Lezen

Den Tommy

Maak je dat ooit mee? Dat ze je naam verkeerd schrijven? Waarschijnlijk wel. Alles is natuurlijk afhankelijk van de moeilijkheidsgraad die in je naam verscholen zit. Op dat gebied heb ik echt alles mee. Van de i in mijn voornaam maken ze acht keer op tien een ypsilon. En de ypsilon in onze familienaam wordt meestal een lange ij. Ze schrijven het zo vaak fout, dat ik het op de duur zelf niet meer weet.  Maar weet je wat nog erger is? Dat mensen je aanspreken met een andere voornaam. Ken je dat? Of maak ik dat alleen mee? Echt waar, niet gelogen, een oude kennis lapt het elke keer. Het straffe is, ik kom hem alleen maar tegen als hij op de fiets zit. “Hey Tommy”, roept hij dan. Tommy begot. Echt ongelofelijk. De laatste keer was mijn vrouw getuige van het Tommy verschijnsel. "Waarom zeg je niet dat het Rudi is”, zei ze. "Het gaat niet”, antwoordde ik. “Je ziet dat toch. Het gaat te snel. Hij is zo gepasseerd. Ik heb geen tijd om te zeggen dat het Rudi is. En niet Tommy.” Het gevolg is natuurlijk dat hij me met Tommy blijft aanspreken. Ik moet er toch iets aan doen, anders begint het een eigen leven te leiden, met die naamsverwarring. Ik kan me al een gesprek voorstellen waar hij bij aanwezig is. “Heb je het gehoord van dinges van Lavreysen?” “Van wie? De Rudi?” “Nee nee, niet de Rudi. Den Tommy.” “Den Tommy, die ken ik niet. Is er dat ook ene van die familie?” “Tja, dat weet ik ook niet. Ik ken alleen den Tommy. De Rudi ken ik niet zo goed.” Afijn, ik ga hem tegenhouden als hij de volgende keer op de fiets passeert. Dinges, dju, hoe heet hij toch ook al weer?  

Rudi Lavreysen
20 1

Kamperen voor Dummies (vervolg) - Je buren.

  Men zegt; ‘Beter een goede buur dan een verre vriend.’ Of het huis van steen is, van tentzeil of van plastiek, ook hier geldt het aangehaalde citaat. Kampeerders zijn speciaal in hun soort, in de goede zin. Af en toe zit er eens een mierenneuker of een ezel bij maar die vinden we aan de cafétoog ook. Is het de vakantiesfeer, de natuur, het gevoel aan vrijheid… feit is dat de meeste kampeerders goedhartige mensen zijn die verdraagzaamheid hoog in hun vaandel dragen. Ben je niet in het bezit van een ‘Moover’ (op afstand bedienbare motor voor het aandrijven van de wielen) waarmee je de caravan zonder moeite kunt parkeren tot op de centimeter, dan weet je waarom ze kamperen de sportieve vakantie noemen. Je riskeert meteen een spierscheur of een verschot omdat je spieren functioneren naargelang de hoeveelheid beweging tijdens het jaar. Als je hoofd rood aanloopt weten de andere kampeerders meteen dat je gymabonnement geruime tijd verlopen is of je interesses ergens anders liggen. Dit is het moment waar je buren spontaan komen aanlopen om je onbaatzuchtig te helpen met het plaatsen van de caravan. Ontroerd ben je onmiddellijk bereid om je voorraad zorgvuldig uitgekozen bieren te ontstoppen. Geloof me, Belgisch bier brengt er meteen de sfeer in. Voor je het weet heb je een schare bewonderaars waaraan je niets kan misvragen. De vrouwen kijken goedkeurend toe of genieten mee. Geen jaloezie, na-ijver of lasterpraatjes. De wereld is mooi! Net als in het trouwboekje steunen we elkaar in voor- en tegenspoed zonder er één handtekening werd gezet. En net als bij een geslaagd huwelijk wordt er om beurten een feestje georganiseerd. Toegegeven niet zo luxueus, eerder primitief maar niet minder leuk, totdat het uurwerk 22u aangeeft. Als bij toverslag zakken de decibels tot het gemurmel van het plaatselijk beekje, de stoelen worden rond een spaarzaam lampje gezet zodat alle aanwezigen samenzweerderig hun hoofden naar elkaar toe neigen om het gesprek toch voort te zetten of af te ronden. Bestaat er een heiliger moment? De adem, de geur van totaal onbekende mensen vermengen zich alsof ze nu één zijn, Goed nieuws voor wie met de tent kampeert. Ja, ook u kan het wonder van samenhorigheid beleven.  Onervaren of is het lang geleden dat je de tent in elkaar hebt gezet? Dan kan het gebeuren dat je meer tentstokken overhoudt dan voorzien in het plan – wie heeft er nog nooit een Ikea kastje in elkaar gezet – ook dan komen de buren toegesneld met hun logisch denken waardoor de hiervoor beschreven ceremonie vanzelfsprekend wordt. Geen heren of knechten, Broederschap, zusterschap, vrede… Er is nog hoop voor de wereld.  ‘Camper, live long and prosper ‘(1)      Zie: Star trek    

Fanny Vercammen
0 0

Het stond geschreven..

