Lezen

Het verhaal van een CEO

  Soms denk ik: ze hebben me door, nu raak ik er niet meer mee weg. Maar telkens heb ik het verkeerd. Er komt geen einde aan de gebakken lucht die je kan verkopen als je een superbekende ondernemer bent. Het enige wat je moet doen, is je sympathiek voordoen tegen mensen waar je stiekem een beetje op neerkijkt. In mijn geval is het simpel: ik sponsor een voetbalploeg in de eerste voetbalklasse. Dat kost me een pak geld, maar om geld zit ik niet verlegen. Om sympathiek te doen, geef ik af en toe gratis consumpties weg of ga ik in de spionkop staan. Mensen appreciëren zoiets. Er zitten ruige types bij die harde kern en sommigen zouden iets meer lichaamshygiëne aan de dag mogen leggen, maar ze zijn er weg van als ik ertussen ga staan. Ik krijg schouderklopjes en duimen die de lucht ingaan, en dan grijns ik breed, omdat ik weet dat het alweer gewerkt heeft. Ik ben een man van het volk, hou ik hen voor. Sommige mensen worden maar al te graag voor het lapje gehouden. Ik kan er ook niets aan doen. Het is de menselijke natuur.   Ik klaag er niet over. Het is net door die menselijke natuur dat ik rijk geworden ben. Van mensen voor het lapje houden, kan je in geen tijd steenrijk worden. Ik ben begonnen met het verkopen van parfums. Dat was best een winstgevende business. Je koopt voor geen geld wat ingrediënten in, je doet alsof je een artisanaal laboratorium hebt in België – tewerkstelling in eigen land! - , terwijl je eigenlijk wat armlastige academici gevraagd hebt om tegen betaling wat onderzoek te doen naar nieuwe geurtjes. Nooit heb ik dichter gestaan bij het verkopen van gebakken lucht als toen. Ik heb een BV gevraagd die wat uit de belangstelling gesukkeld was, maar ooit een Missverkiezing won, om het gezicht te zijn van de parfumlijn en klaar was kees. Ze is een mooie vrouw, ze is later mijn persoonlijke assistente geworden. Ik ben niet bepaald een mooie man, maar af en toe delen we wel het bed. Ik zeg je: er zijn geen grenzen als je rijk en bekend bent.   Mijn parfumimperium heb ik na een vijftal jaren verkocht. Ik wist niet goed meer welke kant ik er mee uit moest en er was interesse van een buitenlandse concurrent die wat meer voet aan de grond wou krijgen in België. Het kwam als een godsgeschenk voor mij. Ik was erop uitgekeken en ik werd in één klap schatrijk. Het bedrijf was een lege doos, we maakten verlies, maar dat had ik handig weten te vermommen. Die idioten moesten maar niet zo dom zijn om erin te lopen. Ze wilden het verhaal geloven. En de kranten schreven netjes wat ik wilde: dat het niet mijn schuld was. Ik ben daarnet overgestapt naar de verkoop van geneesmiddelen waar je geen voorschrift voor nodig hebt. Nergens kan je mensen meer voor het lapje kan houden dan nepmedicijnen die geen effect hebben, maar wel het gevoel geven dat ze helpen. Een goudmijn. Het is in die tijd dat ik steeds meer in de media kwam. Ik nam een carnaval-lied op onder mijn eigen naam: Ivo Debacker. De titel van het lied: ‘Het is voor Debacker’. Het personeel was er weg, het grote publiek ook. Er verschenen steeds meer artikels in de pers over die gekke ondernemer.   Maar je weet hoe het gaat: er zijn altijd zuurpruimen die moeilijk gaan doen. Toen ik mijn bescheiden parfumimperium verkocht, waren er sommigen die opmerkten dat ik nul euro belastingen betaalde op de verkoop ervan, zoals het hoorde. Dat is om gek van te worden: er zijn altijd mensen die kritisch zijn en je je succes misgunnen. Natuurlijk wou ik geen belastingen betalen, ben je gek? Belastingen zijn voor anderen. Voor de supporters van de voetbalclub die ik sponsor, om maar iets te zeggen. Laat die maar betalen. Er was nog een andere reden waarom ik in het oog van de storm terecht kwam: ik had een druk bekeken nieuwsuitzending van de commerciële televisie onderbroken door achter de presentator mijn carnaval-lied te zingen, terwijl ik met enkele kompanen in een polonaise rond hoste. De baas van de televisiezender was niet helemaal amused, maar ik ken hem goed en hij vergaf het me. Uiteindelijk was er veel aandacht voor, en daar gaat het om. De meesten vonden me alleen maar meer sympathiek. Een gekke ondernemer die uit de band sprong. Wie daar iets op aanmerkte, was een azijnzeiker.   Maar er waren dus ook anderen die erop wezen dat ik geen belastingen betaalde en die daar een hetze van maakten. Het werd een discussie in de pers. Dat viel me wat tegen. Als bekende ondernemer had ik banden met de grote mediabonzen. Op tijd en stond verscheen er een positief artikel over mij. Zo was er een sportjournalist die een stuk van twee bladzijden publiceerde waarin hij me afschilderde als een uiterst grappige man, die eigenlijk evengoed stand-up comedian had kunnen worden. Heerlijk, als je de pers zo in je zak hebt. De waarheid is dat ik helemaal niets kan, behalve aandacht krijgen. Ik heb de journalist een fles whisky gestuurd als bedanking. Al deed hij eigenlijk alleen maar wat zijn baas – Kürt Van Looy, CEO van ’s lands grootste mediabedrijf - hem opgedragen had.   Maar het lukt dus niet altijd. Naar aanleiding van de discussie over de belastingen die ik niet betaald had, heb ik een persconferentie gehouden. De persconferentie ging niet over de belastingen zelf, maar over een investering die ik deed. Ik stopte geld in nieuwbouw aan de Belgische kust. Voor iemand als ik is het niet moeilijk zoiets voor te stellen als iets van groot maatschappelijk nut, als een zegen voor iedereen die aan de kust woont. De Belgische kust is al langer verkloot door projectontwikkelaars. Ik deed al maar mijn duit in het zakje. Wie kan daar iets op tegen hebben? Ik was die dag piekfijn uitgedost: paars hemd, beige pak met dunne rode strepen en een geurtje van mijn voormalig parfumimperium. En naast mij mijn ex-Miss. Niet aan mijn arm. Ik ben getrouwd.   Ik wist dat er vragen zouden komen over de belastingen. Ik had afgesproken met Kürt Van Looy dat één van zijn journalisten er zou over beginnen, als niemand anders het deed. Ik had mijn antwoord klaar. “Het geld dat ik niet aan de fiscus gegeven heb, ga ik investeren in de maatschappij”, zei ik. “Binnen een termijn van vijf jaar zal ik tweeduizend jobs creëren en zo mijn steentje bijdragen aan de samenleving.” De journalisten noteerden het vlijtig en de volgende dag stond het overal op de voorpagina van de kranten. Fantastisch. Het voordeel is dat niemand zo’n uitspraak goed klinkt, niet meteen te controleren is en binnen vijf jaar niemand nog weet heeft van die uitspraak. Zoals ik zei: mensen willen voor het lapje gehouden worden. Maar als u me nu even wil excuseren: we gaan dadelijk een politiek praatprogramma kapen met onze carnaval-hit. Ik heb een felgroen hemd en een rode short aan. Het wordt lachen, dat staat vast. Ik kijk al uit naar de schouderklopjes en de duimpjes op de voetbaltribune.

