Lezen

CENSUUR

Het eens zo gevreesde woord boezemt me niet langer angst in. Het woordje censuur las ik voor de een of andere reden in twee stukken, namelijk ‘cense’, ‘gevoel’ in het Engels en ‘suur’ waarvan ik ‘zuur’ maakte. Bijgevolg: zure gevoelens. Vermits ieder mens fantasie heeft creëerde mijn linker – of is het rechterhelft – van mijn brein een niet al te fraai beeld van de Homini-censura. Een magere man in een donker pak met een brilletje op de punt van zijn neus, een magere vrouw met een streng knotje, smalle mond en het onvermijdelijke brilletje, waarover beiden je streng aankijken met een blik die doet vermoeden dat hun gevoel voor humor al bij de geboorte geamputeerd werd. Beiden gezeten aan groot bureau waarin een enorme versleten tapijt op de grond ligt, in een donkere kamer waar het daglicht door zware draperieën verbannen wordt.  Jij zit tegenover hen op een krakkemikkelig stoeltje doordrongen met de geur van angstzweet. Blijkt dat ik dit helemaal verkeerd heb ingeschat. Vergelijk het met politiemannen- en vrouwen in België die  bijna een ceremoniële functie hebben gekregen. Ze hebben wel een wapen maar ojee als ze ermee schieten .Zoveel moraal staat er niet meer op het spel. We hebben een open-debatcultuur, voorlichting, psychologen, psychiaters en allerlei mensen die moeilijke thema’s niet langer uit de weg gaan. Integendeel. We omarmen de wetenschap en verbranden vele ‘heilige huisjes’ om de delinquent te vergeven of te begrijpen. We zijn allemaal, of toch bijna, kinderen van de verlichting die niet sidderen voor God of Duivel. Natuurlijk zijn sommige thema’s, weliswaar gezegd of geschreven, zo aanstotelijk dat ze afschuw veroorzaken. Gruwelijke moorden, kindermisbruik, slavernij, uitbuiting, groepsverkrachting, volkerenmoord of vervolging van minderheden. We hebben het allemaal eens gezien, gehoord of besproken. Wie eraan twijfelt zet best het nieuwsbericht op. Er zit ongetwijfeld wel iets naar uw gading bij. U kunt kiezen voor het geschreven of gesproken woord. Wil je zelf iets publiceren  wees dan gewaarschuwd. Wil je het uitgeven? Begin te beven. Ik volg het programma ‘Master chef’ waarin  censuur wordt toegepast op drie koks die het hart uit hun  borstkast rukken tijdens het koken en samen opdienen met  gerechten die ze aan een aantal criticasters in chique kledij voorschotelen. De presentators beoordelen het zelf ook eens zodat er geen twijfel bestaat wie geveld gaat worden door het zwaard van Damocles. Dan worden de ongelukkigen verjaagd uit de tempel des heren met ‘good luck’, een vriendelijk woord. Geef toe het kan onpersoonlijker en onbeschaafder.  Maar ja dat staat niet sympathiek voor de televisiemakers. Nu zit ik met dezelfde angsten als de drie koks af te wachten of mijn grammatica, woordenschat, verouderd taalgebruik, komma’s en aanhalingstekens de eindtermen halen. Schrijven, het doet iets met je. Was ik niet te sarcastisch, te bout of onbeschoft, interessant of niet?  Censuur bestaat in grove of fijne penselen. Ga ik door, of moet ik het lot van zovelen op de slushpile delen? Het zwarte pak, het knotje en de strenge blikken zijn nu verdwenen door sympathieke mensen. De censuur blijft.

