanstellen. Hij probeerde nog een aantal keer totdat ik besloot weg te gaan. Ik kon niet blijven, niet op deze manier. Maar ik zweeg want .. Neen, waarom eigenlijk? Ik zou niet het gevoel mogen hebben dat zwijgen beter is, dat mij laten doen beter is.   Ik stond te wachten op de hoek van het straat, plots stopt er een man met zijn auto en hij begint tegen mij te praten. Hij vroeg of ik alleen was of misschien op iemand aan het wachten was. Ik zei dat ze er direct voor me zouden zijn, zo kreeg hij misschien geen ideeën. Hij gaf me ‘complimenten’, want wat was ik toch een lekkere poes. Daar stond hij, te lang naar mijn zin en me gewoon aanstarend. Alsof ik een prooi was. Uiteindelijk reed hij door.   Het was al donker, misschien zelfs 3 uur ’s nachts. Ik wandelde door ’t Stad naar huis. Onderweg kwam ik een man tegen, hij zei gewoon hey dus ik dacht oké dit valt nog wel mee, toch? Dus ik zeg vriendelijk hallo terug. Een paar honderd meter verder ondertussen en plots rijdt deze man naast mij met zijn auto. Hij vroeg waar ik woonde, wie ik was en van waar ik kwam. Ik bedacht voor elke vraag een leugen als antwoord. Mijn hart begon sneller en sneller te slaan. Hij bleef naast me rijden gedurende de hele weg. Hij stelde voor om eens bij hem iets te komen drinken of zelfs eten. Uiteindelijk deed ik alsof ik thuis aankwam en de sleutel op de deur stak, hierdoor reed hij verder. Ik kon terug ademen.   Die ene jongen, die ik eigenlijk zo graag zag maar het was gecompliceerd. Dus er kwam een einde aan. Hij wou 1 laatste mooie herinnering. 1 laatste kus maar ik wou dit niet. Ik had te veel aan mijn hoofd. Ik duwde hem weg en zei neen, voor de eerste keer in mijn leven zei ik neen en kwam ik voor mezelf op. Ik zei dat ik me er niet comfortabel bij voelde. Zijn antwoord was; ‘Soms moeten we dingen doen waar we ons niet comfortabel bij voelen’. Ik was verbouwereerd. Ja, soms moeten we uit onze comfort zone stappen maar niet nu, niet op deze manier. Niet wanneer het over mijn lichaam gaat.   Maar op zich, het valt allemaal mee. Het zou erger kunnen. We vertellen dit aan onszelf, aan anderen. Zonder te beseffen dat zelfs dit al te veel is. Ook dit zouden wij niet moeten ondergaan en al helemaal niet minimaliseren. Maar ik snap waarom want dit is onze realiteit, en toegeven hoe angstaanjagend deze werkelijk is en kan zijn, is zoveel moeilijker dan minimaliseren.   Maar erger bestaat ook, spijtig genoeg. Voor velen van ons, spijtig genoeg. 13, zo jong en tranen in mijn ogen. Mijn lichaam wordt in mijn matras gedrukt, ik heb bang en ik heb pijn. Maar ik vecht niet, ik wil niet beseffen wat er aan het gebeuren is. Ook al weet ik goed genoeg dat dit niet is wat ik wil. Maar ik zwijg, ik verbijt de pijn en ik sluit mijn ogen. Het zal zo wel voorbij zijn, maar het leek een eeuwigheid te duren. Niets was nog hetzelfde. Ik was nooit meer hetzelfde. Maanden en jaren nadien zweeg ik, dit was mij niet overkomen. Het kon niet waar zijn. Maar dat was het wel. Dat is het nog steeds en dat zal ook altijd zo zijn. Ik ben getekend, ik ben een deel van mezelf kwijtgeraakt. Ik ben niet alleen.   Maar het is niet alleen het seksuele geweld waar wij het slachtoffer van zijn. De macht van de man in het algemeen is waar wij slachtoffer van zijn. ‘Hij heeft mij maar 1x geslagen, het was zelfs niet zo hard dus het is wel oké’ ‘Hij heeft geroepen, mijn spullen kapot gegooid maar hij heeft mij niet aangeraakt dus het is wel oké’ ‘Hij is een beetje controlerend, checkt graag waar ik ben omdat hij zich zorgen maakt. Het valt echt nog mee hoor’ ‘Hij gebruikte een oud trauma tegen mij, maar hij had het gewoon moeilijk en wist niet hoe hij die gevoelens moest uitdrukken’ ‘Hij heeft mij bedrogen omdat ik hem slecht had doen voelen dus ik zal dit wel door de vingers zien, voor deze ene keer’ ‘Hij zei dat het maar gewoon uitschelden is en ik me er moet over zetten’ ‘Hij zei dat het nooit meer zou gebeuren’ Maar, het blijft nooit bij die ene keer. Mijn hart is gebroken, mijn tranen stoppen niet met komen maar de tijd van zwijgen is gedaan. We vragen niet veel, we vragen voor meer respect. Veiligheid. Gerechtigheid. Een luisterend oor.    

Nina
0 0

Niet russen

Het is 8 uur in de ochtend en de bakker stelt mijn karakter en mijn nuchtere maag serieus op de proef. Als proevertje serveren ze stukjes frangipane en appel nougatine taart met slagroom. Ik ben niet de enige in de rij met een gebrek aan weerstand. Een jongen heeft vooral oog voor de slagroomtaart. Zijn oma glimlacht. "Nee, die niet", zegt zijn mama. "Ge gaat smossen op uw nieuwe jas."   Het lijkt alsof kinderen tegenwoordig altijd een nieuwe jas dragen. Vroeger hadden we vesten waarop morsen toegelaten was. Tegenwoordig hangen er geen smosjassen meer in de kleerkast. Zonder dat zijn mama het ziet, kijkt de jongen heimelijk naar zijn oma, die al glimlachend haar goedkeuring voor het stuk slagroomtaart geeft.   Och, wie morst er nooit? In onze familie zit het in ons DNA. Dat hebben we officieel vastgesteld. Ik herinner me een familie-uitstap naar een steakrestaurant. De soep was amper geserveerd of alle familieleden hadden hun hemd met tomatensoep geverfd. "Nee, niet russen" (uit te spreken met een doffe 'eu', niet zoals de mensen in het land van Vladimir Poetin), zei mijn vrouw, terwijl ik aanstalten maakte om met mijn zakdoek over de grote vlek te wrijven, die eruitzag als de wijnvlek op het hoofd van de Russische oud-president Gorbatsjov. "Anders blijft het een plek."   Ze had natuurlijk volkomen gelijk, maar je probeert te vermijden om met die plek aan de saladebar te verschijnen. Wat uiteindelijk toch gebeurt, want hoe hard je 'rust' of de vlek nat maakt, het helpt geen zier.    Het jongetje staat ondertussen buiten bij de bakker en heeft warempel een toef slagroom op zijn nieuwe jas gemorst. "Wat heb ik nu gezegd?", vraagt zijn mama. "Vooral niet russen", fluister ik.   

Rudi Lavreysen
0 0