Dominique Soenens
0 1

HET GELE HESJES GOEDE DOEL

Eind november daverde het sportpaleis in Antwerpen tijdens de slotshow van Rode Neuzendag van het gigantische applaus. Na weken intensief vrijwilligerswerk had de actie 4.269.073 euro opgebracht. Ondertussen aan de andere kant van de wereld stond daar zo’n Belgische minister op een Zuid Afrikaans festivalpodium, voor een enthousiaste 60.000 koppige menigte, als een rockster te juichen. Hij doneerde, in Johannesburg,  uit naam van België zo’n luttele 43 miljoen euro om ginds de gendergelijkheid te promoten. Voor diegenen die niet helemaal mee zijn, zal ik het nogmaals herhalen: Die Belgische bwana kitoko schonk aan de Zuid Afrikanen 43 miljoen euro  Belgisch belastinggeld om duurzame ontwikkeling en gendergelijkheid te promoten. Zuid Afrika is één van de meest ontwikkelde landen van het Afrikaans continent en ik kan, en niet alleen ginds, wel een paar andere en meer dringendere doelen bedenken om onze eigen belastingscenten in te steken. Wijzelf zijn euforisch als we 4 miljoen euro en een klets kunnen bijeenschooien, terwijl 47 miljoen euro van onze centen ergens anders rondgestrooid wordt! Diezelfde dag vertelde men op de radio en kopte men in allerlei kranten dat 1 op 5 kinderen in ons eigen land in armoede opgroeien. We hebben een berg staatsschuld of noem je dit een gigantische put! We zijn het land van de hoogste belastingdruk en de laagste pensioenen. Nieuwkomers ontvangen meer dan wat we aan onze eigen invaliden uitbetalen. Nog nooit stonden er zoveel mensen in rijen aan de voedselbanken aan te schuiven. Mindervaliden worden bij bejaarden in rusthuizen gestoken omdat er ergens anders geen plaats voor ze gecreëerd wordt. Minderjarige criminelen laten we meestal lopen omdat er nergens plek is om ze herop te voeden. In andere landen van Afrika sterft men van ondervoeding of ebola. Karavanen hongerzwarten sjokken door woestijnen richting zee om daar, als ze het al overleven, op een luchtmatras de grote oversteek te wagen naar het land van die geld rondstrooiende Europeanen. En nog maar net hebben we met zijn allen die rode neus weer voor een jaartje weggeborgen, of vrijwilligers zetten zich opnieuw in voor de Warmste Week. In december moeten wij allemaal met Music for Life het kerstgevoel ondergaan. Sneller dan dat wij onze portemonnee kunnen opendoen, ploppen de nieuwste goede doelen als paddenstoelen uit de grond. Allemaal heel hartverwarmend, maar een druppel op een hete plaat, zolang onze eigen regering onze zuurverdiende belastingcenten aan de andere kant van de wereldbol laat verdampen.  Geen journalist die er een bedenking bij maakte ..alleen een foto van een “she’s equal” roepende ‘geld verstrooiing minister’ voor een 60.000 koppige  joelende Zuid Afrikaanse menigte. Tegelijkertijd kwamen in ons eigen land, op de vooravond van de klimaattop in Polen, in Brussel zo’n 60.000 man betogen omdat volgens hen de regering veel te weinig doet tegen de klimaatopwarming. En wie wandelde er rustig mee in deze betoging? Onze minister van energie en leefmilieu…Toen een journalist haar erop attent maakte dat ze eigenlijk in een betoging meeliep die tegen haar eigen beleid was, antwoordde zij zonder blikken of blozen dat het niet de Belgische regering, maar het Vlaamse bestuur was dat de klimaatdoelstellingen tegenhield..Zij heeft blijkbaar een probleem om haar hand in eigen boezem te steken en er het handje van weg om alle verantwoordelijkheid steeds opnieuw bij de anderen te leggen. Ook draaide zij er haar hand niet voor om ‘s anderdaags met het regeringsvliegtuig eventjes over en weer naar de klimaattop in het Poolse Katowice te vliegen.  Weer geen journalist die reageerde en er haar iets over vroeg!  CO2 uitstoot? C’est quoi ça? Mais non, c’est pour les autres… En ondertussen worden wij in allerlei kakelprogramma’s met het Marrakech immigratiepact om de oren geslagen. To Marrakech or not to Marrakech…that’s the question. De ene regeringspartij ziet het migratiepact felroze, bij de andere partij kleurt de tekst diepzwart. De regering heeft ondertussen meer dan een fluitspelende slangenbezweerder, op het Djemaa el Fna plein, nodig om als een slang rechtop uit de mand te komen. Van al dat geklungel zou een mens spontaan een geel hesje aantrekken!   Sim, 6 december 2018            

Sim
0 0

Het kleine geluk

“Ik zou twee keer willen krabben”, hoor ik de man zeggen. Hij staat voor me in de rij bij de krantenwinkel. Hij doet me schrikken. Maar wat een geluk. Hij heeft het tegen de winkeljuffrouw. Nog gelukkiger voor haar, gaat het over een Win for Life, waarop hij twee keer wil krabben. Zijn vraag nodigt uit om een opmerking over te maken. Maar er schiet me niet meteen iets te binnen als ik aan de beurt ben. “Je hebt hem niet laten krabben”, zou wellicht fout overkomen. Daarom betaal ik gewoon mijn krant en wens de winkeljuffrouw nog een fijne dag.    Al dat oefenen in mijn jonge jaren, om meteen een antwoord klaar te hebben, heeft blijkbaar niet veel geholpen. Want na de woensdagtraining had ik wel eens een afspraak met de badkamerspiegel  in de rol van Jan Wauters of de jonge Frank Raes. De radio speelde op de achtergrond. Een haarborstel deed dienst als microfoon. Europese voetbalwedstrijden werden toen nog alleen op woensdag gespeeld.  Als de sportjournalisten een voetballer van Anderlecht, Brugge of zelfs Waterschei voor de microfoon haalden, nam ik het wel eens over van Vandenbergh, Ceulemans of Clijsters.  “Ja Frank, het was een prachtig doelpunt. Daar heb je gelijk in. Er was een beetje geluk mee gemoeid, maar dat moet je soms ook afdwingen.” In het echte leven ben ik nooit tot bij de microfoon van Wauters of Raes geraakt. Het is bij de badkamerspiegel gebleven. Het voetbalgeluk ging later over in andere zaken. Och, het geluk zit in kleine zaken. In kleine dagen. Al moet je je soms wel eens op het hoofd krabben. Zelfs twee keer, zoals de man in de krantenwinkel.  Want je krijgt het niet op een briefje. Zelfs niet op een Win for Life.  