Fanny Vercammen
0 0

Puberale schromantiek

Het eerste jaar. Mijn eerste relatie heeft niet lang geduurd. Eén nacht om precies te zijn. Geen one-nightstand, dat begrip werd pas een jaar of tien later geïntroduceerd. Nee, ik heb het over de nacht waarin de junior versie van mezelf, ongeveer een jaar of dertien oud, zich slapeloos overgaf aan de euforie van een pas ontloken liefde. Pieter had ja gezegd.  De eerste schooldag van het eerste jaar middelbaar. Nadat het luidruchtige tienergeweld in klassen was onderverdeeld en de meute netjes naar hun klaslokaal schuifelde, zag ik hem. Pieter. De adonis van klas I6, de god van de economie-wiskunde, de held van het voetbalveld. Na zijn vroege groeispurt en opvallend smetteloze huid stak hij letterlijk en figuurlijk boven de doorgaans pukkelige puberjongetjes uit. Ik had niet veel nodig om verkocht te geraken. Ik zag hem maar af en toe. Op maandag, wanneer we het tweede uur Lichamelijke Opvoeding hadden, wist ik dat hij in het geschiedenislokaal zat. Op de derde rij, aan het raam. Ik zorgde ervoor dat ik, net op tijd, even op mijn tenen liep zodat ik een glimp van zijn blonde kuif kon opvangen. Op vrijdagnamiddag was het pas echt feest. Het wiskundelokaal, waar ik doorgaans lag te schuimbekken van verveling, bevond zich schuin tegenover het aardrijkskundelokaal. Wanneer ik ging dralen rond de vuilbak kon ik nét binnenkijken. Hij zat op de tweede rij in het midden. Na de les probeerde ik mijn buitengaan zo te timen dat we samen door de gang liepen. Of beter: dat ik ergens in zijn buurt kon lopen en hem met argusogen in de gaten houden. Zag ik dat nu goed? Het leek alsof hij terugkeek. Of was hij iets aan het zeggen tegen Thomas, zijn beste vriend? Ik kende intussen de namen van al zijn klasgenoten. Ik hield een logboek bij, waar ik ’s avonds minutieus in noteerde wanneer ik hem gezien had. Hoe hij zich gedroeg. En, het belangrijkste, of hij één of ander teken van herkenning gaf wanneer ik in zijn buurt was. Op de speelplaats verzon ik de meest inventieve smoesjes om mijn trosje vriendinnen toch maar mee te krijgen naar een punt vanwaar ik een goed zicht op hem had. Dat lukte soms. Alle andere pauzes waren verloren moeite. En toen werd het juni. Zo kwam mijn eerste jaar middelbaar ten einde. Weken lag ik wakker van de naderende zomer. Die eindeloos lange zomer waarin ik Pieter zou moeten missen. Pieter die geen flauw benul had van mijn bestaan. Pieter die, zonder het te weten, al 56 pagina’s lang de protagonist van mijn dagboek speelde. Ik had zijn klasfoto afgeprint en zijn hoofd liefdevol uit de foto geknipt. Het korrelige portret, dat in die tijd meer weg had van een knap staaltje pointillisme, stak ik in een medaillon. Het hoofd van Pieter reisde die zomer overal met me mee. En toch brak september weer aan. En stond ik op een grauwe maandagochtend op het speelplein veronderstellingen en doemscenario’s te maken met mijn vriendinnen. Over de klasindeling, de leerkrachten en de duo’s die aan de schoolbanken gevormd zouden worden. Pieter had ik al lang gespot. Hij was er nog, op het College. Gelukkig maar.Weer gingen de weken voorbij. Weer had ik vakkundig uitgedokterd op welke momenten hij in de buurt was. In de refter werd ik stilaan stoutmoediger en durfde ik al eens onbeschaamd staren naar hem. Tot onze blikken elkaar kruisten en ik me met een rood hoofd terug over mijn boterhammen met smeerkaas boog.   Het begin. Het einde. Ik had mijn geheim gekoesterd als een kostbare schat. Alleen mijn hartsvriendin, die mee was gekomen uit de kleine dorpsschool waar ik zes jaar lang in een veilige cocon had gezeten, wist ervan. Ze was ook op iemand. Uren mijmerden we over onze toekomstige vriendjes. We zouden de perfecte double date hebben, een synchrone relatie uitbouwen en een begrip worden op school. Die populaire daters toch. Wat een prachtige koppels. En iedereen zou jaloers zijn. Het zou niet meer lang duren. Maar toen ging ik in de fout.  