  Nu amper drie maanden na zijn moeder ook zijn vader overleden was, moest, met het oog op de verkoop, de ouderlijke woonst worden leeggemaakt. Het leeghalen van de woning was niet alleen fysiek maar ook emotioneel een zwaar karwei gebleken, maar de klus was geklaard.  Nu enkel nog de boeken. Hij had wel geweten dat zijn vader een boekenfan was, maar van de met boeken volgestouwde bibliotheekrekken in de studeerkamer had hij toch wel even opgekeken. Zelf was hij niet zo’n fervent lezer. De suggestie de boeken zelf te houden had hij, ietwat smalend, afgewimpeld, zeggend dat hij thuis al een boek had. Via een zoekertje in de plaatselijke krant had hij een opkoper bereid gevonden de toch wel honderden boeken voor 100 Euro over te nemen. Ze moesten enkel nog worden ingepakt om te worden opgehaald . Hij was kartonnen dozen beginnen vullen, alles door elkaar, meer in functie van grootte en dikte van de boekdelen dan naar onderwerp of auteur. Toen echter hij de vierde volle doos wilde wegzetten, scheurde die en vielen enkele boeken open op de grond . Er dwarrelde ook een 100-euro biljet neer.   Hij raapte de boeken en het biljet op, liet de pagina's door zijn vingers glijden en vond nog een tweede biljet. Het duurde enige tellen alvorens hij begreep wat er gebeurd was maar onmiddellijk nadien kwam het besef : zijn ouders hadden cash geld verstopt in een boek in de bibliotheek. In één boek of in meerdere ? Had zijn vader niet altijd gezegd dat zijn rijkdom in de boeken te vinden was.   Hij bekeek de boeken nu wat nader. Titels noch kaften, noch enig bijzonder merkteken lieten vermoeden dat er geld in verborgen zat. Ook de plaats waar ze in de boekenkast hadden gestaan vormde geen aanwijzing. Deze boeken verschilden niet van de andere. Het geld kon dus in gelijk welk boek zijn verstopt.   Hij doorzocht de andere boeken van de doos, daarna die uit de andere dozen en begon toen de nog in de rekken staande boeken te doorbladeren. Zijn aandacht werd getroffen door de titel en omslag van een boek dat hij net had doorzocht en in de doos wilde stoppen, “De alchemist” van ene Paulo Coelho. Een alchemist is toch iemand die lood in goud kan veranderen ! Geïntrigeerd begon hij willekeurig een alinea te lezen. Hij vond het verhaal op het eerste gezicht wat simplistisch aandoen, maar, door bepaalde gebeurtenissen en dialogen in het boek aan het denken gezet, raakte hij toch wel geboeid en begon hij te lezen van voor af aan. Het was het verhaal van Santiago, een Andalusische herdersjongen die zijn kudde verkocht en have en goed achterliet om zijn schat te zoeken bij de Egyptische piramiden en na talloze omzwervingen en ontmoetingen, tenslotte weer belandde in zijn eigen Andalusië en daar de schat vond in de oude kerkruïne waar hij altijd al met zijn schapen had overnacht.   Na het omslaan van het laatste blad, bleef hij in gedachten verzonken. Hij bedacht dat Santiago verkeerd had gezocht..… of toch niet, want zonder de jarenlange tocht, de meevallers en tegenvallers en de wisselvalligheden van het lot had de jongen nooit het geluk, zijn legende, in zijn eigen stek in Andalusië gevonden. Maar, dacht hij verder, zelf had hij ook verkeerd gezocht…...of toch ook niet, want als de doos niet was opengescheurd en de boeken er niet waren uitgevallen en hij daardoor niet naar het geld in de boeken was beginnen zoeken, had hij nooit dit boek ingekeken, laat staan gelezen, en begrepen hoe boeken je dieper konden doen ingaan op de “dingen des levens” en je eigen innerlijke zelf en te volgen levensweg hielpen ontdekken. Dit was de rijkdom waarover zijn vader het had gehad.   Hij dacht aan de kristalverkoper en zei bij zichzelf : “Maktub, het staat geschreven”, belde de opkoper af en bracht de hele collectie naar zijn eigen huis en rangschikte ze, nu naar onderwerp en auteur, in de met het gevonden geld betaalde boekenrekken.    

Kelhaut
3 0

pffffaddderrrr

De misselijkheid bepaalt mijn leven nu ongeveer drie weken. Misschien vier. In het begin tel je niet zo goed, vandaar wellicht mijn verwarring over het begin van de periode van misselijkheid. De misselijkheid belet me eender wat te doen. Zo lig ik al drie (of vier) weken op bed. Ik check mijn Facebook, ik kijk op Instagram. Kijk of er nieuwe mails zijn binnengekomen. Ja, ik heb nooit eerder mijn e-mailbox zo goed op orde gehad als in de afgelopen weken. Ik kijk vooral veel films. Soms illegaal, maar meestal niet, want als nu ook nog mijn computer crasht, ben ik feitelijk zo goed als verloren. ‘t Is momenteel het weidse internet dat mijn enige uitzicht bepaald.   _____________________   Daarnet loog ik. Ik weet wel wanneer de misselijkheid is begonnen. Precies de datum herinner ik me zelfs. Ik kwam thuis om te eten. Had me bijna bedacht, maar ging toch maar thuis eten. Mijn vader zat over mij aan tafel. Hij ontleedde een vis. Zijn blote, harige buik hing er verslagen bij. Hij zag mij kijken en zocht mijn blik. Zijn ogen waren getroubleerd, rooddoorlopen.   Hij complimenteerde mijn bloes. Schepte extra op van het eten dat mijn zus had gemaakt. Stelde mijn broer gerust over het werk waar hij een paar dagen later zou beginnen. Zijn handen trilden terwijl hij alle liefde die hij in zich had rondspuidde.   ((Ik keek in zijn ogen. Nee, alsof ik in mijn eigen ogen keek)).   Nooit eerder had ik hem zo gezien. Zijn ogen staarden mij aan als droeve, een beetje onbeholpen hondenogen.   Hij, de man die ik vaak zo gehaat had, die mij pijn had gedaan, met wie ik altijd zwoer niks meer te maken wilde hebben vanaf ik genoeg geld had om het huis te verlaten, Hij was nu plots een droeve man. De vijand stuikte voor mijn ogen ineen. De houten man stond in brand. Het ijzer smolt weg.   Ik was bits en at snel.   Later, alleen in mijn kamer, stelde ik mij voor hoe hij nu vertrok naar zijn vergadering. Onbeholpen (opnieuw), en eeuwig alleen, zoals hij altijd was en altijd zou zijn. Dat hij het altijd is.   Ik stelde mij ineens voor dat hij, met zijn bloeddoorlopen ogen, onderweg zou sterven. Ik was in paniek: deze mens mocht NIET sterven. Nooit zo. ((De simpele reden was dat ik dan ook zou sterven.))   Sindsdien ben ik niet meer uit bed gekomen vanwege de misselijkheid. Lig ik hier -het komt in de buurt van vrijwillig- geketend.           foto: "Black Girl" (Ousmane Sembène, 1966)