Rudi Lavreysen
5 0

Dromenland

Mocht er een wereldrecord rugje wrijven bestaan, had ik het verbroken. Al zou geen deurwaarder mijn prestatie officieel bevestigen, want dan zou die elke avond meermaals uit zijn warme zetel of bed moeten kruipen om te tellen en te timen. Hij, strak rechtop in het pak met een tikkende chronometer in zijn hand. Ik, naakt voorovergebogen over het ergonomisch onverantwoorde kinderbed van mijn 22 maanden oude zoon.   Wrijvend. Met liefdevolle handen die alleen rond hem draaien. Wachtend. Tot hij zich laat glijden in de zachte zakken onder zijn ogen. Weifelend. Hoe lang we nog blijven draaien in deze vicieuze cirkels. Wanhopend. Wanneer hij ons wakker weent voor ronde vier en wij hem knock-out tussen ons inleggen. Wenend. Vooral hij, soms ook wij. En verwonderd. Hoe diep je kan blijven scheppen in die bron van liefde. Al laten die nachtelijke wrijvingen wel hun sporen na.   Ouders van moeilijke slapers hebben weinig vangnet om op terug te vallen. Hun wekker piept even meedogenloos als die van werkmensen die ’s nachts doorslapen. Ze moeten mee met de maatschappij, met dezelfde snelheid en energie als hun kwieke collega’s. Doelen en deadlines halen, zonder snoozen. Ging er maar eens een maatschappelijke wekker af voor ploetermoeders en -vaders die te veel balletjes tegelijk in de lucht moeten houden: een huis, een gezin, een ‘carrière’ en graag ook nog iets dat op een privéleven lijkt – en dat in combinatie met die nachtelijke wrijfrecords.   Waren huizen maar meer dan een nummer in de straat. Dan konden buren over hun getalgrenzen heen de handen in elkaar slaan. Oud en jong zouden de beste vrienden zijn. Want achter de ene gevel tikken eenzame zielen de tijd weg met breinaalden of wandelstokken, terwijl andere huishoudens de wirwar aan to-do’s niet aan elkaar weten te haken. Samenleven blijkt niet zo evident in onze samenleving. We geraken moeilijk over de drempel van een vreemde deur.   ‘Nochtans zouden Yvonne en Marie-Jeanne hun deur graag openzwaaien’, denk ik dan al wrijvend. Zij wonen een beetje verder in de straat en hebben zelfs tijd om hun riool proper te vegen. Dat doen ze langzaam en grondig in de hoop dat er af en toe iemand voorbijkomt om naar te staren of, in het beste geval, naar te zwaaien. ‘Misschien moeten we eens aanbellen met een voorstel?’, fladderen mijn gedachten. Maar te vaak ontpopt mijn denken zich niet tot doen. Dus ploeteren we verder in onze cocon. Zo’n heerlijk bordje slow meme-kost zou nochtans wel smaken, net als het warme gevoel dat uit gedeelde kookpotten opstijgt.   Een zachte zucht. Hij slaapt. Nu is het aan mij om een weg naar dromenland te banen.  

Rien Mertens
0 2

Het Roodkopvolk

In het bos achter die dode boom is de ingang van de onderwereld. Ga 233 treden, nou ja treetjes naar beneden en je bereikt een grote open plek tussen de wortels van eeuwenoude bomen. In deze wereld leeft een minivolkje, de roodkoppen. Niet groter dan een lucifer en net als een lucifer hebben ze allemaal een rood hoofd. De zuurstof komt door allerlei openingen in het bos maar een paar weken geleden veranderden echt alles voor dit vreedzame volkje. Op een afschuwelijke maandagmorgen dreunde en beefde de grond. De roodkopjes zijn echte langslapers maar nu sprongen ze verschrikt hun bedjes uit. Wat gebeurt hier? Een zelfgemaakte periscoop werd naar boven geschoven en koning Dorpok keek zelf wat er boven hem gebeurde. Zijn hoofd werd nog roder dan het al was en zijn kleine lichaam beefde van top tot teen. Een legertje grote mensen was bezig bomen te kappen en met grote machines werd een geasfalteerde parkeerplaats aangelegd. Twee weken en 89 gekapte bomen later was daar aan de rand van de weg een stenen gedrocht in het bos neergelegd. Als het daarbij was gebleven was het nog te pruimen maar er stopten steeds met veel kabaal van die grote koekblikken op wielen. Er stapten mensen uit die de bosjes indoken. Mannen haalden een slang(etje) uit hun broek waar dan een soort waterval uitkwam en vrouwen trokken hun broek omlaag, gingen op hun hurken zitten en ook daar kletterde het vocht flink op de grond. Dan kwam er een witte lap waarmee gepoetst werd en die werd meestal neergegooid op de grond. De lucht binnen bij het roodkopvolk vervuilde sterk en door de penetrante lucht kregen vooral de kinderen last met ademhalen. Die achtergelaten lappen, wij noemen het papier lagen her en der op de luchtopeningen. De koning was het zat en riep zijn volk bij elkaar voor spoedoverleg . Er moet iets gebeuren, dit kan niet langer. Pokidor, de tovenaar zag de bui al hangen. Zoals gewoonlijk was hij weer de klos om het op te lossen. Hij stond wat achteraan om niet op te vallen maar al snel scandeerde men zijn naam. Pokidor, jij bent de enige die hier wat aan kan doen. Ga naar de mensenwereld en zorg dat het weer net als vroeger wordt. Oké, ik ben net een toverdrank aan het brouwen en als die klaar is en het is volle maan zal ik de 233 treden naar boven gaan. Na acht dagen is het zover, het is volle maan en Pokidor kan er niet meer onderuit. Lieve roodkopjes, ik ga naar boven en probeer een nieuwe drank. Als ik die drink word ik net zo groot als de mensen. Ik moet voor middernacht hier weer terug zijn bij de boom anders moet ik tot de volgende volle maan wachten om weer klein te worden en af te dalen naar onze onderwereld en of ik dat zal overleven weet ik niet. Wens mij sterkte. Met het flesje toverdrank in zijn rugzak bestijgt Pokidor de lange trap. Hijgend komt hij boven. Hij staat achter de boom en ziet een koekblik op wielen aankomen. Er stapt een vrouw met rood krullend haar uit en zij doet net aan de andere kant van de boom haar broek naar beneden, gaat gehurkt zitten en doet hetzelfde als al zoveel voor haar hebben gedaan. Het papier gooit ze weg, trekt haar broek weer omhoog en wil weg lopen. Intussen heeft Pokidor zijn flesje leeggedronken en in een paar seconden is hij nog groter dan de roodharige vrouw. Waarom gooi jij die lap zomaar op de grond, kijk eens wat een troep hier ligt. De vrouw schrikt zich een hoedje. Waar kom jij zo snel vandaan, ik had je helemaal niet gezien. Dat kon je ook niet, het is een heel verhaal, dat komt nog wel eens. Wat vind je nu van al die troep die hier zomaar in het bos ligt. Dat kan toch helemaal niet. Sorry, ik heet Pokidor. O ja ik heet Tessa en je hebt wel een beetje gelijk. Zo een mooie natuur en zo een vervuiling. Ze kijkt hem nu pas eens goed aan, best een leuke vent denkt ze maar wat een vreemde kleur hoofd heeft hij. Wat een rood hoofd heb je, zegt ze. Zo ben ik geboren. Zullen we er wat aan doen, niet aan mijn rode hoofd hoor maar aan die troep. Als wij het opruimen blijft het misschien wel schoon. Heb jij misschien iets in dat koekblik om het in te doen? Koekblik? dat is een mini cooper, een te gekke auto. Auto heet zo’n geval? Neem je mij nu in de maling? Je lijkt wel niet van deze wereld. Misschien is dat ook wel zo. Wat doe je? Help je mij met opruimen? Okay, ik heb nog wel even tijd. Over een uur moet ik bij de Sinterklaas intocht zijn. Dat ken ik ook al niet, nooit van gehoord. Je bent een rare vogel maar dat vind ik eigenlijk wel leuk.Ik help je en dan ga je met mij mee naar Sinterklaas. Tien minuten later hadden ze drie vuilniszakken vol troep, alles was schoon. Toen had Pokidor eigenlijk afscheid moeten nemen en weer de 233 treden naar beneden moeten nemen maar hij koos ervoor om met Tessa mee te gaan. (Wordt vervolgd)

