Lezen

Paringsdans - Zilvergrijs en mauve

  Paco droeg een zilvergrijs pak met een lichte ondertoon van mauve. De kleur mauve was in de 19de eeuw toevallig uitgevonden door een achttienjarige, die zich een vakantie lang had opgesloten in een zelfgebouwd laboratorium op zolder, uit liefde voor de scheikunde en in de hoop om een middel tegen malaria te vinden. Die belangrijke uitvinding was niet gebeurd, maar hij ontdekte wel de kleurstof mauve. Het was een dure kleur en het zou even duren vooraleer ze een geliefde kleur werd bij de meest modieuze, welgestelde dames. Dat was vooral nadat een extravagante keizerin deze kleur stelselmatig was beginnen dragen, omdat ze vond dat het de kleur van haar ogen was. Maar zoals elke jeugdige schoonheid kwam ook de kleur mauve in verval en werd ze door Oscar Wilde in Het portret van Dorian Grey, gebruikt om een generatie oudere dames, die de kleur trouw waren gebleven, te duiden. ‘Vertrouw nooit een vrouw die mauve draagt’, waren zijn woorden. Paco was dan wel geen vrouw, hij was een echte vrouwengek en mauve misschien wel de perfecte kleur voor hem. Het was zijn hoge vlindergedrag dat het vertrouwen in een langdurige relatie bij het andere geslacht kelderde. De afgelopen tien jaar was het een komen en vooral gaan geweest van vrouwen. Knappe, elegante vrouwen met blonde of bruine haarlokken, rood golvend haar of zwarte krullen. Hij had ze allemaal met zijn liefde omarmd. Ze vertoefden maar wat graag in zijn buurt. De aandacht die hij gaf kende bij andere mannen geen gelijke. Zijn charme was aanstekelijk, de attente blik die ze van hem kregen deed hen zwijmelen, om nog maar te zwijgen over zijn toewijding tussen de lakens. Was het een frisse lentebries die de lakens van hun lichamen had ontdaan? Zijn handen gleden over al hun curven en benadrukte hun vrouwelijkheid met een overvloed aan strelingen, die als een onzichtbare jurk bleven nazinderen nog lang na zijn vertrek. Hij was als het ware de beschermheer van hun naaktheid en de dienaar van hun vrouwelijkheid.   Maar Paco kon ook heel erg in zichzelf gekeerd zijn. Iedereen dacht dat het kwam door die vervelende laatste vlucht tijdens zijn opleiding als F16-piloot. Hij had de schietstoel moeten gebruiken en dat betekende voor elke leerling-piloot dat hij zijn strepen wel mocht vergeten. Tot op de laatste dag was men in de opleiding keihard, oorlogshard, had men geen greintje mededogen, hoe goed de rest van het parcours ook was afgelegd. Het gevechtsvliegtuig was immers een fortuin waard, de opleiding evenzo om nog maar te zwijgen over de veiligheid die ten alle tijde moest worden gevrijwaard. In een dichtbevolkt land als België had een dergelijk manoeuvre burgerlevens kunnen kosten.   Het groepje dat na vier jaar training was overgebleven had al plannen gemaakt. Ze hingen aan mekaar, kenden elkaars zielenroerselen, waren makkers voor het leven geworden. Velen hadden de opleiding niet gehaald, maar zij die de beproevingen hadden doorstaan mochten worden beschouwd als de crème. Ze keken na deze tijd van niet-aflatende fysieke en mentale testen, theoretische examens en praktische proeven uit naar hun eigen plekje in de officiersmess. De feestelijke overhandiging van hun strepen zou een week later in uniform plaatsvinden met ‘s avond een galabal en 50-koppige jazzband. De hele legertop zou aanwezig zijn.   Maar nu was er dit voorval. Een schietstoel moeten gebruiken tijdens de opleiding betekent voor een beginnende gevechtspiloot de doodstraf. Als je piloot had willen worden had je net zo goed niet op die knop kunnen drukken, afgelopen was het sowieso. De laatste dagen voor de uitreiking was de sfeer in de groep gelaten. Zelfs zij die hun finale vlucht al goed hadden doorstaan en voor 99 procent zeker waren van hun strepen, konden er niet van genieten. Paco had zijn lot aanvaard op het ogenblik dat hij met zijn twee voeten op de grond was gekomen en zijn parachute in mekaar was beginnen rollen. Geen cockpit meer voor deze voeten, geen G-krachten, geen blauwe lucht daarboven wanneer het hele land bedolven lag onder een grijze wolkenmassa.    