Mees Ruun
0 0

We zijn de klank niet vergeten

Er is weinig moed voor nodig die de stilte in de overgebleven stad geluid in fluistert. Op het einde van zo’n passieve rol betalen we rood. De straten rood de huizen rood en de mensen rood met de dood op de wangen en de schemer op hun ramen die fluisteren in de taal die hun schermen hen doen kijken. Zij zijn van de wereld en de wereld even van hen. Slechts dan dat warmte gloeit in de woonkamer vrouwenbenen die stappen met een soepele parochie maar geen religie meer. Geen religie meer. Alleen maar de reeds beschreven stilte en het verstikkende aanzien van grijs. Iedereen loopt nog ondersteboven de gesprekken binnen. Maar niemand leeft nog. Soms reanimeert een man een man. Fluisteren dat ze de ambacht het licht mogen laten zien om alles draaiende te houden. Soms is het weten de kanker van de stad. Weten dat een wolkenkrabber een flatcomplex een immanent handgebaar dat een huis zou kunnen nabootsen een afscheid kan zijn dat we allemaal anders interpreteren binnen de vier muren die we ingesmeerd de opvoeding navertellen. Geen religie meer; alleen maar adempauzes en andere dagen die andere gebaren vragen. Symbolen die we in de stenen herkennen en de Belgische hoop belichaamt tot co-housing de grens over of de grens in.     een weinig zeggende straat erin lopen en erin opgaan weinig bedoelen dus bestaan is makkelijker dan voordien je gaat op in het grijs en komt er grijs uit adem je de kleur in speel je de videotape van deja vu af en en speel je hem na _______________________________________________ Je weet waar je voor staat en vraagt je af: wat we hier doen, dat we dan aarden naar de complexe vormen en hun rituelen.     Je weet wat je zou kunnen doen. Maar de nacht die begint de dag en jij begint je verleden opnieuw op een plek die weigert. De mensen die steigeren in de randen die de kleuren gedag zeggen. Je zegt gedag. Je weet wat je zou kunnen doen. Alles is herkenbaar Iedereen te vervangen.     Geen wandaden zouden groot genoeg zijn voor de kamer van de aanpassing, geen enkel persiflage dat langer uit zichzelf kwam als een geest in de cryptische nacht waarin alles eens gebeurde: de aandacht gebeurde eerst, daarna volgde de aanwezigheid pas, wij die getuigen waren  van een klein leven dat zichzelf verbood. De dood in dachten we met 2. Maar de scheve situatie was van ons gezicht af te lezen en je knipte mij een haarlok die mezelf aanbood. De nacht waarin alles eens gebeurde, de statische inburgering van het volk gebeurde, en wij dus ook. De slaap gebeurt. Het leven gebeurt dan weer niet. Wij zullen blijven communiceren als ons daarom gevraagd wordt.   Al hetgeen ons is overgebleven zijn de kleuren zijn de wijze warme deuren naar kroegen en alcohol zijn de weinige vormen van ontreddering letterlijk overal zichtbaar zijn de stemmen hun tenor kwijt in de schandzalen van de fluistering die wij voelen en die ons roert van het vermaak met grote V van volk van het angstige maar vrijblijvende dat.     Ze zei nog: Dat wat jij leven noemt stel je gelijk aan afstevenen op de dood. Zeg me wat je altijd al hebben wou.   In die nacht liepen we op de afgrond van het vermaak af die ons opat en wij kauwden samen mee tot de tijd opgedeeld kon worden in het verval dat alles en niets en wij met ons meebrachten en trachtten te verpletteren in ons gesprek dat met kwade tongen gevoerd moest worden en niemand ontevreden achterliet. Wij werden toen geboren en bevroren in de teleurstelling en het tijdelijke (de herinnering misschien). Wij het gebouw waarin wij woonden. Alles heeft 4 muren in de hoofden van het volk die samen loopt te stampvoeten op het vuur onder hun grond. De bossen op het platteland op de steden werden stil en verspreidden een wezen dat leeft in de quarantaine van de stad. We vergeleken de hemellichamen boven ons met de plekken waar we al kwamen die weinig commotie met zich droegen en we in stilte leerden appreciëren en waar misschien wel Suzy of was het Lien of was het omdat ik elke ochtend daarmee wakker werd en de muren voelde krimpen en ik daar zo stil lag maar klaarwakker de kleuren als een ziekte opdronk en met me mee zou dragen als mijn identiteit en dit dus NIET LEVENSLANG maar wel erg lang. Het was een fase waarin ieder van ons de afgrond vermaak van zich afdroeg tot onze voeten scheurden en we rood achterlieten wat we al gehad hadden die we van zo ver zagen aankomen. Sommige kolen werden scholen en wij leerden onszelf koesteren en in ons woonden de schoonste schepsels maar geen woorden voor dit maal om deze te vergelijken met wat echt was, tenminste dat zei ons de opvoeding telkens om rekening te houden met dat echte en dat onechte te verpletteren met onze visie.       We liepen de letters stuk tot machinaal geweld die we in namaak of gesprek aan de kaak stelden.   Ze zei: on a parlé beaucoup ce soir mais qu’est-ce qu’on va boire? Ik eindigde in haar woorden die de tafel en mijn hoofd omgooiden. Ik gooide hem om en keek ernaar zonder te vermoeden dat alles van die dag aan anders zou verlopen binnen de lijnen van het mijne die de symmetrie van A en van B en C en van Q R S T U V W qu’est-ce qu’on va als het bier in de hoofden zwaar wordt en de woorden dus licht, wat dan, als de lichamen hevig en de levens langer (?) de binnenste waarheden de buitenste worden en alles boven op onder rond en om hemellichamen worden die we aanstaren en fata morgana over verspreiden maar in ons eigen zelf en bleven we de woorden stuk beleven tot de machine van volgzame dromen die ambivalent genoeg de dag nadien ons de hand kwamen schudden.   