Bassam Camino
0 0

Dertig seconden onschuld

Angstig keek ik voor me uit. Mijn lichaam beefde. Het zweet dat over mijn gezicht stroomde en de tranen in mijn ogen spraken voor zichzelf. Ik staarde naar datgene wat me al zoveel pijn had gedaan en voor die ene keer was ik degene die kon genieten. Ik had dat bezeten ding al ergens opgeborgen, samen met de schaamte die ik al die tijd al voel…   Voor de zoveelste keer zat ik verscholen in dat hoekje. Ik liet het licht uit en ik maakte me zo klein mogelijk, alsof dat nog iets uitmaakte… Het zou me vinden en als het me vond, dan had ik het weer voor. Ik hield mijn adem in en telde de seconden. ‘Eén seconde, twee seconden, drie seconden…’. Als ik de getalletjes in mijn hoofd zou herhalen en onthouden, dan wist ik op zijn minst al hoe lang het heeft geduurd. Ik hoorde lawaai. Mijn hart zat ondertussen vast in mijn keel. Een krakend geluid aan de deur. Mijn hoofd begon te tollen. De deur ging open. Het was stil.   Het was donker, ik kon niet zien wie er stond, maar het gestalte en de stem verraadden hem. Door het kleine lichtstraaltje van buiten keek ik recht in zijn ogen. Die donkerbruine ogen, zo donker als de nacht. Elke keer als ik mijn ogen sloot zag ik die ogen, bezeten door het kwaad. Elke keer opnieuw, ik wist perfect wat hij ging doen en wat ik zou moeten doen. Hij stroop zijn mouwen op en blies vervolgens twee keer in elk hand. Hij zette vervolgens een stap dichterbij en strekte zijn hand naar me uit. Ik dook weg en weigerde elke vorm van lichamelijk contact. Daarna sleurde hij me recht en legde me op het bed. Ik bleef verstijfd liggen en bleef doorgaan met tellen. ‘Tien seconden, elf seconden, twaalf seconden…’. Hij ging weer naar de deur en sloot hem, hij pakte iets uit zijn zak en begon te prullen aan de deur. Klik. Dat geluid betekende gevaar. Vervolgens kwam hij weer dichterbij, hij zei iets. Mijn hoofd was verborgen in mijn eigen lichaam. Mijn hersenen waren geblokkeerd en mijn lichaam reageerde niet meer. Ik liet het gebeuren.   Pijn. De duizelingwekkende hoeveelheid pijn die door mijn lichaam ging. Het maakte niet uit wat hij deed, emoties liet ik niet zien. Slagen. Ontelbaar veel slagen. Ik was het gewend, die druk op mijn lichaam deed me niets meer. ‘Twintig seconden, éénentwintig seconden, tweeëntwintig seconden…’. Hij gooide me van het bed en zette me weer naast het bed. Hij bleef even staan en keek recht in mijn ogen. Die kille, gevaarlijke en dodelijke blik. Ik zag tanden, hij lachte. Er knapte iets. Iets in mij ontplofte en nam heel mijn geest en lichaam over. Ik ging naar het bed en viste iets uit de dons. ‘Vijfentwintig seconden, zesentwintig seconden, zevenentwintig seconden…’. Ik stond op en vloog op hem af. Hij zakte neer, vlak voor mijn voeten. Die blik verdween niet en die lach, die bleef stralen als de sterren.   Bloed. De gevallen engel op de grond was omringd door bloed, heel veel bloed. Ik trilde en huilde. Ik keek hem aan en telde verder. ‘Achtentwintig seconden, negenentwintig seconden, dertig seconden’. Dertig. Ik draaide me om en keek voor me uit, wachtend op de zon die komen zou.