Attendant Moon
0 0

Fladderflarden

Ooit waren vlinders heel gewoon. Ze hoorden er bij, net zoals de leeuweriken, de geelgorzen en de hermelijn, het ravotten in de hooilanden en de jaarlijkse appelpluk. Of hoe je iets pas gaat missen als het er niet meer is. Verstedelijkt, geïndustrialiseerd Vlaanderen biedt heel wat mogelijkheden aan de hedendaagse mens. Maar wat heeft het de natuur te bieden? En bovendien: kan het de mens ook echt geven waar hij diep vanbinnen nood aan heeft? Het is niet toevallig dat het bijna nergens meer echt stil of donker is.   Het lawaai van onze machines overstemt de alarmroep van onze ziel.   De groei-economie is een vraatzuchtige rups die weigert volwassen te worden. Heeft zij angst om haar ware potentieel te ontdekken, haar natuurlijke drang tot stabiliteit en bloei onderdrukkend?   Dat vlinders zeldzamer worden is een teken aan de wand. Zij staan symbool voor de kracht van verandering, voor het dromen van een mooiere wereld. Hun flitsende, felle kleuren kennen kinderen vandaag vaak vooral van smartphone-schermpjes. Alle inspiratie en verbinding in een doosje-van-pandora – compleet met appel-logo. Virtuele pandora-avatars vervormen de werkelijkheid. Het verhaal van de film kent meer bijval dan de werkelijkheid waarnaar het verwijst. The Matrix rules, nog steeds. Het echte leven schijt op de voorruit van je auto. Het groeit tussen de steentjes van je terras. Het verstopt je dakgoot in de herfst. En het heeft gelijk. Dat is het leven op aarde, en daar zul je het moeten mee doen. Het heeft geen enkele zin om er tegen ten strijde te trekken. Wat wel zin heeft, is om ons er weer mee te verbinden en om het juist meer ruimte te geven. Dan zingen de vogels, bloeien de bloemen en fladderen de vlinders, en wordt het leven al een pak draaglijker. Ecosystemen zijn pas efficiënt in hun complete vorm – inclusief mensen.

Anupana
0 0

De ui

Als alles altijd leeg was zou er ook geen nood zijn aan een omhulsel. Zo efficiënt is de natuur wel. Omhulsels vervullen verschillende functies: ze beschermen iets essentieels (bv. onze ribben, een zaaddoosje van een klaproos of het omhulsel van een kokosnoot). Wie een ui pelt komt uiteindelijk uit op zijn groeipunt. Alle lagen er rond vormen reservevoedsel. Als je die lagen verwijdert, kan de ui echter niet meer uitgroeien tot een sterke plant. Als we onze eigen lagen afpellen komen we ook zoiets tegen. Moeten we wel iets proberen afpellen dat op zijn eigen tijd wel zal ontluiken?   Niet vanbuitenuit, maar van binnenuit komen groei-impulsen. Wie een rups ontleedt, zal daar geen vlinder vinden. De kern van alles is niet niets, maar is evenmin tastbaar. Toch kan leegte nuttig zijn - leegte voorkomt verstopping, en zorgt er voor dat iets kan stromen. In onze geest zorgt leegte er voor dat creativiteit kan stromen. In ons hart zorgt leegte er voor dat Liefde zich er kan nestelen.   Liefde heeft heel ons hart nodig en wil het zelf kunnen inrichten. Waar vooropgestelde voorwaarden zijn zal zij niet kunnen blijven. Liefde is volkomen vrij en gehoorzaamt geen enkele meester. Doch eenmaal zij zich in ons hart genesteld heeft zal zij nooit meer vertrekken. Van binnenuit kan zij ons leven en de wereld veranderen. Zij gebruikt hiervoor ons hele wezen - maar enkel als wij ons aan haar kunnen overgeven. Daar waar weerstand is, kan zij niet stromen. Leegte is dus heel belangrijk - en in de meeste gevallen de beste keuze. Maar niet alles is leegte.   Leegte is slechts een voorwaarde om het onvoorwaardelijke te kunnen ontvangen - en weer doorgeven.