De langlauftrip naar Ovifat die we in januari maakten, zou mijn idylle met Pieter voorgoed veranderen. De stralende winterzon had me die dag overmoedig gemaakt. In alle uitgelatenheid door ons gezamelijke zwoegen op het maagdelijk fonkeltapijt van sneeuw, verklapte ik mijn geheim. Aan Els. Terwijl ik sprak, drong de impact van mijn daad plots tot me door. Ik zag de blik van Els. Ik wist dat er iets ging gebeuren.Er zijn twee soorten mensen. Mensen die gewoon zwijgen en meeleven. Maar ook mensen die niet kunnen zwijgen en die, kost wat kost, het heft in handen willen nemen. Onder het mom van een goede daad, maar vooral voor hun eigen vermaak. Els behoorde tot die laatste categorie. Ze had een plan. De rest van het parcours, tot bij de busparking, probeerde ik haar op andere gedachten te brengen. Er hoefde niks geregeld te worden, mijn denkbeeldige relatie met Pieter was volmaakt.Talloze smeekbedes ten spijt, stapte ze met gedecideerde tred op hem af nadat we bij de rij bussen gearriveerd waren. Hij stond net aan een busje Capri-sun te lurken.Ik zag haar enthousiast gesticuleren en wijzen naar mij. Hij keek. Even voelde het alsof ik wegzonk in het sneeuwlandschap. Zijn klasgenoten volgden grijnzend zijn blik.Beschaamd begon ik verwoed te graaien in mijn Kipling rugzak. Toen ik bijna uitgegraaid was, zag ik dat hij nonchalant op me af geslenterd kwam.Els gebaarde naar mijn vriendin dat ze ons alleen moest laten. Ik had vooral als prioriteit ervoor te zorgen dat ik niet als een pudding in elkaar zakte. Toen hij voor me stond, verbaasde ik me over de blonde donshaartjes op zijn bovenlip. Het prille begin van zijn mannenstem. Het was bevreemdend om hem bij me te zien staan, bedacht ik, nog steeds met één hand in mijn rugzak. De busrit terug duurde eindeloos. Els ging in overdrive. Af en toe zag ik geniepige blikken van boven de - met vale hoesjes overtrokken - hoofdsteunen snel terug naar beneden duiken.Eens op school aangekomen, stonden we een beetje rond te draaien. Ik vroeg me af wanneer hij me eindelijk zou kussen. Ongemakkelijk had hij mijn vingers tussen de zijne genomen en gezegd dat hij me morgen terug zou zien. Die nacht sliep ik niet. Ik kon niets anders dan zuchten. Altijd maar zuchten. Mijn buik hield me wakker. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik vroeg me af wanneer hij me zou kussen. Hoe tergend traag liep de tijd, de aanloop naar ons weerzien. Stralend liep ik de schoolpoort binnen. Hij had me gezien, maar hij kwam niet meteen naar me toe. Dat vond ik een beetje raar. Ongemakkelijk deed ik alsof ik aan gesprekken deelnam. Intussen observeerde ik elke beweging die hij maakte. Eindelijk slofte hij naar me toe. Zijn ogen stonden ernstig.Wanneer zou hij me nu kussen? Hij kuste me niet.   Ik verbrandde mijn dagboek. De veraste snippers heb ik op een stormachtige onweersdag uit mijn raam laten waaien met Céline Dion, keihard op repeat, als enige getuige van mijn theatrale ritueel. Mijn liefde was gereduceerd tot een regen van zwartgeblakerde papierstukjes, waarop hier en daar nog een vage krul van mijn jongemeisjeshandschrift te ontwaren viel.     Tragische epiloog: Jaren later.  Ik zat op mijn kamer.Mijn moeder riep me, van beneden aan de trap.Er was telefoon voor mij. Een zekere Pieter. Ik herkende zijn stem meteen, al was deze onmiskenbaar mannelijker geworden dan de beginnende-baard-in-de-keel-versie die me destijds van mijn sokken geblazen had.  Hij vroeg me of ik hem nog kende. Ik bevestigde.Sorry dat hij nu ineens belde, na elkaar zo lang niet meer gezien te hebben. Met ernstige stem vroeg hij me:  “Wel…heb jij er ooit al eens aan gedacht om te beginnen met pensioensparen?”    