Quinten Samison
21 0

De couponknipster

Toen ik die dag het bewustzijn verloor in de supermarkt wist ik dat ik het niet lang meer zou trekken. Het was nochtans geen onaangenaam gevoel. Ik voelde me helemaal warm worden, van mijn voeten af naar boven, en ik was al buiten bewustzijn nog voor ik de koude vloer raakte. Ik werd enkele tellen later alweer wakker. Er lag een pak koffie naast me. Zwarte Kat. 2,75 euro voor een pak, maar er loopt een promotie, waardoor je er drie kan kopen voor 7,5 euro. Er stond iemand van de supermarkt over me heen gebogen. “Mevrouw, gaat het?”, vroeg hij. Het was een jonge kerel. Hij had kleine moedervlekjes in zijn gezicht, een perkament-witte huid en haar waar minstens één pot gel doorgegaan was. Ik vroeg me af welk merk hij gebruikte. Ik gebruik er zelf geen, maar ik heb er wel eens cadeau gedaan. Drie voor de prijs van één: dat was de promotie, enkele maanden geleden. 15 euro voor de prijs van drie, een echt buitenkansje. Ik moest alleen nog drie familieleden vinden aan wie ik ze cadeau kon doen. Makkelijk was dat niet. Gel is niet erg meer in de mode, in tegenstelling tot in de jaren tachtig, toen ik nog jong was. Ik heb er twee gegeven aan neefjes van me. Geen idee of ze er iets mee waren, maar cadeautjes zijn altijd een beetje een gok. De derde staat nog bij me, wachtend op een goeie gelegenheid om mijn huis te verlaten. Ik knipperde met mijn ogen terwijl ik wat verward om me heen keek. Ik voelde een kloppende buil opkomen op mijn achterhoofd. De jongeman van de supermarkt leek oprecht bezorgd. Ik voelde dat ik het warm had. “Kan ik wat water krijgen? Uit een flesje, graag”, zei ik. “Ik verdraag geen kraantjeswater.” Dat was niet waar, maar dat wist die jongen niet. Bovendien was de kans klein dat hij een vrouw van middelbare leeftijd die net flauwgevallen was een flesje water zou weigeren. Maar plots kreeg ik een ander idee. “Of nee, misschien is een flesje cola beter. Ik denk dat ik een suikertekort heb.” Ik heb geen diabetes of zo, maar het had heel goed gekund. Een flesje cola is meer waard dan een fles, had ik vlug uitgerekend. Ik let altijd op, ook als ik net van mijn stokje ben gegaan. De rest van het flesje cola zou ik straks wel meenemen naar huis. Ik vroeg me af of ik ook nog de pak koffie uit de wacht zou kunnen slepen, maar ik besefte dat dat wellicht te veel zou zijn, ook al was hij beschadigd en zouden ze hem wellicht niet meer kunnen verkopen. De jongeman bleef bij me terwijl iemand anders om een flesje cola liep. Ik zat nog altijd op de grond. Ik voelde me ongemakkelijk worden. “Kan u zeggen wat er gebeurd is?”, vroeg de jongeman. Dat was duidelijk, dacht ik. Ik was flauwgevallen, toch? “Ik was naar de verschillende soorten koffie aan het kijken toen ik plots het bewustzijn verloor. Het volgende dat ik weet is dat u over me gebogen zat en me vroeg of het wel goed met me ging”, zei ik. De jongeman rook lekker. Het was een geur die ik niet kende. “Heeft u iets waardoor u wel vaker flauwvalt?”, vroeg hij. Ik vond dat hij te veel vragen stelde. Maar voordat ik me daar druk kon over maken, kwam een vrouwelijke collega van hem mij een flesje cola brengen. Ik dronk er een kleine slok van. Ik wou het niet in één keer op gebruiken. “Is het goed dat we een ambulance laten komen?” zei de collega van de jongeman. Ik schrok. Nee, zeker geen ambulance. Weten die niet hoeveel dat kost? Daar gaat mijn hele maandbudget aan op. Als het niet meer is. Ik schudde kordaat mijn hoofd. “Nee, hoor. Dat hoeft helemaal niet. Ik ben gewoon even onpasselijk geworden.” Ik wou er nog bij zeggen “Mogelijk door de prijzen van de koffie te zien”, maar ik hield me wijselijk in. “Ik voel me al een stuk beter”, zei ik. Het was half waar. Ik had het nog altijd warm, maar het was minder erg dan daarnet. De misselijkheid was er ook nog, maar die ebde langzaam weg. De buil deed wel nog altijd veel pijn. Ik nipte nog even van mijn flesje cola. 51 cent kost zo’n flesje, met 10 cent leeggoed erbij. Die 10 cent was een bonus. En de cola smaakte me. Tien minuten later liep ik naar buiten. Het flesje cola zat in mijn tas. In de cafetaria nabij de supermarkt had ik daarnet ook al een handvol suikerklontjes meegenomen bij de koffie. Even om me heen kijken en hups, ze zaten in mijn tas. Het was al bij al een goeie dag.     ***     Ik woon in een villa in de Vlaamse Ardennen. Een erfenis van mijn ouders, die zo’n vijf jaar geleden gestorven zijn in een auto-ongeval. Ik was enig kind. Mijn moeder was docent aan een Brusselse universiteit, mijn vader verzekeringsmakelaar. Ze waren in de Ardennen, de echte bedoel ik, waar ze terug keerden van een chic diner in een kasteel in de buurt van Rochefort toen het gebeurde. Er was plots mist komen opzetten en een vrachtwagen was tegen hoge snelheid op hen ingereden. De chauffeur had hen gewoon niet gezien, zei hij. Mijn vader was op slag dood, mijn moeder zweefde twee dagen tussen leven en dood. Ze is niet meer bij bewustzijn geweest. Dankzij de erfenis moet ik niet meer werken. De dokters vinden maar niet wat me scheelt. Ik voel me meestal goed, maar af en toe gaat het licht uit. Ik val flauw, zonder enige aankondiging of aanleiding. Ik heb het de jongste tijd steeds meer. De laatste keer zat ik op de fiets om boodschappen te doen. Ik moest meer bewegen, dat zou me goed doen, had de dokter gezegd. Maar ik viel domweg neer. Er is een automobilist gestopt om te kijken wat er scheelde. “Ik schrok. Ik zag je fietsen en het volgende moment lag je gewoon op de grond”, zei hij. Hij had bier gedronken, rook ik. Een streekbier, dacht ik, niet zomaar een simpele pils. Streekbieren zijn door de band genomen een stuk duurder, maar hij leek me er niet de man naar die daar rekening mee hield. Sommige mensen doen maar alsof het niet op kan. Het was in de namiddag, maar het leek me toch wat vroeg om al naar bier te ruiken. Zou hij een alcoholicus zijn? Iemand die ’s morgens zijn havermout met bier opslurpt? Ik keek hem met een priemende blik aan en bedankte hem. “Ik weet ook niet wat me overkomen is. Ik was opeens weg”, zei ik. Ik keek naar mijn knie, waar ik een schaafwonde had. Er zaten kleine kiezelsteentjes in. “Gaat het?”, vroeg hij. Ik had teveel pijn om te antwoorden. Ik was het al gewoon om te vallen, maar ik stond intussen vol blutsen en builen. Ik probeerde mijn knie te plooien, maar ik voelde alleen maar een scherpe pijn. “Het gaat wel”, zei ik terwijl een grimas mijn gezicht vertekende. “Ik moet gewoon even bij mijn positieven komen.” Ik keek naar zijn bril. Een montuur van Hans Anders. Iets meer dan 100 euro, schatte ik. Misschien minder, als je wacht tot er promoties zijn. Ik heb mijn brilmontuur voor 60 euro kunnen kopen. Ik herinner me dat de winkelverkoper wat zuur keek toen ik twee coupons bovenhaalde en hem er op wees dat er niet bij stond dat ze niet te combineren waren. Mijn montuur is niet meer dan een ijzerdraad die met enige moeite twee glazen vasthoudt, maar het is perfect voor mij. Hij had mijn fiets rechtop gezet. “Ik denk dat u die wonde moet laten nakijken”, zei hij, wijzend naar mijn gehavende knie. Een doktersbezoek? Nee, daar kon geen sprake van zijn. Waar bemoeit die man zich mee? “Het gaat wel. Is mijn fiets in orde?”, vroeg ik, om het ergens anders over te hebben. Hij keek er even naar. “Ik denk dat er niets mankeert met uw fiets, op een paar krassen na. Uw pedaal heeft een duw gehad, maar erg is dat niet.” Ik was blij. Ik had hem tweedehands gekocht. Nieuw zijn die dingen onbetaalbaar. “Bedankt dat u gestopt bent. Heel vriendelijk”, zei ik, terwijl ik hem een hand reikte om afscheid te nemen. Hij leek verbaasd dat ik al op zijn vertrek aanstuurde, schudde me de hand en vroeg of ik wel zeker ok was. “Ja hoor”, zei ik. “Het zag er erger uit dan het was. Hartelijk dank.” Ik glimlachte even en hij draaide zich om om naar zijn auto te stappen. In de hoek van mijn oog zag ik een coupon die uit mijn tas gevallen was. Hij lag in een plas water, half besmeurd. Ik wachtte tot de man terug in zijn auto zat om hem op te vissen. Ik wapperde er even mee in de wind om hem te drogen en zette daarna mijn weg verder. Mijn knie gloeide van de pijn, maar ik negeerde het. Ik vervolgde mijn weg naar de supermarkt, waar ik een volle boodschappentas bijeen shopte voor amper 45 euro. Ik had onder meer drie potten chocopasta voor 5 euro op de kop kunnen tikken. Ook als het tegen zit, kruist er soms nog een meevaller je pad.     ***     “Mevrouw Eline Verdonck?” De doktersassistente stond in het deurgat en keek de wachtkamer rond. Verdonck Eline. Dat ben ik. Ik stond recht en knikte haar toe. Uit mijn tas puilden twee tijdschriften die daarnet nog op het salontafeltje lagen. Een dokter is al duur genoeg zo en hij heeft geld genoeg om nieuwe magazines te kopen. Wellicht krijgt hij ze gratis om ze in zijn wachtkamer te leggen. Toen ik zijn kabinet binnen stapte, keek de dokter me indringend aan. Hij heeft couperose op zijn wangen en dun blond haar op zijn kruin, waar zijn schedel door schemert. “Mevrouw Verdonck, u eet volgens mij te weinig”, zei hij zonder omhaal nadat we beiden plaats genomen hadden. Ik voelde me ongemakkelijk. “Weet u hoeveel u weegt?” Ik schudde mijn hoofd. “Nee”. “Komt u maar even”, zei hij. Hij leidde me naar een witte elektronische weegschaal die aangaf dat ik 42 kilogram woog. Dat is weinig, maar het valt nog mee, vind ik. Per kilo meer geef je ook meer dan 60 euro per jaar uit, had ik uitgerekend. Het is een kwestie van evenwicht. “U zit een stuk onder het normale gewicht voor iemand van uw lengte”, zei hij met een strenge blik. Het was alsof hij een kind toesprak. “Maar dat verklaart niet waarom ik zo vaak flauw val”, antwoordde ik. “Dat weten we niet. In ieder geval is het niet goed dat u te weinig weegt.” Hij zuchtte even. Het was niet op te maken of het uit moedeloosheid of ergernis was. “Kan u me even zeggen wat u op een dag eet?” “In de ochtend begin ik met een boterham of een kommetje havermout met melk. ’s Middags eet ik enkele boterhammen, afhankelijk van hoeveel honger ik heb, en ’s avonds neem ik een warme maaltijd”, zei ik. Dat laatste was niet helemaal waar: ik eet vaak ook ’s avonds enkele boterhammen, met wat zelfgemaakte soep. Ik vond alleen dat dat niet goed genoeg klonk. Hij knikte even. “Mevrouw Verdonck, u moet meer proberen te eten. U weegt te weinig”, zei hij. “Ok”, zei ik. Hij zei niets terwijl hij geconcentreerd op zijn computerscherm keek. “Uw bloedonderzoek heeft niets bijzonders opgeleverd”, zei hij. “Ook uw andere resultaten zijn ok.” “Hmmm”, zei ik. Ik keek even naar mijn tas waar de twee magazines uit puilden en voelde een warme gloed. “Slaapt u goed?”, vroeg hij. “Ja, geen enkel probleem. Ik slaap makkelijk acht uur per dag”, antwoordde ik. “Dat is goed”, knikte hij. “Heeft u nog andere klachten, behalve het flauwvallen?”, vroeg hij. Ik probeerde niet te kijken naar het dunne, donzige haar op zijn schedel. “Nee”, zei ik. Ik had wel klachten over hoe duur het leven in het algemeen was, maar het leek me niet het moment om dat onderwerp aan te snijden. “Ok, dan zou ik graag binnen een maand terugzien. En ik zou willen dat u tegen dan drie kilo bijgekomen bent. Goed? Ik heb een collega die ook diëtiste is en zij zal u een voedingsschema bezorgen waarmee u terug dichter bij uw ideale gewicht komt. U moet ook meer bewegen, zodat u aan spierkracht wint. Ik zou u daarom stellig willen aanraden om naar een fitnesscentrum te gaan.” Ik antwoordde niet. Ik was een beetje overdonderd door wat hij zei. Een diëtiste en een fitnesscentrum: daar had ik geen zin in. Een duur dieet is het laatste wat ik wou. En een fitnesscentrum is weggegooid geld. Bewegen kan je ook gewoon als je buiten bent. Gratis. Ik zei niets en knikte. “Alles wijst erop dat u flauw valt doordat u te weinig eet”, zei hij. Hij stond recht en kwam terug met een stethoscoop en een bloeddrukmeter. “Uw bloeddruk is iets te laag, maar niets om u zorgen over te maken”, zei hij even later. “U weet dus wat u te doen staat: meer eten.” Ik knikte. Op dat moment besliste ik om niet meer naar op doktersbezoek te gaan. Er was duidelijk niets wat hij kon doen. En het zou me geld besparen.     ***     Het is alweer een goeie dag. Ik heb zes potten bosvruchtenconfituur kunnen kopen voor de prijs van twee. Een superpromotie. Ik moest er wel iets meer dan 20 kilometer voor met de fiets rijden, maar zo’n buitenkansje kon ik niet laten liggen. Ik eet vaak boterhammen met confituur. ’s Morgens en ’s middags, en soms ook ’s avonds, als ik geen zin heb om te koken en er niets in de diepvries zit om op te warmen. Deze avond eet ik opnieuw boterhammen met confituur. Ik eet ze op voor de televisie. Ik ben toch alleen, niemand zegt me wat ik moet doen. En als de televisie aan ligt, laat ik de verlichting uit. Je moet niet gek doen met energie, vind ik. Zeker niet nu de klimaatverandering zo’n probleem aan het worden is. Het schijnsel van het televisiescherm is meer dan verlichting genoeg. Mochten meer mensen denken als ik zou er waarschijnlijk veel minder sprake zijn van een energieprobleem. Mochten meer mensen mijn voorbeeld volgen, zou het sowieso een betere wereld zijn. Maar ze doen het niet.     ***     Krantenbericht van 12 november 2018.   De 42-jarige vrouw die vorige week dood aangetroffen werd in haar woning in Ene, in de Vlaamse Ardennen, is overleden aan de gevolgen van botulisme. Dat heeft het parket vandaag bekend gemaakt. De vrouw werd het slachtoffer van een bacterie die in een pot bosvruchtenconfituur zat, zo blijkt na onderzoek door het gerechtelijk laboratorium. Alle confituurpotten van het merk Delicata zijn meteen uit de winkelrekken gehaald. Het Federaal Voedselagentschap laat weten dat er van andere slachtoffers geen sprake is. Wie confituur van het desbetreffende merk in huis heeft, moet die meteen terugbrengen naar de supermarkt. Vanneste Food, de fabrikant van de confituur, zegt dat het laat nagaan wat er fout gelopen is. “Wij zien er streng op toe dat alle veiligheidsprocedures gevolgd worden, zodat we de kwaliteit van onze producten kunnen garanderen. We leveren al ettelijke decennia producten van uitstekende kwaliteit. We gaan er daarom ook van uit dat dit een alleenstaand incident is. Toch nemen we onze verantwoordelijkheid op en roepen we alle confituurproducten terug. We voeren een onderzoek om na te gaan wat er mogelijk fout kan gegaan zijn en of er gebreken waren bij de kwaliteitscontrole”, laat Pieter Dupont, woordvoerder van het bedrijf, weten.