Ik werd bij je wakker en ik schudde tot frequentie gedragen tot ik je heel wat moeite kostte en mezelf wakker kuste want ook dat was liefde toen daar op die moment op die plek qu’est-ce qu’on va vertel het me si on est ici parfois en niet genoeg.     Werden we snel een beroep en deden we dat zoals het hoorde de bloemetjes buiten zetten liepen we onszelf voorbij de straat uit in de mond van een sekte die we in ons geloof droegen en nog voor ik het wist was ze een machine die me aanstond en ik die me afvroeg of we bakens konden verzetten door samen te zijn, dat terwijl we juist enkel en alleen onszelf zouden kunnen verzetten maar dat was in feite genoeg en dat pak stond me zo goed die avond maar ook dat geloofde ik niet genoeg en daarom groef ik mezelf diep in. Met mijn rug zat ik naar mijn weg die ik bewandeld had nog voor alles nog voor de wezens me elke nacht kwamen ophalen en in fluisterde monogaam om te gaan met de vrouw nog voor andere paden die ik bewandeld had me überhaupt deden nadenken over deze ziektes nog voor jou en mij en wij nog voor de Q R S T U V W nog voor de nacht die de dag inluidde die de stand van zaken alleen maar bevestigt en versterkt en die weg lachte terug maar het was mijn rug die nee zei dit keer en ik wilde alleen maar het nu en in dit nu zijn en alles dat eens achter mij was en toen nu was leek me overbodig omdat dat mij wel gevormd had maar niet vermomd, gelukkig maar.   Alleen ikzelf vermomde mezelf nu in het nu.   We liepen daarmee alles en iedereen en onszelf voorbij in de woorden.   Zonder meer zou ik kunnen zeggen dat dit ook wel geldt voor de muziek die mijn oren verveelt en streelt en geel kleurt van jaloezie maar ooit zal ik eens op de planken de andere oren geel maken van het zicht dat ze zijn en het zicht dat ik ben. Muziek die de Einsturzende Neubauten van het volk is. Muziek die de angst van de mensen kan verdragen en tegelijkertijd deze ook verzinnen in een andere taal die nog geschreven moest worden maar de moment dat die specifieke klank de oren betrad was ze er en ging ik ermee aan de slag. We raken snel uitgepraat over deze zieke lucht die ons manipuleert en vervuilt en bebouwt met grijs en vrijheid.   Ik vind mijn weg hier niet lieve; we hebben te lang gewacht met ziek zijn en nee zeggen tegen de impulsen tegen de de opties die ook nee zeiden en tegen de wijde wereld die ons alleen maar toelacht en daarmee verplettert.      Someone somewhere in summertime Somewhere someone probeerde ik de situatie aan mezelf te spiegelen aan de buitenkant, het gesprek zal stoppen, de mensen zullen de dood dragen in de steden, die ook de dood zullen vragen in steen, de mensen zullen alles uitspreken met een andere tongval, de ziektes zullen zich verspreiden in de gebouwen, new city old buildings maar vooral zal ik nog bij je zijn en de wachtende mensen een weg geven die achter me ligt en met mijn rug zat ik naar de weg die ik aanbood. Same town.   Hasta la via. Ze zegt dat ze nooit genoeg de maniak in mij heeft herkend; maar hoe zou zoiets uitspreekbaar moeten zijn dan? Met de tong van een maniak, met de tred van een maniak, met hand van een maniak en de andere nog van mezelf loop ik het weinige dat nog staat binnen de kroeg de alcohol, dat weldra in mij zal liggen samen met het bijkomende gedachtengoed en vriendschap. ____________       Ik eindigde mijn woorden ook op tafel zoals ik alles daar eindigde: mijn gedachtestroom in het hier en nu en toen hebben we geklonken op de beterschap die om de hoek leunt van de omkadering waar we nog steeds onze plek kennen en de armen verdubbeld terwijl de waanzin stagneert en zijn omzet vindt in andere lichaamsdelen die omhoog geworpen een symbool van veiligheid kunnen betekenen.   Ik heb toen nee gezegd en ja gelachen zoals wel vaker het geval is met mensen en heb toen de tonnen ervaring omhoog geworpen zodat iedereen het zien kon hoe en wat en waar en toen iedereen zweeg heb ik niet langer gezwegen zodat ik me zoals nu tussen de regels bevind en mijn hoofd hef ik op en dus ook de pen en *knip* ik ben vrij van de taal.   De weg die zich aanbood was hard en steil maar dat is nu dus hoe het altijd gaat: hard en steil zei ze en we lachten en we hebben ook wel gehuild maar net niet genoeg om groter dan onszelf te zijn want dat is hoe je groter dan jezelf je emoties laat zien aan de buitenwereld; een volk dat écht samenleeft what a life to have time & what a man makes a man niemand die het nog weet maar gehuild heb ik tot in vroege uurtjes waarin de gebouwen niet langer grijs maar slechts heel even zacht rood tot bloei komen en ik mezelf zie zoals ik ben.   Ay ay ay I am a monkey man en echt ver ernaast zat hij niet, omwille van zijn jonge aanblik zou ik hem plaats bieden in mijn verhaal zei ik hem en zo geschiedde dat ik hem vertelde.   