Ann Joris
8 0
Tip

Het is Robert Anker - Mechelen

Het is Robert Ankers stem die me wakker schudde. Wakker worden deed ik in de vertrekhal, is ook maar een woord. Zo blijven we bezig. De gesprekken die al in je drijven nog onuitgesproken, zo blijven we bezig. Leonie moet al op de toppen van haar tenen gaan staan voor een glimp van de zaal met taal, of noemde ze Justine, zo blijven we bezig. Maar het is een bewijs dat niets zeker is, alleen maar beter dan ervoor, want nu is nu en straks is dan nu. Meer hebben we niet in deze vondst. Dus verzinnen maar.   Ik zie wat taal niet ziet en ben het alweer vergeten. Sporen van handschrift zijn het, eerste mail van mijn emotie die in me gedrukt stond en nu verzonden naar de tong. Kijk uit, hij is geletterd.   Lezen is a) ontdekken b) verwekken   c) leuk want ik woon te Mechelen. Taal vormt het netje dat de buitensporigheden van empathie zou kunnen filteren, maar dit vervolgens niet doet en zegt: in mijn potentieel verveel ik me nooit. En wij maar luisteren. Dat ik vergeet hoe ik heet in de weifelachtig warme literatuur. Waarna ik opsta en mezelf voorstel. Ik ben mijn boek omdat ik heet wie ik denk. Ik denk dat ik groot ben maar daarmee verzet ik nog geen bakens en ben ik al helemaal niet onsterfelijk, want wat zouden we meer willen dan willen? Het lezen blijkt het wezen.   Dan belt moeder: zo is ze nog net geen schrijver. Moeder belt want ik ben een zoon en of ik er niet ben als ze niet belt. Zegt: hoi lust je vanavond alles want als kind wat je nu krijgt. Wat je zoals leest als je nee zegt: Vestdijk en Joyce want je vindt ze waar je zoekt. Neenee moeder, zo werkt dat niet. Ik ken de verkoper door er weer te komen en altijd. Hij kent me want heeft geen keuze en dit is Mechelen     Of de apotheek en de bib in één want dit pakje boeken staat me. Happy days, jij ook moeder. Zie je in de dagen dat ik nee zeg. Haha daar heb je me.   Moeder die ophangt. Ik die de dag in de volgende zin nestel: Ook morgen kan vandaag zijn als je de telefoondraad je hoofd in altijd maar bellen. Kan ik nu nooit eens.   Boek is al uit, next up: Het boek alfa of een Hellevaart. Niet geleerd, wel verknocht als tast op beenmerg. Harder fietsen Dora! Iloveyou maar je bent mijn hier en nu al. Harder fietsen als je me maar vastpakt ach zonder gemaar.   Ik heb niet gehuild toen je niet nee zei en ook niet zei. Doodnormale vriendin wat heb ik je. Dat we zonder elkaar enkel maar alleen net woord.   Nu is nergens maar op het lezen na vertel ik je de wereld in die om onze kant en klare verbinding draait. Dora die belt:   Slik ik de gesloten woorden in komen ze en zo weer de telefoon weg de weg uit naar jou. You but I’m always blue.Nergens zou ik de woorden weer onderuit kunnen halen maar erg gevat - zucht - roep ik haar weer tot leven.   Ze zwijgt me tot mijn naam vergeten maar ik zie de verkoper ook graag omdat ik er altijd.   Harder fietsen. Nu is toen toen er straks dan weer meer is. Dat we elkaar steeds weer naast elkaar zullen lopen en liefst nog draai ik mijn hand rond je naam en draag ik je ook nog eens terug de dag in. (Ik die de dag in de vorige zin in nestel)  

Dries Verhaegen
68 0

Zes uur stipt!