Dominique Soenens
5 1

De B.I.B.

Ik leg mijn hand onder mijn kin en zie hoe de regendruppels op het raam uiteenspatten in minioceaantjes. De leraar mompelt iets en ik hoor de pennen rondom mij ijverig krassen over de bladen. Af en toe kucht iemand door meer dan alleen maar droge lucht. De les van vandaag gaat over de ‘Kunde van het Aardse Rijk’, maar ik wil liever weten hoe water zich beweegt als het omhoog zou stromen. Hoe hoog zou het komen? Zo hoog als de Eiffeltoren? Ik zou naar Parijs kunnen gaan om het uit te zoeken, daar op een terras verboden zoete rode wijn drinken, achteruit leunen in een stalen stoel waar de regendruppels nog aanhangen, terwijl de geur van Frans gebak zich in mijn kleren nestelt.   Ik hoor het zacht kletteren van de regen op het raam in het leslokaal en bedenk dan dat Berlijn ook wel leuk is deze tijd het jaar, het moment waarop de bladeren er nog niet helemaal uit zijn of ze nog even zullen blijven hangen aan de bomen of toch maar beter loslaten. Dit is mijn favoriete jaargetijde, waarin de lengte van de dagen afneemt, waarop de roestkleurige roodoranje en bruingroene tinten zich in alle glorie laten zien.   Eindelijk klingelt de bel genadeloos pijnlijk in mijn oren. Ik spring op, waarbij mijn kousenbroek aan een nagel van de stoel blijft hangen en met een scheurend geluid een beetje wit linkerdijbeen doet verschijnen. Een ‘godverdomme’ inslikkend, grabbel ik snel mijn Star Wars rugzak van de grond en loop achter de andere aanwezige ‘Aardrijkbewoners’ het lokaal uit.   Ik stap snel het schoolplein over, de open poort door, tot het gejoel eindelijk zachter wordt. Ik heb geen mama die mij opwacht, mij een helm opzet, een veel te grote fluojas aandoet en me dan plots een boze blik toewerpt vanonder half opgetrokken wenkbrauwen, bij het zien van mijn gescheurde kousenbroek. Voor mij staat daar niemand die zegt dat er thuis lekkere cake in de oven wacht, terwijl ze mij bij de hand neemt. Niemand om naartoe te huppelen.   Dus huppel ik voorzichtig verder naar waar ik niet voel dat er niemand is.   Enkele straten verder verschijnt in mijn ooghoek eindelijk het prachtige gebouw, met de warmrode bakstenen en hoge, rond gewelfde ramen. Aan de muur hangen grote staven die wapperende vlaggen vasthouden. De grote glazen deuren schuiven voor mij open. Ik stap binnen en blijf enkele seconden aarzelen in de inkomhal. Hierbinnen is het droog, lauwwarm en het licht heeft de kleur van zonnebloemen in de ondergaande zon. Meestal ruikt het hier naar warme chocomelk en kaneelkoekjes, maar op woensdagen hangt hier ook een zweem ‘Eau de Lily’ in de lucht, wanneer Aangename Agatha komt werken. De enige geluiden hier zijn gedempte stemmen, af en toe een haastig afgedrukte beltoon, ritselende rugzakken en het kartonachtige geluid van bladzijden die omgeslagen worden.   Ik loop naar links, de balie voorbij, recht naar achter, waar de A begint. Daar staat in een kleine hoek een donkerbruine leren sofa, waarin alle eenzaamheid verdwijnt. Ik zet mijn rugzak neer, loop naar het rek met de letter B en neem het ‘Klein Zwart Verhalenboek’ van A.S. Byatt uit de rekken. Ik loop snel terug, vlij me in de zetel en sla het boek open op de bladzijde waar ik gisteren was gebleven. In dit kortverhaal verandert een vrouw langzaam in een levend monument van stenen en mineralen. Ze leert een beeldhouwer kennen die haar meeneemt naar IJsland, waar hij haar verhalen vertelt over de Trollen in de bergen. Bij het lezen voel ik de tijd en ruimte verschuiven en ben ik daar ook. Ik zie ik de trollen en ruik de mist boven bevroren meren. Vanuit deze magische zetel voel ik de snijdende kou van de winterbergen over mijn vingers kruipen.   Dit is waar ik nu en altijd wil zijn, in deze diepdonkere zetel, op dit moment en alle andere. Dit is de plek vanwaar ik naar alle mogelijke plekken kan gaan,    dit is de ‘B.I.B’.:                                       ‘Bovenaardse Intrapsychische Bestemmingen’.                                                                     Welkom.    