Wat we toen hebben gedaan is een groot geheim wordt er gezegd maar niets is minder waar, “Ik heb  toen zijn hoofd als steen gegrepen en zijn dacht dat het een huis zou kunnen zijn, een huis voor veel en weinig tegelijk en dat menselijke ervan zou ik willen kneden tot iets buitenaards van omvangrijke grootte die ik van onderen uit kan bekijken.” Hij heeft toen zijn hoofd bij de haren gegrepen en liep naar buiten, daar waar het nacht was tenminste, en hij dacht aan haar en als hij naar boven kon kijken, kon zij dan ook? Nee, nu alles stil werd en alles gladgestreken zoals de vlakte hemellichamen die hij aanschouwde en als rechtstreeks bewijs van zichzelf vond in het hier en nu liep de afstand tussen hem en haar een blauwe lijn naar binnen in zijn ogen die hij greep aan zijn hoofd aan zijn haar die hij nooit meer wilde loslaten want de situatie sprak nu eens in zijn voordeel: alles was stil, hij staarde de lucht dichterbij, hij bestond echt en als alles zo bleef zou hij voor altijd zo willen kijken met de ogen. Bleef alles maar zo.           Je zou kunnen zeggen dat hij zijn stem had verloren in het mens zijn en verpletterd werd door het volk rondom maar nergens vond men zijn woorden meer dan in de keten gebouwen die grijs gegoten in de 2D van de 3D mij de ogen vulde; de staat was grijs, mijn lichaam rood, de dood droeg ik op mijn wangen en lippen en deze droogde op in de vlaktes waar de hemellichamen zowel boven als onder en daar en hier als wachter van de mens fungeerden terwijl de tijd was gestopt omdat men hem gegrepen bij de taal uitspuugde en alles en iedereen die stil was blijven staan besefte dat het tevergeefse geweld slechts een act van verwarring en angst was geweest.   De politiek kan vliegen ik zeg het u.   en nergens hebben ze de waanzin beter beschreven dan in boeken waar de werkelijkheid zich plooit en de vormen rekbaar zijn zonder dat ze hun waarde verliezen of verdwijnen in de camouflage van de overdaad alles is al té veel aanwezig dus we kunnen net zo goed overdrijven zonder dat het zal opvallen in het kluwen woord die zich bevindt in straten in gevels waar ik langsloop in de deuren die ik probeer in te trappen in de wagens die scheuren en dat geluid nabootsen heel hun leven lang in de postkantoren waar in uit is en uit in waar de taal circuleert waar de muren omhoog gaan en zo ook mijn blik.   Daar bevindt het zich dus. Boven mij. Altijd al boven mij. We worden geboren en weten niet genoeg. Zodat weten nog weten is gelukkig. De muzikant schreeuwt en kent zijn tekst nog. De weinige toeschouwers vergeten de zin van het bestaan en gaan en komen terug en komen opnieuw en opnieuw en weinig is nog zeker maar dit is alvast zeker: jij, ik, wij, en zij dat is een understatement.   Zo wil je je bestaan bevoorrechten en de kennis opdoen die je wekelijks moet opdoen opdat de kennis uit is en de bron ervan in. Je houdt jezelf altijd bij je en verstuurt jezelf slechts zelden naar de anderen die wel rond je heen bewegen want het zijn lichamen maar jezelf dat ben jezelf; je gedachtegoed dat ben jij niet; je persona dat ben jij niet; de tekst die je vertolkt in sé dat ben jij niet; jij bent alleen jij voor jezelf en niemand kan je zo nog wat maken dus houdt je blik ijzersterk en adem je dagelijkse hip hop in want het is overal.     See you on the other side want dat is waar de stad voor staat: misdaad en de geile stenen bij de kilheid grijpen zodat de stad weer ademen kan en zich vermomt in de weinig aanwezige messias van vandaag en morgen liefst een andere de stad draagt een religie als bijverdienste en verdenkt jou jou jou en mezelf verdenkt mezelf de aandacht die weerstaat de stedelijke ambivalentie maar weinig is ons nog zomaar gegeven in een stedelijke revolutie die de goden over ons afgeworpen hebben.       Brussel 7 uur misschien maar het zegt veel over de gulden ochtend die zich verspreidt over mij en over de armoede.   Kneed je me mee tot inwoner?   We zullen weinig nog zeggen maar weinig is nog zeker: Kendrick Lamar, dat is nog zeker, Festivals bij regenweer maar je hebt anderen dichter bij je, dat is ook zeker, Get God on the phone maar het zal langer duren dan je dacht en dan komt de spijt bij je die je versmacht en verdomme ook deze verplettert je, je leven dat je bijstaat, jezelf die jezelf van onderen aanstaart, je naasten naast je, niets blijkt voldoende als jij je je nog bent.     Ken je het kneden onder je vingers die je de lichamelijkheid  toedient in vormen mensen die nietszeggend de aanval kiezen in de vergeten uren voor de ochtend die iedere plek tot plek maakt en situeert in een web van zonden waarbij de spijt altijd laat de toekomst in suist en de vrouwen de lichamelijkheid bevestigen en wij ze naspelen als in een werkstuk dat een plek vormgeven kan waarbij de plek zijn rol als situatie plausibel vertolkt tot motief zijnde. Ik schrijf erover en drink me de verplettering in die me weinig onbekend laat: honey honey how you threw me de verplettering in de weg weg kwijtgespeeld de ontreddering of verbazing die me juist altijd bijblijft en zich afspeelt voor de ogen van volk dat zich verzamelt in de ziektes van mijn omkadering die zich vormgeeft in letterlijke zin.   