Anupana
0 1

Nil Desperandum

Voor mijn vrienden, wier leven in gevaar is   Zij wonen op en in de bermen langsheen de N49, 1 van de laatste plekken waar zij nog kunnen overleven in een landschap dat voor hen als een woestijn geworden is. In de laatste 100 jaar zijn zij hun grootste vrienden en bondgenoten kwijtgeraakt – de laatsten onder de mensen die in onze streken nog in de natuur leefden. In hun velden, hooilanden, houtkanten, poelen, bosjes en akkers was het nog veilig en goed leven.   De komst van de agro-industriële landbouw heeft hun leven echter enorm veranderd. Velen redden het niet. Talloze boeren moesten met lede ogen toezien hoe hun levenswijze opeens onmogelijk geworden was. Met pijn in het hart verbraken zij de eeuwenoude overeenkomst met Gors, Leeuwerik, Putter, Hooibeestje en Bunzing. Korenbloem en Klaproos waren niet langer welkom in de graanakkers. Parelmoervlinders en Dambordjes verdwenen voorgoed uit de hooilanden. Het leven op het land werd vermoord, en de boeren waren in stille rouw. Zij waren gedoemd om voortaan door het leven te gaan als de beulen van de moderne tijd, die vele onschuldige levende wezens de dood injoegen, onder luid gejuich van de vooruitgangspredikers, die het in de coulissen op een akkoordje gegooid hadden met de grootindustrie.   Met dezelfde pijn zag ik de lievelingsboom van de Ijsvogel boven de Ede plaats maken voor steen en beton. Netjes opgeruimd en kil, zoals het hoort. Hoe de laatste leefgebiedjes van een vrolijk maar vergeten oranje vlindertje werden verkaveld. Nog steeds ga ik gebukt onder het schuldgevoel de enige vriend te zijn geweest die zij hadden, terwijl ik niets heb ondernomen om hun ondergang te voorkomen. Hopelijk vlieg je toch nog ergens rond in een vergeten bremstruweel, liefste Oranje bremspanner. Hoe 1 van de leefgebieden langs het Leopoldskanaal van enkele van mijn dierbare vrienden na jarenlang goed beheer aan zijn lot werd overgelaten, waardoor de braamstruwelen oprukten en zij er niet langer konden overleven, zonder dat er een andere plaats was voor hen om naartoe te gaan. Zij waren met vele duizenden: vuurvlinders, dagpauwogen, atalanta’s, sint-janskruidspanners, bruine blauwtjes, argusvlinders, zandoogjes en zoveel meer. Zij waren mijn beste vrienden in die tijd, en ook hen liet ik in de steek.   Deze vrienden zijn herinneringen aan de wortels van onze cultuur. Zij vertellen elk hun eigen verhaal – verhalen waar echter niet meer naar geluisterd wordt, door de enorme ruis die onze gejaagde samenleving voortbrengt. Nietsvermoedende automobilisten razen me verbaasd voorbij wanneer ik bij mijn vrienden langs de Expresweg op bezoek ben. Voor hen bestaan zij al niet meer – zij hebben geen plaats meer in hun leven, laat staan dat zij hen ‘vrienden’ zouden noemen. De berm is een plaats waar automobilisten niet willen terecht komen, het is hoogstens een plek waar zij hun afval denken kwijt te kunnen of snel even een plasje kunnen doen alvorens weer verder te reizen, als onrustige nomaden op zoek naar een oase van geluk, die echter keer op keer een luchtspiegeling blijkt te zijn.   Dit is een pleidooi voor mijn vrienden, die ook recht van leven hebben. De meest prominente onder hen is de Vijfvlek-sint-jansvlinder. Met vele honderden leven zij langs het korte stukje wegberm tussen de Expresweg en de Rapenbrugstraat Noord, samen met enkele tientallen vuurvlinders, bruine blauwtjes en icarusblauwtjes. Ook nu weer zijn zij in gevaar door de nakende uitbreiding van de nomadenroute. Hun overleving staat op het spel, en weer ben ik hun enige vriend. Dit hoeft echter niet zo te blijven. Misschien wil jij hen ook wel wat beter leren kennen, en klikt het wel als je hen ontmoet. Ze wonen misschien ook nog in jouw buurt. Ze kunnen in elk geval meer vrienden gebruiken – zij zitten immers niet op facebook.    