Karolien Daems
30 0

verloren woorden (een verslag)

als grootvader sprak, luisterden de vogels vergezichten verrezen voor zijn ogen uit hun afgrond, er waren bergen, bergen van ijs te meer ze versmolten, te meer bevroor het hart van de samenleving dorpen werden schiereilanden, hun inwoners dreven verder en verder van elkaar weg runderen die over dit oppervlak heersten, vielen ten prooi aan fijnproeverij op porseleinen borden gevogelte scharrelde verwoed in vuilnisemmers, als ooit een kuiken uit een kinderhand bossen verkommerden als een kamerplantje op de vensterbank, akkers verdronken in een geurende, verzuurde vijver kantoorgebouwen teerden naar hartenlust op deze kwetsbare ondergrond straten werden als een studentenkamer door de laatste feestgangers verlaten danszalen werden kraakpanden en kraakpanden danszalen iemand moet zich evenzeer als een verloren kind op het land hebben gevoeld de wind kreunde een oerschreeuw verbrak het zwijgen de huid van de aarde verkrimpte als een dame op latere leeftijd beken stroomden als verkleurde aders door het landschap sneeuwwater werd in overvloed op een hoorntje gegoten er werd hardop gezucht verdriet was nog te lezen in de ogen van ouderen op een bankje of achter het gordijn van een vensterraam op eindeloze straten grootvader las een boek er is een grot waar alle water samenstroomt, het is de schatkamer van het verleden kleinzoon dronk er met een rietje uit hij had wel andere zorgen er stond een koper aan de deur nieuwsgierige aasdieren stortten gretig op hun ouderwetse bereidwilligheid dierbare herinneringen werden al snel een gebruiksgoed de laatste van hun soort soms onderbrak grootvader zijn weinige woorden dan keek hij zover over de wereld tot niemand nog geloofde dat hij het niet meer zag het landschap verkruimelde, een dapper struikje weerstond de weerbarstige wind grootvaders vingers vertakten, verloren hun grip op een omgeving die ooit dermate vanzelfsprekend was zaden van het struikje vervlogen vruchteloos in de storm hij was hier geboren, op deze houtstronk boven de laatste pijler van een verdorven samenleving het dorpsgebeuren speelde nog iedere dag door zijn vertimmerde geest zijn verkneukelde handen hielden nog even hard vast aan zijn vrouw als op die vreugdige zomerdag in juli, toen ze elkaar verzochten het leven samen door te brengen geen van beiden vroeg zich sinds die dag nog af waarom, dat laatste paar dromen had hij nog aan niemand verkocht tegenwoordig is iedereen voortdurend onderweg grootvader las verder het streven naar de waarheid de mensheid werd grootmoedig, durfde zo lang in het licht staren dat hij zichzelf de ogen uitstak zijn hand strekte zich naar de zon als een gebruiker naar zijn middel, als een psychoot naar zijn hallucinatie zolang hij de leugen ervan kon ontkennen, vergreep hij zich eraan een pijnlijke misvatting de mensheid verbrandde zich dermate aan de waarheid, tot zijn vingers zich verweerden als een houthakkershand mens trok zich niet terug verdwaasd door het gouden schitterlicht aan de bovenlucht, verruilde hij het dierbaarste wat hij had om de leugen in stand te houden mens zou zijn laatste kruimel hebben verpand tot er niets dan het ontkennen overbleef, tot de leugen zijn waarheid werd er kwam de man die nuchter in het leven stond hij probeerde vergeefs een gesprek aan te knopen met de mens in de goot, tikte verwoed op zijn schouder tot hij zeker wist dat er geen antwoord meer kwam de mensheid werd afgevoerd naar wat er ook van worden zal onderweg liep de man door straten van zwervers en bedelaars bij elke munt die hen toewierp woedde er een oorlog in hemzelf hoe was het zover kunnen komen en wat maakte hen anders dan hemzelf? hij liep nog een kroeg binnen en strompelde verder naar huis daar trof hij zijn grootvader, schijnbaar nietsvermoedend aan een limonade slurpend dat was wanneer de brand ontaardde mensen liepen elkaar voor de voeten in hun vlucht voor het vuur grootvader liet hen begaan, hij wist beter de kaarten lagen reeds op tafel grootmoeder grijnsde bitter ze was op een dwaalspoor gezet in haar hoofd weergalmden de woorden van een oude priester op een doordeweekse zondagochtend in een veel te koude kerk wie het goede wil verkrijgen, moet het kwade omarmen er was geen ontkomen meer aan sommigen stortten zich reeds in hun afgrond, anderen ploeterden verder in de mensenstroom roes vespreidde zich als een giftige damp over de samenleving de laatste middelen werden een gegeerd goed onder de rijken dat was voor de lucht verduisterde de stem van kleinzoon stokte grootvader slurpte verder de maan zag er dermate gevaarlijk uit die avond buiten gebeurde er veel mensen liepen verdwaasd door de straten, hun kreten werden gesmoord door het vensterraam soms steeg een integer gehuil boven de muren uit er moest weer iemand verloren zijn schouders werden opgehaald, anderen knielden in verslagenheid dan kwam het een bewustzijn trad in als een politiehorde over verboden plaatsen terugkeer was onmogelijk, alle vluchtwegen waren afgesloten gedachten omcirkelden als speurende helikopters het hoofd van kleinzoon nog voor hij zijn schuld kon bekennen, werd de moed hem ontnomen als een geldbeugel op heldere dag, maar iedereen was slachtoffer, tegen dergelijk oordeel was geen beroep de wereld grijnsde als een bankier die net een klant over de vloer had gehad haar wraaklust was bevredigd, maar de schade was onherstelbaar en kon niet meer worden terugbetaald een symbolische munt werd nooit meer uit de riolering opgevist die dag verscheen de zon verlegener dan ooit aan de horizon desondanks kwam er een nieuwe goedemorgen, een gebed voor de maaltijd, een overvolle wasmand, een niet te overziene vaat, vermoeide ogen en een gebroken ruggegraat een verhaaltje voor het slapengaan, een troostende kus op het voorhoofd van nog hoopvolle kinderen eens het zwijgen was hersteld, vervolgde grootvader zijn dag en grootmoeder haar taken had ik het niet gezegd die avond trok grootmoeder hem nog eens dicht tegen zich aan zo mag het voor mij eindigen een waakzame grootvader keek op van zijn limonade alsof hij op dit moment had gewacht hij wees naar zijn lege glas, grootmoeder schonk nog eens vol kleinzoon keek verstard uit het vensterraam op de achtergrond golfde het land in eb en vloed voor het overige was echter alles verdwenen grootmoeder sprak voor kinderen en kleinkinderen haar woorden drentelden rond de tafel als zijzelf ze verhief haar stem als een lepel maar haar spreuken verkruimelden, beschuit in de soep ik was er enkel om te luisteren als een dief op de trap verzamelde ik flarden maar haar wijsheid was ongrijpbaar, haar schort grootmoeder sprak zoals ze breidde diezelfde avond trok ze me echter dichter bij haar ze fluisterde als een buurmeisje over de struiken grootvader staarde schijnbaar goedkeurend vanonder zijn vermoeide ogen ze legde haar breiwerk voor me uit het was kleurrijk, een venster op een herfstige buitenwereld het zijn niet zozeer de kleuren die vervagen maar de patronen die vervelen ze wierp een vinger naar het venster en huiverde minder dan ooit tevoren de wereld vergrijst maar spreuken keren terug als de jaargetijden waarvan ze beweren dat ze verdwenen zijn vroeger was het beter zei mijn grootvader al, die zelf met zijn voeten in de strond stond te ploeteren haar woordenstroom stokte als een breiwerk waar even van opgekeken werd ze verdraaide de vingers rond de volumeknop van haar radio alsof ze daar de draad had laten vallen tranen liet ze echter minder dat werd mijn grootmoeder ik legde haar de woorden in de mond als een vals gebit in een glas bruisend water, een luisterdief op de trap tegenwoordig ben ik dichter onschuldige voorbijgangers worden onderworpen aan mijn verhaal ik spreek voor kenners en verwanten, verhef mijn stem als de pen die meer en meer spreekwoordelijk wordt, verwaarloos mijn gedicht de loodgieter vond toch ook het warm water niet uit? de dichter sprak zoals grootmoeder breidde vanavond laat ik haar tranen