Weten we wat te laat is?   om 10u opent ze zich de mond en praat ze eindeloos onder andere de toekomst komt voorbij dan kijk naar ons maar raak ons niet aan zegt ze als ze aan zet is ieder op zijn plaats op zijn tijd   het volk praat eindeloos over het einde waar ze naar uitkijken in het aangezicht gloeit hun het leven even maar want de dood staat op hen geschreven een ziekte is wat ze ademen     Zonder kader weten ze waar te eindigen in de liefde want het is een herhaling van de emotie die ze op het aangezicht verblijven in de grenzen, die ze in hen laten kruipen zoals een zicht of een beeld dat je bijblijft en het ego parten speelt. Alles draait om het volk en hun vaste stek.         De wezens die weinig nog aan het toeval overlaten en zich wegen tegen zichzelf om de zekerheid te bekrachtigen, in een stad waar alles luid is en zwaar weegt op de torso’s en schouders van zij die het nog verdragen zich buiten bepaalde grenzen te wagen en de zieke auto’s horen scheuren en dat hun hele leven lang Sir, zonder te klagen of tegen de grenzen aan te leunen en de sensatie te bejubelen. De wezens die weinig nog écht leven en slechts equatoriaal aanwezig zijn zoals de wiskunde aanwezig is, zoals de evenaar aanwezig is en de geschoolde taal aanwezig is, zoals de dood op hun wangen aanwezig is en de blijdschap in de magen, zoals de lichaamsdelen van buiten maar ook binnenin aanwezig zijn, zoals de muziek in de oren en de hemellichamen in de ogen. ________________________________________________   Het aanschouwen van een nieuw Venetië dat me terstond het oude Venetië uit de mond kietelt met nieuwe steden en oude gebouwen die een revolutie kunnen ontketenen in het blauw van gisteren in het nu van de herinnering die ik niet denken kan en niet denken wil en niet denken mag omdat alles plots moet en het stille denken dat zegt “het weinige komt eerst” maar dat weet je altijd pas erna, nadat de wilde weg zich in de ooghoeken slingert en wij hem afleggen, nadat de wateren dingen doen leven tot nieuwere dingen, nadat de man de vrouw vertrouwt en haar de kilte van een stedelijke nacht laat ontwarren, nadat Venetië zijn straten heeft schoongeveegd en het toerisme de jazz heeft ontdekt en het bloed de pijn en het zingen de stem van de stilte die zegt “het weinige komt eerst” en nadat het weinige eerst komt, komt het eerste ook weinig en nadat de weg de uitgang die in is heeft ontdekt en het in het uit en het uit het in heeft ontdekt en nadat ik mezelf heb ontdekt en als wij elkaar ontdekten openbaarde er zich ook een soort persoonlijk Venetië die wij aanraakten en in onze hand altijd met ons meedroegen en probeerden te vermommen in onze taal tot ook deze uit ons nu werd getrokken en wij hem konden herontdekken.   Daarna begon alles weer opnieuw en zo ook de mensen die het vertikten bij te leren van een hoopje water en een hoopje grijs dat toch menig woord sprak en spreken kon wat op zich al een openbaring had kunnen zijn. Daarna begon alles weer opnieuw en ook de armen die de rijken verstomden met geweld waarin eindelijk alles mogelijk was en de straten schoongeveegd leerden ze alles wat ze weten moesten van A tot Z tot A. Daarna begon alles weer opnieuw van jou tot mij van binnen naar buiten die het zicht vormgaf aan een stel ogen dat zich altijd maar naar boven verfde want het zijn de kleuren zegt men, de kleuren die het kluwen dat we aanschouwen besturen. Daarna begon jij ook opnieuw en nam ik de telefoon in de hand, de angst in de schouders en erop en de stem beefde en bad dat jij het niet vergat, ook tegen mij nog te spreken, de aandacht te verspreken tot een hoopje medeleven want daar dat ik het voor deed en de mensen deden het voor de abstractie van hun emoties, die ze op de straten smeerden en aan de muren kleefden, zoveel in herhaling vielen tot er niets meer van de oorspronkelijke betekenis te bekennen viel en in ons gesprek ook de laatste adem gestreden was en ik inhaakte.   Ik heb gehakkeld als volgt: On a parlé beaucoup ce soir, que’est-ce qu’on va boire? Pas hésiter, pas hésiter   Maar de twijfel was al in de lijn geslopen en ik had mijn stem verheven tot een wezen zo klein als de wereld soms ook wordt en zich dan opwerpt tegen de bolwerken die aan de muren gesmeerd een betere naam krijgen zoals de geabstraheerde emotie die in de mensen schreeuwt om een stem.     Ik had al eens het verre weg beleeft, hier, in de tegemoetkoming met een verleden. Daar leerde ik de ingang van de waanzin kennen als een scherpschutter op het puntje van mijn tong waar de woorden reeds klaarlagen en schokten en beefden om een extase te bereiken waarin ieder persoon brak onder de druk en invloed gebracht van de adrenaline die als het ware de riolering van de behuizing genoemd kan worden; waar de mensen huizen, daar beweegt het weinige als een springveer die zijn armen samenbrengt en de vuisten balt tot spiermassa.       Hoe het alom gekende schudt tot een holle spier Hoe de wegen kruisen tot machines met bijgevolg ontmoetingen, steden die in hun onderweg zijn geboren worden Hoe ik jij en wij en het Ego de weg aflegden met alles en niemand rond ons met de de hemellichamen boven en de streep van rood vuur die uit het volk hun monden naar ons wees “boven” - er was alleen maar boven ons als bewijs van onze moment die zich nu pas langzaam ontspon en nu pas en nu pas en vroeger was er niet meer toen was alles zwart en nu zal alles opentrekken en kan ik tevreden naar boven staren de ik en de jij van de luchtwegen die ons hier nu vertegenwoordigt en zo zal alles hier dan blijven tot ons gemaakt. (Dat.)                                          