Anupana
9 0

Dag 3

Dag 3   De doodgereden kraai begint stilaan te ontbinden, en iemand die hem die eerste dag niet gezien heeft, zou er ondertussen moeite mee hebben de soort van de zwarte vogel te onderscheiden. Zou het beest ooit geweten hebben dat het op een dag zo platgereden op een onverschillige asfaltweg zou liggen?   Ik fiets verder op de ongelijke stenen van het fietspad. De vlaggen die aan de supermarkt ophangen, zijn als tongen. Tongen die driftig bewegen tegen mijn fietsrichting in. Ik passeer het appartementsgebouw waar mijn lief ooit seks heeft gehad met een vriendin van mij. En hoewel spontane verontwaardiging opborrelt, gebeurde dat lang voor ik er was -misschien is dat het wel; dat ik niet bestond, er niet was-. Voor hen is de herinnering waarschijnlijk al verder vergaan dan die kraai die hier ligt, maar hij werd nieuw leven ingeblazen door mijn fantasie. De herinnering, tenminste. De kraai nieuw leven inblazen zou niet zo simpel zijn. Gelukkig maar.   Thuis zit ik voor mijn bureau in de kamer met zijn nauwe muren. Ik kijk naar het witte bureaublad. Mokkakleurige koffiekringen en wat niet te definiëren andere vlekjes. Een dood vliegje. Verder rommel in de vorm van pennenzakjes, boeken, papiertjes, blocnotes, en zo meer. En waarschijnlijk nog méér.   Aan tafel wordt er opnieuw gediscussieerd tussen J. en M., maar lang geleden al heb ik het opgegeven mij te bekommeren om welke mening er nu weer door het slijk wordt gehaald. Vaak eindigen die discussies in tranen, maar dan ben ik al lang weer naar boven gevlogen. De meesten van het gezelschap, trouwens. In gauweten blinken we uit.   ‘s Avonds maak ik een lange wandeling; tegen beter weten in geloof ik dat ik na de beweging snel zal kunnen inslapen die avond. Tegen beter weten in. Wat de daaropvolgende nacht nog maar eens bewees.   Die nachten tel ik de houten latjes van het plafond. Tel ik het aantal blaadjes die een gemiddelde tak van de krulvaren op mijn kamer telt. Tel ik hoeveel zinnen ik die dag ongeveer zou hebben uitgesproken, soms ook de woorden, maar dat doe ik altijd pas na het aantal zinnen. Dat tellen, dat gebeurde enkel in de goede nachten. Het kon erger.   Dag 4   Ik wachtte de hele nacht op hét Licht, maar de volgende dag is zo grauw dat ik beter had geslapen dan zitten wachten op licht dat zich niet liet zien. àls ik had kunnen slapen.  Fijne motregen valt als draadjes uit de lucht. Ik besluit te fietsen, maar wel in regenpak. Ik moet de putten in de weg nog tellen. Ik moet de windrichting van de waaiende vlaggen bepalen. Ik moet de kraai nog monsteren. Het karkas van de kraai, bedoel ik. Ik moet naar de les, want ik heb een diploma nodig. Ik moet heel veel, maar ik moet vooral dankbaar zijn dat het allemaal kan. Ja Ja Ja Ja Ja.   Snot druipt uit mijn neus door de koude wanneer ik het gesloopte flatgebouw passeer. Dat betekent dat ik in de buurt van de school kom. Ik lach naar een vent, maar hij draait zijn hoofd als hij het ziet.   ….   