Op weg naar Bernard dacht Jane voor de zoveelste keer aan de onbekende oude man die ze drie weken eerder in haar straat had ontmoet. ‘Moet ik hem nu opzoeken?’, vroeg ze zich af. ‘En hoe pak ik dat dan aan? Vind ik zijn naam nog wel terug in mijn smart phone? Het ging ook allemaal zo vlug. Twee keer moest ik hem vragen om rustig zijn naam en adres te geven. Heb ik toen alles wel goed genoteerd? Mijn hemel, wat was hij vinnig op het einde van ons gesprek.’   Jane kon zich niet meer herinneren wat de voor- of achternaam was van de kleine tengere man. De straatnaam waar hij woonde wist ze wel nog. Die kon ze moeilijk vergeten zijn. Het was de naam van de bloem die zich in het voorjaar graag uit de koude en soms nog bevroren grond stampte. Ieder jaar opnieuw, zonder dat ze er iets voor moest doen kwam ze piepen, eerst met donkergroen blad en daarna met een stralend gele glimlach. Haar kelk nodigde bijen en hommeltjes na hun winterslaap uit om zich van haar nectar te komen voorzien. ‘Vanaf 10 graden Celsius vliegen eerst de hommeltjes uit.’, had Jane ooit gelezen. ‘Die wilde beestjes zijn dus veruit nog belangrijker dan onze gecultiveerde bijen. Als er zich al iemand druk maakt over de geleidelijke vernietiging van de mensheid door onze honingleveranciers te vergiftigen, dan zeker nog een kleinere minderheid die zich met de wilde exemplaren bezighoudt. In Jane’s tuin stonden vooral de miniversies van de voorjaarsbloem. Ieder jaar kocht ze reeds bloeiende exemplaren om haar keuken op te fleuren en eens ze hun kopjes lieten hangen en zich geleidelijk aan naar een uitgedroogde fase begaven, kregen de knolletjes een plek in de tuin. Het jaar daarna waren ze in het voorjaar een aangename verrassing voor haar, want waar ze de nieuwkomers had geplant was ze inmiddels alweer vergeten.   De oude man woonde niet ver van haar. Al die tijd was ze niet durven langsrijden. Ze had een aantal mannelijke vrienden en kennissen over hem verteld. ‘Wat moet ik daarmee?’, was de vraag die ze hen één voor één had voorgelegd. Haar man had zich direct na het voorval als eerste erover uitgesproken. ‘Je had hem gewoon moeten laten doodgaan.’ Ze wist niet goed of hij een grapje maakte. Ze was in allerijl vertrokken net voor het avondeten en had met grote stelligheid gezegd, dat het haar ging lukken om op tijd terug te zijn. Ze was een kwartier later dan het afgesproken uur. ‘Hij wil natuurlijk laten merken dat het hem niet zint dat ik te laat ben.’, dacht Jane.   - - -   ‘We eten om zes. Zes uur stipt, hé mama. Als je er niet bent, dan heb je pech. Wij beginnen. Ook zonder jou.’ ‘Mijn hemel’, dacht Jane. ‘Wat een strenge woorden komen er uit dat stukje vlees dat ik ooit heb gebaard. Toen iets meer dan drie kilo en sinds een paar maanden geen tiener meer. Volwassen in aantal lichaamscellen zijn nu ook de ideeën en meningen over tijd zich goed aan het ontwikkelen. Niet filosofisch, maar wel heel belangrijk. Etenstijd. Ze heeft gelijk. Ik moet mijn best doen om op tijd te zijn. Er wordt tenslotte voor mij gekookt.’   Haar dochter’s boodschap was duidelijk, de afspraak eenzijdig gemaakt. Dit was nooit een huisregel geweest die Jane zelf met zoveel branie de wereld had in geholpen. Er kon in dit gezin nogal wat gefreestyled worden. Een vast etensuur was er gedurende jaren wel geweest, dat wel. Misschien zelfs langer dan het ongeluksgetal. Geleidelijk aan was het in hun dagritme gegroeid, verweven met de tijd, totdat het een gewoonte was geworden. Het afgelopen jaar was er aan dat tijdstip gemorreld. Met de kinderen door de week op kot - waarbij er eentje zelfs weken niets van zich liet horen - was een vast etensuur geen heilige koe meer. Verder waren er de vele netwerkogenblikken van Jane her en der te lande die ‘s middags en ‘s avonds - afhankelijk van het precieze tijdstip en de files - beslag legden op het verloop van de dag. Het tijdstip van het avondeten - het samen eten - kon niet altijd meer op een vast uur. ‘Mijn etenstijd verbrokkelt de dag. Ik eet waar en wanneer het me uitkomt. De dag is belangrijker geworden dan de tijd om te eten. Ik snap wel dat ze met mij niet veel rekening houden. Ik doe mijn best om er regelmaat in te houden, maar ik heb nu niet bepaald een alledaags leven of een vast patroon en daarmee leven valt niet mee.’    