Dries Verhaegen
5 1

Opa

Mijn grootvader praat niet veel. Hij houdt zijn spreektijd graag beperkt, meet zijn volzinnen op het woord af. In zijn tweeënnegentigjarige leven heeft hij nooit veel gepraat — behalve na de sporadische dosis alcohol, dan staat zijn snavel niet stil, verzekerde mijn praatgrage grootmoeder mij steeds. Hij is niet van het hardvochtige zwijgzame type; eerder van het bescheiden zwijgzame. Zo iemand die zijn woorden wikt en weegt voor hij ze de wijde wereld instuurt. Als iedereen z’n meninkje heeft verspreid, z’n zegje heeft gedaan, intervenieert hij, de ouderdomsdeken van de familie. Niet omdat hij zijn mening extra cachet wil geven door een strategische bedenkperiode in te lassen, noch omdat hij z’n opinie belangrijker acht dan dat van menigeen ander. Het is eerder een ingesleten bescheidenheid, een besef van de nietigheid van z’n mening in deze wereld vol opinies, die hem noopt tot bedachtzaamheid en stilte.   Toen mijn grootmoeder na 83 jaar en drie donkere nachten er voor altijd het zwijgen ertoe deed, trof ik mijn grootvader in nachthemd aan onder het gelige licht van de keukenluster. Ze was de verbale tegenpool van m’n grootvader. Met haar opmerkzaam oog speurde ze haar omgeving af, keurde af en goed, met de nodige West-Vlaamse spitsvondigheid. Die nacht, toen ik voor hem zat, stopte hij niet met praten, en tegen de woorden die hij anders zo op afstand kon houden, leek hij nu geen verweer te hebben. Ze overspoelden hem. Geruggensteund door een pater van West-Vleteren praatte hij over hun lief en leed en leven. Zijn hart was vol van haar en zijn mond liep over. Mijn grootmoeder was verkeerd toen ze zei dat enkel alcohol mijn grootvader doet praten. Liefde voor haar eveneens.

Lotte L.
0 0

De boekenwinkel

Het was een ijskoude decemberdag en Raf liep al enige tijd rond in de bijna verlaten winkelstraat. Hij zocht een plek om zich op te warmen. Plots viel zijn oog op een kleine boekenwinkel: “Het leeshoekje”. Hij besloot om er naar binnen te gaan. Het was een authentiek winkeltje met goed gevulde boekenrekken. Achteraan zag Raf een gezellige koffiehoek, waar hij onmiddellijk een warme drank bestelde bij de vriendelijke en hartelijke uitbaatster. Het heerlijke aroma verwarmde zijn hart terwijl de koffie de rest van zijn lichaam ontdooide. Ondertussen snuisterde hij tussen de boeken, waarbij hij zich verbaasde over het uitgebreide aanbod. Even later kwam een nieuwe klant binnen, een mooie vrouw die Rafs aandacht trok. Hij kon zijn ogen niet van haar afhouden. Tegen zijn gewoonte in bood hij haar een koffie aan. Ze aanvaardde het met plezier en stelde zichzelf voor als Silke. Het kennismakingsgesprek verliep erg vlot. Ook al was Raf al lang opgewarmd, het klikte zo goed met Silke dat ze tot sluitingstijd bleven zitten. Het duo maakte gelijk een nieuwe afspraak voor de volgende week. Julia, de uitbaatster op leeftijd, aanschouwde dit lieflijke tafereel met een grote glimlach.   De vrijdag erop zaten Raf en Silke opnieuw aan hetzelfde tafeltje, op hetzelfde tijdstip. Ze keuvelden over van alles en nog wat, het leek alsof ze elkaar al jaren kenden. Elke week spraken ze af in Julia’s boekenwinkeltje, waar ze genoten van een lekkere kop koffie terwijl ze praatten over hun dagelijkse leven of een interessant boek. Inmiddels beschouwden Raf en Silke Julia als hun vriendin. Wanneer het rustig was, voegde zij zich soms bij hen en maakten ze het samen gezellig. Voor Raf voelde het als thuiskomen. Gedurende de hele week keek hij het meest uit naar dit moment. Na een paar maanden vormden hij en Silke dan ook een koppel. Ze waren dolgelukkig en hadden plannen om te gaan samenwonen. Het leven kon niet beter worden, dachten ze.   Helaas kregen ze geheel onverwachts het verschrikkelijke nieuws dat Julia overleden was aan een hartaanval. Ze waren er allebei kapot van, Silke huilde dagen aan een stuk. Ze misten hun lieve vriendin nu al. De koffiemomenten zouden nooit meer hetzelfde zijn. Tot overmaat van ramp wilde Mieke, Julia’s dochter, de winkel verkopen. Dit konden Raf en Silke niet laten gebeuren en na overleg stelden ze voor om de zaak over te nemen. Mieke ging akkoord, ze wist dat haar moeder hier blij mee zou geweest zijn. een paar weken later startte het koppel met renovatiewerken, maar ze zorgden er wel voor dat er voldoende originele toetsen behouden bleven. Zo behield het winkeltje haar authentieke uitstraling. En natuurlijk bleef de koffiehoek ook bestaan, deels ter nagedachtenis aan Julia.   De tijd verstreek en de vernieuwde boekenwinkel werd een succes. Het verlies van Julia viel Raf en Silke nog zwaar, maar de omgeving verzachtte enigszins de pijn. Mieke bezocht hen regelmatig en dan haalden ze herinneringen op met een kop koffie erbij. Stilaan lieten ze het geluk weer toe in hun bestaan. Op een dag in december, het was bijna Kerstmis, kwam er een spontane jongedame binnen. Ze zei dat ze snakte naar een lekkere cappuccino. Plots verscheen een man naast haar die aanbood om haar drankje te betalen. Zij aanvaardde het en even later zaten ze samen aan het gekende tafeltje in de hoek honderduit te praten. Raf en Silke hadden het in de gaten en keken elkaar liefdevol aan. Ze dachten allebei terug aan hoe het voor hen begonnen was. Het gaf het koppel een nostalgisch gevoel. Hierop schonken ze een glas glühwein in, gingen ze naar buiten en klonken ze op Julia. Ontroerd, maar tevreden bekeken ze het nieuwe uithangbord:                                                        JULIA’S HOEKJE                                                boeken, koffie en liefde