Ik rijd naar huis. Zo kortgeleden lijkt het dat ik de fietstocht hierheen ondernam en ik ben alweer op pad.  Ik fiets langs het dok. Vroeger kon je als je gewoon op het fietspad rechtdoor bleef rijden recht het donkere water infietsen. Alsof het duistere water van het dok vanzelfsprekend de bestemming was. Nu hebben ze er hekken voor gezet.   Dag 5   Gisteren was de regen vergelijkbaar met fijne draden, maar vandaag valt ze met bakken uit de lucht.  ‘Zo kan je niet fietsen’, stelt M. Al voel ik meteen een onwillig gevoel opborrelen en heb ik zin tegendraads te doen en toch door de regen te fietsen, zelfs ik begrijp dat je inderdaad zo niet kan fietsen.  Dus neem ik de lijnbus. Bedompt en met aangedampte ruiten komt ze aanrijden. De bus is vol en ik schamp met mijn rugzak tegen iemands rug. Boos gesis. Ik draai me niet om, ‘s morgens vroeg is niet het moment om met vieze adem ruzie te staan maken over iets waar niemand zich feitelijk druk om zou hoeven te maken. Ik probeer me zo min mogelijk te concentreren op de geur van ongewassen lijven en tanden en nog minder op het feit dat er nergens verluchting is in deze bus, en ik straks dus waarschijnlijk zal ruiken naar dit openbare vervoer.   …   Ik kan uren in de bibliotheek blijven zitten om de terugweg zo lang mogelijk uit te stellen, maar ooit moet ik natuurlijk wel weer terug op huis an, zoals ze zeggen.   Lege ogen van mensen die eerder bij de bus zijn geraakt dan ik, staren mij aan. Vooral de oude mensen kijken hol uit hun ogen.   Ik heb zeven nachten niet geslapen en begin mensen soms in hun reeds ontbonden vorm te zien. Dat is eng, maar ook behoorlijk interessant.   Twee zwarte kinderen stappen in. Ze zijn behoorlijk jong. Het jongste kind huilt. Nogal hard. In mijn oren voel ik een dwingend piepgeluid. Ach ja ook, ik was vergeten dat ik geen hard lawaai verdraag.   De man achter mij maakt bezwaar. Hij steekt een hele tirade af tegen het kind dat het huilende kind vergezelt. Dat hij ervoor moet zorgen dat dat kind kapt met huilen. Maar zo zegt hij het niet. Hij roept. Zijn taalgebruik is waardeloos. Even vraag ik me af waar hij zo heeft leren spreken.   ‘Excuseer’, probeer ik tussen zijn tirade te komen. Hij geeft me niet de kans, maar richt zijn bliksemende frustraties nu op mij. Alsof ik dat kind aan het huilen heb gebracht. Alsof ik ertegen kan. ‘Nu moet u even luisteren’, zeg ik. Ik gebruik nog steeds een beleefde aanspreking. Terwijl de rotvent me intussen uitscheldt voor stronterige bakvis.   Maar hij luistert niet. Hij is onwilliger dan ik vanmorgen tegenover M. en nog onwilliger dan mijn slaap ‘s nachts.   Ik voel hoe ik opsta, maar ‘t gaat vooral vanzelf.   Wanneer de man op de grond valt na de enorme vuistslag die ik hem midden in zijn lelijke tronie heb gegeven, kom ik weer bij bewustzijn.   ‘gespuis’, zeg ik.    Maar ‘t blijft niet zonder gevolgen, natuurlijk. Ik heeft een diploma nodig, en ik heb eigenlijk slaap nodig, en er zijn egels en orde nodig en dan is er nog straf, dat ik nodig heb.    