Voor het jongvolwassen lijf dat tijdens de examenperiode in het ouderlijk huis was komen studeren speelde etenstijd een belangrijke rol. ‘Misschien is regelmaat zelfs een basisvoorwaarde om te slagen.’, dacht haar dochter. Ze werden met z’n allen gekatapulteerd naar de tijd dat het vaste ritme er nog was.   ‘De stelligheid waarmee ze haar boodschap brengt flankeert het tijdsparadigma.’, dacht Jane. ‘Zelf koken op kot lijkt een invloed te hebben op het respecteren van het ogenblik dat er wordt gegeten. Waarom heb ik me eigenlijk al die jaren de moeite getroost om iedereen gezamenlijk rond één tijdstip aan tafel te krijgen?’, vroeg ze zich af. ‘Tijd neemt en tijd geeft. Ik had het gewoon wat meer tijd moeten geven.’   ‘Dat ijzersterke commando zou haar vader hebben kunnen terugbrengen tot een veel korter zinnetje’, dacht Jane ‘We eten om zes’. Dat jonge geweld heeft nog een hele weg af te leggen voor ze haar overtuiging kan vastleggen in een oneliner. Ik hoop maar dat ze die tijd ook zal krijgen. Hoe ze zich zal ontwikkelen, daar heb ik niet veel invloed op. Onze samenleving speelt daarin een veel grotere rol en allerlei nieuwe communicatiemiddelen hebben een veel grotere impact dan we het zelf graag willen toegeven. Ik zal alvast op mijn manier laten zien dat je zonder al die vernuftige dingen georganiseerd en waardevol kunt leven. Ik weet precies hoeveel tijd ik nodig heb om dadelijk mijn taakje af te werken. Zelfs een ouderwets horloge heb ik niet nodig om me daarin bij te staan.’   Haar man stond te koken. De kip werd bepoederd met kruiden en vervolgens zorgzaam in de hete boter dichtgeschroeid. Het zou weer lekker worden. Dat wist ze zeker.   ‘En wie zorgt er voor het eten van de kip?’, vroeg Jane. ‘Morgen is het een feestdag en overmorgen maken ze de brug.’ ‘De eigenaar van de winkel wil natuurlijk zoveel mogelijk verkopen.’, dacht Jane. ‘Liefst op een feestdag ook, als niemand - behalve het verkooppersoneel - moet werken.’ Het handjevol graan dat er nog restte, leek haar niet voldoende om er een dag mee door te komen. Het risico dat het tuincentrum toch de deuren zou sluiten wilde ze niet lopen. Het was inmiddels juni. Nog wel een interessante maand voor menig tuinier, maar winstcijfers bepalen alles, niet de noden van een gepassioneerd tuinliefhebber of de gewone man. Aangezien ze geen inzage had in de boekhouding van de winkel, trok Jane er op uit. Ze gritste haar jas en handtas en reed met haar wagen - net iets sneller dan toegelaten - de doodlopende straat uit. Haar focus weerhield haar niet om even verderop links van haar een oud mannetje langzaam te zien stappen.   ‘Wat strompelt dat mannetje op het voetpad.’, dacht Jane. ‘Zou hij gedronken hebben?’  Ze reed iets langzamer en zag dat het zeker geen dronkemansgang was. ‘Wat maakt het ook uit. Dronken of niet. Als hij valt heeft hij recht op hulp. Ik snap niet dat mensen daarover moeilijk doen.’   Het onhandig gesukkel kon je gezien zijn leeftijd wel verwachten. In een straat met een toegelaten snelheid van dertig kilometer per uur, was vijftig rijden een reden om haar rijbewijs ingevorderd te zien. Een sukkelgang die haar toeliet om iedereen die van het station kwam stappen goed te kunnen observeren. Rond dit uur was er altijd veel passage in de lange straat die het treinstation richting Brussel en Leuven met een sociale woonwijk verbindt. Niemand keek naar het oude mannetje om. Het was ook niet zo dat hij dreigde om te vallen. Nog niet.

Attendant Moon
0 0