Neru
0 0

De prins zonder naam

‘Pssst,’ klinkt een stem uit de boekenkast. Van schrik laat Anne het boek dat ze aan het inbladeren was, vallen. Met een harde klap valt het op de grond. De bladzijden doen de split, lijkt het wel. Anne bukt zich en pakt het boek op. Ze klapt het weer dicht. Boeken horen niet te dansen. Als ze het terug in de kast wil zetten hoort ze weer dat brutale stemmetje.  ‘Pssst! Hier!’ Anne hoort het goed. Iemand zit in de kast verstopt.  ‘Psst. Ben je blind of zo!’ Ze kijkt op. Op de boekenkast ligt een jongen. Plat op zijn buik. Hij kijkt haar grijnzend aan.  ‘Wat doe je daar?’ vraagt Anne. Ze klinkt als een juf die een stout kind betrapt achter de deur. ‘Liggen,’ antwoordt de jongen.  ‘He, he! Dat zie ik ook wel. Waarom lig je op de boekenkast?’ ‘Waarom niet?’ ‘Je bent toch geen boek?’ ‘Nee. Maar je moet toch geen boek zijn om op de boekenkast te liggen.’ ’Maar we zijn in de bibliotheek!’ ’Nou en! Staat er soms ergens geschreven dat je niet op de boekenkast mag liggen?’ Anne haalt haar schouders op. Ze heeft nog nooit zo’n bord gezien. Maar er hangt in de trein toch ook geen bord dat je niet in het bagagerek mag liggen? Ze heeft een keer dronken studenten in de trein gezien die in het bagagerek waren gaan liggen. Toen de conducteur kwam, waren ze de klos. Zou de jongen dronken zijn? Ze kijkt hoofdschuddend naar de jongen. Hij heeft blonde lokken die tot op zijn schouders vallen. Grote blauwe ogen. Een spitse neus. Hij heeft iets engelachtig. Een ondeugende engel. ‘Hoe heet je?’ ‘Wat stel je toch domme vragen.’ ‘Mag ik ook niet weten hoe je heet?’ ’Iedereen die boeken leest, weet hoe ik heet.’ ‘Weet jij dan hoe ik heet?’ vraagt Anne. De jongen schudt zijn hoofd. ‘Nou dan?’ ‘Ik lees geen boeken.’ Ik heb je, denkt Anne.  ’Wat doe je hier dan?’ Maar ineens gaat er iets dagen. Die broek. Dat jasje. Die droevige blik. Anne kijkt naar de omslag van haar boek. Van de omslag naar de jongen. Het is hem. Geen twijfel mogelijk. In het echt, zonder sporen van gebruik, ziet hij er jonger uit.  De kleine prins.  Een vraag brandt op haar tong.  ‘Waarom heet je eigenlijk Kleine Prins? Heb je geen naam?’  Plots begint het gebouw te trillen. Een boek valt uit de kast. Gevolgd door nog een. En nog een. En nog een. Het regent boeken. De hele bibliotheek loopt onder. De kleine prins omklemt de randen van de kast als een bobsleeer de hendels van zijn slee. De kast zwiept heen en weer. Dan valt hij om. Anne kan nog net op tijd wegspringen. Overal schreeuwen mensen. Ze banen zich een weg naar buiten door de zee van boeken. Het alarm gaat af. ‘Een aanslag!’ roept een man. 'Een aanslag op de bibliotheek!' Iedereen gilt. ‘Er ligt een jongen onder de boekenkast,’ schreeuwt Anne. Haar stem verdrinkt in het rumoer.  ‘Rennen voor je leven!’ Een hand grijpt Anne. Ze wordt meegesleurd naar de nooduitgang. Buiten, op veilige afstand, ziet ze dat ze haar boek is kwijtgeraakt. Het volgende moment stort het gebouw als een kaartenhuis in elkaar. Nu komt ze nooit te weten hoe de kleine prins in het echt heette, denkt ze droevig.            

Margaretha Juta
0 0