Mees Ruun
0 0

Vlezige oorlellen en grote oren

Het was een doodgewone bruine kroeg die je vroeger in elk dorp vond. Er hing een intieme sfeer van huiselijke gezelligheid en geborgenheid die je alleen in zulke cafés aantreft. Het doorleefde karakter van dat staminee was authentiek en daarom niet na te bootsen. De verweerde spiegels en de zwart wit, vergeelde foto’s in de houten bruine omlijstingen deed vermoeden dat de krocht vroeger ook nog dienst had gedaan als coiffeurszaak. Tegenover een groep mannen aan de toog die luidruchtig praatten, zat een ongewoon koppel. De man, hooguit een paar jaren ouder dan ikzelf, had het muffe uiterlijk van iemand die zich in een bureau van het plaatselijke postkantoor helemaal in zijn element zou voelen. De dame die in zijn gezelschap vertoefde, was fris en fruitig. Hoewel het behaaglijk, zelfs iets te warm was, stonden twee kippen met de bek door de draad naar mij te staren. Waarom de dame in kwestie, onder die witte bloes geen bh droeg en waarom me dat opviel is vreemd maar niet geheel onlogisch omdat belangrijke details mij nu eenmaal altijd onmiddellijk in het oog springen. Net zoals de subtiele tekening van jing en jang die op haar pols, in permanente inkt was gekerfd, me ook direct was opgevallen. Hij (de man dus), had helemaal niets weg van George Clooney of van Harrison Ford en die vergelijking was een onderschatting. Zijn hoofd was veel te groot voor het kleine gezicht dat hij maar had. Het was een vreemde snijboon. Door het zware hoofd leek zijn nek te lang voor de karakterkop die hij ermee moest torsten maar het waren vooral zijn grote oorlellen die opvielen. Ze waren donzig en vlezig en er groeide dikke grijze haren op. “Eens er haar uit neus en oren groeit, is het vet van de soep”, taxeerde ik de zonderling zonder een verder aanwijsbare reden, die mijn minzaamheid zou kunnen verantwoorden. Op zijn paarse aardappelneus, die rood dooraderd was balanceerde een vierkant brilletje met beduimelde glazen. De trenchcoat die hij droeg, zat vol met vlekken en ingebrande sigarettengaten. Toch hing de jonge vrouw, van hooguit dertig vol bewondering, haast gebiologeerd aan zijn lippen, alsof hij haar de mooiste woorden toe fluisterde. Zonder aarzelen nam ik curieus plaats naast het vreemde stel. Ik was op gehoorafstand gezeten zodat ik weldra, nieuwsgierig zou kunnen achterhalen wat de snuiter allemaal te vertellen had en vooral waarom de liefelijke verschijning al haar aandacht er aan opofferde. Ik werd bediend met koffie. Of wat er moest voor doorgaan. De bak troost werd door een dame met witte schort helemaal naar de verdoemenis geholpen omdat het zwarte sap dat door de espressomachine aan de gemalen koffieboon ontwrongen was, aangelengd werd met veel te veel water. Water dat dan nog te heet was, waardoor de natuurlijke bitterheid van de boon helemaal verbrand werd. Mijn voorkeur gaat eerder uit naar ‘slow coffee’ die traag doorsijpelt in een filterzakje waardoor alle aroma’s en smaken zich op het juiste tempo vrijgeven zodat de bittere zuurte in alle schakeringen kan geproefd worden. Al dan niet met wat zoetigheid. De harde botertruffel met chocoladeschilfers die bij de zwarte leute bij geserveerd werd, compenseerde gelukkig wel ruimschoots de slapte van het brouwsel. ‘Hoe krijgt hij dat toch voor elkaar?’, dacht ik met ingehouden, niet-gespeelde jaloezie, absoluut niet wetend waarover hun conversatie ging of wat hun onderlinge relatie was. Na drie te slappe koffies en drie te harde schilfertruffels, kwam ik erachter dat de man buiten een academische ‘ik begrijp het en hoe voel je je daarbij of hoe ben je daar dan mee omgegaan’, helemaal niets te vertellen had. Met zijn veel te grote oren deed hij niets meer maar ook niets minder dan alleen maar luisteren. Naar dramatische, in trieste verhalen van een jonge dame die al veel te veel had mee gemaakt voor de jaren die nog maar op haar teller stonden. Toen ze even later de deur van de kroeg achter zich hadden dichtgetrokken en elk hun eigen weg gingen dacht ik. Het is helemaal niet door sterke verhalen te vertellen of straf uit te pakken met goed bedoeld slecht advies dat je eerlijke aandacht krijgt. Die krijg je volgens mij alleen maar door er gewoon oprecht geïnteresseerd naar te luisteren. Naar hoe ze ontstaan zijn en naar wat ze aangericht hebben. Ik bestel nog een vierde koffie en besluit ook nog maar wat verder te zwijgen. Misschien mag ik dan straks ook luisteren naar een innemend verhaal zodat ik ook kan vragen hoe je daar dan mee bent om gegaan. Misschien koop ik ook nog wel eens een oude trenchcoat met vlekken en met ingebrande sigarettengaten. Wanneer er grijze haren uit mijn neus en oren groeien.

jan pultau
11 1