Robijn Bodijn
34 0

DE FEESTDAGEN STAAN WEER VOOR DE DEUR

Deze ochtend zei manlief zo tussen neus en lippen:” Lap, ’t is weeral december, en de feestdagen staan weeral voor de deur.”  Ik denderde de trap af en trok de voordeur open juist op het moment dat een witgehandschoende hand, met rode robijnring, de vinger op de bel wou zetten. Daar stond hij dan, Sinterklaas met naast hem een op en neer wippende Zwarte Piet. Het leek of hij heel dringend moest plassen. De Sint wees met opgetrokken wenkbrauwen naar zijn witte schimmel, die hij aan onze brievenbus vastgemaakt had. “Of ze misschien gewoon langs de voordeur tot aan de schouw mochten gaan?” Toen ik hem naar het waarom vroeg, antwoordde hij dat het voor hen al lang geen pretje meer was om via de daken naar al die brave kindertjes te gaan. Ten eerste waren al die daken in Vlaanderen in een avonturenparcours veranderd. Overal lagen er bergen isolatiemateriaal op Poolse dakwerkers te wachten of  waren de daken met zonnepanelen versierd. Geen enkel paard dat nog zonder ongelukjes tot aan de schouw zou kunnen trappen. En dan hij, die goede brave Sint, die massa’s geld uitgaf om het kleine grut te belonen, met een zware verzekeringsclaim terug naar Spanje zeker! Ook had hij al een tijdje in het oog dat men op dit adres vlijtig een houtvoorraad door de schouw aan het jagen was. “Wat was daar de bedoeling van?” “Wel Sint, sorry hoor, maar wij hadden nog zo’n stapel openhaardhout in ons keldertje liggen en die willen we eventjes snel opbranden alvorens die tjevenminister een nieuw openhaard- en houtkachelbelasting uitvindt. Vroeger keken we dromerig in de houtvlammen en lagen we er romantisch op een lamsvelletje voor, maar we zijn al een beetje veel op de seniorenleeftijd en moesten we dit nu nog doen, dan kwamen we niet meer recht!” “Oké, oké, zei de Sint, maar is Zwarte Piet bij jullie nog steeds welkom, want verdorie ’t is me wat met al die herrie! Piet is mijn beste vriend en zelfs dat gunnen die herriemakers de kindjes niet meer. Kom uit de weg. Piet heb je de cadeautjes bij, want straks komen hier twee kleinkindjes die wel wat lekkers verwachten. Terwijl Sinterklaas en Zwarte Piet de trap ophollen, proberen twee feestdagen tegelijk door de deur te drammen. “Helaba, jullie twee, wat is hier de bedoeling van? Awel ik ben jouw verjaardag en die opdonder die zo tegen mij aanschurkt is Valentina’s verjaardagsfeest”.  Het was die ongeduldige oplawaai bijna gelukt om dezelfde dag ter wereld te komen. Ik heb er alles aan gedaan om, terwijl je schoondochtertje lag te persen, de boel tot na middernacht terug naar boven te duwen, zodat jullie twee verjaardagspartijtjes zouden hebben, maar ja, duidelijk mislukt, want nu vieren ze alsnog samen…grrr! Ze  proberen mij voor de deur weg te drukken. “Is het nu gedaan, roep ik, jullie moeten nog zo’n twee weekjes wachten en dan maar eerst kan ik jullie doorlaten”. Pruttelend doen ze een stapje opzij. Daar staat in vol ornaat de dikbuikige Kerstman. “Ho, ho, ho, ik dacht ik vertrek een beetje vroeger, want het is tegenwoordig geen kattenpis met die files om met een slee rendieren tot hier te komen”!  Maar Kerstman, vliegen jullie niet gewoon door de lucht?” Ho, ho,ho, ik vertrok nog maar met een grote boog over de aarde, of twee Russische straaljager, vlogen ons bijna omver en deden teken, dat wij niet door hun luchtruim mochten vliegen. Daarna werden wij boven Oekraïne bijna uit de hemel geschoten omdat ze daar dachten dat wij Poetinbommen waren. Toen kwamen wij aan Europa aan en daar hebben ze de buitengrenzen ondertussen zo hoog met glazen wanden opgetrokken om alles en iedereen buiten te houden. Petatboem, mijn liefste rendier, Rudolf met zijn smikkel tegen de omheining. Zijn neus knalrood van de botsing. We besloten dan maar om gewoon over de baan verder te rijden, maar als het geen trein vrachtwagens zijn, dan zijn het wel een roedel gele hesjesanarchisten of een bende stakende arbeiders die de boel vertroebelen. Dus ja, ik sta wat vroeger in je voortuin en zie gelijk dat die andere heilige wel naar binnen mag en ik niet”. “Maar Kerstman, onze kerstboom staat nog niet, waar ga je dan al die pakjes leggen?”  Oké, ik zal ondertussen wat kerstmarkten afschuimen, tot je die boom opgetuigd hebt. Maar jullie zijn toch niet van dat soort, dat eerst nog naar die middernachtmis gaat om zo’n halfnaakte stenen babypop te bejubelen, die volgens velen op die dag geboren zou zijn hé! Sprookjes daar doen wij niet aan mee hoor! De Kerstman sleet de straat uit, maar daar staat een reuzengroot 2019, met flessen champagne en vuurwerk te drammen. Miljaar, bijna weer een jaar erbij. “Nu moet je eens goed horen, Nieuwjaar, roep ik, alles op zijn tijd. Bol het maar af en kom binnen vier weken nog eens terug en ik zwier de voordeur met een smak dicht. Sinterklaas en Zwarte Piet staan geschrokken achter mij in de gang. “Mogen wij er misschien nog eventjes door, want wat verder in de straat wonen ook nog brave kindjes hoor”.   Sim, 2 december 2019 In afwachting van twee glunderende gezichtjes van onze twee kleinkinderen.

Sim
56 0